|
BESLUIT van 21 december 2000, houdende regels met
betrekking tot de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder een
bedrijfstakpensioenfonds vrijstelling van de verplichte deelname aan een
bedrijfstakpensioenfonds verleent, kan verlenen, intrekt en kan
intrekken (Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst, van 11 oktober 2000, Directie Sociale
Verzekeringen, nr. SV/V&P/00/64573;
Gelet op artikel 13, derde lid, van de Wet
verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000;
De Raad van State gehoord (advies van
26 oktober 2000, nr. W12.00.0477/IV);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst,
van 18 december 2000, nr. SV/V&P/00/72196;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1. Definities
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. wet: de Wet verplichte deelneming
in een bedrijfstakpensioenfonds 2000;
b. verplichtstelling: verplichte
deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds op grond van artikel 2,
eerste lid, van de wet;
c. vrijstelling: vrijstelling,
bedoeld in artikel 13 van de wet;
d. fusie: de fusie, bedoeld in Boek
2, titel 7, afdeling 2 en 3 van het Burgerlijk Wetboek of het
samengaan van twee of meer ondernemingen via een activa- en
passivatransactie waardoor bedrijfsactiviteiten samensmelten zonder
dat een of meer van de fuserende rechtspersonen ophoudt te bestaan;
e. nieuwe werkgever: de werkgever bij
wie de werknemers voor wie vrijstelling was verleend na een fusie in
dienst komen;
f. oude werkgever: de voor een fusie
bestaande werkgever bij wie de werknemers in dienst waren voor wie
vrijstelling was verleend;
g. verplichte vrijstelling: een
vrijstelling welke is verleend op een van de gronden, bedoeld in de
artikelen 2 tot en met 5.
Artikel 1a. Termijnen
1.Een bedrijfstakpensioenfonds hanteert
bij de behandeling van de verzoeken tot vrijstelling, bedoeld in de
artikelen 2 tot en met 5 en 6, de volgende termijnen:
a. na ontvangst van het verzoek
wordt binnen twee weken beoordeeld of het verzoek in behandeling
kan worden genomen;
b. indien nodig krijgt de werkgever
vier weken om het verzoek aan te vullen;
c. nadat het verzoek in behandeling
is genomen wordt de beslissing op het verzoek binnen 6 weken
afgegeven.
2.De termijn, bedoeld in het eerste
lid, onderdeel b, wordt verlengd:
a. met 12 weken indien aan de
vrijstelling het voorschrift van een gelijkwaardige
pensioenregeling wordt verbonden, bedoeld in artikel 7, vijfde
lid; of
b. met vier weken indien een
financiële bijdrage is vereist ter vergoeding van
verzekeringstechnisch nadeel als bedoeld in artikel 7, vierde lid.
3.Nadat de werkgever, in de situatie
bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, de gegevens heeft overgelegd
beslist het bedrijfstakpensioenfonds binnen 6 weken of er sprake is
van een gelijkwaardige pensioenregeling. Indien naar het oordeel van
het bedrijfstakpensioenfonds de pensioenregeling nog niet geheel
gelijkwaardig is, krijgt de werkgever maximaal 12 weken om de
gelijkwaardigheid alsnog aan te tonen.
Artikel 2
Op verzoek van een werkgever wordt door
een bedrijfstakpensioenfonds voor alle werknemers of een deel van de
werknemers van die werkgever, met ingang van de dag dat de
verplichtstelling in werking treedt respectievelijk als gevolg van
gewijzigde bedrijfsactiviteiten op hem en zijn werknemers van toepassing
wordt, vrijstelling verleend, indien:
a. die werknemers van die werkgever
al deelnemen in een pensioenregeling die ten minste zes maanden voor
het moment van indiening van de in behandeling genomen aanvraag tot
verplichtstelling, van kracht was; of
b. indien de werkgever voor die
werknemers al een pensioenvoorziening heeft getroffen die al ten
minste zes maanden voor het moment dat de verplichtstelling op hem
en zijn werknemers van toepassing wordt, van kracht was.
Artikel 3. Vrijstelling in verband met
groepsvorming
1.Op verzoek van een werkgever wordt
door een bedrijfstakpensioenfonds voor alle werknemers of een deel van
de werknemers van die werkgever vrijstelling verleend indien die
werkgever deel uitmaakt of deel is gaan uitmaken van een groep en:
a. bij de groepsvorming zowel de
bij het arbeidsvoorwaardenoverleg van die werkgever betrokken
vakorganisaties als de bij het arbeidsvoorwaardenoverleg van de
groep betrokken vakorganisaties, betrokken zijn geweest;
b. de groep al een
pensioenvoorziening heeft, die in overleg met de bij het
arbeidsvoorwaardenoverleg betrokken vakorganisaties tot stand is
gekomen;
c. bij de groep op de dag waarop
het verzoek om vrijstelling wordt ingediend ten minste 100
werknemers werkzaam zijn die niet in het desbetreffende
bedrijfstakpensioenfonds deelnemen;
d. het aantal actieve deelnemers
waarop de pensioenvoorziening van de groep van toepassing is, op
de dag waarop het verzoek om vrijstelling wordt ingediend ten
minste 25% dan wel ten minste 50 actieve deelnemers meer bedraagt,
dan het aantal werknemers waarvoor de vrijstelling wordt gevraagd;
en
e. het verzoek om vrijstelling
tevens wordt gedaan door of namens de groep en de vakorganisaties,
bedoeld in onderdeel b.
2.Onder groep als bedoeld in het eerste
lid wordt verstaan een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 4. Vrijstelling in verband met
eigen cao
Op verzoek van een werkgever wordt door
een bedrijfstakpensioenfonds voor alle werknemers of een deel van de
werknemers van die werkgever vrijstelling verleend voorzover een besluit
tot algemeenverbindendverklaring van bepalingen van een collectieve
arbeidsovereenkomst op die werkgever niet van toepassing is of, indien
dat besluit wel op hem en zijn werknemers van toepassing is, voorzover
hij hiervan vrijstelling heeft gekregen en met de bij het
arbeidsvoorwaardenoverleg betrokken vakorganisaties een afzonderlijke
pensioenvoorziening is overeengekomen. Het verzoek om vrijstelling wordt
mede door of namens de bij het arbeidsvoorwaardenoverleg betrokken
vakorganisaties gedaan.
Artikel 5. Vrijstelling in verband met
onvoldoende beleggingsrendement
1.Op verzoek van een werkgever wordt
door een bedrijfstakpensioenfonds voor alle werknemers of een deel van
de werknemers van die werkgever vrijstelling verleend indien:
a. uit de performancetoets,
uitgevoerd over een periode van 5 kalenderjaren aan de hand van
bijlage 1 bij deze regeling, blijkt dat het feitelijk behaalde
beleggingsrendement van het bedrijfstakpensioenfonds in negatieve
zin aanzienlijk afwijkt van het rendement van de door het fonds
vastgestelde normportefeuille waarbij van een aanzienlijke
afwijking in negatieve zin sprake is indien de uitkomst van de
berekening van de performancetoets, nadat bij die uitkomst 1,28 is
opgeteld, negatief is;
b. blijkt dat het
bedrijfstakpensioenfonds niet of in onvoldoende mate heeft voldaan
aan het tweede of derde lid; of
c. blijkt dat het
bedrijfstakpensioenfonds, indien het vierde lid is toegepast, niet
of in onvoldoende mate heeft voldaan aan dat vierde lid.
2.Ten behoeve van de performancetoets,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt door het bestuur van het
bedrijfstakpensioenfonds jaarlijks het beleggingsbeleid voor het
daarop volgende kalenderjaar vastgesteld waarbij een adequate
verdeling van de beleggingen is gemaakt in vastrentende en zakelijke
waarden. Van een adequate verdeling tussen vastrentende en zakelijke
waarden is sprake indien aannemelijk gemaakt kan worden dat die
verdeling:
a. is bepaald in samenhang met het
financieringsbeleid en is afgestemd op de pensioenverplichtingen,
daarbij inbegrepen de reglementaire indexatieverplichtingen
rekening houdend met het tot dan toe terzake gevoerde beleid,
zodanig dat dit over een lange termijn leidt tot een lage premie
en een stabiel premieverloop;
b. is gekozen op basis van
projecties die gebaseerd zijn op realistische en onderling
consistente veronderstellingen; en
c. de toets op toereikendheid ten
aanzien van de continue dekking van de verworven aanspraken,
uitgaande van prudente veronderstellingen, heeft doorstaan.
3.De normportefeuille, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a, wordt jaarlijks door het bestuur van het
bedrijfstakpensioenfonds voor het daarop volgende kalenderjaar
vastgesteld en is gebaseerd op de in het tweede lid bedoelde verdeling
van beleggingen in vastrentende waarden en zakelijke waarden, waarbij
deze verdeling verder onderverdeeld wordt naar beleggingscategorieën
en landen of sectoren waarin belegd wordt en waarbij deze
onderverdeling voorzien wordt van herbeleggingsindices voor het daarop
volgende jaar die breed samengesteld, belegbaar en objectief meetbaar
zijn. Indien geen representatieve openbare herbeleggingsindex bestaat
of van toepassing is, kan een representatieve lokale rentemarktindex
vermeerderd met 1 procentpunt of een representatieve niet-openbare
herbeleggingsindex worden gebruikt. Bij de vaststelling van de
normportefeuille geeft het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds
aan welk beleid wordt gehanteerd voor de periodieke herschikking van
de in de normportefeuille vastgelegde verdeling in vastrentende en
zakelijke waarden.
4.In afwijking van het tweede en derde
lid kan het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds een eenmaal
vastgesteld beleggingsbeleid respectievelijk vastgestelde
normportefeuille in de loop van een jaar voor het op dat moment nog
resterende deel van dat jaar maximaal twee maal opnieuw vaststellen
indien door een onvoorziene substantiële wijziging in de
verplichtingenstructuur of door een substantiële wijziging in de
waarde van de beleggingen niet langer sprake is van een adequate
verdeling tussen vastrentende en zakelijke waarden als bedoeld in het
tweede en derde lid. Aan het besluit tot hernieuwde vaststelling ligt
een risico-analyse ten grondslag waarbij ook de verplichtingen van het
bedrijfstakpensioenfonds zijn betrokken.
5.Het bestuur van het
bedrijfstakpensioenfonds:
a. deelt op verzoek vanaf 1 april
van het desbetreffende jaar schriftelijk mee welk beleggingsbeleid
als bedoeld in het tweede lid het heeft gekozen waarbij de
gemaakte keuzen met een toelichting zijn onderbouwd;
b. overlegt op verzoek vanaf 1
april van het desbetreffende jaar een verklaring van een externe
accountant die voldoet aan artikel 393, lid 1, van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek, waaruit blijkt dat een normportefeuille als
bedoeld in het derde lid is vastgesteld en voorzien is van een
toelichting waarbij de gemaakte keuzen zijn onderbouwd;
c. deelt op verzoek vanaf 1 januari
schriftelijk mee welke normportefeuille als bedoeld in het derde
lid het over het daaraan voorafgaande jaar had gekozen waarbij de
gemaakte keuzen met een toelichting zijn onderbouwd;
d. stelt op verzoek vanaf 1 april
de over het voorafgaande jaar gehanteerde niet-openbare
herbeleggingsindices, bedoeld in het derde lid, ter beschikking
zonder hiervoor op enigerlei wijze kosten in rekening te brengen;
e. deelt op verzoek vanaf 1 april
schriftelijk het feitelijk rendement van het
bedrijfstakpensioenfonds en het rendement van de gekozen
normportefeuille als bedoeld in punt 3 van bijlage 1 bij deze
regeling mee;
f. deelt op verzoek vanaf 1 april
schriftelijk de uitkomst van de berekening als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a, mee; en
g. doet, in het geval het
beleggingsbeleid en de normportefeuille opnieuw zijn vastgesteld
als bedoeld in het vierde lid,
1°. de mededeling, bedoeld in
onderdeel a, vanaf de 15e dag na totstandkoming van het nieuwe
beleggingsbeleid;
2°. de verklaring, bedoeld in
onderdeel b, vanaf de 15e dag na totstandkoming van de nieuwe
normportefeuille;
3°. een mededeling van het
opnieuw vaststellen van het beleggingsbeleid en de
normportefeuille in de Staatscourant uiterlijk de 15e dag na
de vaststelling; en
4°. de aan het
bedrijfspensioenfonds deelnemende werkgevers binnen 2 maanden
na het opnieuw vaststellen van het beleggingsbeleid en de
normportefeuille een schriftelijke mededeling toekomen.
6.Dit artikel is niet van toepassing op
een bedrijfstakpensioenfonds voorzover dat bedrijfstakpensioenfonds
herverzekerd is zonder een gesepareerd beleggingsdepot. Indien een
bedrijfstakpensioenfonds gedeeltelijk herverzekerd is zonder een
gesepareerd beleggingsdepot is dit artikel niet van toepassing op dit
herverzekerde gedeelte. In deze gevallen wordt, in afwijking van het
eerste lid, aan een werkgever slechts vrijstelling verleend indien het
bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds bij het sluiten van de
herverzekeringsovereenkomst niet of onvoldoende heeft getoetst of het
beleggingsbeleid van de verzekeraar voldoet aan het tweede lid.
Artikel 5a. Performancetoets na fusie van
bedrijfstakpensioenfondsen
Voor de performancetoets, bedoeld in
artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van een bedrijfstakpensioenfonds dat
is ontstaan door de fusie van twee of meer bedrijfstakpensioenfondsen
waarop artikel 5, zesde lid niet van toepassing is, wordt, voor de
kalenderjaren vóór de fusie, gebruik gemaakt van de gegevens van de
gefuseerde bedrijfstakpensioenfondsen waarbij de verhouding tussen deze
gegevens gelijk is aan de verhouding tussen de totale vermogens van de
gefuseerde bedrijfstakpensioenfondsen ten tijde van de fusie.
Artikel 6. Vrijstelling om andere redenen
Op verzoek van een werkgever kan door het
bedrijfstakpensioenfonds voor alle werknemers of een deel van de
werknemers van die werkgever ook om andere redenen dan genoemd in de
artikelen 2, 3, eerste lid, 4 en 5, eerste lid, vrijstelling worden
verleend.
Artikel 7. Voorschriften bij het verlenen
van vrijstelling
1. Aan de vrijstelling kunnen door het
bedrijfstakpensioenfonds voorschriften worden verbonden ter
verzekering van een goede uitvoering van de wet.
2. Aan de vrijstelling wordt door het
bedrijfstakpensioenfonds het voorschrift verbonden dat de werkgever
of, in het geval pensioenrechten worden ontleend aan een
ondernemingspensioenfonds of een ander bedrijfstakpensioenfonds, het
bestuur van het desbetreffende fonds, aan De Nederlandsche Bank en aan
het bestuur van het bedrijfstakpensioenfonds dat vrijstelling verleent
inlichtingen zal verstrekken, die De Nederlandsche Bank of
laatstgenoemd bestuur ter verzekering van een goede uitvoering van de
wet verlangt. De inlichtingen worden desgewenst schriftelijk en door
middel van ingevulde en ondertekende formulieren binnen een door De
Nederlandsche Bank onderscheidenlijk door bedoeld bestuur,
schriftelijk te stellen termijn verstrekt.
3. Aan de vrijstelling wordt door het
bedrijfstakpensioenfonds het voorschrift verbonden dat de werkgever
een andere pensioenvoorziening heeft en deze heeft ondergebracht als
bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel dat de
werkgever binnen 12 maanden na het moment waarop de vrijstelling wordt
verleend een andere pensioenvoorziening zal treffen en deze zal
onderbrengen als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de
Pensioenwet.
4. Aan de vrijstelling, bedoeld in de
artikelen 3, eerste lid, 4, 5, eerste lid, en 6 kan het
bedrijfstakpensioenfonds het voorschrift verbinden dat de werkgever
een financiële bijdrage betaalt ter vergoeding van het
verzekeringstechnisch nadeel dat het fonds bij de vrijstelling lijdt.
De hoogte van deze bijdrage wordt berekend volgens bijlage 2 bij dit
besluit, tenzij partijen anders overeenkomen.
5. Aan de vrijstelling, bedoeld in de
artikelen 2 en 6 wordt door het bedrijfstakpensioenfonds het
voorschrift verbonden dat de pensioenregeling van de werkgever volgens
de berekening aan de hand van bijlage 3 bij dit besluit te allen tijde
ten minste actuarieel en financieel gelijkwaardig is aan die van het
bedrijfstakpensioenfonds. Indien het bedrijfstakpensioenfonds en de
werkgever daarmee instemmen kan worden afgezien van de berekening,
bedoeld in de vorige zin, en kan in plaats daarvan de
gelijkwaardigheid worden aangetoond door middel van een kwalitatieve
toets. Ten behoeve van de toets op gelijkwaardigheid verstrekt het
bedrijfstakpensioenfonds de werkgever informatie over de
pensioenregeling van het bedrijfstakpensioenfonds.
6. Aan de vrijstelling, bedoeld in
artikel 5, eerste lid, wordt het voorschrift verbonden dat aan de
pensioenregeling van de werkgever ten minste dezelfde aanspraken
worden ontleend als aan de pensioenregeling van het
bedrijfstakpensioenfonds.
7. De vrijstelling, bedoeld in het
vierde, vijfde en zesde lid, wordt verleend nadat de werkgever een
financiële bijdrage als bedoeld in het vierde lid heeft betaald, dan
wel nadat de werkgever heeft aangetoond aan de voorschriften, bedoeld
in het vijfde en zesde lid, te voldoen.
Artikel 7a. Fusie werkgevers met
vrijstellingen van zelfde bedrijfstakpensioenfonds
1.Na een fusie tussen oude werkgevers
aan wie voor hun werknemers door eenzelfde bedrijfstakpensioenfonds
een verplichte vrijstelling is verleend, gaan de verleende
vrijstellingen over op de nieuwe werkgever en blijven deze in stand
zolang voldaan wordt aan de voorschriften, bedoeld in artikel 7. De
nieuwe werkgever deelt het bedrijfstakpensioenfonds mee dat de voor de
fusie bestaande pensioenregelingen worden voortgezet en welke
pensioenregeling van toepassing zal zijn op na de fusie in dienst
tredende werknemers.
2.In afwijking van het eerste lid wordt
op verzoek van de nieuwe werkgever in de situatie dat voor alle
werknemers van de nieuwe werkgever dezelfde bestaande pensioenregeling
gaat gelden, de daarvoor verleende vrijstelling, met de voorschriften,
bedoeld in artikel 7, van toepassing op alle huidige en toekomstige
werknemers van die nieuwe werkgever.
Artikel 7b. Fusie werkgevers met en
zonder vrijstellingen van zelfde bedrijfstakpensioenfonds
1.Na een fusie tussen oude werkgevers
op wie dezelfde verplichtstelling van toepassing is en waarbij niet
aan alle oude werkgevers een verplichte vrijstelling is verleend,
vervallen de vrijstellingen.
2.In afwijking van het eerste lid wordt
op verzoek van de nieuwe werkgever van wie ten minste 50% van de
werknemers voor de fusie in dienst was bij een of meer oude werkgevers
aan wie een verplichte vrijstelling was verleend:
a. de vrijstelling uitgebreid tot
alle huidige en toekomstige werknemers van de nieuwe werkgever, of
b. de vrijstelling gehandhaafd voor
de op het tijdstip van fusie in dienst zijnde werknemers van de
oude werkgever of oude werkgevers met een vrijstelling.
3.Indien de nieuwe werkgever een
verzoek doet tot uitbreiding van de vrijstelling, bedoeld in het
tweede lid, onderdeel a, kan het bedrijfstakpensioenfonds daaraan de
voorwaarde verbinden dat de nieuwe werkgever een financiële bijdrage
betaalt ter vergoeding van het verzekeringstechnisch nadeel dat het
bedrijfstakpensioenfonds hierdoor lijdt. De hoogte van deze bijdrage
wordt berekend volgens bijlage 2 bij dit besluit, tenzij partijen
anders overeenkomen.
4.In geval van uitbreiding of
handhaving van de vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, blijven de
voorschriften, bedoeld in artikel 7, van toepassing en wordt de
vrijstelling vanaf het tijdstip van fusie geacht te zijn verleend aan
de nieuwe werkgever.
Artikel 7c. Fusie werkgevers met en
zonder vrijstellingen van verschillende bedrijfstakpensioenfondsen
1.Op verzoek van een nieuwe werkgever
die is ontstaan na een fusie tussen oude werkgevers op wie
verschillende verplichtstellingen van toepassing waren, en op wie na
de fusie één verplichtstelling van toepassing wordt, wordt een aan
een oude werkgever in het kader van dezelfde verplichtstelling
verleende vrijstelling uitgebreid tot alle huidige en toekomstige
werknemers van de nieuwe werkgever.
2.Op verzoek van een nieuwe werkgever
die is ontstaan na een fusie tussen oude werkgevers op wie
verschillende verplichtstellingen van toepassing waren en op wie na de
fusie één verplichtstelling van toepassing wordt, wordt een aan
één of meer oude werkgevers in het kader van dezelfde
verplichtstelling verleende vrijstelling gehandhaafd voor alle
werknemers van die oude werkgever.
3.Op verzoek van een nieuwe werkgever
die is ontstaan na een fusie tussen oude werkgevers op wie
verschillende verplichtstellingen van toepassing waren en op wie na de
fusie verschillende verplichtstellingen van toepassing blijven, wordt
een aan één of meer oude werkgevers verleende vrijstelling
gehandhaafd voor alle werknemers van die oude werkgever en voor de
toekomstige werknemers van de nieuwe werkgever die onder dezelfde
verplichtstelling vallen.
4.In geval van uitbreiding of
handhaving van de vrijstelling, bedoeld in het eerste, tweede en derde
lid, blijven de voorschriften, bedoeld in artikel 7, van toepassing en
wordt de vrijstelling vanaf het tijdstip van fusie geacht te zijn
verleend aan de nieuwe werkgever.
Artikel 7d. Vrijstelling na splitsing
1.In dit artikel wordt verstaan onder:
a. zuivere splitsing: een zuivere
splitsing als bedoeld in artikel 334a, tweede lid, van Boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek;
b. afsplitsing: een afsplitsing als
bedoeld in artikel 334a, derde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek;
c. oude werkgever: de voor een
zuivere splitsing of afsplitsing bestaande werkgever;
d. nieuwe werkgever: de na een
zuivere splitsing of afsplitsing ontstane werkgever.
2.In geval van zuivere splitsing blijft
op verzoek van de nieuwe werkgevers een aan een oude werkgever
verleende verplichte vrijstelling met de daarbij behorende
voorschriften, bedoeld in artikel 7, in stand, indien op de nieuwe
werkgevers dezelfde verplichtstelling van toepassing blijft. De nieuwe
werkgevers delen het bedrijfstakpensioenfonds mee welke werknemers bij
hen in dienst zijn.
3.De vrijstelling wordt vanaf het
tijdstip van de splitsing geacht te zijn verleend aan de nieuwe
werkgevers en geldt voor de huidige en toekomstige werknemers.
4.In geval van een afsplitsing blijft
een aan een oude werkgever verleende verplichte vrijstelling met de
daarbij behorende voorschriften, bedoeld in artikel 7, in stand,
indien de voor de afsplitsing bestaande pensioenregeling wordt
voortgezet. De oude werkgever deelt dit mede aan het
bedrijfstakpensioenfonds.
5.In geval van een afsplitsing wordt op
verzoek van een nieuwe werkgever, die onder dezelfde verplichtstelling
valt als de oude werkgever, aan de nieuwe werkgever een vrijstelling
verleend voor zijn huidige en toekomstige werknemers onder dezelfde
voorwaarden als welke zijn verbonden aan de aan de oude werkgever
verleende vrijstelling. Deze vrijstelling wordt vanaf het moment van
afsplitsing geacht te zijn verleend aan de nieuwe werkgever.
Artikel 7e. Vrijstelling na doorstart
1.Op verzoek van een werkgever op wie
een verplichtstelling van toepassing is, wordt een verplichte
vrijstelling gehandhaafd die is verleend aan een gefailleerde
werkgever wiens activiteiten hij geheel of nagenoeg geheel voortzet in
het kader van een doorstart, mits:
a. de doorstart plaatsvindt binnen
één jaar na het faillissement, en
b. ten minste 50% van de werknemers
van de gefailleerde werkgever in dienst is gekomen bij die
werkgever.
2.Bij de handhaving van de
vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, blijven de voorschriften,
bedoeld in artikel 7, van toepassing en wordt de vrijstelling vanaf
het tijdstip van doorstart geacht te zijn verleend aan de werkgever
die de doorstart maakt voor zijn huidige en toekomstige werknemers.
Artikel 8. Intrekking van de vrijstelling
1.Een vrijstelling kan door het
bedrijfstakpensioenfonds worden ingetrokken, indien niet meer wordt
voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 2, 3 of 4, indien niet
meer wordt voldaan aan de reden tot vrijstelling, bedoeld in artikel
6, of indien wordt gehandeld in strijd met een of meer aan de
vrijstelling verbonden voorschriften.
2.De vrijstelling, bedoeld in artikel
5, wordt uitsluitend op verzoek van de werkgever voor wiens werknemers
vrijstelling is verleend ingetrokken.
3.In afwijking van het tweede lid kan
de vrijstelling, bedoeld in artikel 5, door het
bedrijfstakpensioenfonds worden ingetrokken indien wordt gehandeld in
strijd met de voorschriften die aan de vrijstelling verbonden zijn.
Artikel 8a. Vaststelling hoogte boete
1. De toezichthouder stelt een
bestuurlijke boete in de tweede of derde categorie vast op het
basisbedrag, bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de wet.
2. De toezichthouder verlaagt of
verhoogt het basisbedrag met ten hoogste 50 procent indien de ernst of
duur van de overtreding een dergelijke verlaging of verhoging
rechtvaardigt.
3. De toezichthouder verlaagt of
verhoogt het basisbedrag met ten hoogste 50 procent indien de mate van
verwijtbaarheid van de overtreder een dergelijke verlaging of
verhoging rechtvaardigt.
Artikel 8b. Recidive
De door de toezichthouder met toepassing
van artikel 8a vast te stellen bestuurlijke boete wordt verdubbeld
indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen vijf jaren zijn
verlopen sedert het opleggen van een bestuurlijke boete aan de
overtreder ter zake van eenzelfde overtreding.
Artikel 8c. Draagkracht
1. De toezichthouder houdt bij het
vaststellen van een bestuurlijke boete rekening met de draagkracht van
de overtreder.
2. De toezichthouder kan op basis van
het eerste lid de op te leggen bestuurlijke boete verlagen met
maximaal 100 procent.
Artikel 8d. Schade voor derden bij
pensioenuitvoerders
1. De toezichthouder houdt bij het
vaststellen van een bestuurlijke boete voor pensioenuitvoerders
rekening met schade voor derden.
2. De toezichthouder kan de op te
leggen bestuurlijke boete, na inachtneming van de bepalingen, bedoeld
in de artikelen 8a, 8b en 8c verlagen met maximaal 75 procent.
Artikel 8e. Overtredingen
Overtreding van een voorschrift, gesteld
in een hierna genoemd artikel van de wet, is als volgt beboetbaar:
|
Artikel |
Boetecategorie |
|
5 |
2 |
|
6 |
2 |
|
7 |
2 |
|
8 |
2 |
|
9, eerste en tweede lid |
1 |
Artikel 9a. Overgangsrecht
Artikel 1a is van toepassing indien het
verzoek tot vrijstelling, bedoeld in de artikelen 2 tot en met 5 en 6,
wordt gedaan na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel A, van het
Besluit van 29 augustus 2007 tot wijziging van het Vrijstellingsbesluit
Wet Bpf 2000 in verband met de invoering van termijnen voor de
behandeling van een verzoek tot vrijstelling en enige andere
wijzigingen.
Artikel 10. Inwerkingtreding
1.Dit besluit treedt in werking met
ingang van 1 januari 2001 met dien verstande dat artikel 5, eerste
lid, onderdeel a, met ingang van 1 januari 2002 in werking treedt.
2.De artikelen 1, onderdeel d tot en
met g, en 7a tot en met 7e treden in werking met ingang van de datum
van het besluit van 22 juli 2004 tot wijziging van het
Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000 in verband met het opstellen van
regels hoe na een fusie, splitsing of doorstart van een onderneming
moet worden omgegaan met verleende vrijstellingen van de verplichte
deelname aan een bedrijfstakpensioenfonds alsmede enkele andere
wijzigingen (Stb. 2004, 397).
Artikel 11. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als:
Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in
het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 21 december 2000
BEATRIX
De Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
Uitgegeven de achtentwintigste
december 2000
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
Bijlage 1. Performance toets
Bijlage bij artikel 5, eerste lid
De performancetoets wordt als volgt
uitgevoerd, waarbij het subscript j steeds het jaar aangeeft:
1. Uitgaande van de normportefeuille
worden twee percentages vastgesteld die de samenstelling van de
normportefeuille bepalen:
aj%: vastrentende waarden inclusief
kasbeleggingen;
bj%: overige (zakelijke) beleggingen;
aj% en bj% zijn samen 100%.
2. Hieruit wordt jaarlijks de voor het
bedrijfstakpensioenfonds geldende maat voor de rendementsspreiding
bepaald volgens de formule
Ej = [aj% * 0,6% + bj% * 2,6%].
3. Jaarlijks voor 1 april wordt over het
daaraan voorafgaande jaar het feitelijke rendement van het
bedrijfstakpensioenfonds (Rfj) en het rendement van de gekozen
normportefeuille (Rbj) op eenzelfde grondslag vastgesteld en
gecontroleerd door een externe accountant die voldoet aan artikel 393,
lid 1, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Hierbij wordt bij het
bepalen van het rendement gebruik gemaakt van daartoe opgestelde
richtlijnen van de Vereniging van Beleggingsanalisten.
4. Daarnaast worden de interne
beleggingsuitvoeringskosten kj bepaald en uitgedrukt in een percentage
van het gemiddelde van het begin- en eindvermogen op actuele basis.
Onder interne beleggingsuitvoeringskosten worden tevens begrepen de door
het bedrijfstakpensioenfonds te betalen beheerskosten aan externe
vermogensbeheerders, met inbegrip van kosten van bewaarneming en
administratiekosten voor zover niet reeds tot uitdrukking komend in de
rendementsberekening over aangehouden eenheden of tegoeden bij externe
vermogensbeheerders.
5. Het verschil in rendement tussen Rfj
en Rbj wordt gecorrigeerd voor (i) de beleggingskosten, waarbij het
rendement van de normportefeuille wordt gecorrigeerd voor
beleggingskosten, die fictief zijn bepaald op basis van de onderstaande
staffel en (ii) voor de jaarlijkse maat voor de rendementsspreiding van
het fonds Ej.
Staffel voor de normkosten
| Percentage
zakelijke waarden (p) |
normkosten |
|
0 ≤ p < 10 |
0,10% |
|
10 ≤ p < 20 |
0,11% |
|
20 ≤ p < 30 |
0,12% |
|
30 ≤ p < 35 |
0,13% |
|
35 ≤ p < 40 |
0,14% |
|
40 ≤ p < 45 |
0,15% |
|
45 ≤ p < 50 |
0,16% |
|
50 ≤ p < 55 |
0,17% |
|
55 ≤ p < 60 |
0,18% |
|
60 ≤ p < 70 |
0,19% |
|
70 ≤ p < 80 |
0,20% |
|
80 ≤ p < 90 |
0,21% |
|
90 ≤ p <100 |
0,22% |
Daartoe berekent men zj volgens de
formule:
6. Op basis hiervan toetst men of over de
afgelopen 5 jaar geldt dat:
z(j-5) + z(j-4) + z(j-3) + z(j-2) +
z(j-1)≥ – 1,28
√ 5
7. Indien door het bestuur van het
bedrijfstakpensioenfonds het beleggingsbeleid en de normportefeuille in
de loop van een jaar opnieuw zijn vastgesteld als bedoeld in artikel 5,
vierde lid, wordt bij de performancetoets over dat jaar naar rato van de
periode waarvoor de betreffende normportefeuille van toepassing was, met
de betreffende normportefeuille rekening gehouden. Dit betekent:
a. voor de toepassing van punt 1:
aperiode 1 % plus bperiode 1 % zijn samen
100%
Voor periode 2 en 3 geldt dezelfde
formule, zij het dat het subscript «periode 2 dan wel 3» wordt
genoteerd in plaats van «periode 1»;
b. voor de toepassing van punt 2:
Eperiode 1 = [aperiode 1 * 0,6 + bperiode
1 * 2,6]
Hierbij is aperiode 1 % het aandeel van
de vastrentende waarden in de normportefeuille (en het beleggingsbeleid)
en bperiode 1 % het aandeel zakelijke waarden in periode 1.
Voor periode 2 en 3 geldt dezelfde
formule, zij het dat het subscript «periode 2 dan wel 3» genoteerd
staat in plaats van «periode 1»;
c. voor de toepassing van punt 5:
voor periode 1, en dezelfde formule voor
periode 2 en 3, maar dan met subscript «periode 2 dan wel 3»
Vervolgens worden de zperiode 1, zperiode
2 en zperiode 3 teruggebracht naar één periode van een jaar, door de
formule
zj = zperiode 1 + zperiode 2 + zperiode 3
De na deze berekening verkregen zj wordt
in de formule van punt 6 verwerkt.
8. Indien de fusie van twee of meer oude
bedrijfstakpensioenfondsen tot een nieuw bedrijfstakpensioenfonds heeft
plaatsgevonden in de loop van een kalenderjaar wordt de performancetoets
van het nieuwe bedrijfstakpensioenfonds over het kalenderjaar van de
fusie als volgt berekend:
a. voor ieder van de oude
bedrijfstakpensioenfondsen wordt de performancetoets uitgevoerd over
de periode dat het fonds nog heeft bestaan;
b. van de scores van de oude
bedrijfstakpensioenfondsen wordt één score gemaakt waarbij de
verhouding tussen de scores gelijk is aan de verhouding tussen de
totale vermogens van de oude bedrijfstakpensioenfondsen voor de
fusie;
c. voor het nieuwe
bedrijfstakpensioenfonds wordt de performancetoets uitgevoerd over
de periode vanaf de fusie;
d. de scores in de onderdelen b en c
worden samengevoegd op de wijze zoals in punt 7 is beschreven.
Bijlage 2. Rekenregels
verzekeringstechnisch nadeel
Bijlage bij artikel 7, vierde lid
De hoogte van de compensatie ter
vergoeding van het verzekeringstechnische nadeel bij vrijstelling heeft
betrekking op de volgende elementen:
1. te missen solidariteitsbijdragen
als gevolg van het uittreden uit het bedrijfstakpensioenfonds.
Deze solidariteitsbijdrage wordt als
volgt berekend:
a. bereken de volgende bedragen
met als referentieperiode het volledige boekjaar voorafgaand aan
het boekjaar waarin de vrijstelling ingaat:
– PaT: het bedrag van de
actuarieel vastgestelde last van een eenjarige
pensioeninkoop en dekking van het sterfterisico voor het
deelnemersbestand van het gehele bedrijfstakpensioenfonds en
uitgaande van de fictie dat de pensioenen tijdsevenredig
worden gefinancierd en verworven;
– PaU: dezelfde berekening
als bij PaT, nu echter vastgesteld voor het bestand van de
uittredende werkgever;
– PdT: het bedrag dat het
bedrijfstakpensioenfonds voor het totale actievenbestand van
de aangesloten werkgevers ontvangt aan doorsneejaarpremie
voor de reguliere pensioenopbouw en risicodekking;
– PdU: dezelfde berekening
als bij PdT, nu echter vastgesteld als de ontvangst aan
(doorsnee)premie van de uittredende werkgever;
b. de jaarlijkse
solidariteitsbijdrage is gelijk aan de uitkomst van de volgende
berekening: [PdU/PdT]* PaT-PaU. Een uitkomst kleiner dan nul
wordt op nul gesteld;
c. indien gedurende de onder a
gehanteerde referentieperiode een deel van de doorsneejaarpremie
PdU betrekking heeft op de inkoop van aanspraken voor
niet-actieven, dient dit deel, verhoogd met voorzienbare
toekomstige stijgingen hiervan, eveneens gecompenseerd te
worden;
d. het te compenseren nadeel
vanwege de te missen solidariteitsbijdragen wordt gevonden door
de bedragen onder b en c op te tellen en te vermenigvuldigen met
de factor van de contante waarde van een continue annuïteit met
een looptijd van 5,5 jaar. Deze looptijd wordt verlengd met het
aantal volle jaren dat de gemiddelde leeftijd van het bestand
van de uittredende beroepsgenoot meer dan 5 jaar lager is dan de
gemiddelde leeftijd van het totale bestand van het
bedrijfstakpensioenfonds. De rentevoet bedraagt 4%.
2. de kosten die redelijkerwijs
verbonden zijn aan de behandeling van het vrijstellingsverzoek.
Indien er op de dag van uittreding sprake
is van een onderdekking, mag dit er niet toe leiden dat de
financieringsachterstand wordt verhaald op de bij het
bedrijfstakpensioenfonds achterblijvende werkgevers. De werkgever aan
wie de vrijstelling is verleend dient dan op dezelfde wijze als de
achterblijvende werkgevers bij te dragen in de financiering van de
achterstand. Partijen kunnen overeen komen dat dit in één keer wordt
afgerekend.
Bijlage 3. Actuariële en financiële
gelijkwaardigheid
Bijlage bij artikel 7, vijfde lid
Actuariële gelijkwaardigheid:
Frequentie:
Eens in de vijf jaar wordt door het
bedrijfstakpensioenfonds getoetst of de regeling van de werkgever aan
wie vrijstelling is verleend actuarieel gelijkwaardig is. Indien in de
tussenliggende periode sprake is van een wijziging in de regeling van
het bedrijfstakpensioenfonds dan wel in de regeling van de werkgever aan
wie vrijstelling is verleend die zo ingrijpend is dat mag worden
aangenomen dat daarvan een reële invloed op de onderstaande berekening
zal uitgaan, kan het bedrijfstakpensioenfonds beslissen dat de toets
frequenter wordt uitgevoerd.
De werkgever aan wie aan wie vrijstelling
is verleend, zendt van iedere wijziging in de pensioenregeling een
afschrift aan het bedrijfstakpensioenfonds.
Toets:
Bij de toetsing van de actuariële
gelijkwaardigheid wordt de volgende procedure in acht genomen:
– uitgangspunt is dat de werkgever
die een verzoek om vrijstelling heeft ingediend de gelijkwaardigheid
aantoont en dat het bedrijfstakpensioenfonds vervolgens op het
verzoek tot vrijstelling een beslissing neemt;
– de werkgever stelt het eigen
werknemersbestand op het moment van toetsing vast; dit betreft alle
werknemers die op de dag van indiening van het verzoek tot
vrijstelling onder de regeling van het bedrijfstakpensioenfonds
vallen, indien die regeling van toepassing zou zijn; het
bedrijfstakpensioenfonds stelt een van haar bestand afgeleid
modelbestand vast;
– de werkgever stelt vast welke
pensioensoorten voor toetsing in aanmerking komen. Hierbij wordt
uitgegaan van de volgende punten:
* alleen de onvoorwaardelijk
toegezegde reglementaire pensioensoorten, waaronder tevens de
risicoverzekeringen worden begrepen, worden bij de berekening
meegenomen;
* er wordt rekening gehouden met
het toeslagbeleid, waarbij de intentie tot het verlenen van
toeslagen in de toekomst en het in het verleden gevoerde beleid
terzake maatgevend zijn;
* reglementaire mogelijkheden,
zoals bijvoorbeeld vrijwillige aanvullende verzekeringen en
vrijwillige voortgezette pensioenopbouw tijdens
ouderschapsverlof blijven buiten beschouwing evenals onderdelen
die niet in de pensioenregeling van het bedrijfstakpensioenfonds
zijn opgenomen, maar waarin op andere wijze in het
arbeidsvoorwaardenoverleg is voorzien;
– de werkgever stelt de te hanteren
grondslagen voor op basis van de volgende richtlijnen:
* sterfte grondslagen: volgens de
sterftetafels die worden gebruikt bij het wettelijke recht op
waardeoverdracht als bedoeld in artikel 71 van de Pensioenwet;
* beleggingsrendementen en de
loon- en prijsinflatie: de gemiddelden van de desbetreffende
macro-economische grootheden van de voorafgaande 20 jaar. Als
criterium voor het beleggingsrendement wordt een uniforme
maatstaf gehanteerd voor het langetermijnrendement, welke ook
over de achterliggende periode toepasbaar is. Voor de
loonontwikkeling wordt uitgegaan van de door het CBS
gepubliceerde index van cao-lonen per maand inclusief bijzondere
beloningen in particuliere bedrijven en voor de
prijsontwikkeling van de eveneens door het CBS maandelijks
gepubliceerde afgeleide consumentenindex voor alle huishoudens;
* invalideringskans: de periodiek
door de Actuariële Commissie AOV voor schadeverzekeraars
berekende invalideringskansen van werknemers, gecorrigeerd voor
beroepsklasse en bedrijfstak;
* ontslagkansen: de door de
werkgever ten genoegen van het bedrijfstakpensioenfonds
onderbouwd aangegeven kans dat actieve deelnemers als gevolg van
ontslag hun deelname aan de regeling van het
bedrijfstakpensioenfonds zullen beëindigen;
* revalideringskansen: deze
blijven buiten beschouwing.
– het bedrijfstakpensioenfonds
dient akkoord te gaan met het actieve deelnemersbestand, de
pensioensoorten en de grondslagen. De werkgever dient akkoord te
gaan met het te hanteren modelbestand van het
bedrijfstakpensioenfonds;
– de pensioenregeling van de
werkgever en de bedrijfstakpensioenfondsregeling worden, zo mogelijk
met Asset Liability Management-modellen, met elkaar vergeleken op
basis van een berekening van de contante waarde van de
uitkeringsstromen over een toekomstige periode van 35 jaar en
waarbij ontslag van een individuele deelnemer leidt tot uitkering
van de wettelijke overdrachtswaarde. De geschatte voorziening
pensioenverplichtingen na 35 jaar wordt in de uitkeringsstroom over
de periode van 35 jaar opgenomen. Deze berekening vindt plaats met
het actieve deelnemersbestand van de werkgever én met het op dat
moment actuele modelbestand van het bedrijfstakpensioenfonds;
– indien de contante waarde van de
toekomstige uitkeringsstromen volgens de pensioenregeling van de
werkgever ten minste gelijk is aan 95% van de contante waarde van de
uitkeringsstromen van de bedrijfstakpensioenfondsregeling, wordt
gelijkwaardigheid geacht aanwezig te zijn. Het maakt hierbij niet
uit of deze globale gelijkwaardigheid wordt aangetoond op basis van
het actieve deelnemers bestand van de werkgever of van het
modelbestand van het bedrijfstakpensioenfonds.
Financiële gelijkwaardigheid
Het financieringssysteem van de door de
werkgever voorgestane pensioenregeling dient gebaseerd te zijn op de
jaarlijkse affinanciering van de tijdsevenredige ontslagaanspraken.
Hiervan kan worden afgeweken als het
betreffende bedrijfstakpensioenfonds zelf backservice-aanspraken op
enigerlei wijze in toekomstige jaren affinanciert. Het
financieringssysteem van de door de werkgever voorgestane
pensioenregeling dient dus ten minste hetzelfde te zijn aan dat van het
bedrijfstakpensioenfonds.
Daarnaast dient het financieringssysteem
te waarborgen dat er in beginsel te allen tijde sprake is van een 100%
dekking van de tijdsevenredige aanspraken, tenzij het
bedrijfstakpensioenfonds zichzelf ook minder dan 100% dekking ten
opzichte van die norm toestaat. De dekkingsgraad van een door de
werkgever voorgestane pensioenregeling dient in dat geval ten minste
gelijk te zijn aan die van het bedrijfstakpensioenfonds.
|