| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet vervoer
binnenvaart (Wvb)
BESLUIT
VERVOER BINNENVAART
Tekst zoals deze geldt op
18 april 2009
Vervallen
m.i.v. 1 juli 2009
|
|
|
BESLUIT van 11 mei 1992, houdende regels ter uitvoering van de Wet
vervoer binnenvaart
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 28
oktober 1991, nr. WJZ/V125647, Directoraat-Generaal voor het Vervoer;
Gelet op de artikelen 1, onderdeel c, 2, derde lid, 5, eerste
lid, 7, 8, 9, tweede lid, 11, eerste en vierde lid, 19, 20, tweede en
vierde lid, 24, 25, 26, 27, eerste lid, 33, 39, 41, tweede lid, 42,
eerste lid, 47, 54 en 57 van de Wet vervoer binnenvaart (Stb.
1991, 711);
Gezien het advies van de Adviescommissie Goederenvervoer, bedoeld in
artikel 6 van de Wet Goederenvervoer Binnenscheepvaart (Stb.
1951, 472);
De Raad van State gehoord (advies van 17 maart 1992,
nr.
W09.91.0594);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
van 29 april 1992, WJZ/V222249, Directoraat-Generaal voor het Vervoer,
Stafafdeling Wetgeving en Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. wet: Wet vervoer binnenvaart;
b. Lid-Staat: staat, lid van de Europese Gemeenschappen;
c. Richtlijn 87/540/EEG: Richtlijn 87/540 van de Raad van de
Europese Gemeenschappen van 9 november 1987 betreffende de toegang
tot het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal
goederenvervoer over de binnenwateren en inzake de onderlinge
erkenning van dit beroep betreffende diploma's, certificaten en
andere titels (PbEG L 322/20);
d. Verordening (EEG) nr. 2919/85: Verordening (EEG) nr. 2919/85
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 oktober 1985,
houdende vaststelling van de voorwaarden waaraan moet worden voldaan
om in aanmerking te komen voor het regime dat door de Herziene
Rijnvaartakte wordt gereserveerd voor de vaartuigen die tot de
Rijnvaart behoren (PbEG L 280/4);
e. binnenwateren: de wateren, die in Nederland zijn gelegen
binnen een langs de kust gaande lijn, bedoeld in artikel 1, eerste
lid, onderdeel c, van de Binnenschepenwet (Stb. 1981,
678), en vastgesteld bij koninklijk besluit van 2 juni 1982 (Stb.
1982, 363).
§ 2. Reikwijdte van de wet
Artikel 2
De wet is niet van toepassing op:
a. binnenschepen met een laadvermogen van minder dan twintig
metrieke ton dan wel met een waterverplaatsing van minder dan tien m3;
b. binnenschepen met een permanente ligplaats;
c. binnenschepen met een nagenoeg permanente ligplaats, voor
zover deze binnenschepen voor speciale doeleinden worden gebruikt;
d. bunkerstations, drijvende werktuiglijke inrichtingen en in
aanbouw zijnde binnenschepen;
e. binnenschepen die worden gebruikt voor het vervoer van
personen, voor zover niet sprake is van beroepsvervoer;
f. binnenschepen die worden gebruikt door of ten behoeve van de
openbare dienst, voor zover niet sprake is van beroepsvervoer van
goederen;
g. overzetveren als bedoeld in de Verenwet (Stb. 1921,
838);
en
h. vissersschepen en bunschepen, voor zover deze binnenschepen
worden gebruikt voor het vervoer van vis als bedoeld in de
Visserijwet 1963 (Stb. 312).
Artikel 3
Onze Minister kan ter uitvoering van verdragen de wet geheel of
gedeeltelijk niet van toepassing verklaren op bepaalde vormen van
vervoer met binnenschepen, soorten binnenschepen, vervoer op bepaalde
binnenwateren of vervoer onder bepaalde omstandigheden.
Artikel 4
De wet is niet van toepassing op schepen, welke zowel voor de vaart
op zee als op de binnenwateren kunnen worden gebruikt, voor zover deze
schepen vervoer tussen twee punten verrichten waarbij gedeeltelijk
over zee wordt gevaren.
Artikel 5
Het bepaalde in hoofdstuk 2, tweede, vierde en zesde afdeling, van
de wet is niet van toepassing op:
a. vervoer met binnenschepen waarvan het laadvermogen niet meer
dan tweehonderd metrieke ton bedraagt en:
1°. het dek zodanig is aangebracht dat uitsluitend of
nagenoeg uitsluitend bovendeks lading kan worden vervoerd, voor
zover:
- het begin- en eindpunt van het vervoer zijn gelegen
binnen dezelfde gemeente; of
- het begin- en eindpunt van het vervoer zijn gelegen
binnen eenzelfde havengebied;
2°. welke zijn voorzien van bodemkleppen in het laadruim of
zijn ingericht als splijtbakken, voor zover deze binnenschepen
worden gebruikt voor het vervoer van zand, grint, klei en
soortgelijke goederen naar een stortplaats op de binnenwateren,
alsmede voor het vervoer van uitrustingsstukken van
baggermateriaal;
3°. welke zijn voorzien van luchtkasten en een beuninhoud
hebben, die zich ten opzichte van het laadvermogen minimaal als
1:1,6 en maximaal als 1:1,7 verhoudt, voor zover deze
binnenschepen worden gebruikt voor het vervoer naar en van een
werkobject, waarbij degene die het vervoer verricht dezelfde
dient te zijn als degene die het werkobject uitvoert;
4°. welke zijn ingericht voor bergingswerkzaamheden, voor
zover deze binnenschepen worden gebruikt voor bergingswerk;
5°. welke zijn ingericht voor het zuigen van schelpen, voor
zover deze binnenschepen worden gebezigd voor het vervoer van de
door deze schepen zelf opgezogen schelpen;
6°. welke worden gebruikt door baggerbedrijven bij de
uitvoering van waterbouwkundige werken, voor zover deze
binnenschepen ter plaatse daarvan worden gebruikt;
7°. welke worden gebruikt voor het vervoer van drinkwater;
of
8°. welke worden gebruikt voor het vervoer van koopwaren,
waarmee op de binnenwateren ten behoeve van schepen of hun
opvarenden handel wordt gedreven, mits uit een desbetreffend
uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel
blijkt dat vorengenoemde handel door de in het Handelsregister
vermelde persoon of onderneming wordt verricht en deze een
vergunning voor het uitoefenen van de algemene ambulante handel
of een ventvergunning heeft;
b. vervoer van:
1°. bagage van reizigers met binnenschepen die worden
gebruikt voor het beroepsvervoer van personen;
2°. goederen, behorende tot de uitrusting of inrichting van
het binnenschip, waarmede zij worden vervoerd;
3°. aan de vervoerder toebehorende goederen mits het totale
gewicht van die goederen 25 000 kg niet te boven gaat en de
goederen voor eigen gebruik bestemd zijn;
c. vervoer met andere binnenschepen, dan bedoeld in de
onderdelen b en c , waarvan het laadvermogen niet
meer dan vijftig metrieke ton bedraagt.
Artikel 5a
Hoofdstuk 2, tweede afdeling, paragraaf 2,
en zesde afdeling, van de wet is niet van toepassing op sleep- en
duwboten.
Artikel 6 [Vervallen per 30-11-1998]
Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen met betrekking tot ingevolge de wet
te geven beschikkingen
Artikel 7
1. Aanvragen tot het geven van de
volgende beschikkingen worden ingediend bij Onze Minister:
a. afgifte van een Rijnvaartverklaring als bedoeld in artikel 5,
eerste lid, van de wet;
b. afgifte van een bewijs van toelating als bedoeld in artikel 6,
eerste lid, van de wet;
c. afgifte van een gewaarmerkt afschrift van een
Rijnvaartverklaring als bedoeld in artikel 56, tweede lid, onderdeel m
, van de wet;
d. afgifte van een gewaarmerkt afschrift van een bewijs van
toelating als bedoeld in artikel 56, tweede lid, onderdeel m ,
van de wet;
e. verlening, wijziging of intrekking van een vergunning als
bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de wet;
f. verlening, wijziging of intrekking van een vergunning voor
voortzetting van het beroepsvervoer van goederen als bedoeld in
artikel 17, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 18, eerste lid, van
de wet;
g. afgifte van een gewaarmerkt afschrift van een vergunning als
bedoeld in artikel 56, tweede lid, onderdeel m , van de wet;
h. verlening van een ontheffing van de eis van vakbekwaamheid,
bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de wet;
i. afgifte of wijziging van een vergunningbewijs als bedoeld in
artikel 22 van de wet;
j. afgifte van een gewaarmerkt afschrift van een vergunningbewijs
als bedoeld in artikel 56, tweede lid, onderdeel m , van de
wet;
k. [vervallen;]
l. verlening of doorhaling van een inschrijving eigen vervoer als
bedoeld in artikel 41, eerste lid, van de wet;
m. voortzetting of doorhaling van een inschrijving eigen vervoer
als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de wet;
n. afgifte van een gewaarmerkt afschrift van een inschrijving eigen
vervoer als bedoeld in artikel 56, tweede lid, onderdeel m ,
van de wet;
o. afgifte of wijziging van een inschrijvingsbewijs als bedoeld in
artikel 46, eerste lid, van de wet;
p. afgifte van een gewaarmerkt afschrift van een
inschrijvingsbewijs als bedoeld in artikel 56, tweede lid, onderdeel m
, van de wet;
q. kennisneming en verbetering van de geregistreerde gegevens,
bedoeld in artikel 54, onderdeel d , van de wet.
2. De aanvragen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a
tot en met p alsmede onderdeel q , voor zover sprake is
van aanvragen tot verbetering van de geregistreerde gegevens, worden
aangemerkt als aanvragen om registratie respectievelijk wijziging van
die registratie als bedoeld in artikel 54, onderdeel a , van de
wet.
Artikel 8
Op een aanvraag tot het geven van een beschikking als bedoeld in
artikel 7, eerste lid, onderdelen a tot en met j, en n tot en met q, met
uitzondering van de aanvraag tot kennisneming van de geregistreerde
gegevens, beslist Onze Minister binnen vier weken. De aanvraag tot
kennisneming van de geregistreerde gegevens heeft een beslistermijn van
twee weken. Indien de aanvraag een beschikking als bedoeld in artikel 7,
eerste lid, onderdeel l of m, betreft, geldt een beslistermijn van acht
weken.
Artikel 9 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 10
Ambtshalve intrekking onderscheidenlijk ambtshalve doorhaling van de
in artikel 7, eerste lid, onderdelen a, b, e, f
en h onderscheidenlijk l en m bedoelde
beschikkingen geschiedt met inachtneming van een redelijke termijn.
Artikel 11
Onze Minister geeft regels omtrent vorm en inhoud van de in artikel
7, eerste lid, onderdelen a, b, e, f, h,
i, l, m en o bedoelde beschikkingen.
Artikel 12
Onze Minister geeft regels omtrent het controleerbaar zijn van de in
artikel 7, eerste lid, onderdelen a, b, i en o
bedoelde beschikkingen.
Artikel 13
1. Voor verloren geraakte, versleten of teniet gegane
exemplaren van de in artikel 7, eerste lid, onderdelen a, b,
e, f, i, l, m en o bedoelde
beschikkingen kunnen door Onze Minister gewaarmerkte afschriften
worden verstrekt.
2. De verloren geraakte of versleten documenten verliezen in dat
geval hun geldigheid.
Hoofdstuk 3. Toelating van binnenschepen tot het vervoer op de
Nederlandse binnenwateren
Artikel 14
1. Een Rijnvaartverklaring als bedoeld in artikel 5, eerste
lid, van de wet wordt afgegeven, indien wordt voldaan aan de eisen
gesteld in artikel 3 tot en met 5 van de bijlage bij Verordening (EEG)
nr. 2919/85.
2. Onze Minister kan in het geval dat een Rijnvaartverklaring als
bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet, wordt aangevraagd in
verband met het verrichten van vervoer in andere gevallen dan vervoer
tussen twee punten gelegen aan de wateren, bedoeld in artikel 4, eerste
lid, van de Herziene Rijnvaartakte, uitzonderingen toestaan wat betreft
de eis van meerderheid, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c,
onder cc, alsmede artikel 3, tweede lid, van de bijlage bij
Verordening (EEG) nr. 2919/85, op voorwaarde dat het doel van Aanvullend
Protocol nr. 2 bij de Herziene Rijnvaartakte niet in gevaar wordt
gebracht en hij tevens de door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart
vastgestelde algemene voorwaarden, bedoeld in artikel 3, vierde lid, van
de bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2919/85, overeenkomstig toepast.
3. Onze Minister kan regels geven omtrent de toepassing van het
verbod, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de wet, op transitvervoer.
Hoofdstuk 4. Toegang tot het beroep
Artikel 15
Als bewijs dat is voldaan aan de eis van vakbekwaamheid, bedoeld in
artikel 11, tweede lid, van de wet is overlegging vereist van:
a. een door Onze Minister aangewezen vakdiploma;
b. een door Onze Minister aangewezen bewijsstuk respectievelijk
verklaring als bedoeld in artikel 11, vierde lid, van de wet; of
c. een door Onze Minister aangewezen geëigend document als
bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdeel b , van de wet.
Artikel 16
1. Onze Minister kan op aanvraag ontheffing verlenen van de eis
van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de wet aan
een persoon die aantoonbaar beschikt over een praktijkervaring van ten
minste drie jaar in het dagelijks beheer van de betrokken onderneming,
indien sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 4,
tweede lid, van Richtlijn 87/540/EEG.
2. Indien een ontheffing als bedoeld in het eerste lid wordt
verleend, wordt de ontheffing vermeld in de vergunning.
Artikel 17
Onder een overeenkomstig bewijsstuk als bedoeld in artikel 26 van de
wet, wordt verstaan een door de bevoegde autoriteit van een andere
Lid-Staat, van een van de overige Staten die partij zijn bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of van
Zwitserland afgegeven en door Onze Minister aangewezen:
a. document dat vergelijkbaar is met de vergunning, bedoeld in
artikel 11, eerste lid, van de wet;
b. document dat vergelijkbaar is met het vergunningbewijs,
bedoeld in artikel 22 van de wet; of
c. attest als bedoeld in artikel 3 van Richtlijn 87/540/EEG.
Hoofdstuk 5
Artikel 18 [Vervallen per 30-11-1998]
Artikel 19 [Vervallen per 30-11-1998]
Artikel 20 [Vervallen per 30-11-1998]
Artikel 21 [Vervallen per 30-11-1998]
Artikel 22 [Vervallen per 30-11-1998]
Artikel 23 [Vervallen per 30-11-1998]
Artikel 24 [Vervallen per 30-11-1998]
Hoofdstuk 6. Inschrijving binnenlands eigen vervoer
Artikel 25
1. Een inschrijving eigen vervoer als
bedoeld in artikel 41, eerste lid, van de wet wordt door Onze Minister
verleend indien:
a. er een rechtstreeks verband bestaat tussen het verrichten van
eigen vervoer en de overige bedrijfs- of ondernemingsactiviteiten,
waarbij wordt voldaan aan de navolgende voorwaarden:
1°. het eigen vervoer vormt een onlosmakelijk onderdeel van het
productieproces van degene op wiens naam de goederen worden vervoerd
of van de bedrijfs- of ondernemingsactiviteiten, die voor eigen
rekening en risico met betrekking tot de desbetreffende goederen
worden uitgeoefend door degene op wiens naam de goederen worden
vervoerd; en
2°. het eigen vervoer vormt in het geheel van de bedrijfs- of
ondernemingsactiviteiten geen hoofdactiviteit, maar een werkzaamheid
van ondersteunende aard ten behoeve van de hoofdactiviteit in die
zin dat het voortbestaan van de onderneming in redelijkheid niet
afhankelijk is van de eigen vervoeractiviteiten per binnenschip;
b. degene die het eigen vervoer verricht, gedurende een periode,
die langer is dan de periode waarbinnen het vervoer plaatsheeft, de
voortdurende en uitsluitende beschikking heeft over de te vervoeren
goederen;
c. het bij het eigen vervoer te gebruiken binnenschip of
binnenschepen eigendom is dan wel zijn van de aanvrager of gedurende
een termijn van tenminste een jaar op basis van een huurovereenkomst
of overeenkomst tot huurkoop uitsluitend ter beschikking staat van de
aanvrager; en
d. het bij het eigen vervoer te gebruiken binnenschip of
binnenschepen wordt bemand dan wel worden bemand door de aanvrager of
door personeel in loondienst van de aanvrager.
2. De huurovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c,
wordt gesloten na tussenkomst van of namens Onze Minister alsmede te
voldoen met inachtneming van de navolgende voorwaarden:
1°. de aanvraag tot het huren van een binnenschip wordt ingediend
bij Onze Minister;
2°. de in de aanvraag gestelde eisen en voorwaarden zijn van
redelijke aard;
3°. de aanvraag wordt gedurende twee weken ter inzage gelegd bij
de Inspectie Verkeer en Waterstaat;
4°. door of namens Onze Minister wordt een binnenschip met een
vergunningbewijs dat door een vergunninghouder is aangemeld en dat aan
de eisen en voorwaarden, bedoeld onder 2°, voldoet, toegewezen aan de
aanvrager; indien meerdere binnenschepen zijn aangemeld, heeft de
toewijzing plaats door loting;
5°. in de huurovereenkomst van het binnenschip wordt rekening
gehouden met de kostprijselementen welke voor het betrokken vervoer
van toepassing zijn.
3. Indien sprake is van een huurovereenkomst als bedoeld in het
eerste lid, onderdeel c, wordt een inschrijving eigen vervoer als
bedoeld in artikel 41, eerste lid, van de wet door Onze Minister
verleend voor een periode, die gelijk is aan de duur van die
huurovereenkomst met inachtneming van het bepaalde in het eerste lid,
onderdeel c.
Artikel 26
1. In het geval de vervoers- en overige
ondernemingsactiviteiten, bedoeld in artikel 25, eerste lid, onderdeel
a , zijn ondergebracht in verschillende, juridisch gescheiden
eenheden of ondernemingen wordt, onverminderd het bepaalde in artikel
25, een inschrijving eigen vervoer als bedoeld in artikel 41, eerste
lid, van de wet door Onze Minister verleend indien de betrokken
ondernemingen in financieel, organisatorisch en economisch opzicht
zodanig zijn verweven dat zij als onderdelen van dezelfde organisatie
beschouwd kunnen worden.
2. De aanvrager moet de verwevenheid, bedoeld in het eerste lid,
aantonen:
a. door overlegging van een verklaring dat de betrokken
ondernemingen als één ondernemer worden aangemerkt in de zin van
artikel 7, vierde lid, van de Wet op de Omzetbelasting 1968 (Stb.
329);
b. door overlegging van een beschikking op basis van artikel 15 van
de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (Stb. 469) waarbij de
betrokken ondernemingen tezamen als één fiscale eenheid worden
aangemerkt;
c. dan wel op andere wijze.
3. In het geval dat het eerste lid van toepassing is, staat dan
wel staan, in afwijking van het bepaalde in artikel 61, eerste lid,
onderdeel c , het bij het eigen vervoer te gebruiken binnenschip
of binnenschepen uitsluitend ter beschikking van de gescheiden
juridische eenheden of ondernemingen, welke in financieel,
organisatorisch en economisch opzicht zodanig zijn verweven dat zij als
onderdelen van dezelfde organisatie beschouwd kunnen worden.
Hoofdstuk 7. Registratie
Artikel 27
Onze Minister geeft regels omtrent de bescherming van de
geregistreerde gegevens, bedoeld in artikel 54, onderdeel c , van
de wet.
Hoofdstuk 8. Gegevens betreffende het vervoer
Artikel 28
Onze Minister geeft regels omtrent de verstrekking van gegevens
betreffende het vervoer als bedoeld in artikel 57 van de wet.
Hoofdstuk 9. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 29 [Vervallen per 30-11-1998]
Artikel 30
Een inschrijving eigen vervoer ten aanzien van een binnenschip, dat
de ingeschrevene niet in eigendom heeft, wordt op diens aanvraag
telkenmale voor een jaar verleend, indien:
a. de huurovereenkomst ter zake van het betrokken binnenschip
vóór 1 april 1982 is gesloten en op het tijdstip waarop de
inschrijving wordt verleend van kracht is; en
b. het brandmerk, het laadvermogen en de eigenaar dan wel
eigenaren van het betrokken binnenschip dezelfde zijn gebleven.
Artikel 31 [Vervallen per 30-11-1998]
Artikel 32 [Vervallen per 30-11-1998]
Artikel 33
Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit vervoer binnenvaart.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad
zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 11 mei 1992
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
J.R.H. Maij-Weggen
Uitgegeven de veertiende mei 1992
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|