|
De Minister van
Verkeer en Waterstaat;
Gelet op artikel 8, tweede lid, aanhef en onder
a, van de Wet vervoer over zee (Stb. 1982, 629);
Besluit:
Artikel 1
Indien de in artikel 2, eerste lid, van de Verordening van de Raad
van de Europese Gemeenschappen van 15 mei 1979, nr. 954/79 (PbEG
1979, L 121), bedoelde onderhandelingen niet tot overeenstemming leiden,
kan de Minister van Verkeer en Waterstaat, na alle betrokken
scheepvaartondernemingen te hebben gehoord en alvorens op verzoek van
een van de betrokken scheepvaartondernemingen een beslissing te nemen
ter beslechting van het geschil, zich door een college van deskundigen
laten adviseren.
Artikel 2
Het in artikel 1 bedoelde college van deskundigen wordt als volgt
samengesteld:
1. op verzoek van de Minister van Verkeer en Waterstaat doen de
scheepvaartondernemingen, partij bij het geschil, binnen dertig
dagen elk een voordracht voor de benoeming van een deskundige;
2. de minister benoemt naast de in het eerste lid bedoelde
deskundigen een voorzitter;
3. indien een der partijen niet binnen dertig dagen een
deskundige heeft voorgedragen doet de voorzitter een voordracht.
Artikel 3
Het college van deskundigen onderzoekt het geschil mede aan de hand
van de volgende door de Raad van de Europese Gemeenschappen
(Raadsnotulen van de 578e zitting op 8 mei 1979, nr. Comv. COM (77) 686
def. R/3245/77) vastgelegde criteria:
a. de feitelijke hoeveelheid lading en de vooruitzichten op groei
ervan op de vervoerroute of -routes waarop de conference werkzaam
is;
b. de verhouding tussen de beschikbare tonnage en de feitelijke
en te verwachten hoeveelheid lading op de vervoerroute of -routes
waarop de conference werkzaam is;
c. het te verwachten effect dat de toelating van de
scheepvaartonderneming tot de conference zal hebben op de
doelmatigheid en kwaliteit van de diensten door de conference;
d. de huidige deelneming van de aanvrager aan het vervoer op
dezelfde vervoerroute of op concurrerende vervoerroutes in of buiten
het kader van de conference waarvan het lidmaatschap wordt gewenst;
e. de verenigbaarheid van de grondslagen van de bedrijfsvoering
van de aanvrager met die, welke overeenkomstig de beginselen van de
markteconomie ingang hebben gevonden;
f. het gedeelte van het betrokken vervoer dat door regelmatige
gebruikmaking van gehuurde schepen wordt of zal worden verricht door
de nationale ondernemingen.
Artikel 4
Aan de hand van zijn bevindingen brengt het college binnen een
termijn van dertig dagen na aanvang van zijn werkzaamheden advies uit
aan de Minister van Verkeer en Waterstaat, waarna de minister in het
geschil beslist.
Artikel 5
1. Het college van deskundigen bepaalt
zelf zijn werkwijze.
2. De leden van het college van deskundigen ontvangen uit 's
Rijks kas een vergoeding van reis- en verblijfkosten overeenkomstig het
Reisbesluit, alsmede voor zover hun benoeming haar oorzaak niet vindt in
het ambt dat zij bekleden, vacatiegelden overeenkomstig het
vacatiegeldenbesluit.
Artikel 6
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
datum van verschijning van de Nederlandse
Staatscourant waarin
zij wordt geplaatst.
Deze regeling zal met de daarbij behorende
toelichting worden geplaatst in de Nederlandse
Staatscourant en
in afschrift worden gezonden aan de Algemene Rekenkamer.
's-Gravenhage, 19 december 1988.
De minister van Verkeer en Waterstaat,
N. Smit-Kroes.
|