| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet voorkeursrecht
gemeenten (WVGem)
BESLUIT
VOORKEURSRECHT GEMEENTEN
Tekst zoals deze geldt op
25 januari 2010
Vervallen
m.i.v. 1 juli 2010
|
|
|
BESLUIT van 26 oktober 1984 ter uitvoering van de Wet
voorkeursrecht gemeenten
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer van 7 december 1983, nr. MJZ 07D3002, Centrale
Directie Juridische Zaken;
Gelet op artikel 28 van de Wet voorkeursrecht
gemeenten (Stb. 1981, 236);
De Raad van State gehoord, advies van 15
oktober 1984, nr. W08.83.0657/13.4.42;
Gezien het nader rapport van voornoemde
Staatssecretaris van 24 oktober 1984, nr. MJZ 2404010, Centrale Directie
Juridische Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Begripsbepalingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet voorkeursrecht gemeenten;
b. besluit tot aanwijzing: een besluit als bedoeld in artikel 2
in samenhang met artikel 3, 4 of 5 van de wet alsmede een besluit
als bedoeld in artikel 9a, eerste of tweede lid, in samenhang met
artikel 2 in samenhang met artikel 3, 4 of 5 van de wet;
c. besluit tot voorlopige aanwijzing: een besluit als bedoeld in
artikel 6 van de wet, alsmede een besluit als bedoeld in artikel 9a,
eerste lid, in samenhang met artikel 6 van de wet.
Hoofdstuk II. Aanwijzing van gronden
Artikel 2
1. Het besluit tot aanwijzing of voorlopige aanwijzing vermeldt
ten aanzien van de aangewezen gronden:
a. de kadastrale aanduidingen, bestaande uit achtereenvolgens de
naam der kadastrale gemeente, de aanduiding der sectie en het
perceelnummer van de in de aanwijzing opgenomen percelen in numerieke
volgorde geplaatst;
b. de grootte volgens de registers van het kadaster van elk der in
de aanwijzing opgenomen percelen en indien een gedeelte van een
perceel in de aanwijzing is opgenomen, de grootte van dat gedeelte;
c. de namen volgens de registers van het kadaster van de eigenaren
van de in de aanwijzing opgenomen percelen en perceelsgedeelten en van
de rechthebbenden op de daarop rustende zakelijke rechten;
een en ander bestaande op een in het besluit aangegeven tijdstip.
2. Het besluit tot aanwijzing of voorlopige aanwijzing vermeldt
tevens ten aanzien van elk tot de aangewezen gronden behorend perceel of
perceelsgedeelte de planologische grondslag op basis waarvan het besluit
is genomen, alsmede voor zover nodig de geldingsduur.
3. Het besluit vermeldt voorts of, en zo ja, wanneer en op welke
grondslag het perceel eerder was aangewezen alsmede het tijdstip waarop
het bevoegd gezag de vorige aanwijzing heeft doen vervallen.
Artikel 3
1. Het kadastraal overzicht, bedoeld in artikel 3, derde lid,
van de wet wordt ingericht met inachtneming van de volgende
voorschriften:
a. de kaart wordt vervaardigd op een schaal van tenminste 1 op
2500, waarop de kadastrale indeling van het gebied waarin zich
aangewezen gronden bevinden is aangegeven;
b. de aangewezen gronden worden met een duidelijke ononderbroken
lijn of arcering op de kaart aangegeven;
c. uit de kaart moet de kadastrale sectie-indeling blijken door
middel van een onderbroken lijn;
d. uit de kaart moet de aansluiting van de aangewezen gronden aan
het daaromheen gelegen gebied blijken;
e. op de kaart wordt aangegeven een noordpijl, alsmede de naam van
de gemeente en in geval van afwijking tevens de naam van de kadastrale
gemeente.
2. De kaart moet op duidelijke en overzichtelijke wijze worden
uitgevoerd, teneinde voor een ieder toegankelijk te zijn. Hij moet
voorts van duurzaam materiaal vervaardigd worden en goed
vermenigvuldigbaar zijn.
Hoofdstuk III. Mededeling van de aanwijzing
Artikel 4
1. De mededeling, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de wet
aan de in het besluit tot aanwijzing of voorlopige aanwijzing vermelde
eigenaren en beperkt gerechtigden, gaat vergezeld van een afschrift
van het besluit dan wel een uittreksel daaruit met de voor de
geadresseerde eigenaar of beperkt gerechtigde van belang zijnde
gegevens.
2. De mededeling van het besluit tot aanwijzing door provinciale
staten of Onze Minister en de kennisgeving van het besluit tot
voorlopige aanwijzing door gedeputeerde staten vermeldt tevens:
a. of het betrokken perceel reeds is aangewezen door een ander
bevoegd gezag;
b. het rechtsgevolg van het besluit voor een reeds bestaande
aanwijzing of voorlopige aanwijzing van het betrokken perceel;
c. indien een opgave als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de
wet, is gedaan, op welke wijze gedeputeerde staten onderscheidenlijk
Onze Minister invulling geven aan de indeplaatstreding, bedoeld in
artikel 9a, vijfde onderscheidenlijk zesde lid, van de wet.
Hoofdstuk IV [Vervallen per 01-07-2007]
Artikel 5 [Vervallen per 01-07-2007]
Artikel 6 [Vervallen per 17-07-1996]
Hoofdstuk V. Verzending
Artikel 7
Alle schriftelijke mededelingen of kennisgevingen aan of van de
verkoper, in de wet voorzien, worden gedaan bij aangetekende brief of
tegen bericht van ontvangst.
Artikel 8
1. Gedeputeerde Staten zenden aan burgemeester en wethouders
afschrift van een verzoek om ontheffing, als bedoeld in artikel 14 van
de wet.
2. Gedeputeerde Staten zenden aan burgemeester en wethouders
terstond bericht indien tegen een door hen op grond van de wet genomen
besluit bij hen een bezwaarschrift is ingediend, dan wel bij de
rechtbank of bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State -
in hoger beroep - een beroepschrift. Van de desbetreffende uitspraak
zenden zij burgemeester en wethouders eveneens terstond bericht.
Artikel 9
1. Burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten of Onze
Minister zenden aan de verkoper afschrift van een verzoek aan de
rechtbank, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, en artikel 17,
eerste lid, van de wet.
2. Indien de verkoper met toepassing van artikel 17, tweede lid,
van de wet de rechtbank verzoekt om een oordeel over de prijs te geven,
zendt hij tegelijkertijd een afschrift van zijn verzoek aan burgemeester
en wethouders, gedeputeerde staten of Onze Minister.
3. Indien burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten of Onze
Minister ingevolge artikel 17, derde lid, van de wet de verkoper
berichten dat de gemeente, de provincie of de Staat alsnog van de
aankoop afziet, zenden zij tegelijkertijd een afschrift van dat bericht
aan de rechtbank.
Artikel 10
De toezending van een exemplaar van het advies, bedoeld in artikel
16, vierde lid, van de wet aan ieder van beide partijen geschiedt onder
dezelfde dagtekening als de nederlegging daarvan ter griffie van de
rechtbank.
Hoofdstuk VI. Slotbepaling
Artikel 11
1. Dit besluit treedt in werking tegelijk met de Wet
voorkeursrecht gemeenten.
2. Het kan worden aangehaald als: Besluit voorkeursrecht
gemeenten.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
's-Gravenhage, 26 oktober 1984
BEATRIX
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer,
G.Ph. Brokx
Uitgegeven de zevenentwintigste november 1984
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
Bijlage. Formulieren A tot en met E behorende bij
Koninklijk besluit van 26 oktober 1984, Stb. 1984, 543
[Vervallen]
|
|
|