| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet voorkoming
verontreiniging door schepen (Wvvs)
BESLUIT
VOORKOMING VERONTREINIGING DOOR SCHEPEN
Tekst zoals deze geldt op
24 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 11 december 2006, houdende regels ter voorkoming van
verontreiniging door schepen (Besluit voorkoming verontreiniging door
schepen)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 23
augustus 2006, nr. HDJZ/SCH/2006-1285, Hoofddirectie Juridische Zaken,
gedaan mede namens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer;
Gelet op het op 2 november 1973 te Londen totstandgekomen
Internationaal verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen (Trb.
1975, 147) met het op 17 februari 1978 te Londen totstandgekomen protocol bij dat
verdrag (Trb. 1978, 188), op bijlage IV van het op
4 oktober 1991 te Madrid totstandgekomen Protocol betreffende
milieubescherming bij het Verdrag inzake Antarctica (Trb. 1992, 110),
het op 5 oktober 2001 te Londen totstandgekomen Internationaal verdrag inzake de beperking van schadelijke aangroeiwerende verfsystemen
op schepen (Trb. 2004, 44), Richtlijn nr. 2000/59/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 november 2000
betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en
ladingresiduen (PbEG L 332), Richtlijn nr. 2005/33/EG van het Europees
Parlement en de Raad van de Europese Unie van 6 juli 2005 tot
wijziging van Richtlijn 1999/32/EG wat het zwavelgehalte van
scheepsbrandstoffen betreft (PbEU L 191) en de artikelen 1, 2, 4, 5, 6,
7, 8, 8a, 9, 10, 11, 12c, 12e, 21, 23, en 38 van de Wet voorkoming
verontreiniging door schepen;
De Raad van State gehoord (advies van 12 oktober 2006, nr.
W09.06.0362/V);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat
van 5 december 2006, nr. HDJZ/SCH/2006-1806, Hoofddirectie Juridische
Zaken, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
1. In dit besluit en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. wet: Wet voorkoming
verontreiniging door schepen;
b. olietankschip: een olietankschip
als bedoeld in voorschrift 1 van Bijlage I van het Verdrag;
c. schadelijke vloeistof: een
schadelijke vloeistof als bedoeld in voorschrift 1 van Bijlage II
van het Verdrag;
d. schadelijke stoffen in verpakte
vorm: schadelijke stoffen als bedoeld in voorschrift 1 van Bijlage
III van het Verdrag, in verpakte vorm als bedoeld in dat
voorschrift, met uitzondering van schadelijke stoffen in verpakte
vorm, bestemd voor eigen scheepsgebruik of behorend tot de eigen
scheepsuitrusting;
e. sanitair afval: sanitair afval
als bedoeld in voorschrift 1 van Bijlage IV van het Verdrag met
uitzondering van spoelwater afkomstig uit ruimten waar zich
huisdieren bevinden;
f. Antarctisch gebied: gebied ten
zuiden van 60° zuiderbreedte;
g. uitstoot: emissie als bedoeld in
voorschrift 2 van Bijlage VI van het Verdrag;
h. GT: de maateenheid bruto-tonnage
waarin de totale inhoud van een schip, vastgesteld overeenkomstig
het op 23 juni 1969 te Londen totstandgekomen Verdrag betreffende
de meting van schepen (Trb. 1970, 122), wordt uitgedrukt;
i. lengte: de overeenkomstig het
verdrag, genoemd in onderdeel h, vastgestelde lengte van een
schip;
j. internationale reis: een reis
tussen twee verschillende landen, waarbij een gebied voor welks
buitenlandse betrekkingen een buiten dat gebied zetelende regering
verantwoordelijk is of waarvan de Verenigde Naties het besturend
lichaam zijn, mede als een afzonderlijk land wordt aangemerkt;
k. AFS-verdrag: het op 5 oktober
2001 te Londen totstandgekomen Internationaal Verdrag inzake de
beperking van schadelijke aangroeiwerende verfsystemen op schepen
(Trb. 2004, 44);
l. IMO: de Internationale Maritieme
Organisatie van de Verenigde Naties;
m. Mariene Milieucommissie: de
gelijknamige commissie van de IMO;
n. BCH-Code: de bij resolutie
MEPC.20(22) van de Mariene Milieucommissie aangenomen Code voor de
bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliėn in
bulk vervoeren (Bulk Chemical Code);
o. IBC-Code: de bij resolutie
MEPC.19(22) van de Mariene Milieucommissie aangenomen
Internationale Code voor de bouw en uitrusting van schepen die
gevaarlijke chemicaliėn in bulk vervoeren (International Bulk
Chemical Code);
p. NOx-Code: de Technische Code
inzake de beheersing van de emissie van stikstofoxiden door
scheepsdieselmotoren (Technical Code on Control of Emission of
Nitrogen Oxides from Marine Diesel Engines, Trb. 2005, 30),
aangenomen als bijlage bij resolutie 2 bij het Protocol van 1997
tot wijziging van het Verdrag ter voorkoming van verontreiniging
door schepen, 1973, zoals gewijzigd bij het Protocol van 1978, met
Bijlage (Trb. 1999, 169).
2. Voor de toepassing van de op grond
van dit besluit toepasselijke verdragen en Codes wordt in dit besluit
en de daarop berustende bepalingen, tenzij bij of krachtens dit
besluit anders is bepaald, verstaan onder Administratie: Onze
Minister.
Artikel 1a. Toepassing Bonaire, Sint
Eustatius en Saba
1. Dit besluit is tevens van toepassing
op schepen als bedoeld in artikel 2 van de Vaartuigenwet 1930 BES.
2. Bij ministeriėle regeling kunnen de
krachtens dit besluit gestelde regels ook van toepassing worden
verklaard op schepen als bedoeld in artikel 2 van de Vaartuigenwet
1930 BES.
Artikel 2. Aanwijzing schadelijke stoffen
Als schadelijke stoffen als bedoeld in
artikel 1, onderdeel h, van de wet worden aangewezen:
a. olie en oliehoudende mengsels als
bedoeld in voorschrift 1 van Bijlage I van het Verdrag;
b. schadelijke vloeistoffen,
inclusief restanten daarvan, of ballastwater, waswater van tanks of
andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten;
c. vloeistoffen die op grond van
Bijlage II niet zijn gecategoriseerd, noch voorlopig ingedeeld of
geėvalueerd, of ballastwater, waswater van tanks of andere mengsels
die dergelijke restanten bevatten;
d. schadelijke stoffen in verpakte
vorm;
e. sanitair afval;
f. vuilnis als bedoeld in voorschrift
1 van Bijlage V van het Verdrag.
Artikel 3. Aanwijzing verdragen
Als een ander verdrag als bedoeld in de
artikelen 8, eerste en derde lid, 8a, 21 en 23 van de wet wordt
aangewezen het AFS-verdrag.
Artikel 4. Bouwdatum van een schip
1.Als bouwdatum van een schip wordt
aangemerkt de dag waarop de kiel van het schip is gelegd, dan wel de
dag waarop met inachtneming van hetgeen dienaangaande in de op grond
van dit besluit toepasselijke verdragen of Codes is bepaald, een met
de kiellegging vergelijkbaar constructiestadium is bereikt.
2.In afwijking van het eerste lid wordt
als bouwdatum van een schip dat een verbouwing tot een ander op grond
van dit besluit onderscheiden scheepstype heeft ondergaan, aangemerkt
de dag waarop met de verbouwing van het schip een aanvang is gemaakt,
tenzij dienaangaande in de op grond van dit besluit toepasselijke
verdragen of Codes anders is bepaald.
3.Bij regeling van Onze Minister kunnen
nadere regels worden gesteld met betrekking tot de bij nieuwbouw of
verbouwing van schepen als bouwdatum aan te merken datum. Deze regels
kunnen mede betrekking hebben op de bij overschrijding van een bij die
regeling te bepalen termijn voor de afbouw van een schip of de
voltooiing van een bepaalde constructiefase als bouwdatum van een
schip aan te merken datum.
Hoofdstuk 2. Eisen aan schepen
Artikel 5. Eisen aan schepen op grond van
het MARPOL-verdrag
1. Elk schip voldoet aan de op dat
schip van toepassing zijnde eisen van Bijlage I van het Verdrag.
2. Een schip bestemd of gebruikt voor
het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk, voldoet aan de op
dat schip van toepassing zijnde eisen van Bijlage II van het Verdrag.
3. Het tweede lid is van
overeenkomstige toepassing op de in dat lid bedoelde schepen:
a. waarvoor een certificaat als
bedoeld in artikel 12, tweede lid, benodigd is, of
b. die geen reizen maken naar
havens buitengaats binnen de rechtsmacht van andere partijen bij
het Verdrag.
4. De volgende schepen die
internationale reizen maken, voldoen aan de op dat schip van
toepassing zijnde eisen van Bijlage IV van het Verdrag:
a. nieuwe schepen als bedoeld in
voorschrift 1 van die Bijlage van 400 GT of meer;
b. nieuwe schepen als bedoeld in
voorschrift 1 van die Bijlage van minder dan 400 GT die gerechtigd
zijn meer dan 15 personen te vervoeren;
c. bestaande schepen als bedoeld in
voorschrift 1 van die Bijlage van 400 GT of meer, met ingang van
28 september 2008;
d. bestaande schepen als bedoeld in
voorschrift 1 van die Bijlage van minder dan 400 GT die gerechtigd
zijn meer dan 15 personen te vervoeren, met ingang van 28
september 2008.
5. Elk schip voldoet aan de op dat
schip van toepassing zijnde eisen van Bijlage VI van het Verdrag.
6. Een schip met een of meer
dieselmotoren waarop voorschrift 13 van Bijlage VI van het Verdrag van
toepassing is, voldoet met betrekking tot die motoren tevens aan de in
de NOx-Code opgenomen eisen. Het voldoen aan die eisen blijkt voor
motoren ten aanzien waarvan op grond van de Nox-Code een
pre-certificeringsonderzoek verplicht is, uit een overeenkomstig de
NOx-Code voor de motor afgegeven Internationaal certificaat
betreffende voorkoming van luchtverontreiniging door motoren,
behorende bij die Code.
Artikel 6. Eisen aan schepen op grond van
het Antarctica-verdrag
Aan boord van elk schip dat zich in het
Antarctisch gebied bevindt zijn één of meer verzameltanks aanwezig met
voldoende capaciteit voor het opslaan van sanitair afval.
Artikel 7. Eisen aan schepen op grond van
het AFS-verdrag
1.Elk schip voldoet aan de op dat schip
van toepassing zijnde eisen van Bijlage 1 van het AFS-verdrag.
2.Elk schip met een lengte van 24 meter
of meer, maar van minder dan 400 GT, dat internationale reizen maakt,
is voorzien van een door de eigenaar of diens bevoegde agent
ondertekende verklaring als bedoeld in voorschrift 5 van Bijlage 4 van
het AFS-verdrag, die voldoet aan de daaraan in dat voorschrift
gestelde eisen.
3.Het tweede lid is niet van toepassing
op drijvende platforms, drijvende opslageenheden en drijvende
productie-, opslag-, en overslageenheden.
Artikel 7a. Eisen aan schepen op grond
van het Ballastwaterverdrag [Treedt in werking op een nader te bepalen
tijdstip]
1. Elk schip voldoet aan de op dat
schip van toepassing zijnde eisen van voorschrift B-3 en voorschrift
B-5, lid 2, van de bijlage van het Ballastwaterverdrag, tenzij er
sprake is van een uitzondering als bedoeld in voorschrift A-3 van de
bijlage bij het Ballastwaterverdrag.
2. Elk schip voldoet aan de op dat
schip van toepassing zijnde eisen van voorschrift B-1 van de bijlage
bij het Ballastwaterverdrag voor het hebben van een
ballastwaterbeheerplan.
3. De in het eerste en tweede lid
bedoelde eisen gelden niet voor schepen die niet ontworpen of gebouwd
zijn voor het vervoer van ballastwater en voor schepen die
ballastwater vervoeren in permanent verzegelde tanks en dit
ballastwater niet lozen.
4. In afwijking van het eerste lid is
voor een schip waarop een ballastwaterbeheersysteem in gebruik is dat
voldoet aan een bij ministeriėle regeling vastgesteld programma voor
het testen en beoordelen van technieken voor ballastwaterbehandeling,
de norm van voorschrift D-2 van de bijlage bij het Ballastwaterverdrag
niet van toepassing gedurende een in de bij die ministeriėle regeling
vastgestelde periode.
Artikel 8. Nadere eisen
1.Bij regeling van Onze Minister kunnen
eisen worden vastgesteld waaraan schepen in verband met een
krachtensartikel 15 vereist certificaat moeten voldoen.
2.Bij regeling van Onze Minister kunnen
voor schepen aanvullende eisen worden vastgesteld, alsmede nadere
regels met betrekking tot de in de artikelen 5 tot en met 7 bedoelde
eisen.
Artikel 9. Gelijkwaardige voorzieningen
Onze Minister kan, met inachtneming van
hetgeen dienaangaande in het desbetreffende verdrag of de desbetreffende
Code is bepaald, afwijking toestaan van de in artikel 5 bedoelde eisen
en de in artikel 31, eerste en tweede lid, bedoelde eisen en
voorschriften waaronder de in deze artikelleden bedoelde handelingen
mogen worden verricht, indien aan boord van het schip een voorziening
wordt getroffen die naar zijn oordeel ten minste gelijkwaardig is aan de
in het voorschrift waarvan wordt afgeweken, geėiste voorziening.
Artikel 10. Ontheffingen
Van een ontheffing als bedoeld in artikel
35, tweede lid, van de wet van de in de artikelen 5 en 6 bedoelde eisen
wordt, indien deze wordt verleend voor een schip waaraan een certificaat
wordt afgegeven als bedoeld in artikel 12, aantekening gemaakt op het
certificaat.
Artikel 11. Toelating van uitrusting
Bij regeling van Onze Minister kunnen
regels worden gesteld betreffende de voorwaarden voor toelating van
uitrusting aan boord van schepen, het gebruik van die uitrusting en de
documenten waarvan zij in bij die regeling bepaalde gevallen vergezeld
gaat.
Hoofdstuk 3. Certificaten en onderzoeken
§ 1. Certificaten
Artikel 12. Certificaten op grond van het
MARPOL-verdrag
1.Voor een olietankschip van 150 GT of
meer of een schip geen olietankschip zijnde, van 400 GT of meer,
waarvan na onderzoek is gebleken dat het voldoet aan de eisen, bedoeld
in artikel 5, eerste lid, en de met dat artikellid samenhangende
eisen, bedoeld in artikel 8, tweede lid, wordt een Internationaal
certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie als bedoeld
in voorschrift 7 van Bijlage I van het Verdrag afgegeven.
2.Voor een schip bestemd of gebruikt
voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk, waarvan na
onderzoek is gebleken dat het voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel
5, tweede lid, en de met dat artikellid samenhangende eisen, bedoeld
in artikel 8, tweede lid, wordt, al naar gelang de categorie waartoe
het schip behoort, een van de volgende certificaten afgegeven:
a. voor chemicaliėntankschepen
gebouwd op of na 1 juli 1986: een certificaat van geschiktheid
voor het vervoer van gevaarlijke chemicaliėn in bulk, behorende
bij de IBC-Code;
b. voor chemicaliėntankschepen
gebouwd voor 1 juli 1986: een certificaat van geschiktheid voor
het vervoer van gevaarlijke chemicaliėn in bulk, behorende bij de
BCH-Code;
c. voor schepen die schadelijke
vloeistoffen in bulk vervoeren en niet behoren tot de in de
onderdelen a en b genoemde categorieėn: een Internationaal
certificaat van voorkoming van verontreiniging voor het vervoer
van schadelijke vloeistoffen in bulk als bedoeld in voorschrift 9
van Bijlage II van het Verdrag.
3.Voor schepen als bedoeld in artikel
5, vierde lid, waarvan na onderzoek is gebleken dat ze voldoen aan de
eisen, bedoeld in artikel 5, vierde lid, en de met dat artikellid
samenhangende eisen, bedoeld in artikel 8, tweede lid, wordt een
Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door
sanitair afval als bedoeld in voorschrift 5 van Bijlage IV van het
Verdrag afgegeven.
4.Voor een schip van 400 GT of meer,
waarvan na onderzoek is gebleken dat het voldoet aan de eisen, bedoeld
in artikel 5, vijfde en zesde lid, en de met dat artikellid
samenhangende eisen, bedoeld in artikel 8, tweede lid, wordt een
Internationaal certificaat betreffende voorkoming van
luchtverontreiniging als bedoeld in voorschrift 6 van Bijlage VI van
het Verdrag afgegeven.
5.Voor schepen met een of meer
dieselmotoren waarop voorschrift 13 van Bijlage VI van het Verdrag van
toepassing is, wordt overeenkomstig de NOx-Code voor elk van die
motoren een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van
luchtverontreiniging door motoren, behorende bij die Code, afgegeven.
Artikel 13. Certificaten op grond van het
AFS-verdrag
1.Voor een schip van 400 GT of meer,
waarvan na onderzoek is gebleken dat het voldoet aan de eisen, bedoeld
in artikel 7 en de met dat artikellid samenhangende eisen, bedoeld in
artikel 8, tweede lid, wordt een Internationaal certificaat
betreffende het aangroeiwerende verfsysteem als bedoeld in voorschrift
1.1. van Bijlage 4 van het AFS-verdrag afgegeven.
2.Het eerste lid is niet van toepassing
op drijvende platforms, drijvende opslageenheden en drijvende
productie-, opslag-, en overslageenheden.
Artikel 13a. Certificaten op grond van
het Ballastwaterverdrag [Treedt in werking op een nader te bepalen
tijdstip]
1. Voor een schip van 400 GT of meer,
waarvan na onderzoek is gebleken dat het voldoet aan de eisen, bedoeld
in artikel 7a en de met dat artikel samenhangende eisen, bedoeld in
artikel 8, tweede en derde lid, wordt een Internationaal
ballastwaterbeheercertificaat als bedoeld in voorschrift E-4 van de
bijlage bij het Ballastwaterverdrag afgegeven.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op drijvende platforms, drijvende opslageenheden en
drijvende productie-, opslag-, en overslageenheden.
Artikel 14. Bij certificaten behorende
rapporten, aanhangsels e.d.
De in de artikelen 12 en13 bedoelde
certificaten gaan vergezeld van de bij die certificaten behorende
rapporten, aanhangsels en overzichten, alsmede van de in de
desbetreffende verdragen of Codes voorgeschreven gegevens met betrekking
tot schip of lading.
Artikel 15. Overige certificaten en
verklaringen
1.Bij regeling van Onze Minister kan
worden bepaald dat voor bepaalde schepen, waarvan na onderzoek is
gebleken dat ze voldoen aan de op die schepen van toepassing zijnde
eisen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, een bijzonder certificaat
wordt afgegeven.
2.Bij regeling van Onze Minister kan
worden bepaald dat voor bepaalde schepen waarop de artikelen 12 en 13
niet van toepassing zijn, waarvan na onderzoek is gebleken dat ze
voldoen aan de op die schepen van toepassing zijnde eisen, bedoeld in
de artikelen 5 tot en met 7 en de met die artikelen samenhangende
eisen, bedoeld inartikel 8, op verzoek van de reder een verklaring kan
worden afgegeven.
§ 2. Onderzoeken
Artikel 16. Onderzoeken in verband met
MARPOL-certificaten
1.Schepen worden ter verkrijging van
een in artikel 12, eerste tot en met vierde lid, genoemd certificaat
en tijdens de geldigheidsduur van dat certificaat onderworpen aan de
volgende in het Verdrag voorgeschreven onderzoeken:
a. in verband met het
Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door
olie: de in Bijlage I van het Verdrag voorgeschreven onderzoeken;
b. in verband met een certificaat
als bedoeld inartikel 12, tweede lid: de in Bijlage II van het
Verdrag voorgeschreven onderzoeken;
c. in verband met het
Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door
sanitair afval: de in Bijlage IV van het Verdrag voorgeschreven
onderzoeken;
d. in verband met het
Internationaal certificaat betreffende voorkoming van
luchtverontreiniging: de in Bijlage VI van het Verdrag
voorgeschreven onderzoeken.
2.Ter verkrijging van een
Internationaal certificaat betreffende voorkoming van
luchtverontreiniging door motoren en tijdens de geldigheidsduur van
dat certificaat wordt de motor waarop het certificaat betrekking
heeft, onderworpen aan de in de NOx-Code voorgeschreven onderzoeken.
Artikel 17. Onderzoeken in verband met
het AFS-certificaat
Ter verkrijging van een Internationaal
certificaat betreffende het aangroeiwerende verfsysteem en tijdens de
geldigheidsduur van dat certificaat wordt een schip onderworpen aan de
in Bijlage 4 van het AFS-verdrag voorgeschreven onderzoeken.
Artikel 17a. Onderzoeken in verband met
het Ballastwaterbeheercertificaat [Treedt in werking op een nader te
bepalen tijdstip]
Ter verkrijging van een Internationaal
ballastwaterbeheercertificaat en tijdens de geldigheidsduur van dat
certificaat wordt een schip onderworpen aan de in voorschrift E-1 van de
bijlage bij het Ballastwaterverdrag voorgeschreven onderzoeken.
Artikel 18. Tijdstippen van onderzoek
De in de artikelen 16 en 17 bedoelde
onderzoeken vinden plaats op de in de desbetreffende verdragen en Codes
voorgeschreven tijdstippen, met dien verstande dat het hernieuwde
onderzoek waaraan een schip in verband met de vernieuwing van een
certificaat wordt onderworpen, steeds plaatsvindt in de laatste drie
maanden van de geldigheidsduur van het desbetreffende certificaat.
Artikel 19. Aantekening van onderzoeken
Van de onderzoeken waaraan een schip
ingevolge de artikelen 16 en 17 tijdens de geldigheidsduur van een
certificaat wordt onderworpen, wordt door degene die het onderzoek heeft
verricht, aantekening geplaatst op het certificaat.
Artikel 20. Overige onderzoeken
1.Bij regeling van Onze Minister kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot:
a. de onderzoeken waaraan schepen
in verband met een certificaat als bedoeld in artikel 15, eerste
lid, worden onderworpen;
b. de onderzoeken waaraan schepen
worden onderworpen waarop de artikelen 12 en 13 niet van
toepassing zijn.
2.Bij regeling van Onze Minister kunnen
nadere regels worden gesteld met betrekking tot de onderzoeken waaraan
schepen ter verkrijging van de certificaten, bedoeld in de artikelen
16 en 17, en tijdens de geldigheidsduur daarvan worden onderworpen.
Artikel 21. Bevoegdheid aangewezen
natuurlijke personen of rechtspersonen
Een ingevolge artikel 8, derde lid, van
de wet, aangewezen natuurlijke persoon of rechtspersoon is, indien bij
een onderzoek als bedoeld in de artikelen 16 en 17 gebreken aan het
schip of zijn uitrusting worden geconstateerd, bevoegd om herstel van
deze gebreken te vorderen.
Artikel 22. Handhaving toestand na
onderzoek
Nadat een bij of krachtens dit besluit
voorgeschreven onderzoek, met uitzondering van het onderzoek, bedoeld in
artikel 17, is voltooid, wordt de toestand van het schip en zijn
uitrusting gehandhaafd in overeenstemming met de bij of krachtens dit
besluit gestelde regels. In deze toestand wordt geen verandering
aangebracht zonder voorafgaande toestemming van Onze Minister of van de
ingevolge artikel 8, derde lid, van de wet, aangewezen natuurlijke
persoon of rechtspersoon die het onderzoek heeft uitgevoerd.
§ 3. Geldigheid van certificaten
Artikel 23. Geldigheidsduur van
certificaten
1. De in artikel 12genoemde
certificaten hebben een geldigheidsduur van vijf jaren, met
uitzondering van het Internationaal certificaat betreffende voorkoming
van luchtverontreiniging door motoren, dat geldig is gedurende de
volledige levensduur van de motor.
2. Het Internationaal certificaat
betreffende het aangroeiwerende verfsysteem is, behoudens het bepaalde
in artikel 9 van de wet, onbeperkt geldig.
3. Onze Minister kan certificaten
afgeven met een kortere geldigheidsduur dan in het eerste lid bepaald,
indien nog niet alle onderzoeken naar zijn genoegen zijn voltooid, of
indien hij nog niet over alle door hem gevraagde gegevens over het
schip beschikt.
Artikel 24. Vernieuwing van certificaten
Na voltooiing van een hernieuwd onderzoek
in verband met de vernieuwing van een certificaat is het nieuwe
certificaat, in afwijking van artikel 23, geldig vanaf de datum van
voltooiing van het desbetreffende onderzoek tot een datum niet later dan
vijf jaren na de vervaldatum van het bestaande certificaat.
Artikel 25. Bijzondere verlengingen van
de geldigheidsduur
1. Indien een schip zich op het
tijdstip waarop een certificaat zijn geldigheid verliest, niet in een
haven bevindt waar een hernieuwd onderzoek kan plaatsvinden, kan Onze
Minister de geldigheidsduur van het certificaat met ten hoogste drie
maanden verlengen teneinde het schip in staat te stellen zijn reis
naar de haven waar het zal worden onderzocht, te voltooien. Het schip
verlaat die haven vervolgens niet zonder nieuw certificaat.
2. Onze Minister kan de geldigheidsduur
van een certificaat dat is afgegeven ten behoeve van een schip dat
korte reizen maakt, met ten hoogste een maand verlengen.
3. In een geval als bedoeld in het
eerste of tweede lid wordt na de voltooiing van het hernieuwde
onderzoek de geldigheidsduur van het nieuwe certificaat bepaald aan de
hand van de oorspronkelijke vervaldatum van het bestaande certificaat.
4. Indien na de voltooiing van een
hernieuwd onderzoek het nieuwe certificaat niet voor de vervaldatum
van het bestaande certificaat kan worden afgegeven of aan het schip
kan worden verstrekt, kan degene die het onderzoek heeft uitgevoerd
daarvan een aantekening plaatsen op het bestaande certificaat. In dat
geval wordt het bestaande certificaat nog als geldig aangemerkt voor
een tijdvak van ten hoogste vijf maanden na zijn vervaldatum.
5. Onze Minister kan de geldigheidsduur
van een certificaat, bedoeld in artikel 23, derde lid, verlengen tot
een datum die is gelegen vijf jaren na de afgiftedatum van het
certificaat, met dien verstande dat de geldigheidsduur van een
certificaat als bedoeld in artikel 12, eerste, tweede en vierde lid,
alleen kan worden verlengd na voltooiing van een tussentijds of
jaarlijks onderzoek als bedoeld in Bijlage I, II en VI van het
Verdrag.
Artikel 26. Nadere regels
Bij regeling van Onze Minister kunnen
nadere regels worden gesteld met betrekking tot de geldigheidsduur van
het certificaat en de verklaring, bedoeld in artikel 15, en kunnen
nadere regels worden gesteld met betrekking tot de geldigheidsduur van
het in de artikelen 12, 13 en 13a bedoelde certificaat.
Artikel 27. Verval en intrekking van
certificaten
1. Indien een schip door zijn eigenaar
wordt onttrokken aan zijn algemene bestemming als schip, vervallen de
voor dat schip afgegeven certificaten.
2. Indien een schip door zijn eigenaar
wordt onttrokken aan een bijzondere bestemming die het had ten tijde
van de afgifte van de voor dat schip benodigde certificaten, doch zijn
algemene bestemming als schip behoudt, vervallen de in verband met die
bijzondere bestemming afgegeven certificaten.
3. Onze Minister kan een certificaat
intrekken:
1°. wanneer het schip schade van
betekenis heeft opgelopen en de herstelling daarvan niet naar
behoren is geschied, of
2°. wanneer uit een onderzoek van
de ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat is gebleken
dat het schip niet zonder gevaar voor verontreiniging van het
mariene milieu de haven kan verlaten.
4. Een vervallen of ingetrokken
certificaat wordt door de eigenaar zo spoedig mogelijk aan Onze
Minister ingezonden door tussenkomst van ambtenaren van de Inspectie
Verkeer en Waterstaat, de ambtenaren met de in- of uitklaring belast,
dan wel de Nederlandse diplomatieke of consulaire ambtenaren.
5. Voor een ingezonden certificaat
wordt desverlangd een bewijs van ontvangst afgegeven.
Artikel 28. Herstel van vervallen
certificaten
Onze Minister kan de geldigheid van een
certificaat dat ingevolge artikel 9, eerste lid, onderdeel e, van de wet
is vervallen, herstellen, indien naar zijn mening bij een inspectie
voldoende is gebleken dat het schip voldoet aan de desbetreffende eisen.
Hoofdstuk 4. Lozing en overige
gedragingen
Artikel 29. Verboden lozingen onder het
MARPOL-verdrag
1. Het is verboden vanaf een schip olie
of oliehoudende mengsels als bedoeld in voorschrift 1 van Bijlage I
van het Verdrag in zee te lozen, anders dan met inachtneming van de in
die Bijlage gegeven voorschriften, met dien verstande dat:
a. in het gebied van de
Middellandse Zee, het gebied van de Oostzee, het gebied van de
Zwarte Zee, het Golfgebied, de Noordwest-Europese wateren en de
Zuidelijke Zuid-Afrikaanse wateren, bedoeld in voorschrift 1 van
die Bijlage, en het Antarctisch gebied de voorschriften 15 en 34
van die Bijlage wat betreft lozingen in bijzondere gebieden van
toepassing zijn;
b. in de overige bijzondere
gebieden, bedoeld in voorschrift 1 van die Bijlage, de
voorschriften 15 en 34 van die Bijlage wat betreft lozingen buiten
bijzondere gebieden van toepassing zijn, en in deze gebieden de
voorschriften 15 en 34 wat betreft lozingen in bijzondere gebieden
van toepassing worden op een nader bij besluit van Onze Minister
vast te stellen tijdstip, dat wordt bekendgemaakt in de
Staatscourant.
2. Het is verboden vanaf een schip
bestemd of gebruikt voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in
bulk de volgende vloeistoffen in zee te lozen, anders dan met
inachtneming van de in Bijlage II van het Verdrag gegeven
voorschriften:
a. schadelijke vloeistoffen,
inclusief restanten daarvan, of ballastwater, waswater van tanks
of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten;
b. vloeistoffen die op grond van
Bijlage II niet zijn gecategoriseerd, noch voorlopig ingedeeld of
geėvalueerd, of ballastwater, waswater van tanks of andere
mengsels die dergelijke restanten bevatten.
Het lozen van lens- of ballastwater of
andere restanten of mengsels die alleen stoffen bevatten aangeduid met
OS in de kolom verontreinigingscategorie in Hoofdstuk 18 van de
IBC-code is niet verboden.
3. Het is verboden vanaf een schip
schadelijke stoffen in verpakte vorm te lozen, anders dan met
inachtneming van de Bijlage III van het Verdrag gegeven voorschriften.
Dit verbod is ook van toepassing op lege, niet gereinigde verpakkingen
die eerder zijn gebruikt voor het vervoer van schadelijke stoffen in
verpakte vorm, tenzij toereikende maatregelen zijn getroffen die
verzekeren dat geen restanten zijn achtergebleven die schade kunnen
toebrengen aan het mariene milieu.
4. Het is verboden vanaf een schip als
bedoeld inartikel 5, vierde lid, sanitair afval in zee te lozen anders
dan met inachtneming van de in Bijlage IV van het Verdrag gegeven
voorschriften.
5. Het is verboden vanaf een schip
vuilnis als bedoeld in voorschrift 1 van Bijlage V van het Verdrag in
zee te lozen, anders dan met inachtneming van de in die Bijlage
gegeven voorschriften, met dien verstande dat:
a. in het gebied van de
Middellandse Zee, het gebied van de Oostzee, het Golfgebied, het
gebied van de Noordzee en het Caraļbisch gebied, bedoeld in
voorschrift 5 van die Bijlage, en in het Antarctisch gebied
voorschrift 5 van die Bijlage van toepassing is;
b. in de overige bijzondere
gebieden, bedoeld in voorschrift 5 van die Bijlage, voorschrift 3
van die Bijlage van toepassing is, en in deze gebieden voorschrift
5 van die Bijlage van toepassing wordt op een nader bij besluit
van Onze Minister vast te stellen tijdstip, dat wordt
bekendgemaakt in de Staatscourant.
6. Voor de toepassing van de op grond
van dit artikel toepasselijke voorschriften van het Verdrag wordt
verstaan onder Administratie: Onze Minister.
Artikel 30. Verboden lozingen onder het
Antarctica-verdrag
1.Het is verboden vanaf een schip dat
zich in het Antarctisch gebied bevindt, sanitair afval te lozen anders
dan met inachtneming van de in Bijlage IV van het op 4 oktober 1991 te
Madrid tot stand gekomen Protocol betreffende milieubescherming bij
het Verdrag inzake Antarctica, met Bijlagen (Trb. 1992, 110) gegeven
voorschriften, met dien verstande dat voor de toepassing van die
voorschriften onder«lozingen in zee van onbehandeld sanitair afval»
wordt verstaan «lozingen van sanitair afval die niet voldoen aan
voorschrift 11.1.2 van Bijlage IV van het MARPOL-verdrag» en onder
«personen» wordt verstaan«passagiers».
2.Het is verboden vanaf een schip dat
zich in het Antarctisch gebied bevindt, vuilnis als bedoeld in
voorschrift 1 van Bijlage V van het Verdrag te lozen anders dan met
inachtneming van de in het eerste lid bedoelde Bijlage IV gegeven
voorschriften.
Artikel 31. Overige verboden gedragingen
onder het MARPOL-verdrag
1. Het is verboden opzettelijk stoffen
die de ozonlaag aantasten als bedoeld in voorschrift 2 van Bijlage VI
van het Verdrag uit te stoten anders dan met inachtneming van de in
die Bijlage gegeven voorschriften.
2. Het is verboden om:
a. aan boord van schepen
brandstofolie te gebruiken die niet voldoet aan de eisen die
daaraan in Bijlage VI van het Verdrag in het algemeen of ten
aanzien van het gebruik in bepaalde zeegebieden worden gesteld;
b. afval en andere stoffen als
bedoeld in voorschrift 16 van Bijlage VI van het Verdrag aan boord
van een schip te verbranden anders dan met inachtneming van de in
die Bijlage gegeven voorschriften.
3. Het eerste lid en het tweede lid,
onderdeel b, zijn ook van toepassing op buitenlandse schepen gedurende
de tijd dat deze zich bevinden op de Nederlandse binnenwateren.
Artikel 31a [Vervallen per 12-10-2011]
Artikel 32. Nadere regels
1.Bij regeling van Onze Minister kunnen
nadere regels worden gesteld met betrekking tot de in de artikelen
29,30 en 31 bedoelde verboden, voorschriften en eisen.
2.De krachtens het eerste lid gestelde
regels kunnen ook van toepassing worden verklaard op buitenlandse
schepen gedurende de tijd dat deze zich bevinden op de Nederlandse
binnenwateren.
Hoofdstuk 5. Operationele voorschriften
Artikel 33. Vervoer
1.Het vervoer van olie als bedoeld in
voorschrift 1 van Bijlage I van het Verdrag en ballastwater geschiedt
met inachtneming van de in die Bijlage gegeven voorschriften.
2.Het vervoer van schadelijke
vloeistoffen in bulk geschiedt met inachtneming van de in Bijlage II
van het Verdrag gegeven voorschriften.
3.Het vervoer van schadelijke stoffen
in verpakte vorm geschiedt met inachtneming van de in Bijlage III van
het Verdrag gegeven voorschriften.
4.Het derde lid is ook van toepassing
op het vervoer van lege, niet gereinigde verpakkingen die eerder zijn
gebruikt voor het vervoer van schadelijke stoffen in verpakte vorm,
tenzij toereikende maatregelen zijn getroffen die verzekeren dat geen
restanten zijn achtergebleven die schade kunnen toebrengen aan het
mariene milieu.
Artikel 33a [Treedt in werking op een
nader te bepalen tijdstip]
1. Een schip waarvoor op grond van
voorschrift B-3 van de bijlage van het Ballastwaterverdrag de normen
van voorschrift D-1 van de bijlage van het Ballastwaterverdrag van
toepassing zijn, wisselt ballastwater in overeenstemming met het
bepaalde in voorschrift B-4 van de bijlage van het
Ballastwaterverdrag.
2. Bij ministeriėle regeling kunnen
gebieden worden aangewezen als bedoeld in voorschrift B-4, lid 2, van
de bijlage bij het Ballastwaterverdrag, waar ballastwater wordt
gewisseld overeenkomstig de daarbij gestelde regels.
Artikel 34. Verplichtingen van de
kapitein
1. De kapitein draagt er zorg voor dat
aan boord van een schip de in Bijlage I, V en VI van het Verdrag
opgenomen voorschriften en verplichtingen worden nageleefd.
2. De kapitein draagt er zorg voor dat
aan boord van een schip in het Antarctisch gebied geen stoffen als
bedoeld in voorschrift 43 van Bijlage I van het Verdrag als brandstof
worden gebruikt anders dan met inachtneming van dit voorschrift.
Artikel 34a. Voorwassen van ladingtanks
1. De kapitein van een schip dat een
haven aandoet die is aangewezen krachtens artikel 6, eerste lid, van
de wet voert een voorwas uit van zijn tank voor zover deze voorwas
verplicht is ingevolge de in Bijlage II van het Verdrag gegeven
voorschriften.
2. Het voorwassen van ladingtanks
geschiedt uitsluitend met inachtneming van de in Bijlage II van het
Verdrag gegeven voorschriften.
Artikel 35. Afgifte bij
havenontvangstvoorzieningen
1.De kapitein van een schip dat een
haven aandoet die is aangewezen krachtens artikel 6, eerste lid, van
de wet geeft restanten van schadelijke vloeistoffen af bij een
havenontvangstvoorziening voorzover afgifte daarvan verplicht is
ingevolge de in Bijlage II van het Verdrag gegeven voorschriften.
2.De afgifte van restanten van
schadelijke stoffen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, en
restanten van schadelijke vloeistoffen bij een houder van een
havenontvangstvoorziening geschiedt uitsluitend met inachtneming van
de in Bijlage I en II van het Verdrag gegeven voorschriften.
3.Als stoffen of uitrusting die deze
stoffen bevat als bedoeld in artikel 12e, eerste lid, onderdeel a, van
de wet worden aangewezen stoffen die de ozonlaag aantasten als bedoeld
in voorschrift 2 van Bijlage VI van het Verdrag en uitrusting die deze
stoffen bevat.
Artikel 36. Bijhouden journaals
1. De kapitein van een olietankschip
van 150 GT of meer of van een schip geen olietankschip zijnde, van 400
GT of meer draagt er zorg voor dat aan boord het oliejournaal deel I,
bedoeld in voorschrift 17 van Bijlage I van het Verdrag, wordt
bijgehouden met inachtneming van hetgeen dienaangaande in die Bijlage
is bepaald.
2. De kapitein van een olietankschip
van 150 GT of meer draagt er tevens zorg voor dat aan boord het
oliejournaal deel II, bedoeld in voorschrift 36 van Bijlage I van het
Verdrag, wordt bijgehouden met inachtneming van hetgeen dienaangaande
in die Bijlage is bepaald.
3. De kapitein van een schip bestemd of
gebruikt voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk of van
een schip als bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel b, draagt er
zorg voor dat aan boord het ladingjournaal, bedoeld in voorschrift 15
van Bijlage II van het Verdrag, wordt bijgehouden met inachtneming van
hetgeen dienaangaande in die Bijlage is bepaald.
4. De kapitein van een schip dat zich
in het Antarctisch gebied bevindt draagt er zorg voor dat elke lozing
van sanitair afval in een sanitair-afvaljournaal dan wel in het
vuilnisjournaal, bedoeld in voorschrift 9 van Bijlage V van het
Verdrag, wordt bijgehouden met inachtneming van hetgeen dienaangaande
met betrekking tot vuilnis in die Bijlage is bepaald.
5. De kapitein:
a. van elk schip dat zich in het
Antarctisch gebied bevindt, en
b. van elk schip dat zich buiten
het Antarctisch gebied bevindt en een tonnage van 400 of meer
heeft of waarmee 15 of meer personen mogen worden vervoerd,
draagt er zorg voor dat aan boord het
vuilnisjournaal, bedoeld in voorschrift 9 van Bijlage V van het
Verdrag, wordt bijgehouden met inachtneming van hetgeen dienaangaande
in die Bijlage is bepaald.
6. De kapitein van een schip dat
verschillende soorten brandstofolie gebruikt teneinde te voldoen aan
voorschrift 14 van Bijlage VI van het Verdrag draagt er zorg voor dat
aan boord een journaal wordt bijgehouden met inachtneming van hetgeen
dienaangaande in dat voorschrift is bepaald.
7. De kapitein van een schip waarop
voorschrift 6.1 van Bijlage VI van het Verdrag van toepassing is en
dat navulbare systemen heeft die ozonlaagaantastende stoffen bevatten,
draagt er zorg voor dat aan boord het journaal met betrekking tot
ozonlaagaantastende stoffen, bedoeld in voorschrift 12 van bijlage VI
van het Verdrag, wordt bijgehouden met inachtneming van hetgeen
dienaangaande in dat voorschrift is bepaald.
8. Onze Minister maakt aantekeningen in
het ladingjournaal overeenkomstig de in Bijlage II van het Verdrag
gegeven voorschriften.
Artikel 36a [Vervallen per 12-10-2011]
Artikel 37. Wijze van handelen bij schade
1. Indien een schip schade heeft
opgelopen of zich een gebeurtenis heeft voorgedaan waardoor het
vermoeden rijst dat schade of een gebrek is ontstaan waardoor het
schip een gevaar kan vormen voor het milieu, licht de kapitein zo
spoedig mogelijk Onze Minister in. Voorts licht hij, indien het schip
zich in een haven buiten Nederland bevindt, de ter plaatse bevoegde
autoriteiten in.
2. Indien het schip zich in een haven
bevindt, mag de reis niet worden voortgezet, voordat de kapitein van
Onze Minister een verklaring heeft ontvangen, inhoudende dat eventuele
herstellingen naar behoren zijn geschied of dat de reis zonder gevaar
voor het milieu kan worden voortgezet, voorzover de ter plaatse
bevoegde autoriteiten zich niet tegen voortzetting van de reis
verzetten.
Artikel 38. Nadere regels
1. Bij regeling van onze minister
kunnen voor het vervoer van schadelijke stoffen, bedoeld in artikel
33, aanvullende voorschriften worden vastgesteld, alsmede nadere
regels met betrekking tot de in deartikelen 33 tot en met 36 bedoelde
voorschriften en verplichtingen.
2. De krachtens het eerste lid gestelde
regels kunnen ook van toepassing worden verklaard op buitenlandse
schepen gedurende de tijd dat deze zich bevinden op de Nederlandse
binnenwateren.
Hoofdstuk 6. Losplaatsvoorzieningen
Artikel 39. Losplaatsvoorzieningen
1.De beheerders van losplaatsen gelegen
in havens, die krachtens artikel 6, eerste lid, van de wet zijn
aangewezen, waar schepen schadelijke vloeistoffen lossen, treffen
zodanige voorzieningen dat dergelijke schepen hun ladingtanks geheel
kunnen leeglossen met inachtneming van de in Bijlage II van het
Verdrag gegeven voorschriften en de krachtens artikel 38 gegeven
nadere regels met betrekking tot die voorschriften.
2.Bij losplaatsen als bedoeld in het
eerste lid worden voorzieningen getroffen om te voorkomen dat de
inhoud van slangen of leidingen van de walinstallatie, welke gebruikt
zijn voor het lossen van schadelijke vloeistoffen, terugstroomt in het
schip.
3.Indien naar het oordeel van de
kapitein van een schip als bedoeld in het eerste lid, of zijn
vertegenwoordiger, bij losplaatsen de voorzieningen, bedoeld in dit
artikel, ontoereikend zijn, kan hij zulks melden aan de
havenbeheerder. Artikel 8, tweede tot en met vierde lid, van het
Besluit havenontvangstvoorzieningen is van overeenkomstige toepassing
op de afwikkeling van de melding.
Artikel 40. Nadere regels
Bij regeling van Onze Minister kunnen
nadere regels worden gesteld met betrekking tot de in artikel 39
bedoelde voorschriften en verplichtingen.
Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Artikel 41. Bekendmaking van Codes
1.Onze Minister draagt zorg voor de
bekendmaking van de op grond van dit besluit toepasselijke Codes.
2.Van de wijze van bekendmaking wordt
mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 42. Wijzigingen van verdragen en
Codes
1.Een wijziging van de op grond van dit
besluit toepasselijke verdragen en Codes gaat, tenzij bij besluit van
Onze Minister anders is bepaald, voor de toepassing van dit besluit
gelden met ingang van de dag waarop die wijziging internationaal in
werking treedt.
2.Voorzover een wijziging als bedoeld
in het eerste lid slechts geldt ten aanzien van schepen gebouwd op of
na een bepaalde datum, blijft, tenzij bij besluit van Onze Minister
anders is bepaald, op schepen gebouwd voor die datum, het verdrag of
de Code zoals dat, onderscheidenlijk die, voor de desbetreffende
wijziging luidde, van toepassing, met inachtneming van hetgeen bij die
wijziging, in het gewijzigde verdrag of in de gewijzigde Code is
bepaald omtrent de bij herstellingen, verbouwingen en andere
veranderingen in de toestand of uitrusting van een schip toe te passen
voorschriften.
3.Het eerste en tweede lid zijn van
overeenkomstige toepassing op de reeds voor de inwerkingtreding van
dit besluit in werking getreden wijzigingen van de in het eerste lid
bedoelde verdragen en Codes.
4.Een besluit van Onze Minister als
bedoeld in het eerste of tweede lid wordt bekendgemaakt in de
Staatscourant.
Artikel 43. Overgangsbepalingen
1. Voor een schip, waarvoor op grond
van het Besluit voorkoming verontreiniging door met schepen in bulk
vervoerde schadelijke vloeistoffen een certificaat is afgegeven
waarvan de geldigheid eindigt op 1 januari 2007 of later, geeft Onze
Minister een certificaat als bedoeld in artikel 12, tweede lid, af met
een vervaldatum die gelijk is aan de vervaldatum van het op grond van
voornoemd Besluit afgegeven certificaat.
2. Voor schepen als bedoeld in artikel
5, vierde lid, onderdelen c en d, worden de certificaten, bedoeld in
artikel 12, derde lid, afgegeven met ingang van 28 september 2008.
3. Voor schepen van 400 GT of meer,
gebouwd voor 19 mei 2005, worden de certificaten, bedoeld in artikel
12, vierde lid, afgegeven uiterlijk bij de eerstvolgende, geplande
droogzetting na inwerkingtreding van dit besluit, maar in geen geval
later dan 19 mei 2008.
4. Voor schepen die voldoen aan de
eisen van Bijlage 1 van het AFS-verdrag voor de datum waarop die eisen
in werking treden, worden de certificaten, bedoeld in artikel 13,
afgegeven uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van die eisen.
5. Het verbod, bedoeld in artikel 29,
vierde lid, geldt voor schepen als bedoeld in artikel 5, vierde lid,
onderdelen c en d, met ingang van 28 september 2008.
6. Voor schepen, gebouwd voor 18 juli
1982, waarvan de bruto-inhoud is vastgesteld overeenkomstig het op 10
juni 1947 te Oslo totstandgekomen Verdrag nopens een eenvormig stelsel
voor de meting van zeeschepen (Stb. 1949, J 370; Trb. 1955, 52), wordt
voor de toepassing van dit besluit de eenheid bruto-registerton
gelijkgesteld met de eenheid GT.
Artikel 44. Wijziging Besluit
havenontvangstvoorzieningen
[Wijzigt het Besluit
havenontvangstvoorzieningen]
Artikel 45. Intrekking regelgeving
De navolgende besluiten worden
ingetrokken op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor
de verschillende artikelen of onderdelen van die besluiten en voor
verschillende categorieėn van schepen verschillend kan worden
vastgesteld;
a. het Besluit aangroeiwerende
verfsystemen zeeschepen;
b. het Besluit melding voorvallen van
verontreiniging door schepen;
c. het Besluit sanitair afval
zeeschepen;
d. het Besluit voorkoming
olieverontreiniging door schepen;
e. het Besluit voorkoming
verontreiniging door met schepen in bulk vervoerde schadelijke
vloeistoffen;
f. het Besluit voorkoming
verontreiniging door met schepen vervoerde schadelijke stoffen in
verpakte vorm;
g. het Besluit voorkoming
verontreiniging door vuilnis van schepen.
Artikel 46. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende
artikelen of onderdelen daarvan en voor verschillende categorieėn van
schepen verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 47. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit
voorkoming verontreiniging door schepen.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad
zal worden geplaatst.
s-Gravenhage, 11 december 2006
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
K.M.H. Peijs
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer,
P.L.B.A. van Geel
Uitgegeven de eenentwintigste december 2006
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|