BESLUIT van 5 februari 1925 tot vaststelling van een
reglement ter voorkoming van aantasting van metalen voorwerpen in den
bodem door zwerfstroomen, afkomstig van de spoorstaven van electrische
spoor- en tramwegen
WIJ WILHELMINA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
voordracht van Onzen Minister van Waterstaat van 31 December 1924, La. X,
afdeeling Spoorwegen;
Gelet op de wet van 1 November 1924 (Staatsblad
n°. 498);
Den Raad van State gehoord (advies van 20
Januari 1925, n°. 26);
Gezien het nader rapport van Onzen Minister
voornoemd van 2 Februari 1925, n°. 391, afdeeling Spoorwegen;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
I
Vast te stellen het volgende:
Artikel 1
1. De spoorstaven moeten zoodanig met elkander verbonden zijn,
dat de electrische weerstand van het spoor door de lasschen gemiddeld
met niet meer dan 25 pct. verhoogd wordt.
2. De weerstand van 1 Meter spoorstaaf, waarin een lasch
voorkomt, mag niet hooger zijn dan die van 10 Meter spoorstaaf van
gelijke doorsnede zonder lasch.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op wissels,
kruisingen en dergelijke deelen.
Artikel 2
1. De beide spoorstaven van een spoor moeten onderling in
deugdelijke electrische verbinding staan door middel van
stroomgeleiders, welke geen grooteren onderlingen afstand dan 10
spoorstaaflengten hebben. Deze dwarsverbindingen mogen, wanneer zij op
den grootsten toegelaten afstand aangebracht worden, geen grooteren
weerstand dan 0,5 milli-Ohm per Meter hebben. Is hun aantal grooter,
dan mag de weerstand per Meter naar verhouding grooter zijn.
2. Naast elkander gelegen sporen, waarvan de hartafstand 4 Meter
of minder bedraagt, moeten worden verbonden door overeenkomstige
dwarsverbindingen, welke echter bij vorengenoemde electrische
weerstanden den dubbelen afstand mogen hebben.
3. Soortgelijke electrische verbindingen moeten worden
aangebracht ter overbrugging van spoorstaafkruisingen en wissels, voor
zoover deze niet uit één stuk bestaan. Bestaan zij uit één stuk en
zijn zij niet overbrugd, dan moeten zij door middel van
laschverbindingen, als bedoeld in artikel 1, met de aansluitende
spoorstaven worden verbonden.
Artikel 3
Ter verzekering van eene deugdelijke electrische verbinding bij
draaischijven, beweegbare bruggen en dergelijke werken moeten deze
worden overbrugd door één of meer geïsoleerde stroomgeleiders. Deze
moeten eene zoodanige doorsnede hebben, dat het spanningsverlies in deze
geleidingen bij gemiddelde jaarbelasting niet meer bedraagt dan 5
milli-Volt per Meter, met dien verstande, dat zij geen grooteren
weerstand mogen hebben dan de geleiders, genoemd in artikel 2.
Artikel 4
1. Voor de terugleiding van den stroom mogen behalve de
spoorstaven alleen gebezigd worden van de aarde geïsoleerde
leidingen. De aansluitingen van deze geïsoleerde leidingen aan de
spoorstaven mogen over eene lengte van ten hoogste 3 Meter blank
uitgevoerd worden.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op aan de spoorstaven
aangesloten aardingsleidingen van palen, bliksemafleiders en dergelijke.
3. Blanke aan de spoorstaven aangesloten leidingen mogen niet
dieper dan 25 c.M. in den bodem of beneden het ondervlak der bestrating
zijn gelegen.
Artikel 5
Het spanningsverschil tusschen twee willekeurig gekozen punten van de
spoorstaven mag bij de gemiddelde jaarbelasting niet meer dan 2 Volt/K.M.
bedragen. In bijzondere gevallen kan Onze Minister voornoemd het
geoorloofde spanningsverschil verlagen tot 1 Volt/K.M.
Artikel 6
1. De lasschen moeten in die gedeelten van het spoor, waar het
spanningsverschil bij de gemiddelde jaarbelasting meer bedraagt dan
drie vierden van het volgens artikel 5 toegelaten maximum, jaarlijks
en overigens ten minste éénmaal per drie jaar gecontroleerd worden.
2. Van de uitkomsten der onderzoekingen wordt in een register
aanteekening gehouden.
Artikel 7
1. Ingeval spoor- of tramwegen elkander kruisen of elkander
naderen tot een hartafstand tusschen de sporen van 4 Meter of minder,
moeten de sporen, hetzij overeenkomstig artikel 2 met elkander
verbonden, hetzij van elkander geïsoleerd worden, ter beoordeeling
van Onzen Minister voornoemd.
2. In het eerste geval moeten zoowel elke spoor- of tramweg
afzonderlijk als beide te zamen aan de voorschriften van dit reglement
voldoen. Indien tusschen partijen omtrent de uitvoering geen
overeenstemming wordt verkregen, beslist Onze Minister voornoemd.
Artikel 8
Overtreding van enige bepaling van de artikelen 1 tot en met 7 is een
strafbaar feit als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de wet van 1
november 1924 (Stb. 498) houdende wettelijke maatregelen tegen
aantasting van metalen voorwerpen in de bodem door zwerfstromen,
afkomstig van de spoorstaven van elektrische spoor- en tramwegen;
a. indien zij door bestuurders van een spoor- of tramwegdienst
wordt gepleegd, of een spoorweg, als bedoeld bij artikel 6 der
Locaalspoor- en Tramwegwet, betreft;
b. indien zij door beambten of bedienden van een spoor- of
tramwegdienst wordt gepleegd.
Artikel 9
Met de opsporing van de overtredingen van dit reglement zijn belast
de ambtenaren, bedoeld in artikel 10 van de Spoorwegwet.
Artikel 10
1. Ten aanzien van spoor- en tramwegen of gedeelten daarvan,
welke buiten openbare wegen zijn aangelegd, en waarvan de spoorstaven
op houten, niet geheel door het ballastbed bedekte dwarsliggers zijn
bevestigd, is van dit reglement alleen artikel 1, eerste lid, van
toepassing.
2. Niettemin is dit reglement in zijn geheel van toepassing ten
aanzien van kruisingen op gelijke hoogte met openbare wegen en van
baanvakken met anderen bovenbouw dan in het eerste lid bedoeld, alsmede
over afstanden van 50 Meter aan weerskanten van deze kruisingen en
baanvakken, voor zooveel niet door plaatselijke maatregelen eene
isolatie is verkregen, welke naar het oordeel van Onzen Minister
voornoemd, ten minste gelijke waarde heeft als die, verkregen bij den in
het eerste lid bedoelden bovenbouw.
Artikel 11
1. Onze Minister voornoemd kan onder door hem te stellen
voorwaarden geheel of gedeeltelijk ontheffing verleenen van bepalingen
van dit reglement.
2. Ten aanzien van spoor- en tramwegen, waarop bij het in werking
treden van dit reglement de dienst wordt uitgeoefend, kan Onze Minister
voornoemd onder door hem te stellen voorwaarden toestaan, dat de
toepasselijkheid van dit reglement zal aanvangen op een door hem te
bepalen later tijdstip.
II
te bepalen, dat de wet van 1 November 1924 (Staatsblad n°.
498) en het onder I bedoelde reglement in werking treden op 1 Juli 1925.
Onze Minister van Waterstaat is belast met
de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad
geplaatst en in afschrift aan den Raad van State medegedeeld zal worden.
's-Gravenhage, den 5den Februari 1925
WILHELMINA
De Minister van Waterstaat,
G.J. van Swaay
Uitgegeven den negentienden Februari 1925
De Minister van Justitie,
Heemskerk