|
BESLUIT van 9 oktober 1992, houdende regels
betreffende instellingen, werkzaam in het belang van de volkshuisvesting
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer van 28 april 1992, nr. MJZ28492056, Centrale
Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op de artikelen 70, 71, 81 en 82 van de
Woningwet (Stb. 1991, 439) en artikel 9 van de Huurprijzenwet
woonruimte (Stb. 1986, 331);
Gehoord de Raad voor de Volkshuisvesting
(advies van 6 maart 1992, nr. 197);
De Raad van State gehoord (advies van 28
augustus 1992, nr. W08.92.0192);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer van 7 oktober 1992, nr. MJZ08092001, Centrale Directie
Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
a. Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting: Centraal Fonds voor
de Volkshuisvesting, bedoeld in artikel 71 van de Woningwet;
b. woongelegenheid: woning, standplaats, woonwagen, en
instelling waarin aan ten minste vijf personen van 65 jaar of
ouder duurzaam verblijf en verzorging wordt verschaft;
c. voorziening: bouwkundige of bouwtechnische maatregel aan een
woongelegenheid die strekt tot verbetering van de indeling of het
woongerief, waaronder begrepen de daarbij noodzakelijke opheffing
van technische gebreken, of tot bouwkundige splitsing of
samenvoeging;
d. huurprijs: prijs die bij huur en verhuur is verschuldigd
voor het enkele gebruik van een woongelegenheid, uitgedrukt in een
bedrag per maand;
e. onrendabele investeringen: investeringen tegenover welke
geen opbrengsten staan of opbrengsten staan die blijkens de raming
daarvan niet kostendekkend zijn.
2. Voor de toepassing van dit besluit wordt onder de huurder mede
verstaan:
a. de medehuurder in de zin van de artikelen 266 en 267 van
Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
b. de persoon, bedoeld in artikel 268, tweede lid, van Boek 7,
van het Burgerlijk Wetboek, en
c. degene die de woongelegenheid met toestemming van de
toegelaten instelling huurt van een huurder die haar huurt van die
toegelaten instelling.
3. Voor de toepassing van dit besluit wordt onder de bewoner, naast
de huurder, verstaan degene die met instemming van de huurder zijn
hoofdverblijf in de gehuurde woongelegenheid heeft.
4. Voor de toepassing van dit besluit valt het verslagjaar in de
zin van dit besluit samen met het kalenderjaar.
Artikel 2
1. Bij ministeriėle regeling kunnen voorschriften worden gegeven
met het oog op de nakoming van voor Nederland verbindende besluiten
van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de
Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschap
inzake staatssteun of compensatie in de zin van het Verdrag
betreffende de Europese Unie aan toegelaten instellingen.
2. Een ministeriėle regeling als bedoeld in het eerste lid vervalt
met ingang van de dag die een jaar ligt na de datum waarop zij in
werking is getreden. Zij blijft na die dag van kracht voor zover op
die dag een voorstel van wet bij de Staten-Generaal is ingediend dat,
of een algemene maatregel van bestuur in het Staatsblad is geplaatst
die in regeling van het betrokken onderwerp voorziet, en voor zover
voor een juiste nakoming als bedoeld in het eerste lid regeling bij
wet of bij algemene maatregel van bestuur niet noodzakelijk is. Na de
indiening van een zodanig wetsvoorstel of de plaatsing in het
Staatsblad van een zodanige algemene maatregel van bestuur vervalt zij
op het tijdstip waarop dat wetsvoorstel wordt verworpen of, na tot wet
te zijn verheven, in werking treedt, respectievelijk die algemene
maatregel van bestuur wordt ingetrokken of in werking treedt.
3. De werkingsduur van een ministeriėle regeling als bedoeld in
het eerste lid kan eenmalig met ten hoogste een jaar worden verlengd.
De tweede en derde zin van het tweede lid zijn van overeenkomstige
toepassing.
4. Onverminderd artikel 120b van de Woningwet zijn gedragingen in
strijd met voorschriften als bedoeld in het eerste lid strijdig met
het belang van de volkshuisvesting.
Artikel 2a
Voor de toepassing van dit besluit verbindt een toegelaten instelling
zich met een andere rechtspersoon of vennootschap, indien:
a. die andere rechtspersoon of vennootschap een
dochtermaatschappij als bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek van haar wordt;
b. zij in die andere rechtspersoon deelneemt in de zin van
artikel 24c van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of;
c. zij anderszins financiėle of bestuurlijke banden met een
bestaande andere rechtspersoon of vennootschap aangaat, stemrechten
in de algemene vergadering van een bestaande andere rechtspersoon
verwerft of een andere rechtspersoon of vennootschap opricht of doet
oprichten, op een zodanige wijze dat daardoor een duurzame band met
die rechtspersoon of vennootschap ontstaat.
Artikel 3 [Vervallen per 18-05-1998]
Hoofdstuk II. Toelating, wijziging van de statuten en fusies
Afdeling 1. De toelating
§ 1. De procedure
Artikel 4
1. Een aanvraag om een toelating als bedoeld in artikel 70, eerste
lid, van de Woningwet wordt door de vereniging of de stichting aan de
Kroon gericht en bij Onze Minister ingediend.
2. De aanvraag omvat:
a. de gronden waarop deze rust;
b. een authentiek afschrift van de akte van oprichting van de
vereniging of de stichting of van de notariėle akte waarin de
statuten van de vereniging na haar oprichting zijn opgenomen, en
van de notariėle akten waarin statutenwijzigingen zijn opgenomen;
c. het bewijs, dat de vereniging of de stichting is
ingeschreven in een openbaar register, gehouden door de Kamer van
Koophandel en Fabrieken binnen welker gebied zij haar woonplaats
heeft;
d. het bewijs, dat een authentiek afschrift van de akte van
oprichting of van de notariėle akte waarin de statuten zijn
opgenomen, dan wel een authentiek uittreksel van die akte,
authentieke afschriften van de notariėle akten waarin
statutenwijzigingen zijn opgenomen en de statuten als laatstelijk
gewijzigd ten kantore van die Kamer zijn neergelegd, en
e. zodanige bescheiden, dat Onze Minister een juist en volledig
inzicht verkrijgt in de financiėle situatie van de vereniging of
de stichting.
3. Indien de oprichting van de vereniging of de stichting, al dan
niet gezamenlijk met de oprichting van een of meer andere verenigingen
of stichtingen, is geschied met het oogmerk om de werkzaamheden te
gaan verrichten die ter plaatse worden verricht door een afzonderlijk
organisatie-onderdeel van de gemeente dat is belast met de exploitatie
van van gemeentewege gebouwde of verworven woongelegenheden en om
daartoe die woongelegenheden in eigendom te verkrijgen, omvat de
aanvraag voorts een rapport van bevindingen omtrent de financiėle
transacties tussen dat organisatie-onderdeel enerzijds en de algemene
dienst en andere organisatie-onderdelen van de gemeente anderzijds,
uitgebracht door een als openbaar accountant optredende accountant als
bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek of door een organisatie waarin zodanige accountants
samenwerken. Het rapport omvat alle zodanige transacties over het
tijdvak dat loopt vanaf 1 januari 1991 tot een dag die ten hoogste een
maand ligt voor het tijdstip waarop de aanvraag wordt ingediend, die
naar het oordeel van de accountant mogelijk niet in het belang van de
volkshuisvesting zijn verricht, en die over het genoemde tijdvak
afzonderlijk of gezamenlijk meer dan 1 procent van de financiėle
middelen van het in de eerste volzin eerstgenoemde
organisatie-onderdeel per 31 december 1990, en afzonderlijk of
gezamenlijk ten minste 25 000 bedragen.
Artikel 5
1. Binnen acht weken na ontvangst van een aanvraag om een toelating
als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van de Woningwet stelt Onze
Minister de gemeente waar de vereniging of de stichting haar
woonplaats heeft, alsmede elke gemeente waar zij bij toelating naar
verwachting feitelijk werkzaam zal zijn, in de gelegenheid haar
zienswijze over de gevolgen van de toelating voor de volkshuisvesting
ter plaatse aan hem kenbaar te maken. Die gemeenten kunnen binnen acht
weken nadien hun zienswijzen aan Onze Minister doen toekomen.
2. Binnen acht weken na ontvangst van een aanvraag om een toelating
als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van de Woningwet stelt Onze
Minister voorts het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting in de
gelegenheid zijn zienswijze over de financiėle aspecten van de
toelating aan hem kenbaar te maken. Het fonds kan binnen acht weken
nadien zijn zienswijze aan Onze Minister doen toekomen.
Artikel 6
1. Onze Minister doet binnen acht weken na ontvangst van de
zienswijzen, bedoeld in artikel 5, een voordracht voor een koninklijk
besluit tot toelating of tot weigering van de toelating. Hij betrekt
die zienswijzen bij zijn voordracht.
2. Indien een gemeente haar zienswijze of het Centraal Fonds voor
de Volkshuisvesting zijn zienswijze niet of niet tijdig aan Onze
Minister heeft doen toekomen, doet Onze Minister een voordracht als
bedoeld in het eerste lid binnen acht weken na het verstrijken van de
termijnen, bedoeld in artikel 5, eerste lid, tweede volzin, en tweede
lid, tweede volzin.
3. Het koninklijk besluit wordt in de Staatscourant geplaatst.
§ 2. De voorwaarden
Artikel 7
1. Buiten het geval, bedoeld in artikel 70, tweede lid, tweede
volzin, van de Woningwet wordt de toelating geweigerd, indien de
statuten van de vereniging of de stichting niet voorzien in:
a. de vermelding van de gemeente of een aanduiding van de
gemeenten waar zij werkzaam is;
b. de instelling van een orgaan waaraan het toezicht op het
bestuur is opgedragen, welk orgaan:
1°. in staat is dat toezicht voortdurend uit te oefenen;
2°. bevoegd is tot het nemen van maatregelen die voor
uitoefening van dat toezicht nodig zijn, en daartoe de
uitvoering van besluiten van het bestuur kan schorsen, en
3°. niet is gehouden over zijn handelingen verantwoording
aan het bestuur af te leggen;
c. de bepaling dat met personen die zitting hebben in het
orgaan, bedoeld in onderdeel b , geen arbeidsovereenkomsten als
bedoeld in artikel 610, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek bestaan;
d. de bepaling dat het zitting hebben in het bestuur of in het
orgaan, bedoeld in onderdeel b, onverenigbaar is met het
lidmaatschap van het college van burgemeester en wethouders van de
gemeente of van het college van gedeputeerde staten van de
provincie waar de vereniging of de stichting haar woonplaats
heeft, of van een gemeente of een provincie waar zij feitelijk
werkzaam is, of van een orgaan van een organisatie die zich ten
doel heeft gesteld de belangen van gemeenten of provincies te
behartigen;
e. regels inzake de wijze waarop de huurders van de
woongelegenheden van de vereniging of de stichting en in het
belang van die huurders werkzame organisaties invloed kunnen
uitoefenen op de samenstelling van het bestuur van die vereniging
of stichting of van het orgaan, bedoeld in onderdeel b , welke
regels in elk geval inhouden, dat het bestuur die huurders en
zodanige organisaties in de gelegenheid stelt om, ten aanzien van
ten minste twee vrijkomende plaatsen in het bestuur of orgaan, een
bindende voordracht uit te brengen voor benoeming in dat bestuur
of orgaan van een persoon uit hun kring, waarbij, in geval van een
vereniging, wordt bepaald op welke wijze de betrokken benoeming
tot stand komt ingeval aan de voordracht het bindende karakter is
ontnomen;
f. de bepaling dat de algemene vergadering van een vereniging
slechts een besluit kan nemen om aan een voordracht als bedoeld in
onderdeel e het bindende karakter te ontnemen, indien op die
vergadering een aantal stemmen kan worden uitgebracht dat ten
minste de helft bedraagt van het aantal stemmen dat door de
stemgerechtigden gezamenlijk kan worden uitgebracht;
g. de bepaling dat het orgaan, bedoeld in onderdeel b , de
opdracht verleent tot het onderzoek, bedoeld in artikel 27, eerste
lid, eerste volzin, en dat, indien het orgaan niet daartoe
overgaat, dit geschiedt door de algemene vergadering of, indien
deze niet daartoe overgaat, het bestuur van de vereniging, dan wel
door het bestuur van de stichting;
h. de bepaling dat de opdracht, bedoeld in onderdeel g , kan
worden ingetrokken door het orgaan dat deze heeft verleend, en dat
een zodanige door het bestuur verleende opdracht tevens kan worden
ingetrokken door het orgaan, bedoeld in onderdeel b ;
i. de bepaling dat de vereniging of de stichting voor wijziging
van de statuten de voorafgaande instemming van Onze Minister
behoeft, en daartoe iedere voorgenomen wijziging daarvan aan hem
voorlegt, en
j. bepalingen omtrent de ontbinding van de vereniging of de
stichting, welke inhouden, dat:
1°. het bestuur de ontbinding onverwijld aan Onze Minister
meedeelt;
2°. na ontbinding de vereffening geschiedt door een of
meer vereffenaars, te benoemen door het college van
burgemeester en wethouders van de gemeente waar de ontbonden
vereniging of stichting haar woonplaats had, op welke
vereffenaars dat college toezicht houdt en welke vereffenaars
door dat college kunnen worden geschorst of ontslagen, in welk
laatste geval het een of meer nieuwe vereffenaars benoemt;
3°. indien de onroerende zaken gelegen zijn binnen het
werkgebied van een of meer toegelaten instellingen, de
vereffenaar de goederen en de schulden van de ontbonden
vereniging of stichting bij voorrang aan die toegelaten
instellingen aanbiedt ter gehele of gedeeltelijke overneming,
en, voor zover die toegelaten instellingen die goederen of
schulden niet overnemen, hij die goederen of schulden ter
gehele of gedeeltelijke overneming aanbiedt aan de gemeente
waar de onroerende zaken gelegen zijn, en, voor zover de
gemeente die goederen of schulden niet overneemt, hij de
huurders van de tot die zaken behorende woongelegenheden in de
gelegenheid stelt deze in eigendom te verkrijgen;
4°. indien de ontbonden vereniging of stichting op het
tijdstip van ontbinding geen onroerende zaken bezat, de
vereffenaar de goederen en de schulden van die vereniging of
stichting ter overneming aanbiedt aan de gemeente waar die
vereniging of stichting haar woonplaats had;
5°. voor zover wegens het niet aanvaarden van de
aanbiedingen, bedoeld onder 3° en 4°, de goederen en de
schulden niet zijn overgenomen, de vereffenaar de goederen van
de ontbonden vereniging of stichting te gelde maakt en haar
schulden voldoet en
6°. de vereffenaar de middelen die zijn overgebleven na
het overeenkomstig onderdeel 3°, 4° of 5° te gelde maken
van de goederen van de ontbonden vereniging of stichting, en
na het voldoen van haar schulden, stort in het Centraal Fonds
voor de Volkshuisvesting.
2. De toelating wordt voorts geweigerd, indien de statuten een
bepaling bevatten waaraan:
a. personen waarop het eerste lid, onderdeel d, van toepassing
is het recht kunnen ontlenen om personen te benoemen in het
bestuur van de vereniging of de stichting, of in het orgaan,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, of om personen voor een
zodanige benoeming voor te dragen, of
b. het recht kan worden ontleend tot het verkrijgen van de
eigendom van onroerende zaken van de vereniging of de stichting op
een andere wijze dan die, bedoeld in het eerste lid, onderdeel j,
onder 3° en 4°.
3. Het eerste lid, onderdeel d, en het tweede lid, onderdeel a,
zijn, voorzover het betreft het lidmaatschap van het college van
burgemeester en wethouders van de gemeente of van het college van
gedeputeerde staten van de provincie waar de vereniging of de
stichting haar woonplaats heeft, of van een gemeente of een provincie
waar zij feitelijk werkzaam is, niet van toepassing op een vereniging
of stichting als bedoeld in artikel 4, derde lid, eerste volzin,
indien door die vereniging of stichting op of na 1 januari 1993 en
voor 1 mei 1996 een aanvraag om toelating bij Onze Minister is
ingediend.
Artikel 8
1. De toelating wordt bovendien geweigerd, indien naar het oordeel
van Onze Minister de vereniging of de stichting niet voldoende
financieel draagkrachtig is of de financiėle continuļteit van die
vereniging of stichting niet voldoende is gewaarborgd.
2. De toelating van een vereniging of stichting als bedoeld in
artikel 4, derde lid, eerste volzin, wordt bovendien geweigerd, indien
het rapport van bevindingen, bedoeld in die volzin, daar naar het
oordeel van Onze Minister aanleiding toe geeft, of indien transacties
als bedoeld in die volzin die hebben plaatsgevonden op of na de dag
waarop dat rapport is uitgebracht daar naar zijn oordeel aanleiding
toe geven.
3. De toelating kan voorts worden geweigerd op grond van gebreken
in de akte van oprichting.
Afdeling 2. Wijziging van de statuten
Artikel 9
1. Onze Minister stemt slechts in met een voorgenomen wijziging van
de statuten van de toegelaten instelling, indien die wijziging voldoet
aan artikel 7, er niet toe leidt dat de toegelaten instelling niet
voldoet aan artikel 8, eerste lid, en ook overigens naar zijn oordeel
het belang van de volkshuisvesting zich niet daartegen verzet.
2. Indien de voorgenomen wijziging van de statuten van de
toegelaten instelling gevolgen heeft voor haar financiėle situatie,
stelt Onze Minister binnen acht weken na ontvangst van die wijziging
het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting in de gelegenheid zijn
zienswijze over de financiėle aspecten van die wijziging aan hem
kenbaar te maken. Het fonds kan binnen vier weken nadien zijn
zienswijze aan Onze Minister doen toekomen.
3. Indien de voorgenomen wijziging van de statuten van de
toegelaten instelling betrekking heeft op haar werkgebied, kan Onze
Minister, binnen acht weken na ontvangst van die wijziging, de
gemeenten waar zij na die wijziging naar verwachting feitelijk
werkzaam zal zijn in de gelegenheid stellen hun zienswijzen over de
gevolgen van die wijziging voor de volkshuisvesting ter plaatse aan
hem kenbaar te maken. Die gemeenten kunnen binnen vier weken nadien
hun zienswijzen aan Onze Minister doen toekomen.
4. Onze Minister kan instemmen met een voorgenomen wijziging van
statuten van een toegelaten instelling zonder toepassing van een of
meer van de ingevolge het eerste lid aan die instemming verbonden
vereisten, indien die wijziging uitsluitend een uitbreiding van haar
werkgebied inhoudt.
Artikel 10
1. Indien de voorgenomen wijziging van de statuten van de
toegelaten instelling geen gevolgen heeft voor haar financiėle
situatie en voorts hetzij geen betrekking heeft op haar werkgebied,
hetzij geen aanleiding heeft gegeven tot toepassing van artikel 9,
derde lid, neemt Onze Minister binnen acht weken na ontvangst van die
wijziging een beslissing omtrent instemming daarmee.
2. Indien de voorgenomen wijziging van de statuten van de
toegelaten instelling gevolgen heeft voor haar financiėle situatie,
neemt Onze Minister binnen acht weken na ontvangst van de zienswijze,
bedoeld in artikel 9, tweede lid, een beslissing omtrent instemming
met die wijziging. Hij betrekt die zienswijze bij zijn beslissing.
Indien het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting zijn zienswijze
niet of niet tijdig aan Onze Minister heeft doen toekomen, neemt hij
een beslissing als bedoeld in de eerste volzin binnen acht weken na
het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 9, tweede lid,
tweede volzin.
3. Indien de voorgenomen wijziging van de statuten van de
toegelaten instelling betrekking heeft op haar werkgebied en
aanleiding heeft gegeven tot toepassing van artikel 9, derde lid,
neemt Onze Minister binnen acht weken na ontvangst van de zienswijzen,
bedoeld in dat lid, een beslissing omtrent instemming met die
wijziging. Hij betrekt die zienswijzen bij zijn beslissing. Indien een
gemeente haar zienswijze niet of niet tijdig aan Onze Minister heeft
doen toekomen, neemt hij een beslissing als bedoeld in de eerste
volzin binnen acht weken na het verstrijken van de termijn, bedoeld in
artikel 9, derde lid, tweede volzin.
Afdeling 3. Fusies
Artikel 10a
Indien bij een fusie als bedoeld in artikel 309 van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek hetzij een rechtspersoon die geen toegelaten
instelling is het vermogen van een toegelaten instelling onder algemene
titel verkrijgt, hetzij door twee toegelaten instellingen of mede door
een toegelaten instelling een nieuwe rechtspersoon wordt opgericht,
stemt Onze Minister slechts in met die fusie, indien die rechtspersoon
toepassing heeft gegeven aan artikel 4, eerste lid, en toetsing van de
in dat artikellid bedoelde aanvraag aan de artikelen 4, tweede lid, en 5
tot en met 8 heeft geleid tot een toelating van die rechtspersoon, als
bedoeld in artikel 70, eerste lid, van de Woningwet.
Artikel 10b
Indien bij een fusie als bedoeld in artikel 309 van Boek 2 van het
Burgerlijk Wetboek een toegelaten instelling het vermogen van een andere
rechtspersoon onder algemene titel verkrijgt, zijn de artikelen 9,
eerste, tweede en derde lid, en 10 van overeenkomstige toepassing op die
fusie.
Hoofdstuk III. De werkzaamheden van toegelaten instellingen
§ 1. Algemeen
Artikel 11
1. De toegelaten instelling is uitsluitend werkzaam op het gebied
van de volkshuisvesting. Zij neemt bij haar werkzaamheden het bepaalde
in de paragrafen 2 tot en met 6 in acht.
2. Het gebied van de volkshuisvesting omvat, behoudens de artikelen
12a, tweede lid, en 12b, tweede lid, uitsluitend:
a. het bouwen, verwerven, bezwaren en slopen van
woongelegenheden en onroerende aanhorigheden;
b. het in stand houden van en het treffen van voorzieningen aan
haar woongelegenheden en onroerende aanhorigheden, en aan
woongelegenheden en onroerende aanhorigheden van derden;
c. het in stand houden en verbeteren van de direct aan de
woongelegenheden en aanhorigheden, bedoeld in onderdeel b ,
grenzende omgeving;
d. het beheren, toewijzen en verhuren van woongelegenheden en
onroerende aanhorigheden;
e. het vervreemden van woongelegenheden en onroerende
aanhorigheden;
f. het aan bewoners van bij de toegelaten instelling in beheer
zijnde woongelegenheden verlenen van diensten die rechtstreeks
verband houden met de bewoning, alsmede het, aan personen die te
kennen geven een zodanige woongelegenheid te willen betrekken,
verlenen van diensten die rechtstreeks verband houden met het
huisvesten van die personen, en
g. de werkzaamheden die noodzakelijkerwijs voortvloeien uit het
verrichten van de werkzaamheden, genoemd in de onderdelen a tot en
met f .
Artikel 11a
1. De werkzaamheden van de toegelaten instelling dragen bij aan de
uitvoering van de artikelen 12 tot en met 22 overeenkomstig dit
besluit.
2. De toegelaten instelling verbindt zich slechts met een andere
rechtspersoon of vennootschap, indien dit noodzakelijk is om te
voldoen aan het eerste lid.
Artikel 11b [Vervallen per 01-07-2002]
Artikel 11c
1. De toegelaten instelling vervreemdt haar woongelegenheden,
indien de verkrijger daarvan geen toegelaten instelling is, slechts
tegen een prijs van ten minste 90 procent van de onderhandse
verkoopwaarde vrij van huur en gebruik van die woongelegenheden, met
uitzondering van de gevallen, bedoeld in het tweede en derde lid.
2. In bij ministeriėle regeling aangegeven gevallen kan de
toegelaten instelling haar woongelegenheden vervreemden tegen een
lagere verkoopprijs dan die, bedoeld in het eerste lid, indien de
verkrijger daarvan een natuurlijke persoon is die in die woning zijn
hoofdverblijf heeft of zal hebben, en wordt voldaan aan de daarbij
gestelde voorwaarden.
3. Onze Minister kan op een daartoe strekkende aanvraag van een
toegelaten instelling voor andere vervreemdingen van woongelegenheden
als bedoeld in het eerste lid of in de in het tweede lid bedoelde
ministeriėle regeling, toestemming verlenen indien het belang van de
volkshuisvesting zich naar zijn oordeel daartegen niet verzet.
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing
op de aanvraag om toestemming, voor zover die toestemming betrekking
heeft op de vervreemding van woongelegenheden aan natuurlijke personen
die daarin hun hoofdverblijf hebben of zullen hebben.
Artikel 11d
1. De toegelaten instelling meldt aan Onze Minister haar voornemens
tot het vervreemden van onroerende zaken aan en het op onroerende
zaken vestigen van een recht van erfpacht, van opstal of van
vruchtgebruik en tot de overdracht van de economische eigendom van
onroerende zaken, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet op
belastingen van rechtsverkeer ten behoeve van:
a. natuurlijke personen en
b. rechtspersonen of vennootschappen die geen toegelaten
instelling zijn.
2. Een melding als bedoeld in het eerste lid geschiedt bij een
afzonderlijke schriftelijke mededeling, welke de gegevens bevat die
door Onze Minister noodzakelijk worden geacht om het betrokken
voornemen te kunnen beoordelen.
3. Bij ministeriėle regeling kunnen beperkingen op de in het
eerste lid bedoelde meldingsplicht worden aangebracht, indien naar het
oordeel van Onze Minister voldoende vast is komen te staan dat de
daardoor niet meer te melden voornemens zullen passen in het
volkshuisvestingsbeleid en dat voldoende invloed van de gemeente op
die voornemens zal zijn gewaarborgd.
Artikel 11e
1. Onze Minister bevestigt binnen twee weken de ontvangst van een
melding als bedoeld in artikel 11d, eerste lid. Hij stelt voorts,
binnen twee weken na ontvangst van een melding van een voornemen als
bedoeld in artikel 11d, eerste lid, tot het vervreemden van onroerende
zaken, elke gemeente waar die zaken gelegen zijn in de gelegenheid
haar zienswijze over de gevolgen van dat voornemen voor de
volkshuisvesting ter plaatse aan hem kenbaar te maken, indien dat
voornemen niet is opgenomen in afspraken als bedoeld in artikel 25f,
tweede lid. Hij kan voorts, binnen twee weken na ontvangst van een
melding van een voornemen als bedoeld in artikel 11d, eerste lid, tot
het vestigen van rechten als bedoeld in dat lid, toepassing geven aan
de tweede volzin. De gemeenten kunnen binnen drie weken nadien hun
zienswijzen aan Onze Minister doen toekomen. Onze Minister doet
onverwijld mededeling aan de betrokken toegelaten instelling van de
ontvangst van die zienswijzen.
2. Indien de zienswijzen van de in het eerste lid bedoelde
gemeenten niet binnen drie weken nadat Onze Minister hen tot het geven
daarvan in de gelegenheid heeft gesteld in zijn bezit zijn, stelt hij
onverwijld een termijn van ten hoogste drie weken binnen welke die
gemeenten hun zienswijzen alsnog aan hem kunnen doen toekomen en doet
daarvan, en van de ontvangst van die zienswijzen, onverwijld
mededeling aan de betrokken toegelaten instelling.
3. De toegelaten instelling kan het betrokken voornemen uitvoeren,
indien:
a. Onze Minister niet binnen drie weken na ontvangst van de
zienswijzen, bedoeld in het eerste lid, aan de toegelaten
instelling een aanwijzing als bedoeld in artikel 41, eerste lid,
heeft gegeven die de uitvoering van het betrokken voornemen
verbiedt;
b. uit een schriftelijke mededeling van Onze Minister blijkt
dat hij daartegen geen bezwaar heeft of
c. elf weken zijn verstreken vanaf de ontvangst van de melding
van dat voornemen door Onze Minister, zonder dat hetzij uit een
aanwijzing als bedoeld in artikel 41, eerste lid, is gebleken dat
hij daartegen bezwaar heeft, hetzij uit een mededeling als bedoeld
in de tweede volzin van het vierde lid is gebleken dat hij
daartegen bezwaar zou kunnen hebben.
4. Onze Minister kan, indien de melding daartoe naar zijn oordeel
aanleiding geeft, de in onderdeel a van het derde lid genoemde termijn
met ten hoogste twee weken verlengen. Hij deelt een verlenging binnen
de in onderdeel a van het derde lid genoemde termijn mee aan de
betrokken toegelaten instelling en de gemeenten die een zienswijze als
bedoeld in het eerste lid aan hem hebben doen toekomen.
Artikel 11f
De toegelaten instelling neemt bij haar werkzaamheden het in de
betrokken gemeenten geldende volkshuisvestingsbeleid in acht.
Artikel 11g
De toegelaten instelling stelt na overleg met de huurders van haar
woongelegenheden of hun vertegenwoordigers een reglement vast met
betrekking tot de bijdragen, bedoeld in de artikelen 220, vijfde lid, en
275, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, waarin in elk
geval de hoogte van die bijdragen is vastgelegd.
§ 2. De kwaliteit van de woongelegenheden van de toegelaten
instelling
Artikel 12
De toegelaten instelling zet de middelen voor het verrichten van de
werkzaamheden, genoemd in artikel 11, tweede lid, onderdelen a, b en c,
zodanig in, dat zo veel mogelijk wordt voldaan aan de eisen die ter
plaatse in het belang van de huisvesting van de bevolking redelijkerwijs
kunnen worden gesteld aan de kwaliteit van woongelegenheden.
§ 2a. Leefbaarheid
Artikel 12a
1. De toegelaten instelling draagt bij aan de leefbaarheid in de
buurten en wijken waar haar woongelegenheden gelegen zijn.
2. Ter uitvoering van het eerste lid kan de toegelaten instelling,
naast de werkzaamheden, genoemd in de artikelen 11, tweede lid, en
12b, tweede lid, uitsluitend overgaan tot:
a. het bouwen, verwerven, bezwaren en slopen van andere
gebouwen dan woongelegenheden;
b. het in stand houden van en het treffen van voorzieningen aan
andere gebouwen dan woongelegenheden;
c. het in stand houden en verbeteren van de omgeving buiten de
directe nabijheid van woongelegenheden;
d. het verhuren van andere gebouwen dan woongelegenheden;
e. het vervreemden van andere gebouwen dan woongelegenheden;
f. het verrichten van andere werkzaamheden die ten goede komen
aan het woongenot in een buurt of wijk en
g. de werkzaamheden die noodzakelijkerwijs voortvloeien uit het
verrichten van de werkzaamheden, genoemd in de onderdelen a tot en
met f .
3. De toegelaten instelling verricht werkzaamheden als bedoeld in
de onderdelen a tot en met g van het tweede lid slechts, indien zij
zich daarbij de uitvoering van het eerste lid als enige of voornaamste
doel stelt.
§ 2b. Wonen en zorg
Artikel 12b
1. De toegelaten instelling draagt bij aan het volgens redelijke
wensen tot stand brengen van huisvesting voor ouderen, gehandicapten
en personen die zorg of begeleiding behoeven.
2. Ter uitvoering van het eerste lid kan de toegelaten instelling,
naast de werkzaamheden, genoemd in de artikelen 11, tweede lid, en
12a, tweede lid, uitsluitend overgaan tot:
a. het bouwen en exploiteren van woon-zorgcomplexen en de
daarbij behorende gemeenschappelijke ruimten en fysieke
zorginfrastructuur, van projecten voor begeleid wonen, en van
vastgoed met een woon- of verblijffunctie voor de bewoners van
instellingen in de verzorging, verpleging of opvang;
b. het leveren van een bijdrage aan de totstandkoming van
arrangementen met betrekking tot wonen, zorg- en dienstverlening,
die, zoveel mogelijk naar wens van de in het eerste lid bedoelde
personen, het zelfstandig wonen bevorderen;
c. het vervullen van een bemiddelende rol voor bewoners met
betrekking tot zorg- en dienstverlening of
d. de werkzaamheden die noodzakelijkerwijs voortvloeien uit het
verrichten van de werkzaamheden, genoemd in de onderdelen a tot en
met c.
§ 3. Het verhuren van de woningen van de toegelaten instelling
Artikel 13
1. Onverminderd artikel 70c, eerste lid, van de Woningwet geeft de
toegelaten instelling bij het verhuren van woningen met een rekenhuur
als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag,
die gelijk is aan of lager is dan de aftoppingsgrens, bedoeld in
artikel 20, tweede lid, van die wet, zo veel mogelijk voorrang aan
woningzoekenden die een zodanig de gezamenlijke toetsingsinkomens,
bedoeld in artikel 8 van de Algemene wet inkomensafhankelijke
regelingen, die in aanmerking worden genomen voor het bepalen van de
draagkracht, bedoeld in artikel 7 van die wet genieten, dat zij een
beroep kunnen doen op een huurtoeslag in de zin van artikel 1,
onderdeel e, van de Wet op de huurtoeslag.
2. De toegelaten instelling bouwt of verwerft woningen op een
zodanige wijze, dat aan woningzoekenden als bedoeld in het eerste lid
zo veel mogelijk een woning als bedoeld in dat lid kan worden
verhuurd.
3. De toegelaten instelling kan, onverminderd het tweede lid, het
meest recente inkomen van de woningzoekende, en de actuele vraag naar
en het actuele aanbod ter plaatse van woongelegenheden, betrekken bij
het verhuren van haar woningen.
Artikel 14
Onverminderd artikel 70c, eerste lid, van de Woningwet en artikel 13,
eerste lid, streeft de toegelaten instelling er bij het verhuren van
haar woningen naar, dat door huurders in een zo gering mogelijke mate
een beroep wordt gedaan op bijdragen op voet van de Wet op de
huurtoeslag.
Artikel 15
De toegelaten instelling stelt criteria op aan de hand waarvan zij,
onverminderd artikel 13, beoordeelt of en in welke mate zij haar
woongelegenheden vervreemdt. Zij schenkt daarbij afzonderlijk aandacht
aan vervreemding aan huurders van die woongelegenheden.
Artikel 15a
1. De gemiddelde huurprijs van de woningen van de toegelaten
instelling op 1 juli van enig jaar is niet hoger dan de gemiddelde
huurprijs van die woningen op 30 juni daaraan voorafgaand, vermeerderd
met het inflatiepercentage, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het
Besluit huurprijzen woonruimte.
2. Bij de berekening van de gemiddelde huurprijs, bedoeld in het
eerste lid, wordt geen rekening gehouden met woningen:
a. waarvoor een huurovereenkomst als bedoeld in artikel 247 van
Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek geldt;
b. die per 1 juli van het betrokken jaar voor het eerst of aan
een opvolgende huurder zijn verhuurd;
c. waarvan de huurprijs per 1 juli van het betrokken jaar is
verhoogd als gevolg van een woningverbetering als bedoeld in
artikel 255 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, of
d. die een onzelfstandige woonruimte vormen.
§ 4. Het betrekken van bewoners bij beleid en beheer
Artikel 16
1. De toegelaten instelling stelt de huurders van haar
woongelegenheden in de gelegenheid klachten over haar handelen of
nalaten, of het handelen of nalaten van personen die voor haar
werkzaamheden verrichten, in te dienen bij een klachtencommissie die
tot taak heeft haar met redenen omkleed over de behandeling van die
klachten te adviseren.
2. De toegelaten instelling deelt aan de huurder die de klacht
heeft ingediend zo spoedig mogelijk schriftelijk en met redenen
omkleed mee, of zij naar aanleiding van de behandeling van de klacht
maatregelen zal nemen en, zo ja, welke.
3. De toegelaten instelling geeft bij reglement regels omtrent de
samenstelling en de werkwijze van de klachtencommissie.
Artikel 17
1. Indien de toegelaten instelling een meerjarenplan of een stuk,
genoemd in deartikelen 25a en 26, eerste, tweede en derde lid,
opstelt, informeert zij de betrokken huurdersorganisaties en de
betrokken bewonerscommissies, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het
overleg huurders verhuurder, over deze onderwerpen.
2. Indien de betrokken huurdersorganisaties of de betrokken
bewonerscommissies, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het overleg
huurders verhuurder, de toegelaten instelling te kennen hebben gegeven
een advies te willen geven of overleg met haar te willen voeren over
de verstrekte informatie, bedoeld in het eerste lid, stelt de
toegelaten instelling de betrokken huurdersorganisaties of de
betrokken bewonerscommissies daartoe in de gelegenheid.
Artikel 17a [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 18 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 19 [Vervallen per 01-01-2009]
Artikel 20 [Vervallen per 29-12-1998]
§ 5. Financiėn
Artikel 21
1. De toegelaten instelling voert een zodanig financieel beleid en
beheer, dat haar voortbestaan in financieel opzicht is gewaarborgd.
2. De toegelaten instelling zet de middelen die zij niet dient aan
te houden om te voldoen aan het eerste lid, in ten behoeve van de
volkshuisvesting.
Artikel 22
De toegelaten instelling bestemt batige saldi uitsluitend voor
werkzaamheden op het gebied van de volkshuisvesting.
Artikel 23 [Vervallen per 01-07-1998]
§ 6. Bedrijfsvoering en administratie
Artikel 24
De toegelaten instelling draagt zorg voor een sobere en doelmatige
bedrijfsvoering.
Artikel 25
De toegelaten instelling draagt zorg voor een administratie die een
juist en volledig inzicht geeft in haar werkzaamheden en haar
financiėle situatie.
Hoofdstuk IIIA. Beleidsvoorbereiding
Artikel 25a
1. De toegelaten instelling stelt van haarzelf en van haar
verbindingen met andere rechtspersonen en vennootschappen als bedoeld
in artikel 2a, voor zover deze verbindingen betrekking hebben op
onroerende zaken een overzicht op van voorgenomen activiteiten,
waaruit elke gemeente waar zij feitelijk werkzaam is kan afleiden
welke activiteiten op haar grondgebied zijn voorzien. Dat overzicht is
van toepassing op het eerstvolgende kalenderjaar en kan van toepassing
zijn op een of meer daaropvolgende kalenderjaren.
2. Het overzicht verschaft op hoofdlijnen een toegelicht inzicht in
de voornemens van de toegelaten instelling over de uitvoering van
deartikelen 12 tot en met 17, 21 en 22 en van de artikelen 2a, 3,
eerste en vierde lid, 4, 5, eerste lid, 5a en 5b, tweede en derde lid,
van de Wet op het overleg huurders verhuurder, en in de voornemens van
haar verbindingen met andere rechtspersonen en vennootschappen voor
zover deze verbindingen betrekking hebben op onroerende zaken over de
uitvoering van de artikelen 12, 12a, 12b, 21 en22.
Artikel 25b
1. De toegelaten instelling stelt voorts jaarlijks een samenvatting
op van het in artikel 25a bedoelde overzicht, uit welke samenvatting
elke gemeente waar zij feitelijk werkzaam is kan afleiden welke
gegevens met name op haar betrekking hebben.
2. De samenvatting wordt opgesteld overeenkomstig bijlage I bij dit
besluit, welke bijlage bij ministeriėle regeling kan worden
gewijzigd.
Artikel 25c
De toegelaten instellingen dragen er zorg voor dat de colleges van
burgemeester en wethouders van de gemeenten waar zij feitelijk werkzaam
zijn en, voor zover van toepassing, bovendien die van de gemeenten waar
zij hun woonplaats hebben, op 1 november van elk jaar beschikken over de
in de artikelen 25a en 25b bedoelde bescheiden die op het op die datum
eerstvolgende jaar van toepassing zijn.
Artikel 25d
1. Het college van burgemeester en wethouders bevestigt binnen vier
weken de ontvangst van aan dat college gezonden bescheiden als bedoeld
in de artikelen 25a en 25b.
2. Indien op 1 november van enig jaar de in de artikelen 25a en 25b
bedoelde bescheiden niet in het bezit zijn van het college van
burgemeester en wethouders, stelt Onze Minister op een daartoe
strekkende aanvraag van dat college onverwijld een termijn van ten
hoogste vier weken binnen welke de ontbrekende bescheiden moeten
worden verstrekt en doet daarvan mededeling aan de betrokken
toegelaten instelling.
3. Indien de toegelaten instelling de ontbrekende bescheiden niet
binnen de krachtens het tweede lid gestelde termijn verstrekt, kan
Onze Minister op een daartoe strekkende aanvraag van het college van
burgemeester en wethouders bepalen dat zij, totdat zij die bescheiden
alsnog verstrekt, de door hem aangegeven rechtshandelingen slechts kan
verrichten na zijn instemming.
Artikel 25e
1. De toegelaten instellingen verzoeken jaarlijks, tegelijk met de
toezending van de in artikel 25b bedoelde samenvatting, om een overleg
met de betrokken colleges van burgemeester en wethouders over het
volkshuisvestingsbeleid in het op de in artikel 25c bedoelde datum
eerstvolgende kalenderjaar.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien een toegelaten
instelling op de in artikel 25c bedoelde datum niet beschikt over
bescheiden waarin de gemeente op hoofdlijnen een toegelicht inzicht
verschaft in haar voorgenomen volkshuisvestingsbeleid voor het
kalenderjaar, bedoeld in het eerste lid, waarover de gemeente overleg
heeft gevoerd met de haar omringende gemeenten.
Artikel 25f
1. De toegelaten instellingen zenden de in artikel 25b bedoelde
samenvatting voor 1 februari volgend op de in artikel 25c bedoelde
datum aan Onze Minister.
2. Indien een toegelaten instelling in een overleg als bedoeld in
artikel 25e, eerste lid, afspraken met een of meer colleges van
burgemeester en wethouders van de betrokken in artikel 25c bedoelde
gemeenten heeft gemaakt over haar activiteiten in het betrokken
kalenderjaar, vermeldt zij die afspraken, alsmede de wijzigingen in
haar voorgenomen activiteiten, in de ingevolge het eerste lid aan Onze
Minister te zenden samenvatting.
Artikel 25g [Vervallen per 05-11-2001]
Hoofdstuk IV. De verslaglegging van de werkzaamheden
§ 1. Totstandkoming en beoordeling binnen de toegelaten instelling
Artikel 26
1. De toegelaten instelling stelt jaarlijks een jaarrekening en een
jaarverslag op, waarop de afdelingen 2 tot en met 8, 10, 11, 13, en 16
van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige
toepassing zijn, met dien verstande dat voor de toepassing van de
artikelen van die afdelingen de leden van het orgaan, bedoeld
inartikel 7, eerste lid, onderdeel b, gelijk staan aan commissarissen
als bedoeld in die artikelen, en in artikel 408, eerste lid, onderdeel
e, voor «de in onderdeel d genoemde stukken of vertalingen»wordt
gelezen «de geconsolideerde jaarrekening en het jaarverslag»,
alsmede met uitzondering van:
a. de bepalingen die gezien hun inhoud niet op verenigingen of
stichtingen van toepassing kunnen zijn, en
b. de artikelen 361, tweede lid, eerste volzin, zinsnede «en
de in artikel 360 lid 3 bedoelde stichtingen en verenigingen»,
362, zesde lid, tweede volzin vanaf «handelsregister», zevende
lid, eerste volzin en tweede volzin vanaf «omschreven», achtste
en negende lid, 373, vijfde lid, 378, tweede tot en met vierde
lid, 383a, 389, vierde en vijfde lid, 390, 391, eerste lid, vijfde
volzin vanaf«gesteld», 392, eerste lid, onderdelen a en e, en
derde, vierde en vijfde lid, 396, zesde tot en met negende lid,
398, derde en vijfde lid, 406, derde tot en met vijfde lid, en
408, eerste lid, onderdeel d.
2. De toegelaten instelling stelt jaarlijks een
volkshuisvestingsverslag op, waaruit elke gemeente waar zij feitelijk
werkzaam is kan afleiden welke gegevens met name op haar betrekking
hebben, en dat omvat:
a. een uiteenzetting over het in het verslagjaar gevoerde
beleid inzake de werkzaamheden, genoemd in artikel 11, tweede lid,
onderdelen a, b en c, in welke uiteenzetting zij aannemelijk
maakt, dat dit beleid voldoet aan artikel 12;
b. een uiteenzetting over het in het verslagjaar gevoerde
beleid inzake het leveren van een bijdrage aan de leefbaarheid, in
welke uiteenzetting zij aannemelijk maakt, dat dit beleid voldoet
aan artikel 12a;
c. een uiteenzetting over het in het verslagjaar gevoerde
beleid inzake het bijdragen aan het tot stand brengen van
huisvesting voor ouderen, gehandicapten en personen die zorg of
begeleiding behoeven, in welke uiteenzetting zij aannemelijk
maakt, dat dit beleid voldoet aan artikel 12b;
d. een uiteenzetting over het in het verslagjaar gevoerde
beleid inzake het toewijzen, verhuren en vervreemden van haar
woongelegenheden, in welke uiteenzetting zij aannemelijk maakt,
dat dit beleid voldoet aan artikel 70c, eerste lid, van de
Woningwet, en aan de artikelen 13, 14, 15 en 15a;
e. een uiteenzetting over de wijze waarop zij in het
verslagjaar de bewoners van haar woongelegenheden bij haar beleid
en beheer heeft betrokken, in welke uiteenzetting zij aannemelijk
maakt, dat zij voldoet aan artikel 16 en 17, en aan de artikelen
2a, 3, eerste, tweede en vierde lid, 4, 5, 5a, 5b, tweede en derde
lid, en 7, eerste en tweede lid, van de Wet op het overleg
huurders verhuurder;
f. een uiteenzetting over het in het verslagjaar gevoerde
beleid en beheer op financieel gebied, in welke uiteenzetting zij
aannemelijk maakt, dat dit beleid en beheer voldoet aan de
artikelen 21 en 22;
g. een uiteenzetting over haar overige werkzaamheden in het
verslagjaar op het gebied van de volkshuisvesting, voor zover
daarover niet ingevolge het eerste lid verslag dient te worden
gelegd, in welke uiteenzetting zij aannemelijk maakt, dat die
werkzaamheden hebben bijgedragen aan de beleidsresultaten,
uiteengezet ingevolge de onderdelen a tot en met f;
h. een uiteenzetting over het door haar gevoerde overleg met de
gemeenten waar zij feitelijk werkzaam is over het in die gemeenten
geldende volkshuisvestingsbeleid en de daaruit voortgevloeide
afspraken daarover met die gemeenten, in welke uiteenzetting zij
aannemelijk maakt, dat is voldaan aan artikel 11f;
i. een overzicht van en een uiteenzetting over de verbindingen
met andere rechtspersonen en vennootschappen waartoe zij in het
verslagjaar heeft besloten, in welke uiteenzetting zij aannemelijk
maakt, dat is voldaan aan artikel 11a, tweede lid;
j. een overzicht van haar overige activiteiten in het
verslagjaar op het gebied van verbindingen met andere
rechtspersonen of vennootschappen, welk overzicht een juist en
volledig inzicht geeft in de werkzaamheden en de financiėle
situatie van die rechtspersonen en vennootschappen;
k. een overzicht van haar activiteiten in het verslagjaar op
het gebied van beleggingen;
l. een overzicht van haar onrendabele investeringen in het
verslagjaar en
m. een verklaring, dat zij in het verslagjaar haar middelen
uitsluitend heeft besteed in het belang van de volkshuisvesting.
n. een overzicht van de activiteiten in het kader van de
uitvoeringsovereenkomst, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van
het Besluit Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting.
3. De toegelaten instelling stelt van haarzelf en van haar
verbindingen met andere rechtspersonen en vennootschappen als bedoeld
in artikel 2a, voor zover deze verbindingen betrekking hebben op
onroerende zaken, jaarlijks een overzicht op met
verantwoordingsgegevens over het verslagjaar. Dit overzicht wordt
ingericht overeenkomstig bijlage IIbij dit besluit, welke bijlage bij
ministeriėle regeling kan worden gewijzigd.
Artikel 27
1. De toegelaten instelling verleent opdracht tot onderzoek van de
stukken, genoemd in artikel 26, aan een accountant als bedoeld in
artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of aan
een organisatie waarin zodanige accountants samenwerken. De aanwijzing
van de accountant die het in de eerste volzin bedoelde onderzoek
verricht wordt niet door enige voordracht beperkt.
2. De toegelaten instelling verzoekt aan de betrokken accountant of
organisatie omtrent het onderzoek verslag aan haar uit te brengen.
Artikel 28
De toegelaten instelling laat de ingevolge artikel 27 aangewezen
accountant of organisatie onderzoeken, of:
a. [vervallen;]
b. het jaarverslag, bedoeld in artikel 26, eerste lid, en het
volkshuisvestingsverslag, bedoeld in artikel 26, tweede lid, voor
zover deze dat kan beoordelen, overeenkomstig die leden zijn
opgesteld en met de jaarrekening verenigbaar zijn, en
c. het overzicht, bedoeld in artikel 26, derde lid, in
overeenstemming is met de vastgestelde jaarrekening.
Artikel 29
1. De toegelaten instelling verzoekt aan een daartoe als openbaar
accountant optredende accountant als bedoeld in artikel 27, eerste
lid, of aan een organisatie waarin zodanige accountants samenwerken,
om op te stellen:
a. een verklaring omtrent de getrouwheid van de jaarrekening,
bedoeld in artikel 26, eerste lid;
b. een mededeling omtrent het volkshuisvestingsverslag, bedoeld
in artikel 26, tweede lid;
c. een mededeling omtrent het overzicht, bedoeld in artikel 26,
derde lid, en
d. een accountantsverslag als bedoeld in het vierde lid van
artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2. De jaarrekening wordt niet vastgesteld of goedgekeurd, indien de
toegelaten instelling geen kennis heeft kunnen nemen van de
verklaring, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, die aan de
jaarrekening moest zijn toegevoegd, tenzij onder de overige gegevens
een wettige grond wordt meegedeeld waarom die verklaring ontbreekt.
3. De in het eerste lid, onderdelen a, b en c, genoemde stukken
worden opgesteld overeenkomstig bijlage III bij dit besluit, welke
bijlage bij ministeriėle regeling kan worden gewijzigd.
§ 2. De beoordeling buiten de toegelaten instelling
Artikel 30
1. De toegelaten instelling doet jaarlijks voor 1 juli aan Onze
Minister, aan het college van burgemeester en wethouders van de
gemeente waar zij haar woonplaats heeft en van elke gemeente waar zij
feitelijk werkzaam is, en aan het bestuur van het Centraal Fonds voor
de Volkshuisvesting toekomen:
a. de ingevolge artikel 26 opgestelde stukken over het aan die
datum voorafgaande verslagjaar en
b. de bij die stukken behorende verklaring en mededelingen,
bedoeld in artikel 29, eerste lid, onderdelen a, b en c.
2. De toegelaten instelling doet jaarlijks voor 1 juli aan Onze
Minister en aan het bestuur van het Centraal Fonds voor de
Volkshuisvesting het accountantsverslag, bedoeld in artikel 29, eerste
lid, onderdeel d, toekomen.
Artikel 31
1. Onze Minister, de betrokken colleges van burgemeester en
wethouders en het bestuur van het Centraal Fonds voor de
Volkshuisvesting bevestigen binnen vier weken de ontvangst van de
krachtens de artikelen 25f, eerste lid, en30 aan hen gezonden
bescheiden.
2. Indien een toegelaten instelling een of meer van de bescheiden 1
februari respectievelijk op 1 juli van een jaar niet aan Onze
Minister, een betrokken college van burgemeester en wethouders of het
bestuur van het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting heeft doen
toekomen, stelt Onze Minister, eigener beweging of op een daartoe
strekkende aanvraag van dat college, of stelt dat bestuur onverwijld
een termijn van ten hoogste vier weken binnen welke de ontbrekende
bescheiden alsnog moeten worden verstrekt en doet daarvan mededeling
aan die toegelaten instelling.
3. Indien de toegelaten instelling de ontbrekende bescheiden niet
binnen de krachtens het tweede lid gestelde termijn verstrekt, kan
Onze Minister, eigener beweging of op een daartoe strekkende aanvraag
van het college van burgemeester en wethouders, en kan het bestuur van
het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting bepalen, dat zij, totdat
zij die bescheiden alsnog verstrekt, de door hem aangegeven
rechtshandelingen slechts kan verrichten na zijn instemming of de
instemming van dat bestuur.
Artikel 32 [Vervallen per 18-05-1998]
Artikel 33
1. Onze Minister vormt zich jaarlijks voor 1 december een oordeel
over de werkzaamheden van de toegelaten instellingen in het aan die
datum voorafgaande verslagjaar. Hij betrekt het overzicht, bedoeld in
artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit Centraal Fonds
voor de Volkshuisvesting, bij dat oordeel, indien hij dat overzicht op
1 november voorafgaand aan de in de eerste volzin bedoelde datum heeft
ontvangen.
2. Onze Minister deelt het oordeel, bedoeld in het eerste lid, voor
de in de eerste volzin van dat lid bedoelde datum mee aan de
toegelaten instelling.
Artikel 34 [Vervallen per 18-05-1998]
Artikel 35 [Vervallen per 18-05-1998]
Artikel 36 [Vervallen per 18-05-1998]
Artikel 37 [Vervallen per 18-05-1998]
Artikel 38 [Vervallen per 18-05-1998]
Hoofdstuk V. Het toezicht
Artikel 39
Indien een college van burgemeester en wethouders of het bestuur van
het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting Onze Minister verzoekt
maatregelen te nemen of te bevorderen waartoe hij ingevolge dit
hoofdstuk bevoegd is, is hij gehouden naar aanleiding van dat verzoek
een besluit te nemen.
Artikel 39a
1. Ten behoeve van het toezicht verstrekt de toegelaten instelling
jaarlijks voor 1 juli aan Onze Minister de gegevens, bedoeld in
bijlage IV bij dit besluit, welke bijlage bij ministeriėle regeling
kan worden gewijzigd, alsmede de mededeling, bedoeld in het tweede
lid.
2. De toegelaten instelling verzoekt aan een daartoe als openbaar
optredende accountant als bedoeld in artikel 27, eerste lid, of aan
een organisatie waarin zodanige accountants samenwerken, om
overeenkomstig bijlage III bij dit besluit een mededeling op te
stellen omtrent de gegevens, bedoeld in het eerste lid.
3. Onze Minister bevestigt binnen vier weken de ontvangst van de
krachtens het eerste lid gezonden bescheiden.
4. Indien een toegelaten instelling de bescheiden op 1 juli van een
jaar niet aan Onze Minister heeft doen toekomen, stelt hij onverwijld
een termijn van ten hoogste vier weken binnen welke de bescheiden
alsnog moeten worden verstrekt en doet daarvan mededeling aan die
toegelaten instelling.
5. Indien de toegelaten instelling de bescheiden niet binnen de
krachtens het vierde lid gestelde termijn verstrekt, kan Onze Minister
bepalen, dat zij, totdat zij de bescheiden alsnog verstrekt, de door
hem aangegeven rechtshandelingen slechts kan verrichten na zijn
instemming.
Artikel 40
Op verzoek van Onze Minister verleent de toegelaten instelling
onverwijld inzage van de door hem verlangde bescheiden en verstrekt zij
hem de door hem verlangde inlichtingen, voor zover dit naar zijn oordeel
voor uitoefening van het toezicht nodig is.
Artikel 41
1. Onze Minister kan in het belang van de volkshuisvesting een
toegelaten instelling een aanwijzing geven. In een aanwijzing kan een
toegelaten instelling worden verplicht:
a. zodanig te handelen dat een situatie die strijdig is met het
belang van de volkshuisvesting wordt opgeheven of
b. een voorgenomen handelwijze die niet in het belang van de
volkshuisvesting is achterwege te laten.
2. Onze Minister stelt in een aanwijzing die een toegelaten
instelling tot een handeling verplicht een termijn binnen welke die
toegelaten instelling daaraan dient te voldoen.
3. Een aanwijzing omvat de gevolgen die Onze Minister verbindt aan
het niet voldoen aan die aanwijzing.
4. Onze Minister betrekt bij een besluit om een aanwijzing als
bedoeld in het eerste lid te geven de situatie van de volkshuisvesting
in de gemeenten waar de toegelaten instelling feitelijk werkzaam is.
5. Alvorens toepassing te geven aan het eerste lid kan Onze
Minister, indien dit naar zijn oordeel wegens de aard van de
voorgenomen aanwijzing noodzakelijk is, een of meer gemeenten of het
Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting in de gelegenheid stellen
binnen een door hem te stellen termijn hun zienswijze over die
toepassing aan hem kenbaar te maken.
6. Van een aanwijzing wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 42
Een verzoek aan een toegelaten instelling om een bepaalde gedragslijn
te volgen waarin niet is aangegeven welke gevolgen Onze Minister
verbindt aan het niet voldoen aan dat verzoek, is geen aanwijzing in de
zin van artikel 41, eerste lid.
Artikel 43
1. Onze Minister kan in het belang van de volkshuisvesting bepalen
dat een toegelaten instelling voor een door hem te bepalen tijdvak
door hem aangegeven handelingen slechts kan verrichten met de
voorafgaande instemming van een of meer door hem aangewezen personen
of instanties, dan wel met zijn voorafgaande instemming. Een gemeente
kan niet als instantie als bedoeld in de eerste volzin worden
aangewezen.
2. Onze Minister kan, indien een toegelaten instelling niet binnen
de in artikel 41, tweede lid, bedoelde termijn voldoet aan een
aanwijzing als bedoeld in artikel 41, eerste lid, die de verplichting
inhoudt tot handelingen die redelijkerwijs niet kunnen worden verricht
zonder dat voorafgaand daaraan een schriftelijk plan daarvoor is
opgesteld, bepalen dat een of meer door hem aangewezen personen of
instanties dat plan opstellen. De toegelaten instelling verleent die
personen of instanties alle medewerking daarbij. Een gemeente kan niet
als instantie als bedoeld in dit lid worden aangewezen.
3. Onze Minister geeft geen toepassing aan het tweede lid, dan
nadat hij de toegelaten instelling in de gelegenheid heeft gesteld
binnen een door hem te bepalen termijn aannemelijk te maken dat zij
binnen een redelijke termijn zal voldoen aan de in de eerste volzin
van dat lid bedoelde aanwijzing.
4. De kosten, gepaard gaande met de door Onze Minister aan personen
of instanties als bedoeld in het eerste en tweede lid opgedragen
werkzaamheden komen voor rekening van de toegelaten instelling.
Artikel 43a
Onze Minister doet uiterlijk in december van elk jaar aan de Tweede
Kamer der Staten-Generaal toekomen:
a. een overzicht van de door de toegelaten instellingen
voorgenomen activiteiten voor dat jaar, gebaseerd op de hem
ingevolge artikel 25f, eerste lid, gezonden samenvattingen, en
b. een rapportage over de door de toegelaten instellingen in het
aan dat jaar voorafgaande jaar verrichte werkzaamheden.
Hoofdstuk VI. Intrekking van de toelating
Artikel 44
Buiten de gevallen, bedoeld in de artikelen 70, tweede lid, derde
volzin, en 70a, tweede lid, van de Woningwet kan de toelating worden
ingetrokken, indien naar het oordeel van Onze Minister de toegelaten
instelling zodanige schade aan het belang van de volkshuisvesting
berokkent of bij handhaving van de toelating op korte termijn zal
berokkenen, dat haar toelating niet langer in dat belang is te achten.
Artikel 45
Een koninklijk besluit tot intrekking van de toelating wordt in de
Staatscourant geplaatst. De werking ervan wordt opgeschort totdat de
beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het
beroep is beslist.
Hoofdstuk VII. Verdere bepalingen
Artikel 46 [Vervallen per 01-07-2005]
Artikel 47
Voor zover gemeenten bevoegdheden die hen ingevolge dit besluit
toekomen hebben overgedragen aan een samenwerkingsverband als bedoeld in
de Wet gemeenschappelijke regelingen, zijn de bepalingen van dit besluit
die op die bevoegdheden betrekking hebben van overeenkomstige toepassing
op dat samenwerkingsverband.
Artikel 48 [Vervallen per 01-03-2008]
Artikel 49
1. Onze Minister kan van dit besluit afwijken of afwijking daarvan
toestaan ten behoeve van experimenten die naar zijn oordeel in het
belang van de volkshuisvesting zijn.
2. Onze Minister kan besluiten dat een afwijking als bedoeld in het
eerste lid van kracht blijft zolang een door hem op basis van het
experiment noodzakelijk geoordeelde wijziging van dit besluit nog niet
van kracht is geworden en in werking is getreden.
Hoofdstuk VIII. Overgangs- en slotbepalingen
§ 1. Overgangsbepalingen
Artikel 50 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 51
Koninklijke besluiten tot toelating die op voet van het Besluit
toegelaten instellingen volkshuisvesting, of van een daaraan voorafgaand
koninklijk besluit, zijn genomen en waartegen geen beroep meer kan
worden ingesteld, staan gelijk aan koninklijke besluiten tot toelating
op voet van dit besluit.
Artikel 52 [Vervallen per 18-05-1998]
Artikel 53 [Vervallen per 18-05-1998]
Artikel 54 [Vervallen per 18-05-1998]
Artikel 55 [Vervallen per 01-07-1993]
Artikel 56 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 57 [Vervallen per 01-01-1997]
§ 2. Slotbepalingen
Artikel 58 [Vervallen per 01-01-1997]
Artikel 59 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 60
1. Dit besluit treedt, met uitzondering van afdeling 1 van
hoofdstuk IV, het opschrift van afdeling 2 van dat hoofdstuk en
artikel 46 in werking met ingang van 1 januari 1993.
2. Afdeling 1 van hoofdstuk IV, het opschrift van afdeling 2 van
dat hoofdstuk en artikel 46 treden in werking op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 61
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit beheer sociale-huursector.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in
het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal
worden gezonden aan de Raad van State.
's-Gravenhage, 9 oktober 1992
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
E. Heerma
Uitgegeven de zevenentwintigste
oktober 1992
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage I
[Ligt ter inzage bij het ministerie van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer te Den Haag]
Bijlage II
[Ligt ter inzage bij het ministerie van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer te Den Haag]
Aanhangsel A. Balans
[Ligt ter inzage bij de bibliotheek van
het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer, Rijnstraat 8 te Den Haag]
Aanhangsel B. Winst- en verliesrekening
[Ligt ter inzage bij de bibliotheek van
het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer, Rijnstraat 8 te Den Haag]
Aanhangsel C. Financiele kerngegevens en
prognoses
[Ligt ter inzage bij de bibliotheek van
het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer, Rijnstraat 8 te Den Haag]
Aanhangsel D. Kerngegevens
volkshuisvesting en prognoses
[Ligt ter inzage bij de bibliotheek van
het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer, Rijnstraat 8 te Den Haag]
Aanhangsel E. Aantal toewijzingen in het
verslagjaar
[Ligt ter inzage bij de bibliotheek van
het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer, Rijnstraat 8 te Den Haag]
Bijlage III
[Ligt ter inzage bij het ministerie van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer te Den Haag]
Bijlage IV bij artikel 39a, eerste
lid, van het Besluit beheer sociale-huursector
[Ligt ter inzage bij het ministerie van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer te Den Haag]
|