| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Woningwet
BESLUIT
BOUWVERGUNNINGSVRIJE EN LICHT-BOUWVERGUNNINGPLICHTIGE
BOUWWERKEN
Tekst zoals deze geldt op
23 juli 2010
Vervallen
m.i.v. 1 oktober 2010
|
|
|
BESLUIT van 13 juli 2002, houdende voorschriften omtrent het bouwen
waarvoor het vereiste van een bouwvergunning niet geldt, en omtrent het
bouwen waarvoor een lichte bouwvergunning vereist is (Besluit
bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 27 december 2001, nr.
MJZ2001143595, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op de artikelen 12a, vierde lid, 43, eerste lid, onderdeel
c,
en 44, tweede lid, van de Woningwet en artikel 19 van de Wet op de
Ruimtelijke Ordening;
De Raad van State gehoord (advies van 30 mei 2002, nr.
W08.02.0016/V);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 12 juli
2002, nr. MJZ2002056919, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling
Wetgeving;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
1.In dit besluit wordt verstaan onder:
achtererf: gedeelte van het erf dat aan de achterzijde van het
gebouw is gelegen;
antennedrager: antennemast of andere constructie bedoeld voor de
bevestiging van een antenne;
antenne-installatie: installatie bestaande uit een antenne, een
antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een of meer
techniekkasten opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende
bevestigingsconstructie;
daknok: hoogste punt van een schuin dak;
dakvoet: laagste punt van een schuin dak;
eerste verdieping: tweede bouwlaag van de woning of het woongebouw,
een souterrain of kelder niet daaronder begrepen;
erf: al dan niet bebouwde perceel, of een gedeelte daarvan, dat
direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is
ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voorzover
een bestemmingsplan van toepassing is, de bestemming deze inrichting
niet verbiedt;
voorerf: gedeelte van het erf dat aan voorkant van het gebouw is
gelegen;
voorgevelrooilijn: voorgevelrooilijn als bedoeld in het
bestemmingsplan dan wel de gemeentelijke bouwverordening;
weg: weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
Wegenverkeerswet 1994;
wet: Woningwet;
zijerf: gedeelte van het erf dat aan de zijkant van het gebouw is
gelegen.
2.Tenzij anders bepaald, worden de in dit besluit genoemde:
a. afstanden loodrecht gemeten, en
b. maten buitenwerks gemeten.
Hoofdstuk II. Bouwvergunningsvrij bouwen
Artikel 2
Behoudens in gevallen als bedoeld in artikel 4, wordt als bouwen van
beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c,
van de wet aangemerkt:
a. het bouwen van een op de grond staande aan- of uitbouw van
één bouwlaag aan een bestaande woning of een bestaand woongebouw,
die strekt tot vergroting van het woongenot, mits voldaan wordt aan
de volgende kenmerken:
1°. gebouwd aan:
a) de oorspronkelijke achtergevel op meer dan 1 m van de
weg of het openbaar groen, of
b) een niet naar de weg of het openbaar groen gekeerde
oorspronkelijke zijgevel op meer dan 1 m van het voorerf en
meer dan 1 m van het naburige erf,
2°. niet hoger dan:
a) 4 m, gemeten vanaf het aansluitend terrein,
b) 0,25 m boven de vloer van de eerste verdieping van die
woning of dat woongebouw, en
c) de woning of het woongebouw,
3°. gebouwd binnen de breedte van de gevel waaraan de aan-
of uitbouw wordt gebouwd,
4°. minder dan 2,5 m diep,
5°. zij- of achtererf door dat bouwen voor niet meer dan 50%
bebouwd, en
6°. niet gebouwd aan een woning of woongebouw als bedoeld in
artikel 45, eerste lid, van de wet, aan een woonwagen als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de wet of aan
een woning of woongebouw die of dat niet voor permanente
bewoning is bestemd;
b. het bouwen van een op de grond staand bijgebouw van één
bouwlaag of een op de grond staande overkapping van één bouwlaag
bij een bestaande woning of bestaand woongebouw, dat of die strekt
tot vergroting van het woongenot, mits voldaan wordt aan de volgende
kenmerken:
1°. gebouwd op:
a) het achtererf op meer dan 1 m van de weg of het
openbaar groen, of
b) een niet naar de weg of het openbaar groen gekeerd
zijerf op meer dan 1 m van het voorerf, en
c) indien de bruto-oppervlakte van het bijgebouw of de
overkapping meer is dan 10 m2: meer dan 1 m van het naburige
erf,
2°. niet hoger dan 3 m, gemeten vanaf het aansluitend
terrein,
3°. zij- of achtererf door dat bouwen voor niet meer dan 50%
bebouwd,
4°. de totale bruto-oppervlakte van de op het erf aanwezige
bouwvergunningsvrij gebouwde bijgebouwen en overkappingen minder
dan 30 m2, en
5°. niet gebouwd bij een woning of woongebouw als bedoeld in
artikel 45, eerste lid, van de wet, bij een woonwagen als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de wet of bij
een woning of woongebouw die of dat niet voor permanente
bewoning is bestemd;
c. het veranderen van een kozijn, kozijninvulling, luik of
gevelpaneel van een bestaande woning, bestaand woongebouw of een bij
een bestaande woning of een bestaand woongebouw behorend bijgebouw,
mits voldaan wordt aan de volgende kenmerken:
1°. niet aangebracht in de voorgevel van een woning of
woongebouw of een naar de weg of het openbaar groen gekeerde
zijgevel van een woning of woongebouw, en
2°. de bestaande gevelopening wijzigt niet;
d. het bouwen van een dakkapel op een bestaand gebouw, mits
voldaan wordt aan de volgende kenmerken:
1°. gebouwd op het achterdakvlak of een niet naar de weg of
het openbaar groen gekeerd zijdakvlak,
2°. afstand tot de voorgevel meer dan 1 m,
3°. voorzien van een plat dak,
4°. zijwanden ondoorzichtig,
5°. hoogte, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, minder
dan 1,5 m,
6°. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de
dakvoet,
7°. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok,
8°. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het
dakvlak, en
9°. niet gebouwd op een woning of woongebouw als bedoeld in
artikel 45, eerste lid, van de wet, op een woonwagen als bedoeld
in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de wet of op een
woning of woongebouw die of dat niet voor permanente bewoning is
bestemd;
e. het bouwen van een erf- of perceelafscheiding, mits voldaan
wordt aan de volgende kenmerken:
1°. niet hoger dan 1 m, of
2°. niet hoger dan 2 m en gebouwd:
a) op een erf of perceel waarop reeds een gebouw staat,
b) meer dan 1 m achter de voorgevelrooilijn, en
c) meer dan 1 m van de weg of het openbaar groen.
Artikel 3
1. Behoudens in gevallen als bedoeld in artikel 5 wordt als bouwen
van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid,
onderdeel c, van de wet voorts aangemerkt:
a. het bouwen van een dakraam in een bestaand gebouw, mits
voldaan wordt aan de volgende kenmerken:
1°. onderzijde meer dan 0,5 m boven de dakvoet,
2°. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok, en
3°. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het
dakvlak;
b. het bouwen van een bouwwerk van beperkte omvang op een erf,
mits voldaan wordt aan de volgende kenmerken:
1°. hoogte, gemeten vanaf het aansluitend terrein, minder
dan 1 m,
2°. bruto-oppervlakte minder dan 2 m2, en
3°. voor-, zij- of achtererf voor niet meer dan 50%
bebouwd;
c. het bouwen van een collector voor warmteopwekking op of aan
een bouwwerk ten behoeve van de warmtevoorziening van het gebruik
van dat bouwwerk of van op hetzelfde perceel gelegen andere
bouwwerken, mits voldaan wordt aan de volgende kenmerken:
1°. bij plaatsing:
a) op een schuin dakvlak:
1) binnen het vlak van het dak,
2) in of direct op het dakvlak, en
3) hellingshoek gelijk aan hellingshoek dakvlak,
b) op een plat dakvlak:
1) afstand tot dakranden ten minste gelijk aan hoogte
collector, en
2) hellingshoek ten hoogste 35°, en
2°. indien de collector niet een geheel vormt met de
installatie voor het opslaan van het water: die installatie in
dat bouwwerk is geplaatst;
d. het bouwen van een paneel voor de opwekking van
elektriciteit uit daglicht op of aan een bouwwerk ten behoeve van
de elektriciteitsvoorziening van het gebruik van dat bouwwerk of
van op hetzelfde perceel gelegen andere bouwwerken, mits voldaan
wordt aan de volgende kenmerken:
1°. bij plaatsing:
a) op een schuin dakvlak:
1) binnen het vlak van het dak,
2) in of direct op het dakvlak, en
3) hellingshoek gelijk aan hellingshoek dakvlak,
b) op een plat dakvlak:
1) afstand tot dakranden ten minste gelijk aan hoogte
paneel, en
2) hellingshoek ten hoogste 35°, en
2°. indien het paneel niet een geheel vormt met de
installatie voor het omzetten van de opgewekte elektriciteit:
die installatie in dat bouwwerk is geplaatst;
e. het bouwen van een antenne-installatie ten behoeve van
mobiele telecommunicatie, met inbegrip van een hekwerk ter
beveiliging van een zodanige antenne-installatie op of aan een
bouwwerk als bedoeld onder 2°, mits voldaan wordt aan de volgende
kenmerken:
1°. bij bouwen op of aan een bouwwerk:
a) de hoogte van de antenne, met antennedrager, gemeten
vanaf de voet, minder is dan 0,5 m,
b) de hoogte van de antenne, met antennedrager, gemeten
vanaf de voet, of indien bevestigd aan een gevel van een
gebouw, gemeten vanaf het punt waarop de antenne, met
antennedrager, het dakvlak kruist, minder is dan 5 m, en:
1) de antenne, met antennedrager, geplaatst is op een
hoogte van meer dan 9 m, gemeten vanaf het bij het bouwwerk
aansluitende terrein,
2) de bedrading in of direct langs de antennedrager of
inpandig is aangebracht, dan wel in een kabelgoot, mits deze
kabelgoot meer dan 1 m achter de voorgevel is geplaatst, en
3) de antennedrager bij plaatsing op het dak van een
gebouw:
– aan of bij een op het dak aanwezig object is geplaatst,
– in het midden van het dak is geplaatst, of
– elders op het dak is geplaatst, mits de afstand in m
tot de voorgevel van het bouwwerk ten minste gelijk is aan: 18
gedeeld door de hoogte waarop de antenne, met antennedrager,
is geplaatst, gemeten vanaf het bij het gebouw aansluitende
terrein tot aan de voet van de antenne, met antennedrager, of
2°. bij bouwen op of aan een hoogspanningsmast,
wegportaal, reclamezuil, lichtmast, windmolen, sirenemast, een
niet van een bouwwerk deel uitmakende schoorsteen, of op een
bouwvergunningplichtige antenne-installatie dan wel een
antenne-installatie ten behoeve van de C2000-infrastructuur
voor de mobiele communicatie door hulpverleningsdiensten:
a) de hoogte van de antenne, met antennedrager, gemeten
vanaf de voet minder is dan 5 m, en
b) de antenne is geplaatst op een hoogte van meer dan 3 m,
gemeten vanaf het bij het bouwwerk aansluitende terrein;
f. het bouwen van een andere antenne-installatie dan bedoeld in
onderdeel e van dit lid en in onderdeel c van het derde lid van
dit artikel, mits voldaan wordt aan de volgende kenmerken:
1°. de antenne-installatie achter het voorerf is
geplaatst,
2°. indien het een schotelantenne betreft:
a) de doorsnede van de antenne minder is dan 2 m, en
b) de hoogte van de antenne, met antennedrager, gemeten
vanaf de voet, minder is dan 3 m, of
3°. indien het een andere antenne betreft dan bedoeld
onder 2°: de hoogte van de antenne, met antennedrager,
gemeten vanaf de voet, of indien deze is bevestigd aan de
gevel, gemeten vanaf het punt waarop de antenne, met
antennedrager, het dakvlak kruist, minder is dan 5 m;
g. het bouwen van een container voor het inzamelen van
huishoudelijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1, eerste
lid, van de Wet milieubeheer, mits voldaan wordt aan de volgende
kenmerken:
1°. de hoogte van de container, gemeten vanaf het
aansluitend terrein, minder is dan 2 m, en
2°. indien de container bovengronds wordt geplaatst: de
bruto-oppervlakte minder is dan 4 m2;
h. het bouwen van een gebouw ten behoeve van een op het
openbaar net aangesloten nutsvoorziening, het meten van de
luchtkwaliteit, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer
of het wegverkeer, mits voldaan wordt aan de volgende kenmerken:
1°. de hoogte, gemeten vanaf het aansluitend terrein,
minder is dan 3 m, en
2°. de bruto-oppervlakte minder is dan 15 m2;
i. het bouwen van een rolhek, luik of rolluik bij andere
gebouwen dan woningen en woongebouwen, mits voldaan wordt aan de
volgende kenmerken:
1°. het rolhek, luik of rolluik aan de binnenzijde van de
uitwendige scheidingsconstructie is geplaatst, en
2°. voor ten minste 90% uit glasheldere doorkijkopeningen
bestaat;
j. het bouwen van een magazijnstelling die uitsluitend steunt
op een vloer van het gebouw waarin zij wordt geplaatst, mits
voldaan wordt aan de volgende kenmerken:
1°. de hoogte, gemeten vanaf de voet, meer is dan 3 m maar
minder dan 8,5 m, en
2°. de magazijnstelling niet is voorzien van een
verdiepingsvloer of loopbrug;
k. het aanbrengen van een verandering van niet-ingrijpende aard
aan een bestaand bouwwerk, mits voldaan wordt aan de volgende
kenmerken:
1°. de verandering geen betrekking heeft op de
draagconstructie van dat bouwwerk,
2°. de bebouwde oppervlakte niet wordt uitgebreid, en
3°. het bestaande niet-wederrechtelijke gebruik wordt
gehandhaafd.
2. Behoudens in gevallen als bedoeld in artikel 5 wordt als bouwen
van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid,
onderdeel c, van de wet voorts aangemerkt het bouwen van:
a. een speeltoestel, als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van
het Warenwetbesluit attractie en speeltoestellen, mits de hoogte,
gemeten vanaf de voet, minder is dan 3 m;
b. tuinmeubilair, mits de hoogte, gemeten vanaf de voet, minder
is dan 2 m.
3. Behoudens in gevallen als bedoeld in artikel 5, eerste lid,
wordt als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43,
eerste lid, onderdeel c, van de wet voorts aangemerkt het bouwen van:
a. a. bouwwerken, geen gebouw zijnde, op, over, onder of bij
een weg of railweg, dan wel in, onder of bij een water, voor zover
het betreft:
1º. bouwwerken ten behoeve van het weren van voorwerpen
die de verkeersveiligheid in gevaar kunnen brengen,
verkeersregeling, verkeersgeleiding, wegaanduiding, het
opladen van accu’s van voertuigen met een elektromotor als
hoofdmotor, verlichting of tolheffing,
2º. bovenleidingen met de bijbehorende draagconstructies
of seinpalen,
3º. elektriciteitskastjes of
centrale-antenne-inrichtingskastjes,
4º. ondergrondse buis- en leidingstelsels ten behoeve van
perceelsaansluitingen,
5º. andere naar aard en omvang met de onder 1°, 2°, 3°
of 4° genoemde bouwwerken vergelijkbare bouwwerken ten
behoeve van het openbaar vervoer, het verkeer, de
waterhuishouding, de drinkwatervoorziening, de riolering, de
energievoorziening of de telecommunicatie;
b. een antenne-installatie met bijbehorend opstelpunt ten
behoeve van de C2000-infrastructuur voor de mobiele communicatie
door hulpverleningsdiensten;
c. een elektronische sirene ten behoeve van het waarschuwen van
de bevolking bij calamiteiten of de dreiging daarvan, alsmede de
daarbij behorende bevestigingsconstructie;
d. straatmeubilair;
e. een zonwering, rolhek of rolluik bij woningen en
woongebouwen;
f. een afscheiding tussen balkons of dakterrassen.
Hoofdstuk III. Licht-bouwvergunningplichtig bouwen
Artikel 4
1.Een lichte bouwvergunning is vereist voor het bouwen, bedoeld in
artikel 2, indien dat plaatsvindt:
a. in, op, aan of bij een monument als bedoeld in de
Monumentenwet 1988 of een monument als bedoeld in een provinciale
of gemeentelijke monumentenverordening, of
b. in een beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in de
Monumentenwet 1988.
2.Een lichte bouwvergunning is voorts vereist voor het bouwen van
een in de aanhef van een geletterd onderdeel van artikel 2 bedoeld
bouwwerk dat niet voldoet aan de in dat onderdeel gegeven kenmerken,
met dien verstande dat:
a. van het bouwwerk, bedoeld in de aanhef van onderdeel a, de
hoogte, gemeten vanaf het aansluitend terrein, minder is dan 5 m;
b. van het bouwwerk, bedoeld in de aanhef van onderdeel b:
1°. de hoogte, gemeten vanaf het aansluitend terrein,
minder is dan 5 m, en
2°. de bruto-oppervlakte minder is dan 50 m2.
Artikel 5
1.Een lichte bouwvergunning is voorts vereist voor het bouwen,
bedoeld in artikel 3, indien dat plaatsvindt:
a. in, op, aan of bij een monument als bedoeld in de
Monumentenwet 1988 of een monument als bedoeld in een provinciale
of gemeentelijke monumentenverordening, of
b. in een beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in de
Monumentenwet 1988.
2.Een lichte bouwvergunning is voorts vereist voor het bouwen van
een in de aanhef van een geletterd onderdeel van artikel 3, eerste
lid, bedoeld bouwwerk dat niet voldoet aan de in dat onderdeel gegeven
kenmerken, met dien verstande dat:
a. van het bouwwerk, bedoeld in de aanhef van onderdeel b:
1°. de hoogte, gemeten vanaf het aansluitend terrein,
minder is dan 3 m, en
2°. de bruto-oppervlakte minder is dan 5 m2;
b. van de bouwwerken, bedoeld in de aanhef van de onderdelen e
en f, de hoogte, gemeten vanaf de voet van de antenne, of indien
de antenne is geplaatst op een antennedrager, gemeten vanaf de
voet van de antennedrager, minder is dan 40 m;
c. van het bouwwerk, bedoeld in de aanhef van onderdeel h:
1°. de hoogte, gemeten vanaf het aansluitend terrein,
minder is dan 5 m, en
2°. de bruto-oppervlakte minder is dan 50 m2.
3.Een lichte bouwvergunning is voorts vereist voor het bouwen van
een in artikel 3, tweede lid, bedoeld bouwwerk dat hoger is dan in dat
lid is aangegeven, met dien verstande dat de hoogte, gemeten vanaf het
aansluitend terrein, minder is dan 5 m.
Artikel 6
Een lichte bouwvergunning is voorts vereist voor het bouwen:
a. van een balkon, mits de bruto-oppervlakte minder is dan 2 m2;
b. van een vloerafscheiding op een balkon of dakterras;
c. van een zonwering bij andere gebouwen dan woningen en
woongebouwen;
d. van een op de grond staande reclamezuil.
Hoofdstuk IIIA [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 6a [Vervallen per 01-01-2003]
Hoofdstuk IV. Welstandscriteria
Artikel 7
Criteria als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de wet ten
aanzien van het bouwen, bedoeld in artikel 4, beschrijven de welstand
uitputtend en hebben uitsluitend betrekking op de plaatsing, de vorm, de
maatvoering, het materiaalgebruik en de kleur.
Hoofdstuk V. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2003]
Artikel 9
Artikel 40, eerste lid, van de wet blijft buiten toepassing ten
aanzien van het bouwen waarmee reeds was aangevangen voor de
inwerkingtreding van de artikelen 2, 3, 4, 5 en 6 van dit besluit,
indien op het tijdstip waarmee met dat bouwen is begonnen, geen
bouwvergunning was vereist.
Artikel 10 [Vervallen per 01-05-2008]
Artikel 11
[Wijzigt dit besluit.]
Artikel 12
Het Besluit meldingplichtige bouwwerken wordt ingetrokken.
Artikel 13
1.De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende
artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
2.Artikel 8 vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip.
Artikel 14
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bouwvergunningsvrije en
licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken.
Lasten en bevelen dat dit
besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad
zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 13 juli 2002
BEATRIX
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer,
J.W. Remkes
Uitgegeven de achtste augustus 2002
De Minister van Justitie a.i.,
J.P. Balkenende
|
|
|