| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Woningwet
BESLUIT
CENTRAAL FONDS VOOR DE VOLKSHUISVESTING
Tekst zoals deze geldt op
21 juli 2008
Verwijderd
uit ons regelingenbestand
|
|
|
BESLUIT van 17 oktober 1988 tot vaststelling van een
algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 59, vijfde lid, van de
Woningwet
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer van 22 juli 1988, no. MJZ 2278002), Centrale
Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op artikel 59, vijfde lid, van de
Woningwet (Stb. 1964, 222).
Gezien het advies van de Raad voor de
Gemeentefinanciėn van 7 juni 1988, nr. 24058 RGF 175/14;
Gehoord de Raad voor de Volkshuisvesting
(advies van 11 juli 1988, nr. 151/U/10);
De Raad van State gehoord (advies van 10
oktober 1988, nr. W08.880421);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer van 14 oktober 1988, nr. MJZ 1408038, Centrale Directie
Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. weerstandsvermogen: eigen vermogen van een toegelaten
instelling, verhoogd met de egalisatierekening en de voorzieningen,
en verminderd met immateriėle vaste activa en
herwaarderingsreserve;
b. woongelegenheid: zelfstandige woning, wooneenheid, standplaats
en woonwagen.
§ 2. Verstrekking door het fonds van subsidie ter tegemoetkoming in
de kosten van werkzaamheden van toegelaten instellingen
Artikel 2
Het fonds verstrekt op hun aanvraag aan toegelaten instellingen
subsidie ter tegemoetkoming in de kosten van werkzaamheden welke door
die toegelaten instellingen in het belang van de volkshuisvesting worden
uitgevoerd.
Artikel 3
De subsidie, bedoeld in artikel 2, wordt slechts verstrekt, indien de
in artikel 2 bedoelde werkzaamheden zonder die subsidie niet zouden
kunnen worden uitgevoerd.
Artikel 3a [Vervallen per 05-11-2001]
§ 3. Toezicht van het fonds op toegelaten instellingen
Artikel 4
1. Het fonds stelt jaarlijks op:
a. overzichten van de financiėle situatie van de afzonderlijke
toegelaten instellingen, waarin in elk geval wordt aangegeven of naar
het oordeel van het fonds de financiėle situatie van een toegelaten
instelling zodanig is, dat zij niet slaagt in het op een voor haar in
het bijzonder aangewezen wijze, anders dan het aanvragen van subsidie
bij het fonds, aantrekken van de noodzakelijke financiėle middelen,
en
b. een overzicht van de financiėle situatie van de toegelaten
instellingen gezamenlijk.
2. Ten behoeve van het opstellen van de overzichten, bedoeld in
het eerste lid, kan het fonds aan de toegelaten instellingen
inlichtingen vragen en van hen inzage vorderen van zakelijke gegevens en
bescheiden.
3. Het fonds doet:
a. jaarlijks voor 1 november de in het eerste lid, onderdeel a,
bedoelde overzichten aan Onze Minister toekomen en
b. jaarlijks voor 1 december het in het eerste lid, onderdeel b,
bedoelde overzicht aan Onze Minister toekomen, vergezeld van een
oordeel over de in dat overzicht geschetste financiėle situatie van
de toegelaten instellingen gezamenlijk.
Artikel 5
1. Ten behoeve van het toezicht verstrekt de toegelaten
instelling, naast de bescheiden, bedoeld in artikel 30 van het Besluit
beheer sociale-huursector, jaarlijks voor 1 juli aan het fonds de
gegevens, bedoeld in bijlage IV bij dat besluit, alsmede de
mededeling, bedoeld in het tweede lid.
2. De toegelaten instelling verzoekt aan een daartoe als openbaar
optredende accountant als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van het
Besluit beheer sociale-huursector, of aan een organisatie waarin
zodanige accountants samenwerken, om overeenkomstig bijlage III bij dat
besluit een mededeling op te stellen omtrent de gegevens, bedoeld in het
eerste lid.
3. Het fonds bevestigt binnen vier weken de ontvangst van de
krachtens het eerste lid gezonden bescheiden.
4. Indien een toegelaten instelling de bescheiden op 1 juli van
een jaar niet aan het fonds heeft doen toekomen, stelt het fonds
onverwijld een termijn van ten hoogste vier weken binnen welke de
bescheiden alsnog moeten worden verstrekt en doet daarvan mededeling aan
die toegelaten instelling.
5. Indien de toegelaten instelling de bescheiden niet binnen de
krachtens het vierde lid gestelde termijn verstrekt, kan het fonds
bepalen, dat zij, totdat zij de bescheiden alsnog verstrekt, de door het
fonds aangegeven rechtshandelingen slechts kan verrichten na zijn
instemming.
Artikel 5a [Vervallen per 05-11-2001]
§ 4. De inhoud van de door het fonds op te stellen beleidsregels
Artikel 6
1. In de beleidsregels, bedoeld in
artikel 71b, eerste lid, van de Woningwet, wordt met betrekking tot de
subsidie, bedoeld in artikel 71a, eerste lid, onderdeel a, van die wet,
bepaald:
a. dat een aanvraag voor subsidie bij het fonds wordt ingediend;
b. welke gegevens door de aanvragende toegelaten instelling aan het
fonds moeten worden overgelegd, en dat tot die gegevens in elk geval
een plan voor de sanering van de toegelaten instelling dan wel een
plan met betrekking tot de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2,
behoort, dat door die toegelaten instelling is voorgelegd aan het
college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar zij haar
woonplaats heeft en aan de huurders van haar woongelegenheden,
teneinde hen in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te
spreken;
c. binnen welke termijn de gegevens, bedoeld in onderdeel b, aan
het fonds moeten worden verstrekt, en dat het fonds, indien de
toegelaten instelling die gegevens niet binnen die termijn verstrekt,
kan bepalen dat zij, totdat zij de gegevens alsnog verstrekt, de door
het fonds aangegeven rechtshandelingen slechts kan verrichten na zijn
instemming;
d. onder welke verplichtingen of voorschriften het fonds de
subsidie verstrekt, waartoe verplichtingen kunnen behoren met
betrekking tot de wijze waarop de toegelaten instelling uitvoering
geeft aan artikel 21, eerste lid, van het Besluit beheer
sociale-huursector, en
e. aan de hand van welke criteria ten aanzien van de
vermogenspositie van een toegelaten instelling wordt beoordeeld of die
instelling voor de subsidie in aanmerking komt.
2. In de beleidsregels komt tot uitdrukking dat, indien door Onze
Minister een aanwijzing is gegeven met toepassing van artikel 41, eerste
lid, van het Besluit beheer sociale-huursector, het fonds bij de
verstrekking van subsidie als bedoeld in artikel 71a, eerste lid,
onderdeel a, van de Woningwet tevens die aanwijzing in acht neemt.
Artikel 7
De beleidsregels bevatten voorts:
a. de criteria die het fonds hanteert bij het opstellen van de
overzichten, bedoeld in artikel 4, eerste lid;
b. de wijze waarop het fonds toepassing geeft aan de artikelen 5,
eerste en vijfde lid, en 12, tweede lid, aan de ingevolge artikel 6,
eerste lid, onderdeel c, gestelde beleidsregels en aan artikel 31,
derde lid, van het Besluit beheer sociale-huursector;
c. de criteria aan de hand waarvan het fonds bepaalt of en voor
hoelang het over voldoende financiėle middelen beschikt om
uitvoering te geven aan artikel 71a, eerste lid, van de Woningwet en
d. de termijn waarbinnen de hoogte van de bijdrage, bedoeld in
artikel 71e, tweede lid, van de Woningwet, door het fonds moet zijn
bepaald, de termijn waarbinnen de hoogte van die bijdrage door het
fonds aan de toegelaten instellingen moet zijn bekendgemaakt, en de
termijn vanaf het tijdstip van bekendmaking waarbinnen die bijdrage
door de toegelaten instellingen aan het fonds moet zijn betaald, met
dien verstande dat de hoogte van het totaal aan bijdragen op
hetzelfde tijdstip moet zijn bepaald als waarop de begroting,
bedoeld in artikel 71f, eerste lid, van de Woningwet, is
vastgesteld.
Artikel 8
De beleidsregels, bedoeld in artikel 71b, eerste lid, van de
Woningwet, worden door het fonds bekendgemaakt in de Staatscourant.
§ 5. De bijdrage van toegelaten instellingen aan het fonds
Artikel 9
1. De bijdrage, bedoeld in artikel 71e, tweede lid, van de
Woningwet, bestaat uit:
a. een bedrag ten behoeve van het door het fonds verstrekken van
subsidie ter bevordering van de sanering van toegelaten instellingen,
en
b. een bedrag ten behoeve van het verstrekken van subsidie als
bedoeld in artikel 2.
2. Ten behoeve van de bepaling van de hoogte van het bedrag,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, stelt het fonds vast:
a. een bedrag per zelfstandige woning, en
b. een bedrag per andere woongelegenheid, dat lager is dan het
bedrag, bedoeld in onderdeel a.
3. Het fonds bepaalt de hoogte van het bedrag, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel a, door:
a. per categorie woongelegenheden als bedoeld in het tweede lid met
elkaar te vermenigvuldigen:
1°. het aantal woongelegenheden in die categorie dat de
toegelaten instelling op 31 december van het jaar voorafgaand aan
het jaar waarover de bijdrage verschuldigd is in eigendom of in
beheer had volgens de vermelding daarvan in aanhangsel D van bijlage
II bij het Besluit beheer sociale-huursector, en
2°. het betrokken in het tweede lid, onderdeel a of b, bedoelde
bedrag, en
b. de aldus verkregen bedragen bij elkaar op te tellen.
4. Ten behoeve van de bepaling van de hoogte van het bedrag,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, stelt het fonds vast:
a. indien het weerstandsvermogen van een toegelaten instelling 20
procent of meer van het balanstotaal in het jaar voorafgaand aan het
bijdragejaar bedraagt: een bedrag per woongelegenheid, dan wel
b. indien het weerstandsvermogen van een toegelaten instelling
minder dan 20 procent van het balanstotaal in het jaar voorafgaand aan
het bijdragejaar bedraagt: een bedrag per woongelegenheid, dat lager
is dan het bedrag, bedoeld in onderdeel a.
5. Het fonds bepaalt de hoogte van het bedrag, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel b, door met elkaar te vermenigvuldigen:
a. het aantal woongelegenheden dat de toegelaten instelling op 31 december
van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bijdrage verschuldigd
is in eigendom of in beheer had volgens de vermelding daarvan in
aanhangsel D van bijlage II bij het Besluit beheer sociale-huursector,
en
b. het betrokken in het vierde lid, onderdeel a of b, bedoelde
bedrag.
6. Het fonds bepaalt de hoogte van de bijdrage, bedoeld in
artikel 71e, tweede lid, van de Woningwet, door de bedragen, verkregen
volgens het derde en vijfde lid, bij elkaar op te tellen.
7. Het percentage, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a en b,
kan bij ministeriėle regeling worden gewijzigd.
Artikel 10
1. Het fonds bepaalt de hoogte van de bijdrage, bedoeld in
artikel 71e, tweede lid, van de Woningwet, zodanig, dat het voor ten
minste het kalenderjaar waarover deze verschuldigd is over voldoende
financiėle middelen beschikt om uitvoering te geven aan artikel 71a,
eerste lid, van die wet, met dien verstande dat zowel het bedrag,
verkregen volgens artikel 9, derde lid, als het bedrag, verkregen
volgens artikel 9, vijfde lid, niet meer is dan 1 procent van de
gerealiseerde jaarhuuropbrengst van de woongelegenheden, bedoeld in
bijlage II, aanhangsel D, rubriek 3, bij het Besluit beheer
sociale-huursector, als volgens genoemde rubriek voor de
bijdrageplichtige toegelaten instellingen gezamenlijk bepaald over het
jaar voorafgaand aan het jaar waarover de bijdrage verschuldigd is.
2. Het fonds bepaalt de hoogte van de bijdrage aan de hand van de
ingevolge artikel 30 van het Besluit beheer sociale-huursector aan het
fonds gezonden bescheiden. Het kan in plaats daarvan de hoogte van de
bijdrage door schatting bepalen, uitsluitend indien het toepassing heeft
gegeven aan artikel 5, vierde lid, of aan artikel 31, tweede lid, van
het Besluit beheer sociale-huursector en de betrokken toegelaten
instelling de ontbrekende bescheiden niet binnen de krachtens het
betrokken artikellid gestelde termijn heeft verstrekt. Het fonds kan aan
de betrokken toegelaten instelling administratiekosten in rekening
brengen die verbonden zijn aan het door schatting bepalen van de hoogte
van de bijdrage.
Artikel 11
Bij niet volledige betaling van de bijdrage, bedoeld in artikel 71e,
tweede lid, van de Woningwet, op de uiterste betalingsdatum is de
betrokken toegelaten instelling aan het fonds de wettelijke rente,
bedoeld in artikel 120 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek,
verschuldigd, berekend vanaf die datum tot de dag van volledige betaling
en berekend over die bijdrage of het niet betaalde gedeelte daarvan.
Artikel 12
1. Het fonds kan op verzoek van een toegelaten instelling de op
grond van artikel 71e, tweede lid, van de Woningwet door die
instelling verschuldigde bijdrage kwijtschelden, indien naar het
oordeel van het fonds betaling van die bijdrage in aanmerkelijke mate
afbreuk zou doen aan de uitoefening van de taken van het fonds,
bedoeld in artikel 71a, eerste lid, van die wet.
2. Het fonds kan op verzoek van een toegelaten instelling het
gedeelte van de op grond van artikel 71e, tweede lid, van de Woningwet
door die instelling verschuldigde bijdrage, bedoeld in artikel 9, eerste
lid, onderdeel b, kwijtschelden, indien naar het oordeel van het fonds
de betrokken toegelaten instelling aannemelijk heeft gemaakt dat zij in
aanzienlijke mate heeft bijgedragen aan werkzaamheden op het gebied van
de volkshuisvesting die door andere toegelaten instellingen worden
verricht, of dat zij in aanzienlijke mate werkzaamheden op het gebied
van de volkshuisvesting ten behoeve van andere toegelaten instellingen
heeft verricht.
3. Aan een beschikking op een verzoek als bedoeld in het eerste
of tweede lid kan het fonds voorschriften verbinden met betrekking tot
de wijze waarop de toegelaten instelling uitvoering geeft aan artikel
21, eerste lid, van het Besluit beheer sociale-huursector.
4. Indien bij een beschikking op een verzoek als bedoeld in het
eerste of tweede lid dat verzoek wordt ingewilligd, betaalt het fonds
een als gevolg van die beschikking onverschuldigd betaald bedrag terug
aan de betrokken toegelaten instelling. Tevens wordt rente over dat
bedrag betaald, berekend vanaf de datum van de onverschuldigde betaling
tot de datum van terugbetaling, bedoeld in de eerste volzin, van welke
rente het percentage gelijk is aan dat van de depositorente die de
Europese Centrale Bank vaststelt, vermeerderd met 1,25.
Artikel 12a [Vervallen per 05-11-2001]
Artikel 12b [Vervallen per 05-11-2001]
Artikel 12c [Vervallen per 05-11-2001]
§ 6. Slotbepaling
Artikel 13
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Centraal Fonds voor de
Volkshuisvesting.
Artikel 14 [Vervallen per 05-11-2001]
Artikel 15 [Vervallen per 05-11-2001]
Artikel 16 [Vervallen per 05-11-2001]
Artikel 17 [Vervallen per 05-11-2001]
Artikel 18 [Vervallen per 05-11-2001]
Artikel 19 [Vervallen per 05-11-2001]
Artikel 19a [Vervallen per 05-11-2001]
Artikel 19b [Vervallen per 05-11-2001]
Artikel 20 [Vervallen per 05-11-2001]
Artikel 21 [Vervallen per 05-11-2001]
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer.
's-Gravenhage, 17 oktober 1988
BEATRIX
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer,
E. Heerma
Uitgegeven de vijfentwintigste oktober 1988
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
|
|
|