|
BESLUIT van 13 juli 2002, houdende indieningsvereisten
voor aanvragen om bouwvergunning en voorschriften omtrent het opnemen
van gegevens in het openbaar bouwregister (Besluit
indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer van 18 februari 2002, nr. MJZ2002012758,
Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op de artikelen 40a en 57, tweede
en derde lid, van de Woningwet;
De Raad van State gehoord (advies van 27 mei
2002, nr. W08.02.0091/V);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer van 12 juli 2002, nr. MJZ2002056918, Centrale Directie
Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
bijlage: bij dit besluit behorende bijlage;
wet: Woningwet.
Artikel 2
1.Een aanvraag om bouwvergunning wordt schriftelijk ingediend bij
burgemeester en wethouders van de gemeente waarin het bouwwerk of de
standplaats geheel of in hoofdzaak is of zal zijn gelegen.
2.Een aanvraag wordt gedaan op het bij ministeriële regeling
voorgeschreven formulier dat door burgemeester en wethouders op zijn
verzoek aan de aanvrager ter beschikking wordt gesteld.
3.Het aanvraagformulier en de daarbij ingevolge dit besluit te
verstrekken gegevens en bescheiden worden ingediend in een door
burgemeester en wethouders te bepalen veelvoud dat ten hoogste zes
bedraagt.
Artikel 3
Indien gegevens en bescheiden langs elektronische weg worden
verstrekt, voldoet de aanvrager daarbij aan de eisen van paragraaf 2.4
van hoofdstuk 2 van de bijlage.
Artikel 4
1.Voorzover die gegevens en bescheiden naar het oordeel van
burgemeester en wethouders nodig zijn om aannemelijk te maken dat het
desbetreffende bouwen voldoet aan de bij of krachtens de wet voor dat
bouwen geldende eisen, verstrekt de aanvrager bij een aanvraag:
a. om een reguliere bouwvergunning: de gegevens en bescheiden,
bedoeld in de paragrafen 1.1 en 1.2 van hoofdstuk 1 van de
bijlage;
b. om een reguliere bouwvergunning die overeenkomstig artikel
56a, eerste lid, van de wet in twee fasen wordt verleend: bij de
aanvraag om bouwvergunning eerste fase de gegevens en bescheiden,
bedoeld in de paragrafen 1.1 en 1.3.1 van hoofdstuk 1 van de
bijlage, en bij de aanvraag om bouwvergunning tweede fase de
gegevens en bescheiden, bedoeld in de paragrafen 1.1 en 1.3.2 van
hoofdstuk 1 van de bijlage;
c. om een lichte bouwvergunning: de gegevens en bescheiden,
bedoeld in de paragrafen 1.1 en 1.4 van hoofdstuk 1 van de
bijlage.
2.In afwijking van het eerste lid behoeft de aanvrager de gegevens
en bescheiden, bedoeld in paragraaf 1.5, onderdeel 1, van hoofdstuk 1
van de bijlage, eerst uiterlijk drie weken voor de aanvang van de
desbetreffende bouwwerkzaamheden te verstrekken. Wanneer de aanvrager
daaraan toepassing geeft, geven burgemeester en wethouders in de
bouwvergunning aan welke gegevens en bescheiden het betreft.
3.Indien de aard van het bouwplan naar hun oordeel daartoe
aanleiding geeft, kunnen burgemeester en wethouders, in afwijking van
het eerste lid, bepalen dat de gegevens en bescheiden, genoemd in
paragraaf 1.5, onderdeel 2, van hoofdstuk 1 van de bijlage, door de
aanvrager eerst uiterlijk drie weken voor de aanvang van de
desbetreffende bouwwerkzaamheden behoeven te worden verstrekt. In dat
geval geven zij in de bouwvergunning aan welke gegevens en bescheiden
het betreft.
4.De gegevens en bescheiden worden verstrekt op de wijze als
aangegeven in hoofdstuk 2 van de bijlage.
Artikel 5
1.De andere gegevens, bedoeld in artikel 57, tweede lid, van de
wet, zijn:
a. de datum waarop de aanvraag om bouwvergunning is ontvangen;
b. de datum waarop de bouwvergunning is verleend;
c. het nummer van de bouwvergunning;
d. de plaats van het bouwwerk en de daarop betrekking hebbende
kadastrale gegevens;
e. de aard van de bouwwerkzaamheden.
2.Aantekening van de desbetreffende in het eerste lid bedoelde
gegevens vindt plaats binnen twee dagen na de dag waarop:
a. de aanvraag om bouwvergunning is ontvangen of
b. de bouwvergunning is verleend.
3.Wijzigingen van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden zo
spoedig mogelijk aangetekend.
Artikel 6
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 7
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit indieningsvereisten
aanvraag bouwvergunning.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in
het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 13 juli 2002
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
J.W. Remkes
Uitgegeven de achtste augustus
2002
De Minister van Justitie a.i.,
J.P. Balkenende
Bijlage, behorende bij het besluit
indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning
Hoofdstuk 0. Begripsbepaling
1. In deze bijlage wordt verstaan
onder:
|
– Agrarische Adviescommissie: |
adviescommissie, ook wel genoemd
Agrarische Adviescommissie Bouw- en Aanlegvergunningen of
Adviescommissie agrarische bouwaanvragen, die advies uitbrengt aan
burgemeester en wethouders bij aanvragen om bouwvergunning in
gebieden met een agrarische bestemming. Het advies van de
commissie heeft betrekking op de noodzaak van het bouwen en de
volwaardigheid en continuïteit van het aanwezige agrarische
bedrijf; |
|
– Bruto-inhoud: |
bruto-inhoud als bedoeld in NEN
2580; |
|
– Bruto-vloer- oppervlakte: |
bruto-vloeroppervlakte als bedoeld
in NEN 2580; |
|
– Detailtekening: |
getekende uitwerking die een
ondubbelzinnige aanduiding geeft van een groep van gelijksoortige
constructie-onderdelen in hun vorm, afmetingen, materiaalgebruik
en overige gestelde eisen en waarvan de plaats eenduidig vastligt; |
|
– EPC: |
energieprestatiecoëfficiënt als
bedoeld in artikel 1.1, tweede lid, van het Bouwbesluit 2003; |
|
– Gebruiksopper- vlakte: |
gebruiksoppervlakte (GO) als
bedoeld in artikel 1.1, tweede lid, van het Bouwbesluit 2003; |
|
– ISO: |
een door de International
Organization for Standardization opgestelde norm; |
|
– NEN: |
een door de Stichting Nederlands
Normalisatie-instituut uitgegeven Nederlandse norm; |
|
– NVN: |
een door de Stichting Nederlands
Normalisatie-instituut uitgegeven Nederlandse voornorm; |
|
– SI-eenheden: |
eenheden volgens de internationale
SI-standaard (Système International); |
|
– NPR: |
een door de Stichting Nederlands
Normalisatie-instituut uitgegeven Nederlandse Praktijkrichtlijn. |
2. In bijlage I bij de Regeling
Bouwbesluit 2003 is bepaald welke uitgave van de in deze bijlage
aangewezen normen van toepassing is.
Hoofdstuk 1. Bij een aanvraag om
bouwvergunning aan te leveren gegevens en bescheiden
§ 1.1. Algemene gegevens en bescheiden
a. Naam, burgerservicenummer als
bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen
burgerservicenummer en correspondentieadres in Nederland van de
aanvrager;
b. Naam en adres van een eventuele
gemachtigde, inclusief een door de aanvrager ondertekende machtiging;
c. Aard van de bouwwerkzaamheden;
d. Lokale en kadastrale aanduiding van
de plaats van het bouwwerk;
e. Een opgave van de aannemingssom –
als bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, van de Uniforme
Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken (UAV 1989)
– van het uit te voeren werk dan wel, voorzover deze ontbreekt, een
raming van de bouwkosten als bedoeld in het normblad NEN 2631;
f. Langs elektronische weg ingediende
gegevens en bescheiden moeten vergezeld zijn van een schriftelijke,
ondertekende verklaring van de aanvrager met daarin:
1. de naam van elk van de
bestanden;
2. een beschrijving van de inhoud
van elk van de bestanden;
3. aanduiding van de gebruikte
bestandtypen (formats);
4. het aantal bytes geheugenruimte
dat ieder bestand beslaat;
5. de datum van elk van de
bestanden.
§ 1.2. Gegevens en bescheiden bij een
aanvraag om reguliere bouwvergunning
§ 1.2.1a. Gegevens en bescheiden ten
behoeve van toetsing aan bestemmingsplanvoorschriften inzake
archeologische monumentenzorg
Een rapport waarin de archeologische
waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord
naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is
vastgesteld, indien een dergelijk rapport in het bestemmingsplan is
voorgeschreven.
§ 1.2.1b. Gegevens en bescheiden ten
behoeve van toetsing aan voorschriften krachtens de Wet ruimtelijke
ordening
a. Plattegronden van alle verdiepingen
en een doorsnedetekening voor de nieuwe situatie en, indien van
toepassing, de bestaande situatie;
b. Aanduiding bestemming of
bestemmingen van op de aanvraag betrekking hebbende ruimten en
gebouwen, alsmede de totale oppervlakte per bestemming;
c. Het beoogde en, indien van
toepassing, het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende
terreinen waarop de aanvraag betrekking heeft;
d. Opgave bruto-inhoud in m3 en
bruto-vloeroppervlakte in m2 van het (deel van het) bouwwerk waarop de
aanvraag betrekking heeft;
e. Afmetingen perceel en bebouwd
oppervlak, alsmede situering van het bouwwerk ten opzichte van de
perceelsgrenzen;
f. Hoogte van het bouwwerk ten opzichte
van het straatpeil en het aantal bouwlagen;
g. De inrichting van
parkeervoorzieningen op het eigen terrein;
h. Gegevens en bescheiden welke
samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische
Adviescommissie in geval van een aanvraag om bouwvergunning voor een
bouwwerk in een gebied met een agrarische bestemming;
i. Overige gegevens en bescheiden welke
samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan een
bestemmingsplan, projectbesluit of besluit als bedoeld in artikel
3.40, 3.41 of 3.42 van de Wet ruimtelijke ordening;
j. Gegevens en bescheiden welke
samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan een
exploitatieplan.
§ 1.2.2. Gegevens en bescheiden ten
behoeve van toetsing aan welstandscriteria
a. Tekeningen van alle gevels van het
bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing;
b. Detailtekeningen van
gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
c. Foto's van de bestaande situatie en
de omliggende bebouwing;
d. Opgave materiaal- en kleurgebruik
van toe te passen bouwmaterialen (uitwendige scheidingsconstructie).
§ 1.2.3. Gegevens en bescheiden ten
behoeve van toetsing aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2003 met
betrekking tot constructieve veiligheid
1. Gegevens en bescheiden waaruit
blijkt dat het bouwwerk voldoet aan de gestelde eisen in relatie tot:
a. Belastingen en
belastingcombinaties (sterkte en stabiliteit) van alle (te
wijzigen) constructieve delen van het bouwwerk, alsmede van het
bouwwerk als geheel;
b. De uiterste grenstoestand van de
bouwconstructie en onderdelen van de bouwconstructie.
2. Kwaliteitsverklaringen en
CE-markeringen als bedoeld in paragraaf 1.4 van het Bouwbesluit 2003
en gegevens en bescheiden ten behoeve van een beroep op de
gelijkwaardigheid, bedoeld in artikel 1.5 van het Bouwbesluit 2003.
§ 1.2.4. Gegevens en bescheiden ten
behoeve van toetsing aan overige voorschriften van het Bouwbesluit 2003
1. Gegevens en bescheiden waaruit
blijkt dat het bouwwerk voldoet aan de gestelde eisen in relatie tot:
a. De EPC, thermische eigenschappen
van de toegepaste uitwendige scheidingsconstructie en de beperking
van de luchtdoorlatendheid, bedoeld in hoofdstuk 5 van het
Bouwbesluit 2003;
b. De karakteristieke geluidwering
van de uitwendige scheidingsconstructie, de geluidsabsorptie van
gemeenschappelijke verkeersruimten, gangen en trappenhuizen
ingeval het bouwwerk een woonfunctie heeft en de geluidwering
tussen niet-gemeenschappelijke verblijfsruimten van dezelfde
gebruiksfunctie;
c. De daglichttoetreding;
d. De ventilatievoorzieningen van
ruimten, voorzieningen betreffende de afvoer van
verbrandingsgassen en aanvoer van verbrandingslucht;
e. De brandveiligheid en
rookproductie van toegepaste materialen;
f. De brand- en
rookcompartimentering;
g. De vluchtroutes alsmede de aard
en plaats van brandveiligheidsvoorzieningen;
h. De noodstroomvoorziening en
-verlichting;
i. De wateropname van toegepaste
materialen van vloer, wand en plafond in sanitaire ruimten;
j. De lucht- en waterdichtheid en
vochtwerende voorzieningen van inwendige en uitwendige
scheidingsconstructies;
k. Het leidingplan en
aansluitpunten van riolering en hemelwaterafvoeren;
l. Het leidingplan en
aansluitpunten van gas-, elektra- en waterleiding;
m. Aansluitpunten van drinkwater-
en warmwatervoorziening;
n. De inbraakwerendheid, bedoeld in
afdeling 2.25 van het Bouwbesluit 2003, van bereikbare
gevelelementen;
o. Het weren van ratten en muizen;
p. Aanduiding gebruiksfunctie,
afmetingen en bezettingsgraad van alle ruimten inclusief totaal
oppervlakten per gebruiksfunctie;
q. Indien het bouwwerk een
woongebouw betreft: de ruimte waar de huishoudelijke afvalstoffen,
bedoeld in afdeling 4.10 van het Bouwbesluit 2003, worden
opgeslagen;
r. Indien het bouwwerk een
utiliteitsgebouw betreft: de ruimte waar gewerkt wordt met
brandbare, brandbevorderende, bij brand gevaar opleverende of voor
de gezondheid gevaarlijke stoffen als genoemd in de Regeling
Bouwbesluit 2003, of waar deze stoffen worden opgeslagen;
s. Indien het bouwwerk een
utiliteitsgebouw betreft: de stallingsruimte voor fietsen;
t. De integrale toegankelijkheid
van het bouwwerk en in het bouwwerk gelegen ruimten;
u. De detaillering van trappen,
hellingbanen en vloerafscheidingen (inclusief hekwerken);
v. De aanduiding van de
opstelplaats aanrecht, kooktoestel, stooktoestellen en
warmwatertoestellen;
w. De aanduiding bad- en
toiletruimte, meterruimte en liften en liftschachten;
x. De aanduiding vloerpeilen ten
opzichte van het aansluitende terrein;
y. De draairichting van beweegbare
constructieonderdelen.
2. Kwaliteitsverklaringen en
CE-markeringen als bedoeld in paragraaf 1.4 van het Bouwbesluit 2003
en gegevens en bescheiden ten behoeve van een beroep op de
gelijkwaardigheid, bedoeld in artikel 1.5 van het Bouwbesluit 2003.
§ 1.2.5. Gegevens en bescheiden ten
behoeve van toetsing aan overige voorschriften bouwverordening
a. Bouwveiligheidsplan en
toegankelijkheid van de bouwplaats;
b. Gegevens betreffende de aard en
plaats van brandveiligheidinstallaties alsmede van de
vluchtrouteaanduiding en;
c. Een tekening van de inrichting van
het bij het bouwwerk behorende terrein met daarop aangegeven de
voorzieningen voor de bereikbaarheid en de plaats van
bluswatervoorzieningen en opstelplaatsen van brandweervoertuigen;
d. Een afschrift van de sloopvergunning
dan wel een bewijs van aanvraag van een sloopvergunning;
e. Een onderzoeksrapport betreffende de
bodemgesteldheid dat is gebaseerd op onderzoek uitgevoerd door een
persoon of een instelling die daartoe op grond van het Besluit
bodemkwaliteit is erkend.
§ 1.2.6. Gegevens en bescheiden ten
behoeve van toetsing aan de Woningwet
a. Een afschrift van de vergunning dan
wel een bewijs van aanvraag van een vergunning krachtens artikel 8.1,
eerste lid, van de Wet milieubeheer of artikel 15, onderdeel b, van de
Kernenergiewet (Woningwet artikel 52, eerste lid);
b. Een afschrift van de toelating als
bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet toelating
zorginstellingen dan wel een bewijs van aanvraag daarvan (Woningwet
artikel 53);
c. Een afschrift van de vergunning dan
wel een bewijs van aanvraag van een vergunning inzake de Monumentenwet
1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening
(Woningwet artikel 44, eerste lid, onderdeel e);
d. Eventuele extra gegevens en
bescheiden welke samenhangen met experimentele bouw als bedoeld in
artikel 7 en 7a van de Woningwet;
e. Gegevens en bescheiden samenhangend
met een eventueel benodigde ontheffing of benodigd projectbesluit
krachtens de Wet ruimtelijke ordening dan wel met een eventueel
benodigd besluit als bedoeld in artikel 3.40, 3.41 of 3.42 van die
wet;
f. Het advies van de Commissie voor de
tunnelveiligheid, bedoeld in artikel 44a, eerste lid, onder b, van de
Woningwet;
g. Gegevens en bescheiden waaruit
blijkt dat toestemming als bedoeld in artikel 14 van de Richtlijn nr.
2004/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
van 29 april 2004 inzake minimumveiligheidseisen voor tunnels in het
trans-Europese wegennet (PbEU L 167, gerectificeerd in PbEU L 201) is
verkregen om van eisen van die richtlijn af te wijken.
§ 1.3. Gegevens en bescheiden bij een
aanvraag om reguliere bouwvergunning, die in twee fasen wordt verleend
§ 1.3.1. Gegevens en bescheiden bij
aanvraag om reguliere bouwvergunning, eerste fase
a. De gegevens en bescheiden, genoemd
in paragraaf 1.2.1a en 1.2.1b;
b. De gegevens en bescheiden, genoemd
in paragraaf 1.2.2;
c. De gegevens en bescheiden, genoemd
in paragraaf 1.2.6, onderdelen c en e;
d. De gegevens en bescheiden, genoemd
in paragraaf 1.2.6, onderdeel f, voor zover die betrekking hebben op
de ruimtelijke aspecten van het bouwplan.
§ 1.3.2. Gegevens en bescheiden bij
aanvraag om reguliere bouwvergunning, tweede fase
De gegevens en bescheiden, genoemd in
paragraaf 1.2, met uitzondering van de ten behoeve van de bouwvergunning
eerste fase aangeleverde gegevens.
§ 1.4. Gegevens en bescheiden bij een
aanvraag om lichte bouwvergunning
a. De gegevens en bescheiden, genoemd
in paragraaf 1.2.1b, onderdelen a tot en met i;
b. De gegevens en bescheiden, genoemd
in paragraaf 1.2.2;
c. De gegevens en bescheiden, genoemd
in paragraaf 1.2.3;
d. De gegevens en bescheiden, genoemd
in paragraaf 1.2.6.
§ 1.5. Op een later tijdstip aan te
leveren gegevens en bescheiden
1.
a. Gegevens en bescheiden met
betrekking tot belastingen en belastingcombinaties (sterkte en
stabiliteit) en de uiterste grenstoestand van alle (te wijzigen)
constructieve delen van het bouwwerk alsmede van het bouwwerk als
geheel, voorzover het niet de hoofdlijn van de constructie dan wel
het constructieprincipe betreft.
b. Gegevens en bescheiden met
betrekking tot de details van de in of ten behoeve van het
bouwwerk toegepaste installaties, voorzover het niet de gegevens
met betrekking tot de hoofdlijn dan wel het principe van de
toegepaste installaties betreft.
2. Gegevens en bescheiden als genoemd
in de paragrafen 1.2.1a, 1.2.2, 1.2.4 en 1.2.5, voorzover het niet de
hoofdlijn van de brandveiligheid betreft.
Hoofdstuk 2. Wijze van aanleveren van de
gegevens en bescheiden
§ 2.1. Algemeen
De gegevens en bescheiden moeten in een
zodanige vorm worden aangeleverd dat een goede en effectieve beoordeling
door de gemeente mogelijk is. De aanvrager of een door de aanvrager
aangewezen deskundige dient er tevens zorg voor te dragen dat de
samenhang tussen de verschillende gegevens blijkt uit de aangeleverde
gegevens en bescheiden. Alle tekeningen, berekeningen en andere
rapportages moeten door de respectieve opstellers van de adviezen
ondertekend dan wel gewaarmerkt zijn.
§ 2.2. Eisen aan tekeningen
Algemeen
Alle tekeningen moeten voorzien zijn van
een duidelijke maatvoering.
Schaal van tekeningen (maximaal toe te
passen schalen)
1. Situatietekeningen: 1:1000
2. Geveltekeningen, plattegronden en
doorsneden:
a. Bouwwerken kleiner dan 10 000 m2
bruto-vloeroppervlakte: 1:100
b. Bouwwerken 10 000 m2 of groter
bruto-vloeroppervlakte: 1:200
3. Detailtekeningen: 1:5 of 1:10 of
1:20
Materiaalaanduidingen op bouwkundige
tekeningen
– Conform NEN 47
Formaat, maatvoering, maatinschrijving,
lijnsoorten, arceringen, aanzichten en doorsneden op bouwkundige
tekeningen
– Conform NEN 2302
Tekeningen van betonconstructie
– Conform NEN 3870
Vouwen en inhechten van tekeningen
– Conform NEN 379
Kadastrale aanduiding/ligging van het
bouwwerk
Het kaartmateriaal dat is gebruikt voor
het weergeven van de kadastrale aanduiding en/of ligging van het
bouwwerk moet van voldoende kwaliteit zijn. Aan deze eis wordt in ieder
geval voldaan indien gebruik gemaakt wordt van:
– Grootschalige basiskaart
Nederland;
– Kadastrale kaarten;
– Stafkaarten van Defensie.
Uit het kaartmateriaal moet de
oriëntatie van het bouwwerk blijken (noordpijl).
Plattegrondtekeningen
Van elke bouwlaag moet een plattegrond
getekend zijn (een horizontale doorsnede 1200 mm boven vloerniveau),
waarop (voorzover van toepassing op de aanvraag) is aangegeven:
– Uitwendige en inwendige
scheidingsconstructies (inclusief materiaalaanduiding);
– Peilmaten van de vloer;
– Trappen, hellingbanen en
(brandweer)liften;
– Binnen- en buitenkozijnen;
– Kokers, schachten, kanalen en
schoorstenen;
– Opstelplaats van kooktoestel,
verwarming en warmwatervoorziening;
– Alle, bijvoorbeeld door middel
van arcering aangegeven, oppervlakken die een directe relatie hebben
met de berekening van en behoren tot:
• Gebruiksfunctie van het
gebouw(deel);
• Gebruiksoppervlakte;
• Verwarmde en onverwarmde
zones volgens NEN 5128/2916;
• Verblijfsgebied en -ruimte;
• Verkeersruimte;
• Toilet, meterruimte,
stallingsruimte en opslagruimte;
• (Integrale)
toegankelijkheidssector.
Doorsnede tekening
Ten behoeve van de beoordeling van de
bruikbaarheid, de gebruiksoppervlakte (GO) en het verblijfsgebied moeten
de relevante doorsneden, inclusief 1500 – 2400 – 2600 mm hoogtelijn
en voorzien van maatvoering, getekend zijn.
Geveltekeningen
Alle aanzichten in loodrechte verticale
projectie. Alle dichte delen en kozijnen die een directe koppeling met
de berekeningen hebben moeten als zodanig traceerbaar zijn in
berekening, rapportage of renvooi.
§ 2.3. Eisen aan berekeningen
Eisen algemeen
– Naam en versie van de gebruikte
rekenprogramma's;
– Invoergegevens en handberekeningen
op doorlopend genummerde bladen;
– Indien van toepassing: de herkomst
van basis- of invoergegevens;
– Symbolen en afkortingen weergegeven
conform de voor de verschillende berekeningen geldende NEN-normen.
Indien de toegepaste rekenprogramma's afwijkende symbolen en/of
afkortingen gebruiken, moeten deze separaat worden toegelicht;
– Numerieke gegevens weergegeven in
SI-eenheden.
Eisen aan toegepaste rekensoftware
De volgende informatie betreffende de
toegepaste rekensoftware moet uit de gegevens en bescheiden bij de
aanvraag om bouwvergunning blijken:
– Beschrijving toegepaste
rekensoftware;
– Beschrijving rekenmethode;
– Beschrijving toepassingsgebied;
– Aanduiding betekenis
gepresenteerde waarden;
– Aanduiding nauwkeurigheid
resultaten;
– Beschrijving gekozen
assenstelsel;
– Verklaring gebruikte symbolen en
grootheden.
Eisen aan constructieve berekeningen
– Schematisering onder toepassing van
de van toepassing zijnde NEN-norm(en), inclusief te hanteren
belastingschema's;
– Toerekening materiaaleigenschappen
conform van toepassing zijnde NEN-norm(en);
– Doorsnedegrootheden moeten per
constructie onderdeel gemotiveerd (=berekend) zijn;
– Verantwoording eigenschappen
ondersteuningen;
– Berekeningsresultaten per
belastingschema uitwerken volgens van toepassing zijnde NEN-norm(en);
– Maatgevende waarden aangeven.
Eisen aan berekening geluidwering
Berekeningen betreffende geluidsniveau
van installaties, geluidwerende voorzieningen, geluidsabsorptie van
gemeenschappelijke verkeersruimten, gangen en trappenhuizen in
woongebouwen en berekeningen van de nagalmtijd in verblijfsruimten van
onderwijsgebouwen en sportlokalen behorende bij een onderwijsfunctie als
bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van het Bouwbesluit 2003, contact- en
luchtgeluidsisolatie tussen ruimten en van de uitwendige
scheidingsconstructie.
Eisen aan berekening mechanische
ventilatie
– Strangenschema's met diameters en
lengten;
– Gegevens over drukverlies;
– Merk en type toe te passen
installatie.
Eisen aan berekeningen thermische
isolatie/energieprestatie
– Totale oppervlakte kozijnen, ramen,
deuren, dichte delen en daarmee gelijk te stellen constructiedelen;
– Oppervlakte van iedere toegepaste
glassoort en de thermische eigenschappen hiervan;
– Tekening waarop gehanteerde
woningen voor de EPC berekening zijn aangegeven;
– EPC begrenzing woningen of
woongebouw (door middel van arcering op plattegrondtekening);
– Gebouwfunctie en energiesectoren
(op tekening voor niet tot bewoning bestemde gebouwen, gearceerd);
– Invoergegevens EPC berekening
(bouwfysische eigenschappen bouwwerk, installaties en gehanteerd
rekenprogramma).
§ 2.4. Eisen aan digitale indiening van
gegevens en bescheiden
1. Algemene gegevens, rapportages en
berekeningen dienen aangeleverd te worden in PDF-, HTML- of een
gelijkwaardig formaat.
2. Tekeningen dienen aangeleverd te
worden in DXF-, TSA-, CCD of een gelijkwaardig formaat.
3. Indien gebruik is gemaakt van een
systematiek, waarbij de tekeningen onlosmakelijk verbonden zijn met de
berekeningen, dienen de gegevens aangeleverd te worden in TSA- , CCD
of een gelijkwaardig formaat.
4. De digitale bestanden worden
ingediend op een opslagmedium dat slechts bruikbaar is voor het alleen
lezen van die bestanden, zogenoemde «read-only»-bestanden. Indien de
bestanden elektronisch worden verzonden (e-mail) dienen deze als«
read-only» (alleen lezen) te zijn gekenmerkt.
Hoofdstuk 3. Toelichting op de aan te
leveren gegevens en bescheiden
§ 3.1. Algemeen
In de puntsgewijze toelichting wordt de
opsomming indien noodzakelijk toegelicht. Tevens wordt verwezen naar
relevante normen waaraan de gevraagde informatie moet voldoen. De letter
voor de toelichting verwijst naar de overeenkomstige gegevens en
bescheiden genoemd in de in de titel tussen haakjes genoemde paragraaf
van de bijlage.
Ten behoeve van de toetsing van het
bouwplan moet in geval van verbouw of restauratie naast de nieuwe
situatie ook de bestaande situatie voldoende blijken uit de aangeleverde
gegevens en bescheiden.
§ 3.2. Puntsgewijze toelichting
§ 3.2.1. Toelichting algemene gegevens
en bescheiden (§ 1.1)
e. Tot de bouwkosten worden niet gerekend
de grondkosten (omvattende de verwervingskosten van het terrein, de
kosten van infrastructurele voorzieningen en de kosten van het bouwrijp
maken), de inrichtingskosten (zoals bedrijfsinstallaties en -apparatuur)
en de bijkomende kosten (waartoe onder andere behoren de architecten- en
de adviseurshonoraria, kosten voor grondonderzoek, verzekeringen,
omzetbelasting en andere heffingen). Tot de bouwkosten behoren echter
wel de kosten van de verwarmingsinstallatie, liften, roltrappen en
dergelijke, althans voorzover deze installaties behoren tot de normaal
te verwachten inrichting van het betrokken bouwwerk en dus bijvoorbeeld
niet zijn aangebracht in verband met bedrijfsinstallaties en
-apparatuur.
De bouw- en materiaalkosten moeten
marktconform worden opgegeven, ook wanneer een deel van de werkzaamheden
door middel van zelfwerkzaamheid wordt uitgevoerd.
Indien de aanvraag om bouwvergunning
betrekking heeft op een woonwagen of een standplaats wordt met
aannemingssom bedoeld:
1. in geval van aanvraag om
bouwvergunning voor een plaatsing van een woonwagen: de som van de
prijs van de wagen, de prijs van aflevering en plaatsen op de
standplaats en het aansluiten op de nutsvoorzieningen (exclusief de
BTW);
2. in geval van een aanvraag om
bouwvergunning voor het verplaatsen van een woonwagen: de som van
het plaatsen op de standplaats en het aansluiten op de
nutsvoorzieningen (exclusief de BTW);
3. ingeval de aanvraag om
bouwvergunning voor het plaatsen respectievelijk verplaatsen van een
woonwagen samenvalt met uitbreiding of verandering van de wagen: de
som van het onder 1 respectievelijk 2 bedoelde bedrag en de prijs
van de uitbreiding of verandering (exclusief de BTW).
f. De verklaring bij langs elektronische
weg indienen van gegevens en bescheiden dient voor ieder aangeleverd
bestand de volgende onderdelen te bevatten:
1. Naam waaronder ieder bestand op
het opslagmedium is terug te vinden (bestandsnaam);
2. Beschrijving van de inhoud van het
bestand, waarin is aangegeven waarop het bestand betrekking heeft
(geveltekening, rapportage bodemonderzoek, etc);
3. Aanduiding type bestand
(bestandsformaat) waaruit blijkt met welk programma het bestand kan
worden gelezen;
4. Datum en grootte van het bestand.
De bestanden moeten, ongecomprimeerd en
als «alleen lezen» gemarkeerd, op een bestandsdrager (cd-rom of
diskette) worden aangeleverd. Indien gegevens per e-mail worden
aangeleverd mogen deze gecomprimeerd zijn, maar moeten deze zonder
gebruik van een compressieprogramma kunnen worden teruggebracht in hun
oorspronkelijke vorm («self-extracting»). De gegevens die per bestand
moeten worden aangeleverd moeten in het laatste geval ook van het
gecomprimeerde bestand worden aangegeven, inclusief controlewaarde (CRC
of checksum).
De overzichtslijst die aan de
elektronisch ingediende gegevens en bescheiden wordt toegevoegd dient
als controlelijst voor de ingediende gegevens en bescheiden. Tevens
verklaart de indiener met de ondertekening van de overzichtslijst dat de
aangeleverde gegevens en bescheiden betrekking hebben op het bouwen
waarvoor een vergunning wordt aangevraagd.
3.2.2a. Toelichting gegevens en
bescheiden ten behoeve van toetsing aan bestemmingsplan voorschriften
inzake archeologische monumentenzorg (§ 1.2.1a)
Op grond van artikel 40 van de
Monumentenwet 1988 kan in het bestemmingsplan de verplichting tot het
aanleveren van een rapport inzake de archeologische waarde van de
ondergrond worden verlangd. Dat rapport wordt toegevoegd aan de
indieningsvereisten bij de aanvraag om een bouwvergunning. Artikel 41
van de Monumentenwet 1988 regelt dat de aanvrager van een vrijstelling
van voorschriften van een bestemmingsplan ook kan worden verplicht een
dergelijk rapport aan te leveren. Burgemeester en wethouders of, in
geval van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de
Wet op de Ruimtelijke Ordening, de gemeenteraad, beoordelen of met het
rapport de archeologische waarde in voldoende mate is vastgesteld.
§ 3.2.2b. Toelichting gegevens en
bescheiden ten behoeve van toetsing aan voorschriften krachtens de Wet
ruimtelijke ordening (§1.2.1b)
b. Aanduiding van de bestemmingen van
ruimten en groepen van ruimten binnen het bouwwerk en van het bouwwerk
zelf.
d. De bruto-inhoud en de
bruto-vloeroppervlakte moeten bepaald worden zoals bedoeld in het
normblad NEN 2580.
e. Aan te geven op de situatietekening.
Duidelijk moet zijn wat de ligging is van de gevels van het bouwwerk ten
opzichte van de wegzijde, op welke wijze het terrein ontsloten wordt, de
aangrenzende terreinen en de daarop voorkomende bebouwing en het beoogd
gebruik van het terrein behorende bij het voorgenomen bouwwerk.
f. Met de term straatpeil wordt hier
bedoeld de hoogteligging van het bouwwerk ten opzichte van:
– de hoogte van de weg ter plaatse
van de hoofdtoegang, voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang
direct aan de weg grenst voor een bouwwerk;
– of hoogte van het terrein ter
plaatse van de hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw voor een
bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst.
g. Met parkeervoorzieningen op het eigen
terrein wordt bedoeld de opstelplaats(en) voor voertuigen op het bij het
geplande bouwwerk behorende perceel.
h. In gebieden waar sprake is van een
agrarische bestemming kunnen burgemeester en wethouders een advies
inzake de aanvraag om bouwvergunning aanvragen bij de Agrarische
Adviescommissie. De Agrarische Adviescommissie toetst of het beoogde
bouwwerk daadwerkelijk een agrarische bestemming heeft. Burgemeester en
wethouders stellen vast welke informatie ten behoeve van deze aanvraag
noodzakelijk is en geven aan op welke wijze de desbetreffende informatie
moet worden aangeleverd.
i. Een bestemmingsplan kan regels
bevatten, ter toetsing waaraan nadere gegevens van de aanvrager nodig
zijn. Dat betreft met name de regels over uitvoerbaarheid als bedoeld in
artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening en daarbinnen
de in artikel 1.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening omschreven
woningbouwcategorieën sociale huurwoning, sociale koopwoning en
particulier opdrachtgeverschap. Ook een projectbesluit en besluiten als
bedoeld in de artikelen 3.40, 3.41 en 3.42 van de Wet ruimtelijke
ordening kunnen voorschriften over de uitvoerbaarheid bevatten, waaraan
een bouwaanvraag wordt getoetst. Voor een uitleg over de
woningbouwcategorieën zij verwezen naar de toelichting bij onderdeel j
(exploitatieplan). Ook bij andere bouwplannen kunnen nadere gegevens
nodig zijn, bijvoorbeeld bij de aanvraag van een bedrijfswoning.
j. Op grond van artikel 44, eerste lid,
aanhef en onderdeel g, van de Woningwet, moet de bouwvergunning worden
geweigerd bij strijd met een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12
van de Wet ruimtelijke ordening. Toetsing is alleen aan de orde bij
bouwplannen waarvoor een reguliere bouwvergunning is vereist en die
nader zijn aangewezen bij artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke
ordening. Voor de toetsing aan de regels voor de woningbouwcategorieën
sociale huurwoning, sociale koopwoning of particulier opdrachtgeverschap
kan overlegging van nadere gegevens nodig zijn. De definitie van deze
categorieën is opgenomen in artikel 1.1.1 van het Besluit ruimtelijke
ordening. Het betreft de volgende gegevens: bij een sociale koopwoning
gegevens waaruit blijkt dat de woning in de betreffende categorie wordt
verkocht en bewoond zal worden door iemand die tot de doelgroep behoort.
De gegevens kunnen mede betrekking hebben op de inschrijving voor de
woning en de toewijzing ervan. Bij een sociale huurwoning betreft het
gegevens waaruit aannemelijk wordt dat de woning in de betreffende
categorie wordt geëxploiteerd. Deze gegevens betreffen de toekomstige
exploitant. Gegevens kunnen mede betrekking hebben op de inschrijving
voor de woning en de toewijzing ervan. Bij particulier
opdrachtgeverschap betreft het gegevens waaruit blijkt dat de aanvrager
voldoet aan de regels voor particulier opdrachtgeverschap in het Besluit
ruimtelijke ordening en exploitatieplan. Voorts kunnen bij alle soorten
bouwplannen gegevens nodig zijn ter toetsing aan de locatie-eisen in het
exploitatieplan. Een voorbeeld betreft de eisen voor bouwrijp maken.
§ 3.2.3. Toelichting gegevens en
bescheiden ten behoeve van toetsing aan welstandscriteria (§ 1.2.2)
a. Uit de geveltekeningen moet duidelijk
worden hoe het voorgenomen bouwwerk in de omgeving past. Hiertoe is het
noodzakelijk dat tevens een beeld van de belendende bebouwing gegeven
wordt. Bij grotere bouwwerken kan, ter ondersteuning van de beoordeling
van het bouwwerk, eventueel een schetsmaquette worden aangeleverd.
b. Ten behoeve van de welstandstoetsing
dient de aanvrager principedetails over te leggen. Het betreft hier
schetsen of tekeningen van die onderdelen van het gebouw die voor het
uiterlijk bepalend zijn, zonder een volledige bouwkundige uitwerking van
die onderdelen.
c. De aan te leveren foto's moeten, ook
bij kleinere bouwwerken, een duidelijk beeld geven van de inpassing van
het geplande bouwwerk in de directe omgeving. Het is dan ook van belang
dat niet alleen de locatie van het geplande bouwwerk maar ook de directe
omgeving duidelijk blijkt uit de foto's. De foto's moeten in kleur zijn
afgedrukt of, in geval van digitaal aangeleverde foto's, in kleur zijn
af te drukken.
d. De aanvrager dient duidelijk te maken
wat de toegepaste kleuren in het ontwerp zijn. Hiertoe moeten van een
aantal bouwdelen, indien van toepassing, het materiaalgebruik en de
kleur worden aangegeven:
– Gevels. Eventuele afwijkingen in
materiaalgebruik en/of kleurstelling voor bijvoorbeeld de plint
(voet of basis van het gebouw), gevelbekleding of borstweringen
moeten apart worden vermeld;
– Voegwerk;
– Kozijnen, ramen en deuren.
Eventuele luiken moeten separaat worden aangegeven;
– Balkonhekken;
– Dakgoten en/of boeidelen;
– Dakbedekking.
Ter ondersteuning van de toetsing kan een
dakpan, steen of (kleur)monsterbord worden gevraagd.
Indien de aanvraag om bouwvergunning
betrekking heeft op een woonwagen kan aan de eis met betrekking tot het
aanleveren van gegevens en bescheiden ten behoeve van toetsing van het
uiterlijk van de woonwagen aan redelijke eisen van welstand, als genoemd
in paragraaf 1.2.2, onderdelen a, b en d, worden voldaan door het
indienen van documentatie van de leverancier, mits hierop de bedoelde
gegevens duidelijk zichtbaar zijn.
Indien het op te richten bouwwerk in een
gebied gelegen is waarvan door de gemeenteraad bepaald is dat de eisen
van welstand niet van toepassing zijn, behoeven bovenstaande gegevens
niet te worden verstrekt. Dit geldt tevens voor tijdelijke bouwwerken en
voor typen bouwwerken welke door de gemeenteraad welstandsvrij verklaard
zijn of waarvoor door de gemeenteraad in de gemeentelijke welstandsnota
geen welstandscriteria zijn vastgesteld.
3.2.4. Toelichting gegevens en bescheiden
ten behoeve van toetsing aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2003
met betrekking tot constructieve veiligheid (§ 1.2.3)
1. De gevraagde gegevens en bescheiden
moeten in alle gevallen bestaan uit tekeningen en berekeningen
betreffende de te wijzigen of te bouwen constructieve delen. Zie voor
verdere eisen de paragrafen 2.2 en 2.3.
Indien de aanvraag betrekking heeft op de
wijziging of uitbreiding van een bestaand bouwwerk moet uit de
aangeleverde gegevens tevens blijken wat de opbouw van de bestaande
constructie is (tekeningen en berekeningen) en wat de toegepaste
materialen zijn.
Het voldoen aan de gestelde eisen met
betrekking tot de uiterste grenstoestand van de fundering moet worden
aangetoond door middel van een funderingsplan dat, voorzover de
grondslag en/of de aard van het bouwwerk daartoe aanleiding geven,
gebaseerd moet zijn op een onderzoek naar de draagkracht van de
ondergrond. In het funderingsplan moet een plattegrond van de fundering
zijn opgenomen. De gevraagde gegevens moeten tevens op deze plattegrond
zijn weergegeven. In een funderingsplan is of zijn over het algemeen de
volgende onderwerpen opgenomen:
a. Een funderingsadvies, waarin de
keuze van het funderingssysteem wordt gemotiveerd, gebaseerd op
berekeningen van de draagkracht van de ondergrond;
b. de aanlegdiepte van de fundering;
c. het paaltype, de paallengte en
-doorsnede, dan wel de diepte en soort van de grondverbetering.
2. Met betrekking tot gelijkwaardigheid
stelt het Bouwbesluit 2003 in artikel 1.5:
Aan een in het tweede tot en met zesde
hoofdstuk [van het Bouwbesluit 2003] gesteld voorschrift dat moet worden
toegepast om te voldoen aan een met betrekking tot een bouwwerk of een
gedeelte daarvan gestelde eis, behoeft niet te worden voldaan, voorzover
anders dan door toepassing van dat voorschrift het bouwwerk of het
betrokken gedeelte daarvan ten minste dezelfde mate van veiligheid,
bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en
bescherming van het milieu biedt, als is beoogd met het betrokken
voorschrift.
Met dit artikel voorziet het Bouwbesluit
2003 in de mogelijkheid om, mits binnen het kader van de functionele
eisen wordt gebleven, af te wijken van de in het Bouwbesluit 2003
gegeven prestatie-eisen. Redenen voor afwijking van de in het
Bouwbesluit 2003 gegeven prestatie-eisen kunnen bijvoorbeeld zijn de
aard van het desbetreffende bouwwerk of de toepassing van innovatieve
materialen en constructies. De aanvrager die een beroep op dit
gelijkwaardigheidsartikel doet moet ten genoegen van burgemeester en
wethouders aantonen dat het bouwwerk ten minste een zelfde mate van
veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid,
energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt als is beoogd met
het betrokken voorschrift.
Met betrekking tot kwaliteitsverklaringen
stelt het Bouwbesluit 2003 in artikel 1.6:
Indien bij of krachtens dit besluit een
eis is gesteld ten aanzien van een bouwmateriaal of bouwdeel en voor dat
bouwmateriaal of bouwdeel een op die eis toegesneden, door Onze Minister
erkende kwaliteitsverklaring is afgegeven, is aan de betreffende eis
voldaan, indien dat bouwmateriaal of bouwdeel overeenkomstig die
kwaliteitsverklaring is toegepast.
Alleen die kwaliteitsverklaringen die een
relatie hebben met een voorschrift van het Bouwbesluit 2003, en door de
Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer zijn
erkend, leveren voldoende bewijs op dat aan een bij of krachtens dit
besluit gegeven voorschrift is voldaan.
Met de overlegging van erkende
kwaliteitsverklaringen/CE-markeringen en/of verklaringen van
gelijkwaardigheid, welke voldoen aan het in de Regeling Bouwbesluit 2003
gestelde, wordt voldaan aan de in artikel 4 van dit besluit gestelde eis
dat aannemelijk gemaakt moet worden dat het bouwen voldoet aan de
desbetreffende eis.
§ 3.2.5. Toelichting gegevens en
bescheiden ten behoeve van toetsing aan overige voorschriften van het
Bouwbesluit 2003 (§ 1.2.4)
1. a. Bij de berekening van de
energieprestatiecoëfficiënt wordt uitgegaan van:
– NEN 5128 voor woningen en
logiesverblijven;
– NEN 2916 voor niet tot bewoning
bestemde gebouwen.
Bij de berekening kan gebruik gemaakt
worden van NPR 5129 respectievelijk 2917, beide uitgave 2002, en de
bijbehorende rekenprogramma's en standaardoplossingen. De aanlevering
van een EPC berekening is van toepassing voor de gebruiksfuncties die
afdeling 5.3 van het Bouwbesluit 2003 aanwijst.
Bij de bepaling van de EPC moet
duidelijk zijn welke gegevens zijn meegenomen in de berekening
(bijvoorbeeld rendement van stooktoestellen);
f. De opgave moet tevens gegevens
betreffende deuren en daglichtopeningen in uitwendige
scheidingsconstructies bevatten. Voorzover van belang voor het
vluchten bij brand moeten tevens de deuren en daglichtopeningen in
inwendige scheidingsconstructies worden opgegeven. Bij een niet
besloten brandcompartiment als bedoeld in art. 2.104, vierde lid, van
het Bouwbesluit 2003, moet de aanvrager van een bouwvergunning tevens
aangeven in welk deel van dat compartiment de opslag zal plaatsvinden.
Het gaat hier om de open loodsen, bijvoorbeeld voor houtindustrie;
n. Voor in de gevel voorkomende
beweegbare constructieonderdelen, welke volgens NEN 5087 behoren tot
de voor inbrekers bereikbare zone, geldt dat ze moeten voldoen aan
weerstandsklasse 2, bepaald volgens NEN 5096. Achtergrond is dat een
gelegenheidsinbreker met gebruikelijk gereedschap ten minste 3 minuten
nodig heeft om de woning binnen te komen. Woningen die het
Politiekeurmerk Veilig Wonen hebben verkregen voldoen aan de in het
Bouwbesluit 2003 (artikel 2.215) gestelde eis;
x. Uit de verstrekte gegevens moet de
hoogteligging van de vloeren ten opzichte van straatpeil blijken.
Tevens moet de hoogte van het maaiveld ter plaatse van de entree van
het bouwwerk duidelijk zijn;
y. De draairichting van de in de gevels
aanwezige draaiende constructieonderdelen moet worden aangegeven ter
toetsing van de vluchtrichting en van het ruimtebeslag van die
draaiende delen boven de openbare weg.
Bij de aanvraag om bouwvergunning met
betrekking tot een woonwagen kan aan de eis tot het verstrekken van
alle gegevens en bescheiden, genoemd in de paragrafen 1.2.3 en 1.2.4,
voldaan worden door het overleggen van een kwaliteitsverklaring
waaruit blijkt dat de woonwagen gebouwd is overeenkomstig de eisen van
het Bouwbesluit 2003.
2. Zie de toelichting op paragraaf
1.2.3, in paragraaf 3.2.4, onder 2.
§ 3.2.6. Toelichting gegevens en
bescheiden ten behoeve van toetsing aan overige voorschriften
bouwverordening (§ 1.2.5)
a. . Het bouwveiligheidsplan heeft
alleen betrekking op de veiligheid van de weg, de in de weg gelegen
werken, de weggebruikers, de naburige bouwwerken, open erven en
terreinen en hun gebruikers. Overige veiligheidsaspecten, zoals de
Arbo-wet, vallen onder andere regelingen.
Een bouwveiligheidsplan moet de
volgende onderdelen bevatten:
1. één of meerdere tekeningen
waaruit de bouwplaatsinrichting blijkt:
– De ligging van het te
bebouwen perceel en de omliggende wegen, bouwwerken e.d.;
– De situering van het
bouwwerk;
– De aan- en afvoerwegen;
– De laad-, los- en
hijszones;
– De plaats van de bouwketen;
– De grenzen van het
bouwterrein waarbinnen alle bouwactiviteiten, inclusief het
laden en lossen, plaatsvinden;
– De in of op de bodem van
het perceel aanwezige leidingen;
– De plaats van ander
hulpmaterieel en opslag van materialen.
De schaal van bedoelde tekeningen
mag niet kleiner zijn dan 1:100 of 1:1000 wanneer details op een
schaal van 1:100 zijn bijgevoegd;
2. gegevens en bescheiden over de
toe te passen bouwmethodiek en de toe te passen materialen,
materieel, hulp- en beveiligingsmiddelen bij de bouwwerkzaamheden;
3. indien een bouwput moet worden
gemaakt voor een ondergronds gelegen bouwdeel: de hoofdopzet van
de verticale bouwputafscheiding en de bouwputbodem en de
uitgangspunten voor een bemalingsplan;
4. de uitgangspunten voor een
monitoringsplan ter voorkoming van schade aan naburige bouwwerken.
c. In de bouwverordening zijn eisen
opgenomen inzake de bereikbaarheid van bouwwerken voor voertuigen van
de brandweer en de bluswatervoertuigen. Om te kunnen toetsen of aan
deze eisen wordt voldaan dienen de desbetreffende voorzieningen te
blijken uit de bij de aanvraag aangeleverde gegevens en bescheiden.
d. Artikel 8, eerste lid, onderdeel d,
van de Woningwet verplicht gemeenten in hun bouwverordening
voorschriften omtrent slopen op te nemen. Ingeval voor uitvoering van
de bouwwerkzaamheden ook sloopwerk noodzakelijk is, is krachtens de
gemeentelijke bouwverordening veelal een sloopvergunning noodzakelijk.
Bij de aanvraag om bouwvergunning moet in de desbetreffende gevallen
een beschikking of een bewijs van aanvraag om sloopvergunning worden
bijgevoegd.
Op grond van artikel 26 van de Wet op
de stads- en dorpsvernieuwing kan het verlenen van een bouwvergunning
voor een bouwwerk, dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen een
gebied, waar het op grond van artikel 20 dan wel 25 van die wet
verboden is om zonder vergunning te slopen, en dat het slopen van een
bestaand bouwwerk zou medebrengen, afhankelijk worden gesteld van een
bankgarantie ten bedrage van ten hoogste één-vijfde gedeelte van de
door burgemeester en wethouders geschatte bouwkosten. Indien de
desbetreffende bankgarantie in dergelijke gevallen niet is verleend
(en dus niet tezamen met een beschikking of een bewijs van aanvraag om
sloopvergunning kan worden overgelegd), kan de bouwvergunning worden
geweigerd.
e. Artikel 8, tweede lid, onderdeel c,
van de Woningwet verplicht gemeenten in hun bouwverordening
voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem
op te nemen. Die voorschriften hebben op grond van artikel 8, vierde
lid, van de Woningwet onder meer betrekking op het verrichten van
onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de
aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te
stellen onderzoeksrapport. Op hoofdlijnen weergegeven is deze
verplichting door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten als volgt
uitgewerkt in de artikelen 2.1.5 en 2.4.1 van de Modelbouwverordening
(Mbv). Het onderzoek dient te bestaan uit de resultaten van een
verkennend onderzoek, verricht volgens NEN 5740, bijlage B (uitgave
1999), waarbij voor een terrein dat als verdacht geldt het
onderzoeksrapport daarnaast nog dient te bestaan uit de resultaten van
een onderzoek volgens het gecombineerde protocol Bodemonderzoek
milieuvergunningen en BSB (SDU, uitgave oktober 1993). Uit de
systematiek van NEN 5740 volgt dat voorafgaand aan het verkennend
onderzoek eerst een vooronderzoek volgens NVN 5725 dient te worden
uitgevoerd (ook wel historisch onderzoek genoemd) ten behoeve van de
onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein.
De aanwezigheid van asbest in de bodem kan daarbij worden onderzocht
door aan het vooronderzoek volgens NEN 5740 een onderzoek volgens NEN
5707 (indien de bodem en grond minder dan 20% puin bevat)
respectievelijk NEN 5897 (indien de bodem en grond 20% of meer puin
bevat) te koppelen. Indien het vooronderzoek uitwijst dat de locatie
onverdacht is, kunnen burgemeester en wethouders besluiten ontheffing
te verlenen voor het uitvoeren van het verkennend onderzoek. Indien de
resultaten van het verkennend onderzoek uitwijzen dat sprake is van
bodemverontreiniging en voor de beoordeling van de ernst van de
verontreiniging een nader onderzoek onontkoombaar is, dient nader
onderzoek volgens het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave
1994) of de Richtlijn Nader Onderzoek (SDU, uitgave 1995) te worden
verricht.
De bouwvergunningaanvrager hoeft niet
altijd een bodemonderzoeksrapport aan te leveren. Op grond van artikel
8, derde lid, van de Woningwet is een bodemonderzoeksrapport alleen
voorgeschreven voor bouwwerken voor het bouwen waarvan een reguliere
bouwvergunning nodig is, met uitzondering van bouwwerken die naar aard
en omvang gelijk zijn aan een bouwwerk voor het bouwen waarvan op
grond van artikel 43 van de Woningwet geen bouwvergunning is vereist
of een geval als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van die wet, en
waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen aanwezig zijn, mits
dat bouwwerk de grond raakt of sprake is van een verandering van het
niet-wederrechtelijke gebruik. Maar ook dan is een
bodemonderzoeksrapport niet altijd vereist: burgemeester en wethouders
kunnen hiervan, op grond van artikel 2.1.5 van de Mbv, namelijk nog
ontheffing verlenen.
Wanneer een bodemonderzoeksrapport is
vereist, dient dat rapport op grond van paragraaf 1.2.5, onderdeel e,
van deze bijlage te zijn gebaseerd op onderzoek dat is uitgevoerd door
een persoon of een instelling die daartoe is erkend op grond van het
Besluit bodemkwaliteit. Laatstgenoemd besluit bevat eisen met
betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden in het bodembeheer.
Personen en instellingen die bij ministeriële regeling aangewezen
werkzaamheden, waaronder het uitvoeren van bodemonderzoek, uitvoeren,
dienen daartoe te zijn erkend door de Ministers van VROM en Verkeer en
Waterstaat. Een voorwaarde voor erkenning is het bezit van een
certificaat of een accreditatie. Bovendien dienen deze personen en
instellingen bij de uitvoering te voldoen aan eisen die onder meer
zijn neergelegd in beoordelingsrichtlijnen en protocollen.
Voor het geval een
bodemonderzoeksrapport dient te worden aangeleverd maar het bouwen pas
kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, bevat
artikel 2.1.5 Mbv het voorschrift dat het bodemonderzoek dient plaats
te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. Dit
brengt met zich dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd
kan worden overgelegd bij de aanvraag om bouwvergunning. Daarom
behoort dit onderzoeksrapport tot de bescheiden die op grond van
onderdeel 3 van paragraaf 1.5 van deze bijlage eerst na indiening van
de aanvraag om bouwvergunning doch uiterlijk drie weken voor de
aanvang van de desbetreffende bouwwerkzaamheden mogen worden
aangeleverd. Voorwaarde voor latere indiening van het
onderzoeksrapport is dat burgemeester en wethouders met die latere
indiening instemmen. Op basis van het bepaalde in artikel 56 van de
Woningwet kan het tijdstip van latere indiening door hen zo nodig in
een voorwaarde bij de bouwvergunning worden vastgelegd.
§ 3.2.7. Toelichting gegevens en
bescheiden ten behoeve van toetsing aan de Woningwet (§ 1.2.6)
a. Indien voor het bouwwerk tevens een
vergunning in het kader van de Wet milieubeheer en/of de
Kernenergiewet vereist is, moet de beschikking of het bewijs van
aanvraag van de desbetreffende vergunning bij de aanvraag om
bouwvergunning, in het kader van de aanhoudingsplicht in artikel 52
van de Woningwet, worden bijgevoegd.
b. Indien voor het bouwwerk tevens een
toelating is vereist als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet
toelating zorginstellingen, moet een afschrift van de toelating dan
wel een bewijs van aanvraag daarvan bij de aanvraag om bouwvergunning,
in het kader van de aanhoudingsplicht in artikel 53 van de Woningwet,
worden bijgevoegd.
c. Indien voor het bouwwerk tevens een
vergunning in het kader van de Monumentenwet 1988 of een provinciale
of gemeentelijke monumentenverordening vereist is, moet de beschikking
of het bewijs van de aanvraag van de desbetreffende vergunning bij de
aanvraag om bouwvergunning, in het kader van de aanhoudingsplicht in
artikel 54 van de Woningwet, worden bijgevoegd.
d. Artikel 7 van de Woningwet geeft de
minister van VROM de bevoegdheid om op verzoek van de
vergunningaanvrager in bijzondere gevallen ontheffing te verlenen van
de bij of volgens het Bouwbesluit 2003 geldende eisen, mits
burgemeester en wethouders daarmee instemmen. Het betreft hier een
vrijstelling, onder voorwaarden, om te waarborgen dat experimenten in
de bouw niet door de bestaande regelgeving onmogelijk worden gemaakt.
Artikel 7a van de Woningwet geeft de minister de bevoegdheid om
burgemeester en wethouders in bijzondere gevallen toe te staan dat zij
door hen voorgestelde nadere eisen aan een bouwplan stellen, zulks ter
voldoening aan of in aanvulling op de in het Bouwbesluit 2003 vervatte
eisen. In voorkomend geval zal de aanvrager om bouwvergunning in de
bouwvergunningprocedure de gegevens en bescheiden moeten verstrekken
die een goede beoordeling van de desbetreffende verzoeken door de
minister mogelijk maken.
e. Indien voor het verlenen van een
bouwvergunning een ontheffing of projectbesluit krachtens de Wet
ruimtelijke ordening dan wel een besluit als bedoeld in artikel 3.40,
3.41 of 3.42 van die wet benodigd is, geldt de aanvraag om
bouwvergunning tevens als aanvraag om een dergelijke ontheffing, een
dergelijk projectbesluit of besluit. Burgemeester en wethouders
stellen vast welke informatie ten behoeve van deze aanvraag
noodzakelijk is en geven aan op welke wijze de desbetreffende
informatie moet worden aangeleverd.
§ 3.2.8. Toelichting op een later
tijdstip aan te leveren gegevens en bescheiden (§ 1.5)
1. Het uitgangspunt bij het later
aanleveren van gegevens en bescheiden bij een aanvraag om
bouwvergunning (al dan niet in fasen verleend) is dat burgemeester en
wethouders voldoende informatie wordt verstrekt om de bouwaanvraag op
hoofdlijnen vroegtijdig in elk geval te kunnen beoordelen.
a. De uitgangspunten van het
constructieve ontwerp (materiaaltoepassing, globale dimensionering,
de uitgangspunten voor de gewichtsberekening, funderingsplan, etc.)
moeten blijken uit de aangeleverde gegevens en bescheiden. De
detailberekeningen en tekeningen ten behoeve van de uitvoering
mogen op een later tijdstip, doch uiterlijk drie weken voor
aanvang van de betreffende werkzaamheden, worden aangeleverd.
Hiertoe worden onder meer gerekend:
– wapeningsberekeningen en
-tekeningen van in het werk gestorte en geprefabriceerde
betonconstructies;
– detailberekeningen en
-tekeningen van niet tot de hoofdlijn van de constructie
behorende delen van beton-, staal- en houtconstructies;
– detailberekeningen en
-tekeningen van verbindingen en verankering en van beton-,
staal- en houtconstructies;
– detailberekeningen en
-tekeningen van constructief metselwerk.
b. De hoofdlijn van de toegepaste
installaties, zoals bijvoorbeeld de wijze van verwarming, koeling
en luchtbehandeling, de plaats en wijze van verticaal transport en
de locatie en het type brandveiligheidinstallatie, moet blijken
uit de aangeleverde gegevens en bescheiden. Tevens moeten gegevens
en bescheiden betreffende de toegepaste installaties welke
noodzakelijk zijn voor de beoordeling van overige aspecten
(bijvoorbeeld de EPC berekening) bij de aanvraag worden
aangeleverd. De detailberekeningen en -tekeningen ten behoeve van
de uitvoering, zoals bijvoorbeeld exact leidingverloop,
bevestiging en montage en een nadere specificatie van de
installaties, mogen op een later tijdstip worden aangeleverd.
De in dit verband later aan te leveren
gegevens en bescheiden moeten minimaal drie weken voor aanvang van de
desbetreffende bouwwerkzaamheden ter toetsing aan burgemeester en
wethouders worden voorgelegd.
2. Bij de hiervoor onder 1 genoemde
gegevens en bescheiden is het op grond van artikel 4, tweede lid, van
het besluit de eigen keuze van de aanvrager of hij die later wenst te
verstrekken, ongeacht of burgemeester en wethouders daarmee wel/niet
instemmen. Bij de onder 2 genoemde gegevens en bescheiden is die
instemming van burgemeester en wethouders wel vereist. Indien zij
instemmen, dienen de betreffende gegevens en bescheiden minimaal drie
weken voor aanvang van de desbetreffende bouwwerkzaamheden aan hen
worden verstrekt (zie artikel 4, derde lid, van het besluit).
§ 3.3. Toelichting wijze van aanleveren
van de gegevens en bescheiden
§ 3.3.1. Algemeen
De gegevens en bescheiden moeten in een
zodanige vorm worden aangeleverd, dat een goede en efficiënte
afhandeling van de aanvraag om bouwvergunning door de gemeente mogelijk
is. De aanvrager van de bouwvergunning is hiervoor verantwoordelijk.
Bijvoorbeeld ten aanzien van de constructieberekening geldt dat niet
volstaan kan worden met het aanleveren van op zichzelf staande (detail)
berekeningen, maar dat ook de samenhang tussen de verschillende
berekeningen moet blijken uit de aangeleverde gegevens en bescheiden.
§ 3.3.2. Eisen aan tekeningen (§ 2.2)
Schaal van tekeningen
Indien tekeningen schaal 1:200 (punt 2b)
worden aangeleverd moeten voor de beoordeling van het voorgenomen
bouwwerk relevante details op schaal 1:50 of 1:100 worden bijgevoegd. De
schaal waarop details, bedoeld onder punt 3, worden aangeleverd moet
zodanig worden gekozen dat een goede beoordeling van de details mogelijk
is.
Formaat van de tekeningen
De eisen betreffende vouwwijze en
papierformaat zijn niet van toepassing waar het langs elektronische
wijze ingediende tekeningen betreft.
Geveltekeningen
De projectie van de geveltekeningen moet
zodanig zijn dat uit de tekeningen het daadwerkelijke aanzicht van de
gevels blijkt. Vertekeningen als gevolg van krommingen, schuinstand of
een anderszins afwijkende gevelvorm moeten in een loodrechte verticale
projectie worden weergegeven.
§ 3.3.3. Wijze van aanleveren gegevens
en bescheiden
In tabel 1 bij deze toelichting is
aangegeven op welke wijze de gevraagde gegevens en bescheiden kunnen
worden aangeleverd. In de meeste gevallen betreft dit berekeningen,
tekeningen en rapportages. Zoals ook in de tekst van dit besluit is
aangegeven, staat het de aanvrager vrij om de gegevens en bescheiden in
een andere vorm aan te bieden, zolang het jegens burgemeester en
wethouders maar aannemelijk wordt gemaakt dat het bouwwerk op de van
toepassing zijnde onderdelen voldoet aan de regelgeving.
In de tabel is voor alle aan te leveren
gegevens en bescheiden een verwijzing opgenomen naar de overeenkomstige
paragraaf in hoofdstuk 1 van deze bijlage.
In de tabel worden de volgende
informatiedragers onderscheiden:
1. Aanvraagformulier
Het door de Minister van VROM
voorgeschreven aanvraagformulier. Verstrekking vindt plaats door
burgemeester en wethouders (of via internet). Ook als de bij de
aanvraag om bouwvergunning behorende gegevens en bescheiden digitaal
worden ingediend, moet gebruik gemaakt worden van het
aanvraagformulier als beschreven in artikel 2, tweede lid, inclusief
een schriftelijke, ondertekende verklaring van de aanvrager, zoals
aangegeven in paragraaf 1.1 van de bijlage, onder f.
2. Tekeningen
Aan te leveren tekeningen moeten
voldoen aan de in paragraaf 2.2 genoemde eisen. De volgende typen
tekeningen worden onderscheiden:
a. Tekeningen/plattegronden;
b. Doorsneden;
c. Constructietekeningen;
d. Geveltekeningen;
e. Situatietekeningen.
3. Beschikkingen
Betreft beschikkingen op aanvragen
van voor het verstrekken van de bouwvergunning vereiste vergunningen
(afschrift van de vergunning). Ten behoeve van de aanvraag om
bouwvergunning kan worden volstaan met een bewijs van aanvraag (met
uitzondering van een aanvraag inzake de Monumentenwet 1988 of een
provinciale of gemeentelijke monumentenverordening). De
bouwvergunning kan in die gevallen onder voorwaarden worden
verleend. Voor aanvang van de bouwwerkzaamheden moet(en) de
definitieve vergunning(en) worden overgelegd.
4. Rapportages en berekeningen
Betreft rapportages van berekeningen
en uitgevoerde onderzoeken.
5. Overig/onbepaald
In een aantal gevallen (zie de
puntsgewijze toelichting bij de paragrafen 1.2.1b, onderdelen h en i,
en 1.2.6, onderdelen d en e) is vooraf niet in het algemeen aan te
geven op welke wijze de gevraagde informatie moet worden
aangeleverd. Het betreft hier indieningsvereisten ten behoeve van
toetspunten die niet eenduidig definieerbaar zijn, daar ze van geval
tot geval kunnen verschillen. De vereiste gegevens en bescheiden
moeten in die gevallen overeenkomstig de beschrijving van B en W
worden aangeleverd.
| |
|
|
Verkla-
ring bij digitale indie-
ning |
Aan-
vraag-
formu-
lier |
Teke-
ningen/
platte-
gronden |
Door-
sne-
den |
Con-
structie-
teke-
ningen |
Gevel-
teke-
ningen |
Situatie-
teke-
ningen |
Beschik-
kingen/
vergun-
ningen |
Rappor-
tages/
bereke-
ningen |
Certifi-
caten |
Overig/
onbe-
paald |
|
Te ver-
strekken infor-
matie A = op papier/X = op papier of digitaal) |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
1.1 |
a |
Naam, correspon-
dentieadres en handtekening aanvrager |
A |
X |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
b |
Naam en adres gemachtigde,
inclusief machtiging |
|
X |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
c |
Aard van de bouwwerk-
zaamheden |
|
X |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
d |
Lokale en kadastrale aanduiding |
|
X |
X |
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
e |
(geraamde) aannemeningssom |
|
X |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
f |
Overzichtslijst/
verklaring digitaal ingediende gegevens en bescheiden |
A |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
X |
|
1.2.1a |
|
Rapport archeologisch
bodemonderzoek |
|
|
|
|
|
|
|
|
X |
|
|
|
1.2.1b |
a |
Plattegronden en doorsnede-
tekeningen |
|
|
X |
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
b |
Aanduiding bestemmingen |
|
|
X |
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
c |
Beoogd gebruik |
|
X |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
d |
Inhoud en bruto vloeroppervlakte |
|
X |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
e |
Afmetingen perceel en situering |
|
|
X |
|
|
|
X |
|
|
|
|
| |
f |
Hoogte bouwwerk en aantal bouwlagen |
|
|
|
X |
|
|
|
|
|
|
|
| |
g |
Inrichting parkeer-
voorzieningen |
|
|
X |
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
h |
Indienings-
vereisten Agrarische Adviescommissie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
X |
| |
i |
Overige indienings-
vereisten in verband met het toetsingskader krachtens de Wet
ruimtelijke ordening |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
X |
| |
j |
Indienings-
vereisten exploitatieplan |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
X |
|
1.2.2 |
a |
Geveltekeningen en belendende
bebouwing |
|
|
X |
|
|
X |
|
|
|
|
|
| |
b |
Detailtekeningen gezichts-
bepalende bouwdelen |
|
|
|
X |
|
X |
|
|
|
|
|
| |
c |
Foto’s bestaande situatie en
omliggende bebouwing |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
X |
| |
d |
Materiaal- en kleurgebruik |
|
X |
|
|
|
|
|
|
|
|
X |
|
1.2.3 |
1a |
Belastingen en belasting-
combinaties constructie |
|
|
|
|
X |
|
|
|
X |
|
|
| |
1b |
De uiterste grenstoestand van de
bouwconstructie |
|
|
|
|
|
|
|
|
X |
|
|
| |
2 |
Kwaliteits-
verklaringen e.d. |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
X |
|
|
1.2.4 |
1a |
EPC, thermische eigenschappen en
luchtdoorlatendheid |
|
|
|
|
|
|
|
|
X |
|
|
| |
1b |
Geluidwering uitwendige scheidings-
constructie, geluidabsorptie en overige geluidwering |
|
|
|
|
|
|
|
|
X |
|
|
| |
1c |
Daglichttoetreding |
|
|
X |
|
|
|
|
|
X |
|
|
| |
1d |
Ventilatie-
voorzieningen, verbrandings-
gassen en verbrandingslucht |
|
|
X |
|
|
|
|
|
X |
|
|
| |
1e |
Brandveiligheid en rookproductie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
X |
|
| |
1f |
Brand- en rookcom-
partimentering |
|
|
X |
|
|
|
|
|
X |
|
|
| |
1g |
Vluchtroute en brandveiligheids-
voorzieningen |
|
|
X |
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
1h |
Noodstroom-
voorziening en -verlichting |
|
|
X |
|
|
|
|
|
X |
|
|
| |
1i |
Wateropname materialen vloer, wand
en plafonds in sanitaire ruimten |
|
|
|
X |
|
|
|
|
|
|
|
| |
1j |
Lucht- en waterdichtheid en
vochtwerende voorzieningen |
|
|
|
X |
|
|
|
|
|
|
|
| |
1k |
Riolering en hemelwater-
afvoeren |
|
|
X |
X |
|
|
|
|
|
|
|
| |
1l |
Gas-, elektra- en waterleiding,
inclusief aansluitpunten |
|
|
X |
X |
|
|
|
|
|
|
|
| |
1m |
Drinkwater- en warmwater-
voorzieningen |
|
|
X |
X |
|
|
|
|
|
|
|
| |
1n |
Inbraakwerendheid |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
X |
|
| |
1o |
Weren van ratten en muizen |
|
|
X |
X |
|
|
|
|
|
|
|
| |
1p |
Gebruiksfunctie en afmetingen van
ruimten |
|
|
X |
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
1q |
Opslagplaats afvalstoffen |
|
|
X |
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
1r |
Opslagplaats gevaarlijke stoffen |
|
|
X |
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
1s |
Stallingsruimte voor fietsen |
|
|
X |
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
1t |
Integrale toegankelijkheid en
toegankelijkheid van ruimten |
|
|
X |
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
1u |
Trappen, hellingbanen en
vloerafscheidingen |
|
|
X |
X |
|
|
|
|
|
X |
|
| |
1v |
Opstelplaats aanrecht, kooktoestel,
stooktoestel en ww-voorzieningen |
|
|
X |
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
1w |
Aanduiding bad- en toiletruimte,
meterruimte, liften en liftschachten |
|
|
X |
X |
|
|
|
|
|
|
|
| |
1x |
Hoogteligging vloeren |
|
|
|
X |
|
|
|
|
|
|
|
| |
1y |
Draairichting draaiende delen |
|
|
|
|
|
X |
|
|
|
|
|
| |
2 |
Kwaliteits-
verklaringen e.d. |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
X |
|
|
1.2.5 |
a |
Bouwveiligheidsplan en
toegankelijkheid bouwplaats |
|
|
|
|
|
|
X |
|
|
|
|
| |
b |
Brandveiligheids-
installaties |
|
|
|
|
|
|
|
|
X |
X |
|
| |
c |
bluswater-
voorzieningen en opstelplaatsen van brandweervoertuigen. |
|
|
X |
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
d |
Sloopvergunning |
|
|
|
|
|
|
|
X |
|
|
|
| |
e |
Rapportage bodemgesteldheid |
|
|
|
|
|
|
|
|
X |
|
|
|
1.2.6 |
a |
Kernenergiewet/Wet Milieubeheer |
|
|
|
|
|
|
|
X |
|
|
|
| |
b |
Wet Ziekenhuis-
voorzieningen |
|
|
|
|
|
|
|
X |
|
|
|
| |
c |
Monumenten-
vergunning |
|
|
|
|
|
|
|
X |
|
|
|
| |
d |
Indieningsvereisten experimentele
bouw |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
X |
| |
e |
Indieningsvereisten in verband met
afwijkings-
mogelijkheden van de Wet ruimtelijke ordening |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
X |
| |
f |
Advies van de Commissie
tunnelveiligheid |
|
|
|
|
|
|
|
|
X |
|
|
| |
g |
Toestemming artikel 14 EU-richtlijn
nr. 2004/54/EG |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|