|
BESLUIT van 3
oktober 2005, houdende regels met betrekking tot de subsidiëring ten
behoeve van de bouw van woningen in stedelijke regio’s gedurende de
periode 1 januari 2005 - 31 december 2009 (Besluit locatiegebonden
subsidies 2005), en tot wijziging van het Besluit woninggebonden
subsidies 1995 (vervallen legesvrijdom voor toegelaten instellingen)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer van 28 juni 2005, nr. MJZ2005127310, Directie
Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op de artikelen 81, tweede lid, en 88 van
de Woningwet;
De Raad van State gehoord (advies van 1
september 2005, nr. W08.05.0277/V);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 27 september
2005, nr. MJZ2005182515, Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1.
Algemeen
Artikel 1
| 1. |
In dit besluit
wordt verstaan onder:
| a. |
rechtstreekse
regio: regio genoemd in bijlage 2, tabel A,
kolom 1 ;
|
| b. |
niet-rechtstreekse
regio: regio genoemd in bijlage 2, tabel B,
kolom 2;
|
| c. |
tijdvak:
periode die begint op 1 januari 2005 en eindigt
op 31 december 2009;
|
| d. |
convenant
woningbouwafspraken: convenant waarin afspraken
zijn opgenomen tussen Onze Minister, een
rechtstreekse regio en de provincie waarin het
grondgebied van die rechtstreekse regio is
gelegen, respectievelijk tussen Onze Minister en
een provincie, omtrent de realisatie en subsidiëring
van de bouw van woningen op het gebied van die
rechtstreekse regio, respectievelijk op het
gebied van de in die provincie gelegen
niet-rechtstreekse regio’s;
|
| e. |
toevoeging
aan de woningvoorraad: elke door nieuwbouw en
door toevoeging anderszins gerealiseerde en
gereedgemelde woning;
|
| f. |
eigenbouw:
hetgeen het Centraal bureau voor de statistiek
in de door dat bureau opgestelde
woningstatistieken verstaat onder: andere
particuliere opdrachtgevers;
|
| g. |
drempelpercentage:
percentage van de toevoegingen aan de
woningvoorraad in enig kalenderjaar, dat wordt
gebruikt voor de berekening van het
drempelaantal;
|
| h. |
drempelaantal:
gedeelte van het aantal door eigenbouw nieuw
gebouwde woningen, berekend met behulp van een
van de in kolom 4 van bijlage 2 bij dit besluit
opgenomen drempelpercentages;
|
| i. |
subsidieplafond:
het bedrag dat gedurende een bepaalde periode
ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking
van subsidies krachtens dit besluit;
|
| j. |
centrumgemeente:
als zodanig in bijlage 1 bij dit besluit
aangemerkte gemeente;
|
| k. |
ontvanger:
rechtstreekse regio of provincie waaraan
subsidie als bedoeld in artikel 2, eerste lid,
is verleend;
|
| l. |
woningtekort:
het in procenten uitgedrukte tekort aan
woningen;
|
| m. |
PRIMOS
2003: Prognose-, Informatie- en
Monitoringsysteem 2003, ABF Research, Delft,
november 2003.
|
|
| 2. |
De gegevens
omtrent de gerealiseerde aantallen eigenbouw en de
gerealiseerde toevoegingen aan de woningvoorraad worden
ontleend aan de door het Centraal bureau voor de
statistiek opgestelde woningstatistieken.
|
Artikel 2
| 1. |
Onze Minister
kan een rechtstreekse regio of een provincie waarmee hij
een convenant woningbouwafspraken heeft gesloten
subsidie verlenen ten behoeve van:
| a. |
toevoegingen
aan de woningvoorraad, en
|
| b. |
het
realiseren van eigenbouw.
|
|
| 2. |
Een provincie
besteedt de haar ingevolge het eerste lid verleende
subsidie uitsluitend aan het verlenen van subsidie aan
de in die provincie gelegen niet-rechtstreekse
regio’s, of aan de in bijlage 1 bij dit besluit onder
die regio’s genoemde gemeenten, en verleent die
subsidie slechts ten behoeve van de doeleinden, genoemd
in het eerste lid, onder a en b.
|
| 3. |
Een regio
besteedt de haar ingevolge het eerste of tweede lid
verleende subsidie uitsluitend aan het verlenen van
subsidie aan de in bijlage 1 bij dit besluit onder die
regio genoemde gemeenten, en verleent die subsidie
slechts ten behoeve van de doeleinden, genoemd in het
eerste lid, onder a en b.
|
| 4. |
De bijlagen 1
en 2 bij dit besluit kunnen bij ministeriële regeling
worden gewijzigd.
|
| 5. |
Onze Minister
berekent, uitgaande van de bestuurlijke indeling per 1
januari 2004, op basis van PRIMOS 2003, per
rechtstreekse regio en provincie, alsmede voor de
rechtstreekse regio’s en provincies gezamenlijk, het
aantal in het tijdvak aan de woningvoorraad toe te
voegen woningen dat nodig is om het op voet van PRIMOS
2003 berekende woningtekort per 1 januari 2010 te
verminderen tot een woningtekort dat ligt op een door
Onze Minister per rechtstreekse regio en provincie,
alsmede voor de rechtstreekse regio’s en provincies
gezamenlijk, te bepalen niveau.
|
Hoofdstuk 2.
Het convenant woningbouwafspraken
Artikel 3
Een convenant
woningbouwafspraken vermeldt in elk geval:
| a. |
het tijdvak;
|
| b. |
het aantal
toevoegingen aan de woningvoorraad gedurende het
tijdvak;
|
| c. |
het
drempelpercentage;
|
| d. |
de planning
van het aantal toevoegingen aan de woningvoorraad in
ieder afzonderlijk kalenderjaar van het tijdvak;
|
| e. |
het aantal
woningen dat aan de woningvoorraad toegevoegd had moeten
zijn op voet van een uitvoeringscontract of
ontwikkelingscontract als bedoeld in artikel
5, respectievelijk artikel
6a, van het Besluit locatiegebonden subsidies,
maar niet is toegevoegd en alsnog in het tijdvak dient
te worden toegevoegd;
|
| f. |
de wijze
waarop het convenant kan worden gewijzigd indien
omstandigheden een dergelijke wijziging noodzakelijk
maken;
|
| g. |
het
subsidiebedrag dat het Rijk beschikbaar heeft voor de
afgesproken toevoegingen aan de woningvoorraad gedurende
het tijdvak, en
|
| h. |
het per 1
januari 2010 na te streven woningtekort, bedoeld in
artikel 2, vijfde lid.
|
Artikel 4
| 1. |
Een convenant
woningbouwafspraken met een rechtstreekse regio wordt in
elk geval ondertekend door of namens:
| a. |
het
dagelijks bestuur van die regio;
|
| b. |
gedeputeerde
staten van de provincie waarin die regio is
gelegen;
|
| c. |
burgemeester
en wethouders van de in die regio gelegen
centrumgemeenten, en
|
| d. |
Onze
Minister.
|
|
| 2. |
Een convenant
woningbouwafspraken met een provincie wordt in elk geval
ondertekend door of namens:
| a. |
gedeputeerde
staten van die provincie;
|
| b. |
burgemeester
en wethouders van de in de betrokken regio’s
gelegen centrumgemeenten, en
|
| c. |
Onze
Minister.
|
|
Hoofdstuk 3.
Subsidieplafonds
Artikel 5
| 1. |
Het plafond
voor de subsidies ten behoeve van toevoegingen aan de
woningvoorraad gedurende de jaren 2005 tot en met 2010
bedraagt € 607 miljoen.
|
| 2. |
Het plafond
voor de subsidies ten behoeve van het realiseren van
eigenbouw gedurende de jaren 2005 tot en met 2010
bedraagt € 34,5 miljoen.
|
| 3. |
Het plafond
voor de subsidies ten behoeve van toevoegingen aan de
woningvoorraad per rechtstreekse regio gedurende het
tijdvak, is het bedrag, genoemd in bijlage 2, tabel A,
kolom 2, bij dit besluit.
|
| 4. |
Het plafond
voor de subsidies ten behoeve van toevoegingen aan de
woningvoorraad per provincie gedurende het tijdvak, is
het bedrag, genoemd in bijlage 2, tabel B, kolom 3, bij
dit besluit.
|
Hoofdstuk 4.
De subsidie ten behoeve van het realiseren van eigenbouw
Artikel 6
| 1. |
Na afloop van
elk kalenderjaar van het tijdvak waarin het aantal door
eigenbouw nieuw gebouwde woningen dat op het grondgebied
van een ontvanger is toegevoegd aan de woningvoorraad
hoger is dan het op het grondgebied van die ontvanger
betrekking hebbende drempelaantal, verleent Onze
Minister een subsidie van € 1.600,–
vermenigvuldigd met het aantal door eigenbouw aan de
woningvoorraad toegevoegde nieuw gebouwde woningen dat
uitstijgt boven dat drempelaantal, zolang en voorzover
de beschikbare middelen, bedoeld in artikel 5, tweede
lid, dat toelaten.
|
| 2. |
Na afloop van
elk kalenderjaar van het tijdvak, voor het eerst na
afloop van het jaar 2007, waarin het aantal door
eigenbouw nieuw gebouwde woningen dat op het grondgebied
van een in bijlage 1 bij dit besluit genoemde gemeente
is toegevoegd aan de woningvoorraad hoger is dan het
voor die gemeente met behulp van het betreffende
regionale drempelpercentage berekende gemeentelijke
drempelaantal, verleent Onze Minister een subsidie van
€ 1.600,– vermenigvuldigd met het aantal door
eigenbouw aan de woningvoorraad toegevoegde nieuw
gebouwde woningen dat uitstijgt boven dat drempelaantal,
alsmede een subsidie van € 800,–
vermenigvuldigd met dat drempelaantal, zolang en
voorzover na toepassing van het eerste lid de
beschikbare middelen, bedoeld in artikel 5, tweede lid,
dat toelaten.
|
| 3. |
De subsidies,
bedoeld in het eerste en tweede lid, worden verleend in
volgorde van de datum van gereedmelding in het
betreffende kalenderjaar, welke datum wordt ontleend aan
de door het Centraal bureau voor de statistiek terzake
opgestelde woningstatistieken.
|
| 4. |
De subsidies,
bedoeld in het eerste en tweede lid, worden verleend en
als voorschot verleend binnen twee maanden na de datum
waarop de woningstatistieken, bedoeld in het tweede lid,
zijn bekendgemaakt. Het voorschot wordt betaald binnen
de termijn, genoemd in de eerste volzin.
|
| 5. |
De ingevolge
het tweede lid verleende subsidie wordt door de
ontvanger binnen vier weken na ontvangst daarvan
doorbetaald aan de betreffende gemeente.
|
| 6. |
Van de
termijn, genoemd in het vierde lid, kan worden afgeweken
indien rijksbudgettaire omstandigheden daartoe
aanleiding geven.
|
Artikel 7
| 1. |
De subsidie
ten behoeve van het realiseren van eigenbouw over het
tijdvak wordt vastgesteld binnen zes maanden na
ontvangst van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in
artikel 16.
|
| 2. |
Het bedrag van
de subsidie over het tijdvak wordt vastgesteld op het
bedrag van de som van de per kalenderjaar verleende
subsidies met betrekking tot het tijdvak.
|
| 3. |
In afwijking
van het tweede lid kan de subsidie lager worden
vastgesteld indien:
| a. |
de
subsidie niet of niet geheel is besteed aan het
doel waarvoor zij is verleend;
|
| b. |
de
activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet
of niet geheel hebben plaatsgevonden;
|
| c. |
de
ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de
subsidie verbonden verplichtingen;
|
| d. |
de
ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft
verstrekt en de verstrekking van juiste of
volledige gegevens tot een andere beschikking
tot subsidieverlening zou hebben geleid, of
|
| e. |
de
subsidieverlening anderszins onjuist was en de
ontvanger dit wist of behoorde te weten.
|
|
| 4. |
De
vaststelling geeft aanspraak op betaling van het
vastgestelde bedrag.
|
| 5. |
De subsidie
wordt overeenkomstig de vaststelling ervan betaald,
onder verrekening van de betaalde voorschotten.
|
Hoofdstuk 5.
De subsidie ten behoeve van toevoegingen aan de woningvoorraad
Artikel 8
| 1. |
Onze Minister
verleent en betaalt bij wijze van voorschot in elk
kalenderjaar van het tijdvak binnen twee maanden na de
bekendmaking van de door het Centraal bureau voor de
statistiek opgestelde woningstatistieken over het
voorgaande kalenderjaar, aan de rechtstreekse regio’s
en de provincies subsidie ten behoeve van toevoegingen
aan de woningvoorraad. Onze Minister kan in 2005
afwijken van de termijn, genoemd in de eerste volzin.
|
| 2. |
De subsidie en
het voorschot, bedoeld in het eerste lid, bedraagt het
bedrag per woning, vermenigvuldigd met 65% van het
aantal voor dat kalenderjaar in het betreffende
convenant woningbouwafspraken genoemde aantal aan de
woningvoorraad toe te voegen woningen exclusief de
woningen, bedoeld in artikel 3, onder e.
|
| 3. |
Het bedrag per
woning, bedoeld in het tweede lid, wordt berekend door
het in bijlage 2, tabel A, kolom 2, en tabel B, kolom 3,
bij die rechtstreekse regio of provincie genoemde
subsidieplafond te delen door het in die bijlage, tabel
A, kolom 3 en tabel B, kolom 4, bij die rechtstreekse
regio of provincie genoemde aantal toevoegingen aan de
woningvoorraad.
|
| 4. |
De subsidies,
bedoeld in dit artikel, worden slechts verleend
voorzover de beschikbare middelen, bedoeld in artikel 5,
derde en vierde lid, dat toelaten.
|
Artikel 9
| 1. |
Indien door
een ontvanger in enig kalenderjaar van het tijdvak
minder woningen aan de woningvoorraad zijn toegevoegd
dan 65% van het voor dat kalenderjaar in het convenant
woningbouwafspraken genoemde aantal aan de
woningvoorraad toe te voegen woningen exclusief de
woningen, bedoeld in artikel 3, onder e, bericht die
ontvanger zo spoedig mogelijk schriftelijk aan Onze
Minister het aantal in dat kalenderjaar aan de
woningvoorraad toegevoegde woningen, vergezeld van de
redenen die hebben geleid tot de opgetreden achterstand.
|
| 2. |
Onze Minister
kan, indien blijkens de woningstatistieken, bedoeld in
artikel 8, eerste lid, in enig kalenderjaar van het
tijdvak minder woningen zijn toegevoegd dan de in het
eerste lid bedoelde 65%, in afwijking van artikel 8,
eerste en tweede lid, voor het daarop volgende
kalenderjaar de verlening van de subsidie geheel of
gedeeltelijk weigeren.
|
Artikel 10
| 1. |
Onze Minister
verleent en betaalt bij wijze van voorschot na afloop
van elk kalenderjaar van het tijdvak binnen twee maanden
na de bekendmaking van de door het Centraal bureau voor
de statistiek opgestelde woningstatistieken over dat
kalenderjaar, subsidie ten behoeve van toevoegingen aan
de woningvoorraad, indien blijkens die
woningstatistieken door een ontvanger in dat
kalenderjaar meer woningen aan de woningvoorraad zijn
toegevoegd dan 65% van het voor dat kalenderjaar in het
convenant woningbouwafspraken genoemde aantal aan de
woningvoorraad toe te voegen woningen exclusief de
woningen, bedoeld in artikel 3, onder e.
|
| 2. |
De subsidie en
het voorschot, bedoeld in het eerste lid, bedraagt het
bedrag per woning, berekend overeenkomstig artikel 8,
derde lid, vermenigvuldigd met het aantal woningen boven
het aantal van 65% van het voor dat voorafgaande
kalenderjaar in het convenant woningbouwafspraken
genoemde aantal aan de woningvoorraad toe te voegen
woningen exclusief de woningen, bedoeld in artikel 3,
onder e.
|
| 3. |
Indien het
aantal toevoegingen aan de woningvoorraad, bedoeld in
het eerste lid, meer bedraagt dan 100% van het voor dat
kalenderjaar in het convenant woningbouwafspraken
genoemde aantal aan de woningvoorraad toe te voegen
woningen exclusief de woningen, bedoeld in artikel 3,
onder e, wordt voor dat meerdere boven 100% slechts een
voorschot uitbetaald voorzover de rijksbegroting dat
toelaat na betaling van de voorschotten, bedoeld in
artikel 8, eerste lid, en artikel 10, eerste lid,
voorzover de voorschotten, bedoeld in laatstgenoemd
artikellid het meerdere betreffen tussen de 65% en 100%
van het voor dat kalenderjaar in het convenant
woningbouwafspraken genoemde aantal aan de
woningvoorraad toe te voegen woningen exclusief de
woningen, bedoeld in artikel 3, onder e.
|
| 4. |
De subsidies,
bedoeld in dit artikel, worden slechts verleend
voorzover de beschikbare middelen, bedoeld in artikel 5,
derde en vierde lid, dat toelaten.
|
Artikel 11
Onze Minister kan
afwijken van de termijnen met betrekking tot de betaling van de
voorschotten, bedoeld in de artikelen 8 en 10, indien
rijksbudgettaire omstandigheden daartoe aanleiding geven.
Artikel 12
| 1. |
Indien een
regio in enig jaar van het tijdvak niet het in het
convenant woningbouwafspraken overeengekomen aantal
woningen aan de voorraad toevoegt, blijft de als gevolg
daarvan niet verleende subsidie tot en met 2011
beschikbaar voor de subsidiëring van die toevoegingen
op een later tijdstip, mits dat tijdstip is gelegen vóór
1 januari 2011.
|
| 2. |
In afwijking
van het eerste lid kan Onze Minister, na overleg met de
betrokken regio, besluiten de subsidiegelden, bedoeld in
dat lid, ten behoeve van toevoegingen aan de voorraad in
een andere regio in te zetten.
|
Artikel 13
| 1. |
De subsidie
ten behoeve van toevoegingen aan de woningvoorraad over
het tijdvak wordt vastgesteld binnen zes maanden na
ontvangst van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in
artikel 16.
|
| 2. |
Het bedrag van
de subsidie over het tijdvak wordt vastgesteld op het
bedrag per woning berekend overeenkomstig artikel 8,
derde lid, vermenigvuldigd met het blijkens het
eindrapport in het tijdvak gerealiseerde aantal
toevoegingen aan de woningvoorraad.
|
| 3. |
In afwijking
van het tweede lid kan de subsidie lager worden
vastgesteld indien:
| a. |
de
subsidie niet of niet geheel is besteed aan het
doel waarvoor zij is verleend;
|
| b. |
de
activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet
of niet geheel hebben plaatsgevonden;
|
| c. |
de
ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de
subsidie verbonden verplichtingen;
|
| d. |
de
ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft
verstrekt en de verstrekking van juiste of
volledige gegevens tot een andere beschikking
tot subsidieverlening zou hebben geleid, of
|
| e. |
de
subsidieverlening anderszins onjuist was en de
ontvanger dit wist of behoorde te weten.
|
|
| 4. |
De
vaststelling geeft aanspraak op betaling van het
vastgestelde bedrag.
|
| 5. |
De subsidie
wordt overeenkomstig de vaststelling ervan betaald,
onder verrekening van de betaalde voorschotten.
|
Hoofdstuk 6.
De subsidie ten behoeve van toevoegingen aan de woningvoorraad in
2010 en de subsidie ten behoeve van het realiseren van eigenbouw in
2010
Artikel 14
| 1. |
Na ontvangst
van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 16
van een rechtstreekse regio of provincie, stelt Onze
Minister met betrekking tot die regio of provincie vast
in hoeverre het aantal toevoegingen aan de
woningvoorraad in het tijdvak is achtergebleven bij de
aantallen die voor die regio of provincie zijn opgenomen
in bijlage 2, tabel A, kolom 3, respectievelijk tabel B,
kolom 4 van die bijlage.
|
| 2. |
Indien in de
rechtstreekse en niet-rechtstreekse regio’s
gezamenlijk sprake is van een zodanig aantal
toevoegingen aan de woningvoorraad in het tijdvak dat
het op voet van PRIMOS 2003 voor die regio’s
gezamenlijk berekende woningtekort per 1 januari 2010,
gecorrigeerd voor de toevoegingen in het tijdvak in die
regio’s, ten hoogste 2% bedraagt, en indien in een
zodanige regio op 1 januari 2010 sprake is van een
zodanig aantal toevoegingen aan de woningvoorraad in het
tijdvak dat het op voet van PRIMOS 2003 voor die regio
berekende woningtekort per 1 januari 2010, gecorrigeerd
voor de toevoegingen in het tijdvak in die regio, minder
dan een half procentpunt hoger is dan het woningtekort,
bedoeld in artikel 3, onder h, kan Onze Minister die
regio of de provincie waarin die regio is gelegen,
subsidie verlenen voor toevoegingen aan de
woningvoorraad in 2010 voor ten hoogste het aantal
toevoegingen aan de woningvoorraad dat nodig is om het
woningtekort te brengen op het woningtekort, bedoeld in
artikel 3, onder h, en uitsluitend voorzover:
| a. |
het
daarbij gaat om toevoegingen aan de
woningvoorraad in 2010, en
|
| b. |
de
beschikbare middelen, bedoeld in artikel 5,
eerste lid, dat toelaten.
|
|
| 3. |
Indien in een
rechtstreekse of niet-rechtstreekse regio sprake is van
een zodanig aantal toevoegingen aan de woningvoorraad in
het tijdvak dat het op voet van PRIMOS 2003 voor die
regio berekende woningtekort per 1 januari 2010,
gecorrigeerd voor de toevoegingen in het tijdvak in die
regio, een half procentpunt of meer, maar minder dan een
heel procentpunt, hoger is dan het woningtekort, bedoeld
in artikel 3, onder h, gaat Onze Minister in overleg met
de bij het betreffende convenant woningbouwafspraken
betrokken partijen na wat de oorzaken zijn die tot een
zodanig lage woningproductie in het tijdvak hebben
geleid dat een dergelijk woningtekort heeft kunnen
ontstaan, en wat de vooruitzichten zijn voor de
woningproductie in het jaar 2010 in die regio.
Afhankelijk van in ieder geval de aard van die oorzaken
en van die vooruitzichten, neemt Onze Minister een
beslissing over het al dan niet verlenen van subsidie
ten behoeve van toevoegingen aan de woningvoorraad in
2010. Indien een subsidie als bedoeld in de tweede
volzin wordt verleend, wordt die subsidie verleend voor
ten hoogste het aantal toevoegingen aan de
woningvoorraad dat nodig is om het woningtekort te
brengen op het woningtekort, bedoeld in artikel 3, onder
h, en uitsluitend voorzover:
| a. |
het
daarbij gaat om toevoegingen aan de
woningvoorraad in 2010, en
|
| b. |
de
beschikbare middelen, bedoeld in artikel 5,
eerste lid, dat toelaten.
|
|
| 4. |
Indien in een
rechtstreekse of niet-rechtstreekse regio sprake is van
een zodanig aantal toevoegingen aan de woningvoorraad in
het tijdvak dat het op voet van PRIMOS 2003 voor die
regio berekende woningtekort per 1 januari 2010,
gecorrigeerd voor de toevoegingen in het tijdvak in die
regio, een heel procentpunt of meer hoger is dan het
woningtekort, bedoeld in artikel 3, onder h, wordt geen
subsidie ten behoeve van toevoegingen aan de
woningvoorraad in 2010 verleend.
|
| 5. |
Op verleende
subsidies ten behoeve van toevoegingen aan de
woningvoorraad in 2010 vindt geen bevoorschotting
plaats, anders dan reeds verleende voorschotten op
subsidies voor toevoegingen aan de woningvoorraad
gedurende het tijdvak die niet zijn gerealiseerd en die
op basis van artikel 18 voor terugvordering in
aanmerking komen.
|
| 6. |
De subsidie
ten behoeve van toevoegingen aan de woningvoorraad in
2010 wordt vastgesteld binnen zes maanden na het
verstrekken van de verantwoordingsinformatie bedoeld in
artikel 16.
|
| 7. |
Het bedrag van
de subsidie wordt vastgesteld op het bedrag per woning,
berekend overeenkomstig artikel 8, derde lid,
vermenigvuldigd met het blijkens de
verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 16, in
2010 gerealiseerde aantal toevoegingen aan de
woningvoorraad,tot ten hoogste het bedrag van de
verleende subsidie.
|
| 8. |
In afwijking
van het zevende lid kan de subsidie lager worden
vastgesteld indien:
| a. |
de
ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft
verstrekt en de verstrekking van juiste of
volledige gegevens tot een andere beschikking
tot subsidieverlening zou hebben geleid, of
|
| b. |
de
subsidieverlening anderszins onjuist was en de
ontvanger dit wist of behoorde te weten.
|
|
| 9. |
De
vaststelling van de subsidie ten behoeve van
toevoegingen aan de woningvoorraad in 2010 geeft
aanspraak op betaling van het vastgestelde bedrag.
|
| 10. |
De subsidie
ten behoeve van toevoegingen aan de woningvoorraad in
2010 wordt overeenkomstig de vaststelling ervan betaald,
onder verrekening van eventueel betaalde voorschotten
als bedoeld in het vijfde lid.
|
Artikel 15
| 1. |
Indien op voet
van artikel 14, tweede of derde lid, door Onze Minister
ruimte is gegeven voor toevoegingen aan de
woningvoorraad in 2010, verleent Onze Minister voor die
toevoegingen subsidie voor het realiseren van eigenbouw
in 2010, voorzover de beschikbare middelen, bedoeld in
artikel 5, tweede lid, dat toelaten.
|
| 2. |
Artikel 6,
eerste, tweede en vijfde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
|
| 3. |
De subsidie,
bedoeld in het eerste lid, wordt verleend in volgorde
van de datum van gereedmelding in 2010. Die datum wordt
ontleend aan de door het Centraal bureau voor de
statistiek terzake opgestelde woningstatistieken.
|
| 4. |
De subsidie
wordt verleend en vastgesteld binnen zes maanden na
ontvangst van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in
artikel 16.
|
| 5. |
In afwijking
van artikel 6, eerste en tweede lid, kan de subsidie
lager worden vastgesteld indien:
| a. |
de
ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft
verstrekt en de verstrekking van juiste of
volledige gegevens tot een andere beschikking
tot subsidieverlening zou hebben geleid, of
|
| b. |
de
subsidieverlening anderszins onjuist was en de
ontvanger dit wist of behoorde te weten.
|
|
Hoofdstuk 7.
De verantwoordingsinformatie
Artikel 16
Een ontvanger
verstrekt jaarlijks voor 15 juli verantwoordingsinformatie aan
Onze Minister op de wijze, bedoeld in artikel
27 van het Besluit financiële verhouding 2001.
Artikel 17
| 1. |
Indien de in
artikel 16 bedoelde termijn voor indiening van de
verantwoordingsinformatie is verstreken zonder dat de
verantwoordingsinformatie door de ontvanger is
verstrekt, kan Onze Minister, in afwijking van artikel
7, tweede lid, de verlening van de subsidie ten behoeve
van het realiseren van eigenbouw intrekken of die
subsidie lager vaststellen dan het bedrag bedoeld in dat
artikellid.
|
| 2. |
Indien de in
artikel 16 bedoelde termijn voor indiening van de
verantwoordingsinformatie is verstreken zonder dat de
verantwoordingsinformatie door de ontvanger is
verstrekt, kan Onze Minister, in afwijking van artikel
13, tweede lid, en artikel 14, zevende lid, de verlening
van de subsidie ten behoeve van de toevoegingen aan de
woningvoorraad intrekken of die subsidie ambtshalve
vaststellen.
|
| 3. |
Onze Minister
gaat niet over tot intrekking, lagere vaststelling of
ambtshalve vaststelling van een subsidie op voet van dit
besluit, dan nadat de ontvanger in de gelegenheid is
gesteld de verantwoordingsinformatie te verstrekken
binnen een door Onze Minister te bepalen termijn.
|
Artikel 18
Onverschuldigd
betaalde subsidiebedragen en voorschotten kunnen worden
teruggevorderd, voorzover na de dag waarop de subsidie is
vastgesteld nog geen vijf jaren zijn verstreken. Bij de
terugvordering kan worden bepaald dat over de onverschuldigd
betaalde bedragen een rentevergoeding verschuldigd is.
Hoofdstuk 8.
Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 19
Een vóór de datum
van inwerkingtreding van dit besluit tussen Onze Minister en een
rechtstreekse regio of een provincie gesloten overeenkomst met
betrekking tot de bouw van woningen in het tijdvak, staat gelijk
aan een convenant woningbouwafspraken als bedoeld in artikel 2,
indien die overeenkomst in elk geval datgene omvat wat een
convenant woningbouwafspraken ingevolge artikel 3 omvat.
Artikel 20
| 1. |
Het Besluit
locatiegebonden subsidies wordt ingetrokken.
|
| 2. |
Het Besluit
locatiegebonden subsidies zoals dat luidde op de
datum van inwerkingtreding van dit besluit blijft van
toepassing op de gevallen waarin de
VINEX-eindverantwoording op die datum nog niet is
uitgebracht, alsmede op de gevallen waarin die
eindverantwoording aanleiding geeft tot het intrekken of
ten nadele van de ontvanger wijzigen van de op basis van
dat besluit verleende subsidie.
|
| 3. |
Artikel
34 van het Besluit woninggebonden subsidies 1995
vervalt.
|
Artikel 21
Dit besluit treedt in
werking met ingang van de dag die twee maanden ligt na de datum
van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt
geplaatst en werkt, met uitzondering van artikel 20, derde lid,
terug tot en met 1 januari 2005.
Artikel 22
Dit besluit wordt
aangehaald als: Besluit locatiegebonden subsidies 2005.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in
het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 3 oktober 2005
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
S.M. Dekker
Uitgegeven de zevenentwintigste
oktober 2005
De Minister van Justitie,
J.P.H. Donner
Bijlage 1 bij het
besluit locatiegebonden subsidies 2005
Lijst van
regio’s en gemeenten in die regio’s
De onderstreepte
gemeenten zijn de centrumgemeenten in de regio.
Provincie
Groningen
Niet-rechtstreekse
regio Samenwerkingsverband regiovisie Groningen-Assen:
Bedum, Ten Boer, Groningen,
Haren, Hoogezand-Sappemeer, Leek, Slochteren, Winsum,
Zuidhorn (Dr), Assen (Dr), Noordenveld (Dr), Tynaarlo (Dr)
Provincie
Friesland (Fryslân)
Niet-rechtstreekse
regio Leeuwarden:
Boarnsterhim, Leeuwarden,
Leeuwarderadeel, Menaldumadeel, Littenseradiel,
Tytsjerksteradiel.
Provincie
Drenthe
Niet-rechtstreekse
regio Emmen:
Emmen.
Provincie
Overijssel
Rechtstreekse
regio Twente:
Almelo,
Borne, Enschede, Hengelo
(Ov.), Wierden, Dinkelland, Hof van Twente, Haaksbergen,
Hellendoorn, Losser, Oldenzaal, Rijssen-Holten, Tubbergen,
Twenterand, Neede (Gld).
Niet-rechtstreekse
regio Zwolle-Kampen:
Zwolle,
Kampen
Provincie
Gelderland
Niet-rechtstreekse
regio Stedendriehoek:
Deventer
(Ov.), Apeldoorn, Voorst, Zutphen,
Gorssel, Brummen
Rechtstreekse
regio Knooppunt Arnhem-Nijmegen:
Arnhem,
Beuningen, Duiven, Heumen, Lingewaard, Nijmegen,
Overbetuwe, Westervoort, Wijchen, Angerlo, Didam, Doesburg,
Groesbeek, Millingen aan de Rijn, Renkum, Rijnwaarden,
Rheden, Rozendaal, Ubbergen, Zevenaar, Mook en Middelaar (Lim).
Provincie
Utrecht
Rechtstreekse
regio Bestuur Regio Utrecht (BRU):
De Bilt, Bunnik,
Houten, Maarssen, Driebergen-Rijsenburg, Utrecht,
IJsselstein, Nieuwegein, Vianen, Zeist.
Niet-rechtstreekse
regio Amersfoort:
Amersfoort,
Baarn, Bunschoten, Eemnes, Leusden, Soest, Woudenberg.
Provincie
Noord-Holland
Rechtstreekse
regio Regionaal Orgaan Amsterdam (ROA):
Aalsmeer,
Amstelveen, Amsterdam,
Beemster, Diemen, Edam-Volendam, Haarlemmermeer, Landsmeer,
Oostzaan, Ouder-Amstel, Purmerend, Uithoorn, Zeevang, Zaanstad,
Waterland, Wormerland.
Niet-rechtstreekse
regio Haarlem:
Bennebroek,
Bloemendaal, Haarlem,
Haarlemmerliede c.a., Heemstede, Zandvoort, Velsen,
Beverwijk, Heemskerk, Uitgeest, Castricum.
Niet-rechtstreekse
regio Alkmaar:
Alkmaar,
Graft-De Rijp, Bergen, Heerhugowaard, Heiloo, Langedijk,
Schermer.
Niet-rechtstreekse
regio Hilversum:
Blaricum, Bussum,
Wijdemeren, Hilversum, Huizen,
Laren, Muiden, Naarden, Weesp.
Provincie
Zuid-Holland
Rechtstreekse
regio Haaglanden:
Delft, ’s-Gravenhage,
Leidschendam-Voorburg, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk,
Wassenaar, Zoetermeer, Westland, Midden-Delftland.
Rechtstreekse
regio Stadregio Rotterdam (SRR):
Barendrecht,
Bergschenhoek, Berkel en Rodenrijs, Bleiswijk, Brielle,
Capelle aan den IJssel, Hellevoetsluis, Krimpen aan den
IJssel, Maassluis, Bernisse, Ridderkerk, Rotterdam,
Rozenburg, Schiedam,
Spijkenisse, Albrandswaard, Westvoorne, Vlaardingen.
Niet-rechtstreekse
regio Stedelijk gebied Drechtsteden:
Hendrik-Ido-Ambacht,
Zwijndrecht, Sliedrecht, Alblasserdam, Papendrecht, Dordrecht.
Niet-rechtstreekse
regio Stedelijk gebied Holland Rijnland:
Alkemade, Hillegom,
Katwijk, Leiden, Leiderdorp,
Lisse, Noordwijk, Noordwijkerhout, Oegstgeest, Rijnsburg,
Sassenheim, Valkenburg, Voorhout, Voorschoten, Warmond,
Zoeterwoude.
Provincie
Zeeland
Niet-rechtstreekse
regio Middelburg Vlissingen:
Middelburg,
Vlissingen.
Provincie
Noord-Brabant
Rechtstreekse
regio Samenwerkingsverband regio Eindhoven (SRE):
Eindhoven,
Helmond, Veldhoven, Best,
Geldrop-Mierlo, Nuenen c.a., Son en Breugel, Valkenswaard,
Waalre, Laarbeek, Asten, Deurne, Eersel, Oirschot, Someren,
Gemert-Bakel, Heeze-Leende, Reusel De Mierden, Bergeijk,
Bladel, Cranendonck.
Niet-rechtstreekse
regio Breda-Tilburg:
Breda,
Etten-Leur, Oosterhout, Goirle, Tilburg,
Dongen, Gilze en Rijen.
Niet-rechtstreekse
regio Waalboss:
Waalwijk, ’s-Hertogenbosch,
Heusden, Vught, Oss, Maasdonk, Bernheze, Loon op Zand.
Provincie
Limburg
Niet-rechtstreekse
regio Heerlen:
Landgraaf, Brunsum,
Heerlen, Kerkrade.
Niet-rechtstreekse
regio Geleen-Sittard:
Sittard-Geleen.
Niet-rechtstreekse
regio Venlo:
Venlo.
Niet-rechtstreekse
regio Maastricht:
Maastricht,
Eijsden.
Provincie
Flevoland
Niet-rechtstreekse
regio Almere-Lelystad
Almere, Lelystad.
Bijlage 2 bij het
besluit locatiegebonden subsidies 2005
Tabel A
Rechtstreekse regio’s
|
Kolom 1
|
Kolom 2
|
Kolom 3
|
Kolom 4
|
|
Regio
|
Subsidieplafonds
in €
|
Aantal
toevoegingen aan de woningvoorraad waarvoor subsidie
beschikbaar is
|
Drempelpercentage
|
|
Twente1
|
17.935.775
|
9.515
|
25,9
|
|
Knooppunt
Arnhem-Nijmegen (KAN)
|
52.729.135
|
24.591
|
15,3
|
|
Bestuur
Regio Utrecht (BRU)
|
63.263.557
|
23.695
|
2,6
|
|
Regionaal
Orgaan Amsterdam (ROA)
|
116.210.667
|
43.000
|
4,2
|
|
Haaglanden2
|
54.638.392
|
34.000
|
2,6
|
|
Stadsregio
Rotterdam3 (SRR)
|
73.342.097
|
36.450
|
5,3
|
|
Samenwerkingsverband
Regio Eindhoven (SRE)
|
18.820.312
|
15.735
|
22,9
|
Tabel B Niet-rechtstreekse regio’s
|
Kolom 1
|
Kolom 2
|
Kolom 3
|
Kolom 4
|
Kolom 5
|
|
Provincie
|
Regio
|
Subsidieplafonds
in €
|
Aantal
toevoegingen aan de woningvoorraad waarvoor subsidie
beschikbaar is
|
Drempel-percentage
|
|
Groningen
|
Samenwerkingsverband
Regiovisie Groningen-Assen
|
33.107.572
|
22.113
|
16,3
|
|
Friesland
|
Leeuwarden
|
3.180.000
|
5.300
|
21,8
|
|
Drenthe
|
Emmen
|
1.265.306
|
1.721
|
31,1
|
|
Overijssel
|
Stedelijke
Regio Zwolle-Kampen
|
4.337.777
|
4.690
|
4,0
|
|
Gelderland
|
Stedelijke
Regio Stedendriehoek
|
11.177.642
|
7.107
|
12,3
|
|
Utrecht
|
Stedelijke
Regio Amersfoort
|
8.551.043
|
5.858
|
6,9
|
|
Noord-Holland1
[4]
|
Stedelijke
Regio Haarlem
Stedelijke
Regio Alkmaar
Stedelijke
Regio Hilversum
|
36.388.195
|
26.000
|
8,8
10,2
8,3
|
|
Zuid-Holland2
[5]
|
Stedelijke
Gebied Holland Rijnland
Stedelijke
Gebied Drechtsteden
|
24.081.186
9.019.738
|
14.620
5.476
|
7,5
3,2
|
|
Zeeland3 [6]
|
Stedelijke
Regio Middelburg-Vlissingen
|
5.839.983
|
3.000
|
14,0
|
|
Noord-Brabant
|
Stedelijke
Regio Breda-Tilburg
Stedelijke
Regio Waalboss
|
27.597.657
|
23.230
|
12,0
|
|
Limburg
|
Stedelijke
Regio Venlo
Stedelijke
Regio Geleen-Sittard
Stedelijke
Regio Heerlen
Stedelijke
Regio Maastricht
|
9.356.496
|
5.910
|
12,0
|
|
Flevoland
|
Almere–Lelystad4
[7]
|
|
|
5,4
|
Tabel C Totaal Tabel A + Tabel B
|
Kolom 1
|
Kolom 2
|
Kolom 3
|
Kolom 4
|
Kolom 5
|
| |
|
Subsidieplafonds
in €
|
Aantal
toevoegingen aan de woningvoorraad waarvoor subsidie
beschikbaar is
|
Drempel
percentage
|
|
Totaal
|
|
570.842.528
|
312.011
|
|
Bijlage 3
[Vervallen per 12-09-2007]
Bijlage 4
[Vervallen per 12-09-2007]
Bijlage 5
[Vervallen per 12-09-2007]
Voetnoten:
|