|
BESLUIT van 7 augustus 2001,
houdende vaststelling van voorschriften met betrekking tot het
bouwen van bouwwerken uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid,
bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu (Bouwbesluit)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 18 december 2000, nr.
MJZ2000153138, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling
Wetgeving;
Gelet op artikel 2 van de Woningwet;
De Raad
van State gehoord (advies van 27 april 2001, nr. W08.00.0616/V);
Gezien
het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 13 juli 2001, nr.
MJZ2001078982, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling
Wetgeving;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1
1. Voor de toepassing van de bij of
krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt verstaan onder:
belastingscombinatie: verzameling van
belastingen die gelijktijdig kunnen optreden;
bouwconstructie: onderdeel van een
bouwwerk dat bestemd is om belasting te dragen;
brandcompartiment: gedeelte van een
of meer bouwwerken bestemd als maximaal uitbreidingsgebied van
brand;
brand- en rookvrije vluchtroute: van
brand gevrijwaarde rookvrije vluchtroute die uitsluitend door
verkeersruimten voert;
gebruiksfunctie: de gedeelten van een
of meer bouwwerken op een perceel of standplaats, die dezelfde
gebruiksbestemming hebben en die tezamen een gebruikseenheid vormen;
gebruiksfunctie die bijzonder
gevoelig is voor luchtvaartlawaai: gebruiksfunctie in een gebouw
waarvoor krachtens artikel 8.32 van de Wet luchtvaart een ten
hoogste toelaatbare LAeq geluidsbelasting geldt met betrekking tot
structureel uitgevoerd nachtelijk vliegverkeer vanwege de luchthaven
Schiphol;
gebruiksfunctie die gevoelig is voor
industrie-, weg- of railverkeerslawaai: gebruiksfunctie in een
gebouw, waarvoor krachtens de Wet geluidhinder een ten hoogste
toelaatbare geluidsbelasting van de uitwendige scheidingsconstructie
geldt met betrekking tot onderscheidenlijk industrielawaai vanwege
een industrieterrein, wegverkeerslawaai vanwege een weg of
railverkeerslawaai vanwege een spoorweg, alsmede een kantoorfunctie
gelegen binnen een zone waarvoor een zodanige ten hoogste
toelaatbare geluidsbelasting geldt;
gebruiksfunctie die gevoelig is voor
luchtvaartlawaai: woon-, gezondheidszorg- of onderwijsfunctie in een
gebouw:
a. gelegen binnen een met het oog
op de geluidsbelasting vastgesteld beperkingengebied als bedoeld
in hoofdstuk 8 of artikel 10.17 van de Wet luchtvaart, of
b. waarvoor krachtens artikel 108
van de Wet geluidhinder een ten hoogste toelaatbare
geluidsbelasting van de uitwendige scheidingsconstructie geldt
met betrekking tot luchtvaartlawaai vanwege een luchthaven;
integraal toegankelijke toiletruimte:
toiletruimte die mede toegankelijk is voor rolstoelgebruikers;
integraal toegankelijke badruimte:
badruimte die mede toegankelijk is voor rolstoelgebruikers;
inwendige scheidingsconstructie:
constructie die de scheiding vormt tussen twee voor mensen
toegankelijke besloten ruimten van een gebouw, waaronder begrepen de
op die constructie aansluitende delen van andere constructies,
voorzover die delen van invloed zijn op het voldoen van die
scheidingsconstructie aan een bij of krachtens dit besluit gegeven
voorschrift;
klimlijn: denkbeeldige, vloeiend
verlopende lijn die de voorkanten van de treden van een trap met
elkaar verbindt;
loopafstand: afstand, gemeten langs
een denkbeeldige, kortst realiseerbare vloeiend verlopende lijn
tussen twee punten, waarover op een afstand van ten minste 0,3 m van
constructie-onderdelen kan worden gelopen;
meetniveau: hoogte van het
aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van het
gebouw;
NEN: door de Stichting Nederlands
Normalisatie-Instituut uitgegeven norm;
nevenfunctie: gebruiksfunctie die ten
dienste staat van een andere gebruiksfunctie;
nominale belasting: maximale
belasting van een verbrandingstoestel, bepaald op basis van de
calorische bovenwaarde van de brandstof waarvoor dat toestel is
ingericht;
nooddeur: een deur die uitsluitend is
bestemd om het bouwwerk te ontvluchten;
noodtrap: een trap die uitsluitend is
bestemd om het bouwwerk te ontvluchten;
richtlijn bouwproducten: richtlijn
van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1988
betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake voor de bouw
bestemde producten (89/106/EEG, PbEG L 40), zoals gewijzigd bij
richtlijn 93/68/EEG van de Raad van 22 juli 1993 (PbEG L 220);
rookcompartiment: gedeelte van een of
meer gebouwen bestemd als maximaal uitbreidingsgebied van rook;
rookvrije vluchtroute: van rook
gevrijwaarde route die begint bij een toegang van een
rookcompartiment of een subbrandcompartiment, uitsluitend voert over
vloeren, trappen of hellingbanen en eindigt op een veilige plaats,
zonder dat gebruik behoeft te worden gemaakt van een lift;
standplaats: kavel, bestemd voor het
plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die
op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen
of van gemeenten kunnen worden aangesloten;
technische ruimte: ruimte voor het
plaatsen van de apparatuur, noodzakelijk voor het functioneren van
een gebouw, waaronder in elk geval begrepen een meterruimte, een
liftmachineruimte en een stookruimte;
toegang van een gebruiksfunctie:
toegang tot het aansluitende terrein, een gemeenschappelijke
verkeersruimte, een gemeenschappelijk verblijfsgebied of een ruimte
van een andere gebruiksfunctie, ter plaatse waarvan een route begint
die uitsluitend door niet-gemeenschappelijke ruimten van de
gebruiksfunctie naar een punt in een niet-gemeenschappelijk
verblijfsgebied voert.
toegankelijkheidssector: gedeelte van
een gebouw dat mede toegankelijk is voor rolstoelgebruikers;
trappenhuis: verkeersruimte, waarin
een trap ligt;
tunnellengte: lengte van het omsloten
gedeelte van de langste tunnelbuis waarin een rijbaan is gelegen;
uitwendige scheidingsconstructie:
constructie die de scheiding vormt tussen een voor mensen
toegankelijke besloten ruimte van een gebouw en de buitenlucht, de
grond of het water, waaronder begrepen de op die constructie
aansluitende delen van andere constructies, voorzover die delen van
invloed zijn op het voldoen van die scheidingsconstructie aan een
bij of krachtens dit besluit gegeven voorschrift;
veiligheidstrappenhuis: trappenhuis
waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, en dat in de
vluchtrichting uitsluitend kan worden bereikt vanuit een
niet-besloten ruimte;
verblijfsgebied: gedeelte van een
gebruiksfunctie met ten minste een verblijfsruimte, bestaande uit
een of meer op dezelfde bouwlaag gelegen aan elkaar grenzende
ruimten anders dan een toiletruimte, een badruimte, een technische
ruimte of een verkeersruimte;
verblijfsruimte: ruimte voor het
verblijven van mensen, dan wel een ruimte waarin de voor een
gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten plaatsvinden;
verkeersruimte: ruimte anders dan een
ruimte in een verblijfsgebied, een toiletruimte, een badruimte of
een technische ruimte, bestemd voor het bereiken van een andere
ruimte;
verkeersroute: route die begint bij
een toegang van een ruimte, uitsluitend voert over vloeren, trappen
of hellingbanen en eindigt bij de toegang van een andere ruimte;
vluchttrappenhuis: trappenhuis
waardoor een rookvrije vluchtroute voert;
wegtunnel: tunnel of tunnelvormig
bouwwerk uitsluitend dan wel mede bestemd voor motorrijtuigen als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wegenverkeerswet
1994.
2. Voor de toepassing van de bij of
krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt voorts verstaan
onder:
brandweerlift: brandweerlift als
bedoeld in NEN-EN 81-72;
bijdrage tot brandvoortplanting:
bijdrage tot brandvoortplanting als bedoeld in NEN 6065 of NEN 1775;
CLV-systeem: CLV-systeem als bedoeld
in NEN 2757;
coëfficiënt voor koeling:
coëfficiënt voor koeling als bedoeld in NEN 2916;
energieprestatiecoëfficiënt:
energieprestatiecoëfficiënt als bedoeld in NEN 2916 en NEN 5128;
factor van de temperatuur van de
binnenoppervlakte: factor van de temperatuur van de
binnenoppervlakte als bedoeld in NEN 2778;
fundamentele belastingscombinaties:
fundamentele belastingscombinaties als bedoeld in NEN 6702;
gebruiksoppervlakte:
gebruiksoppervlakte als bedoeld in NEN 2580;
hoofddraagconstructie:
hoofddraagconstructie als bedoeld in NEN 6702;
isolatie-index voor contactgeluid:
isolatie-index voor contactgeluid als bedoeld in NEN 5077;
karakteristiek geluidsniveau:
karakteristiek geluidsniveau als bedoeld in NEN 5077;
karakteristieke geluidwering:
karakteristieke geluidwering als bedoeld in NEN 5077;
karakteristieke isolatie-index voor
luchtgeluid: karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid als
bedoeld in NEN 5077;
leefzone: leefzone als bedoeld in NEN
1087;
lozingstoestel: lozingstoestel als
bedoeld in NEN 3215;
netto-inhoud: netto-inhoud als
bedoeld in NEN 2580;
rookmelder: rookmelder als bedoeld in
NEN 2555;
rookproductie: rookproductie als
bedoeld in NEN 6066;
stookplaats; stookplaats als bedoeld
NEN 6061;
uiterste grenstoestand: uiterste
grenstoestand als bedoeld in NEN 6702;
vrije hoogte: vrije hoogte als
bedoeld in NEN 2580;
vuurbelasting: vuurbelasting als
bedoeld in NEN 6090;
wateropname: wateropname als bedoeld
in NEN 2778;
weerstand tegen branddoorslag en
brandoverslag: weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag als
bedoeld in NEN 6068;
weerstand tegen rookdoorgang:
weerstand tegen rookdoorgang als bedoeld in NEN 6075.
3. Voor de toepassing van de bij of
krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt voorts verstaan
onder:
woonfunctie: gebruiksfunctie voor het
wonen;
bijeenkomstfunctie: gebruiksfunctie
voor het samenkomen van mensen voor kunst, cultuur, godsdienst,
communicatie, kinderopvang, het verstrekken van consumpties voor het
gebruik ter plaatse en het aanschouwen van sport;
celfunctie: gebruiksfunctie voor
dwangverblijf van mensen;
gezondheidszorgfunctie:
gebruiksfunctie voor medisch onderzoek, verpleging, verzorging of
behandeling;
industriefunctie: gebruiksfunctie
voor het bedrijfsmatig bewerken of opslaan van materialen en
goederen, of voor agrarische doeleinden;
kantoorfunctie: gebruiksfunctie voor
administratie;
logiesfunctie: gebruiksfunctie voor
het bieden van recreatief verblijf of tijdelijk onderdak aan mensen;
onderwijsfunctie: gebruiksfunctie
voor het geven van onderwijs;
sportfunctie: gebruiksfunctie voor
het beoefenen van sport;
winkelfunctie: gebruiksfunctie voor
het verhandelen van materialen, goederen of diensten;
overige gebruiksfunctie: niet in dit
lid benoemde gebruiksfunctie voor activiteiten waarbij het
verblijven van mensen een ondergeschikte rol speelt.
4. Voor de toepassing van de bij of
krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt voorts verstaan
onder:
bijeenkomstfunctie voor kinderopvang:
bijeenkomstfunctie voor het bedrijfsmatig opvangen, verzorgen,
opvoeden en begeleiden van kinderen die het basisonderwijs nog niet
hebben beëindigd;
lichte industriefunctie:
industriefunctie waarin activiteiten plaats vinden, waarbij het
verblijven van mensen een ondergeschikte rol speelt;
onderwijsfunctie voor speciaal
onderwijs: onderwijsfunctie voor het basis- of voortgezet speciaal
onderwijs;
overige gebruiksfunctie voor het
personenvervoer: overige gebruiksfunctie die bestemd is voor
aankomst of vertrek van vervoermiddelen ten behoeve van weg-,
spoorweg-, water- of luchtverkeer van personen.
5. Voor de toepassing van de bij of
krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt voorts verstaan
onder:
woongebouw: gebouw of gedeelte van
een gebouw, waarin twee of meer woonfuncties liggen, die zijn
aangewezen op een of meer gemeenschappelijke verkeersroutes;
cellengebouw: gebouw of gedeelte van
een gebouw, waarin twee of meer celfuncties liggen, die zijn
aangewezen op een of meer gemeenschappelijke verkeersroutes;
logiesgebouw: gebouw of gedeelte van
een gebouw, waarin twee of meer logiesfuncties liggen, die zijn
aangewezen op een of meer gemeenschappelijke verkeersroutes;
woonwagen: voor bewoning bestemd
gebouw dat is geplaatst op een standplaats en dat in zijn geheel of
in delen kan worden verplaatst.
6. Voor de toepassing van de bij of
krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt voorts verstaan
onder:
bezettingsgraad van
gebruiksoppervlakte: aantal m2 gebruiksoppervlakte per persoon;
bezettingsgraad van vloeroppervlakte:
aantal m2 vloeroppervlakte van een verblijfsgebied per persoon;
bezettingsgraadklasse: klasse die de
bezettingsgraad van een gebruiksoppervlakte en de bezettingsgraad
van een vloeroppervlakte aan verblijfsgebied aangeeft overeenkomstig
tabel 1.
tabel 1
|
klasse |
bezettingsgraad |
|
| |
in m2
gebruiksoppervlakte per persoon |
in m2
vloeroppervlakte aan verblijfsgebied per persoon |
|
B1 |
> 0,8 − ≤ 2 |
> 0,5 − ≤ 1.3 |
|
B2 |
> 2 – ≤ 5 |
> 1,3 – ≤ 3,3 |
|
B3 |
> 5 – ≤ 12 |
> 3,3 – ≤ 8 |
|
B4 |
> 12 – ≤ 30 |
> 8 – ≤ 20 |
|
B5 |
> 30 |
> 20 |
7. Voor de toepassing van de bij of
krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt in een tabel
verstaan onder:
–: dit lid is niet van
toepassing;
*: het hele artikel is van
toepassing;
>: alle waarden groter dan
de achter dit teken aangegeven waarde;
n.t.: deze
bezettingsgraadklasse is niet toegestaan;
≤: alle waarden kleiner
of gelijk aan de achter dit teken aangegeven waarde.
Artikel 1.2
Bij of krachtens dit besluit worden
gedeelten van een bouwwerk, ruimten of voorzieningen, die ten dienste
staan van meer dan een gebruiksfunctie, aangeduid als
gemeenschappelijk. Zodanige gedeelten, ruimten of voorzieningen
worden, met uitzondering van gedeelten van een nevenfunctie, geacht
deel uit te maken van ieder van de betrokken gebruiksfuncties.
§ 1.2. Toepassing NEN en NEN-EN
Artikel 1.3
Bij ministeriële regeling kunnen
voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van een in dit
besluit genoemde NEN.
Artikel 1.4
1. Indien een in dit besluit genoemde
NEN wordt vervangen door een NEN-EN als bedoeld in artikel 4, eerste
lid, van de richtlijn bouwproducten, treedt die NEN-EN in de plaats
van die NEN.
2. Bij ministeriële regeling kunnen
voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van een NEN-EN
als bedoeld in het eerste lid, waarbij, voorzover nodig, kan worden
afgeweken van een bij of krachtens dit besluit gegeven voorschrift.
§ 1.3. Gelijkwaardigheidsbepaling
Artikel 1.5
Aan een in het tweede tot en met zesde
hoofdstuk gesteld voorschrift dat moet worden toegepast om te voldoen
aan een met betrekking tot een bouwwerk of een gedeelte daarvan
gestelde eis, behoeft niet te worden voldaan, voorzover anders dan
door toepassing van dat voorschrift het bouwwerk of het betrokken
gedeelte daarvan ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming
van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van
het milieu biedt, als is beoogd met het betrokken voorschrift.
§ 1.4. CE-markeringen en
kwaliteitsverklaringen
Artikel 1.6
1. Het is verboden voor een
bouwproduct waarvoor een CE-markering als bedoeld in de richtlijn
bouwproducten is vastgesteld een op de eisen waarop die CE-markering
betrekking heeft toegesneden nationale kwaliteitsverklaring te eisen
of verplicht te stellen.
2. Indien bij of krachtens dit
besluit een eis is gesteld ten aanzien van een bouwproduct waarvoor
een op die eis toegesneden CE-markering is afgegeven, is aan de
betreffende eis voldaan indien dat bouwproduct overeenkomstig de
CE-markering is toegepast.
3. Het eerste en tweede lid zijn van
overeenkomstige toepassing op een bouwproduct waarvoor een
verklaring van conformiteit als bedoeld in artikel 4, vijfde lid,
van de richtlijn bouwproducten is afgegeven.
Artikel 1.7
Indien bij of krachtens dit besluit een
eis is gesteld ten aanzien van een bouwproduct of bouwproces en
daarvoor een op die eis toegesneden kwaliteitsverklaring is afgegeven
op basis van een door Onze Minister erkend stelsel van
kwaliteitsverklaringen voor de bouw, is aan de betreffende eis voldaan
indien dat product, of dat proces overeenkomstig de
kwaliteitsverklaring is toegepast.
Artikel 1.8
1. Het is verboden een bouwproduct in
de handel te brengen, waarvoor overeenkomstig de richtlijn
bouwproducten is vastgesteld dat het een CE-markering moet dragen,
indien dat product:
a. niet zodanige eigenschappen
bezit dat het bouwwerk waarin het is verwerkt, gemonteerd,
toegepast of geďnstalleerd, kan voldoen aan de fundamentele
voorschriften als bedoeld in artikel 3 van de richtlijn
bouwproducten, of
b. niet is voorzien van de daarop
betrekking hebbende CE-markering.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op bouwproducten waarvoor een verklaring van conformiteit
als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van de richtlijn bouwproducten
is afgegeven, en op bouwproducten ten aanzien waarvan Onze Minister
met toepassing van artikel 6, tweede lid, van de richtlijn
bouwproducten heeft bepaald dat zij binnen Nederland in de handel
mogen worden gebracht.
3. Overtreding van het in het eerste
lid gestelde verbod is een strafbaar feit.
Artikel 1.9
1. Het is verboden een bouwproduct,
een aan dat product bevestigd label, de verpakking van een
bouwproduct of de begeleidende handelsdocumenten te voorzien van een
markering die gelijkenis vertoont met een CE-markering, als bedoeld
in artikel 4, zesde lid, van de richtlijn bouwproducten.
2. Overtreding van het in het eerste
lid gestelde verbod is een strafbaar feit.
Artikel 1.10
Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld omtrent hetgeen met het oog op de implementatie
van de richtlijn bouwproducten regeling behoeft.
§ 1.5. Verbouw van bouwwerken
Artikel 1.11
1. Het bevoegd gezag kan bij een
omgevingsvergunning die betrekking heeft op het geheel of
gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een
bouwwerk afwijken van een bij of krachtens dit besluit vastgesteld
voorschrift omtrent het bouwen van een bouwwerk tot het niveau van
het desbetreffende voorschrift voor de staat van een bestaand
bouwwerk. Bij het ontbreken van laatstbedoeld voorschrift kan worden
afgeweken tot het rechtens verkregen niveau.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing voor zover bij of krachtens dit besluit anders is bepaald.
Artikel 1.12
1. Het bevoegd gezag kan bij een
omgevingsvergunning die betrekking heeft op zowel het geheel of
gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een
bouwwerk als een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid,
onder f, dan wel artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht, in het belang van de
monumentenzorg afwijken van een bij of krachtens dit besluit
vastgesteld voorschrift.
2. Indien voor het geheel of
gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een
bouwwerk geen omgevingsvergunning is vereist en dat bouwen tevens
kan worden aangemerkt als een activiteit als bedoeld in artikel 2.1,
eerste lid, onder f, dan wel artikel 2.2, eerste lid, onder b, van
de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, is, voor zover een
voorschrift, verbonden aan een vergunning op grond van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht voor die activiteit, afwijkt van
een bij of krachtens dit besluit vastgesteld voorschrift,
uitsluitend het aan de vergunning verbonden voorschrift van
toepassing.
§ 1.6. Niet-permanente bouwwerken
Artikel 1.13
1. Een te bouwen niet-permanent
bouwwerk voldoet ten minste aan de voorschriften met betrekking tot
de staat van een bestaand bouwwerk. Het voldoet bovendien aan de
voorschriften met betrekking tot een te bouwen bouwwerk, voorzover
dat met betrekking tot die voorschriften is aangegeven.
2. Een bestaand niet-permanent
bouwwerk voldoet ten minste aan de voorschriften met betrekking tot
de staat van een bestaand bouwwerk.
3. Een niet-permanent bouwwerk
voldoet bij verplaatsing ten minste aan de voorschriften met
betrekking tot een bestaand bouwwerk.
4. Een woonwagen voldoet bij
herplaatsing ten minste aan de voorschriften met betrekking tot een
bestaande woonwagen.
Hoofdstuk 2. Voorschriften uit het
oogpunt van veiligheid
Afdeling 2.1. Algemene sterkte van de
bouwconstructie
§ 2.1.1. Nieuwbouw
Artikel 2.1
1. Een te bouwen bouwwerk heeft een
bouwconstructie die gedurende de in NEN 6700 bedoelde
referentieperiode voldoende bestand is tegen de daarop werkende
krachten.
2. Voorzover voor een gebruiksfunctie
in tabel 2.1 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die
gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door
toepassing van die voorschriften.
Tabel 2.1
|
gebruiks-
functie |
|
|
leden van
toepassing |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
belas-
tings-
combi-
naties |
bouw-
con-
structie |
|
|
|
|
belas-
tings-
combi-
naties |
hoofd-
draag-
con-
structie |
uiterste grens-
toestand |
|
|
|
|
ver-
bouw |
|
|
|
artikel |
2.2 |
|
|
|
|
|
2.3 |
|
2.4 |
|
|
|
|
2.4a |
|
|
|
lid |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
* |
|
1 |
Woonfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
a |
woonfunctie
gelegen in een woongebouw |
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
1 |
– |
1 |
2 |
3 |
– |
5 |
– |
|
|
b |
woonfunctie van
een woonwagen |
1 |
– |
3 |
4 |
– |
– |
– |
– |
1 |
2 |
3 |
– |
5 |
– |
|
|
c |
andere
woonfunctie |
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
– |
|
2 |
Bijeenkomst-
functie |
|
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
1 |
– |
1 |
2 |
3 |
– |
5 |
– |
|
3 |
Celfunctie |
|
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
1 |
– |
1 |
2 |
3 |
– |
5 |
– |
|
4 |
Gezondheids-
zorgfunctie |
|
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
1 |
– |
1 |
2 |
3 |
– |
5 |
– |
|
5 |
Industriefunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
a |
lichte industrie-
functie |
1 |
2 |
3 |
– |
5 |
– |
– |
– |
1 |
2 |
3 |
– |
5 |
– |
|
|
b |
andere industrie-
functie |
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
1 |
– |
1 |
2 |
3 |
– |
5 |
– |
|
6 |
Kantoorfunctie |
|
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
1 |
– |
1 |
2 |
3 |
– |
5 |
– |
|
7 |
Logiesfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
a |
logiesfunctie
niet gelegen in een logies-
gebouw |
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
– |
|
|
b |
logiesfunctie
gelegen in een logies-
gebouw |
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
1 |
– |
1 |
2 |
3 |
– |
5 |
– |
|
8 |
Onderwijs-
functie |
|
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
1 |
– |
1 |
2 |
3 |
– |
5 |
– |
|
9 |
Sportfunctie |
|
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
1 |
– |
1 |
2 |
3 |
– |
5 |
– |
|
10 |
Winkelfunctie |
|
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
1 |
– |
1 |
2 |
3 |
– |
5 |
– |
|
11 |
Overige
gebruiksfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
a |
overige gebruiks-
functie voor het personen-
vervoer |
1 |
2 |
3 |
– |
– |
6 |
1 |
– |
1 |
2 |
3 |
– |
5 |
– |
|
|
b |
overige gebruiks-
functie voor het stallen van motor-
voertuigen |
1 |
2 |
3 |
– |
– |
6 |
1 |
– |
1 |
2 |
3 |
– |
5 |
– |
|
|
c |
andere overige
gebruiks-
functie |
1 |
2 |
3 |
– |
– |
6 |
– |
– |
1 |
2 |
3 |
– |
5 |
– |
|
12 |
Bouwwerk geen
gebouw zijnde |
|
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
1 |
– |
1 |
2 |
3 |
– |
5 |
* |
Artikel 2.2
1. Een uiterste grenstoestand van een
bouwconstructie wordt niet overschreden bij de fundamentele
belastingscombinaties, bepaald volgens NEN 6702. Voorzover NEN 6702
niet voorziet in de kwantificering van de belastingscombinaties,
wordt uitgegaan van NEN 6700.
2. Onverminderd het eerste lid, wordt
een uiterste grenstoestand van een dak of een vloerafscheiding niet
overschreden bij de bijzondere belastingscombinaties als bedoeld in
NEN 6702. Daarbij wordt uitgegaan van een stootbelasting.
3. In afwijking van het eerste lid,
kan voor de bouwconstructie van een toiletruimte, een badruimte, een
meterruimte, een opstelplaats voor een warmwatertoestel en een
opstelplaats voor een stooktoestel worden uitgegaan van de
fundamentele belastingscombinaties, bepaald volgens NEN 3859.
4. Voor het bepalen van de
fundamentele belastingscombinaties voor de fundering voor een
woonwagen wordt, in afwijking van het eerste lid, uitgegaan van:
a. een laststelsel dat bestaat
uit twee verticale, evenwijdige lijnlasten die elk een
rekenwaarde hebben ter grootte van 6,8 kN/m en een lengte van 15
m, en die op een afstand van ten minste 2,5 m en ten hoogste 3 m
van elkaar liggen; indien de standplaats ligt in een onbebouwd
gebied I, als bedoeld in NEN 6702, wordt voor de lijnlasten
uitgegaan van een rekenwaarde ter grootte van 7,3 kN/m,
b. een puntlast met een
rekenwaarde van 50 kN die in rekening wordt gebracht als een
vrije belasting als bedoeld in NEN 6702, en
c. de rekenwaarde van het eigen
gewicht van de fundering.
5. In afwijking van het eerste lid
kan worden uitgegaan van de fundamentele belastingscombinaties,
bepaald volgens NEN 3859.
6. In afwijking van het eerste lid
kan voor een gebouw met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50
m2 worden uitgegaan van de fundamentele belastingscombinaties,
bepaald volgens NEN 3859.
Artikel 2.3
1. Een uiterste grenstoestand van een
hoofddraagconstructie wordt, onverminderd artikel 2.2, niet
overschreden bij bijzondere belastingscombinaties als bedoeld in NEN
6702. Daarbij wordt uitgegaan van:
a. een gasexplosie,
b. een botsing door een voertuig,
en
c. een extreme grondwaterstand.
Indien NEN 6702 niet voorziet in de
kwantificering van de belastingscombinaties wordt uitgegaan van NEN
6700.
2. Onverminderd het eerste lid wordt
eveneens uitgegaan van het wegvallen van de bijdrage aan de
standzekerheid die wordt geleverd door constructie-onderdelen op een
aangrenzend perceel.
Artikel 2.4
1. Het niet overschrijden van een
uiterste grenstoestand als bedoeld in artikel 2.2 wordt bepaald
volgens:
a. NEN 6710 of NEN 6770, indien
de bouwconstructie is vervaardigd van metaal als bedoeld in die
normen,
b. NEN 6720 of NEN 6790, indien
de bouwconstructie is vervaardigd van steenachtig materiaal als
bedoeld in die normen,
c. NEN 6760, indien de
bouwconstructie is vervaardigd van hout als bedoeld in die norm,
d. NEN 2608, indien de
bouwconstructie is vervaardigd van glas als bedoeld in die norm,
of
e. NEN 6707, indien de
bouwconstructie de bevestiging van dakbedekking is als bedoeld
in die norm.
2. Indien voor een bouwconstructie
wordt uitgegaan van de belastingscombinaties, bepaald volgens NEN
3859, wordt, in afwijking van het eerste lid, het niet overschrijden
van een uiterste grenstoestand bepaald volgens NEN 3859.
3. Bij het bepalen van het niet
overschrijden van een uiterste grenstoestand als bedoeld in artikel
2.2 blijven bouwconstructies die op een ander perceel zijn gelegen
buiten beschouwing.
4. In afwijking van het derde lid,
blijven bouwconstructies van een op een ander perceel gelegen
gebruiksfunctie van dezelfde soort niet buiten beschouwing.
5. Indien een ander materiaal of een
andere bepalingsmethode is toegepast dan aangegeven in het eerste en
tweede lid, wordt het niet overschrijden van een uiterste
grenstoestand als bedoeld in artikel 2.2, bepaald volgens NEN 6700.
Artikel 2.4a
Het bevoegd gezag wijkt bij een
omgevingsvergunning die betrekking heeft op het geheel of gedeeltelijk
vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk, geen
gebouw zijnde, af van de artikelen 2.2 tot en met 2.4 tot het niveau
van de desbetreffende voorschriften voor een bestaand bouwwerk.
§ 2.1.2. Bestaande bouw
Artikel 2.5
1. Een bestaand bouwwerk heeft een
bouwconstructie die gedurende de in NEN 6700 bedoelde
referentieperiode voldoende bestand is tegen de daarop werkende
krachten.
2. Voorzover voor een gebruiksfunctie
in tabel 2.5 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die
gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door
toepassing van die voorschriften.
Tabel 2.5
|
gebruiksfunctie |
|
|
leden van
toepassing |
|
|
|
|
|
|
| |
|
|
belastingscombinaties |
bouwconstructie |
|
|
uiterste
grenstoestand |
|
|
| |
|
artikel |
2.6 |
|
|
|
2.7 |
|
|
| |
|
lid |
1 |
2 |
3 |
4 |
1 |
2 |
3 |
|
1 |
Woonfunctie |
|
1 |
2 |
- |
– |
1 |
2 |
3 |
|
2 |
Bijeenkomstfunctie |
|
1 |
2 |
– |
– |
1 |
2 |
3 |
|
3 |
Celfunctie |
|
1 |
2 |
– |
– |
1 |
2 |
3 |
|
4 |
Gezondheidszorgfunctie |
|
1 |
2 |
– |
– |
1 |
2 |
3 |
|
5 |
Industriefunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
lichte industriefunctie |
1 |
2 |
3 |
– |
1 |
2 |
3 |
| |
b |
andere industriefunctie |
1 |
2 |
– |
– |
1 |
2 |
3 |
|
6 |
Kantoorfunctie |
|
1 |
2 |
– |
– |
1 |
2 |
3 |
|
7 |
Logiesfunctie |
|
1 |
2 |
– |
– |
1 |
2 |
3 |
|
8 |
Onderwijsfunctie |
|
1 |
2 |
– |
– |
1 |
2 |
3 |
|
9 |
Sportfunctie |
|
1 |
2 |
– |
– |
1 |
2 |
3 |
|
10 |
Winkelfunctie |
|
1 |
2 |
– |
– |
1 |
2 |
3 |
|
11 |
Overige gebruiksfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
overige gebruiksfunctie voor het
personenvervoer |
1 |
2 |
– |
4 |
1 |
2 |
3 |
| |
b |
overige gebruiksfunctie voor het
stallen van motorvoertuigen |
1 |
2 |
– |
4 |
1 |
2 |
3 |
| |
c |
andere overige gebruiksfunctie |
1 |
2 |
3 |
– |
1 |
2 |
3 |
|
12 |
Bouwwerk geen gebouw zijnde |
|
1 |
2 |
– |
– |
1 |
2 |
3 |
Artikel 2.6
1. Een uiterste grenstoestand van een
bouwconstructie wordt niet overschreden bij de fundamentele
belastingscombinaties, bepaald volgens NEN 6702. Voorzover NEN 6702
niet voorziet in de kwantificering van de belastingscombinaties
wordt uitgegaan van NEN 6700.
2. In afwijking van het eerste lid,
kan voor de bouwconstructie van een toiletruimte, een badruimte, een
meterruimte, een opstelplaats voor een warmwatertoestel en een
opstelplaats voor een stooktoestel worden uitgegaan van de
fundamentele belastingscombinaties, bepaald volgens NEN 3859.
3. In afwijking van het eerste lid,
kan worden uitgegaan van de fundamentele belastingscombinaties,
bepaald volgens NEN 3859.
4. In afwijking van het eerste lid
kan voor een gebouw met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan
100 m2 worden uitgegaan van de fundamentele belastingscombinaties,
bepaald volgens NEN 3859.
Artikel 2.7
1. Het niet overschrijden van een
uiterste grenstoestand als bedoeld in artikel 2.6 wordt bepaald
volgens:
a. NEN 6710 of NEN 6770, indien
de bouwconstructie is vervaardigd van metaal als bedoeld in die
normen,
b. NEN 6720 of NEN 6790, indien
de bouwconstructie is vervaardigd van steenachtig materiaal als
bedoeld in die normen,
c. NEN 6760, indien de
bouwconstructie is vervaardigd van hout als bedoeld in die norm,
d. NEN 2608, indien de
bouwconstructie is vervaardigd van glas als bedoeld in die norm,
of
e. NEN 6707, indien de
bouwconstructie de bevestiging van dakbedekking is als bedoeld
in die norm.
2. Indien voor een bouwconstructie
wordt uitgegaan van de belastingscombinaties, bepaald volgens NEN
3859, wordt, in afwijking van het eerste lid, het niet overschrijden
van een uiterste grenstoestand bepaald volgens NEN 3859. 3.
3. Indien een ander materiaal of een
andere bepalingsmethode is toegepast dan aangegeven in het eerste en
tweede lid, wordt het niet overschrijden van een uiterste
grenstoestand als bedoeld in artikel 2.6, bepaald volgens NEN 6700.
Afdeling 2.2. Sterkte bij brand
§ 2.2.1. Nieuwbouw
Artikel 2.8
1. Een te bouwen bouwwerk heeft een
bouwconstructie die zodanig is dat het bouwwerk bij brand gedurende
redelijke tijd kan worden verlaten en doorzocht, zonder dat er
gevaar voor instorting is.
2. Voorzover voor een gebruiksfunctie
in tabel 2.8 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die
gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door
toepassing van die voorschriften.
Tabel 2.8
|
gebruiksfunctie |
|
|
leden van
toepassing |
|
|
|
|
|
|
|
| |
|
|
tijdsduur
bezwijken |
|
|
|
|
|
|
bepalingsmethode |
| |
|
artikel |
2.9 |
|
|
|
|
|
|
2.10 |
| |
|
lid |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
* |
|
1 |
Woonfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
woonfunctie van een woonwagen |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
| |
b |
andere woonfunctie |
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
– |
* |
|
2 |
Bijeenkomstfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
bijeenkomstfunctie voor
kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar of 24-uurs opvang |
1 |
– |
– |
– |
5 |
6 |
– |
* |
| |
b |
andere bijeenkomstfunctie |
1 |
– |
– |
4 |
– |
6 |
– |
* |
|
3 |
Celfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
celfunctie voor dag- en
nachtverblijf |
1 |
– |
– |
– |
5 |
6 |
– |
* |
| |
b |
andere celfunctie |
1 |
– |
– |
4 |
– |
6 |
– |
* |
|
4 |
Gezondheidszorgfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
gezondheidszorgfunctie voor aan
bed gebonden patiënten |
1 |
– |
– |
– |
5 |
6 |
– |
* |
| |
b |
andere gezondheidszorgfunctie |
1 |
– |
– |
4 |
– |
6 |
– |
* |
|
5 |
Industriefunctie |
|
1 |
– |
– |
4 |
– |
6 |
– |
* |
|
6 |
Kantoorfunctie |
|
1 |
– |
– |
4 |
– |
6 |
– |
* |
|
7 |
Logiesfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
logiesfunctie met een
gebruiksoppervlakte van niet meer dan 100 m2, niet gelegen in
een logiesgebouw |
1 |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
* |
| |
b |
andere logiesfunctie |
1 |
– |
– |
– |
5 |
6 |
– |
* |
|
8 |
Onderwijsfunctie |
|
1 |
– |
– |
4 |
– |
6 |
– |
* |
|
9 |
Sportfunctie |
|
1 |
– |
– |
4 |
– |
6 |
– |
* |
|
10 |
Winkelfunctie |
|
1 |
– |
– |
4 |
– |
6 |
– |
* |
|
11 |
Overige gebruiksfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
overige gebruiksfunctie voor het
personenvervoer |
1 |
– |
– |
4 |
– |
6 |
– |
* |
| |
b |
overige gebruiksfunctie voor het
stallen van motorvoertuigen |
1 |
– |
– |
4 |
– |
6 |
– |
* |
| |
c |
andere overige gebruiksfunctie |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
|
12 |
Bouwwerk geen gebouw zijnde |
|
– |
– |
– |
– |
– |
– |
7 |
* |
Artikel 2.9
1. Een uiterste grenstoestand van een
bouwconstructie waarvan het bezwijken leidt tot het onbruikbaar
worden van een rookvrije vluchtroute, wordt gedurende 30 minuten
niet overschreden bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere
belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand.
2. Onverminderd het eerste lid, wordt
een uiterste grenstoestand van een in tabel 2.9.1 aangegeven
hoofddraagconstructie gedurende de in die tabel aangegeven tijdsduur
niet overschreden bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere
belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand.
Tabel 2.9.1
|
hoofddraagconstructie |
tijdsduur van de
brandwerendheid met betrekking tot bezwijken in minuten |
|
indien geen vloer van een
verblijfsgebied van de woonfunctie hoger ligt dan 7 m boven het
meetniveau |
60 |
|
indien een vloer van een
verblijfsgebied van de woonfunctie hoger ligt dan 7 m en niet
hoger dan 13 m boven het meetniveau |
90 |
|
indien een vloer van een
verblijfsgebied van de woonfunctie hoger ligt dan 13 m boven het
meetniveau |
120 |
3. In afwijking van het tweede lid,
wordt de in tabel 2.9.1 aangegeven tijdsduur met 30 minuten
bekort, indien de volgens NEN 6090 bepaalde permanente
vuurbelasting van het bouwwerk waarvan de hoofddraagconstructie
deel uitmaakt niet groter is dan 500 MJ/m2 en geen vloer van een
verblijfsgebied hoger ligt dan 7 m boven het meetniveau.
4. Onverminderd het eerste lid,
wordt een uiterste grenstoestand van de hoofddraagconstructie van
een gebruiksfunctie waarvan een vloer van een verblijfsgebied
hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau, gedurende 90 minuten niet
overschreden bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere
belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand.
5. Onverminderd het eerste lid,
wordt een uiterste grenstoestand van een in tabel 2.9.2 aangegeven
hoofddraagconstructie gedurende de in die tabel aangegeven
tijdsduur niet overschreden bij de volgens NEN 6702 bepaalde
bijzondere belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand.
Tabel 2.9.2
|
hoofddraagconstructie |
tijdsduur van de
brandwerendheid met betrekking tot bezwijken in minuten |
|
indien geen vloer van een
verblijfsgebied van de gebruiksfunctie hoger ligt dan 5 m boven
het meetniveau |
60 |
|
indien een vloer van een
verblijfsgebied van de gebruiksfunctie hoger ligt dan 5 m en
niet hoger dan 13 m boven het meetniveau |
90 |
|
indien een vloer van een
verblijfsgebied van die gebruiksfunctie hoger ligt dan 13 m
boven het meetniveau |
120 |
6. In afwijking van het vierde en
vijfde lid, wordt de tijdsduur van de brandwerendheid met 30
minuten verlaagd, indien de volgens NEN 6090 bepaalde permanente
vuurbelasting van het bouwwerk waarvan de hoofddraagconstructie
deel uitmaakt niet groter is dan 500 MJ/m2.
7. Een uiterste grenstoestand van
een hoofddraagconstructie wordt, afhankelijk van de bestemming en
de inrichting van een bouwwerk, bij de volgens NEN 6702 bepaalde
bijzondere belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand,
gedurende zodanige tijd niet overschreden, dat het bouwwerk bij
brand binnen redelijke tijd kan worden verlaten en kan worden
doorzocht, zonder dat gevaar bestaat voor instorting van de
hoofddraagconstructie.
Artikel 2.10
De tijdsduur gedurende welke een
uiterste grenstoestand van een bouwconstructie niet wordt
overschreden, als bedoeld in artikel 2.9, wordt bepaald volgens:
a. NEN 6069,
b. NEN 6071,
c. NEN 6072 of
d. NEN 6073.
§ 2.2.2. Bestaande bouw
Artikel 2.11
1. Een bestaand bouwwerk heeft een
bouwconstructie die zodanig is dat het bouwwerk bij brand gedurende
enige tijd kan worden verlaten en doorzocht zonder dat er gevaar
voor instorting is.
2. Voorzover voor een gebruiksfunctie
in tabel 2.11 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die
gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door
toepassing van die voorschriften.
Tabel 2.11
|
gebruiksfunctie |
|
|
leden van
toepassing |
|
|
|
|
|
| |
|
|
tijdsduur
bezwijken |
|
|
|
|
bepalingsmethode |
| |
|
artikel |
2.12 |
|
|
|
|
2.13 |
| |
|
lid |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
* |
|
1 |
Woonfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
woonfunctie gelegen in een
woongebouw |
1 |
2 |
– |
– |
– |
* |
| |
b |
woonfunctie van een woonwagen |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
| |
c |
andere woonfunctie |
1 |
2 |
– |
– |
– |
* |
|
2 |
Bijeenkomstfunctie |
|
1 |
– |
3 |
– |
– |
* |
|
3 |
Celfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
celfunctie voor dag- en
nachtverblijf |
1 |
– |
– |
4 |
– |
* |
| |
b |
andere celfunctie |
1 |
– |
3 |
– |
– |
* |
|
4 |
Gezondheidszorgfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
gezondheidszorgfunctie voor aan
bed gebonden patiënten |
1 |
– |
– |
4 |
– |
* |
| |
b |
andere gezondheidszorgfunctie |
1 |
– |
3 |
– |
– |
* |
|
5 |
Industriefunctie |
|
1 |
– |
3 |
– |
– |
* |
|
6 |
Kantoorfunctie |
|
1 |
– |
3 |
– |
– |
* |
|
7 |
Logiesfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
logiesfunctie met een
gebruiksoppervlakte van niet meer dan 100 m2, niet gelegen in
een logiesgebouw |
1 |
– |
– |
– |
– |
* |
| |
b |
andere logiesfunctie |
1 |
– |
– |
4 |
– |
* |
|
8 |
Onderwijsfunctie |
|
1 |
– |
3 |
– |
– |
* |
|
9 |
Sportfunctie |
|
1 |
– |
3 |
– |
– |
* |
|
10 |
Winkelfunctie |
|
1 |
– |
3 |
– |
– |
* |
|
11 |
Overige gebruiksfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
overige gebruiksfunctie voor het
personenvervoer |
1 |
– |
3 |
– |
– |
* |
| |
b |
andere overige gebruiksfunctie |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
|
12 |
Bouwwerk geen gebouw zijnde |
|
– |
– |
– |
– |
5 |
* |
Artikel 2.12
1. Een uiterste grenstoestand van een
bouwconstructie waarvan het bezwijken leidt tot het onbruikbaar
worden van een rookvrije vluchtroute, wordt gedurende 20 minuten
niet overschreden bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere
belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand.
2. Onverminderd het eerste lid, wordt
een uiterste grenstoestand van een in tabel 2.12.1 aangegeven
hoofddraagconstructie gedurende de in die tabel aangegeven tijdsduur
niet overschreden bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere
belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand.
Tabel 2.12.1
|
hoofddraagconstructie |
tijdsduur van de
brandwerendheid met betrekking tot bezwijken in minuten |
|
indien een vloer van een
verblijfsruimte van de woonfunctie hoger ligt dan 7 m en niet
hoger dan 13 m boven het meetniveau |
30 |
|
indien een vloer van een
verblijfsruimte van de woonfunctie hoger ligt dan 13 m boven het
meetniveau |
60 |
3. Onverminderd het eerste lid,
wordt een uiterste grenstoestand van de hoofddraagconstructie van
een gebruiksfunctie waarvan een vloer van een verblijfsruimte
hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau, gedurende 30 minuten niet
overschreden bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere
belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand.
4. Onverminderd het eerste lid,
wordt een uiterste grenstoestand van een in tabel 2.12.2
aangegeven hoofddraagconstructie gedurende de in die tabel
aangegeven tijdsduur niet overschreden bij de volgens NEN 6702
bepaalde bijzondere belastingscombinaties die kunnen optreden bij
brand.
Tabel 2.12.2
|
hoofddraagconstructie |
tijdsduur van de
brandwerendheid met betrekking tot bezwijken in minuten |
|
indien een vloer van een
verblijfsruimte van de gebruiksfunctie hoger ligt dan 5 m en
niet hoger dan 13 m boven het meetniveau |
30 |
|
indien een vloer van een
verblijfsruimte van de gebruiksfunctie hoger ligt dan 13 m boven
het meetniveau |
60 |
5. Een uiterste grenstoestand van
een hoofddraagconstructie wordt, afhankelijk van de bestemming en
de inrichting van een bouwwerk, bij de volgens NEN 6702 bepaalde
bijzondere belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand,
gedurende zodanige tijd niet overschreden, dat het bouwwerk bij
brand gedurende enige tijd kan worden verlaten en kan worden
doorzocht, zonder dat gevaar bestaat voor instorting van de
hoofddraagconstructie.
Artikel 2.13
De tijdsduur gedurende welke een
uiterste grenstoestand van een bouwconstructie niet wordt
overschreden, als bedoeld in artikel 2.12, wordt bepaald volgens NEN
6069.
Afdeling 2.3. Vloerafscheiding
§ 2.3.1. Nieuwbouw
Artikel 2.14
1. Een te bouwen bouwwerk bevat
voorzieningen waardoor het van een vloer vallen voldoende wordt
voorkomen.
2. Voorzover voor een gebruiksfunctie
in tabel 2.14 voorschriften zijnaangewezen, wordt voor die
gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door
toepassing van die voorschriften.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 2.14 geen
voorschrift is aangewezen.
Tabel 2.14
|
gebruiks-
functie |
|
|
leden van toepas-
sing |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
grens-
waarden |
|
|
| |
|
|
aanwe-
zigheid |
|
|
hoogte |
|
|
|
|
ope-
ningen |
|
|
|
opstap-
moge-
lijkheid |
|
hoogte |
ope-
ningen |
|
| |
|
artikel |
2.15 |
|
|
2.16 |
|
|
|
|
2.17 |
|
|
|
2.18 |
|
2.16 |
2.17 |
|
| |
|
lid |
1 |
2 |
3 |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
1 |
2 |
3 |
4 |
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
[m] |
[m] |
[m] |
|
1 |
Woonfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
woonfunctie van een woonwagen |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
| |
b |
andere woonfunctie |
1 |
2 |
– |
1 |
2 |
3 |
– |
5 |
1 |
2 |
3 |
– |
1 |
– |
1 |
0,1 |
0,5 |
|
2 |
Bijeenkomst-
functie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
bijeenkomst-
functie voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar |
1 |
2 |
3 |
1 |
2 |
3 |
– |
5 |
1 |
2 |
3 |
– |
1 |
– |
1 |
0,1 |
0,5 |
| |
b |
andere bijeenkomst-
functie voor kinderopvang |
1 |
2 |
3 |
1 |
2 |
3 |
– |
5 |
1 |
– |
3 |
4 |
1 |
– |
1 |
– |
0,2 |
| |
c |
andere bijeenkomst-
functie |
1 |
2 |
3 |
1 |
2 |
3 |
4 |
– |
1 |
– |
3 |
4 |
– |
2 |
1 |
– |
0,5 |
|
3 |
Celfunctie |
|
1 |
2 |
3 |
1 |
– |
3 |
– |
5 |
1 |
– |
3 |
4 |
– |
2 |
1,2 |
– |
0,3 |
|
4 |
Gezondheids-
zorgfunctie |
|
1 |
2 |
3 |
1 |
2 |
3 |
– |
5 |
1 |
– |
3 |
4 |
– |
2 |
1 |
– |
0,5 |
|
5 |
Industriefunctie |
|
1 |
2 |
3 |
1 |
2 |
3 |
– |
5 |
1 |
– |
3 |
4 |
– |
2 |
1 |
– |
0,5 |
|
6 |
Kantoorfunctie |
|
1 |
2 |
3 |
1 |
2 |
3 |
– |
5 |
1 |
– |
3 |
4 |
– |
2 |
1 |
– |
0,5 |
|
7 |
Logiesfunctie |
|
1 |
2 |
3 |
1 |
2 |
3 |
– |
5 |
1 |
– |
3 |
4 |
– |
2 |
1 |
– |
0,5 |
|
8 |
Onderwijsfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
onderwijs-
functie voor het basis- of speciaal onderwijs |
1 |
2 |
3 |
1 |
2 |
3 |
– |
5 |
1 |
– |
3 |
4 |
1 |
– |
1 |
– |
0,2 |
| |
b |
andere onderwijs-
functie |
1 |
2 |
3 |
1 |
2 |
3 |
– |
5 |
1 |
– |
3 |
4 |
1 |
– |
1 |
– |
0,5 |
|
9 |
Sportfunctie |
|
1 |
2 |
3 |
1 |
2 |
3 |
4 |
– |
1 |
– |
3 |
4 |
– |
2 |
1 |
– |
0,5 |
|
10 |
Winkelfunctie |
|
1 |
2 |
3 |
1 |
2 |
3 |
– |
5 |
1 |
– |
3 |
4 |
– |
2 |
1 |
– |
0,5 |
|
11 |
Overige gebruiksfunctie |
|
1 |
2 |
3 |
1 |
2 |
3 |
– |
5 |
1 |
– |
3 |
4 |
– |
2 |
1 |
– |
0,5 |
|
12 |
Bouwwerk geen gebouw zijnde |
|
1 |
2 |
3 |
1 |
2 |
– |
– |
– |
– |
2 |
– |
– |
– |
– |
1 |
0,5 |
– |
Artikel 2.15
1. Een vloer heeft bij een rand een
niet beweegbare afscheiding als die rand meer dan 1 m hoger ligt dan
een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende
water.
2. Het eerste lid geldt niet ter
plaatse van de aansluiting van de vloer aan:
a. een trap of
b. een hellingbaan.
3. Onverminderd het tweede lid geldt
het eerste lid niet voor:
a. een rand van een podium,
b. een rand van een vloer die aan
een bassin grenst,
c. een rand van een laadvloer,
d. een rand van een perron en
e. een met een rand als bedoeld
onder a tot en met d, gelijk te stellen rand van een vloer.
Artikel 2.16
1. Een afscheiding als bedoeld in
artikel 2.15, heeft een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste
de in tabel 2.14 aangegeven waarde.
2. Een afscheiding als bedoeld in
artikel 2.15, heeft, in afwijking van het eerste lid, een vanaf de
vloer gemeten hoogte van ten minste 1,2 m indien de vloer hoger ligt
dan 13 m boven een aangrenzende vloer of boven het aansluitende
terrein of het aansluitend water.
3. Een afscheiding als bedoeld in
artikel 2.15, heeft, in afwijking van het eerste en tweede lid, ter
plaatse van een al dan niet beweegbaar raam een vanaf de vloer
gemeten hoogte van ten minste 0,85 m.
4. In afwijking van het eerste lid,
heeft een vloerafscheiding een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten
minste 0,7 m, indien de som van die hoogte en de breedte van een
horizontaal vlak op die hoogte, ten minste 1,1 m is.
Artikel 2.17
1. Tussen een afscheiding als bedoeld
in artikel 2.15, en de vloer is de horizontaal gemeten afstand niet
groter dan 0,05 m.
2. Een afscheiding als bedoeld in
artikel 2.15, heeft tot een hoogte van 0,7 m boven de vloer geen
openingen met een breedte groter dan de in tabel 2.14 aangegeven
waarde.
3. Een afscheiding als bedoeld in
artikel 2.15, heeft geen openingen met een breedte groter dan de in
tabel 2.14 aangegeven waarde.
4. Een afscheiding als bedoeld in
artikel 2.15, in een gedeelte van een gebruiksfunctie dat mede
bestemd is voor bezoekers, heeft tot een hoogte van 0,7 m boven de
vloer geen openingen met een breedte groter dan 0,1 m.
Artikel 2.18
1. Een afscheiding als bedoeld in
artikel 2.15, heeft, ter voorkoming van het overklauteren, geen
opstapmogelijkheden tussen 0,2 m en 0,7 m boven de vloer.
2. In een gedeelte mede bestemd voor
bezoekers, heeft een afscheiding als bedoeld in artikel 2.15, ter
voorkoming van het overklauteren, geen opstapmogelijkheden tussen
0,2 m en 0,7 m boven de vloer.
§ 2.3.2. Bestaande bouw
Artikel 2.19
1. Een bestaand bouwwerk bevat
voorzieningen waardoor het van een vloer vallen voldoende wordt
voorkomen.
2. Voorzover voor een gebruiksfunctie
in tabel 2.19 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die
gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door
toepassing van die voorschriften.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 2.19 geen
voorschrift is aangewezen.
Tabel 2.19
|
gebruiksfunctie |
|
|
leden van
toepassing |
|
|
|
|
|
|
|
grenswaarden |
| |
|
|
aanwezigheid |
|
|
hoogte |
|
|
openingen |
|
openingen |
| |
|
artikel |
2.20 |
|
|
2.21 |
|
|
2.22 |
|
2.22 |
| |
|
lid |
1 |
2 |
3 |
1 |
2 |
3 |
1 |
2 |
2 |
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
[m] |
|
1 |
Woonfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
woonfunctie van een woonwagen |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
| |
b |
andere woonfunctie |
1 |
2 |
– |
1 |
2 |
3 |
1 |
2 |
0,2 |
|
2 |
Bijeenkomstfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
bijeenkomstfunctie voor
kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar |
1 |
2 |
3 |
1 |
2 |
3 |
1 |
2 |
0,1 |
| |
b |
andere bijeenkomstfunctie |
1 |
2 |
3 |
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
|
3 |
Celfunctie |
|
1 |
2 |
3 |
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
|
4 |
Gezondheidszorgfunctie |
|
1 |
2 |
3 |
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
|
5 |
Industriefunctie |
|
1 |
2 |
3 |
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
|
6 |
Kantoorfunctie |
|
1 |
2 |
3 |
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
|
7 |
Logiesfunctie |
|
1 |
2 |
3 |
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
|
8 |
Onderwijsfunctie |
|
1 |
2 |
3 |
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
|
9 |
Sportfunctie |
|
1 |
2 |
3 |
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
|
10 |
Winkelfunctie |
|
1 |
2 |
3 |
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
|
11 |
Overige gebruiksfunctie |
|
1 |
2 |
3 |
1 |
2 |
3 |
– |
– |
– |
|
12 |
Bouwwerk geen gebouw zijnde |
|
1 |
2 |
3 |
1 |
– |
3 |
– |
– |
– |
Artikel 2.20
1. Een vloer heeft bij een rand een
afscheiding als die rand meer dan 1,5 m hoger ligt dan een
aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende
water.
2. Het eerste lid geldt niet ter
plaatse van de aansluiting van de vloer aan:
a. een trap of
b. een hellingbaan.
3. Onverminderd het tweede lid geldt
het eerste lid niet voor:
a. een rand van een podium,
b. een rand van een vloer die aan
een bassin grenst,
c. een rand van een laadvloer,
d. een rand van een perron en
e. een met een rand als bedoeld
onder a tot en met d, gelijk te stellen rand van een vloer.
Artikel 2.21
1. Een afscheiding als bedoeld in
artikel 2.20, heeft een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste
0,9 m.
2. Een afscheiding als bedoeld in
artikel 2.20, heeft, in afwijking van het eerste tot en met derde
lid, ter plaatse van een al dan niet beweegbaar raam een vanaf de
vloer gemeten hoogte van ten minste 0,6 m.
3. Indien de som van de hoogte en de
breedte van een horizontaal vlak op die hoogte ten minste 1 m is,
heeft een afscheiding als bedoeld in artikel 2.20, in afwijking van
het eerste lid, een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste 0,6
m.
Artikel 2.22
1. Tussen een afscheiding als bedoeld
in artikel 2.20, en de vloer is de horizontaal gemeten afstand niet
groter dan 0,1 m.
2. Een afscheiding als bedoeld in
artikel 2.20, heeft tot een hoogte van 0,6 m boven de vloer geen
openingen met een breedte groter dan de in tabel 2.19 aangegeven
grenswaarde.
Afdeling 2.4. Overbrugging van
hoogteverschillen
§ 2.4.1. Nieuwbouw
Artikel 2.23
1. Een te bouwen bouwwerk heeft
voorzieningen voor het veilig overbruggen van hoogteverschillen.
2. Voorzover voor een gebruiksfunctie
in tabel 2.23 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die
gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door
toepassing van die voorschriften.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 2.23 geen
voorschrift is aangewezen.
Tabel 2.23
|
gebruiksfunctie |
|
|
leden van
toepassing |
|
| |
|
|
voorziening |
|
|
artikel |
|
|
2.24 |
|
| |
lid |
|
1 |
2 |
|
1 |
Woonfunctie |
|
|
|
| |
a |
woonfunctie van een woonwagen |
– |
– |
| |
b |
andere woonfunctie |
1 |
– |
|
2 |
Bijeenkomstfunctie |
|
1 |
– |
|
3 |
Celfunctie |
|
1 |
– |
|
4 |
Gezondheidszorgfunctie |
|
1 |
– |
|
5 |
Industriefunctie |
|
|
|
| |
a |
lichte industriefunctie |
– |
– |
| |
b |
andere industriefunctie |
1 |
– |
|
6 |
Kantoorfunctie |
|
1 |
– |
|
7 |
Logiesfunctie |
|
1 |
– |
|
8 |
Onderwijsfunctie |
|
1 |
– |
|
9 |
Sportfunctie |
|
1 |
– |
|
10 |
Winkelfunctie |
|
1 |
– |
|
11 |
Overige gebruiksfunctie |
|
|
|
| |
a |
overige gebruiksfunctie voor het
personenvervoer, met een gebruiksoppervlakte van meer dan 50 m2 |
1 |
– |
| |
b |
overige gebruiksfunctie voor het
stallen van motorvoertuigen |
1 |
– |
| |
c |
andere overige gebruiksfunctie |
– |
2 |
|
12 |
Bouwwerk geen gebouw zijnde |
|
– |
2 |
Artikel 2.24
1. Een hoogteverschil tussen vloeren
van verblijfsgebieden, verblijfsruimten, toiletruimten, badruimten
en vloeren op een verkeersroute die deze ruimten verbindt, of tussen
een van die vloeren en het aansluitende terrein, dat groter is dan
0,21 m wordt overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan.
2. Een hoogteverschil tussen voor
bezoekers toegankelijke vloeren of tussen een van die vloeren en het
aansluitende terrein, dat groter is dan 0,21 m wordt overbrugd door
een vaste trap of een vaste hellingbaan.
§ 2.4.2. Bestaande bouw
Artikel 2.25
1. Een bestaand bouwwerk heeft
voorzieningen voor het veilig overbruggen van hoogteverschillen.
2. Voorzover voor een gebruiksfunctie
in tabel 2.25 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die
gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door
toepassing van die voorschriften.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing op die gebruiksfuncties waarvoor in tabel 2.25 geen
voorschrift is gegeven.
Tabel 2.25
|
gebruiksfunctie |
|
|
leden van
toepassing |
|
| |
|
|
aanwezigheid |
|
|
artikel |
|
|
2.26 |
|
| |
lid |
|
1 |
2 |
|
1 |
Woonfunctie |
|
|
|
| |
a |
woonfunctie van een woonwagen |
– |
– |
| |
b |
andere woonfunctie |
1 |
– |
|
2 |
Bijeenkomstfunctie |
|
1 |
– |
|
3 |
Celfunctie |
|
1 |
– |
|
4 |
Gezondheidszorgfunctie |
|
1 |
– |
|
5 |
Industriefunctie |
|
|
|
| |
a |
lichte industriefunctie |
– |
– |
| |
b |
andere industriefunctie |
1 |
– |
|
6 |
Kantoorfunctie |
|
1 |
– |
|
7 |
Logiesfunctie |
|
1 |
– |
|
8 |
Onderwijsfunctie |
|
1 |
– |
|
9 |
Sportfunctie |
|
1 |
– |
|
10 |
Winkelfunctie |
|
1 |
– |
|
11 |
Overige gebruiksfunctie |
|
|
|
| |
a |
overige gebruiksfunctie voor het
personenvervoer, met een gebruiksoppervlakte van meer dan 100 m2 |
1 |
– |
| |
b |
overige gebruiksfunctie voor het
stallen van motorvoertuigen |
1 |
– |
| |
c |
andere overige gebruiksfunctie |
– |
2 |
|
12 |
Bouwwerk geen gebouw zijnde |
|
– |
2 |
Artikel 2.26
1. Een hoogteverschil tussen vloeren
van verblijfsruimten, toiletruimten, badruimten en vloeren op een
verkeersroute die deze ruimten verbindt, of tussen een van die
vloeren en het aansluitende terrein, dat groter is dan 0,22 m wordt
overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan.
2. Een hoogteverschil tussen voor
bezoekers toegankelijke vloeren of tussen een van die vloeren en het
aansluitende terrein, dat groter is dan 0,22 m, wordt overbrugd door
een vaste trap of een vaste hellingbaan.
Afdeling 2.5. Trap
§ 2.5.1. Nieuwbouw
Artikel 2.27
1. Een te bouwen trap die een
hoogteverschil als bedoeld in paragraaf 2.4.1 overbrugt, kan veilig
worden gebruikt.
2. Voorzover voor een gebruiksfunctie
in tabel 2.27 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die
gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door
toepassing van die voorschriften.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 2.27 geen
voorschrift is aangewezen.
Tabel 2.27
|
ge-
bruiks-
functie |
|
|
leden van toepas-
sing |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
grens-
waar-
den |
|
|
|
|
|
| |
|
|
afme-
tingen trap |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
trap-
bordes |
|
|
af-
schei-
ding |
|
|
|
|
|
leu-
ning |
|
regen-
werend-
heid |
afme-
tingen trap |
|
|
|
|
af-
schei-
ding |
| |
artikel |
|
2.28 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
2.29 |
|
|
2.30 |
|
|
|
|
|
2.31 |
|
2.32 |
2.28 |
|
|
|
|
2.30 |
| |
lid |
|
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
1 |
2 |
3 |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
1 |
2 |
* |
6 en 9 |
|
|
|
|
2 |
|
1 |
Woonfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
[m2] |
|
|
|
|
[m] |
| |
a |
woonfunctie van een woonwagen |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
|
|
|
|
– |
| |
b |
woonfunctie gelegen in een
woongebouw |
1 |
2 |
3 |
4 |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
11 |
1 |
2 |
– |
1 |
2 |
3 |
4 |
– |
– |
1 |
2 |
* |
– |
|
|
|
|
0,5 |
| |
c |
andere woonfunctie |
1 |
2 |
– |
4 |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
11 |
1 |
2 |
– |
1 |
2 |
3 |
4 |
– |
– |
1 |
2 |
* |
– |
|
|
|
|
0,5 |
|
bij bezettings-
graad-
klasse |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
B1 |
B2 |
B3 |
B4 |
B5 |
|
|
2 |
Bijeenkomst-
functie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
bijeenkomst-
functie voor het aanschouwen van sport |
– |
– |
– |
– |
5 |
6 |
7 |
– |
– |
– |
11 |
1 |
– |
3 |
1 |
2 |
– |
– |
5 |
6 |
1 |
– |
– |
40 |
100 |
n.t. |
n.t. |
n.t. |
0,5 |
| |
b |
bijeenkomst-
functie voor kinderopvang van kinderen jonger dan 4 jaar |
– |
– |
– |
– |
5 |
6 |
7 |
– |
– |
– |
11 |
1 |
– |
3 |
1 |
2 |
– |
4 |
– |
– |
1 |
– |
– |
40 |
100 |
250 |
n.t. |
n.t. |
0,1 |
| |
c |
andere bijeenkomst-
functie voor kinderopvang |
– |
– |
– |
– |
5 |
6 |
7 |
– |
– |
– |
11 |
1 |
– |
3 |
1 |
2 |
3 |
4 |
– |
– |
1 |
– |
– |
40 |
100 |
250 |
n.t. |
n.t. |
0,2 |
| |
d |
andere bijeenkomst-
functie |
– |
– |
– |
– |
5 |
6 |
7 |
– |
– |
– |
11 |
1 |
– |
3 |
1 |
2 |
3 |
– |
5 |
6 |
1 |
– |
– |
40 |
100 |
250 |
n.t. |
n.t. |
0,5 |
|
3 |
Celfunctie |
|
– |
– |
– |
– |
5 |
6 |
7 |
– |
– |
– |
11 |
1 |
– |
3 |
1 |
2 |
– |
– |
5 |
6 |
1 |
– |
– |
|
|
|
|
|
|
| |
|
1 verblijfsgebied waarin een
bezoekruimte of een voor gemeen-
schappelijk gebruik bestemde ruimte ligt |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
40 |
100 |
250 |
n.t. |
n.t. |
0,3 |
| |
|
2 ander verblijfsgebied |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
40 |
100 |
250 |
600 |
>600 |
0,3 |
|
4 |
Gezondheids-
zorgfunctie |
|
– |
– |
– |
– |
5 |
6 |
7 |
– |
– |
– |
11 |
1 |
– |
3 |
1 |
2 |
– |
– |
5 |
6 |
1 |
– |
– |
|
|
|
|
|
|
| |
|
1 verblijfsgebied voor bezoekers |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
40 |
100 |
250 |
n.t. |
n.t. |
0,5 |
| |
|
2 ander verblijfsgebied |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
40 |
100 |
250 |
600 |
n.t. |
0,5 |
|
5 |
Industrie-
functie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
lichte industriefunctie |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
|
| |
b |
andere industriefunctie |
– |
– |
– |
– |
5 |
6 |
7 |
8 |
– |
– |
11 |
1 |
– |
3 |
1 |
2 |
– |
– |
5 |
6 |
1 |
– |
– |
40 |
100 |
250 |
600 |
>600 |
0,5 |
|
6 |
Kantoorfunctie |
|
– |
– |
– |
– |
5 |
6 |
7 |
– |
– |
– |
11 |
1 |
– |
3 |
1 |
2 |
– |
– |
5 |
6 |
1 |
– |
– |
40 |
100 |
250 |
600 |
n.t. |
0,5 |
|
7 |
Logiesfunctie |
|
– |
– |
– |
– |
5 |
6 |
7 |
– |
– |
– |
11 |
1 |
– |
3 |
1 |
2 |
– |
– |
5 |
6 |
1 |
– |
– |
40 |
100 |
250 |
600 |
n.t. |
0,5 |
|
8 |
Onderwijs-
functie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
onderwijs-
functie voor het basis- of speciaal-
onderwijs |
– |
– |
– |
– |
5 |
6 |
7 |
– |
– |
– |
11 |
1 |
– |
3 |
1 |
2 |
3 |
4 |
– |
– |
1 |
– |
– |
40 |
100 |
250 |
n.t. |
n.t. |
0,2 |
| |
b |
andere onderwijs-
functie |
– |
– |
– |
– |
5 |
6 |
7 |
– |
– |
– |
11 |
1 |
– |
3 |
1 |
2 |
3 |
4 |
– |
– |
1 |
– |
– |
40 |
100 |
250 |
n.t. |
n.t. |
0,5 |
|
9 |
Sportfunctie |
|
– |
– |
– |
– |
5 |
6 |
7 |
– |
– |
– |
11 |
1 |
– |
3 |
1 |
2 |
– |
– |
5 |
6 |
1 |
– |
– |
40 |
100 |
250 |
600 |
>600 |
0,5 |
|
10 |
Winkelfunctie |
|
– |
– |
– |
– |
5 |
5 |
7 |
– |
– |
– |
11 |
1 |
– |
3 |
1 |
2 |
– |
– |
5 |
6 |
1 |
– |
– |
40 |
100 |
250 |
600 |
>600 |
0,5 |
|
11 |
Overige gebruiks-
functie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
overige gebruiks-
functie voor het personen-
vervoer, met een gebruiks-
oppervlakte van meer dan 50 m2. |
– |
– |
– |
– |
5 |
6 |
7 |
– |
– |
– |
11 |
1 |
– |
3 |
1 |
2 |
– |
– |
5 |
6 |
1 |
– |
– |
40 |
100 |
250 |
600 |
>600 |
0,5 |
| |
b |
overige gebruiks-
functie voor het stallen van motor-
voertuigen |
– |
– |
– |
– |
5 |
6 |
7 |
– |
– |
– |
11 |
1 |
– |
3 |
1 |
2 |
– |
– |
5 |
6 |
1 |
– |
– |
40 |
100 |
250 |
600 |
>600 |
0,5 |
| |
c |
andere overige gebruiks-
functie |
– |
– |
– |
– |
5 |
6 |
7 |
– |
– |
– |
11 |
1 |
– |
3 |
1 |
2 |
– |
– |
5 |
6 |
1 |
2 |
– |
40 |
100 |
250 |
600 |
>600 |
0,5 |
|
12 |
Bouwwerk geen gebouw zijnde |
|
– |
– |
– |
– |
5 |
– |
– |
– |
9 |
10 |
11 |
1 |
– |
3 |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
1 |
2 |
– |
40 |
100 |
250 |
600 |
>600 |
− |
Artikel 2.28
1. Een trap als bedoeld in artikel
2.24, heeft afmetingen die voldoen aan tabel 2.28a, kolom A.
2. In afwijking van het eerste lid,
heeft een trap als bedoeld in artikel 2.24, bestemd voor het
ontsluiten van een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte van meer
dan 500 m2, afmetingen die voldoen aan tabel 2.28a kolom B.
3. Indien de totale vloeroppervlakte
aan verblijfsgebied, die is aangewezen op een trap als bedoeld in
artikel 2.24 groter is dan 600 m2, heeft die trap, in afwijking van
het eerste lid, afmetingen die voldoen aan tabel 2.28a, kolom B.
4. Een aantrede, een optrede en de
breedte van een tredevlak van een trapvormige vloer van een
verblijfsgebied hebben afmetingen die voldoen aan tabel 2.28a, kolom
B.
5. Een trap als bedoeld in artikel
2.24, heeft afmetingen die voldoen aan tabel 2.28b, kolom A.
6. Indien de totale vloeroppervlakte
aan verblijfsgebied, die is aangewezen op een trap als bedoeld in
artikel 2.24 groter is dan de in tabel 2.27 aangegeven grenswaarde,
heeft die trap, in afwijking van het vijfde lid, afmetingen die
voldoen aan tabel 2.28b, kolom B.
7. Een aantrede, een optrede en de
breedte van een tredevlak van een trapvormige vloer van een
verblijfsgebied hebben afmetingen die voldoen aan tabel 2.28b, kolom
B.
8. In afwijking van het vijfde en
zesde lid, geldt geen maximum hoogte voor een trap van een
industriefunctie.
9. Indien de totale vloeroppervlakte
van voor bezoekers toegankelijke vloeren, die is aangewezen op een
trap als bedoeld in artikel 2.24, groter is dan de in tabel 2.27
aangegeven grenswaarde, heeft die trap, in afwijking van het vijfde
lid, afmetingen die voldoen aan tabel 2.28b, kolom B.
10. Een aantrede, een optrede en een
tredevlak van een voor bezoekers toegankelijke trapvormige vloer
hebben afmetingen die voldoen aan tabel 2.28b, kolom B.
Tabel 2.28a Afmetingen van een trap
van een woonfunctie
| |
A |
B |
|
minimum breedte van de trap |
0,8 m |
1,2 m |
|
minimum vrije hoogte boven de
trap |
2,3 m |
2,3 m |
|
maximum hoogte van de trap |
4 m |
4 m |
|
minimum aantrede ter plaatse van
de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant van de trede |
0,22 m |
0,24 m |
|
maximum hoogte van een optrede |
0,185 m |
0,185 m |
|
minimum breedte van het tredevlak,
gemeten loodrecht op de voorkant van dat vlak |
0,05 m |
0,17 m |
|
minimum breedte van het tredevlak
ter plaatse van de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant
van dat vlak |
0,23 m |
0,23 m |
|
minimum afstand van de klimlijn
tot de zijkanten van de trap |
0,3 m |
0,3 m |
Tabel 2.28b
|
afmetingen van een
trap van een niet tot bewoning bestemde gebruiksfunctie en van
een noodtrap voor een woonfunctie |
|
|
| |
A |
B |
|
minimum breedte van de trap |
0,8 m |
1,1 m |
|
minimum vrije hoogte boven de
trap |
2,3 m |
2,3 m |
|
maximum hoogte van de trap |
4 m |
4 m |
|
minimum aantrede ter plaatse van
de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant van de trede |
0,185 m |
0,21 m |
|
maximum hoogte van een optrede |
0,21 m |
0,21 m |
|
minimum breedte van het tredevlak,
gemeten loodrecht op de voorkant van dat vlak |
0,05 m |
0,17 m |
|
Minimum breedte van het tredevlak
ter plaatse van de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant
van dat vlak |
0,23 m |
0,23 m |
|
Minimum afstand van de klimlijn
tot de zijkanten van de trap |
0,3 m |
0,3 m |
11. In afwijking van het eerste tot
en met derde, zesde en negende lid, heeft een noodtrap afmetingen
die voldoen aan tabel 2.28b, kolom A.
Artikel 2.29
1. Een trap als bedoeld in artikel
2.28, eerste lid of vijfde lid, sluit ter plaatse van de bovenste
trede over de ten minste vereiste breedte van die trap aan op een
vloeroppervlakte van ten minste 0,8 m x 0,8 m, met een vrije hoogte
van ten minste 2,3 m.
2. Een trap als bedoeld in artikel
2.28, tweede of derde lid, sluit ter plaatse van de bovenste trede
over de ten minste vereiste breedte van die trap aan op een
vloeroppervlakte van ten minste 1,2 m x 1,2 m, met een vrije hoogte
van ten minste 2,3 m.
3. Een trap als bedoeld in artikel
2.28, zesde en negende lid, sluit ter plaatse van de bovenste trede
over de ten minste vereiste breedte van die trap aan op een
vloeroppervlakte van ten minste 1,1 m x 1,1 m, met een vrije hoogte
van ten minste 2,3 m.
Artikel 2.30
1. Een trap als bedoeld in artikel
2.24, heeft, voorzover een zijkant van een tredevlak meer dan 1 m
boven een direct naast de trap gelegen vloer ligt, aan die zijkant
een niet beweegbare afscheiding. De boven de voorkant van een
tredevlak gemeten hoogte van die afscheiding is ten minste 0,8 m.
Tussen de afscheiding en de trap is de horizontaal gemeten afstand
niet groter dan 0,05 m.
2. Een afscheiding als bedoeld in het
eerste lid, heeft geen openingen met een breedte groter dan de in
tabel 2.27 aangegeven grenswaarde.
3. Een afscheiding als bedoeld in het
eerste lid, heeft tot een hoogte van 0,7 m boven een tredevlak geen
openingen met een breedte groter dan 0,1 m.
4. Een afscheiding als bedoeld in het
eerste lid, heeft, ter voorkoming van het overklauteren, geen
opstapmogelijkheden tussen 0,2 m en 0,7 m boven een tredevlak.
5. In een gedeelte mede bestemd voor
bezoekers, heeft een afscheiding als bedoeld in het eerste lid,
onverminderd het tweede lid, tot een hoogte van 0,7 m boven een
tredevlak geen openingen met een breedte groter dan 0,1 m.
6. In een gedeelte mede bestemd voor
bezoekers, heeft een afscheiding als bedoeld in het eerste lid, ter
voorkoming van het overklauteren, geen opstapmogelijkheden tussen
0,2 m en 0,7 m boven een tredevlak.
Artikel 2.31
1. Een trap als bedoeld in artikel
2.24, waarvan ter plaatse van de klimlijn de helling groter is dan
2:3 heeft aan ten minste een zijkant een leuning. De bovenkant van
de leuning ligt, gemeten boven de voorkant van een tredevlak van de
trap, op een hoogte van niet minder dan 0,8 m en niet meer dan 1 m.
2. In afwijking van het eerste lid,
geldt dit voorschrift alleen voor een trap waarmee een
hoogteverschil is overbrugd van meer dan 1 m.
Artikel 2.32
Een trap als bedoeld in artikel 2.24,
bestemd voor het ontsluiten van een gebruiksfunctie, waarmee een vanaf
een aangrenzende vloer gemeten hoogteverschil is overbrugd van meer
dan 1,5 m, ligt in een besloten ruimte. De uitwendige
scheidingsconstructie van die besloten ruimte is, bepaald volgens NEN
2778, regenwerend.
§ 2.5.2. Bestaande bouw
Artikel 2.33
1. Een bestaande trap die een
hoogteverschil als bedoeld in paragraaf 2.4.2 overbrugt, kan veilig
worden gebruikt.
2. Voorzover voor een gebruiksfunctie
in tabel 2.33 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die
gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door
toepassing van die voorschriften.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 2.33 geen
voorschrift is aangewezen.
Tabel 2.33
|
gebruiks-
functie |
|
|
leden van
toepassing |
|
|
|
|
|
|
grenswaarden |
| |
|
|
afmetingen trap |
|
|
trapbordes |
afscheiding |
|
leuningen |
afscheiding |
| |
|
artikel |
2.34 |
|
|
2.35 |
2.36 |
|
2.37 |
2.36 |
| |
|
lid |
1 |
2 |
3 |
* |
1 |
2 |
* |
2 |
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
[m] |
|
1 |
Woonfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
woonfunctie van een woonwagen |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
| |
b |
andere woonfunctie |
1 |
2 |
– |
* |
1 |
2 |
* |
0,2 |
|
2 |
Bijeenkomstfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
bijeenkomstfunctie voor
kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar |
1 |
2 |
– |
* |
1 |
2 |
* |
0,1 |
| |
b |
andere bijeenkomstfunctie |
1 |
2 |
– |
* |
1 |
– |
* |
– |
|
3 |
Celfunctie |
|
1 |
2 |
– |
* |
1 |
– |
* |
– |
|
4 |
Gezondheidszorgfunctie |
|
1 |
2 |
– |
* |
1 |
– |
* |
– |
|
5 |
Industriefunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
– |
| |
a |
lichte industriefunctie |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
– |
| |
b |
andere industriefunctie |
1 |
2 |
– |
* |
1 |
– |
* |
– |
|
6 |
Kantoorfunctie |
|
1 |
2 |
– |
* |
1 |
– |
* |
– |
|
7 |
Logiesfunctie |
|
1 |
2 |
– |
* |
1 |
– |
* |
– |
|
8 |
Onderwijsfunctie |
|
1 |
2 |
– |
* |
1 |
– |
* |
– |
|
9 |
Sportfunctie |
|
1 |
2 |
– |
* |
1 |
– |
* |
– |
|
10 |
Winkelfunctie |
|
1 |
2 |
– |
* |
1 |
– |
* |
– |
|
11 |
Overige gebruiksfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
– |
| |
a |
overige gebruiksfunctie voor het
personenvervoer, met een gebruiksoppervlakte van meer dan 100 m2 |
1 |
2 |
– |
* |
1 |
– |
* |
– |
|
| |