St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Woningwet

 

BOUWBESLUIT  2003

Artikelen 1.1 t/m 2.55

Tekst zoals deze geldt op 25 juli 2011

Verwijderd uit ons regelingenbestand

 

  

 

Artikelen 2.56 t/m 2.133
Artikelen 2.134 t/m 2.215
Artikelen 2.216 t/m 3.90
Artikelen 3.91 t/m 4.33
Artikelen 4.34 t/m 7.4

 

 

 
BESLUIT van 7 augustus 2001, houdende vaststelling van voorschriften met betrekking tot het bouwen van bouwwerken uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu (Bouwbesluit)

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 18 december 2000, nr. MJZ2000153138, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
     Gelet op artikel 2 van de Woningwet;
     De Raad van State gehoord (advies van 27 april 2001, nr. W08.00.0616/V);
     Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 13 juli 2001, nr. MJZ2001078982, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

     Hebben goedgevonden en verstaan:

 

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

 

Artikel 1.1

1. Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt verstaan onder:

belastingscombinatie: verzameling van belastingen die gelijktijdig kunnen optreden;

bouwconstructie: onderdeel van een bouwwerk dat bestemd is om belasting te dragen;

brandcompartiment: gedeelte van een of meer bouwwerken bestemd als maximaal uitbreidingsgebied van brand;

brand- en rookvrije vluchtroute: van brand gevrijwaarde rookvrije vluchtroute die uitsluitend door verkeersruimten voert;

gebruiksfunctie: de gedeelten van een of meer bouwwerken op een perceel of standplaats, die dezelfde gebruiksbestemming hebben en die tezamen een gebruikseenheid vormen;

gebruiksfunctie die bijzonder gevoelig is voor luchtvaartlawaai: gebruiksfunctie in een gebouw waarvoor krachtens artikel 8.32 van de Wet luchtvaart een ten hoogste toelaatbare LAeq geluidsbelasting geldt met betrekking tot structureel uitgevoerd nachtelijk vliegverkeer vanwege de luchthaven Schiphol;

gebruiksfunctie die gevoelig is voor industrie-, weg- of railverkeerslawaai: gebruiksfunctie in een gebouw, waarvoor krachtens de Wet geluidhinder een ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de uitwendige scheidingsconstructie geldt met betrekking tot onderscheidenlijk industrielawaai vanwege een industrieterrein, wegverkeerslawaai vanwege een weg of railverkeerslawaai vanwege een spoorweg, alsmede een kantoorfunctie gelegen binnen een zone waarvoor een zodanige ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting geldt;

gebruiksfunctie die gevoelig is voor luchtvaartlawaai: woon-, gezondheidszorg- of onderwijsfunctie in een gebouw:

a. gelegen binnen een met het oog op de geluidsbelasting vastgesteld beperkingengebied als bedoeld in hoofdstuk 8 of artikel 10.17 van de Wet luchtvaart, of

b. waarvoor krachtens artikel 108 van de Wet geluidhinder een ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de uitwendige scheidingsconstructie geldt met betrekking tot luchtvaartlawaai vanwege een luchthaven;

integraal toegankelijke toiletruimte: toiletruimte die mede toegankelijk is voor rolstoelgebruikers;

integraal toegankelijke badruimte: badruimte die mede toegankelijk is voor rolstoelgebruikers;

inwendige scheidingsconstructie: constructie die de scheiding vormt tussen twee voor mensen toegankelijke besloten ruimten van een gebouw, waaronder begrepen de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voorzover die delen van invloed zijn op het voldoen van die scheidingsconstructie aan een bij of krachtens dit besluit gegeven voorschrift;

klimlijn: denkbeeldige, vloeiend verlopende lijn die de voorkanten van de treden van een trap met elkaar verbindt;

loopafstand: afstand, gemeten langs een denkbeeldige, kortst realiseerbare vloeiend verlopende lijn tussen twee punten, waarover op een afstand van ten minste 0,3 m van constructie-onderdelen kan worden gelopen;

meetniveau: hoogte van het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van het gebouw;

NEN: door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm;

nevenfunctie: gebruiksfunctie die ten dienste staat van een andere gebruiksfunctie;

nominale belasting: maximale belasting van een verbrandingstoestel, bepaald op basis van de calorische bovenwaarde van de brandstof waarvoor dat toestel is ingericht;

nooddeur: een deur die uitsluitend is bestemd om het bouwwerk te ontvluchten;

noodtrap: een trap die uitsluitend is bestemd om het bouwwerk te ontvluchten;

richtlijn bouwproducten: richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake voor de bouw bestemde producten (89/106/EEG, PbEG L 40), zoals gewijzigd bij richtlijn 93/68/EEG van de Raad van 22 juli 1993 (PbEG L 220);

rookcompartiment: gedeelte van een of meer gebouwen bestemd als maximaal uitbreidingsgebied van rook;

rookvrije vluchtroute: van rook gevrijwaarde route die begint bij een toegang van een rookcompartiment of een subbrandcompartiment, uitsluitend voert over vloeren, trappen of hellingbanen en eindigt op een veilige plaats, zonder dat gebruik behoeft te worden gemaakt van een lift;

standplaats: kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen worden aangesloten;

technische ruimte: ruimte voor het plaatsen van de apparatuur, noodzakelijk voor het functioneren van een gebouw, waaronder in elk geval begrepen een meterruimte, een liftmachineruimte en een stookruimte;

toegang van een gebruiksfunctie: toegang tot het aansluitende terrein, een gemeenschappelijke verkeersruimte, een gemeenschappelijk verblijfsgebied of een ruimte van een andere gebruiksfunctie, ter plaatse waarvan een route begint die uitsluitend door niet-gemeenschappelijke ruimten van de gebruiksfunctie naar een punt in een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied voert.

toegankelijkheidssector: gedeelte van een gebouw dat mede toegankelijk is voor rolstoelgebruikers;

trappenhuis: verkeersruimte, waarin een trap ligt;

tunnellengte: lengte van het omsloten gedeelte van de langste tunnelbuis waarin een rijbaan is gelegen;

uitwendige scheidingsconstructie: constructie die de scheiding vormt tussen een voor mensen toegankelijke besloten ruimte van een gebouw en de buitenlucht, de grond of het water, waaronder begrepen de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voorzover die delen van invloed zijn op het voldoen van die scheidingsconstructie aan een bij of krachtens dit besluit gegeven voorschrift;

veiligheidstrappenhuis: trappenhuis waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, en dat in de vluchtrichting uitsluitend kan worden bereikt vanuit een niet-besloten ruimte;

verblijfsgebied: gedeelte van een gebruiksfunctie met ten minste een verblijfsruimte, bestaande uit een of meer op dezelfde bouwlaag gelegen aan elkaar grenzende ruimten anders dan een toiletruimte, een badruimte, een technische ruimte of een verkeersruimte;

verblijfsruimte: ruimte voor het verblijven van mensen, dan wel een ruimte waarin de voor een gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten plaatsvinden;

verkeersruimte: ruimte anders dan een ruimte in een verblijfsgebied, een toiletruimte, een badruimte of een technische ruimte, bestemd voor het bereiken van een andere ruimte;

verkeersroute: route die begint bij een toegang van een ruimte, uitsluitend voert over vloeren, trappen of hellingbanen en eindigt bij de toegang van een andere ruimte;

vluchttrappenhuis: trappenhuis waardoor een rookvrije vluchtroute voert;

wegtunnel: tunnel of tunnelvormig bouwwerk uitsluitend dan wel mede bestemd voor motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wegenverkeerswet 1994.

2. Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt voorts verstaan onder:

brandweerlift: brandweerlift als bedoeld in NEN-EN 81-72;

bijdrage tot brandvoortplanting: bijdrage tot brandvoortplanting als bedoeld in NEN 6065 of NEN 1775;

CLV-systeem: CLV-systeem als bedoeld in NEN 2757;

coëfficiënt voor koeling: coëfficiënt voor koeling als bedoeld in NEN 2916;

energieprestatiecoëfficiënt: energieprestatiecoëfficiënt als bedoeld in NEN 2916 en NEN 5128;

factor van de temperatuur van de binnenoppervlakte: factor van de temperatuur van de binnenoppervlakte als bedoeld in NEN 2778;

fundamentele belastingscombinaties: fundamentele belastingscombinaties als bedoeld in NEN 6702;

gebruiksoppervlakte: gebruiksoppervlakte als bedoeld in NEN 2580;

hoofddraagconstructie: hoofddraagconstructie als bedoeld in NEN 6702;

isolatie-index voor contactgeluid: isolatie-index voor contactgeluid als bedoeld in NEN 5077;

karakteristiek geluidsniveau: karakteristiek geluidsniveau als bedoeld in NEN 5077;

karakteristieke geluidwering: karakteristieke geluidwering als bedoeld in NEN 5077;

karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid: karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid als bedoeld in NEN 5077;

leefzone: leefzone als bedoeld in NEN 1087;

lozingstoestel: lozingstoestel als bedoeld in NEN 3215;

netto-inhoud: netto-inhoud als bedoeld in NEN 2580;

rookmelder: rookmelder als bedoeld in NEN 2555;

rookproductie: rookproductie als bedoeld in NEN 6066;

stookplaats; stookplaats als bedoeld NEN 6061;

uiterste grenstoestand: uiterste grenstoestand als bedoeld in NEN 6702;

vrije hoogte: vrije hoogte als bedoeld in NEN 2580;

vuurbelasting: vuurbelasting als bedoeld in NEN 6090;

wateropname: wateropname als bedoeld in NEN 2778;

weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag: weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag als bedoeld in NEN 6068;

weerstand tegen rookdoorgang: weerstand tegen rookdoorgang als bedoeld in NEN 6075.

3. Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt voorts verstaan onder:

woonfunctie: gebruiksfunctie voor het wonen;

bijeenkomstfunctie: gebruiksfunctie voor het samenkomen van mensen voor kunst, cultuur, godsdienst, communicatie, kinderopvang, het verstrekken van consumpties voor het gebruik ter plaatse en het aanschouwen van sport;

celfunctie: gebruiksfunctie voor dwangverblijf van mensen;

gezondheidszorgfunctie: gebruiksfunctie voor medisch onderzoek, verpleging, verzorging of behandeling;

industriefunctie: gebruiksfunctie voor het bedrijfsmatig bewerken of opslaan van materialen en goederen, of voor agrarische doeleinden;

kantoorfunctie: gebruiksfunctie voor administratie;

logiesfunctie: gebruiksfunctie voor het bieden van recreatief verblijf of tijdelijk onderdak aan mensen;

onderwijsfunctie: gebruiksfunctie voor het geven van onderwijs;

sportfunctie: gebruiksfunctie voor het beoefenen van sport;

winkelfunctie: gebruiksfunctie voor het verhandelen van materialen, goederen of diensten;

overige gebruiksfunctie: niet in dit lid benoemde gebruiksfunctie voor activiteiten waarbij het verblijven van mensen een ondergeschikte rol speelt.

4. Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt voorts verstaan onder:

bijeenkomstfunctie voor kinderopvang: bijeenkomstfunctie voor het bedrijfsmatig opvangen, verzorgen, opvoeden en begeleiden van kinderen die het basisonderwijs nog niet hebben beëindigd;

lichte industriefunctie: industriefunctie waarin activiteiten plaats vinden, waarbij het verblijven van mensen een ondergeschikte rol speelt;

onderwijsfunctie voor speciaal onderwijs: onderwijsfunctie voor het basis- of voortgezet speciaal onderwijs;

overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer: overige gebruiksfunctie die bestemd is voor aankomst of vertrek van vervoermiddelen ten behoeve van weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer van personen.

5. Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt voorts verstaan onder:

woongebouw: gebouw of gedeelte van een gebouw, waarin twee of meer woonfuncties liggen, die zijn aangewezen op een of meer gemeenschappelijke verkeersroutes;

cellengebouw: gebouw of gedeelte van een gebouw, waarin twee of meer celfuncties liggen, die zijn aangewezen op een of meer gemeenschappelijke verkeersroutes;

logiesgebouw: gebouw of gedeelte van een gebouw, waarin twee of meer logiesfuncties liggen, die zijn aangewezen op een of meer gemeenschappelijke verkeersroutes;

woonwagen: voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst.

6. Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt voorts verstaan onder:

bezettingsgraad van gebruiksoppervlakte: aantal m2 gebruiksoppervlakte per persoon;

bezettingsgraad van vloeroppervlakte: aantal m2 vloeroppervlakte van een verblijfsgebied per persoon;

bezettingsgraadklasse: klasse die de bezettingsgraad van een gebruiksoppervlakte en de bezettingsgraad van een vloeroppervlakte aan verblijfsgebied aangeeft overeenkomstig tabel 1.

tabel 1

klasse

bezettingsgraad

 
 

in m2 gebruiksoppervlakte per persoon

in m2 vloeroppervlakte aan verblijfsgebied per persoon

B1

> 0,8 − ≤ 2

> 0,5 − ≤ 1.3

B2

> 2 – ≤ 5

> 1,3 – ≤ 3,3

B3

> 5 – ≤ 12

> 3,3 – ≤ 8

B4

> 12 – ≤ 30

> 8 – ≤ 20

B5

> 30

> 20

7. Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt in een tabel verstaan onder:

–: dit lid is niet van toepassing;

*: het hele artikel is van toepassing;

>: alle waarden groter dan de achter dit teken aangegeven waarde;

n.t.: deze bezettingsgraadklasse is niet toegestaan;

≤: alle waarden kleiner of gelijk aan de achter dit teken aangegeven waarde.

 

Artikel 1.2

Bij of krachtens dit besluit worden gedeelten van een bouwwerk, ruimten of voorzieningen, die ten dienste staan van meer dan een gebruiksfunctie, aangeduid als gemeenschappelijk. Zodanige gedeelten, ruimten of voorzieningen worden, met uitzondering van gedeelten van een nevenfunctie, geacht deel uit te maken van ieder van de betrokken gebruiksfuncties.

 

§ 1.2. Toepassing NEN en NEN-EN

 

Artikel 1.3

Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van een in dit besluit genoemde NEN.

 

Artikel 1.4

1. Indien een in dit besluit genoemde NEN wordt vervangen door een NEN-EN als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de richtlijn bouwproducten, treedt die NEN-EN in de plaats van die NEN.

2. Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van een NEN-EN als bedoeld in het eerste lid, waarbij, voorzover nodig, kan worden afgeweken van een bij of krachtens dit besluit gegeven voorschrift.

 

§ 1.3. Gelijkwaardigheidsbepaling

 

Artikel 1.5

Aan een in het tweede tot en met zesde hoofdstuk gesteld voorschrift dat moet worden toegepast om te voldoen aan een met betrekking tot een bouwwerk of een gedeelte daarvan gestelde eis, behoeft niet te worden voldaan, voorzover anders dan door toepassing van dat voorschrift het bouwwerk of het betrokken gedeelte daarvan ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt, als is beoogd met het betrokken voorschrift.

 

§ 1.4. CE-markeringen en kwaliteitsverklaringen

 

Artikel 1.6

1. Het is verboden voor een bouwproduct waarvoor een CE-markering als bedoeld in de richtlijn bouwproducten is vastgesteld een op de eisen waarop die CE-markering betrekking heeft toegesneden nationale kwaliteitsverklaring te eisen of verplicht te stellen.

2. Indien bij of krachtens dit besluit een eis is gesteld ten aanzien van een bouwproduct waarvoor een op die eis toegesneden CE-markering is afgegeven, is aan de betreffende eis voldaan indien dat bouwproduct overeenkomstig de CE-markering is toegepast.

3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een bouwproduct waarvoor een verklaring van conformiteit als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van de richtlijn bouwproducten is afgegeven.

 

Artikel 1.7

Indien bij of krachtens dit besluit een eis is gesteld ten aanzien van een bouwproduct of bouwproces en daarvoor een op die eis toegesneden kwaliteitsverklaring is afgegeven op basis van een door Onze Minister erkend stelsel van kwaliteitsverklaringen voor de bouw, is aan de betreffende eis voldaan indien dat product, of dat proces overeenkomstig de kwaliteitsverklaring is toegepast.

 

Artikel 1.8

1. Het is verboden een bouwproduct in de handel te brengen, waarvoor overeenkomstig de richtlijn bouwproducten is vastgesteld dat het een CE-markering moet dragen, indien dat product:

a. niet zodanige eigenschappen bezit dat het bouwwerk waarin het is verwerkt, gemonteerd, toegepast of geďnstalleerd, kan voldoen aan de fundamentele voorschriften als bedoeld in artikel 3 van de richtlijn bouwproducten, of

b. niet is voorzien van de daarop betrekking hebbende CE-markering.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwproducten waarvoor een verklaring van conformiteit als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van de richtlijn bouwproducten is afgegeven, en op bouwproducten ten aanzien waarvan Onze Minister met toepassing van artikel 6, tweede lid, van de richtlijn bouwproducten heeft bepaald dat zij binnen Nederland in de handel mogen worden gebracht.

3. Overtreding van het in het eerste lid gestelde verbod is een strafbaar feit.

 

Artikel 1.9

1. Het is verboden een bouwproduct, een aan dat product bevestigd label, de verpakking van een bouwproduct of de begeleidende handelsdocumenten te voorzien van een markering die gelijkenis vertoont met een CE-markering, als bedoeld in artikel 4, zesde lid, van de richtlijn bouwproducten.

2. Overtreding van het in het eerste lid gestelde verbod is een strafbaar feit.

 

Artikel 1.10

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent hetgeen met het oog op de implementatie van de richtlijn bouwproducten regeling behoeft.

 

§ 1.5. Verbouw van bouwwerken

 

Artikel 1.11

1. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk afwijken van een bij of krachtens dit besluit vastgesteld voorschrift omtrent het bouwen van een bouwwerk tot het niveau van het desbetreffende voorschrift voor de staat van een bestaand bouwwerk. Bij het ontbreken van laatstbedoeld voorschrift kan worden afgeweken tot het rechtens verkregen niveau.

2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover bij of krachtens dit besluit anders is bepaald.

 

Artikel 1.12

1. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op zowel het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk als een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, dan wel artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, in het belang van de monumentenzorg afwijken van een bij of krachtens dit besluit vastgesteld voorschrift.

2. Indien voor het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk geen omgevingsvergunning is vereist en dat bouwen tevens kan worden aangemerkt als een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, dan wel artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, is, voor zover een voorschrift, verbonden aan een vergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor die activiteit, afwijkt van een bij of krachtens dit besluit vastgesteld voorschrift, uitsluitend het aan de vergunning verbonden voorschrift van toepassing.

 

§ 1.6. Niet-permanente bouwwerken

 

Artikel 1.13

1. Een te bouwen niet-permanent bouwwerk voldoet ten minste aan de voorschriften met betrekking tot de staat van een bestaand bouwwerk. Het voldoet bovendien aan de voorschriften met betrekking tot een te bouwen bouwwerk, voorzover dat met betrekking tot die voorschriften is aangegeven.

2. Een bestaand niet-permanent bouwwerk voldoet ten minste aan de voorschriften met betrekking tot de staat van een bestaand bouwwerk.

3. Een niet-permanent bouwwerk voldoet bij verplaatsing ten minste aan de voorschriften met betrekking tot een bestaand bouwwerk.

4. Een woonwagen voldoet bij herplaatsing ten minste aan de voorschriften met betrekking tot een bestaande woonwagen.

 

Hoofdstuk 2. Voorschriften uit het oogpunt van veiligheid

 

Afdeling 2.1. Algemene sterkte van de bouwconstructie

 

§ 2.1.1. Nieuwbouw

 

Artikel 2.1

1. Een te bouwen bouwwerk heeft een bouwconstructie die gedurende de in NEN 6700 bedoelde referentieperiode voldoende bestand is tegen de daarop werkende krachten.

2. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.1 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

Tabel 2.1

gebruiks-
functie

 

 

leden van toepassing

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

belas-
tings-
combi-
naties

bouw-
con-
structie

 

 

 

 

belas-
tings-
combi-
naties

hoofd-
draag-
con-
structie

uiterste grens-
toestand

 

 

 

 

ver-
bouw

 

 

artikel

2.2

 

 

 

 

 

2.3

 

2.4

 

 

 

 

2.4a

 

 

lid

1

2

3

4

5

6

1

2

1

2

3

4

5

*

1

Woonfunctie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

a

woonfunctie gelegen in een woongebouw

1

2

3

1

1

2

3

5

 

b

woonfunctie van een woonwagen

1

3

4

1

2

3

5

 

c

andere woonfunctie

1

2

3

1

2

1

2

3

4

5

2

Bijeenkomst-
functie

 

1

2

3

1

1

2

3

5

3

Celfunctie

 

1

2

3

1

1

2

3

5

4

Gezondheids-
zorgfunctie

 

1

2

3

1

1

2

3

5

5

Industriefunctie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

a

lichte industrie-
functie

1

2

3

5

1

2

3

5

 

b

andere industrie-
functie

1

2

3

1

1

2

3

5

6

Kantoorfunctie

 

1

2

3

1

1

2

3

5

7

Logiesfunctie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

a

logiesfunctie niet gelegen in een logies-
gebouw

1

2

3

1

2

1

2

3

4

5

 

b

logiesfunctie gelegen in een logies-
gebouw

1

2

3

1

1

2

3

5

8

Onderwijs-
functie

 

1

2

3

1

1

2

3

5

9

Sportfunctie

 

1

2

3

1

1

2

3

5

10

Winkelfunctie

 

1

2

3

1

1

2

3

5

11

Overige gebruiksfunctie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

a

overige gebruiks-
functie voor het personen-
vervoer

1

2

3

6

1

1

2

3

5

 

b

overige gebruiks-
functie voor het stallen van motor-
voertuigen

1

2

3

6

1

1

2

3

5

 

c

andere overige gebruiks-
functie

1

2

3

6

1

2

3

5

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

 

1

2

3

1

1

2

3

5

*

 

 

Artikel 2.2

1. Een uiterste grenstoestand van een bouwconstructie wordt niet overschreden bij de fundamentele belastingscombinaties, bepaald volgens NEN 6702. Voorzover NEN 6702 niet voorziet in de kwantificering van de belastingscombinaties, wordt uitgegaan van NEN 6700.

2. Onverminderd het eerste lid, wordt een uiterste grenstoestand van een dak of een vloerafscheiding niet overschreden bij de bijzondere belastingscombinaties als bedoeld in NEN 6702. Daarbij wordt uitgegaan van een stootbelasting.

3. In afwijking van het eerste lid, kan voor de bouwconstructie van een toiletruimte, een badruimte, een meterruimte, een opstelplaats voor een warmwatertoestel en een opstelplaats voor een stooktoestel worden uitgegaan van de fundamentele belastingscombinaties, bepaald volgens NEN 3859.

4. Voor het bepalen van de fundamentele belastingscombinaties voor de fundering voor een woonwagen wordt, in afwijking van het eerste lid, uitgegaan van:

a. een laststelsel dat bestaat uit twee verticale, evenwijdige lijnlasten die elk een rekenwaarde hebben ter grootte van 6,8 kN/m en een lengte van 15 m, en die op een afstand van ten minste 2,5 m en ten hoogste 3 m van elkaar liggen; indien de standplaats ligt in een onbebouwd gebied I, als bedoeld in NEN 6702, wordt voor de lijnlasten uitgegaan van een rekenwaarde ter grootte van 7,3 kN/m,

b. een puntlast met een rekenwaarde van 50 kN die in rekening wordt gebracht als een vrije belasting als bedoeld in NEN 6702, en

c. de rekenwaarde van het eigen gewicht van de fundering.

5. In afwijking van het eerste lid kan worden uitgegaan van de fundamentele belastingscombinaties, bepaald volgens NEN 3859.

6. In afwijking van het eerste lid kan voor een gebouw met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2 worden uitgegaan van de fundamentele belastingscombinaties, bepaald volgens NEN 3859.

 

Artikel 2.3

1. Een uiterste grenstoestand van een hoofddraagconstructie wordt, onverminderd artikel 2.2, niet overschreden bij bijzondere belastingscombinaties als bedoeld in NEN 6702. Daarbij wordt uitgegaan van:

a. een gasexplosie,

b. een botsing door een voertuig, en

c. een extreme grondwaterstand.

Indien NEN 6702 niet voorziet in de kwantificering van de belastingscombinaties wordt uitgegaan van NEN 6700.

2. Onverminderd het eerste lid wordt eveneens uitgegaan van het wegvallen van de bijdrage aan de standzekerheid die wordt geleverd door constructie-onderdelen op een aangrenzend perceel.

 

Artikel 2.4

1. Het niet overschrijden van een uiterste grenstoestand als bedoeld in artikel 2.2 wordt bepaald volgens:

a. NEN 6710 of NEN 6770, indien de bouwconstructie is vervaardigd van metaal als bedoeld in die normen,

b. NEN 6720 of NEN 6790, indien de bouwconstructie is vervaardigd van steenachtig materiaal als bedoeld in die normen,

c. NEN 6760, indien de bouwconstructie is vervaardigd van hout als bedoeld in die norm,

d. NEN 2608, indien de bouwconstructie is vervaardigd van glas als bedoeld in die norm, of

e. NEN 6707, indien de bouwconstructie de bevestiging van dakbedekking is als bedoeld in die norm.

2. Indien voor een bouwconstructie wordt uitgegaan van de belastingscombinaties, bepaald volgens NEN 3859, wordt, in afwijking van het eerste lid, het niet overschrijden van een uiterste grenstoestand bepaald volgens NEN 3859.

3. Bij het bepalen van het niet overschrijden van een uiterste grenstoestand als bedoeld in artikel 2.2 blijven bouwconstructies die op een ander perceel zijn gelegen buiten beschouwing.

4. In afwijking van het derde lid, blijven bouwconstructies van een op een ander perceel gelegen gebruiksfunctie van dezelfde soort niet buiten beschouwing.

5. Indien een ander materiaal of een andere bepalingsmethode is toegepast dan aangegeven in het eerste en tweede lid, wordt het niet overschrijden van een uiterste grenstoestand als bedoeld in artikel 2.2, bepaald volgens NEN 6700.

 

Artikel 2.4a

Het bevoegd gezag wijkt bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, af van de artikelen 2.2 tot en met 2.4 tot het niveau van de desbetreffende voorschriften voor een bestaand bouwwerk.

 

§ 2.1.2. Bestaande bouw

 

Artikel 2.5

1. Een bestaand bouwwerk heeft een bouwconstructie die gedurende de in NEN 6700 bedoelde referentieperiode voldoende bestand is tegen de daarop werkende krachten.

2. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.5 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

Tabel 2.5

gebruiksfunctie

   

leden van toepassing

           
     

belastingscombinaties

bouwconstructie

   

uiterste grenstoestand

   
   

artikel

2.6

     

2.7

   
   

lid

1

2

3

4

1

2

3

1

Woonfunctie

 

1

2

-

1

2

3

2

Bijeenkomstfunctie

 

1

2

1

2

3

3

Celfunctie

 

1

2

1

2

3

4

Gezondheidszorgfunctie

 

1

2

1

2

3

5

Industriefunctie

               
 

a

lichte industriefunctie

1

2

3

1

2

3

 

b

andere industriefunctie

1

2

1

2

3

6

Kantoorfunctie

 

1

2

1

2

3

7

Logiesfunctie

 

1

2

1

2

3

8

Onderwijsfunctie

 

1

2

1

2

3

9

Sportfunctie

 

1

2

1

2

3

10

Winkelfunctie

 

1

2

1

2

3

11

Overige gebruiksfunctie

               
 

a

overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer

1

2

4

1

2

3

 

b

overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen

1

2

4

1

2

3

 

c

andere overige gebruiksfunctie

1

2

3

1

2

3

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

 

1

2

1

2

3

 

Artikel 2.6

1. Een uiterste grenstoestand van een bouwconstructie wordt niet overschreden bij de fundamentele belastingscombinaties, bepaald volgens NEN 6702. Voorzover NEN 6702 niet voorziet in de kwantificering van de belastingscombinaties wordt uitgegaan van NEN 6700.

2. In afwijking van het eerste lid, kan voor de bouwconstructie van een toiletruimte, een badruimte, een meterruimte, een opstelplaats voor een warmwatertoestel en een opstelplaats voor een stooktoestel worden uitgegaan van de fundamentele belastingscombinaties, bepaald volgens NEN 3859.

3. In afwijking van het eerste lid, kan worden uitgegaan van de fundamentele belastingscombinaties, bepaald volgens NEN 3859.

4. In afwijking van het eerste lid kan voor een gebouw met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 100 m2 worden uitgegaan van de fundamentele belastingscombinaties, bepaald volgens NEN 3859.

 

Artikel 2.7

1. Het niet overschrijden van een uiterste grenstoestand als bedoeld in artikel 2.6 wordt bepaald volgens:

a. NEN 6710 of NEN 6770, indien de bouwconstructie is vervaardigd van metaal als bedoeld in die normen,

b. NEN 6720 of NEN 6790, indien de bouwconstructie is vervaardigd van steenachtig materiaal als bedoeld in die normen,

c. NEN 6760, indien de bouwconstructie is vervaardigd van hout als bedoeld in die norm,

d. NEN 2608, indien de bouwconstructie is vervaardigd van glas als bedoeld in die norm, of

e. NEN 6707, indien de bouwconstructie de bevestiging van dakbedekking is als bedoeld in die norm.

2. Indien voor een bouwconstructie wordt uitgegaan van de belastingscombinaties, bepaald volgens NEN 3859, wordt, in afwijking van het eerste lid, het niet overschrijden van een uiterste grenstoestand bepaald volgens NEN 3859. 3.

3. Indien een ander materiaal of een andere bepalingsmethode is toegepast dan aangegeven in het eerste en tweede lid, wordt het niet overschrijden van een uiterste grenstoestand als bedoeld in artikel 2.6, bepaald volgens NEN 6700.

 

Afdeling 2.2. Sterkte bij brand

 

§ 2.2.1. Nieuwbouw

 

Artikel 2.8

1. Een te bouwen bouwwerk heeft een bouwconstructie die zodanig is dat het bouwwerk bij brand gedurende redelijke tijd kan worden verlaten en doorzocht, zonder dat er gevaar voor instorting is.

2. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.8 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

Tabel 2.8

gebruiksfunctie

   

leden van toepassing

             
     

tijdsduur bezwijken

           

bepalingsmethode

   

artikel

2.9

           

2.10

   

lid

1

2

3

4

5

6

7

*

1

Woonfunctie

                 
 

a

woonfunctie van een woonwagen

 

b

andere woonfunctie

1

2

3

*

2

Bijeenkomstfunctie

                 
 

a

bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar of 24-uurs opvang

1

5

6

*

 

b

andere bijeenkomstfunctie

1

4

6

*

3

Celfunctie

                 
 

a

celfunctie voor dag- en nachtverblijf

1

5

6

*

 

b

andere celfunctie

1

4

6

*

4

Gezondheidszorgfunctie

                 
 

a

gezondheidszorgfunctie voor aan bed gebonden patiënten

1

5

6

*

 

b

andere gezondheidszorgfunctie

1

4

6

*

5

Industriefunctie

 

1

4

6

*

6

Kantoorfunctie

 

1

4

6

*

7

Logiesfunctie

                 
 

a

logiesfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 100 m2, niet gelegen in een logiesgebouw

1

*

 

b

andere logiesfunctie

1

5

6

*

8

Onderwijsfunctie

 

1

4

6

*

9

Sportfunctie

 

1

4

6

*

10

Winkelfunctie

 

1

4

6

*

11

Overige gebruiksfunctie

                 
 

a

overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer

1

4

6

*

 

b

overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen

1

4

6

*

 

c

andere overige gebruiksfunctie

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

 

7

*

 

Artikel 2.9

1. Een uiterste grenstoestand van een bouwconstructie waarvan het bezwijken leidt tot het onbruikbaar worden van een rookvrije vluchtroute, wordt gedurende 30 minuten niet overschreden bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand.

2. Onverminderd het eerste lid, wordt een uiterste grenstoestand van een in tabel 2.9.1 aangegeven hoofddraagconstructie gedurende de in die tabel aangegeven tijdsduur niet overschreden bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand.

Tabel 2.9.1

hoofddraagconstructie

tijdsduur van de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken in minuten

indien geen vloer van een verblijfsgebied van de woonfunctie hoger ligt dan 7 m boven het meetniveau

60

indien een vloer van een verblijfsgebied van de woonfunctie hoger ligt dan 7 m en niet hoger dan 13 m boven het meetniveau

90

indien een vloer van een verblijfsgebied van de woonfunctie hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau

120

3. In afwijking van het tweede lid, wordt de in tabel 2.9.1 aangegeven tijdsduur met 30 minuten bekort, indien de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting van het bouwwerk waarvan de hoofddraagconstructie deel uitmaakt niet groter is dan 500 MJ/m2 en geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 7 m boven het meetniveau.

4. Onverminderd het eerste lid, wordt een uiterste grenstoestand van de hoofddraagconstructie van een gebruiksfunctie waarvan een vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau, gedurende 90 minuten niet overschreden bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand.

5. Onverminderd het eerste lid, wordt een uiterste grenstoestand van een in tabel 2.9.2 aangegeven hoofddraagconstructie gedurende de in die tabel aangegeven tijdsduur niet overschreden bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand.

Tabel 2.9.2

hoofddraagconstructie

tijdsduur van de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken in minuten

indien geen vloer van een verblijfsgebied van de gebruiksfunctie hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau

60

indien een vloer van een verblijfsgebied van de gebruiksfunctie hoger ligt dan 5 m en niet hoger dan 13 m boven het meetniveau

90

indien een vloer van een verblijfsgebied van die gebruiksfunctie hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau

120

6. In afwijking van het vierde en vijfde lid, wordt de tijdsduur van de brandwerendheid met 30 minuten verlaagd, indien de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting van het bouwwerk waarvan de hoofddraagconstructie deel uitmaakt niet groter is dan 500 MJ/m2.

7. Een uiterste grenstoestand van een hoofddraagconstructie wordt, afhankelijk van de bestemming en de inrichting van een bouwwerk, bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand, gedurende zodanige tijd niet overschreden, dat het bouwwerk bij brand binnen redelijke tijd kan worden verlaten en kan worden doorzocht, zonder dat gevaar bestaat voor instorting van de hoofddraagconstructie.

 

Artikel 2.10

De tijdsduur gedurende welke een uiterste grenstoestand van een bouwconstructie niet wordt overschreden, als bedoeld in artikel 2.9, wordt bepaald volgens:

a. NEN 6069,

b. NEN 6071,

c. NEN 6072 of

d. NEN 6073.

 

§ 2.2.2. Bestaande bouw

 

Artikel 2.11

1. Een bestaand bouwwerk heeft een bouwconstructie die zodanig is dat het bouwwerk bij brand gedurende enige tijd kan worden verlaten en doorzocht zonder dat er gevaar voor instorting is.

2. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.11 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

Tabel 2.11

gebruiksfunctie

   

leden van toepassing

         
     

tijdsduur bezwijken

       

bepalingsmethode

   

artikel

2.12

       

2.13

   

lid

1

2

3

4

5

*

1

Woonfunctie

             
 

a

woonfunctie gelegen in een woongebouw

1

2

*

 

b

woonfunctie van een woonwagen

 

c

andere woonfunctie

1

2

*

2

Bijeenkomstfunctie

 

1

3

*

3

Celfunctie

             
 

a

celfunctie voor dag- en nachtverblijf

1

4

*

 

b

andere celfunctie

1

3

*

4

Gezondheidszorgfunctie

             
 

a

gezondheidszorgfunctie voor aan bed gebonden patiënten

1

4

*

 

b

andere gezondheidszorgfunctie

1

3

*

5

Industriefunctie

 

1

3

*

6

Kantoorfunctie

 

1

3

*

7

Logiesfunctie

             
 

a

logiesfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 100 m2, niet gelegen in een logiesgebouw

1

*

 

b

andere logiesfunctie

1

4

*

8

Onderwijsfunctie

 

1

3

*

9

Sportfunctie

 

1

3

*

10

Winkelfunctie

 

1

3

*

11

Overige gebruiksfunctie

             
 

a

overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer

1

3

*

 

b

andere overige gebruiksfunctie

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

 

5

*

 

Artikel 2.12

1. Een uiterste grenstoestand van een bouwconstructie waarvan het bezwijken leidt tot het onbruikbaar worden van een rookvrije vluchtroute, wordt gedurende 20 minuten niet overschreden bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand.

2. Onverminderd het eerste lid, wordt een uiterste grenstoestand van een in tabel 2.12.1 aangegeven hoofddraagconstructie gedurende de in die tabel aangegeven tijdsduur niet overschreden bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand.

Tabel 2.12.1

hoofddraagconstructie

tijdsduur van de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken in minuten

indien een vloer van een verblijfsruimte van de woonfunctie hoger ligt dan 7 m en niet hoger dan 13 m boven het meetniveau

30

indien een vloer van een verblijfsruimte van de woonfunctie hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau

60

3. Onverminderd het eerste lid, wordt een uiterste grenstoestand van de hoofddraagconstructie van een gebruiksfunctie waarvan een vloer van een verblijfsruimte hoger ligt dan 5 m boven het meetniveau, gedurende 30 minuten niet overschreden bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand.

4. Onverminderd het eerste lid, wordt een uiterste grenstoestand van een in tabel 2.12.2 aangegeven hoofddraagconstructie gedurende de in die tabel aangegeven tijdsduur niet overschreden bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand.

Tabel 2.12.2

hoofddraagconstructie

tijdsduur van de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken in minuten

indien een vloer van een verblijfsruimte van de gebruiksfunctie hoger ligt dan 5 m en niet hoger dan 13 m boven het meetniveau

30

indien een vloer van een verblijfsruimte van de gebruiksfunctie hoger ligt dan 13 m boven het meetniveau

60

5. Een uiterste grenstoestand van een hoofddraagconstructie wordt, afhankelijk van de bestemming en de inrichting van een bouwwerk, bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand, gedurende zodanige tijd niet overschreden, dat het bouwwerk bij brand gedurende enige tijd kan worden verlaten en kan worden doorzocht, zonder dat gevaar bestaat voor instorting van de hoofddraagconstructie.

 

Artikel 2.13

De tijdsduur gedurende welke een uiterste grenstoestand van een bouwconstructie niet wordt overschreden, als bedoeld in artikel 2.12, wordt bepaald volgens NEN 6069.

 

Afdeling 2.3. Vloerafscheiding

 

§ 2.3.1. Nieuwbouw

 

Artikel 2.14

1. Een te bouwen bouwwerk bevat voorzieningen waardoor het van een vloer vallen voldoende wordt voorkomen.

2. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.14 voorschriften zijnaangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 2.14 geen voorschrift is aangewezen.

Tabel 2.14

gebruiks-
functie

   

leden van toepas-
sing

                         

grens-
waarden

   
     

aanwe-
zigheid

   

hoogte

       

ope-
ningen

     

opstap-
moge-
lijkheid

 

hoogte

ope-
ningen

 
   

artikel

2.15

   

2.16

       

2.17

     

2.18

 

2.16

2.17

 
   

lid

1

2

3

1

2

3

4

5

1

2

3

4

1

2

1

2

3

                                 

[m]

[m]

[m]

1

Woonfunctie

                                   
 

a

woonfunctie van een woonwagen

 

b

andere woonfunctie

1

2

1

2

3

5

1

2

3

1

1

0,1

0,5

2

Bijeenkomst-
functie

                                   
 

a

bijeenkomst-
functie voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar

1

2

3

1

2

3

5

1

2

3

1

1

0,1

0,5

 

b

andere bijeenkomst-
functie voor kinderopvang

1

2

3

1

2

3

5

1

3

4

1

1

0,2

 

c

andere bijeenkomst-
functie

1

2

3

1

2

3

4

1

3

4

2

1

0,5

3

Celfunctie

 

1

2

3

1

3

5

1

3

4

2

1,2

0,3

4

Gezondheids-
zorgfunctie

 

1

2

3

1

2

3

5

1

3

4

2

1

0,5

5

Industriefunctie

 

1

2

3

1

2

3

5

1

3

4

2

1

0,5

6

Kantoorfunctie

 

1

2

3

1

2

3

5

1

3

4

2

1

0,5

7

Logiesfunctie

 

1

2

3

1

2

3

5

1

3

4

2

1

0,5

8

Onderwijsfunctie

                                   
 

a

onderwijs-
functie voor het basis- of speciaal onderwijs

1

2

3

1

2

3

5

1

3

4

1

1

0,2

 

b

andere onderwijs-
functie

1

2

3

1

2

3

5

1

3

4

1

1

0,5

9

Sportfunctie

 

1

2

3

1

2

3

4

1

3

4

2

1

0,5

10

Winkelfunctie

 

1

2

3

1

2

3

5

1

3

4

2

1

0,5

11

Overige gebruiksfunctie

 

1

2

3

1

2

3

5

1

3

4

2

1

0,5

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

 

1

2

3

1

2

2

1

0,5

 

Artikel 2.15

1. Een vloer heeft bij een rand een niet beweegbare afscheiding als die rand meer dan 1 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water.

2. Het eerste lid geldt niet ter plaatse van de aansluiting van de vloer aan:

a. een trap of

b. een hellingbaan.

3. Onverminderd het tweede lid geldt het eerste lid niet voor:

a. een rand van een podium,

b. een rand van een vloer die aan een bassin grenst,

c. een rand van een laadvloer,

d. een rand van een perron en

e. een met een rand als bedoeld onder a tot en met d, gelijk te stellen rand van een vloer.

 

Artikel 2.16

1. Een afscheiding als bedoeld in artikel 2.15, heeft een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste de in tabel 2.14 aangegeven waarde.

2. Een afscheiding als bedoeld in artikel 2.15, heeft, in afwijking van het eerste lid, een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste 1,2 m indien de vloer hoger ligt dan 13 m boven een aangrenzende vloer of boven het aansluitende terrein of het aansluitend water.

3. Een afscheiding als bedoeld in artikel 2.15, heeft, in afwijking van het eerste en tweede lid, ter plaatse van een al dan niet beweegbaar raam een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste 0,85 m.

4. In afwijking van het eerste lid, heeft een vloerafscheiding een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste 0,7 m, indien de som van die hoogte en de breedte van een horizontaal vlak op die hoogte, ten minste 1,1 m is.

 

Artikel 2.17

1. Tussen een afscheiding als bedoeld in artikel 2.15, en de vloer is de horizontaal gemeten afstand niet groter dan 0,05 m.

2. Een afscheiding als bedoeld in artikel 2.15, heeft tot een hoogte van 0,7 m boven de vloer geen openingen met een breedte groter dan de in tabel 2.14 aangegeven waarde.

3. Een afscheiding als bedoeld in artikel 2.15, heeft geen openingen met een breedte groter dan de in tabel 2.14 aangegeven waarde.

4. Een afscheiding als bedoeld in artikel 2.15, in een gedeelte van een gebruiksfunctie dat mede bestemd is voor bezoekers, heeft tot een hoogte van 0,7 m boven de vloer geen openingen met een breedte groter dan 0,1 m.

 

Artikel 2.18

1. Een afscheiding als bedoeld in artikel 2.15, heeft, ter voorkoming van het overklauteren, geen opstapmogelijkheden tussen 0,2 m en 0,7 m boven de vloer.

2. In een gedeelte mede bestemd voor bezoekers, heeft een afscheiding als bedoeld in artikel 2.15, ter voorkoming van het overklauteren, geen opstapmogelijkheden tussen 0,2 m en 0,7 m boven de vloer.

 

§ 2.3.2. Bestaande bouw

 

Artikel 2.19

1. Een bestaand bouwwerk bevat voorzieningen waardoor het van een vloer vallen voldoende wordt voorkomen.

2. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.19 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 2.19 geen voorschrift is aangewezen.

Tabel 2.19

gebruiksfunctie

   

leden van toepassing

             

grenswaarden

     

aanwezigheid

   

hoogte

   

openingen

 

openingen

   

artikel

2.20

   

2.21

   

2.22

 

2.22

   

lid

1

2

3

1

2

3

1

2

2

                     

[m]

1

Woonfunctie

                   
 

a

woonfunctie van een woonwagen

 

b

andere woonfunctie

1

2

1

2

3

1

2

0,2

2

Bijeenkomstfunctie

                   
 

a

bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar

1

2

3

1

2

3

1

2

0,1

 

b

andere bijeenkomstfunctie

1

2

3

1

2

3

3

Celfunctie

 

1

2

3

1

2

3

4

Gezondheidszorgfunctie

 

1

2

3

1

2

3

5

Industriefunctie

 

1

2

3

1

2

3

6

Kantoorfunctie

 

1

2

3

1

2

3

7

Logiesfunctie

 

1

2

3

1

2

3

8

Onderwijsfunctie

 

1

2

3

1

2

3

9

Sportfunctie

 

1

2

3

1

2

3

10

Winkelfunctie

 

1

2

3

1

2

3

11

Overige gebruiksfunctie

 

1

2

3

1

2

3

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

 

1

2

3

1

3

 

Artikel 2.20

1. Een vloer heeft bij een rand een afscheiding als die rand meer dan 1,5 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water.

2. Het eerste lid geldt niet ter plaatse van de aansluiting van de vloer aan:

a. een trap of

b. een hellingbaan.

3. Onverminderd het tweede lid geldt het eerste lid niet voor:

a. een rand van een podium,

b. een rand van een vloer die aan een bassin grenst,

c. een rand van een laadvloer,

d. een rand van een perron en

e. een met een rand als bedoeld onder a tot en met d, gelijk te stellen rand van een vloer.

 

Artikel 2.21

1. Een afscheiding als bedoeld in artikel 2.20, heeft een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste 0,9 m.

2. Een afscheiding als bedoeld in artikel 2.20, heeft, in afwijking van het eerste tot en met derde lid, ter plaatse van een al dan niet beweegbaar raam een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste 0,6 m.

3. Indien de som van de hoogte en de breedte van een horizontaal vlak op die hoogte ten minste 1 m is, heeft een afscheiding als bedoeld in artikel 2.20, in afwijking van het eerste lid, een vanaf de vloer gemeten hoogte van ten minste 0,6 m.

 

Artikel 2.22

1. Tussen een afscheiding als bedoeld in artikel 2.20, en de vloer is de horizontaal gemeten afstand niet groter dan 0,1 m.

2. Een afscheiding als bedoeld in artikel 2.20, heeft tot een hoogte van 0,6 m boven de vloer geen openingen met een breedte groter dan de in tabel 2.19 aangegeven grenswaarde.

 

Afdeling 2.4. Overbrugging van hoogteverschillen

 

§ 2.4.1. Nieuwbouw

 

Artikel 2.23

1. Een te bouwen bouwwerk heeft voorzieningen voor het veilig overbruggen van hoogteverschillen.

2. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.23 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 2.23 geen voorschrift is aangewezen.

Tabel 2.23

gebruiksfunctie

   

leden van toepassing

 
     

voorziening

 

artikel

   

2.24

 
 

lid

 

1

2

1

Woonfunctie

     
 

a

woonfunctie van een woonwagen

 

b

andere woonfunctie

1

2

Bijeenkomstfunctie

 

1

3

Celfunctie

 

1

4

Gezondheidszorgfunctie

 

1

5

Industriefunctie

     
 

a

lichte industriefunctie

 

b

andere industriefunctie

1

6

Kantoorfunctie

 

1

7

Logiesfunctie

 

1

8

Onderwijsfunctie

 

1

9

Sportfunctie

 

1

10

Winkelfunctie

 

1

11

Overige gebruiksfunctie

     
 

a

overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer, met een gebruiksoppervlakte van meer dan 50 m2

1

 

b

overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen

1

 

c

andere overige gebruiksfunctie

2

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

 

2

 

Artikel 2.24

1. Een hoogteverschil tussen vloeren van verblijfsgebieden, verblijfsruimten, toiletruimten, badruimten en vloeren op een verkeersroute die deze ruimten verbindt, of tussen een van die vloeren en het aansluitende terrein, dat groter is dan 0,21 m wordt overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan.

2. Een hoogteverschil tussen voor bezoekers toegankelijke vloeren of tussen een van die vloeren en het aansluitende terrein, dat groter is dan 0,21 m wordt overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan.

 

§ 2.4.2. Bestaande bouw

 

Artikel 2.25

1. Een bestaand bouwwerk heeft voorzieningen voor het veilig overbruggen van hoogteverschillen.

2. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.25 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op die gebruiksfuncties waarvoor in tabel 2.25 geen voorschrift is gegeven.

Tabel 2.25

gebruiksfunctie

   

leden van toepassing

 
     

aanwezigheid

 

artikel

   

2.26

 
 

lid

 

1

2

1

Woonfunctie

     
 

a

woonfunctie van een woonwagen

 

b

andere woonfunctie

1

2

Bijeenkomstfunctie

 

1

3

Celfunctie

 

1

4

Gezondheidszorgfunctie

 

1

5

Industriefunctie

     
 

a

lichte industriefunctie

 

b

andere industriefunctie

1

6

Kantoorfunctie

 

1

7

Logiesfunctie

 

1

8

Onderwijsfunctie

 

1

9

Sportfunctie

 

1

10

Winkelfunctie

 

1

11

Overige gebruiksfunctie

     
 

a

overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer, met een gebruiksoppervlakte van meer dan 100 m2

1

 

b

overige gebruiksfunctie voor het stallen van motorvoertuigen

1

 

c

andere overige gebruiksfunctie

2

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

 

2

 

Artikel 2.26

1. Een hoogteverschil tussen vloeren van verblijfsruimten, toiletruimten, badruimten en vloeren op een verkeersroute die deze ruimten verbindt, of tussen een van die vloeren en het aansluitende terrein, dat groter is dan 0,22 m wordt overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan.

2. Een hoogteverschil tussen voor bezoekers toegankelijke vloeren of tussen een van die vloeren en het aansluitende terrein, dat groter is dan 0,22 m, wordt overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan.

 

Afdeling 2.5. Trap

 

§ 2.5.1. Nieuwbouw

 

Artikel 2.27

1. Een te bouwen trap die een hoogteverschil als bedoeld in paragraaf 2.4.1 overbrugt, kan veilig worden gebruikt.

2. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.27 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 2.27 geen voorschrift is aangewezen.

Tabel 2.27

ge-
bruiks-
functie

   

leden van toepas-
sing

                                           

grens-
waar-
den

         
     

afme-
tingen trap

                   

trap-
bordes

   

af-
schei-
ding

         

leu-
ning

 

regen-
werend-
heid

afme-
tingen trap

       

af-
schei-
ding

 

artikel

 

2.28

                   

2.29

   

2.30

         

2.31

 

2.32

2.28

       

2.30

 

lid

 

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

1

2

3

1

2

3

4

5

6

1

2

*

6 en 9

       

2

1

Woonfunctie

                                               

[m2]

       

[m]

 

a

woonfunctie van een woonwagen

       

 

b

woonfunctie gelegen in een woongebouw

1

2

3

4

11

1

2

1

2

3

4

1

2

*

       

0,5

 

c

andere woonfunctie

1

2

4

11

1

2

1

2

3

4

1

2

*

       

0,5

bij bezettings-
graad-
klasse

                                                 

B1

B2

B3

B4

B5

 

2

Bijeenkomst-
functie

                                                           
 

a

bijeenkomst-
functie voor het aanschouwen van sport

5

6

7

11

1

3

1

2

5

6

1

40

100

n.t.

n.t.

n.t.

0,5

 

b

bijeenkomst-
functie voor kinderopvang van kinderen jonger dan 4 jaar

5

6

7

11

1

3

1

2

4

1

40

100

250

n.t.

n.t.

0,1

 

c

andere bijeenkomst-
functie voor kinderopvang

5

6

7

11

1

3

1

2

3

4

1

40

100

250

n.t.

n.t.

0,2

 

d

andere bijeenkomst-
functie

5

6

7

11

1

3

1

2

3

5

6

1

40

100

250

n.t.

n.t.

0,5

3

Celfunctie

 

5

6

7

11

1

3

1

2

5

6

1

           
   

1 verblijfsgebied waarin een bezoekruimte of een voor gemeen-
schappelijk gebruik bestemde ruimte ligt

                                             

40

100

250

n.t.

n.t.

0,3

   

2 ander verblijfsgebied

                                             

40

100

250

600

>600

0,3

4

Gezondheids-
zorgfunctie

 

5

6

7

11

1

3

1

2

5

6

1

           
   

1 verblijfsgebied voor bezoekers

                                             

40

100

250

n.t.

n.t.

0,5

   

2 ander verblijfsgebied

                                             

40

100

250

600

n.t.

0,5

5

Industrie-
functie

                                                           
 

a

lichte industriefunctie

 
 

b

andere industriefunctie

5

6

7

8

11

1

3

1

2

5

6

1

40

100

250

600

>600

0,5

6

Kantoorfunctie

 

5

6

7

11

1

3

1

2

5

6

1

40

100

250

600

n.t.

0,5

7

Logiesfunctie

 

5

6

7

11

1

3

1

2

5

6

1

40

100

250

600

n.t.

0,5

8

Onderwijs-
functie

                                                           
 

a

onderwijs-
functie voor het basis- of speciaal-
onderwijs

5

6

7

11

1

3

1

2

3

4

1

40

100

250

n.t.

n.t.

0,2

 

b

andere onderwijs-
functie

5

6

7

11

1

3

1

2

3

4

1

40

100

250

n.t.

n.t.

0,5

9

Sportfunctie

 

5

6

7

11

1

3

1

2

5

6

1

40

100

250

600

>600

0,5

10

Winkelfunctie

 

5

5

7

11

1

3

1

2

5

6

1

40

100

250

600

>600

0,5

11

Overige gebruiks-
functie

                                                           
 

a

overige gebruiks-
functie voor het personen-
vervoer, met een gebruiks-
oppervlakte van meer dan 50 m2.

5

6

7

11

1

3

1

2

5

6

1

40

100

250

600

>600

0,5

 

b

overige gebruiks-
functie voor het stallen van motor-
voertuigen

5

6

7

11

1

3

1

2

5

6

1

40

100

250

600

>600

0,5

 

c

andere overige gebruiks-
functie

5

6

7

11

1

3

1

2

5

6

1

2

40

100

250

600

>600

0,5

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

 

5

9

10

11

1

3

1

2

40

100

250

600

>600

 

Artikel 2.28

1. Een trap als bedoeld in artikel 2.24, heeft afmetingen die voldoen aan tabel 2.28a, kolom A.

2. In afwijking van het eerste lid, heeft een trap als bedoeld in artikel 2.24, bestemd voor het ontsluiten van een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2, afmetingen die voldoen aan tabel 2.28a kolom B.

3. Indien de totale vloeroppervlakte aan verblijfsgebied, die is aangewezen op een trap als bedoeld in artikel 2.24 groter is dan 600 m2, heeft die trap, in afwijking van het eerste lid, afmetingen die voldoen aan tabel 2.28a, kolom B.

4. Een aantrede, een optrede en de breedte van een tredevlak van een trapvormige vloer van een verblijfsgebied hebben afmetingen die voldoen aan tabel 2.28a, kolom B.

5. Een trap als bedoeld in artikel 2.24, heeft afmetingen die voldoen aan tabel 2.28b, kolom A.

6. Indien de totale vloeroppervlakte aan verblijfsgebied, die is aangewezen op een trap als bedoeld in artikel 2.24 groter is dan de in tabel 2.27 aangegeven grenswaarde, heeft die trap, in afwijking van het vijfde lid, afmetingen die voldoen aan tabel 2.28b, kolom B.

7. Een aantrede, een optrede en de breedte van een tredevlak van een trapvormige vloer van een verblijfsgebied hebben afmetingen die voldoen aan tabel 2.28b, kolom B.

8. In afwijking van het vijfde en zesde lid, geldt geen maximum hoogte voor een trap van een industriefunctie.

9. Indien de totale vloeroppervlakte van voor bezoekers toegankelijke vloeren, die is aangewezen op een trap als bedoeld in artikel 2.24, groter is dan de in tabel 2.27 aangegeven grenswaarde, heeft die trap, in afwijking van het vijfde lid, afmetingen die voldoen aan tabel 2.28b, kolom B.

10. Een aantrede, een optrede en een tredevlak van een voor bezoekers toegankelijke trapvormige vloer hebben afmetingen die voldoen aan tabel 2.28b, kolom B.

Tabel 2.28a Afmetingen van een trap van een woonfunctie

 

A

B

minimum breedte van de trap

0,8 m

1,2 m

minimum vrije hoogte boven de trap

2,3 m

2,3 m

maximum hoogte van de trap

4 m

4 m

minimum aantrede ter plaatse van de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant van de trede

0,22 m

0,24 m

maximum hoogte van een optrede

0,185 m

0,185 m

minimum breedte van het tredevlak, gemeten loodrecht op de voorkant van dat vlak

0,05 m

0,17 m

minimum breedte van het tredevlak ter plaatse van de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant van dat vlak

0,23 m

0,23 m

minimum afstand van de klimlijn tot de zijkanten van de trap

0,3 m

0,3 m

Tabel 2.28b

afmetingen van een trap van een niet tot bewoning bestemde gebruiksfunctie en van een noodtrap voor een woonfunctie

   
 

A

B

minimum breedte van de trap

0,8 m

1,1 m

minimum vrije hoogte boven de trap

2,3 m

2,3 m

maximum hoogte van de trap

4 m

4 m

minimum aantrede ter plaatse van de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant van de trede

0,185 m

0,21 m

maximum hoogte van een optrede

0,21 m

0,21 m

minimum breedte van het tredevlak, gemeten loodrecht op de voorkant van dat vlak

0,05 m

0,17 m

Minimum breedte van het tredevlak ter plaatse van de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant van dat vlak

0,23 m

0,23 m

Minimum afstand van de klimlijn tot de zijkanten van de trap

0,3 m

0,3 m

11. In afwijking van het eerste tot en met derde, zesde en negende lid, heeft een noodtrap afmetingen die voldoen aan tabel 2.28b, kolom A.

 

Artikel 2.29

1. Een trap als bedoeld in artikel 2.28, eerste lid of vijfde lid, sluit ter plaatse van de bovenste trede over de ten minste vereiste breedte van die trap aan op een vloeroppervlakte van ten minste 0,8 m x 0,8 m, met een vrije hoogte van ten minste 2,3 m.

2. Een trap als bedoeld in artikel 2.28, tweede of derde lid, sluit ter plaatse van de bovenste trede over de ten minste vereiste breedte van die trap aan op een vloeroppervlakte van ten minste 1,2 m x 1,2 m, met een vrije hoogte van ten minste 2,3 m.

3. Een trap als bedoeld in artikel 2.28, zesde en negende lid, sluit ter plaatse van de bovenste trede over de ten minste vereiste breedte van die trap aan op een vloeroppervlakte van ten minste 1,1 m x 1,1 m, met een vrije hoogte van ten minste 2,3 m.

 

Artikel 2.30

1. Een trap als bedoeld in artikel 2.24, heeft, voorzover een zijkant van een tredevlak meer dan 1 m boven een direct naast de trap gelegen vloer ligt, aan die zijkant een niet beweegbare afscheiding. De boven de voorkant van een tredevlak gemeten hoogte van die afscheiding is ten minste 0,8 m. Tussen de afscheiding en de trap is de horizontaal gemeten afstand niet groter dan 0,05 m.

2. Een afscheiding als bedoeld in het eerste lid, heeft geen openingen met een breedte groter dan de in tabel 2.27 aangegeven grenswaarde.

3. Een afscheiding als bedoeld in het eerste lid, heeft tot een hoogte van 0,7 m boven een tredevlak geen openingen met een breedte groter dan 0,1 m.

4. Een afscheiding als bedoeld in het eerste lid, heeft, ter voorkoming van het overklauteren, geen opstapmogelijkheden tussen 0,2 m en 0,7 m boven een tredevlak.

5. In een gedeelte mede bestemd voor bezoekers, heeft een afscheiding als bedoeld in het eerste lid, onverminderd het tweede lid, tot een hoogte van 0,7 m boven een tredevlak geen openingen met een breedte groter dan 0,1 m.

6. In een gedeelte mede bestemd voor bezoekers, heeft een afscheiding als bedoeld in het eerste lid, ter voorkoming van het overklauteren, geen opstapmogelijkheden tussen 0,2 m en 0,7 m boven een tredevlak.

 

Artikel 2.31

1. Een trap als bedoeld in artikel 2.24, waarvan ter plaatse van de klimlijn de helling groter is dan 2:3 heeft aan ten minste een zijkant een leuning. De bovenkant van de leuning ligt, gemeten boven de voorkant van een tredevlak van de trap, op een hoogte van niet minder dan 0,8 m en niet meer dan 1 m.

2. In afwijking van het eerste lid, geldt dit voorschrift alleen voor een trap waarmee een hoogteverschil is overbrugd van meer dan 1 m.

 

Artikel 2.32

Een trap als bedoeld in artikel 2.24, bestemd voor het ontsluiten van een gebruiksfunctie, waarmee een vanaf een aangrenzende vloer gemeten hoogteverschil is overbrugd van meer dan 1,5 m, ligt in een besloten ruimte. De uitwendige scheidingsconstructie van die besloten ruimte is, bepaald volgens NEN 2778, regenwerend.

 

§ 2.5.2. Bestaande bouw

 

Artikel 2.33

1. Een bestaande trap die een hoogteverschil als bedoeld in paragraaf 2.4.2 overbrugt, kan veilig worden gebruikt.

2. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.33 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 2.33 geen voorschrift is aangewezen.

Tabel 2.33

gebruiks-
functie

   

leden van toepassing

           

grenswaarden

     

afmetingen trap

   

trapbordes

afscheiding

 

leuningen

afscheiding

   

artikel

2.34

   

2.35

2.36

 

2.37

2.36

   

lid

1

2

3

*

1

2

*

2

                   

[m]

1

Woonfunctie

                 
 

a

woonfunctie van een woonwagen

 

b

andere woonfunctie

1

2

*

1

2

*

0,2

2

Bijeenkomstfunctie

                 
 

a

bijeenkomstfunctie voor kinderopvang voor kinderen jonger dan 4 jaar

1

2

*

1

2

*

0,1

 

b

andere bijeenkomstfunctie

1

2

*

1

*

3

Celfunctie

 

1

2

*

1

*

4

Gezondheidszorgfunctie

 

1

2

*

1

*

5

Industriefunctie

               

 

a

lichte industriefunctie

 

b

andere industriefunctie

1

2

*

1

*

6

Kantoorfunctie

 

1

2

*

1

*

7

Logiesfunctie

 

1

2

*

1

*

8

Onderwijsfunctie

 

1

2

*

1

*

9

Sportfunctie

 

1

2

*

1

*

10

Winkelfunctie

 

1

2

*

1

*

11

Overige gebruiksfunctie

               

 

a

overige gebruiksfunctie voor het personenvervoer, met een gebruiksoppervlakte van meer dan 100 m2

1

2

*

1

*