|
Afdeling 3.14. Afvoer van rook
§ 3.14.1. Nieuwbouw
Artikel 3.91
1. Een te bouwen bouwwerk waarin zich
een opstelplaats voor een verbrandingstoestel bevindt, heeft een
zodanige voorziening voor de afvoer van rook dat geen voor de
gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht ontstaat.
2. Voorzover voor een gebruiksfunctie
in tabel 3.91 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die
gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door
toepassing van die voorschriften.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.91 geen
voorschrift is aangewezen.
Tabel 3.91
|
gebruiks-
functie |
|
|
leden van toepassing |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
|
|
aanwezigheid |
capaciteit |
|
|
|
|
plaats uitmonding |
|
|
stromings-
richting |
rookdoor-
latendheid |
kap |
verbouw |
tijdelijke bouw
|
|
artikel |
|
|
3.92 |
3.93 |
|
|
|
|
3.94 |
|
|
3.95 |
3.96 |
3.97 |
3.98 |
3.99 |
| |
lid |
|
* |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
1 |
2 |
3 |
* |
* |
* |
* |
* |
|
1 |
Woonfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
woonfunctie van een woonwagen |
* |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
1 |
|
3 |
* |
* |
* |
* |
* |
| |
b |
andere woonfunctie |
* |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
1 |
2 |
3 |
* |
* |
* |
* |
* |
|
2 |
Bijeenkomstfunctie |
|
* |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
1 |
2 |
3 |
* |
* |
* |
* |
* |
|
3 |
Celfunctie |
|
* |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
1 |
2 |
3 |
* |
* |
* |
* |
* |
|
4 |
Gezondheidszorgfunctie |
|
* |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
1 |
2 |
3 |
* |
* |
* |
* |
* |
|
5 |
Industriefunctie |
|
* |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
1 |
2 |
3 |
* |
* |
* |
* |
* |
|
6 |
Kantoorfunctie |
|
* |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
1 |
2 |
3 |
* |
* |
* |
* |
* |
|
7 |
Logiesfunctie |
|
* |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
1 |
2 |
3 |
* |
* |
* |
* |
* |
|
8 |
Onderwijsfunctie |
|
* |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
1 |
2 |
3 |
* |
* |
* |
* |
* |
|
9 |
Sportfunctie |
|
* |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
1 |
2 |
3 |
* |
* |
* |
* |
* |
|
10 |
Winkelfunctie |
|
* |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
1 |
2 |
3 |
* |
* |
* |
* |
* |
|
11 |
Overige gebruiksfunctie |
|
* |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
1 |
2 |
3 |
* |
* |
* |
* |
* |
|
12 |
Bouwwerk geen gebouw zijnde |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 3.92
Een ruimte met een opstelplaats voor een
verbrandingstoestel heeft een voorziening voor de afvoer van rook. Bij
de toepassing van dit voorschrift blijft een opstelplaats voor een
kooktoestel of een warmwatertoestel, met een nominale belasting van ten
hoogste 15 kW buiten beschouwing.
Artikel 3.93
1. Een voorziening voor de afvoer van
rook voor een opstelplaats voor verbrandingstoestellen met een totale
nominale belasting van meer dan 130 kW heeft een zodanige capaciteit,
dat de verbranding in de toestellen doeltreffend plaatsvindt. Een
voorziening voor de afvoer van rook voor een opstelplaats voor
verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van ten
hoogste 130 kW heeft een volgens NEN 2757 bepaalde capaciteit die niet
kleiner is dan de totale normaalvolumestroom van de rook bij de
nominale belasting van de verbrandingstoestellen die op die
voorziening zijn aangewezen. De normaalvolumestroom van een open
verbrandingstoestel wordt bepaald met formule 3.93.
2. Onverminderd het eerste lid, heeft
een voorziening voor de afvoer van rook voor een opstelplaats voor
verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van niet meer
dan 130 kW een volgens NEN 2757 bepaalde capaciteit die niet kleiner
is dan de volgens tabel 3.93 bepaalde normaalvolumestroom voor:
a. een verbrandingstoestel met een
nominale belasting van ten minste 30 W per m2 van de op het
toestel aangewezen gebruiksoppervlakte van een gebruiksfunctie,
met een minimum van 6 kW, indien de opstelplaats bestemd is voor
een met gas gestookt stooktoestel als bedoeld in artikel 4.87,
b. een verbrandingstoestel met een
nominale belasting van ten minste 20 W per m2 van de op het
toestel aangewezen gebruiksoppervlakte van een gebruiksfunctie,
met een minimum van 6 kW, indien de opstelplaats bestemd is voor
een met gas gestookt warmwatertoestel als bedoeld in artikel 4.95,
c. een verbrandingstoestel met een
nominale belasting van ten minste 30 W per m2 van de op het
toestel aangewezen gebruiksoppervlakte van een gebruiksfunctie,
met een minimum van 6 kW, indien de opstelplaats bestemd is voor
een met gas gestookt stooktoestel dat is samengevoegd met een
warmwatertoestel als bedoeld in artikel 4.96, en
d. een verbrandingstoestel met open
vuur met een nominale belasting van ten minste 15 kW, indien de
opstelplaats bestemd is voor een met vaste brandstof gestookte
open haard met open vuur.
Formule 3.93
|
qvn = B x 0,27 x 10-3 x n' |
|
|
waarin: |
|
|
qvn |
is de normaalvolumestroom in m3/s; |
|
B |
is de nominale belasting van het
toestel, in kW; |
|
n' |
is de «rekenwaarde
verdunningsfactor van rook» zoals aangegeven in tabel 3.93. |
Tabel 3.93
|
verbrandingstoestel |
|
rekenwaarde
verdunningsfactor van rook (n') |
|
| |
|
afvoer zonder ventilator |
afvoer met ventilator |
| |
brandstof |
[-] |
[-] |
|
gesloten vuur, zonder ventilator,
met trekonderbreker |
aardgas/butaan/propaan |
3,0 |
5,0 |
|
open vuur, zonder ventilator (blokkenvuurtoestel
type II) |
aardgas |
12,5 |
12,5 |
|
gesloten vuur, zonder ventilator |
olie (HBO I) |
1,3 |
2,6 |
|
gesloten vuur, zonder ventilator |
kolen, hout |
2,0 |
4,0 |
|
open vuur, zonder ventilator |
vaste brandstof |
10,0 |
10,0 |
3. In afwijking van het eerste lid,
heeft een voorziening voor de afvoer van rook voor een opstelplaats
voor een open verbrandingstoestel met ventilator en een nominale
belasting van ten hoogste 130 kW, een volgens NEN 2757 bepaalde
capaciteit die gelijk is aan de door de toestelventilator opgewekte
volumestroom.
4. Een combinatie van een component
voor afvoer van binnenlucht van een voorziening voor luchtverversing
en een voorziening voor afvoer van rook van een verbrandingstoestel
heeft een volgens NEN 2757 bepaalde capaciteit die gelijk is aan de
hoogste waarde die geldt voor de component en de voorziening
afzonderlijk.
5. Een CLV-systeem heeft een volgens
NEN 2757 bepaald positief drukverschil tussen het afvoerkanaal voor
rook en het toevoerkanaal voor verbrandingslucht.
Artikel 3.94
1. Een uitmonding van een voorziening
voor de afvoer van rook wordt zodanig geplaatst, dat de volgens NEN
2757 bepaalde verdunningsfactor van de rook, ter plaatse van een op
hetzelfde perceel als die voorziening gelegen instroomopening van:
a. een voorziening voor de toevoer
van verbrandingslucht, indien de toevoer van verbrandingslucht
plaatsvindt via een verblijfsgebied voor het verblijven van
mensen, en
b. een voorziening voor
luchtverversing voor de toevoer van verse lucht naar een
verblijfsgebied voor het verblijven van mensen, niet groter is dan
voor die afvoervoorziening is aangegeven in tabel 3.94. Daarbij
blijven een bouwwerk en met een bouwwerk gelijk te stellen
belemmeringen die op een ander perceel liggen, buiten beschouwing.
Tabel 3.94
|
afvoervoorziening
voor |
toegestane
verdunningsfactor |
|
rook afkomstig van een met gas
gestookt toestel |
0,01 |
|
rook afkomstig van een met een
andere brandstof gestookt toestel |
0,0015 |
2. De uitmonding van een voorziening
voor de afvoer van rook ligt, gemeten langszij aan een uitwendige
scheidingsconstructie van een gebruiksfunctie, niet zijnde het dak,
op een afstand van ten minste 1 m van de perceelsgrens. De afstand
gemeten loodrecht op die uitwendige scheidingsconstructie is ten
minste 2 m. Indien het perceel waarop de gebruiksfunctie ligt,
grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, wordt
de afstand gerekend tot het hart van die weg, dat water of dat
groen.
3. De onderzijde van de uitmonding
van een voorziening voor de afvoer van rook, gelegen boven een
constructieonderdeel of het aansluitende terrein, ligt, ter
voorkoming van gehele of gedeeltelijke afsluiting van de opening
door ophoping van vuil of sneeuw, ten minste 0,3 m boven de
bovenzijde van dat constructie-onderdeel of dat terrein.
Artikel 3.95
De rook stroomt, bepaald volgens NEN
2757, vanaf de opstelplaats van een verbrandingstoestel naar de
uitmonding van de voorziening voor de afvoer van rook. Bij de bepaling
van de stromingsrichting blijven bouwwerken en andere daarmee gelijk te
stellen belemmeringen, die op een ander perceel liggen, buiten
beschouwing.
Artikel 3.96
Een voorziening voor de afvoer van rook
heeft, ter voorkoming van onaanvaardbare verspreiding van voor de
gezondheid schadelijke of hinderlijke bestanddelen uit de rook door
ondichtheden, een volgens NEN 2757 bepaalde doorlatendheid die niet
groter is dan in tabel 3.96 is aangegeven.
Tabel 3.96
|
voorziening voor de
afvoer van rook |
toegestane
doorlatendheid |
|
een overdrukvoorziening als bedoeld
in NEN 2757 |
0,0056 x 10-3 m3/s per m2 inwendig
oppervlak van de voorziening, gemeten bij een drukverschil van 200
Pa |
|
een onderdrukvoorziening als
bedoeld in NEN 2757 |
3 x 10-3 m3/s per m2 inwendig
oppervlak van de voorziening, gemeten bij een drukverschil van 40
Pa |
Artikel 3.97
Een voorziening voor de natuurlijke
afvoer van rook als bedoeld in artikel 3.92, is, ter voorkoming van het
terugstromen van rook, voorzien van een goed functionerende kap.
Artikel 3.98
Het bevoegd gezag wijkt bij een
omgevingsvergunning die betrekking heeft op het geheel of gedeeltelijk
vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk niet af van de artikelen 3.94 tot en met 3.96.
Artikel 3.99
Op het bouwen van een niet-permanent
bouwwerk zijn de artikelen 3.94 tot en met 3.96 van toepassing.
§ 3.14.2. Bestaande bouw
Artikel 3.100
1. Een bestaand bouwwerk waarin zich
een opstelplaats voor een verbrandingstoestel bevindt, heeft een
zodanige voorziening voor de afvoer van rook dat geen voor de
gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht ontstaat.
2. Voorzover voor een gebruiksfunctie
in tabel 3.100 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die
gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door
toepassing van die voorschriften.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.100 geen
voorschrift is aangewezen.
Tabel 3.100
|
gebruiksfunctie |
|
leden van toepassing |
|
|
|
|
|
|
|
| |
|
aanwezigheid |
capaciteit |
|
|
|
stromingsrichting |
rookdoorlatendheid |
kap |
|
artikel |
|
3.101 |
3.102 |
|
|
|
3.103 |
3.104 |
3.105 |
| |
lid |
* |
1 |
2 |
3 |
4 |
* |
* |
* |
|
1 |
Woonfunctie |
* |
1 |
2 |
3 |
4 |
* |
* |
* |
|
2 |
Bijeenkomstfunctie |
* |
1 |
2 |
3 |
4 |
* |
* |
|
|
3 |
Celfunctie |
* |
1 |
2 |
3 |
4 |
* |
* |
|
|
4 |
Gezondheidszorgfunctie |
* |
1 |
2 |
3 |
4 |
* |
* |
|
|
5 |
Industriefunctie |
* |
1 |
2 |
3 |
4 |
* |
* |
|
|
6 |
Kantoorfunctie |
* |
1 |
2 |
3 |
4 |
* |
* |
|
|
7 |
Logiesfunctie |
* |
1 |
2 |
3 |
4 |
* |
* |
|
|
8 |
Onderwijsfunctie |
* |
1 |
2 |
3 |
4 |
* |
* |
|
|
9 |
Sportfunctie |
* |
1 |
2 |
3 |
4 |
* |
* |
|
|
10 |
Winkelfunctie |
* |
1 |
2 |
3 |
4 |
* |
* |
|
|
11 |
Overige gebruiksfunctie |
* |
1 |
2 |
3 |
4 |
* |
* |
|
|
12 |
Bouwwerk geen gebouw zijnde |
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 3.101
Een ruimte met een opstelplaats voor een
verbrandingstoestel heeft een voorziening voor de afvoer van rook. Bij
de toepassing van dit voorschrift blijft een opstelplaats voor een
kooktoestel of een warmwatertoestel, met een nominale belasting van ten
hoogste 15 kW, buiten beschouwing.
Artikel 3.102
1. Een voorziening voor de afvoer van
rook voor een opstelplaats voor verbrandingstoestellen met een totale
nominale belasting van meer dan 130 kW, heeft een zodanige capaciteit,
dat de verbranding in het toestel doeltreffend plaatsvindt. Een
voorziening voor de afvoer van rook voor een opstelplaats voor
verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van ten
hoogste 130 kW heeft een volgens NEN 2757 bepaalde capaciteit, die
niet kleiner is dan de totale normaalvolumestroom van de rook bij de
nominale belasting van de verbrandingstoestellen die op die
voorziening zijn aangewezen. De normaalvolumestroom van een open
verbrandingstoestel wordt bepaald met formule 3.102.
Formule 3.102
|
qvn = B x 0,27 x 10-3 x n' |
|
|
waarin: |
|
|
qvn |
is de normaalvolumestroom in m3/s; |
|
B |
is de nominale belasting van het
toestel, in kW; |
|
n' |
is de «rekenwaarde
verdunningsfactor rook» zoals aangegeven in tabel 3.102. |
Tabel 3.102
|
verbrandingstoestel |
|
rekenwaarde
verdunningsfactor van rook (n') |
|
| |
|
afvoer zonder ventilator |
afvoer met ventilator |
| |
brandstof |
[-] |
[-] |
|
gesloten vuur, zonder ventilator,
met trekonderbreker |
aardgas/butaan/propaan |
3,0 |
5,0 |
|
open vuur, zonder ventilator (blokkenvuurtoestel
type II) |
aardgas |
12,5 |
12,5 |
|
gesloten vuur, zonder ventilator |
olie (HBO I) |
1,3 |
2,6 |
|
gesloten vuur, zonder ventilator |
kolen, hout |
2,0 |
4,0 |
|
open vuur, zonder ventilator |
vaste brandstof |
10,0 |
10,0 |
2. In afwijking van het eerste lid,
heeft een voorziening voor de afvoer van rook, als bedoeld in
artikel 3.101, voor een open verbrandingstoestel met ventilator, met
nominale belasting van ten hoogste 130 kW, een volgens NEN 2757
bepaalde afvoercapaciteit die gelijk is aan de door de
toestelventilator opgewekte volumestroom.
3. Een combinatie van een component
voor de afvoer van binnenlucht van een voorziening voor
luchtverversing en een voorziening voor de afvoer van rook van een
verbrandingstoestel heeft een volgens NEN 2757 bepaalde capaciteit,
die gelijk is aan de hoogste waarde die geldt voor de component en
de voorziening afzonderlijk.
4. Een CLV-systeem heeft een volgens
NEN 2757 bepaald positief drukverschil tussen het afvoerkanaal voor
rook en het toevoerkanaal voor verbrandingslucht.
Artikel 3.103
De afgevoerde rook stroomt, bepaald
volgens NEN 2757, vanaf de opstelplaats van een verbrandingstoestel naar
de uitmonding van de voorziening voor de afvoer van rook. Bij de
bepaling van de stromingsrichting blijven bouwwerken en andere daarmee
gelijk te stellen belemmeringen, die op een ander perceel liggen, buiten
beschouwing.
Artikel 3.104
Een overdrukvoorziening voor de afvoer
van rook heeft, ter voorkoming van onaanvaardbare verspreiding van voor
de gezondheid schadelijke of hinderlijke bestanddelen uit de rook door
ondichtheden, een volgens NEN 2757 bepaalde toelaatbare
rookdoorlatendheid bij een drukverschil van 200 Pa, van ten hoogste
0,0056*10-3 m3/s per m2 inwendig oppervlak van de wand van de
voorziening.
Artikel 3.105
Een voorziening voor de natuurlijke
afvoer van rook, als bedoeld in artikel 3.101, is, ter voorkoming van
het terugstromen van rook, voorzien van een goed functionerende kap.
Afdeling 3.15. Beperking van de
toepassing van schadelijke materialen
§ 3.15.1. Nieuwbouw
Artikel 3.106
1. Een te bouwen bouwwerk is zodanig
dat de aanwezigheid van voor de gezondheid schadelijke stoffen, en van
ioniserende stralen beperkt is.
2. Voorzover voor een gebruiksfunctie
in tabel 3.106 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die
gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door
toepassing van die voorschriften.
Tabel 3.106
|
gebruiksfunctie |
|
leden van toepassing |
|
|
| |
|
ministeriλle regeling |
verbouw |
tijdelijke bouw |
|
artikel |
|
3.107 |
3.108 |
3.109 |
| |
lid |
* |
* |
* |
|
1 |
Woonfunctie |
* |
* |
* |
|
2 |
Bijeenkomstfunctie |
* |
* |
* |
|
3 |
Celfunctie |
* |
* |
* |
|
4 |
Gezondheidszorgfunctie |
* |
* |
* |
|
5 |
Industriefunctie |
* |
* |
* |
|
6 |
Kantoorfunctie |
* |
* |
* |
|
7 |
Logiesfunctie |
* |
* |
* |
|
8 |
Onderwijsfunctie |
* |
* |
* |
|
9 |
Sportfunctie |
* |
* |
* |
|
10 |
Winkelfunctie |
* |
* |
* |
|
11 |
Overige gebruiksfunctie |
* |
* |
* |
|
12 |
Bouwwerk geen gebouw zijnde |
* |
* |
* |
Artikel 3.107
Bij ministeriλle regeling kunnen
voorschriften worden gegeven omtrent het in een bouwwerk toepassen van
materialen waaruit giftige of hinderlijke stoffen kunnen vrijkomen of
waaruit ioniserende stralen als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
onderdeel e, van de Kernenergiewet, kunnen ontstaan.
Artikel 3.108
Het bevoegd gezag wijkt bij een
omgevingsvergunning die betrekking heeft op het geheel of gedeeltelijk
vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk niet af van artikel 3.107.
Artikel 3.109
Op het bouwen van een niet-permanent
bouwwerk is artikel 3.107 van toepassing.
§ 3.15.2. Bestaande bouw
Artikel 3.109a
1. Een bestaand bouwwerk is zodanig dat
de aanwezigheid van voor de gezondheid schadelijke stoffen beperkt is.
2. Voorzover voor een gebruiksfunctie
in tabel 3.109a voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die
gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door
toepassing van die voorschriften.
Tabel 3.109a
|
gebruiksfunctie |
|
leden van toepassing |
| |
|
ministeriλle
regeling |
| |
artikel |
3.109b |
| |
lid |
* |
|
1 |
Woonfunctie |
* |
|
2 |
Bijeenkomstfunctie |
* |
|
3 |
Celfunctie |
* |
|
4 |
Gezondheidszorgfunctie |
* |
|
5 |
Industriefunctie |
* |
|
6 |
Kantoorfunctie |
* |
|
7 |
Logiesfunctie |
* |
|
8 |
Onderwijsfunctie |
* |
|
9 |
Sportfunctie |
* |
|
10 |
Winkelfunctie |
* |
|
11 |
Overige gebruiksfunctie |
* |
|
12 |
Bouwwerk geen gebouw zijnde |
* |
Artikel 3.109b
Bij ministeriλle regeling kunnen
voorschriften worden gegeven omtrent het in een bouwwerk aanwezig zijn
van materialen waaruit giftige of hinderlijke stoffen kunnen vrijkomen.
Afdeling 3.16. Beperking van het kunnen
binnendringen van uit de grond afkomstige schadelijke stoffen of
straling, nieuwbouw
Artikel 3.110
1. Een te bouwen bouwwerk is zodanig
dat gebruikers ervan zo min mogelijk worden blootgesteld aan uit de
bodem afkomstige schadelijke stoffen of aan straling.
2. Voorzover voor een gebruiksfunctie
in tabel 3.110 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die
gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door
toepassing van die voorschriften.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.110 geen
voorschrift is aangewezen.
Tabel 3.110
|
gebruiksfunctie |
|
|
leden van toepassing |
|
|
| |
|
|
ministeriλle regeling |
verbouw |
tijdelijke bouw |
|
artikel |
|
|
3.111 |
3.112 |
3.113 |
| |
lid |
|
* |
* |
* |
|
1 |
Woonfunctie |
|
* |
* |
* |
|
2 |
Bijeenkomstfunctie |
|
* |
* |
* |
|
3 |
Celfunctie |
|
* |
* |
* |
|
4 |
Gezondheidszorgfunctie |
|
* |
* |
* |
|
5 |
Industriefunctie |
|
* |
* |
* |
| |
a |
lichte industriefunctie |
|
|
|
| |
b |
andere industriefunctie |
* |
* |
* |
|
6 |
Kantoorfunctie |
|
* |
* |
* |
|
7 |
Logiesfunctie |
|
* |
* |
* |
|
8 |
Onderwijsfunctie |
|
* |
* |
* |
|
9 |
Sportfunctie |
|
* |
* |
* |
|
10 |
Winkelfunctie |
|
* |
* |
* |
|
11 |
Overige gebruiksfunctie |
|
|
|
|
|
12 |
Bouwwerk geen gebouw zijnde |
|
|
|
|
Artikel 3.111
Bij ministeriλle regeling kunnen
voorschriften worden gegeven waaraan een uitwendige
scheidingsconstructie moet voldoen, die de scheiding vormt met de grond
of met de kruipruimte, met inbegrip van delen van andere constructies
die aansluiten op die constructie, voorzover die delen van invloed zijn
op het voldoen aan artikel 3.110, eerste lid.
Artikel 3.112
Het bevoegd gezag wijkt bij een
omgevingsvergunning die betrekking heeft op het geheel of gedeeltelijk
vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk niet af van artikel 3.111.
Artikel 3.113
Op het bouwen van een niet-permanent
bouwwerk is artikel 3.111 van toepassing.
Afdeling 3.17. Bescherming tegen ratten
en muizen
§ 3.17.1. Nieuwbouw
Artikel 3.114
1. Een te bouwen bouwwerk is zodanig
dat het binnendringen van ratten en muizen wordt tegengegaan.
2. Voorzover voor een gebruiksfuncties
in tabel 3.114 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die
gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door
toepassing van die voorschriften.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.114 geen
voorschrift is aangewezen.
Tabel 3.114
|
gebruiksfunctie |
|
|
leden van toepassing |
|
|
|
|
| |
|
|
openingen |
|
scherm |
|
|
|
artikel |
|
|
3.115 |
|
3.116 |
|
|
| |
lid |
|
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
|
1 |
Woonfunctie |
|
|
|
|
|
|
| |
a |
woonfunctie van een woonwagen |
1 |
|
|
|
|
| |
b |
andere woonfunctie |
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
|
2 |
Bijeenkomstfunctie |
|
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
|
3 |
Celfunctie |
|
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
|
4 |
Gezondheidszorgfunctie |
|
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
|
5 |
Industriefunctie |
|
|
|
|
|
|
|
6 |
Kantoorfunctie |
|
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
|
7 |
Logiesfunctie |
|
|
|
|
|
|
| |
a |
logiesfunctie niet gelegen in een
logiesgebouw |
1 |
2 |
|
|
|
| |
b |
logiesfunctie gelegen in een
logiesgebouw |
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
|
8 |
Onderwijsfunctie |
|
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
|
9 |
Sportfunctie |
|
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
|
10 |
Winkelfunctie |
|
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
|
11 |
Overige gebruiksfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
12 |
Bouwwerk geen gebouw zijnde |
|
|
|
|
|
|
Artikel 3.115
1. Een uitwendige scheidingsconstructie
heeft geen openingen die breder zijn dan 0,01 m. Dit geldt niet voor
een afsluitbare opening en een opening die de uitmonding is van een
voorziening voor:
a. luchtverversing,
b. de afvoer van rook of
c. de ont- en beluchting van een
voorziening voor de afvoer van afvalwater en fecaliλn.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op een inwendige scheidingsconstructie die
de scheiding vormt met een gebruiksfunctie waarop het eerste lid niet
van toepassing is.
Artikel 3.116
1. Een gebruiksfunctie heeft ter
plaatse van een uitwendige scheidingsconstructie, een scherm tot een
vanaf het aansluitende terrein gemeten diepte van ten minste 0,6 m.
Het scherm heeft geen openingen die breder zijn dan 0,01 m.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op een inwendige scheidingsconstructie die
de scheiding vormt met een gebruiksfunctie waarop het eerste lid niet
van toepassing is.
3. Het eerste en het tweede lid zijn
niet van toepassing op een scheidingsconstructie van een meterruimte
of van een opstelplaats voor een stooktoestel, indien zich, ter
plaatse van de inwendige scheidingsconstructies die de scheiding
vormen tussen die ruimte en een andere ruimte van de gebruiksfunctie,
een scherm als bedoeld in het eerste lid, bevindt.
§ 3.17.2. Bestaande bouw
Artikel 3.117
1. Een bestaand bouwwerk is zodanig dat
het binnendringen van ratten en muizen wordt tegengegaan.
2. Voorzover voor een gebruiksfuncties
in tabel 3.117 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die
gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door
toepassing van die voorschriften.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.117 geen
voorschrift is aangewezen.
Tabel 3.117
|
gebruiksfunctie |
|
|
leden van toepassing |
|
| |
|
|
openingen |
|
|
artikel |
|
|
3.118 |
|
| |
lid |
|
1 |
2 |
|
1 |
Woonfunctie |
|
|
|
| |
a |
woonfunctie van een woonwagen |
1 |
|
| |
b |
andere woonfunctie |
1 |
2 |
|
2 |
Bijeenkomstfunctie |
|
1 |
2 |
|
3 |
Celfunctie |
|
1 |
2 |
|
4 |
Gezondheidszorgfunctie |
|
1 |
2 |
|
5 |
Industriefunctie |
|
|
|
|
6 |
Kantoorfunctie |
|
1 |
2 |
|
7 |
Logiesfunctie |
|
1 |
2 |
|
8 |
Onderwijsfunctie |
|
1 |
2 |
|
9 |
Sportfunctie |
|
1 |
2 |
|
10 |
Winkelfunctie |
|
1 |
2 |
|
11 |
Overige gebruiksfunctie |
|
|
|
|
12 |
Bouwwerk geen gebouw zijnde |
|
|
|
Artikel 3.118
1. Een uitwendige scheidingsconstructie
van een verblijfsruimte, een toiletruimte of een badruimte heeft geen
openingen die breder zijn dan 0,01 m. Dit geldt niet voor een
afsluitbare opening en een opening die de uitmonding is van een
voorziening voor:
a. luchtverversing,
b. de afvoer van rook of
c. de ont- en beluchting van een
voorziening voor de afvoer van afvalwater en fecaliλn.
2. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing op een inwendige scheidingsconstructie die
de scheiding vormt met een gebruiksfunctie waarop het eerste lid niet
van toepassing is.
Afdeling 3.18. Drinkwatervoorziening
§ 3.18.1. Nieuwbouw
Artikel 3.119
1. Een te bouwen bouwwerk heeft een
zodanige voorziening voor drinkwater dat kan worden beschikt over
water, geschikt voor menselijke consumptie en hygiλne.
2. Voorzover voor een gebruiksfunctie
in tabel 3.119 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die
gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door
toepassing van die voorschriften.
Tabel 3.119
|
gebruiksfunctie |
|
|
leden van toepassing |
|
|
|
| |
|
|
aanwezigheid |
aansluitmogelijkheid |
|
hygiλne |
|
artikel |
|
|
3.120 |
3.121 |
|
3.122 |
| |
lid |
|
* |
1 |
2 |
* |
|
1 |
Woonfunctie |
|
* |
1 |
2 |
* |
|
2 |
Bijeenkomstfunctie |
|
* |
1 |
2 |
* |
|
3 |
Celfunctie |
|
* |
1 |
2 |
* |
|
4 |
Gezondheidszorgfunctie |
|
* |
1 |
2 |
* |
|
5 |
Industriefunctie |
|
|
|
|
|
| |
a |
lichte industriefunctie |
|
|
|
* |
| |
b |
andere industriefunctie |
* |
1 |
2 |
* |
|
6 |
Kantoorfunctie |
|
* |
1 |
2 |
* |
|
7 |
Logiesfunctie |
|
* |
1 |
2 |
* |
|
8 |
Onderwijsfunctie |
|
* |
1 |
2 |
* |
|
9 |
Sportfunctie |
|
* |
1 |
2 |
* |
|
10 |
Winkelfunctie |
|
* |
1 |
2 |
* |
|
11 |
Overige gebruiksfunctie |
|
|
|
|
|
| |
a |
overige gebruiksfunctie voor het
personenverkeer met een gebruiksoppervlakte van meer dan 50 m2 |
* |
|
|
* |
| |
b |
andere overige gebruiksfunctie |
|
|
|
* |
|
12 |
Bouwwerk geen gebouw zijnde |
|
|
|
|
* |
Artikel 3.120
Een gebruiksfunctie heeft een voorziening
voor drinkwater.
Artikel 3.121
1. Een voorziening voor drinkwater
heeft in een meterruimte als bedoeld in artikel 4.66, een
aansluitmogelijkheid voor aansluiting op het distributienet voor
drinkwater.
2. Een voorziening voor drinkwater
heeft een aansluitpunt bij een opstelplaats voor een
waterverbruikstoestel.
Artikel 3.122
Een voorziening voor drinkwater voldoet
aan bij ministeriλle regeling aangewezen voorschriften.
§ 3.18.2. Bestaande bouw
Artikel 3.123
1. Een bestaand bouwwerk heeft een
zodanige voorziening voor drinkwater dat kan worden beschikt over
water, geschikt voor menselijke consumptie en hygiλne.
2. Voorzover voor een gebruiksfunctie
in tabel 3.123 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die
gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door
toepassing van die voorschriften.
Tabel 3.123
|
gebruiksfunctie |
|
|
leden van toepassing |
|
|
| |
|
|
aansluiting |
aansluitingen |
hygiλne |
|
artikel |
|
|
3.124 |
3.125 |
3.126 |
| |
lid |
|
* |
* |
* |
|
1 |
Woonfunctie |
|
* |
* |
* |
|
2 |
Bijeenkomstfunctie |
|
* |
* |
* |
|
3 |
Celfunctie |
|
* |
* |
* |
|
4 |
Gezondheidszorgfunctie |
|
* |
* |
* |
|
5 |
Industriefunctie |
|
|
|
|
| |
a |
lichte industriefunctie |
|
|
* |
| |
b |
andere industriefunctie |
* |
* |
* |
|
6 |
Kantoorfunctie |
|
* |
* |
* |
|
7 |
Logiesfunctie |
|
* |
* |
* |
|
8 |
Onderwijsfunctie |
|
* |
* |
* |
|
9 |
Sportfunctie |
|
* |
* |
* |
|
10 |
Winkelfunctie |
|
* |
* |
* |
|
11 |
Overige gebruiksfunctie |
|
|
|
* |
|
12 |
Bouwwerk geen gebouw zijnde |
|
|
|
* |
Artikel 3.124
Een gebruiksfunctie heeft een voorziening
voor drinkwater.
Artikel 3.125
Een voorziening voor drinkwater heeft een
aansluitmogelijkheid voor aansluiting op het distributienet voor
drinkwater.
Artikel 3.126
Een voorziening voor drinkwater voldoet
aan bij ministeriλle regeling aangewezen voorschriften.
Afdeling 3.19. Warmwatervoorziening
§ 3.19.1. Nieuwbouw
Artikel 3.127
1. Een te bouwen bouwwerk heeft een
zodanige voorziening dat kan worden beschikt over warm water voor de
menselijke hygiλne.
2. Voorzover voor een gebruiksfunctie
in tabel 3.127 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die
gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door
toepassing van die voorschriften.
Tabel 3.127
|
gebruiksfunctie |
|
leden van toepassing |
|
|
| |
|
aanwezigheid |
aansluitingen |
hygiλne |
|
artikel |
|
3.128 |
3.129 |
3.130 |
| |
lid |
* |
* |
* |
|
1 |
Woonfunctie |
* |
* |
* |
|
2 |
Bijeenkomstfunctie |
|
|
* |
|
3 |
Celfunctie |
* |
* |
* |
|
4 |
Gezondheidszorgfunctie |
* |
* |
* |
|
5 |
Industriefunctie |
|
|
* |
|
6 |
Kantoorfunctie |
|
|
* |
|
7 |
Logiesfunctie |
* |
* |
* |
|
8 |
Onderwijsfunctie |
* |
* |
* |
|
9 |
Sportfunctie |
* |
* |
* |
|
10 |
Winkelfunctie |
|
|
* |
|
11 |
Overige gebruiksfunctie |
|
|
* |
|
12 |
Bouwwerk geen gebouw zijnde |
|
|
* |
Artikel 3.128
Een gebruiksfunctie met een badruimte als
bedoeld in artikel 4.46, heeft een voorziening voor warm water.
Artikel 3.129
Een warmwatervoorziening als bedoeld in
artikel 3.128, heeft een aansluitpunt:
a. in een badruimte als bedoeld in
artikel 4.46, en
b. bij een opstelplaats voor een
warmwatertoestel als bedoeld in artikel 4.95.
Artikel 3.130
Een voorziening voor warm water voldoet
aan bij ministeriλle regeling aangewezen voorschriften.
§ 3.19.2. Bestaande bouw
Artikel 3.131
1. Een bestaand bouwwerk heeft een
zodanige voorziening dat kan worden beschikt over warm water voor de
menselijke hygiλne.
2. Voorzover voor een gebruiksfunctie
in tabel 3.131 voorschriften zijn gegeven, wordt aan de in het eerste
lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
Tabel 3.131
|
gebruiksfunctie |
|
leden van toepassing |
| |
|
hygiλne |
|
artikel |
|
3.132 |
| |
lid |
* |
|
1 |
Woonfunctie |
* |
|
2 |
Bijeenkomstfunctie |
* |
|
3 |
Celfunctie |
* |
|
4 |
Gezondheidszorgfunctie |
* |
|
5 |
Industriefunctie |
* |
|
6 |
Kantoorfunctie |
* |
|
7 |
Logiesfunctie |
* |
|
8 |
Onderwijsfunctie |
* |
|
9 |
Sportfunctie |
* |
|
10 |
Winkelfunctie |
* |
|
11 |
Overige gebruiksfunctie |
* |
|
12 |
Bouwwerk geen gebouw zijnde |
* |
Artikel 3.132
Een voorziening voor warm water voldoet
aan bij ministeriλle regeling aangewezen voorschriften.
Afdeling 3.20. Daglicht
§ 3.20.1. Nieuwbouw
Artikel 3.133
1. Een te bouwen bouwwerk is zodanig
dat daglicht in voldoende mate kan toetreden.
2. Voorzover voor een gebruiksfunctie
in tabel 3.133 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die
gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door
toepassing van die voorschriften.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.133 geen
voorschrift is aangewezen.
Tabel 3.133
|
gebruiksfunctie |
|
|
leden van toepassing |
|
|
|
|
|
|
grenswaarden |
|
| |
|
|
daglichtoppervlakte |
|
|
|
|
|
|
daglichtoppervlakte |
|
| |
|
artikel |
3.134 |
|
|
|
|
|
|
3.134 |
|
| |
|
lid |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
1 |
2 |
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
[%] |
[m2] |
|
1 |
Woonfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
woonfunctie van een woonwagen |
1 |
2 |
3 |
|
5 |
|
|
8 |
0,5 |
| |
b |
andere woonfunctie |
1 |
2 |
3 |
4 |
|
|
|
10 |
0,5 |
|
2 |
Bijeenkomstfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
bijeenkomstfunctie voor
kinderopvang |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
|
1 ruimte voor spelactiviteiten |
1 |
2 |
3 |
4 |
|
6 |
|
5 |
0,5 |
| |
|
2 andere ruimte |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
b |
andere bijeenkomstfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
3 |
Celfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
|
1 ruimte voor dag- en nachtverblijf |
1 |
2 |
3 |
4 |
|
6 |
|
3 |
0,15 |
| |
|
2 andere ruimte |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
4 |
Gezondheidszorgfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
|
1 ruimte voor aan bed gebonden
patiλnten |
1 |
2 |
3 |
4 |
|
6 |
|
5 |
0,5 |
| |
|
2 andere ruimte |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
5 |
Industriefunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
6 |
Kantoorfunctie |
|
1 |
2 |
3 |
4 |
|
6 |
|
2,5 |
0,5 |
|
7 |
Logiesfunctie |
|
1 |
2 |
3 |
4 |
|
6 |
|
7 |
0,35 |
|
8 |
Onderwijsfunctie |
|
1 |
2 |
3 |
4 |
|
6 |
7 |
5 |
0,5 |
|
9 |
Sportfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
10 |
Winkelfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
11 |
Overige gebruiksfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
12 |
Bouwwerk geen gebouw zijnde |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 3.134
1. Een verblijfsgebied heeft een
volgens NEN 2057 bepaalde equivalente daglichtoppervlakte in m2
waarvan de getalwaarde niet kleiner is dan de getalwaarde van het in
tabel 3.133 aangegeven deel van de vloeroppervlakte in m2 van dat
verblijfsgebied.
2. Een verblijfsruimte heeft een
volgens NEN 2057 bepaalde equivalente daglichtoppervlakte die niet
kleiner is dan de in tabel 3.133 gegeven oppervlakte.
3. Een equivalente daglichtoppervlakte
als bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt niet gerealiseerd door
middel van een lichtopening in een inwendige scheidingsconstructie die
de scheiding vormt met een aangrenzend verblijfsgebied, een
toiletruimte, een badruimte of een technische ruimte.
4. Bij het bepalen van een equivalente
daglichtoppervlakte als bedoeld in het eerste en tweede lid:
a. blijven bouwwerken en daarmee
gelijk te stellen belemmeringen, die op een ander perceel liggen,
buiten beschouwing,
b. blijven daglichtopeningen in een
uitwendige scheidingsconstructie, die op een loodrecht op het
projectievlak van die openingen gemeten afstand van minder dan 2 m
vanaf de perceelsgrens liggen, buiten beschouwing, waarbij, indien
het perceel waarop de gebruiksfunctie ligt, grenst aan een
openbare weg, openbaar water of openbaar groen, de afstand wordt
aangehouden tot het hart van de weg, het openbaar groen of het
openbaar water, en
c. is de in rekening te brengen
belemmeringshoek a, bedoeld in NEN 2057, voor elk te onderscheiden
segment niet kleiner dan 25°.
5. Bij het bepalen van een equivalente
daglichtoppervlakte als bedoeld in het eerste of tweede lid:
a. blijven bouwwerken, niet zijnde
de woonwagen, en andere daarmee gelijk te stellen belemmeringen
buiten beschouwing, en
b. is de in rekening te brengen
belemmeringshoek a, bedoeld in NEN 2057, voor elk te onderscheiden
segment niet kleiner dan 25°.
6. Het eerste en tweede lid gelden niet
voor een bouwwerk of een gedeelte daarvan voor de landsverdediging of
de bescherming van de bevolking.
7. Het tweede lid geldt niet voor een
verblijfsruimte met een vloeroppervlakte van meer dan 150 m2. Bij het
bepalen van de equivalente daglichttoetreding van het verblijfsgebied
waarin die verblijfsruimte ligt, blijft, in afwijking van het eerste
lid, de vloeroppervlakte van die ruimte buiten beschouwing.
§ 3.20.2. Bestaande bouw
Artikel 3.135
1. Een bestaand bouwwerk is zodanig dat
daglicht in voldoende mate kan toetreden.
2. Voorzover voor een gebruiksfunctie
in tabel 3.135 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die
gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door
toepassing van die voorschriften.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.135 geen
voorschrift is aangewezen.
Tabel 3.135
|
gebruiksfunctie |
|
|
leden van toepassing |
|
|
|
|
|
grenswaarden |
| |
|
|
daglichtoppervlakte |
|
|
|
|
|
daglichtoppervlakte |
| |
|
artikel |
3.136 |
|
|
|
|
|
3.136 |
| |
|
lid |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
1 |
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
[m2] |
|
1 |
Woonfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
woonfunctie van een woonwagen |
1 |
|
|
4 |
|
|
0,5 |
| |
b |
andere woonfunctie |
1 |
2 |
3 |
|
|
|
0,5 |
|
2 |
Bijeenkomstfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
bijeenkomstfunctie voor
kinderopvang |
|
|
|
|
|
|
|
| |
|
1 ruimte voor spelactiviteiten |
1 |
2 |
3 |
|
5 |
|
0,5 |
| |
|
2 andere ruimte |
|
|
|
|
|
|
|
| |
b |
andere bijeenkomstfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
3 |
Celfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
|
1 ruimte voor dag- en nachtverblijf |
1 |
2 |
3 |
|
5 |
|
0,15 |
| |
|
2 andere ruimte |
|
|
|
|
|
|
|
|
4 |
Gezondheidszorgfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
|
1 ruimte voor aan bed gebonden
patiλnten |
1 |
2 |
3 |
|
5 |
|
0,5 |
| |
|
2 andere ruimte |
|
|
|
|
|
|
|
|
5 |
Industriefunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
6 |
Kantoorfunctie |
|
1 |
2 |
3 |
|
5 |
|
0,5 |
|
7 |
Logiesfunctie |
|
1 |
2 |
3 |
|
5 |
|
0,35 |
|
8 |
Onderwijsfunctie |
|
1 |
2 |
3 |
|
5 |
6 |
0,5 |
|
9 |
Sportfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
10 |
Winkelfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
11 |
Overige gebruiksfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
12 |
Bouwwerk geen gebouw zijnde |
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 3.136
1. Een verblijfsruimte heeft een
volgens NEN 2057 bepaalde equivalente daglichtoppervlakte die niet
kleiner is dan de in tabel 3.135 gegeven oppervlakte.
2. De equivalente daglichtoppervlakte
als bedoeld in het eerste lid, wordt niet gerealiseerd door middel van
een lichtopening in een inwendige scheidingsconstructie die de
scheiding vormt met een toiletruimte, een badruimte of een technische
ruimte.
3. Bij het bepalen van de equivalente
daglichtoppervlakte als bedoeld in het eerste lid:
a. blijven bouwwerken en daarmee
gelijk te stellen belemmeringen, die op een ander perceel liggen,
buiten beschouwing;
b. blijven daglichtopeningen in een
uitwendige scheidingsconstructie die op een loodrecht op het
projectievlak van die openingen gemeten afstand van minder dan 2 m
vanaf de perceelsgrens liggen buiten beschouwing, waarbij, indien
het perceel waarop de gebruiksfunctie ligt, grenst aan een
openbare weg, openbaar water of openbaar groen, de afstand mag
worden aangehouden tot het hart van de weg, het openbaar groen of
het openbaar water, en
c. is de in rekening te brengen
belemmeringshoek a, als bedoeld in NEN 2057, voor elk te
onderscheiden segment niet kleiner dan 25°.
4. Bij het bepalen van de equivalente
daglichtoppervlakte als bedoeld in het eerste lid:
a. blijven bouwwerken, niet zijnde
de woonwagen, en andere daarmee gelijk te stellen belemmeringen
buiten beschouwing, en
b. is de in rekening te brengen
belemmeringshoek a, bedoeld in NEN 2057, voor elk te onderscheiden
segment niet kleiner dan 25°.
5. Het eerste lid geldt niet voor een
bouwwerk of een gedeelte daarvan voor de landsverdediging of de
bescherming van de bevolking.
6. Het eerste lid geldt niet voor een
verblijfsruimte met een vloeroppervlakte van meer dan 150 m2.
Hoofdstuk 4. Voorschriften uit het
oogpunt van bruikbaarheid
Afdeling 4.1 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 4.1 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 4.2 [Vervallen per 01-09-2005]
Afdeling 4.2. Toegankelijkheidssector,
nieuwbouw
Artikel 4.3
1. Een te bouwen bouwwerk is voldoende
toegankelijk voor rolstoelgebruikers.
2. Voorzover voor een gebruiksfunctie
in tabel 4.3 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die
gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door
toepassing van die voorschriften.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.3 geen
voorschrift is aangewezen.
Tabel 4.3
|
gebruiks-
functie |
|
|
leden van toepassing |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
grens-
waarden |
| |
|
|
aanwe-
zigheid |
|
|
verkeers-
ruimte |
|
|
hoogte-
verschil |
|
|
afme-
tingen liftkooi |
|
loop-
afstand |
verbouw |
|
|
artikel |
|
|
4.4 |
|
|
4.5 |
|
|
4.6 |
|
|
4.7 |
|
4.8 |
4.9 |
4.4 |
| |
lid |
|
1 |
2 |
3 |
1 |
2 |
3 |
1 |
2 |
3 |
1 |
2 |
* |
* |
3 |
|
1 |
Woonfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
woonfunctie gelegen in een
woongebouw |
1 |
2 |
|
1 |
2 |
3 |
1 |
2 |
|
|
2 |
* |
* |
|
| |
b |
woonfunctie met een gebruiks-
oppervlakte van meer dan 500 m2, niet gelegen in een woongebouw en
niet van een woonwagen' |
1 |
|
|
|
2 |
3 |
1 |
|
|
1 |
|
|
* |
|
| |
c |
andere woonfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
2 |
Bijeenkomstfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
voor alcohol gebruik |
|
|
3 |
|
2 |
|
1 |
|
3 |
1 |
|
|
|
150 |
| |
b |
andere bijeenkomst-
functie |
|
|
3 |
|
2 |
|
1 |
|
3 |
1 |
|
|
|
400 |
|
3 |
Celfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
celfunctie niet voor dag- en
nachtverblijf |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
b |
celfunctie voor dag- en
nachtverblijf |
|
|
3 |
|
2 |
|
1 |
|
3 |
1 |
|
|
|
400 |
|
4 |
Gezondheids-
zorgfunctie |
|
|
|
3 |
|
2 |
|
1 |
|
3 |
1 |
|
|
|
400 |
|
5 |
Industriefunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
lichte industriefunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
b |
andere industriefunctie |
|
|
3 |
|
2 |
|
1 |
|
3 |
1 |
|
|
|
400 |
|
6 |
Kantoorfunctie |
|
|
|
3 |
|
2 |
|
1 |
|
3 |
1 |
|
|
|
400 |
|
7 |
Logiesfunctie |
|
|
|
3 |
|
2 |
|
1 |
|
3 |
1 |
|
|
|
400 |
|
8 |
Onderwijsfunctie |
|
|
|
3 |
|
2 |
|
1 |
|
3 |
1 |
|
|
|
400 |
|
9 |
Sportfunctie |
|
|
|
3 |
|
2 |
|
1 |
|
3 |
1 |
|
|
|
400 |
|
10 |
Winkelfunctie |
|
|
|
3 |
|
2 |
|
1 |
|
3 |
1 |
|
|
|
400 |
|
11 |
Overige gebruiksfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
12 |
Bouwwerk geen gebouw zijnde |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 4.4
1. Een woonfunctie met een
gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 heeft een
toegankelijkheidssector.
2. Een woonfunctie heeft een
gemeenschappelijke toegankelijkheidssector, indien:
a. de vloer van een verblijfsgebied
in het woongebouw hoger ligt dan 12,5 m boven het meetniveau of
b. het woongebouw een
gebruiksoppervlakte heeft van meer dan 3 500 m2 die hoger ligt dan
1,5 m boven het meetniveau.
3. Een gebruiksfunctie heeft een al dan
niet gemeenschappelijke toegankelijkheidssector. Dit geldt niet indien
de gebruiksoppervlakte van een gebruiksfunctie, vermeerderd met het
totaal aan gebruiksoppervlakte van een of meer soortgelijke
gebruiksfuncties gelegen op hetzelfde perceel, kleiner is dan de in
tabel 4.3 aangegeven grenswaarde.
Artikel 4.5
1. Een toegang van een woonfunctie met
een gemeenschappelijke toegankelijkheidssector als bedoeld in artikel
4.4, tweede lid, is bereikbaar langs een route die uitsluitend voert
door gemeenschappelijke verkeersruimten gelegen in een
toegankelijkheidssector.
2. Een ruimte die in een
toegankelijkheidssector ligt, is rechtstreeks bereikbaar vanaf het
aansluitende terrein of langs een verkeersroute die uitsluitend door
een toegankelijkheidssector voert.
3. Een verkeersroute als bedoeld in het
tweede lid, voert niet door een niet-gemeenschappelijke ruimte van een
andere gebruiksfunctie.
Artikel 4.6
1. Een hoogteverschil van meer dan 0,02
m tussen vloeren die in een toegankelijkheidssector liggen is,
onverminderd artikel 2.24, overbrugd door een lift of een hellingbaan.
2. Indien het hoogteverschil tussen een
vloer ter plaatse van detoegang van een woonfunctie gelegen in een
woongebouw en de vloer ter plaatse van een toegang van een
toegankelijkheidssector als bedoeld in artikel 4.18, eerste lid,
groter is dan 0,02 m, is dat hoogteverschil, onverminderd artikel
2.24, overbrugd door een lift.
3. Indien het hoogteverschil tussen de
vloer ter plaatse van een toegang van een toegankelijkheidssector als
bedoeld in artikel 4.18, tweede lid, en het aansluitende terrein
groter is dan 0,02 m, is dat hoogteverschil overbrugd door een
hellingbaan.
Artikel 4.7
1. De kooi van een lift als bedoeld in
artikel 4.6, eerste lid, heeft een vloeroppervlakte van ten minste
1,05 m x 1,35 m.
2. De kooi van een lift als bedoeld in
artikel 4.6, tweede lid, heeft een vloeroppervlakte van ten minste
1,05 m x 2,05 m.
Artikel 4.8
De loopafstand tussen de toegang van een
woonfunctie en een toegang van een lift als bedoeld in artikel 4.6,
tweede lid, is ten hoogste 90 m.
Artikel 4.9
Het bevoegd gezag wijkt bij een
omgevingsvergunning die betrekking heeft op het geheel vernieuwen van
een bouwwerk niet af van de artikelen
4.4 en 4.5.
Afdeling 4.3. Vrije doorgang
§ 4.3.1. Nieuwbouw
Artikel 4.10
1. Een te bouwen bouwwerk heeft
toegangen met een zodanige doorgang en verkeersroutes met een zodanige
vrije doorgang, dat het gebouw voldoende toegankelijk is.
2. Voorzover voor een gebruiksfunctie
in tabel 4.10 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die
gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door
toepassing van die voorschriften.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.10 geen
voorschrift is aangewezen.
Tabel 4.10
|
gebruiks-
functie |
|
|
leden van toepassing |
|
|
|
|
|
|
|
|
grens-
waarden |
|
| |
|
|
vrije doorgang
toegang |
|
vrije doorgang route |
|
|
|
|
|
verbouw |
vrije doorgang
toegang |
vrije doorgang route |
| |
|
artikel |
4.11 |
|
4.12 |
|
|
|
|
|
4.13 |
4.11 |
4.12 |
| |
|
lid |
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
* |
* |
1 |
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
[m] |
[m] |
|
1 |
Woonfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
woonfunctie gelegen in een
woongebouw |
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
|
* |
2,3 |
2,3 |
| |
b |
woonfunctie van een woonwagen |
1 |
2 |
|
|
|
|
|
|
|
2,1 |
2,1 |
| |
c |
andere woonfunctie |
1 |
2 |
1 |
|
|
|
|
|
* |
2,3 |
2,3 |
|
2 |
Bijeenkomstfunctie |
|
1 |
2 |
1 |
|
|
|
|
6 |
|
2,3 |
2,3 |
|
3 |
Celfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
celfunctie niet gelegen in een
cellengebouw |
1 |
2 |
1 |
|
|
|
|
6 |
|
2,3 |
2,3 |
| |
b |
celfunctie gelegen in een
cellengebouw |
1 |
2 |
1 |
2 |
|
|
|
|
|
2,3 |
2,3 |
|
4 |
Gezondheidszorgfunctie |
|
1 |
2 |
1 |
|
|
|
|
6 |
|
2,3 |
2,3 |
|
5 |
Industriefunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
lichte industriefunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
b |
andere industriefunctie |
1 |
2 |
1 |
|
|
|
|
6 |
|
2,3 |
2,3 |
|
6 |
Kantoorfunctie |
|
1 |
2 |
1 |
|
|
|
|
6 |
|
2,3 |
2,3 |
|
7 |
Logiesfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
logiesfunctie niet gelegen in
logiesgebouw |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
|
1 toegankelijkheidssector |
1 |
2 |
1 |
|
|
|
|
6 |
|
2,3 |
2,3 |
| |
|
2 ander verblijfsgebied |
1 |
2 |
1 |
|
|
|
|
6 |
|
2,1 |
2,1 |
| |
b |
logiesfunctie gelegen in een
logiesgebouw |
1 |
2 |
1 |
|
|
|
|
6 |
|
2,3 |
2,3 |
|
8 |
Onderwijsfunctie |
|
1 |
2 |
1 |
|
|
|
|
6 |
|
2,3 |
2,3 |
|
9 |
Sportfunctie |
|
1 |
2 |
1 |
|
|
|
|
6 |
|
2,3 |
2,3 |
|
10 |
Winkelfunctie |
|
1 |
2 |
1 |
|
|
|
|
6 |
|
2,3 |
2,3 |
|
11 |
Overige gebruiksfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
12 |
Bouwwerk geen gebouw zijnde |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 4.11
1. Een toegang van een ruimte heeft een
vrije doorgang met een breedte van ten minste 0,85 m en een hoogte van
ten minste de grenswaarde als aangegeven in tabel 4.10. Dit geldt
uitsluitend voor:
a. een verblijfsgebied,
b. een verblijfsruimte,
c. een toiletruimte,
d. een badruimte,
e. een gemeenschappelijke
opslagruimte voor huishoudelijk afval als bedoeld in artikel 4.59,
f. een ruimte voor het bereiken van
een in dit lid genoemde ruimte, en
g. een ruimte voor het bereiken van
een liftkooi.
2. In afwijking van het eerste lid
heeft een toegang van de liftschacht voor het bereiken van een
liftkooi een hoogte van 2,3 m. Deze hoogte wordt gemeten tussen de
onderdelen van de bouwconstructie.
Artikel 4.12
1. Een verkeersroute die begint bij een
toegang als bedoeld in artikel 4.11, heeft over de volle lengte een
vrije doorgang met een breedte van ten minste 0,85 m en een hoogte van
ten minste de grenswaarde als aangegeven in tabel 4.10. De breedte
geldt niet voor een verkeersroute voor zover deze over een trap voert.
2. Onverminderd het eerste lid, heeft
een gemeenschappelijke verkeersroute over de volle lengte een vrije
doorgang met een breedte van ten minste 1,2 m. De breedte geldt niet
voor een toegang als bedoeld in artikel 4.11.
3. Onverminderd het tweede lid,
ontsluit ten minste een toegang van een woongebouw een
gemeenschappelijke verkeersruimte die nabij die toegang, over een
lengte van 1,5 m een vrije doorgang heeft met een breedte van ten
minste 1,5 m.
4. Onverminderd het tweede lid, sluit
een toegang van een lift aan op een gemeenschappelijke verkeersruimte
die nabij die toegang, over een lengte van 1,5 m een vrije doorgang
heeft met een breedte van ten minste 1,5 m.
5. Onverminderd het tweede lid, heeft
een gemeenschappelijke verkeersruimte, over een lengte van 1,5 m een
vrije doorgang met een breedte van ten minste 1,5 m. Deze eis geldt
niet indien een rolstoelgebruiker vanuit die verkeersruimte zonder te
keren het aansluitende terrein kan bereiken.
6. In afwijking van het eerste lid,
heeft een verkeersroute die in een toegankelijkheidssector ligt als
bedoeld in artikel 4.4, derde lid, over de volle lengte een vrije
doorgang met een breedte van ten minste 1,2 m. De breedte geldt niet
voor een toegang als bedoeld in artikel 4.11 en voor een verkeersroute
voor zover deze over een trap voert.
Artikel 4.13
Het bevoegd gezag wijkt bij een
omgevingsvergunning die betrekking heeft op het geheel vernieuwen van
een bouwwerk niet af van de artikelen
4.11 en 4.12.
§ 4.3.2. Bestaande bouw
Artikel 4.14
1. Een bestaand bouwwerk heeft
toegangen en verkeersroutes met een zodanige vrije doorgang, dat het
gebouw voldoende toegankelijk is.
2. Voorzover voor een gebruiksfunctie
in tabel 4.14 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die
gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eisen voldaan door
toepassing van die voorschriften.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.14 geen
voorschrift is aangewezen.
Tabel 4.14
|
gebruiksfunctie |
|
|
leden van toepassing |
| |
|
|
vrije doorgang route |
|
artikel |
|
|
4.15 |
| |
lid |
|
* |
|
1 |
Woonfunctie |
|
|
|
2 |
Bijeenkomstfunctie |
|
|
|
3 |
Celfunctie |
|
|
| |
a |
celfunctie niet gelegen in een
cellengebouw |
|
| |
b |
celfunctie gelegen in een
cellengebouw |
* |
|
4 |
Gezondheidszorgfunctie |
|
|
|
5 |
Industriefunctie |
|
|
|
6 |
Kantoorfunctie |
|
|
|
7 |
Logiesfunctie |
|
|
|
8 |
Onderwijsfunctie |
|
|
|
9 |
Sportfunctie |
|
|
|
10 |
Winkelfunctie |
|
|
|
11 |
Overige gebruiksfunctie |
|
|
|
12 |
Bouwwerk geen gebouw zijnde |
|
|
Artikel 4.15
Een gemeenschappelijke verkeersroute
heeft over de volle lengte een vrije doorgang met een breedte van ten
minste 1,1 m en een hoogte van ten minste 2,1 m. De breedte geldt niet
voor een toegang en voor een verkeersroute voor zover deze over een trap
voert.
Afdeling 4.4. Bereikbaarheid, nieuwbouw
Artikel 4.16
1. Een te bouwen bouwwerk is zodanig,
dat het bouwwerk door rolstoelgebruikers kan worden binnengegaan en
verlaten.
2. Voorzover voor een gebruiksfunctie
in tabel 4.16 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die
gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door
toepassing van die voorschriften.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.16 geen
voorschrift is aangewezen.
Tabel 4.16
|
gebruiks-
functie |
|
|
leden van toepassing |
|
|
|
|
|
|
| |
|
|
algemeen |
|
|
toegankelijkheids-
sector |
|
|
opstelplaats lift |
|
artikel |
|
|
4.17 |
|
|
4.18 |
|
|
4.19 |
| |
lid |
|
1 |
2 |
3 |
1 |
2 |
3 |
* |
|
1 |
Woonfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
woonfunctie gelegen in een
woongebouw |
1 |
2 |
3 |
1 |
|
3 |
* |
| |
b |
woonfunctie van een woonwagen |
|
|
|
|
|
|
|
| |
c |
andere woonfunctie |
1 |
|
3 |
1 |
|
3 |
|
|
2 |
Bijeenkomstfunctie |
|
|
|
|
|
2 |
3 |
|
|
3 |
Celfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
celfunctie niet voor dag- en
nachtverblijf |
|
|
|
|
|
|
|
| |
b |
celfunctie voor dag- en
nachtverblijf |
|
|
|
|
2 |
3 |
|
|
4 |
Gezondheidszorgfunctie |
|
|
|
|
|
2 |
3 |
|
|
5 |
Industriefunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
lichte industriefunctie |
|
|
|
|
|
|
|
| |
b |
andere industriefunctie |
|
|
|
|
2 |
3 |
|
|
6 |
Kantoorfunctie |
|
|
|
|
|
2 |
3 |
|
|
7 |
Logiesfunctie |
|
|
|
|
|
2 |
3 |
|
|
8 |
Onderwijsfunctie |
|
|
|
|
|
2 |
3 |
|
|
9 |
Sportfunctie |
|
|
|
|
|
2 |
3 |
|
|
10 |
Winkelfunctie |
|
|
|
|
|
2 |
3 |
|
|
11 |
Overige gebruiksfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
12 |
Bouwwerk geen gebouw zijnde |
|
|
|
|
|
|
|
|
Artikel 4.17
1. De vloer ter plaatse van ten minste
een toegang van een woonfunctie heeft een hoogteverschil met, de vloer
van een gemeenschappelijke verkeersruimte of het aansluitende terrein,
dat niet groter is dan 0,02 m.
2. De vloer ter plaatse van ten minste
een toegang van een woongebouw heeft een hoogteverschil met het
aansluitende terrein ter plaatse van die toegang, dat niet groter is
dan 0,02 m.
3. Een drempel in een toegang als
bedoeld in het eerste en tweede lid, heeft ter plaatse van die toegang
een hoogteverschil met een aansluitende vloer, het aansluitende
terrein of een aansluitende hellingbaan, dat niet groter is dan 0,02 m.
Artikel 4.18
1. De vloer ter plaatse van ten minste
een toegang van een toegankelijkheidssector heeft een hoogteverschil
met het aansluitende terrein ter plaatse van die toegang, dat niet
groter is dan 0,02 m.
2. De vloer ter plaatse van ten minste
een toegang van een toegankelijkheidssector heeft een hoogteverschil
met het aansluitende terrein ter plaatse van die toegang, dat niet
groter is dan 1 m.
3. Een drempel in een vloer van een
toegankelijkheidssector heeft een hoogteverschil met de aansluitende
vloer, het aansluitende terrein of een aansluitende hellingbaan, dat
niet groter is dan 0,02 m.
Artikel 4.19
Een woongebouw waarin de vloer ter
plaatste van de toegang van een woonfunctie hoger ligt dan 3 m boven het
meetniveau, heeft op elke bouwlaag een opstelplaats voor een lift. De
oppervlakte van deze opstelplaats is afgestemd op het kunnen plaatsen
van een lift die een liftkooi heeft met een vloeroppervlakte van ten
minste 1,05 m x 2,05 m.
Afdeling 4.5. Verblijfsgebied, nieuwbouw
Artikel 4.20
1. Een te bouwen bouwwerk heeft een of
meer verblijfsgebieden waar de voor de betrokken gebruiksfunctie
kenmerkende activiteiten kunnen plaatsvinden.
2. Voorzover voor een gebruiksfunctie
in tabel 4.20 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die
gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door
toepassing van die voorschriften.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.20 geen
voorschrift is aangewezen.
Tabel 4.20
|
gebruiks-
functie |
|
|
leden van toepassing |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
grens-
waarden |
|
|
|
|
|
| |
|
|
aanwezig-
heid |
|
|
|
|
bereikbaar-
heid |
|
|
inte-
graal toegan-
kelijk |
|
afme-
tingen |
|
|
|
aanwezig-
heid |
|
inte-
graal toegan-
kelijk |
afme-
tingen |
|
|
| |
|
artikel |
4.21 |
|
|
|
|
4.22 |
|
|
4.23 |
|
4.24 |
|
|
|
4.21 |
|
4.23 |
4.24 |
|
|
| |
|
lid |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
1 |
2 |
3 |
1 |
2 |
1 |
2 |
3 |
4 |
1 |
3 |
2 |
1 |
2 |
3 |
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
[%] |
|
[%] |
[m2] |
[m] |
[m] |
|
1 |
Woonfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
woonfunctie van een woonwagen |
1 |
2 |
3 |
|
|
1 |
2 |
|
|
|
1 |
2 |
3 |
|
60 |
4 m x 3 m |
|
4 |
1,6 |
2,2 |
| |
b |
andere woonfunctie |
1 |
2 |
3 |
4 |
|
1 |
2 |
3 |
1 |
|
1 |
2 |
3 |
|
55 |
3,3m x 3,3m |
|
5 |
1,8 |
2,6 |
|
2 |
Bijeenkomstfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
bijeenkomstfunctie voor
kinderopvang |
1 |
|
|
|
|
|
|
|
|
2 |
1 |
2 |
3 |
4 |
55 |
|
40 |
|
|
|
| |
|
1 verblijfsgebied voor slapen |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
5 |
1,8 |
2,6 |
| |
|
2 ander verblijfsgebied |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
10 |
1,8 |
2,6 |
| |
b |
bijeenkomstfunctie voor
alcoholgebruik |
1 |
|
3 |
|
|
|
|
|
|
2 |
1 |
2 |
3 |
4 |
55 |
35 m2 |
40 |
10 |
1,8 |
2,6 |
| |
c |
andere bijeenkomstfunctie |
1 |
|
|
|
|
|
|
|
|
2 |
1 |
2 |
3 |
4 |
55 |
|
40 |
10 |
1,8 |
2,6 |
|
3 |
Celfunctie |
|
1 |
|
|
|
|
|
|
|
|
2 |
1 |
2 |
3 |
|
55 |
|
|
|
|
|
| |
|
1 niet-gemeen-
schappelijk verblijfsgebied uitsluitend voor kortstondig verblijf |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
4 |
1,8 |
2,5 |
| |
|
2 niet-gemeen-
schappelijk verblijfsgebied voor dag- en nachtverblijf, met een
toiletpot |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
40 |
6 |
1,8 |
2,5 |
| |
|
3 ander verblijfsgebied |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
40 |
5 |
1,8 |
2,5 |
|
4 |
Gezondheids-
zorgfunctie |
|
1 |
|
|
|
|
|
|
|
|
2 |
1 |
2 |
3 |
4 |
55 |
|
40 |
10 |
1,8 |
2,6 |
|
5 |
Industriefunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
lichte industriefunctie |
1 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
1 |
2 |
3 |
4 |
55 |
|
40 |
5 |
1,8 |
2,6 |
| |
b |
andere industriefunctie |
1 |
|
|
|
|
|
|
|
|
2 |
1 |
2 |
3 |
4 |
55 |
|
40 |
5 |
1,8 |
2,6 |
|
6 |
Kantoorfunctie |
|
1 |
|
|
|
|
|
|
|
|
2 |
1 |
2 |
3 |
4 |
55 |
|
40 |
10 |
1,8 |
2,6 |
|
7 |
Logiesfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
logiesfunctie niet gelegen in
logiesgebouw |
1 |
|
|
|
|
|
|
|
|
2 |
1 |
2 |
3 |
|
55 |
|
40 |
|
|
|
| |
|
1 verblijfsgebied gelegen in een
toegankelijkheids-
sector |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
14 |
3,2 |
2,6 |
| |
|
2 ander verblijfsgebied |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
4 |
1,5 |
2,1 |
| |
b |
logiesfunctie gelegen in een
logiesgebouw |
1 |
|
|
|
|
|
|
|
|
2 |
1 |
2 |
3 |
4 |
55 |
|
40 |
|
|
|
| |
|
1 verblijfsgebied in een
toegankelijkheids-
sector |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
14 |
3,2 |
2,6 |
| |
|
2 ander verblijfsgebied |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
5 |
1,8 |
2,6 |
|
8 |
Onderwijsfunctie |
|
1 |
|
|
|
|
|
|
|
|
2 |
1 |
2 |
3 |
4 |
55 |
|
100 |
8 |
1,8 |
2,6 |
|
9 |
Sportfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
sportfunctie behorend tot een
onderwijsfunctie |
1 |
|
|
|
|
|
|
|
|
2 |
1 |
2 |
3 |
4 |
55 |
|
40 |
|
|
|
| |
|
1 verblijfsgebied voor lichamelijke
oefening |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
252 |
1,8 |
5 |
| |
|
2 ander verblijfsgebied |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
10 |
1,8 |
2,6 |
| |
b |
andere sportfunctie |
1 |
|
|
|
|
|
|
|
|
2 |
1 |
2 |
3 |
4 |
55 |
|
40 |
10 |
1,8 |
2,6 |
|
10 |
Winkelfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
winkelfunctie voor het
slijtersbedrijf |
1 |
|
|
|
|
|
|
|
|
2 |
1 |
2 |
3 |
4 |
55 |
|
40 |
15 |
1,8 |
2,6 |
| |
b |
andere winkelfunctie |
1 |
|
|
|
|
|
|
|
|
2 |
1 |
2 |
3 |
4 |
55 |
|
40 |
10 |
1,8 |
2,6 |
|
11 |
Overige gebruiksfunctie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| |
a |
functie voor het personenvervoer,
met een gebruiksoppervlakte van meer dan 50 m2 |
1 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
1 |
2 |
3 |
4 |
55 |
|
|
5 |
1,8 |
2,6 |
| |
b |
andere overige gebruiksfunctie |
1 |
|
|
|
5 |
|
|
|
|
|
|
|
| |