St-AB.nl

 

 

 
     
 

 
  
 

 
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
•
•
•
•

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
•
•
•
•

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Nadere regelgeving
 
Woningwet

 

BOUWBESLUIT  2003

Artikelen 3.91 t/m 4.33

Tekst zoals deze geldt op 25 juli 2011

Verwijderd uit ons regelingenbestand

 

  
•
•
•
•

 

Artikelen 1.1 t/m 2.55
Artikelen 2.56 t/m 2.133
Artikelen 2.134 t/m 2.215
Artikelen 2.216 t/m 3.90
Artikelen 4.34 t/m 7.4

 

 

 
Afdeling 3.14. Afvoer van rook

 

§ 3.14.1. Nieuwbouw

 

Artikel 3.91

1. Een te bouwen bouwwerk waarin zich een opstelplaats voor een verbrandingstoestel bevindt, heeft een zodanige voorziening voor de afvoer van rook dat geen voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht ontstaat.

2. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.91 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.91 geen voorschrift is aangewezen.

Tabel 3.91

gebruiks-
functie

   

leden van toepassing

                         
     

aanwezigheid

capaciteit

       

plaats uitmonding

   

stromings-
richting

rookdoor-
latendheid

kap

verbouw

tijdelijke bouw

artikel

   

3.92

3.93

       

3.94

   

3.95

3.96

3.97

3.98

3.99

 

lid

 

*

1

2

3

4

5

1

2

3

*

*

*

*

*

1

Woonfunctie

                             
 

a

woonfunctie van een woonwagen

*

1

2

3

4

5

1

–

3

*

*

*

*

*

 

b

andere woonfunctie

*

1

2

3

4

5

1

2

3

*

*

*

*

*

2

Bijeenkomstfunctie

 

*

1

2

3

4

5

1

2

3

*

*

*

*

*

3

Celfunctie

 

*

1

2

3

4

5

1

2

3

*

*

*

*

*

4

Gezondheidszorgfunctie

 

*

1

2

3

4

5

1

2

3

*

*

*

*

*

5

Industriefunctie

 

*

1

2

3

4

5

1

2

3

*

*

*

*

*

6

Kantoorfunctie

 

*

1

2

3

4

5

1

2

3

*

*

*

*

*

7

Logiesfunctie

 

*

1

2

3

4

5

1

2

3

*

*

*

*

*

8

Onderwijsfunctie

 

*

1

2

3

4

5

1

2

3

*

*

*

*

*

9

Sportfunctie

 

*

1

2

3

4

5

1

2

3

*

*

*

*

*

10

Winkelfunctie

 

*

1

2

3

4

5

1

2

3

*

*

*

*

*

11

Overige gebruiksfunctie

 

*

1

2

3

4

5

1

2

3

*

*

*

*

*

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

 

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

 

Artikel 3.92

Een ruimte met een opstelplaats voor een verbrandingstoestel heeft een voorziening voor de afvoer van rook. Bij de toepassing van dit voorschrift blijft een opstelplaats voor een kooktoestel of een warmwatertoestel, met een nominale belasting van ten hoogste 15 kW buiten beschouwing.

 

Artikel 3.93

1. Een voorziening voor de afvoer van rook voor een opstelplaats voor verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van meer dan 130 kW heeft een zodanige capaciteit, dat de verbranding in de toestellen doeltreffend plaatsvindt. Een voorziening voor de afvoer van rook voor een opstelplaats voor verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van ten hoogste 130 kW heeft een volgens NEN 2757 bepaalde capaciteit die niet kleiner is dan de totale normaalvolumestroom van de rook bij de nominale belasting van de verbrandingstoestellen die op die voorziening zijn aangewezen. De normaalvolumestroom van een open verbrandingstoestel wordt bepaald met formule 3.93.

2. Onverminderd het eerste lid, heeft een voorziening voor de afvoer van rook voor een opstelplaats voor verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van niet meer dan 130 kW een volgens NEN 2757 bepaalde capaciteit die niet kleiner is dan de volgens tabel 3.93 bepaalde normaalvolumestroom voor:

a. een verbrandingstoestel met een nominale belasting van ten minste 30 W per m2 van de op het toestel aangewezen gebruiksoppervlakte van een gebruiksfunctie, met een minimum van 6 kW, indien de opstelplaats bestemd is voor een met gas gestookt stooktoestel als bedoeld in artikel 4.87,

b. een verbrandingstoestel met een nominale belasting van ten minste 20 W per m2 van de op het toestel aangewezen gebruiksoppervlakte van een gebruiksfunctie, met een minimum van 6 kW, indien de opstelplaats bestemd is voor een met gas gestookt warmwatertoestel als bedoeld in artikel 4.95,

c. een verbrandingstoestel met een nominale belasting van ten minste 30 W per m2 van de op het toestel aangewezen gebruiksoppervlakte van een gebruiksfunctie, met een minimum van 6 kW, indien de opstelplaats bestemd is voor een met gas gestookt stooktoestel dat is samengevoegd met een warmwatertoestel als bedoeld in artikel 4.96, en

d. een verbrandingstoestel met open vuur met een nominale belasting van ten minste 15 kW, indien de opstelplaats bestemd is voor een met vaste brandstof gestookte open haard met open vuur.

Formule 3.93

qvn = B x 0,27 x 10-3 x n'

 

waarin:

 

qvn

is de normaalvolumestroom in m3/s;

B

is de nominale belasting van het toestel, in kW;

n'

is de «rekenwaarde verdunningsfactor van rook» zoals aangegeven in tabel 3.93.

Tabel 3.93

verbrandingstoestel

 

rekenwaarde verdunningsfactor van rook (n')

 
   

afvoer zonder ventilator

afvoer met ventilator

 

brandstof

[-]

[-]

gesloten vuur, zonder ventilator, met trekonderbreker

aardgas/butaan/propaan

3,0

5,0

open vuur, zonder ventilator (blokkenvuurtoestel type II)

aardgas

12,5

12,5

gesloten vuur, zonder ventilator

olie (HBO I)

1,3

2,6

gesloten vuur, zonder ventilator

kolen, hout

2,0

4,0

open vuur, zonder ventilator

vaste brandstof

10,0

10,0

3. In afwijking van het eerste lid, heeft een voorziening voor de afvoer van rook voor een opstelplaats voor een open verbrandingstoestel met ventilator en een nominale belasting van ten hoogste 130 kW, een volgens NEN 2757 bepaalde capaciteit die gelijk is aan de door de toestelventilator opgewekte volumestroom.

4. Een combinatie van een component voor afvoer van binnenlucht van een voorziening voor luchtverversing en een voorziening voor afvoer van rook van een verbrandingstoestel heeft een volgens NEN 2757 bepaalde capaciteit die gelijk is aan de hoogste waarde die geldt voor de component en de voorziening afzonderlijk.

5. Een CLV-systeem heeft een volgens NEN 2757 bepaald positief drukverschil tussen het afvoerkanaal voor rook en het toevoerkanaal voor verbrandingslucht.

 

Artikel 3.94

1. Een uitmonding van een voorziening voor de afvoer van rook wordt zodanig geplaatst, dat de volgens NEN 2757 bepaalde verdunningsfactor van de rook, ter plaatse van een op hetzelfde perceel als die voorziening gelegen instroomopening van:

a. een voorziening voor de toevoer van verbrandingslucht, indien de toevoer van verbrandingslucht plaatsvindt via een verblijfsgebied voor het verblijven van mensen, en

b. een voorziening voor luchtverversing voor de toevoer van verse lucht naar een verblijfsgebied voor het verblijven van mensen, niet groter is dan voor die afvoervoorziening is aangegeven in tabel 3.94. Daarbij blijven een bouwwerk en met een bouwwerk gelijk te stellen belemmeringen die op een ander perceel liggen, buiten beschouwing.

Tabel 3.94

afvoervoorziening voor

toegestane verdunningsfactor

rook afkomstig van een met gas gestookt toestel

0,01

rook afkomstig van een met een andere brandstof gestookt toestel

0,0015

2. De uitmonding van een voorziening voor de afvoer van rook ligt, gemeten langszij aan een uitwendige scheidingsconstructie van een gebruiksfunctie, niet zijnde het dak, op een afstand van ten minste 1 m van de perceelsgrens. De afstand gemeten loodrecht op die uitwendige scheidingsconstructie is ten minste 2 m. Indien het perceel waarop de gebruiksfunctie ligt, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, wordt de afstand gerekend tot het hart van die weg, dat water of dat groen.

3. De onderzijde van de uitmonding van een voorziening voor de afvoer van rook, gelegen boven een constructieonderdeel of het aansluitende terrein, ligt, ter voorkoming van gehele of gedeeltelijke afsluiting van de opening door ophoping van vuil of sneeuw, ten minste 0,3 m boven de bovenzijde van dat constructie-onderdeel of dat terrein.

 

Artikel 3.95

De rook stroomt, bepaald volgens NEN 2757, vanaf de opstelplaats van een verbrandingstoestel naar de uitmonding van de voorziening voor de afvoer van rook. Bij de bepaling van de stromingsrichting blijven bouwwerken en andere daarmee gelijk te stellen belemmeringen, die op een ander perceel liggen, buiten beschouwing.

 

Artikel 3.96

Een voorziening voor de afvoer van rook heeft, ter voorkoming van onaanvaardbare verspreiding van voor de gezondheid schadelijke of hinderlijke bestanddelen uit de rook door ondichtheden, een volgens NEN 2757 bepaalde doorlatendheid die niet groter is dan in tabel 3.96 is aangegeven.

Tabel 3.96

voorziening voor de afvoer van rook

toegestane doorlatendheid

een overdrukvoorziening als bedoeld in NEN 2757

0,0056 x 10-3 m3/s per m2 inwendig oppervlak van de voorziening, gemeten bij een drukverschil van 200 Pa

een onderdrukvoorziening als bedoeld in NEN 2757

3 x 10-3 m3/s per m2 inwendig oppervlak van de voorziening, gemeten bij een drukverschil van 40 Pa

 

Artikel 3.97

Een voorziening voor de natuurlijke afvoer van rook als bedoeld in artikel 3.92, is, ter voorkoming van het terugstromen van rook, voorzien van een goed functionerende kap.

 

Artikel 3.98

Het bevoegd gezag wijkt bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk niet af van de artikelen 3.94 tot en met 3.96.

 

Artikel 3.99

Op het bouwen van een niet-permanent bouwwerk zijn de artikelen 3.94 tot en met 3.96 van toepassing.

 

§ 3.14.2. Bestaande bouw

 

Artikel 3.100

1. Een bestaand bouwwerk waarin zich een opstelplaats voor een verbrandingstoestel bevindt, heeft een zodanige voorziening voor de afvoer van rook dat geen voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht ontstaat.

2. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.100 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.100 geen voorschrift is aangewezen.

Tabel 3.100

gebruiksfunctie

 

leden van toepassing

             
   

aanwezigheid

capaciteit

     

stromingsrichting

rookdoorlatendheid

kap

artikel

 

3.101

3.102

     

3.103

3.104

3.105

 

lid

*

1

2

3

4

*

*

*

1

Woonfunctie

*

1

2

3

4

*

*

*

2

Bijeenkomstfunctie

*

1

2

3

4

*

*

–

3

Celfunctie

*

1

2

3

4

*

*

–

4

Gezondheidszorgfunctie

*

1

2

3

4

*

*

–

5

Industriefunctie

*

1

2

3

4

*

*

–

6

Kantoorfunctie

*

1

2

3

4

*

*

–

7

Logiesfunctie

*

1

2

3

4

*

*

–

8

Onderwijsfunctie

*

1

2

3

4

*

*

–

9

Sportfunctie

*

1

2

3

4

*

*

–

10

Winkelfunctie

*

1

2

3

4

*

*

–

11

Overige gebruiksfunctie

*

1

2

3

4

*

*

–

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

–

–

–

–

–

–

–

–

 

Artikel 3.101

Een ruimte met een opstelplaats voor een verbrandingstoestel heeft een voorziening voor de afvoer van rook. Bij de toepassing van dit voorschrift blijft een opstelplaats voor een kooktoestel of een warmwatertoestel, met een nominale belasting van ten hoogste 15 kW, buiten beschouwing.

 

Artikel 3.102

1. Een voorziening voor de afvoer van rook voor een opstelplaats voor verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van meer dan 130 kW, heeft een zodanige capaciteit, dat de verbranding in het toestel doeltreffend plaatsvindt. Een voorziening voor de afvoer van rook voor een opstelplaats voor verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van ten hoogste 130 kW heeft een volgens NEN 2757 bepaalde capaciteit, die niet kleiner is dan de totale normaalvolumestroom van de rook bij de nominale belasting van de verbrandingstoestellen die op die voorziening zijn aangewezen. De normaalvolumestroom van een open verbrandingstoestel wordt bepaald met formule 3.102.

Formule 3.102

qvn = B x 0,27 x 10-3 x n'

 

waarin:

 

qvn

is de normaalvolumestroom in m3/s;

B

is de nominale belasting van het toestel, in kW;

n'

is de «rekenwaarde verdunningsfactor rook» zoals aangegeven in tabel 3.102.

Tabel 3.102

verbrandingstoestel

 

rekenwaarde verdunningsfactor van rook (n')

 
   

afvoer zonder ventilator

afvoer met ventilator

 

brandstof

[-]

[-]

gesloten vuur, zonder ventilator, met trekonderbreker

aardgas/butaan/propaan

3,0

5,0

open vuur, zonder ventilator (blokkenvuurtoestel type II)

aardgas

12,5

12,5

gesloten vuur, zonder ventilator

olie (HBO I)

1,3

2,6

gesloten vuur, zonder ventilator

kolen, hout

2,0

4,0

open vuur, zonder ventilator

vaste brandstof

10,0

10,0

2. In afwijking van het eerste lid, heeft een voorziening voor de afvoer van rook, als bedoeld in artikel 3.101, voor een open verbrandingstoestel met ventilator, met nominale belasting van ten hoogste 130 kW, een volgens NEN 2757 bepaalde afvoercapaciteit die gelijk is aan de door de toestelventilator opgewekte volumestroom.

3. Een combinatie van een component voor de afvoer van binnenlucht van een voorziening voor luchtverversing en een voorziening voor de afvoer van rook van een verbrandingstoestel heeft een volgens NEN 2757 bepaalde capaciteit, die gelijk is aan de hoogste waarde die geldt voor de component en de voorziening afzonderlijk.

4. Een CLV-systeem heeft een volgens NEN 2757 bepaald positief drukverschil tussen het afvoerkanaal voor rook en het toevoerkanaal voor verbrandingslucht.

 

Artikel 3.103

De afgevoerde rook stroomt, bepaald volgens NEN 2757, vanaf de opstelplaats van een verbrandingstoestel naar de uitmonding van de voorziening voor de afvoer van rook. Bij de bepaling van de stromingsrichting blijven bouwwerken en andere daarmee gelijk te stellen belemmeringen, die op een ander perceel liggen, buiten beschouwing.

 

Artikel 3.104

Een overdrukvoorziening voor de afvoer van rook heeft, ter voorkoming van onaanvaardbare verspreiding van voor de gezondheid schadelijke of hinderlijke bestanddelen uit de rook door ondichtheden, een volgens NEN 2757 bepaalde toelaatbare rookdoorlatendheid bij een drukverschil van 200 Pa, van ten hoogste 0,0056*10-3 m3/s per m2 inwendig oppervlak van de wand van de voorziening.

 

Artikel 3.105

Een voorziening voor de natuurlijke afvoer van rook, als bedoeld in artikel 3.101, is, ter voorkoming van het terugstromen van rook, voorzien van een goed functionerende kap.

 

Afdeling 3.15. Beperking van de toepassing van schadelijke materialen

 

§ 3.15.1. Nieuwbouw

 

Artikel 3.106

1. Een te bouwen bouwwerk is zodanig dat de aanwezigheid van voor de gezondheid schadelijke stoffen, en van ioniserende stralen beperkt is.

2. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.106 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

Tabel 3.106

gebruiksfunctie

 

leden van toepassing

   
   

ministeriλle regeling

verbouw

tijdelijke bouw

artikel

 

3.107

3.108

3.109

 

lid

*

*

*

1

Woonfunctie

*

*

*

2

Bijeenkomstfunctie

*

*

*

3

Celfunctie

*

*

*

4

Gezondheidszorgfunctie

*

*

*

5

Industriefunctie

*

*

*

6

Kantoorfunctie

*

*

*

7

Logiesfunctie

*

*

*

8

Onderwijsfunctie

*

*

*

9

Sportfunctie

*

*

*

10

Winkelfunctie

*

*

*

11

Overige gebruiksfunctie

*

*

*

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

*

*

*

 

Artikel 3.107

Bij ministeriλle regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent het in een bouwwerk toepassen van materialen waaruit giftige of hinderlijke stoffen kunnen vrijkomen of waaruit ioniserende stralen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Kernenergiewet, kunnen ontstaan.

 

Artikel 3.108

Het bevoegd gezag wijkt bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk niet af van artikel 3.107.

 

Artikel 3.109

Op het bouwen van een niet-permanent bouwwerk is artikel 3.107 van toepassing.

 

§ 3.15.2. Bestaande bouw

 

Artikel 3.109a

1. Een bestaand bouwwerk is zodanig dat de aanwezigheid van voor de gezondheid schadelijke stoffen beperkt is.

2. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.109a voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

Tabel 3.109a

gebruiksfunctie

 

leden van toepassing

   

ministeriλle regeling

 

artikel

3.109b

 

lid

*

1

Woonfunctie

*

2

Bijeenkomstfunctie

*

3

Celfunctie

*

4

Gezondheidszorgfunctie

*

5

Industriefunctie

*

6

Kantoorfunctie

*

7

Logiesfunctie

*

8

Onderwijsfunctie

*

9

Sportfunctie

*

10

Winkelfunctie

*

11

Overige gebruiksfunctie

*

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

*

 

Artikel 3.109b

Bij ministeriλle regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent het in een bouwwerk aanwezig zijn van materialen waaruit giftige of hinderlijke stoffen kunnen vrijkomen.

 

Afdeling 3.16. Beperking van het kunnen binnendringen van uit de grond afkomstige schadelijke stoffen of straling, nieuwbouw

 

Artikel 3.110

1. Een te bouwen bouwwerk is zodanig dat gebruikers ervan zo min mogelijk worden blootgesteld aan uit de bodem afkomstige schadelijke stoffen of aan straling.

2. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.110 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.110 geen voorschrift is aangewezen.

Tabel 3.110

gebruiksfunctie

   

leden van toepassing

   
     

ministeriλle regeling

verbouw

tijdelijke bouw

artikel

   

3.111

3.112

3.113

 

lid

 

*

*

*

1

Woonfunctie

 

*

*

*

2

Bijeenkomstfunctie

 

*

*

*

3

Celfunctie

 

*

*

*

4

Gezondheidszorgfunctie

 

*

*

*

5

Industriefunctie

 

*

*

*

 

a

lichte industriefunctie

–

–

–

 

b

andere industriefunctie

*

*

*

6

Kantoorfunctie

 

*

*

*

7

Logiesfunctie

 

*

*

*

8

Onderwijsfunctie

 

*

*

*

9

Sportfunctie

 

*

*

*

10

Winkelfunctie

 

*

*

*

11

Overige gebruiksfunctie

 

–

–

–

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

 

–

–

–

 

Artikel 3.111

Bij ministeriλle regeling kunnen voorschriften worden gegeven waaraan een uitwendige scheidingsconstructie moet voldoen, die de scheiding vormt met de grond of met de kruipruimte, met inbegrip van delen van andere constructies die aansluiten op die constructie, voorzover die delen van invloed zijn op het voldoen aan artikel 3.110, eerste lid.

 

Artikel 3.112

Het bevoegd gezag wijkt bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk niet af van artikel 3.111.

 

Artikel 3.113

Op het bouwen van een niet-permanent bouwwerk is artikel 3.111 van toepassing.

 

Afdeling 3.17. Bescherming tegen ratten en muizen

 

§ 3.17.1. Nieuwbouw

 

Artikel 3.114

1. Een te bouwen bouwwerk is zodanig dat het binnendringen van ratten en muizen wordt tegengegaan.

2. Voorzover voor een gebruiksfuncties in tabel 3.114 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.114 geen voorschrift is aangewezen.

Tabel 3.114

gebruiksfunctie

   

leden van toepassing

       
     

openingen

 

scherm

   

artikel

   

3.115

 

3.116

   
 

lid

 

1

2

1

2

3

1

Woonfunctie

           
 

a

woonfunctie van een woonwagen

1

–

–

–

–

 

b

andere woonfunctie

1

2

1

2

3

2

Bijeenkomstfunctie

 

1

2

1

2

3

3

Celfunctie

 

1

2

1

2

3

4

Gezondheidszorgfunctie

 

1

2

1

2

3

5

Industriefunctie

 

–

–

–

–

–

6

Kantoorfunctie

 

1

2

1

2

3

7

Logiesfunctie

           
 

a

logiesfunctie niet gelegen in een logiesgebouw

1

2

–

–

–

 

b

logiesfunctie gelegen in een logiesgebouw

1

2

1

2

3

8

Onderwijsfunctie

 

1

2

1

2

3

9

Sportfunctie

 

1

2

1

2

3

10

Winkelfunctie

 

1

2

1

2

3

11

Overige gebruiksfunctie

 

–

–

–

–

–

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

 

–

–

–

–

–

 

Artikel 3.115

1. Een uitwendige scheidingsconstructie heeft geen openingen die breder zijn dan 0,01 m. Dit geldt niet voor een afsluitbare opening en een opening die de uitmonding is van een voorziening voor:

a. luchtverversing,

b. de afvoer van rook of

c. de ont- en beluchting van een voorziening voor de afvoer van afvalwater en fecaliλn.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een inwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt met een gebruiksfunctie waarop het eerste lid niet van toepassing is.

 

Artikel 3.116

1. Een gebruiksfunctie heeft ter plaatse van een uitwendige scheidingsconstructie, een scherm tot een vanaf het aansluitende terrein gemeten diepte van ten minste 0,6 m. Het scherm heeft geen openingen die breder zijn dan 0,01 m.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een inwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt met een gebruiksfunctie waarop het eerste lid niet van toepassing is.

3. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op een scheidingsconstructie van een meterruimte of van een opstelplaats voor een stooktoestel, indien zich, ter plaatse van de inwendige scheidingsconstructies die de scheiding vormen tussen die ruimte en een andere ruimte van de gebruiksfunctie, een scherm als bedoeld in het eerste lid, bevindt.

 

§ 3.17.2. Bestaande bouw

 

Artikel 3.117

1. Een bestaand bouwwerk is zodanig dat het binnendringen van ratten en muizen wordt tegengegaan.

2. Voorzover voor een gebruiksfuncties in tabel 3.117 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.117 geen voorschrift is aangewezen.

Tabel 3.117

gebruiksfunctie

   

leden van toepassing

 
     

openingen

 

artikel

   

3.118

 
 

lid

 

1

2

1

Woonfunctie

     
 

a

woonfunctie van een woonwagen

1

–

 

b

andere woonfunctie

1

2

2

Bijeenkomstfunctie

 

1

2

3

Celfunctie

 

1

2

4

Gezondheidszorgfunctie

 

1

2

5

Industriefunctie

 

–

–

6

Kantoorfunctie

 

1

2

7

Logiesfunctie

 

1

2

8

Onderwijsfunctie

 

1

2

9

Sportfunctie

 

1

2

10

Winkelfunctie

 

1

2

11

Overige gebruiksfunctie

 

–

–

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

 

–

–

 

Artikel 3.118

1. Een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte, een toiletruimte of een badruimte heeft geen openingen die breder zijn dan 0,01 m. Dit geldt niet voor een afsluitbare opening en een opening die de uitmonding is van een voorziening voor:

a. luchtverversing,

b. de afvoer van rook of

c. de ont- en beluchting van een voorziening voor de afvoer van afvalwater en fecaliλn.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een inwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt met een gebruiksfunctie waarop het eerste lid niet van toepassing is.

 

Afdeling 3.18. Drinkwatervoorziening

 

§ 3.18.1. Nieuwbouw

 

Artikel 3.119

1. Een te bouwen bouwwerk heeft een zodanige voorziening voor drinkwater dat kan worden beschikt over water, geschikt voor menselijke consumptie en hygiλne.

2. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.119 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

Tabel 3.119

gebruiksfunctie

   

leden van toepassing

     
     

aanwezigheid

aansluitmogelijkheid

 

hygiλne

artikel

   

3.120

3.121

 

3.122

 

lid

 

*

1

2

*

1

Woonfunctie

 

*

1

2

*

2

Bijeenkomstfunctie

 

*

1

2

*

3

Celfunctie

 

*

1

2

*

4

Gezondheidszorgfunctie

 

*

1

2

*

5

Industriefunctie

         
 

a

lichte industriefunctie

–

–

–

*

 

b

andere industriefunctie

*

1

2

*

6

Kantoorfunctie

 

*

1

2

*

7

Logiesfunctie

 

*

1

2

*

8

Onderwijsfunctie

 

*

1

2

*

9

Sportfunctie

 

*

1

2

*

10

Winkelfunctie

 

*

1

2

*

11

Overige gebruiksfunctie

         
 

a

overige gebruiksfunctie voor het personenverkeer met een gebruiksoppervlakte van meer dan 50 m2

*

–

–

*

 

b

andere overige gebruiksfunctie

–

–

–

*

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

 

–

–

–

*

 

Artikel 3.120

Een gebruiksfunctie heeft een voorziening voor drinkwater.

 

Artikel 3.121

1. Een voorziening voor drinkwater heeft in een meterruimte als bedoeld in artikel 4.66, een aansluitmogelijkheid voor aansluiting op het distributienet voor drinkwater.

2. Een voorziening voor drinkwater heeft een aansluitpunt bij een opstelplaats voor een waterverbruikstoestel.

 

Artikel 3.122

Een voorziening voor drinkwater voldoet aan bij ministeriλle regeling aangewezen voorschriften.

 

§ 3.18.2. Bestaande bouw

 

Artikel 3.123

1. Een bestaand bouwwerk heeft een zodanige voorziening voor drinkwater dat kan worden beschikt over water, geschikt voor menselijke consumptie en hygiλne.

2. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.123 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

Tabel 3.123

gebruiksfunctie

   

leden van toepassing

   
     

aansluiting

aansluitingen

hygiλne

artikel

   

3.124

3.125

3.126

 

lid

 

*

*

*

1

Woonfunctie

 

*

*

*

2

Bijeenkomstfunctie

 

*

*

*

3

Celfunctie

 

*

*

*

4

Gezondheidszorgfunctie

 

*

*

*

5

Industriefunctie

       
 

a

lichte industriefunctie

–

–

*

 

b

andere industriefunctie

*

*

*

6

Kantoorfunctie

 

*

*

*

7

Logiesfunctie

 

*

*

*

8

Onderwijsfunctie

 

*

*

*

9

Sportfunctie

 

*

*

*

10

Winkelfunctie

 

*

*

*

11

Overige gebruiksfunctie

 

–

–

*

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

 

–

–

*

 

Artikel 3.124

Een gebruiksfunctie heeft een voorziening voor drinkwater.

 

Artikel 3.125

Een voorziening voor drinkwater heeft een aansluitmogelijkheid voor aansluiting op het distributienet voor drinkwater.

 

Artikel 3.126

Een voorziening voor drinkwater voldoet aan bij ministeriλle regeling aangewezen voorschriften.

 

Afdeling 3.19. Warmwatervoorziening

 

§ 3.19.1. Nieuwbouw

 

Artikel 3.127

1. Een te bouwen bouwwerk heeft een zodanige voorziening dat kan worden beschikt over warm water voor de menselijke hygiλne.

2. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.127 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

Tabel 3.127

gebruiksfunctie

 

leden van toepassing

   
   

aanwezigheid

aansluitingen

hygiλne

artikel

 

3.128

3.129

3.130

 

lid

*

*

*

1

Woonfunctie

*

*

*

2

Bijeenkomstfunctie

–

–

*

3

Celfunctie

*

*

*

4

Gezondheidszorgfunctie

*

*

*

5

Industriefunctie

–

–

*

6

Kantoorfunctie

–

–

*

7

Logiesfunctie

*

*

*

8

Onderwijsfunctie

*

*

*

9

Sportfunctie

*

*

*

10

Winkelfunctie

–

–

*

11

Overige gebruiksfunctie

–

–

*

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

–

–

*

 

Artikel 3.128

Een gebruiksfunctie met een badruimte als bedoeld in artikel 4.46, heeft een voorziening voor warm water.

 

Artikel 3.129

Een warmwatervoorziening als bedoeld in artikel 3.128, heeft een aansluitpunt:

a. in een badruimte als bedoeld in artikel 4.46, en

b. bij een opstelplaats voor een warmwatertoestel als bedoeld in artikel 4.95.

 

Artikel 3.130

Een voorziening voor warm water voldoet aan bij ministeriλle regeling aangewezen voorschriften.

 

§ 3.19.2. Bestaande bouw

 

Artikel 3.131

1. Een bestaand bouwwerk heeft een zodanige voorziening dat kan worden beschikt over warm water voor de menselijke hygiλne.

2. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.131 voorschriften zijn gegeven, wordt aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

Tabel 3.131

gebruiksfunctie

 

leden van toepassing

   

hygiλne

artikel

 

3.132

 

lid

*

1

Woonfunctie

*

2

Bijeenkomstfunctie

*

3

Celfunctie

*

4

Gezondheidszorgfunctie

*

5

Industriefunctie

*

6

Kantoorfunctie

*

7

Logiesfunctie

*

8

Onderwijsfunctie

*

9

Sportfunctie

*

10

Winkelfunctie

*

11

Overige gebruiksfunctie

*

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

*

 

Artikel 3.132

Een voorziening voor warm water voldoet aan bij ministeriλle regeling aangewezen voorschriften.

 

Afdeling 3.20. Daglicht

 

§ 3.20.1. Nieuwbouw

 

Artikel 3.133

1. Een te bouwen bouwwerk is zodanig dat daglicht in voldoende mate kan toetreden.

2. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.133 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.133 geen voorschrift is aangewezen.

Tabel 3.133

gebruiksfunctie

   

leden van toepassing

           

grenswaarden

 
     

daglichtoppervlakte

           

daglichtoppervlakte

 
   

artikel

3.134

           

3.134

 
   

lid

1

2

3

4

5

6

7

1

2

                   

[%]

[m2]

1

Woonfunctie

                   
 

a

woonfunctie van een woonwagen

1

2

3

–

5

–

–

8

0,5

 

b

andere woonfunctie

1

2

3

4

–

–

–

10

0,5

2

Bijeenkomstfunctie

                   
 

a

bijeenkomstfunctie voor kinderopvang

                 
   

1 ruimte voor spelactiviteiten

1

2

3

4

–

6

–

5

0,5

   

2 andere ruimte

–

–

–

–

–

–

–

–

–

 

b

andere bijeenkomstfunctie

–

–

–

–

–

–

–

–

–

3

Celfunctie

                   
   

1 ruimte voor dag- en nachtverblijf

1

2

3

4

–

6

–

3

0,15

   

2 andere ruimte

–

–

–

–

–

–

–

–

–

4

Gezondheidszorgfunctie

                   
   

1 ruimte voor aan bed gebonden patiλnten

1

2

3

4

–

6

–

5

0,5

   

2 andere ruimte

–

–

–

–

–

–

–

–

–

5

Industriefunctie

 

–

–

–

–

–

–

–

–

–

6

Kantoorfunctie

 

1

2

3

4

–

6

–

2,5

0,5

7

Logiesfunctie

 

1

2

3

4

–

6

–

7

0,35

8

Onderwijsfunctie

 

1

2

3

4

–

6

7

5

0,5

9

Sportfunctie

 

–

–

–

–

–

–

–

–

–

10

Winkelfunctie

 

–

–

–

–

–

–

–

–

–

11

Overige gebruiksfunctie

 

–

–

–

–

–

–

–

–

–

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

 

–

–

–

–

–

–

–

–

–

 

Artikel 3.134

1. Een verblijfsgebied heeft een volgens NEN 2057 bepaalde equivalente daglichtoppervlakte in m2 waarvan de getalwaarde niet kleiner is dan de getalwaarde van het in tabel 3.133 aangegeven deel van de vloeroppervlakte in m2 van dat verblijfsgebied.

2. Een verblijfsruimte heeft een volgens NEN 2057 bepaalde equivalente daglichtoppervlakte die niet kleiner is dan de in tabel 3.133 gegeven oppervlakte.

3. Een equivalente daglichtoppervlakte als bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt niet gerealiseerd door middel van een lichtopening in een inwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt met een aangrenzend verblijfsgebied, een toiletruimte, een badruimte of een technische ruimte.

4. Bij het bepalen van een equivalente daglichtoppervlakte als bedoeld in het eerste en tweede lid:

a. blijven bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen, die op een ander perceel liggen, buiten beschouwing,

b. blijven daglichtopeningen in een uitwendige scheidingsconstructie, die op een loodrecht op het projectievlak van die openingen gemeten afstand van minder dan 2 m vanaf de perceelsgrens liggen, buiten beschouwing, waarbij, indien het perceel waarop de gebruiksfunctie ligt, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, de afstand wordt aangehouden tot het hart van de weg, het openbaar groen of het openbaar water, en

c. is de in rekening te brengen belemmeringshoek a, bedoeld in NEN 2057, voor elk te onderscheiden segment niet kleiner dan 25°.

5. Bij het bepalen van een equivalente daglichtoppervlakte als bedoeld in het eerste of tweede lid:

a. blijven bouwwerken, niet zijnde de woonwagen, en andere daarmee gelijk te stellen belemmeringen buiten beschouwing, en

b. is de in rekening te brengen belemmeringshoek a, bedoeld in NEN 2057, voor elk te onderscheiden segment niet kleiner dan 25°.

6. Het eerste en tweede lid gelden niet voor een bouwwerk of een gedeelte daarvan voor de landsverdediging of de bescherming van de bevolking.

7. Het tweede lid geldt niet voor een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte van meer dan 150 m2. Bij het bepalen van de equivalente daglichttoetreding van het verblijfsgebied waarin die verblijfsruimte ligt, blijft, in afwijking van het eerste lid, de vloeroppervlakte van die ruimte buiten beschouwing.

 

§ 3.20.2. Bestaande bouw

 

Artikel 3.135

1. Een bestaand bouwwerk is zodanig dat daglicht in voldoende mate kan toetreden.

2. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 3.135 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 3.135 geen voorschrift is aangewezen.

Tabel 3.135

gebruiksfunctie

   

leden van toepassing

         

grenswaarden

     

daglichtoppervlakte

         

daglichtoppervlakte

   

artikel

3.136

         

3.136

   

lid

1

2

3

4

5

6

1

                 

[m2]

1

Woonfunctie

               
 

a

woonfunctie van een woonwagen

1

–

–

4

–

–

0,5

 

b

andere woonfunctie

1

2

3

–

–

–

0,5

2

Bijeenkomstfunctie

 

–

–

–

–

–

–

–

 

a

bijeenkomstfunctie voor kinderopvang

             
   

1 ruimte voor spelactiviteiten

1

2

3

–

5

–

0,5

   

2 andere ruimte

–

–

–

–

–

–

–

 

b

andere bijeenkomstfunctie

–

–

–

–

–

–

–

3

Celfunctie

               
   

1 ruimte voor dag- en nachtverblijf

1

2

3

–

5

–

0,15

   

2 andere ruimte

–

–

–

–

–

–

–

4

Gezondheidszorgfunctie

               
   

1 ruimte voor aan bed gebonden patiλnten

1

2

3

–

5

–

0,5

   

2 andere ruimte

–

–

–

–

–

–

–

5

Industriefunctie

 

–

–

–

–

–

–

–

6

Kantoorfunctie

 

1

2

3

–

5

–

0,5

7

Logiesfunctie

 

1

2

3

–

5

–

0,35

8

Onderwijsfunctie

 

1

2

3

–

5

6

0,5

9

Sportfunctie

 

–

–

–

–

–

–

–

10

Winkelfunctie

 

–

–

–

–

–

–

–

11

Overige gebruiksfunctie

 

–

–

–

–

–

–

–

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

 

–

–

–

–

–

–

–

 

Artikel 3.136

1. Een verblijfsruimte heeft een volgens NEN 2057 bepaalde equivalente daglichtoppervlakte die niet kleiner is dan de in tabel 3.135 gegeven oppervlakte.

2. De equivalente daglichtoppervlakte als bedoeld in het eerste lid, wordt niet gerealiseerd door middel van een lichtopening in een inwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt met een toiletruimte, een badruimte of een technische ruimte.

3. Bij het bepalen van de equivalente daglichtoppervlakte als bedoeld in het eerste lid:

a. blijven bouwwerken en daarmee gelijk te stellen belemmeringen, die op een ander perceel liggen, buiten beschouwing;

b. blijven daglichtopeningen in een uitwendige scheidingsconstructie die op een loodrecht op het projectievlak van die openingen gemeten afstand van minder dan 2 m vanaf de perceelsgrens liggen buiten beschouwing, waarbij, indien het perceel waarop de gebruiksfunctie ligt, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, de afstand mag worden aangehouden tot het hart van de weg, het openbaar groen of het openbaar water, en

c. is de in rekening te brengen belemmeringshoek a, als bedoeld in NEN 2057, voor elk te onderscheiden segment niet kleiner dan 25°.

4. Bij het bepalen van de equivalente daglichtoppervlakte als bedoeld in het eerste lid:

a. blijven bouwwerken, niet zijnde de woonwagen, en andere daarmee gelijk te stellen belemmeringen buiten beschouwing, en

b. is de in rekening te brengen belemmeringshoek a, bedoeld in NEN 2057, voor elk te onderscheiden segment niet kleiner dan 25°.

5. Het eerste lid geldt niet voor een bouwwerk of een gedeelte daarvan voor de landsverdediging of de bescherming van de bevolking.

6. Het eerste lid geldt niet voor een verblijfsruimte met een vloeroppervlakte van meer dan 150 m2.

 

Hoofdstuk 4. Voorschriften uit het oogpunt van bruikbaarheid

 

Afdeling 4.1 [Vervallen per 01-09-2005]

 

Artikel 4.1 [Vervallen per 01-09-2005]

 

Artikel 4.2 [Vervallen per 01-09-2005]

 

Afdeling 4.2. Toegankelijkheidssector, nieuwbouw

 

Artikel 4.3

1. Een te bouwen bouwwerk is voldoende toegankelijk voor rolstoelgebruikers.

2. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 4.3 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.3 geen voorschrift is aangewezen.

Tabel 4.3

gebruiks-
functie

   

leden van toepassing

                       

grens-
waarden

     

aanwe-
zigheid

   

verkeers-
ruimte

   

hoogte-
verschil

   

afme-
tingen liftkooi

 

loop-
afstand

verbouw

 

artikel

   

4.4

   

4.5

   

4.6

   

4.7

 

4.8

4.9

4.4

 

lid

 

1

2

3

1

2

3

1

2

3

1

2

*

*

3

1

Woonfunctie

                             
 

a

woonfunctie gelegen in een woongebouw

1

2

–

1

2

3

1

2

–

–

2

*

*

–

 

b

woonfunctie met een gebruiks-
oppervlakte van meer dan 500 m2, niet gelegen in een woongebouw en niet van een woonwagen'

1

–

–

–

2

3

1

–

–

1

–

–

*

–

 

c

andere woonfunctie

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

2

Bijeenkomstfunctie

                             
 

a

voor alcohol gebruik

–

–

3

–

2

–

1

–

3

1

–

–

–

150

 

b

andere bijeenkomst-
functie

–

–

3

–

2

–

1

–

3

1

–

–

–

400

3

Celfunctie

                             
 

a

celfunctie niet voor dag- en nachtverblijf

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

 

b

celfunctie voor dag- en nachtverblijf

–

–

3

–

2

–

1

–

3

1

–

–

–

400

4

Gezondheids-
zorgfunctie

 

–

–

3

–

2

–

1

–

3

1

–

–

–

400

5

Industriefunctie

                             
 

a

lichte industriefunctie

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

 

b

andere industriefunctie

–

–

3

–

2

–

1

–

3

1

–

–

–

400

6

Kantoorfunctie

 

–

–

3

–

2

–

1

–

3

1

–

–

–

400

7

Logiesfunctie

 

–

–

3

–

2

–

1

–

3

1

–

–

–

400

8

Onderwijsfunctie

 

–

–

3

–

2

–

1

–

3

1

–

–

–

400

9

Sportfunctie

 

–

–

3

–

2

–

1

–

3

1

–

–

–

400

10

Winkelfunctie

 

–

–

3

–

2

–

1

–

3

1

–

–

–

400

11

Overige gebruiksfunctie

 

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

 

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

 

Artikel 4.4

1. Een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2 heeft een toegankelijkheidssector.

2. Een woonfunctie heeft een gemeenschappelijke toegankelijkheidssector, indien:

a. de vloer van een verblijfsgebied in het woongebouw hoger ligt dan 12,5 m boven het meetniveau of

b. het woongebouw een gebruiksoppervlakte heeft van meer dan 3 500 m2 die hoger ligt dan 1,5 m boven het meetniveau.

3. Een gebruiksfunctie heeft een al dan niet gemeenschappelijke toegankelijkheidssector. Dit geldt niet indien de gebruiksoppervlakte van een gebruiksfunctie, vermeerderd met het totaal aan gebruiksoppervlakte van een of meer soortgelijke gebruiksfuncties gelegen op hetzelfde perceel, kleiner is dan de in tabel 4.3 aangegeven grenswaarde.

 

Artikel 4.5

1. Een toegang van een woonfunctie met een gemeenschappelijke toegankelijkheidssector als bedoeld in artikel 4.4, tweede lid, is bereikbaar langs een route die uitsluitend voert door gemeenschappelijke verkeersruimten gelegen in een toegankelijkheidssector.

2. Een ruimte die in een toegankelijkheidssector ligt, is rechtstreeks bereikbaar vanaf het aansluitende terrein of langs een verkeersroute die uitsluitend door een toegankelijkheidssector voert.

3. Een verkeersroute als bedoeld in het tweede lid, voert niet door een niet-gemeenschappelijke ruimte van een andere gebruiksfunctie.

 

Artikel 4.6

1. Een hoogteverschil van meer dan 0,02 m tussen vloeren die in een toegankelijkheidssector liggen is, onverminderd artikel 2.24, overbrugd door een lift of een hellingbaan.

2. Indien het hoogteverschil tussen een vloer ter plaatse van detoegang van een woonfunctie gelegen in een woongebouw en de vloer ter plaatse van een toegang van een toegankelijkheidssector als bedoeld in artikel 4.18, eerste lid, groter is dan 0,02 m, is dat hoogteverschil, onverminderd artikel 2.24, overbrugd door een lift.

3. Indien het hoogteverschil tussen de vloer ter plaatse van een toegang van een toegankelijkheidssector als bedoeld in artikel 4.18, tweede lid, en het aansluitende terrein groter is dan 0,02 m, is dat hoogteverschil overbrugd door een hellingbaan.

 

Artikel 4.7

1. De kooi van een lift als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, heeft een vloeroppervlakte van ten minste 1,05 m x 1,35 m.

2. De kooi van een lift als bedoeld in artikel 4.6, tweede lid, heeft een vloeroppervlakte van ten minste 1,05 m x 2,05 m.

 

Artikel 4.8

De loopafstand tussen de toegang van een woonfunctie en een toegang van een lift als bedoeld in artikel 4.6, tweede lid, is ten hoogste 90 m.

 

Artikel 4.9

Het bevoegd gezag wijkt bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het geheel vernieuwen van een bouwwerk niet af van de artikelen 4.4 en 4.5.

Afdeling 4.3. Vrije doorgang

 

§ 4.3.1. Nieuwbouw

 

Artikel 4.10

1. Een te bouwen bouwwerk heeft toegangen met een zodanige doorgang en verkeersroutes met een zodanige vrije doorgang, dat het gebouw voldoende toegankelijk is.

2. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 4.10 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.10 geen voorschrift is aangewezen.

Tabel 4.10

gebruiks-
functie

   

leden van toepassing

               

grens-
waarden

 
     

vrije doorgang toegang

 

vrije doorgang route

         

verbouw

vrije doorgang toegang

vrije doorgang route

   

artikel

4.11

 

4.12

         

4.13

4.11

4.12

   

lid

1

2

1

2

3

4

5

6

*

*

1

                       

[m]

[m]

1

Woonfunctie

                       
 

a

woonfunctie gelegen in een woongebouw

1

2

1

2

3

4

5

–

*

2,3

2,3

 

b

woonfunctie van een woonwagen

1

2

–

–

–

–

–

–

–

2,1

2,1

 

c

andere woonfunctie

1

2

1

–

–

–

–

–

*

2,3

2,3

2

Bijeenkomstfunctie

 

1

2

1

–

–

–

–

6

–

2,3

2,3

3

Celfunctie

                       
 

a

celfunctie niet gelegen in een cellengebouw

1

2

1

–

–

–

–

6

–

2,3

2,3

 

b

celfunctie gelegen in een cellengebouw

1

2

1

2

–

–

–

–

–

2,3

2,3

4

Gezondheidszorgfunctie

 

1

2

1

–

–

–

–

6

–

2,3

2,3

5

Industriefunctie

                       
 

a

lichte industriefunctie

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

 

b

andere industriefunctie

1

2

1

–

–

–

–

6

–

2,3

2,3

6

Kantoorfunctie

 

1

2

1

–

–

–

–

6

–

2,3

2,3

7

Logiesfunctie

                       
 

a

logiesfunctie niet gelegen in logiesgebouw

                     
   

1 toegankelijkheidssector

1

2

1

–

–

–

–

6

–

2,3

2,3

   

2 ander verblijfsgebied

1

2

1

–

–

–

–

6

–

2,1

2,1

 

b

logiesfunctie gelegen in een logiesgebouw

1

2

1

–

–

–

–

6

–

2,3

2,3

8

Onderwijsfunctie

 

1

2

1

–

–

–

–

6

–

2,3

2,3

9

Sportfunctie

 

1

2

1

–

–

–

–

6

–

2,3

2,3

10

Winkelfunctie

 

1

2

1

–

–

–

–

6

–

2,3

2,3

11

Overige gebruiksfunctie

 

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

 

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

–

 

Artikel 4.11

1. Een toegang van een ruimte heeft een vrije doorgang met een breedte van ten minste 0,85 m en een hoogte van ten minste de grenswaarde als aangegeven in tabel 4.10. Dit geldt uitsluitend voor:

a. een verblijfsgebied,

b. een verblijfsruimte,

c. een toiletruimte,

d. een badruimte,

e. een gemeenschappelijke opslagruimte voor huishoudelijk afval als bedoeld in artikel 4.59,

f. een ruimte voor het bereiken van een in dit lid genoemde ruimte, en

g. een ruimte voor het bereiken van een liftkooi.

2. In afwijking van het eerste lid heeft een toegang van de liftschacht voor het bereiken van een liftkooi een hoogte van 2,3 m. Deze hoogte wordt gemeten tussen de onderdelen van de bouwconstructie.

 

Artikel 4.12

1. Een verkeersroute die begint bij een toegang als bedoeld in artikel 4.11, heeft over de volle lengte een vrije doorgang met een breedte van ten minste 0,85 m en een hoogte van ten minste de grenswaarde als aangegeven in tabel 4.10. De breedte geldt niet voor een verkeersroute voor zover deze over een trap voert.

2. Onverminderd het eerste lid, heeft een gemeenschappelijke verkeersroute over de volle lengte een vrije doorgang met een breedte van ten minste 1,2 m. De breedte geldt niet voor een toegang als bedoeld in artikel 4.11.

3. Onverminderd het tweede lid, ontsluit ten minste een toegang van een woongebouw een gemeenschappelijke verkeersruimte die nabij die toegang, over een lengte van 1,5 m een vrije doorgang heeft met een breedte van ten minste 1,5 m.

4. Onverminderd het tweede lid, sluit een toegang van een lift aan op een gemeenschappelijke verkeersruimte die nabij die toegang, over een lengte van 1,5 m een vrije doorgang heeft met een breedte van ten minste 1,5 m.

5. Onverminderd het tweede lid, heeft een gemeenschappelijke verkeersruimte, over een lengte van 1,5 m een vrije doorgang met een breedte van ten minste 1,5 m. Deze eis geldt niet indien een rolstoelgebruiker vanuit die verkeersruimte zonder te keren het aansluitende terrein kan bereiken.

6. In afwijking van het eerste lid, heeft een verkeersroute die in een toegankelijkheidssector ligt als bedoeld in artikel 4.4, derde lid, over de volle lengte een vrije doorgang met een breedte van ten minste 1,2 m. De breedte geldt niet voor een toegang als bedoeld in artikel 4.11 en voor een verkeersroute voor zover deze over een trap voert.

 

Artikel 4.13

Het bevoegd gezag wijkt bij een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het geheel vernieuwen van een bouwwerk niet af van de artikelen 4.11 en 4.12.

 

§ 4.3.2. Bestaande bouw

 

Artikel 4.14

1. Een bestaand bouwwerk heeft toegangen en verkeersroutes met een zodanige vrije doorgang, dat het gebouw voldoende toegankelijk is.

2. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 4.14 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eisen voldaan door toepassing van die voorschriften.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.14 geen voorschrift is aangewezen.

Tabel 4.14

gebruiksfunctie

   

leden van toepassing

     

vrije doorgang route

artikel

   

4.15

 

lid

 

*

1

Woonfunctie

 

–

2

Bijeenkomstfunctie

 

–

3

Celfunctie

   
 

a

celfunctie niet gelegen in een cellengebouw

–

 

b

celfunctie gelegen in een cellengebouw

*

4

Gezondheidszorgfunctie

 

–

5

Industriefunctie

 

–

6

Kantoorfunctie

 

–

7

Logiesfunctie

 

–

8

Onderwijsfunctie

 

–

9

Sportfunctie

 

–

10

Winkelfunctie

 

–

11

Overige gebruiksfunctie

 

–

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

 

–

 

Artikel 4.15

Een gemeenschappelijke verkeersroute heeft over de volle lengte een vrije doorgang met een breedte van ten minste 1,1 m en een hoogte van ten minste 2,1 m. De breedte geldt niet voor een toegang en voor een verkeersroute voor zover deze over een trap voert.

 

Afdeling 4.4. Bereikbaarheid, nieuwbouw

 

Artikel 4.16

1. Een te bouwen bouwwerk is zodanig, dat het bouwwerk door rolstoelgebruikers kan worden binnengegaan en verlaten.

2. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 4.16 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.16 geen voorschrift is aangewezen.

Tabel 4.16

gebruiks-
functie

   

leden van toepassing

           
     

algemeen

   

toegankelijkheids-
sector

   

opstelplaats lift

artikel

   

4.17

   

4.18

   

4.19

 

lid

 

1

2

3

1

2

3

*

1

Woonfunctie

               
 

a

woonfunctie gelegen in een woongebouw

1

2

3

1

–

3

*

 

b

woonfunctie van een woonwagen

–

–

–

–

–

–

–

 

c

andere woonfunctie

1

–

3

1

–

3

–

2

Bijeenkomstfunctie

 

–

–

–

–

2

3

–

3

Celfunctie

               
 

a

celfunctie niet voor dag- en nachtverblijf

–

–

–

–

–

–

–

 

b

celfunctie voor dag- en nachtverblijf

–

–

–

–

2

3

–

4

Gezondheidszorgfunctie

 

–

–

–

–

2

3

–

5

Industriefunctie

               
 

a

lichte industriefunctie

–

–

–

–

–

–

–

 

b

andere industriefunctie

–

–

–

–

2

3

–

6

Kantoorfunctie

 

–

–

–

–

2

3

–

7

Logiesfunctie

 

–

–

–

–

2

3

–

8

Onderwijsfunctie

 

–

–

–

–

2

3

–

9

Sportfunctie

 

–

–

–

–

2

3

–

10

Winkelfunctie

 

–

–

–

–

2

3

–

11

Overige gebruiksfunctie

 

–

–

–

–

–

–

–

12

Bouwwerk geen gebouw zijnde

 

–

–

–

–

–

–

–

 

Artikel 4.17

1. De vloer ter plaatse van ten minste een toegang van een woonfunctie heeft een hoogteverschil met, de vloer van een gemeenschappelijke verkeersruimte of het aansluitende terrein, dat niet groter is dan 0,02 m.

2. De vloer ter plaatse van ten minste een toegang van een woongebouw heeft een hoogteverschil met het aansluitende terrein ter plaatse van die toegang, dat niet groter is dan 0,02 m.

3. Een drempel in een toegang als bedoeld in het eerste en tweede lid, heeft ter plaatse van die toegang een hoogteverschil met een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of een aansluitende hellingbaan, dat niet groter is dan 0,02 m.

 

Artikel 4.18

1. De vloer ter plaatse van ten minste een toegang van een toegankelijkheidssector heeft een hoogteverschil met het aansluitende terrein ter plaatse van die toegang, dat niet groter is dan 0,02 m.

2. De vloer ter plaatse van ten minste een toegang van een toegankelijkheidssector heeft een hoogteverschil met het aansluitende terrein ter plaatse van die toegang, dat niet groter is dan 1 m.

3. Een drempel in een vloer van een toegankelijkheidssector heeft een hoogteverschil met de aansluitende vloer, het aansluitende terrein of een aansluitende hellingbaan, dat niet groter is dan 0,02 m.

 

Artikel 4.19

Een woongebouw waarin de vloer ter plaatste van de toegang van een woonfunctie hoger ligt dan 3 m boven het meetniveau, heeft op elke bouwlaag een opstelplaats voor een lift. De oppervlakte van deze opstelplaats is afgestemd op het kunnen plaatsen van een lift die een liftkooi heeft met een vloeroppervlakte van ten minste 1,05 m x 2,05 m.

 

Afdeling 4.5. Verblijfsgebied, nieuwbouw

 

Artikel 4.20

1. Een te bouwen bouwwerk heeft een of meer verblijfsgebieden waar de voor de betrokken gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten kunnen plaatsvinden.

2. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 4.20 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op de gebruiksfuncties waarvoor in tabel 4.20 geen voorschrift is aangewezen.

Tabel 4.20

gebruiks-
functie

   

leden van toepassing

                         

grens-
waarden

         
     

aanwezig-
heid

       

bereikbaar-
heid

   

inte-
graal toegan-
kelijk

 

afme-
tingen

     

aanwezig-
heid

 

inte-
graal toegan-
kelijk

afme-
tingen

   
   

artikel

4.21

       

4.22

   

4.23

 

4.24

     

4.21

 

4.23

4.24

   
   

lid

1

2

3

4

5

1

2

3

1

2

1

2

3

4

1

3

2

1

2

3

                                 

[%]

 

[%]

[m2]

[m]

[m]

1

Woonfunctie

                                         
 

a

woonfunctie van een woonwagen

1

2

3

–

–

1

2

–

–

–

1

2

3

–

60

4 m x 3 m

–

4

1,6

2,2

 

b

andere woonfunctie

1

2

3

4

–

1

2

3

1

–

1

2

3

–

55

3,3m x 3,3m

–

5

1,8

2,6

2

Bijeenkomstfunctie

                                         
 

a

bijeenkomstfunctie voor kinderopvang

1

–

–

–

–

–

–

–

–

2

1

2

3

4

55

–

40

     
   

1 verblijfsgebied voor slapen

                                 

5

1,8

2,6

   

2 ander verblijfsgebied

                                 

10

1,8

2,6

 

b

bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik

1

–

3

–

–

–

–

–

–

2

1

2

3

4

55

35 m2

40

10

1,8

2,6

 

c

andere bijeenkomstfunctie

1

–

–

–

–

–

–

–

–

2

1

2

3

4

55

–

40

10

1,8

2,6

3

Celfunctie

 

1

–

–

–

–

–

–

–

–

2

1

2

3

–

55

–

       
   

1 niet-gemeen-
schappelijk verblijfsgebied uitsluitend voor kortstondig verblijf

                               

–

4

1,8

2,5

   

2 niet-gemeen-
schappelijk verblijfsgebied voor dag- en nachtverblijf, met een toiletpot

                               

40

6

1,8

2,5

   

3 ander verblijfsgebied

                               

40

5

1,8

2,5

4

Gezondheids-
zorgfunctie

 

1

–

–

–

–

–

–

–

–

2

1

2

3

4

55

–

40

10

1,8

2,6

5

Industriefunctie

                                         
 

a

lichte industriefunctie

1

–

–

–

–

–

–

–

–

–

1

2

3

4

55

–

40

5

1,8

2,6

 

b

andere industriefunctie

1

–

–

–

–

–

–

–

–

2

1

2

3

4

55

–

40

5

1,8

2,6

6

Kantoorfunctie

 

1

–

–

–

–

–

–

–

–

2

1

2

3

4

55

–

40

10

1,8

2,6

7

Logiesfunctie

                                         
 

a

logiesfunctie niet gelegen in logiesgebouw

1

–

–

–

–

–

–

–

–

2

1

2

3

–

55

–

40

     
   

1 verblijfsgebied gelegen in een toegankelijkheids-
sector

                                 

14

3,2

2,6

   

2 ander verblijfsgebied

                                 

4

1,5

2,1

 

b

logiesfunctie gelegen in een logiesgebouw

1

–

–

–

–

–

–

–

–

2

1

2

3

4

55

–

40

     
   

1 verblijfsgebied in een toegankelijkheids-
sector

                                 

14

3,2

2,6

   

2 ander verblijfsgebied

                                 

5

1,8

2,6

8

Onderwijsfunctie

 

1

–

–

–

–

–

–

–

–

2

1

2

3

4

55

–

100

8

1,8

2,6

9

Sportfunctie

                                         
 

a

sportfunctie behorend tot een onderwijsfunctie

1

–

–

–

–

–

–

–

–

2

1

2

3

4

55

–

40

     
   

1 verblijfsgebied voor lichamelijke oefening

                                 

252

1,8

5

   

2 ander verblijfsgebied

                                 

10

1,8

2,6

 

b

andere sportfunctie

1

–

–

–

–

–

–

–

–

2

1

2

3

4

55

–

40

10

1,8

2,6

10

Winkelfunctie

                                         
 

a

winkelfunctie voor het slijtersbedrijf

1

–

–

–

–

–

–

–

–

2

1

2

3

4

55

–

40

15

1,8

2,6

 

b

andere winkelfunctie

1

–

–

–

–

–

–

–

–

2

1

2

3

4

55

–

40

10

1,8

2,6

11

Overige gebruiksfunctie

                                         
 

a

functie voor het personenvervoer, met een gebruiksoppervlakte van meer dan 50 m2

1

–

–

–

–

–

–

–

–

–

1

2

3

4

55

–

–

5

1,8

2,6

 

b

andere overige gebruiksfunctie

1

–

–

–

5

–

–

–

–

–

–

–