|
BESLUIT van 26 juli 2008,
houdende vaststelling van voorschriften met betrekking tot het gebruik
van bouwwerken uit het oogpunt van brandveiligheid (Besluit
brandveilig gebruik bouwwerken)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie van
5 februari 2008, nr. DJZ2008002904, Directie Juridische Zaken, Afdeling
Wetgeving;
Gelet op de artikelen 8, achtste lid, en 120a
van de Woningwet;
De Raad van State gehoord (advies van 7 april
2008, nr. W08.08.0047/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister voor
Wonen, Wijken en Integratie van 14 juli 2008, nr. BJZ2008065150,
Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1. Begripsbepalingen
1. Voor de toepassing van de bij of
krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt verstaan onder:
– ADR-klasse: classificatie als
bedoeld in de op 30 september 1957 te Genève tot stand gekomen
Europese overeenkomst betreffende het internationale vervoer van
gevaarlijke goederen over de weg (Trb. 1959, 171);
– brandcompartiment:
brandcompartiment als bedoeld in het Bouwbesluit 2003;
– brandgevaarlijke stof: vaste,
vloeibare of gasvormige stof die brandbaar of brandbevorderend is
of bij brand gevaar oplevert;
– brandweerlift: brandweerlift
als bedoeld in het Bouwbesluit 2003;
– brutovloeroppervlakte:
brutovloeroppervlakte als bedoeld in NEN 2580;
– gebruiksfunctie:
gebruiksfunctie als bedoeld in het Bouwbesluit 2003;
– gebruiksmelding: melding als
bedoeld in artikel 2.12.1, eerste lid;
– gebruiksoppervlakte:
gebruiksoppervlakte als bedoeld in NEN 2580;
– meetniveau: meetniveauals
bedoeld in het Bouwbesluit 2003;
– milieugevaarlijke stoffen:
gevaarlijke stoffen als bedoeld in het Besluit algemene regels
voor inrichtingen milieubeheer;
– NEN: door de Stichting
Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm;
– nevenfunctie: nevenfunctie als
bedoeld in het Bouwbesluit 2003;
– nooddeur: nooddeur als bedoeld
in het Bouwbesluit 2003;
– subbrandcompartiment:
subbrandcompartiment als bedoeld in het Bouwbesluit 2003;
– verblijfsruimte:
verblijfsruimte als bedoeld in het Bouwbesluit 2003;
– verkeersroute: verkeersroute
als bedoeld in het Bouwbesluit 2003;
– verpakkingsgroep:
verpakkingsgroep als bedoeld in de op 30 september 1957 te Genève
tot stand gekomen Europese overeenkomst betreffende het
internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (Trb.
1959, 171);
– vluchtroute: voor het vluchten
bij brand bestemde route die uitsluitend voert over vloeren,
trappen en hellingbanen en eindigt op een veilige plaats, zonder
dat gebruik behoeft te worden gemaakt van een lift;
– wet: Woningwet;
– wooneenheid: gedeelte van een
woonfunctie voor een individueel huishouden bij kamergewijze
verhuur;
– woonfunctie voor kamergewijze
verhuur: woonfunctie voor het bedrijfsmatig verschaffen van
woonverblijf aan meer dan een huishouden en aan meer dan vier
personen.
2. Voor de toepassing van de bij of
krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt voorts verstaan
onder:
– woonfunctie: woonfunctie als
bedoeld in het Bouwbesluit 2003.
– bijeenkomstfunctie:
bijeenkomstfunctie als bedoeld in het Bouwbesluit 2003;
– celfunctie: celfunctie als
bedoeld in het Bouwbesluit 2003;
– gezondheidszorgfunctie:
gezondheidszorgfunctie als bedoeld in het Bouwbesluit 2003;
– industriefunctie:
industriefunctie als bedoeld in het Bouwbesluit 2003;
– kantoorfunctie: kantoorfunctie
als bedoeld in het Bouwbesluit 2003;
– lichte industriefunctie: lichte
industriefunctie als bedoeld in het Bouwbesluit 2003;
– logiesfunctie: logiesfunctie
als bedoeld in het Bouwbesluit 2003;
– onderwijsfunctie:
onderwijsfunctie als bedoeld in het Bouwbesluit 2003;
– sportfunctie: sportfunctie als
bedoeld in het Bouwbesluit 2003;
– winkelfunctie: winkelfunctie
als bedoeld in het Bouwbesluit 2003;
– overige gebruiksfunctie:
overige gebruiksfunctie als bedoeld in het Bouwbesluit 2003.
3. Voor de toepassing van de bij of
krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt onder bouwwerk mede
verstaan delen van een bouwwerk die zijn ontworpen of aangepast om
afzonderlijk te worden gebruikt.
Artikel 1.2. Gemeenschappelijk of
gezamenlijk
1.Bij of krachtens dit besluit wordt
een gedeelte van een bouwwerk, een ruimte of een voorziening, die ten
dienste staat van meer dan een gebruiksfunctie, aangeduid als
gemeenschappelijk. Een zodanig gedeelte, zodanige ruimte of zodanige
voorziening maakt met uitzondering van een gedeelte van een
nevenfunctie, voor de toepassing van dit besluit deel uit van ieder
van de betrokken gebruiksfuncties.
2.Bij of krachtens dit besluit wordt
een niet-gemeenschappelijk gedeelte van een woonfunctie, een ruimte of
een voorziening, die ten dienste staat van meer dan een wooneenheid,
aangeduid als gezamenlijk.
Artikel 1.3. Reikwijdte
1. De bij of krachtens dit besluit
gegeven voorschriften zijn van toepassing op elk gebruik van een
bouwwerk, tenzij bij het desbetreffende voorschrift anders is
aangegeven.
2. Op een gemeenschappelijke ruimte van
een in een woongebouw gelegen woonfunctie voor zorg en een
nevenfunctie daarvan zijn de artikelen 2.2.1, vierde lid, 2.3.7 en
2.8.1 niet van toepassing.
3. Op een niet-gemeenschappelijke
ruimte van een woonfunctie voor zorg en een nevenfunctie daarvan zijn
de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.2.1, vierde lid, 2.3.1, 2.3.2, 2.3.5,
eerste lid, 2.3.7, 2.3.10, 2.3.11, 2.4.2, 2.4.3 en 2.8.1 niet van
toepassing.
4. Op een gemeenschappelijke ruimte van
een in een woongebouw gelegen woonfunctie voor kamergewijze verhuur en
een nevenfunctie daarvan zijn de artikelen 2.2.1, vierde lid, 2.3.7 en
2.8.1 niet van toepassing.
5. Op een niet-gemeenschappelijke
ruimte van een woonfunctie voor kamergewijze verhuur en een
nevenfunctie daarvan zijn de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.2.1, vierde
lid, 2.3.1, 2.3.2, 2.3.5, eerste lid, 2.3.7, 2.3.10, 2.3.11, 2.4.2,
eerste lid, en 2.8.1 niet van toepassing.
6. Op een gemeenschappelijke ruimte van
een in een woongebouw gelegen niet in het tweede en vierde lid
genoemde woonfunctie en een nevenfunctie daarvan zijn de artikelen
2.2.1, vierde lid, 2.3.7, 2.4.2 en 2.8.1 en paragraaf 2.12 niet van
toepassing.
7. Op een niet-gemeenschappelijke
ruimte van een niet in het derde en vijfde lid genoemde woonfunctie en
een nevenfunctie daarvan zijn de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.2.1, vierde
lid, 2.3.1, 2.3.2, 2.3.5, eerste lid, 2.3.7, 2.3.10, 2.3.11, 2.4.2,
2.4.3 en 2.8.1 en paragraaf 2.12 niet van toepassing.
8. Op een niet in een logiesgebouw
gelegen logiesfunctie en een nevenfunctie daarvan zijn de artikelen
2.1.3, 2.1.4, 2.2.1, vierde lid, 2.3.1, 2.3.2, 2.3.5, eerste lid,
2.3.7, 2.3.10, 2.3.11, 2.4.2, 2.4.3 en 2.8.1 en paragraaf 2.12 niet
van toepassing.
9. Op een overige gebruiksfunctie met
een gebruiksoppervlakte van ten hoogste 50 m2 die niet voor het
publiek toegankelijk is en op een lichte industriefunctie is artikel
2.3.7 niet van toepassing.
10. Op een bouwwerk geen gebouw zijnde,
niet zijnde een tunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m, is
artikel 2.3.7 niet van toepassing.
Artikel 1.4. Gelijkwaardigheid
1. Aan een in paragraaf 2.1 tot en met
2.9 gesteld voorschrift behoeft niet te worden voldaan indien het
gebruik van een bouwwerk anders dan door toepassing van het
desbetreffende voorschrift ten minste dezelfde mate van
brandveiligheid biedt als is beoogd met het betrokken voorschrift.
2. De eigenaar van een bouwwerk dan wel
degene die uit anderen hoofde daartoe het meest aangewezen is, maakt
desgevraagd voldoende aannemelijk dat een in het eerste lid bedoelde
gelijkwaardige oplossing in stand wordt gehouden.
Artikel 1.5. Experimenteerbepaling
1. Onze Minister kan ten behoeve van
experimenten tijdelijk van de in dit besluit gegeven voorschriften
afwijken of afwijking daarvan toestaan.
2. Onze Minister maakt geen gebruik van
de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid dan nadat het bevoegd gezag
in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.
3. De tijdsduur van een afwijking als
bedoeld in het eerste lid bedraagt ten hoogste 24 maanden.
4. Onze Minister zendt drie maanden
voor het verstrijken van de in het derde lid bedoelde termijn een
verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het experiment in
de praktijk aan de Staten-Generaal.
5. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van een
experiment.
Hoofdstuk 2. Brandveilig gebruik
bouwwerken
Paragraaf 2.1. Voorkomen en beperken van
brand
Artikel 2.1.1. Toestellen en installaties
1. Een voorziening voor elektriciteit
als bedoeld in afdeling 2.7 van het Bouwbesluit 2003 wordt niet
gebruikt op een wijze die gevaar oplevert voor het ontstaan van brand.
2. In een ruimte waarin een of meer
verbrandingstoestellen met een totale nominale belasting van meer dan
130 kW aanwezig zijn of een gemeenschappelijk stook- of
warmwatertoestel aanwezig is zijn geen brandbare goederen opgeslagen
of opgesteld.
3. Een opening ten behoeve van de
toevoer van verbrandingslucht of de afvoer van rook is niet afgesloten
tijdens het gebruik van een daarop aangewezen verbrandingstoestel.
4. Een verbrandings- of
verwarmingsinstallatie wordt niet gebruikt indien de installatie, de
opstelling of het gebruik daarvan gevaar oplevert voor het ontstaan
van brand. Bij een verbrandingsinstallatie is dat gevaar niet aanwezig
indien de installatie, de opstelling en het gebruik daarvan voldoen
aan de brandveiligheidsvoorschriften van NEN 3028: 2004.
5. Een voorziening voor de afvoer van
rook wordt uitsluitend gebruikt indien die voorziening:
a. doeltreffend is gereinigd;
b. na brand voldoende is gereinigd
en hersteld;
c. bij gebruik geen gevaar voor de
veiligheid van personen oplevert.
Artikel 2.1.2. Verbod op roken en open
vuur
1. Het is verboden te roken of open
vuur te hebben:
a. in een ruimte die is bestemd
voor de opslag van een brandgevaarlijke stof;
b. bij het verrichten van een
handeling die het uitstromen van een brandgevaarlijke stof kan
veroorzaken;
c. bij het vullen van een
brandstofreservoir met een brandgevaarlijke stof.
2. Het verbod, bedoeld in het eerste
lid, wordt duidelijk zichtbaar aangegeven door het aanbrengen van een
gestandaardiseerd symbool overeenkomstig NEN 3011: 2004.
Artikel 2.1.3. Aankleding in een besloten
ruimte
1. Aankleding in een besloten ruimte
mag geen brandgevaar opleveren. Dit gevaar is niet aanwezig indien:
a. de aankleding een navlamduur
heeft van ten hoogste 15 seconden en een nagloeiduur van ten
hoogste 60 seconden;
b. de aankleding onbrandbaar is, of
c. de aankleding een ondergeschikte
bijdrage aan het brandgevaar levert.
2. De verticale vrije ruimte tussen de
vloer van een besloten ruimte voor het verblijven of het vluchten van
meer dan 50 personen en niet op de vloer aangebrachte aankleding is
ten minste 2,5 m, tenzij:
a. de aankleding onbrandbaar is;
b. de aankleding een ondergeschikte
bijdrage aan het brandgevaar levert, of
c. de aankleding zich bevindt boven
een gedeelte van een vloer waar zich geen personen behoren te
bevinden.
3. De aankleding in een besloten ruimte
mag bij brand geen druppelvorming geven boven een gedeelte van een
vloer bestemd voor gebruik door personen.
4. Bij apparatuur en installaties die
warmte ontwikkelen mag, ter voorkoming van brand, de temperatuur van
een gedeelte dat in aanraking kan komen met de aankleding van een
besloten ruimte, niet hoger worden dan 90 °C. Dit geldt niet voor
zover de aankleding onbrandbaar is.
5. In een besloten ruimte zijn geen met
brandbaar gas gevulde ballonnen aanwezig.
Artikel 2.1.4. Brandveiligheid stands,
kramen, schappen, podia en andere inrichtingselementen
1. In een voor publiek toegankelijke
ruimte opgestelde stands, kramen, schappen, podia en andere
inrichtingselementen zijn brandveilig.
2. Aan het in het eerste lid gestelde
is voldaan indien een naar de lucht toegekeerd onderdeel van het
inrichtingselement:
a. onbrandbaar is, bepaald volgens
NEN 6064: 1991, inclusief wijzigingsblad A2: 2001;
b. een dikte heeft van ten minste
3,5 mm, en voldoet aan klasse 4 als bedoeld in NEN 6065: 1991,
inclusief wijzigingsblad A1: 1997, of
c. een dikte heeft van minder dan
3,5 mm en over de volle oppervlakte is verlijmd met een onderdeel
als bedoeld onder b.
Artikel 2.1.5. Deuren, ramen en luiken
met brandwerende functie
Een zelfsluitend constructieonderdeel als
bedoeld in de artikelen 2.107, 2.114, 2.119 en 2.124 van het Bouwbesluit
2003 mag niet in geopende stand zijn vastgezet, tenzij het
constructieonderdeel bij brand automatisch wordt losgelaten.
Artikel 2.1.6. Branddoorslag en
brandoverslag bij doorvoeren
Na het aanbrengen of wijzigen van een
kabel-, leiding- of andere doorvoer in of door een scheidingsconstructie
waarvoor op grond van de afdelingen 2.13, 2.14, 2.19, 2.22 en 2.23 van
het Bouwbesluit 2003 een eis met betrekking tot de weerstand tegen
branddoorslag en brandoverslag geldt, wordt de weerstand tegen
branddoorslag en brandoverslag van de scheidingsconstructie op adequate
wijze gecontroleerd.
Artikel 2.1.7. Aanvullende behandeling
constructieonderdelen
Onderdelen van de bouwconstructie als
bedoeld in het Bouwbesluit 2003 die uitsluitend met een aanvullende
behandeling kunnen voldoen aan de in het Bouwbesluit 2003 gestelde eisen
met betrekking tot brandveiligheid zijn voorzien van een geldig door het
bevoegd gezag aanvaard document waaruit blijkt dat deze aanvullende
behandeling adequaat is toegepast.
Artikel 2.1.8. Brandgevaarlijke stoffen
1. In, op of nabij een bouwwerk is geen
in tabel 2.1.8 aangewezen brandgevaarlijke stof aanwezig.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing indien:
a. de in tabel 2.1.8 aangegeven
toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, met dien
verstande dat de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100
kilogram of liter is;
b. de stof deugdelijk is verpakt,
waarbij:
1° de verpakking tegen normale
behandeling bestand is,
2° de verpakking is voorzien
van een adequate gevaarsaanduiding, en
3° geen inhoud onvoorzien uit
de verpakking kan ontsnappen, en
c. de stof wordt gebruikt met
inachtneming van de op de verpakking aangegeven
gevaarsaanduidingen.
3. Het eerste lid is voorts niet van
toepassing op:
a. brandstof in het reservoir van
een verbrandingsmotor;
b. brandstof in een verlichtings-,
een verwarmings- of een ander warmteontwikkelend toestel;
c. voor consumptie bestemde
alcoholhoudende dranken;
d. gasflessen tot een totale
waterinhoud van 115 liter;
e. dieselolie, gasolie of lichte
stookolie met een vlampunt tussen de 61°C en 100 °C tot een
totale hoeveelheid van 1.000 liter, en
f. brandgevaarlijke stoffen voor
zover de aanwezigheid daarvan bij of krachtens de Wet milieubeheer
of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is toegestaan.
4. Bij het berekenen van een toegestane
hoeveelheid als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt een
aangebroken verpakking als een volle meegerekend.
Tabel 2.1.8 Brandgevaarlijke stoffen
| ADR-klasse |
Omschrijving |
Verpakkingsgroep |
Toegestane maximum
hoeveelheid in kg of l.1 |
|
2
UN 1950 spuitbussen & UN 2037
houders, klein, gas |
gassen zoals propaan, zuurstof,
acyteleen, aerosolen (spuitbussen) |
n.v.t. |
50 |
|
3 |
brandbare vloeistoffen zoals
bepaalde oplosmiddelen en aceton |
II |
25 |
|
3
excl. dieselolie, gasolie of lichte
stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C |
brandbare vloeistoffen zoals
terpentine en bepaalde inkten |
III |
50 |
|
4.1, 4.2, 4.3 |
4.1: brandbare vaste stoffen,
zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet
explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en
metaalpoeders
4.2: voor zelfontbranding vatbare
stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink
4.3: stoffen die in contact met
water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium
en calciumcarbide |
II en III |
50 |
|
5.1 |
brandbevorderende stoffen zoals
waterstofperoxide |
II en III |
50 |
|
5.2 |
organische peroxiden zoals dicymyl
peroxide en di-propionyl peroxide |
n.v.t. |
1 |
1 Eenheid bepaald overeenkomstig bijlage
I, onder C, bij het Besluit omgevingsrecht.
Artikel 2.1.9. Brandbare
niet-milieugevaarlijke stoffen
1. Bedrijfsmatige opslag van brandbare
niet-milieugevaarlijke stoffen is zodanig dat bij brand geen onveilige
situatie kan ontstaan voor een op een aangrenzend perceel gelegen of
op dat perceel volgens het bestemmingsplan nog te realiseren gebouw
dat op grond van het Bouwbesluit 2003 een brandcompartiment of een
gedeelte van een brandcompartiment is, of voor een speeltuin,
kampeerterrein of opslag van brandgevaarlijke stoffen.
2. Aan het in het eerste lid gestelde
is bij opslag van hout, anders dan in een gebouw, voldaan indien:
a. de opslag bij brand gedurende
een periode van ten minste 60 minuten, gerekend vanaf het ontstaan
van de brand, geen grotere stralingsbelasting veroorzaakt dan 15
kW/m2;
b. de bereikbaarheid van de opslag
vanaf twee tegenover elkaar liggende zijden is gewaarborgd,
waarbij in een derde zijde ook een toegangsmogelijkheid aanwezig
is indien die zijde langer is dan 40 m, en
c. bij de opslag een
bluswatervoorziening met gedurende ten minste vier uren een
toevoercapaciteit van ten minste 90 m3 per uur aanwezig is.
3. De in het tweede lid bedoelde
stralingsbelasting wordt gemeten op:
a. de perceelsgrens, indien het
aangrenzend perceel een kampeerterrein, een speeltuin of een
opslag van brandgevaarlijke stoffen is, en
b. enig punt van de uitwendige
scheidingsconstructie van een op het aangrenzend perceel gelegen
gebouw.
Paragraaf 2.2. Tijdig vaststellen van
brand
Artikel 2.2.1. Brandmeldinstallatie
1. Een gebruiksfunctie heeft een
brandmeldinstallatie met een omvang van de bewaking en een doormelding
zoals aangegeven in bijlage I bij dit besluit, indien:
a. de gebruiksoppervlakte van de
gebruiksfunctie groter is dan de in bijlage I bij dit besluit
aangegeven grenswaarde;
b. de hoogste vloer van een
verblijfsruimte van de gebruiksfunctie gemeten boven het
meetniveau hoger is dan de in bijlage I bij dit besluit aangegeven
grenswaarde;
c. het aantal bouwlagen van de
gebruiksfunctie groter is dan de in bijlage I bij dit besluit
aangegeven grenswaarde of
d. bijlage I dit aanwijst zonder
dat sprake is van een grenswaarde als hierboven bedoeld.
2. Een doormelding als bedoeld in het
eerste lid vindt rechtstreeks plaats naar de regionale alarmcentrale
van de brandweer.
3. Bij een woonfunctie voor zorg met
zorg op afroep in een woongebouw of in een groepszorgwoning, vindt
rechtstreekse melding naar een zorgcentrale plaats. Bij 24-uurszorg in
een woongebouw of in een groepszorgwoning, vindt deze melding naar een
zusterpost plaats.
4. Een besloten ruimte waarop een
verblijfsruimte is aangewezen van waaruit slechts in een richting kan
worden gevlucht heeft een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking als
bedoeld in NEN 2535: 1996, inclusief wijzigingsblad A1: 2002, indien:
a. de loopafstand tussen de toegang
van de verblijfsruimte en het punt van waaruit in meer dan een
richting kan worden gevlucht meer dan 10 m is of
b. de totale vloeroppervlakte van
de besloten ruimte van waaruit in slechts een richting kan worden
gevlucht meer dan 200 m2 is.
5. Het eerste lid is niet van
toepassing op een woonfunctie voor kamergewijze verhuur indien elke
wooneenheid in een afzonderlijk subbrandcompartiment ligt met een
volgens NEN 6068: 2004, inclusief wijzigingsblad A2: 2005, bepaalde
weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van het
subbrandcompartiment naar een besloten ruimte in het brandcompartiment
die niet lager is dan 30 minuten.
6. Een installatie als bedoeld in het
eerste lid voldoet aan NEN 2535: 1996, inclusief wijzigingsblad A1:
2002, en aan een door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van
eisen als bedoeld in deze norm.
7. Een installatie als bedoeld in het
eerste lid functioneert overeenkomstig de op de installatie van
toepassing zijnde voorschriften.
8. Het beheer, de controle en het
onderhoud van een installatie als bedoeld in het eerste en derde lid
voldoet aan NEN 2654-1: 2002.
9. Een installatie als bedoeld in het
eerste lid heeft, indien de installatie is voorzien van doormelding,
een geldig certificaat als bedoeld in de Regeling
brandmeldinstallaties 2002 van het Centraal College van Deskundigen
van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid.
Artikel 2.2.2. Rookmelders woonfunctie
1. Indien in een woonfunctie voor
kamergewijze verhuur de vloer van een verblijfsruimte hoger ligt dan
2.1 m boven het meetniveau en vanaf de toegang van de wooneenheid waar
die verblijfsruimte toe behoort geen tweede vluchtroute is en het
aansluitende terrein niet op een andere adequate wijze kan worden
bereikt zonder gebruik te maken van een sleutel, hebben alle
verblijfsruimten in de woonfunctie doorgekoppelde rookmelders als
bedoeld in NEN 2555: 2006.
2. Een rookmelder als bedoeld in het
eerste lid en een volgens artikel 2.146, zevende lid, van het
Bouwbesluit 2003 aangebrachte rookmelder functioneren overeenkomstig
dat voorschrift.
Paragraaf 2.3. Vluchten bij brand
Artikel 2.3.1. Opstelling inventaris
1. De inrichting van een ruimte is
zodanig dat:
a. voor elke persoon zonder
zitplaats ten minste 0,25 m2 vloeroppervlakte beschikbaar is;
b. voor elke persoon met zitplaats
ten minste 0,3 m2 vloeroppervlakte beschikbaar is, indien geen
inventaris kan verschuiven of omvallen als gevolg van gedrang;
c. voor elke persoon met zitplaats
ten minste 0,5 m2 vloeroppervlakte beschikbaar is, indien
inventaris kan verschuiven of omvallen als gevolg van gedrang.
Bij de berekening van de per persoon
beschikbare vloeroppervlakte wordt uitgegaan van de vloeroppervlakte aan
verblijfsruimte na aftrek van de oppervlakte van de inventaris.
2. In een ruimte met meer dan 100
zitplaatsen zijn de zitplaatsen gekoppeld of aan de vloer bevestigd,
zodanig dat deze niet kunnen verschuiven of omvallen als gevolg van
gedrang, voor zover die zitplaatsen in meer dan 4 rijen van meer dan
4 stoelen zijn opgesteld.
3. Bij in rijen opgestelde
zitplaatsen is tussen de rijen een vrije ruimte aanwezig met een
breedte van ten minste 0,4 m, gemeten tussen de loodlijnen op de
elkaar dichtst naderende gedeelten van de rijen.
4. Indien in een rij als bedoeld in
het derde lid tussen de zitplaatsen een tafel is geplaatst, bevindt
deze zich niet in de vrije ruimte, bedoeld in dat lid.
5. Een rij zitplaatsen die slechts
aan een einde op een gangpad of uitgang uitkomt, heeft niet meer dan
8 zitplaatsen.
6. Een rij zitplaatsen die aan beide
einden op een gangpad of uitgang uitkomt, heeft ten hoogste:
a. 16 zitplaatsen indien de vrije
ruimte, bedoeld in het derde lid, niet groter is dan 0,45 m en
de breedte van de vrije doorgang van het gangpad of van de
uitgang ten minste 0,6 m is;
b. 32 zitplaatsen indien de vrije
ruimte, bedoeld in het derde lid, groter is dan 0,45 m en de
breedte van de vrije doorgang van het gangpad of van de uitgang
ten minste 0,6 m is;
c. 50 zitplaatsen indien de vrije
ruimte, bedoeld in het derde lid, groter is dan 0,45 m en de
breedte van de vrije doorgang van het gangpad of van de uitgang
ten minste 1,1 m is.
Artikel 2.3.2. Ruimten met stands,
kramen, schappen, podia en andere inrichtingselementen
1. Gangpaden tussen stands, kramen,
schappen, podia en andere inrichtingselementen in een voor publiek
toegankelijke ruimte zijn ten minste 1,1 m breed.
2. Voor een uitgang in een ruimte als
bedoeld in het eerste lid is een vrije vloeroppervlakte met een lengte
en een breedte van ten minste de breedte van deze uitgang.
Artikel 2.3.3. Deuren, ramen en luiken
met rookwerende functie
Een zelfsluitend constructieonderdeel als
bedoeld in de artikelen 2.138, 2.144, 2.168 en 2.177 van het Bouwbesluit
2003 mag niet in geopende stand zijn vastgezet, tenzij het
constructieonderdeel bij rook als gevolg van brand automatisch wordt
losgelaten.
Artikel 2.3.4. Rookdoorgang bij
doorvoeren
Na het aanbrengen of wijzigen van een
kabel-, leiding- of andere doorvoer in of door een scheidingsconstructie
waarvoor op grond van de afdelingen 2.16, 2.22 en 2.23 van het
Bouwbesluit 2003 een eis omtrent de rookdoorgang geldt, wordt de
weerstand tegen rookdoorgang van de scheidingsconstructie op adequate
wijze gecontroleerd.
Artikel 2.3.5. Deuren in vluchtroutes
1. Bij aanwezigheid van personen in een
bouwwerk is een deur in een vluchtroute uitsluitend gesloten indien
die deur tijdens het vluchten, zonder gebruik te moeten maken van een
sleutel, onmiddellijk over de ten minste vereiste breedte kan worden
geopend.
2. Een deur van een ruimte voor meer
dan 100 personen en een deur waarop bij het vluchten meer dan 100
personen zijn aangewezen kunnen in de vluchtrichting worden geopend
door:
a. een lichte druk tegen de deur,
of
b. een lichte druk tegen een op
circa 1 m boven de vloer over de volle breedte van de deur
aangebrachte panieksluiting die voldoet aan NEN-EN 1125: 1997,
inclusief wijzigingsblad A1: 2001 en correctieblad C1: 2002.
3. In afwijking van het eerste en
tweede lid is bij een celfunctie of een nevenfunctie van een
celfunctie een deur in een vluchtroute uitsluitend gesloten indien die
deur voor het vluchten bij brand voldoende snel over de ten minste
vereiste breedte kan worden geopend.
4. Een automatisch werkende deur en een
voorziening voor toegangs- of uitgangscontrole in een vluchtroute
mogen het vluchten niet belemmeren.
5. Een deur die toegang geeft tot een
overdruktrappenhuis als bedoeld in NEN 6092: 1995 is voorzien van een
aanduiding waaruit blijkt dat hard duwen noodzakelijk kan zijn.
6. Aan de tegen de vluchtrichting in
gekeerde zijde van een nooddeur of nooduitgang in een uitwendige
scheidingsconstructie is het opschrift «nooddeur vrijhouden» of
«nooduitgang» aangebracht. Dit opschrift voldoet aan de eisen voor
aanvullende tekens in NEN 3011: 2004.
7. Een deur in een vluchtroute vanaf de
toegang van een wooneenheid naar de toegang van de woonfunctie voor
kamergewijze verhuur kan in de vluchtrichting worden geopend:
a. door een lichte druk tegen de
deur, of
b. met behulp van een
ontsluitingsmechanisme dat voldoet aan NEN-EN 179: 1997, inclusief
wijzigingsblad A1: 2001 en correctieblad C1: 2002, of aan NEN-EN
1125: 1997, inclusief wijzigingsblad A1: 2001 en correctieblad C1:
2002.
Artikel 2.3.6.
Ontruimingsalarminstallatie en ontruimingsplan
1. Een gebruiksfunctie met een
brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 2.2.1, eerste lid, heeft
een ontruimingsalarminstallatie die voldoet aan NEN 2575: 2004 en aan
een door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen als bedoeld
in deze norm.
2. Bij een woonfunctie voor
kamergewijze verhuur is de in het eerste lid bedoelde
ontruimingsalarminstallatie een luidalarminstallatie die in elke
verblijfsruimte voldoende hoorbaar is. Deze installatie heeft ten
minste een signaalgever in een gezamenlijke keuken en een per bouwlaag
in een ruimte waardoor een gezamenlijke vluchtroute voert.
3. Een gebruiksfunctie met een
brandmeldinstallatie met ruimtebewaking als bedoeld in artikel 2.2.1,
vierde lid, heeft een ontruimingsalarminstallatie met automatisch
ontruimingssignaal die voldoet aan NEN 2575: 2004 en aan een door het
bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen als bedoeld in deze
norm.
4. Het beheer, de controle en het
onderhoud van een ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in het
eerste tot en met derde lid voldoet aan NEN 2654-2: 2004.
5. Een gebruiksfunctie met een
brandmeldinstallatie als bedoeld in artikel 2.2.1 heeft een
ontruimingsplan.
Artikel 2.3.7. Vluchtrouteaanduidingen
1. Een ruimte waardoor een
verkeersroute voert en een ruimte voor meer dan 50 personen hebben een
vluchtrouteaanduiding die voldoet aan NEN 6088: 2002 en aan de
zichtbaarheidseisen, bedoeld in de artikelen 5.2 tot en met 5.6 van
NEN-EN 1838: 1999.
2. Een vluchtrouteaanduiding als
bedoeld in het eerste lid is aangebracht op een duidelijk waarneembare
plaats.
3. Een vluchtrouteaanduiding als
bedoeld in het eerste lid voldoet binnen 15 seconden na het uitvallen
van de voorziening voor elektriciteit gedurende een periode van ten
minste 60 minuten aan de zichtbaarheidseisen, bedoeld in de artikelen
5.2 tot en met 5.6 van NEN-EN 1838: 1999.
4. Op een vluchtrouteaanduiding als
bedoeld in het eerste lid, op een vluchtroute vanuit een ruimte met
een verlichtingsinstallatie die niet is aangesloten op een voorziening
voor noodstroom als bedoeld in de artikelen 2.59 en 2.66 van het
Bouwbesluit 2003, zijn bij het uitvallen van de voorziening voor
elektriciteit de in het eerste lid bedoelde zichtbaarheidseisen niet
van toepassing.
5. De controle en het onderhoud van een
vluchtrouteaanduiding vindt ten minste eenmaal per jaar op adequate
wijze plaats.
Artikel 2.3.8.
Noodverlichtingsinstallaties
1. Een noodverlichtingsinstallatie als
bedoeld in de artikelen 2.59 en 2.66 van het Bouwbesluit 2003
functioneert overeenkomstig de in die artikelen genoemde
voorschriften.
2. De controle en het onderhoud van de
in het eerste lid bedoelde noodverlichtingsinstallatie vindt ten
minste eenmaal per jaar op adequate wijze plaats.
Artikel 2.3.9. Rookbeheersingssystemen
Een bij of krachtens de wet
voorgeschreven rook- en warmteafvoerinstallatie of ander
rookbeheersingssysteem is voorzien van een geldig door het bevoegd gezag
aanvaard document waaruit blijkt dat deze voorziening adequaat
functioneert, wordt onderhouden en gecontroleerd.
Artikel 2.3.10. Verduisterde ruimten
In een ruimte bestemd om te worden
verduisterd tijdens het gebruik door meer dan 50 personen, zijn zodanige
voorzieningen getroffen dat tijdens de verduistering een redelijke
oriëntatie mogelijk is.
Artikel 2.3.11. Valgevaarlijke aankleding
van een ruimte
Ter voorkoming van letsel bij loslaten
is:
a. tegen of onder het plafond
aangebracht glas veiligheidsglas of voorzien van een ingegoten
kruiswapening met een maximale maaswijdte van 0,016 m;
b. textiel, folie of papier in
horizontale toepassing onderspannen met metaaldraad op een
onderlinge afstand van ten hoogste 0,35 m, of metaaldraad in twee
richtingen met een maximale maaswijdte van 0,7 m.
Paragraaf 2.4. Handmatig bestrijden van
brand
Artikel 2.4.1. Brandslanghaspel en
pompinstallatie
1. Een bij of krachtens de wet
voorgeschreven brandslanghaspel is aangesloten en wordt in stand
gehouden.
2. De controle en het onderhoud van een
brandslanghaspel als bedoeld in het eerste lid vindt ten minste
eenmaal per jaar op adequate wijze plaats.
3. Het onderhoud van een bij een
brandslanghaspel als bedoeld in het eerste lid behorende
pompinstallatie vindt ten minste eenmaal per jaar op adequate wijze
plaats.
4. De controle van een bij een
brandslanghaspel als bedoeld in het eerste lid behorende
pompinstallatie vindt ten minste eenmaal per maand op adequate wijze
plaats.
Artikel 2.4.2. Blusmiddelen en draagbare
en verrijdbare blustoestellen
1. Voor zover daarin niet reeds
voldoende door de aanwezigheid van brandslanghaspels is voorzien, is
een gebouw voorzien van voldoende draagbare of verrijdbare
blustoestellen om een beginnende brand zo snel mogelijk door in het
gebouw aanwezige personen te laten bestrijden.
2. Bij een woonfunctie voor
kamergewijze verhuur is aan het eerste lid voldaan met een toestel in
een gezamenlijke keuken en ten minste een per bouwlaag, in een ruimte
waardoor een gezamenlijke vluchtroute voert.
3. Ten minste eenmaal per twee jaar
wordt overeenkomstig NEN 2559: 2001, inclusief wijzigingsblad A2:
2004, op adequate wijze het nodige onderhoud aan een bij of krachtens
wettelijk voorschrift aanwezig draagbaar of verrijdbaar blustoestel
verricht, en de goede werking van dat blustoestel gecontroleerd.
Artikel 2.4.3. Aanduiding blusmiddelen
Een bij of krachtens de wet
voorgeschreven blusmiddel is duidelijk zichtbaar opgehangen of
gemarkeerd met een pictogram als bedoeld in NEN 3011: 2004.
Paragraaf 2.5. Automatisch bestrijden van
brand
Artikel 2.5.1. Automatische
brandblusinstallatie
Een bij of krachtens de wet
voorgeschreven automatische brandblusinstallatie is voorzien van een
geldig door het bevoegd gezag aanvaard document waaruit blijkt dat deze
voorziening adequaat functioneert, wordt onderhouden en gecontroleerd.
Paragraaf 2.6. Voor de brandweer
noodzakelijke voorzieningen
Artikel 2.6.1. Bereikbaarheid bouwwerk
voor brandweer
1. Een bij of krachtens de wet of de
Wet ruimtelijke ordening voorgeschreven verbindingsweg tussen de
toegang van een bouwwerk en het openbaar wegennet is over de
voorgeschreven hoogte en breedte vrijgehouden voor
brandweervoertuigen.
2. Een bij of krachtens de wet of de
Wet ruimtelijke ordening voorgeschreven opstelplaats voor
brandweervoertuigen is over de voorgeschreven hoogte en breedte
vrijgehouden voor brandweervoertuigen.
3. Hekwerken die een verbindingsweg als
bedoeld in het eerste lid of een opstelplaats als bedoeld in het
tweede lid afsluiten, kunnen snel en gemakkelijk worden geopend.
Artikel 2.6.2. Aanwezigheid en kwaliteit
brandweeringang
1. Een bouwwerk met een
brandmeldinstallatie met doormelding als bedoeld in artikel 2.2.1,
eerste lid, heeft een brandweeringang. Indien het bouwwerk meerdere
toegangen heeft, worden in overleg met de brandweer een of meer van
die toegangen als brandweeringang aangewezen.
2. Een brandweeringang als bedoeld in
het eerste lid:
a. wordt automatisch ontsloten bij
een brandmelding, of
b. wordt ontsloten met een systeem
dat in overleg met de brandweer is bepaald.
Artikel 2.6.3. Brandweerlift
De controle en het onderhoud van een
brandweerlift vindt ten minste eenmaal per jaar op adequate wijze
plaats.
Paragraaf 2.7. Blusvoorzieningen
Artikel 2.7.1. Blusleiding en
pompinstallatie
1. De controle en het onderhoud van een
bij of krachtens de wet voorgeschreven blusleiding vindt ten minste
eenmaal per jaar op adequate wijze plaats.
2. Het onderhoud van een bij een
blusleiding als bedoeld in het eerste lid behorende pompinstallatie
vindt ten minste eenmaal per jaar op adequate wijze plaats.
3. De controle van een bij een
blusleiding als bedoeld in het eerste lid behorende pompinstallatie
vindt ten minste eenmaal per maand op adequate wijze plaats.
4. In aanvulling op het eerste, tweede
en derde lid worden een blusleiding en een pompinstallatie bij
oplevering en daarna eenmaal in de vijf jaar getest volgens NEN 1594:
2006.
Artikel 2.7.2. Brandkraan en
bluswaterwinplaats
1. Een bij of krachtens de wet of de
Wet ruimtelijke ordening voorgeschreven brandkraan of
bluswaterwinplaats is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.
2. Een brandkraan en een
bluswaterwinplaats als bedoeld in het eerste lid worden op adequate
wijze onderhouden.
Paragraaf 2.8. Mobiele radiocommunicatie
Artikel 2.8.1. Communicatiesysteem
hulpverleningsdiensten
Een voor grote aantallen bezoekers
toegankelijk bouwwerk waarbij dit noodzakelijk is voor het goed
functioneren van hulpverleningsdiensten bij calamiteiten en een
wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m hebben een adequate
installatie voor mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleningsdiensten
binnen en buiten dat bouwwerk.
Paragraaf 2.9. Overige bepalingen
brandveilig gebruik
Artikel 2.9.1. Voorkomen van
belemmeringen en hinder
Onverminderd het bij of krachtens dit
besluit bepaalde is het verboden in, op, aan of nabij een bouwwerk
voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen
te verrichten of na te laten, werktuigen, middelen of voorzieningen te
gebruiken of niet te gebruiken of anderszins belemmeringen op te werpen
of hinder te veroorzaken waardoor:
a. brandgevaar wordt veroorzaakt;
b. melding van, alarmering bij of
bestrijding van brand wordt belemmerd;
c. het gebruik van
vluchtmogelijkheden bij brand wordt belemmerd, of
d. het redden van personen of dieren
bij brand wordt belemmerd.
Paragraaf 2.10. Beschikbaarheid gegevens
en bescheiden
Artikel 2.10.1. Logboek
1. In een bouwwerk waarop voorschriften
uit dit hoofdstuk van toepassing zijn, is een logboek aanwezig. Dit
logboek ligt evenals een afschrift van de vergunning voor brandveilig
gebruik, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder d, van de
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, en een afschrift van de
gebruiksmelding ter inzage van degenen die belast zijn met het
toezicht op de naleving van de voorschriften van dit besluit.
2. Een logboek als bedoeld in het
eerste lid bevat een volledig en chronologisch overzicht van
buitengebruikstellingen en van op grond van dit besluit uitgevoerde
onderhouds- en controleactiviteiten en storings- en alarmmeldingen van
installaties als bedoeld in dit besluit alsmede van andere
werkzaamheden aan deze installaties.
3. Een logboek als bedoeld in het
eerste lid bevat voorts:
a. het document, bedoeld in de
artikelen 2.1.7, 2.2.1, negende lid, 2.3.9 en 2.5.1;
b. het ontruimingsplan, bedoeld in
artikel 2.3.6, vijfde lid, en
c. het verslag van
ontruimingsoefeningen.
Paragraaf 2.11 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 2.11.1 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 2.11.2 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 2.11.3 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 2.11.4 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 2.11.5 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 2.11.6 [Vervallen per 01-10-2010]
Paragraaf 2.12. Gebruiksmelding
Artikel 2.12.1. Gebruiksmeldingplicht
1. Het is verboden om zonder of in
afwijking van een gebruiksmelding:
a. een gelijkwaardige oplossing als
bedoeld in artikel 1.4, eerste lid, toe te passen;
b. een bouwwerk in gebruik te nemen
of te gebruiken indien daarin meer dan 50 personen tegelijk
aanwezig zullen zijn;
c. een woonfunctie in gebruik te
nemen of te gebruiken voor kamergewijze verhuur.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk
waarvoor een vergunning voor brandveilig gebruik als bedoeld in
artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht is vereist.
3. Het eerste lid, onderdeel b, is niet
van toepassing op het in gebruik nemen of gebruiken van:
a. een één- of meergezinswoning;
b. een tunnel die uitsluitend dan
wel mede bestemd is voor motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel c, van de Wegenverkeerswet.
4. Het eerste lid is van
overeenkomstige toepassing bij het veranderen van een bouwwerk of van
het gebruik daarvan indien eerder een gebruiksmelding is gedaan en
door het veranderen een afwijking ontstaat van de bij die melding
verstrekte gegevens.
Artikel 2.12.2. Indiening gebruiksmelding
1. Een gebruiksmelding wordt ten minste
vier weken voor de aanvang van het gebruik schriftelijk ingediend bij
het bevoegd gezag.
2. Indien een activiteit ten aanzien
waarvan een gebruiksmelding is vereist, verband houdt met een
activiteit die behoort tot een categorie waarvoor ingevolge artikel
2.1 of 2.2, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
een vergunning is vereist, kan de gebruiksmelding, onverminderd het
bepaalde in het eerste lid, tegelijkertijd met de indiening van de
aanvraag om die vergunning worden gedaan. In dat geval wordt de
gebruiksmelding op dezelfde wijze als die aanvraag ingediend.
Artikel 2.12.2a. Eisen gebruiksmelding
1. Een gebruiksmelding langs
elektronische weg wordt gedaan met gebruikmaking van het elektronische
formulier dat op de datum van indiening van de gebruiksmelding
beschikbaar is via de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 7.6
van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Op die gebruiksmelding
is artikel 4.3, eerste en tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht
van overeenkomstige toepassing.
2. Een gebruiksmelding anders dan langs
elektronische weg wordt gedaan met gebruikmaking van het formulier,
bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht.
Indien de gebruiksmelding tegelijkertijd met de indiening van een
aanvraag om vergunning krachtens de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht wordt gedaan, wordt van de gebruiksmelding en de
daarbij te verstrekken gegevens en bescheiden hetzelfde aantal
exemplaren ingediend als op grond van artikel 4.2, tweede en derde
lid, van het Besluit omgevingsrecht van de aanvraag om vergunning en
de daarbij te verstrekken gegevens en bescheiden wordt ingediend.
Indien de gebruiksmelding afzonderlijk wordt gedaan, worden deze en de
daarbij te verstrekken gegevens en bescheiden in drievoud ingediend.
3. Bij de gebruiksmelding, bedoeld in
artikel 2.12.1, eerste lid, onderdeel a, verstrekt de melder voor
zover dit naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig is gegevens en
bescheiden waarmee de gelijkwaardigheid voldoende aannemelijk wordt
gemaakt.
4. Bij de gebruiksmelding, bedoeld in
artikel 2.12.1, eerste lid, onderdelen b en c, verstrekt de melder
voor zover dit naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig is om
aannemelijk te maken dat het gebruik voldoet aan de bij of krachtens
de wet geldende eisen een situatieschets en een plattegrondtekening.
De eisen die krachtens artikel 4.4, eerste lid, van het Besluit
omgevingsrecht worden gesteld aan de bij een aanvraag om vergunning
voor brandveilig gebruik als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid,
aanhef en onder d, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht te
verstrekken situatieschets en plattegrondtekening zijn van
overeenkomstige toepassing.
5. Bij een gebruiksmelding voor
tijdelijk of seizoensgebonden gebruik van een bouwwerk wordt door de
melder aangegeven voor welke periode of voor welke tijdvakken in een
kalenderjaar het gebruik is beoogd.
6. Een gebruiksmelding kan betrekking
hebben op meerdere bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar
samenhangende terreinen.
Artikel 2.12.3. Afhandeling
gebruiksmelding
De melder krijgt door of namens het
bevoegd gezag een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin
de datum van ontvangst is vermeld.
Artikel 2.12.4. Voorwaarden na
gebruiksmelding
1. Het bevoegd gezag kan na een melding
van een gebruik als bedoeld in artikel 2.12.1, eerste lid, onderdeel
b, besluiten nadere voorwaarden op te leggen indien deze noodzakelijk
zijn voor het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, brandgevaar
en ongevallen bij brand.
2. Het is verboden in strijd te
handelen met de nadere voorwaarden, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 2.12.5. Wijzigen nadere
voorwaarden gebruiksmelding
1. Het bevoegd gezag kan de nadere
voorwaarden, bedoeld in artikel 2.12.4, eerste lid, wijzigen:
a. indien een verandering van
inzichten of van omstandigheden gelegen buiten het bouwwerk die
bij de beoordeling van de melding een rol hebben gespeeld dit
noodzakelijk maakt, en
b. op verzoek van de melder.
2. Het bevoegd gezag gaat niet over tot
wijziging van de nadere voorwaarden, bedoeld in artikel 2.12.4, eerste
lid, dan nadat het de melder in de gelegenheid heeft gesteld zijn
zienswijze naar voren te brengen.
Hoofdstuk 3. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 3.1. Overgangsbepalingen
1. Een vergunning voor het brandveilig
gebruik van bouwwerken op grond van de verordening, bedoeld in artikel
8 van de wet, verleend voor het tijdstip waarop dit besluit in werking
treedt, blijft van toepassing voor zover een gebruiksvergunning op
grond van dit besluit is vereist. Artikel 2.11.6 is op een dergelijke
vergunning van toepassing.
2. Een vergunning voor het brandveilig
gebruik van bouwwerken op grond van de verordening, bedoeld in artikel
8 van de wet, verleend voor het tijdstip waarop dit besluit in werking
treedt, wordt voor zover deze betrekking heeft op een situatie
waarvoor op grond van dit besluit een melding als bedoeld in artikel
2.12.1 is vereist, beschouwd als een melding als bedoeld in
laatstgenoemd artikel.
3. Een aanvraag om vergunning voor het
brandveilig gebruik van bouwwerken op grond van de verordening,
bedoeld in artikel 8 van de wet, ingediend voor het tijdstip waarop
dit besluit in werking treedt, wordt voor zover deze betrekking heeft
op een situatie waarvoor op grond van dit besluit een melding als
bedoeld in artikel 2.12.1 is vereist, beschouwd als een melding als
bedoeld in laatstgenoemd artikel.
4. Met betrekking tot een aanvraag om
vergunning voor het brandveilig gebruik van bouwwerken op grond van de
verordening, bedoeld in artikel 8 van de wet, ingediend voor het
tijdstip waarop dit besluit in werking treedt alsmede met betrekking
tot enig bezwaar of beroep ingesteld tegen een beslissing omtrent een
dergelijke aanvraag, blijven voor zover deze aanvraag betrekking heeft
op een situatie waarvoor op grond van dit besluit een
gebruiksvergunning is vereist de voorschriften van toepassing die
golden op het tijdstip waarop de aanvraag werd ingediend.
Artikel 3.2. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 3.3. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit
brandveilig gebruik bouwwerken.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in
het Staatsblad zal worden geplaatst.
Tavarnelle, 26 juli 2008
BEATRIX
De Minister voor Wonen, Wijken en
Integratie,
C.P. Vogelaar
Uitgegeven de negentiende augustus
2008
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage I,
behorende bij artikel 2.2.1, eerste lid
[Illustratie verwijderd]
|