|
REGELING van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer van 22 november 2002, nr. MJZ2002 085861 tot vaststelling
van nadere voorschriften voor bouwwerken
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer;
Gelet op de artikelen 1.3, 1.4, 1.10, 2.49, 2.55, 2.71, 2.74, 2.104,
2.105, 2.106, 2.111, 2.112, 2.146, 2.151, 2.173, 3.107, 3.111, 3.122,
3.126, 3.130, 3.132, 4.88 en 4.96 van het Bouwbesluit 2003, op Richtlijn
nr. 83/477/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19
september 1983 betreffende de bescherming van werknemers tegen de
risico's van blootstelling aan asbest op het werk (PbEG L 263, tweede
bijzondere richtlijn in de zin van artikel 8 van Richtlijn nr.
80/1107/EEG), op Richtlijn nr. 91/382/EEG van de Raad van 25 juni 1991 (PbEG
L 206) tot wijziging van Richtlijn nr. 83/477/EEG en artikel 1 van het
Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Afdeling 1.1. Begripsbepalingen
Artikel 1.1
In deze regeling wordt verstaan onder:
asbest:
stoffen of producten, die een of meer
van de volgende vezelachtige silicaten bevatten:
- actinoliet (Cas-nummer
77536-66-4);
- amosiet (Cas-nummer
12172-73-5);
- anthofylliet (Cas-nummer
77536-67-5);
- chrysotiel (Cas-nummer
12001-29-5);
- crocidoliet (Cas-nummer
12001-28-4);
- tremoliet (Cas-nummer
77536-68-6).
besluit:
Bouwbesluit 2003;
CE-markering:
CE-markering als bedoeld in artikel 4
van de richtlijn bouwproducten;
conformiteitscertificaat:
verklaring als bedoeld in artikel 13
in verbinding met artikel 14, eerste lid, onderdeel b, en tweede
lid, van de richtlijn bouwproducten;
conformiteitsverklaring:
verklaring als bedoeld in artikel 13
in verbinding met artikel 14, eerste lid, onderdeel a, en tweede
lid, van de richtlijn bouwproducten;
Europese technische goedkeuring:
Europese technische goedkeuring als
bedoeld in hoofdstuk III van de richtlijn bouwproducten;
geharmoniseerde norm:
Europese norm of geharmoniseerd
document als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de richtlijn
bouwproducten, hetwelk door CEN of CENELEC in opdracht van de
Commissie van de Europese gemeenschappen is aangenomen
overeenkomstig de richtlijn nr. 98/34/EG van de Raad van de Europese
gemeenschappen van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure
op het gebied van normen en technische voorschriften en regels
betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204),
zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 98/48/EG van 20 juni 1998 (PbEG L
217);
giftige stoffen:
stoffen of preparaten waarvan reeds
een geringe hoeveelheid bij inademing of opneming via de mond of via
de huid acute of chronische aandoeningen of de dood kan veroorzaken;
hoge spanning:
hoge spanning als bedoeld in NEN 1041
en V 1041;
hoofdweg:
hoofdweg als bedoeld in de Tracéwet;
hoofdvaarweg:
hoofdvaarweg als bedoeld in de
Tracéwet;
lage spanning:
lage spanning als bedoeld in NEN
1010;
landelijke spoorweg:
landelijke spoorweg als bedoeld in de
Tracéwet;
minister:
Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
nationale technische specificatie:
technische specificatie als bedoeld
in artikel 4, derde lid, van de richtlijn bouwproducten en
vastgesteld overeenkomstig de in dat lid en in artikel 5, tweede
lid, van die richtlijn beschreven procedure;
rijbaan:
rijbaan als bedoeld in artikel 1 van
het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
rijbaanvloer:
voor een rijbaan bestemd gedeelte van
een vloer van een wegtunnelbuis;
tunnelbuislengte:
lengte van het omsloten gedeelte van
een tunnelbuis;
V:
door de Hoofdcommissie voor de
Normalisatie (een voorloper van de Stichting Nederlands
Normalisatie-Instituut) uitgegeven leidraad;
ve:
vezelequivalent is een maat voor de
carcinogene potentie van de soorten asbest en de vezellengte,
waarbij geldt:
a. chrysotiele vezel met een
lengte van meer dan 5 micrometer: equivalentiefactor 1,
b. chrysotiele vezel met een
lengte van ten hoogste 5 micrometer: equivalentiefactor 0,1,
c. amfibole vezel met een lengte
van meer dan 5 micrometer: equivalentiefactor 10, en
d. amfibole vezel met een lengte
van ten hoogste 5 micrometer: equivalentiefactor 1;
wegtunnelbuis:
gedeelte van een wegtunnel voor een
rijbaan;
zeer giftige stoffen:
stoffen of preparaten waarvan reeds
een zeer geringe hoeveelheid bij inademing of opneming via de mond
of via de huid acute of chronische aandoeningen of de dood kan
veroorzaken.
Artikel 1a
Deze regeling berust mede op artikel
4.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht.
Afdeling 1.2. NEN
Artikel 1.2
1. Waar bij het besluit, hoofdstuk 2
van de Regeling omgevingsrecht of deze regeling is verwezen naar een
NEN, NEN-EN, of V, is in bijlage I bepaald welke uitgave daarvan van
toepassing is.
2. Van de in het eerste lid bedoelde
normen met een verwijzing naar een andere norm of een onderdeel van
een andere norm zijn de verwijzingen van toepassing voor zover ze
betrekking hebben op normen die in bijlage I zijn genoemd. In
afwijking hiervan zijn van de in hoofdstuk 2 van de Regeling
omgevingsrecht aangewezen normen en van de in afdeling 1.3
aangewezen normen, met uitzondering van NEN 2768, alle verwijzingen
van toepassing.
3. In afwijking van het gestelde in
het eerste en tweede lid kan, waar bij of krachtens het besluit in
voorschriften omtrent het bouwen van een bouwwerk is verwezen naar
NEN 6064, NEN 6065, NEN 1775, of NEN 6066, NEN-EN 13501-1 worden
toegepast, waarbij de in het besluit opgenomen brand- en rookklassen
worden omgezet volgens tabel 1.1.
Tabel 1.1
| Nederlandse
brand- en rookklassen |
|
|
|
Euroklassen |
|
|
| NEN
6064 |
NEN
1775 |
NEN 6065 |
NEN 6066 |
NEN-EN
13501-1 |
|
|
| Onbrandbaarheid |
Brandklasse
(bijdrage tot brandvoortplanting) |
|
Rookklasse |
Brandklasse
(materiaalgedrag bij brand) |
|
Rookklasse |
|
|
|
|
|
|
|
| materialen |
constructie-
onderdelen |
|
|
materialen |
constructie-
onderdelen |
constructie-
onderdelen |
|
|
|
|
|
|
|
| |
beloopbaar
vlak(bovenzijde van vloer, hellingbaan of trap) |
niet-beloopbaar vlak (niet zijnde
bovenzijde van vloer, hellingbaan of trap)
|
|
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
|
| onbrandbaar |
|
|
|
A1 of
A1fl |
|
|
| |
|
|
|
|
|
|
| |
T1 |
|
10 m-1 en lager |
|
Cfl |
s1fl |
| |
T2 |
|
10 m-1 en lager |
|
Cfl |
s1fl |
| |
T3 |
|
10 m-1 en lager |
|
Dfl |
s1fl |
|
|
|
|
|
|
|
| |
|
Niet-besloten vluchtroute |
|
|
|
|
| |
|
1 |
– |
|
B |
– |
| |
|
2 |
– |
|
C |
– |
|
|
|
|
|
|
|
| |
|
Alle andere toepassingen |
|
|
|
|
| |
|
1 |
10 m-1 en lager |
|
B |
s2 |
| |
|
2 |
10 m-1 en lager |
|
B |
s2 |
| |
|
3 |
10 m-1 en lager |
|
C |
s2 |
| |
|
4 |
10 m-1 en lager |
|
D |
s2 |
Afdeling 1.3. Voorzieningen voor
elektriciteit, noodstroom, gas en water
Artikel 1.3
1.Een voorziening voor elektriciteit
of noodstroom als bedoeld in artikel 2.49 van het besluit voldoet
voor lage spanning aan NEN 1010. Voor hoge spanning voldoet een
voorziening voor elektriciteit of noodstroom tevens aan NEN 1041.
2.Een bouwwerk heeft voor een leiding
van het distributienet die voert naar een aansluitmogelijkheid als
bedoeld in artikel 2.48 van het besluit, leidingdoorvoeren en een
mantelbuis die voldoen aan NEN 2768.
Artikel 1.4
Een voorziening voor elektriciteit of
noodstroom als bedoeld in artikel 2.55 van het besluit voldoet voor
lage spanning aan NEN 1010 en voor hoge spanning aan V 1041.
Artikel 1.5 [Vervallen per 21-05-2009]
Artikel 1.6
1.Een voorziening voor gas als
bedoeld in artikel 2.71 van het besluit, met een nominale werkdruk
tot 40 bar, voldoet aan NEN 2078.
2.Een voorziening voor gas met een
nominale werkdruk tot en met 0,5 bar voldoet, in afwijking van het
eerste lid, aan NEN 1078.
3.Een bouwwerk heeft voor een leiding
van het distributienet die voert naar een aansluitmogelijkheid als
bedoeld in artikel 2.70 van het besluit, leidingdoorvoeren en een
mantelbuis die voldoen aan NEN 2768.
Artikel 1.7
1.Een voorziening voor gas als
bedoeld in artikel 2.74 van het besluit, met een nominale werkdruk
tot 40 bar, voldoet aan NEN 2078.
2.Een voorziening voor gas als
bedoeld in artikel 2.74 van het besluit, met een nominale werkdruk
tot 100 mbar, voldoet in afwijking van het eerste lid aan NEN 8078.
Artikel 1.8
Een voorziening voor drinkwater of
warmwater als bedoeld in de artikelen 3.122 en 3.130 van het besluit
voldoet aan NEN 1006.
Artikel 1.9
Een voorziening voor drinkwater of
warmwater als bedoeld in de artikelen 3.126 en 3.132 van het besluit
voldoet aan NEN 1006.
Afdeling 1.4. CE-markeringen
Artikel 1.10
1.De minister draagt zorg voor
publicatie in de Staatscourant van de referenties van:
a. geharmoniseerde normen,
voorzover die niet overeenkomstig de daarvoor krachtens de
richtlijn bouwproducten geldende procedure in Nederlandse normen
zijn getransponeerd;
b. Nederlandse normen waarin de
op die normen betrekking hebbende geharmoniseerde normen zijn
getransponeerd;
c. goedkeuringsrichtlijnen voor
Europese technische goedkeuringen als bedoeld in artikel 11,
derde lid, van de richtlijn bouwproducten;
d. overeenkomstig artikel 4,
derde lid, en artikel 5, tweede lid, van de richtlijn
bouwproducten aan Nederland gezonden nationale technische
specificaties.
2.De publicatie geschiedt:
a. voor de in het eerste lid,
onder a, b en d, bedoelde referenties: zo spoedig mogelijk na
publicatie door de Europese Commissie van de referenties van de
geharmoniseerde normen en nationale technische specificaties in
het Publicatieblad van de Europese gemeenschappen;
b. voor de in het eerste lid,
onder c, bedoelde referenties: binnen een redelijke termijn
nadat de Europese Commissie de desbetreffende definitieve
goedkeuringsrichtlijnen aan de lidstaten heeft bekendgemaakt.
Artikel 1.11
1.Een bouwproduct dat in
overeenstemming is met een geharmoniseerde of Nederlandse norm of
een nationale technische specificatie, als bedoeld in artikel 1.10,
eerste lid, onder a, b of d, is met ingang van de datum, die daartoe
is aangegeven in het Publicatieblad van de Europese gemeenschappen,
overeenkomstig de daarop betrekking hebbende voorschriften van de
richtlijn bouwproducten voorzien van de CE-markering en de daarbij
behorende opschriften die op dat product betrekking hebben.
2.De fabrikant van een bouwproduct of
zijn in een lidstaat gevestigde gemachtigde is bevoegd na een
publicatie, als bedoeld in artikel 1.10, tweede lid, onder a, de
CE-markering en de daarbij behorende opschriften die op dat product
betrekking hebben, overeenkomstig de daarop betrekking hebbende
voorschriften van de richtlijn bouwproducten aan te brengen op een
bouwproduct, op een aan het product bevestigd label, op de
verpakking ervan of op een begeleidend handelsdocument, indien het
product:
a. in overeenstemming is met op
dat product betrekking hebbende Nederlandse normen waarin de
daarop betrekking hebbende geharmoniseerde normen zijn
getransponeerd,
b. in overeenstemming is met een
op dat product betrekking hebbende nationale technische
specificatie of
c. anderszins in overeenstemming
is met geharmoniseerde normen.
3.De fabrikant van een bouwproduct of
zijn in een lidstaat gevestigde gemachtigde is bevoegd na een
bekendmaking als bedoeld in artikel 1.10, tweede lid, onder b, de
CE-markering en de daarbij behorende opschriften die op dat product
betrekking hebben, overeenkomstig de daarop betrekking hebbende
voorschriften van de richtlijn bouwproducten aan te brengen op een
bouwproduct, op een aan het product bevestigd label, op de
verpakking ervan of op een begeleidend handelsdocument, indien het
product in overeenstemming is met een voor dat product verleende
Europese technische goedkeuring.
4.Indien voor een bouwproduct
overeenkomstig hoofdstuk V van de richtlijn bouwproducten een
conformiteitsverklaring dan wel een conformiteitscertificaat is
afgegeven wordt dat product geacht in overeenstemming te zijn met:
a. een norm als bedoeld in
artikel 1.10, eerste lid, onder a of b;
b. een technische goedkeuring als
bedoeld in artikel 1.10, eerste lid, onder c;
c. een technische goedkeuring als
bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de richtlijn
bouwproducten, of;
d. een technische specificatie
als bedoeld in artikel 1.10, eerste lid, onder d.
Artikel 1.12
1.De minister wijst certificatie- en
inspectie-instellingen en testlaboratoria aan, die de taken, bedoeld
in artikel 16 onderscheidenlijk artikel 18 van de richtlijn
bouwproducten, uitvoeren.
2.De minister kan aan een aanwijzing
voorschriften verbinden.
3.De minister kan maximum tarieven
vaststellen voor de taken, die de op grond van het eerste lid
aangewezen instellingen ter uitvoering van de artikelen 16 en 18 van
de richtlijn verrichten.
4.De minister kan de aanwijzing
intrekken, indien de desbetreffende instelling de aan de aanwijzing
verbonden voorschriften als bedoeld in het tweede lid niet naleeft,
en indien hij van oordeel is dat de desbetreffende instelling niet
meer voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 1.13, tweede en
derde lid.
Artikel 1.13
1.Een instelling als bedoeld in
artikel 1.12, eerste lid, wordt door de minister aangewezen, indien
zij:
a. rechtspersoonlijkheid bezit,
b. een vestiging in Nederland
heeft,
c. beschikt over bekwaam
personeel,
d. beschikt over doeltreffende
voorzieningen,
e. onpartijdig is,
f. beschikt over een
kwaliteitssysteem dat op schrift is gesteld,
g. zorgvuldig is,
h. verzekerd is voor
beroepsaansprakelijkheid, en
i. geen nevenactiviteiten
verricht die het vertrouwen in de instelling kunnen schaden.
2.Of een instelling aan de in het
eerste lid, onder c, d, e, f en g, genoemde eisen voldoet, wordt
beoordeeld volgens de voorwaarden die zijn opgenomen in bijlage II
bij deze regeling.
3.Uitbesteding van werkzaamheden in
het kader van artikel 16 of 18 van de richtlijn is toegestaan,
indien wordt voldaan aan de voorwaarden die zijn opgenomen in
bijlage III bij deze regeling.
Artikel 1.14
1.De op grond van artikel 1.12,
eerste lid, aangewezen instelling vrijwaart de minister van enige
aansprakelijkheid, voortvloeiend uit de taken die zij verricht ter
uitvoering van artikel 16 of 18 van de richtlijn bouwproducten.
2.Een op grond van artikel 1.12,
eerste lid, aangewezen instelling verstrekt desgevraagd aan de
minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde
inlichtingen.
3.Een op grond van artikel 1.12,
eerste lid, aangewezen instelling stelt jaarlijks voor 1 juli een
verslag op van de werkzaamheden die in het daaraan voorafgaande
kalenderjaar ter uitvoering van artikel 16 of artikel 18 van de
richtlijn bouwproducten zijn verricht. Het verslag wordt gezonden
aan de minister en in afschrift aan de VROM inspectie en algemeen
verkrijgbaar gesteld.
Artikel 1.15
De minister kan ten aanzien van
bouwproducten als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de richtlijn
bouwproducten, die niet vallen onder artikel 4, tweede lid, van die
richtlijn, toestemming verlenen voor het in de handel brengen daarvan.
Artikel 1.16
1.De minister maakt eenmaal per
kalenderjaar in de Staatscourant een overzicht bekend van de in
artikel 1.12, eerste lid, genoemde instellingen.
2.De minister draagt zorg voor de
opstelling en bekendmaking van een overzicht, alsmede van
wijzigingen van dat overzicht van bouwproducten als bedoeld in
artikel 1.15. Dit overzicht bevat tevens bouwproducten als bedoeld
in artikel 4, vijfde lid, van de richtlijn bouwproducten.
Afdeling 1.5. Kwaliteitsverklaringen
Artikel 1.17
Een instelling die overeenkomstig
artikel 16 van de richtlijn bouwproducten door de lidstaat van
oorsprong is erkend met het oog op het afgeven van
kwaliteitsverklaringen voor andere lidstaten, wordt gelijkgesteld met
een door de minister aangewezen onafhankelijk deskundig instituut als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Woningwet.
Artikel 1.18
1. Kwaliteitsverklaringen als bedoeld
in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de Woningwet, worden
afgegeven op basis van een door de minister erkend stelsel van
kwaliteitsverklaringen voor de bouw.
2. De voorwaarden waaronder
kwaliteitsverklaringen binnen het stelsel, bedoeld in het eerste
lid, worden afgegeven, worden vastgelegd in een overeenkomst tussen
de bij het stelsel betrokken partijen. De minister maakt deze
overeenkomst in de Staatscourant bekend.
Artikel 1.19
De minister wijst een instelling aan
die het in artikel 1.18 bedoelde stelsel coördineert en zorgdraagt
voor de bekendmaking van de in dat artikel bedoelde
kwaliteitsverklaringen.
Hoofdstuk 2. Materialen
Afdeling 2.1. Brandbare,
brandbevorderende, bij brand gevaar opleverende en voor de gezondheid
schadelijke stoffen
Artikel 2.1 [Vervallen per 21-05-2009]
Afdeling 2.2. Voorschriften omtrent de
beperking van de toepassing van formaldehyde
Artikel 2.2
De getalswaarde van de stijging van de
concentratie van formaldehyde in de binnenlucht van een
verblijfsgebied ten opzichte van de concentratie van formaldehyde in
de buitenlucht, uitgedrukt in μg/m³, mag, voorzover deze
concentratie afkomstig is uit een of meer constructie-onderdelen die
dat verblijfsgebied begrenzen, dan wel uit een of meer in dat
verblijfsgebied gelegen constructie-onderdelen, niet groter zijn dan:
2 + 3,17 • 10-6 • t4 • R + 0,86
• 10-3 • A • t • R + 1,5 • 10-3 • R²
waarin:
t is de getalswaarde van de
luchttemperatuur in het te meten gebied onderscheidenlijk de te meten
woonwagen, uitgedrukt in °C;
R is de getalswaarde van de relatieve
luchtvochtigheid in het te meten gebied onderscheidenlijk de te meten
woonwagen, uitgedrukt in %; en
A is de getalswaarde, uitgedrukt in m²,
van de verticale doorsnede van:
a. de constructie-onderdelen, geen
bouwconstructie zijnde, gelegen in het verblijfsgebied;
onderscheidenlijk
b. de constructie-onderdelen,
gelegen in de woonwagen, zij het dat geen grotere waarde mag zijn
aangehouden dan 20.
Artikel 2.3
1.De toename van de concentratie van
formaldehyde in de binnenlucht moet zijn bepaald aan de hand van de
concentraties van formaldehyde, bepaald door onderzoek van een
monster van de binnenlucht en de buitenlucht.
2.In het te meten verblijfsgebied
moet gedurende ten minste drie aaneengesloten uren, voorafgaand aan
de bepaling, de luchttemperatuur, de relatieve luchtvochtigheid,
alsmede de met behulp van een ventilator en een deur- of raamschot
tot stand gebrachte toevoer van verse lucht en afvoer van
binnenlucht constant zijn gehouden, met:
a. een variatie in de
luchttemperatuur van ten hoogste 0,5°C;
b. een variatie in de relatieve
luchtvochtigheid van ten hoogste 5%; en
c. een variatie in de toevoer van
verse lucht en afvoer van binnenlucht van ten hoogste 10%.
3.De concentratie van formaldehyde in
het te meten verblijfsgebied moet worden bepaald bij:
a. een luchttemperatuur in het
verblijfsgebied tussen 18 °C en 25 °C;
b. een relatieve luchtvochtigheid
in het verblijfsgebied tussen 25% en 75%, en
c. een toevoer van verse lucht in
en een afvoer van binnenlucht uit het verblijfsgebied met een
capaciteit van 0,15 • 10-3 m³/s per m² vloeroppervlakte van
het te meten verblijfsgebied met een afwijking van ten hoogste
0,01 • 10-3 m³/s per m² vloeroppervlakte.
4.Gedurende de drie uren bedoeld in
het tweede lid, alsmede gedurende de bepaling, bedoeld in het derde
lid, moeten de aanwezige voorzieningen voor de toevoer van verse
lucht en afvoer van binnenlucht, alsmede de beweegbare
constructie-onderdelen in de scheidingsconstructie die het
verblijfsgebied begrenzen, zijn gesloten en moeten de beweegbare
constructie-onderdelen binnen het verblijfsgebied onderscheidenlijk
de woonwagen zijn geopend.
5.Gedurende de drie aaneengesloten
uren, voorafgaande aan de bepaling, bedoeld in het tweede lid,
alsmede gedurende de bepaling, bedoeld in het derde lid, mogen zich
geen personen in het te meten verblijfsgebied bevinden.
Artikel 2.4
1.De toevoer van verse lucht en
afvoer van binnenlucht, bedoeld in artikel 2.3, moet tot stand zijn
gebracht door middel van:
a. een ventilator met een
capaciteit van ten minste 0,15 • 10-3m³/s per m²
vloeroppervlakte van het te meten verblijfsgebied, en
b. een deur- of raamschot,
waardoor lucht van buiten naar binnen wordt gevoerd.
2.De omstandigheden, bedoeld in
artikel 2.3, moeten zijn bepaald met behulp van:
a. een, in combinatie met
bijbehorende registratie-apparatuur, geijkte
luchttemperatuurmeter met een meetgebied tussen 15 °C en 30 °C
en met een meetonnauwkeurigheid van ten hoogste 0,5 °C van de
meetwaarde;
b. een, in combinatie met
bijbehorende registratie-apparatuur, geijkte
luchtvochtigheidsmeter met een meetgebied tussen 15% en 90% en
met een meetonnauwkeurigheid van ten hoogste 5% van de
meetwaarde, en
c. een, in combinatie met
bijbehorende registratie-apparatuur, geijkte
luchtvolumestroommeter die een meetgebied heeft dat is afgestemd
op de te meten voorziening, en met een meetonnauwkeurigheid van
ten hoogste 10% van de meetwaarde.
Afdeling 2.3. Voorschriften omtrent de
concentratie van asbestvezels
Artikel 2.5
1.In een te bouwen bouwwerk is, gelet
op artikel 3.107 van het besluit, de getalwaarde van het verschil
tussen de concentratie van asbestvezels in de buitenlucht en de
concentratie van asbestvezels in de binnenlucht van een voor mensen
toegankelijke ruimte, voorzover deze concentratie afkomstig is uit
een of meer constructie-onderdelen die die ruimte begrenzen dan wel
uit een of meer in die ruimte aanwezige constructie-onderdelen, niet
groter dan 1.000 ve/m3.
2.In een bestaand bouwwerk is, gelet
op artikel 3.109b van het besluit, de getalwaarde van het verschil
tussen de concentratie van asbestvezels in de buitenlucht en de
concentratie van asbestvezels in de binnenlucht van een voor mensen
toegankelijke ruimte, voorzover deze concentratie afkomstig is uit
een of meer constructie-onderdelen die die ruimte begrenzen dan wel
uit een of meer in die ruimte aanwezige constructie-onderdelen, niet
groter dan 100.000 ve/m3.
Hoofdstuk 3.
Brandveiligheidsvoorschriften voor een te bouwen bouwwerk
Afdeling 3.1. Opvang- en
doorstroomcapaciteit van een vluchttrappenhuis
Artikel 3.1
Een ruimte waardoor een rookvrije
vluchtroute voert heeft afhankelijk van de oppervlakte van de daarop
aangewezen ruimten en van de bezettingsgraadklasse van die ruimten een
zodanige opvang- en doorstroomcapaciteit dat in geval van brand snel
en veilig kan worden gevlucht. Daarbij kan rekening worden gehouden
met gefaseerde ontruiming.
Hoofdstuk 4. Nadere voorschriften
omtrent de toepassing van normen
Afdeling 4.1. Nieuwbouw
Artikel 4.1. NEN 1010
Bij de toepassing van NEN 1010 geldt
het volgende:
a. De volgende onderdelen blijven
buiten toepassing:
|
– 132.2.5: |
speciale aansluitvoorwaarden van
de netbeheerder; |
|
– 134.1.1: |
vakmanschap bij uitvoering van
elektrische installatiewerkzaamheden; |
|
– 134.2: |
eerste inspectie; |
|
– 313.2: |
aanwezigheid van installaties
voor veiligheidsdoeleinden; |
|
– 340.1: |
raadplegen toekomstige gebruiker; |
|
– 412.2.1.1: |
toegepast elektrisch materieel; |
|
– 422.3.5: |
leidingen die niet geheel zijn
ondergebracht in niet-brandbaar materiaal; |
|
– 422.3.7: |
eisen aan verwarmings- en
ventilatiesystemen; |
|
– 422.3.8: |
eisen aan motoren; |
|
– 422.3.9: |
eisen aan verlichtingsarmaturen; |
|
– 422.3.17: |
eisen aan verwarmingstoestellen; |
|
– 422.3.18: |
eisen aan verwarmingstoestellen; |
|
– 422.3.19: |
eisen aan verwarmingstoestellen; |
|
– 424.1.1: |
eisen aan verwarmings- en
ventilatiesystemen; |
|
– 424.1.2: |
eisen aan verwarmingselementen; |
|
– 424.2: |
eisen aan toestellen; |
|
– 511.2: |
speciale overeenkomst tussen
degene die de installatie specificeert en de installateur: |
|
– 514.5.1: |
aanwezigheid van schema’s en
tekeningen; |
|
– 527: |
keuze en installatie van
maatregelen ter beperking van brandverspreiding; |
|
– 529.1: |
kennis en ervaring van het
personeel; |
|
– 551: |
laagspanningsopwekeenheden; |
|
– 56.5.1: |
elektrische voedingsbronnen voor
veiligheidsvoorzieningen; |
|
– 56.6.2: |
veiligheidsvoorzieningen, anders
dan een brandweerlift; |
|
– 56.6.3: |
veiligheidsvoorzieningen, anders
dan een brandweerlift; |
|
– 56.6.4: |
veiligheidsvoorzieningen, anders
dan een brandweerlift; |
|
– 56.6.6: |
veiligheidsvoorzieningen, anders
dan een brandweerlift; |
|
– 56.6.7: |
veiligheidsvoorzieningen, anders
dan een brandweerlift; |
|
– 56.6.8: |
veiligheidsvoorzieningen, anders
dan een brandweerlift; |
|
– 56.6.9: |
veiligheidsvoorzieningen, anders
dan een brandweerlift; |
|
– 56.7.3: |
verwijzing naar Bouwbesluit 2003; |
|
– deel 6: |
inspectie; |
|
– 704: |
elektrische installaties op bouw-
en sloopterreinen; |
|
– 705: |
elektrische installaties op
bedrijfsterreinen voor landbouw, tuinbouw en vee teelt; |
|
– 708: |
elektrische installaties op
campings en vergelijkbare terreinen; |
|
– 709: |
elektrische installaties in
jachthavens en op vergelijkbare terreinen; |
|
– 710.514.5: |
schema’s, documentatie en
bedieningsinstructies; |
|
– 710.56.5.3: |
gedetailleerde eisen voor
veiligheidsdoeleinden; |
|
– 710.56.7: |
stroomketens voor
noodverlichting; |
|
– 710.56.8: |
overige voorzieningen; |
|
– 710.6: |
inspectie van elektrische
installaties in medisch gebruikte ruimten; |
|
– 711.6: |
inspectie elektrische
installaties van tentoonstellingen, shows en stands; |
|
– 713: |
elektrische installaties in
meubilair; |
|
– 717: |
elektrische installaties voor
verrijdbare of verplaatsbare eenheden; |
|
– 718.55.3: |
noodverlichting in bijeenkomst-,
sport- en stationsgebouwen; |
|
– 718.56.7.7: |
veiligheidsvoorzieningen voor de
voeding van noodverlichting; |
|
– 718.56.7.9: |
verlichting aanduiding uitgang; |
|
– 721: |
elektrische installaties in
toercaravans en campers; |
|
– 722.55.2: |
verplaatsbare voedingsbronnen; |
|
– 724.55.2: |
verplaatsbare toestellen; |
|
– 725.56.7: |
stroomketens voor
noodverlichting; |
|
– 740: |
tijdelijke elektrische
installaties voor constructies, toestellen en kramen op
kermissen, in atractieparken en circussen; |
|
– 753: |
systemen voor vloer- en
plafondverwarming; |
|
– 754.55: |
overig materieel; |
|
– 761: |
kabels in de grond; |
|
– 763: |
grond- wegdek- en vloerverwarming
anders dan voor ruimteverwarming; |
|
– 773: |
voeding van neoninstallaties en
neontoestellen; |
|
– 781: |
lasinstallaties – lascabines; |
|
– 783: |
brandpreventieve en repressieve
installaties, anders dan een brandweerlift. |
b. In onderdeel 710.55.6.1 wordt na
punt b. een punt toegevoegd, luidende:
c. beveiligd door
aardlekschakelaars met een nominale aanspreekstroom van ten
hoogste 10 mA type B.
c. In onderdeel 714.1.1 is de
bepaling dat rubriek 714 niet geldt voor openbare verlichting als
bedoeld onder 1) van dat onderdeel, niet van toepassing.
Artikel 4.1a. NEN 1087
Waar in artikel 3.81, eerste en tweede
lid, van het besluit wordt verwezen naar NEN 1087 is bedoeld onderdeel
5.1 en onderdeel 5.3 van die norm.
Artikel 4.2. NEN 1594
Waar in artikel 2.193, eerste lid, van
het besluit wordt verwezen naar NEN 1594 is bedoeld onderdeel 4.2 van
die norm.
Artikel 4.3. NEN 2057
Bij de toepassing van NEN 2057 geldt
het volgende:
Onderdeel 6.1 wordt gelezen als:
Projecteer de delen van de
daglichtopening loodrecht op het projectievlak.
Artikel 4.3a [Vervallen per 21-05-2009]
Artikel 4.4. NEN 2916
Bij de toepassing van NEN 2916 geldt
het volgende:
a. voor de in onderdeel 5.2.2
opgenomen formule gelden de volgende waarden voor de
correctiefactor CEPC;i:
| |
Gebruiksfunctie |
Correctiefactor |
|
1°. |
bijeenkomstfunctie |
1,17 |
|
2°. |
celfunctie |
1,06 |
|
3°. |
Gezondheidszorgfunctie |
|
| |
a. voor aan bed gebonden
patiënten |
0,87 |
| |
b. andere |
1,11 |
|
4°. |
kantoorfunctie |
0,96 |
|
5°. |
logiesfunctie |
1,00 |
|
6°. |
onderwijsfunctie |
1,19 |
|
7°. |
sportfunctie |
0,99 |
|
8°. |
winkelfunctie |
1,10 |
b. voor de in onderdeel 5.2.2
opgenomen formule gelden voor de correctiefactoren Y Ven Y verlies
de volgende waarden:
- Y V= 1,25
- Y verlies= 1,2
c. voor de in onderdeel 5.2.4
opgenomen formule geldt: Y koel = 3
Artikel 4.5. NEN 5077
Bij toepassing van NEN 5077 in de
artikelen 3.1 tot en met 3.5 van het besluit worden de artikelen 4.6
tot en met 4.11 in acht genomen.
Artikel 4.6
1.De bepaling van de karakteristieke
geluidwering van een scheidingsconstructie als bedoeld in artikel
3.4, derde en vierde lid, van het besluit, vindt plaats door middel
van metingen volgens NEN 5077 met in achtneming van artikel 4.7, dan
wel door middel van berekeningen als bedoeld in artikel 4.8.
2.De karakteristieke geluidwering van
een scheidingsconstructie als bedoeld in artikel 3.3, derde tot en
met vijfde lid, van het besluit, en de karakteristieke geluidwering
van de uitwendige scheidingsconstructie, bedoeld in artikel 3.4,
vierde lid, van het besluit, wordt bepaald op grond van de
geluidwering zoals aangegeven in artikel 4.11.
Artikel 4.7
1.Bij de meting van de
karakteristieke geluidwering van een scheidingsconstructie als
bedoeld in de artikelen 3.3, eerste, vierde en vijfde lid, en 3.4,
derde lid, van het besluit, wordt een herleidingsterm CL;k voor de
variatiein geluidbelasting toegepast, zoals aangegeven in artikel
4.9, eerste, tweede en derde lid.
2.Bij de meting van de
karakteristieke geluidwering van een scheidingsconstructie als
bedoeld in artikel 3.3, derde, vierde en vijfde lid, van het besluit
en de karakteristieke geluidwering van een scheidingsconstructie als
bedoeld in artikel 3.4, vierde lid, van het besluit, worden een
herleidingsterm CL;k voor de variatie in geluidbelasting toegepast
zoals aangegeven in artikel 4.9, vierde en vijfde lid, en
herleidingswaarden Ci voor het geluidspectrum, zoals aangegeven in
artikel 4.10.
Artikel 4.8
1.Bij de berekening van de
karakteristieke geluidwering van een scheidingsconstructie als
bedoeld in artikel 3.4, derde lid, van het besluit worden
herleidingswaarden voor het geluidspectrum toegepast overeenkomstig
tabel 6 van NEN 5077.
2.Bij de berekening van de
karakteristieke geluidwering van een scheidingsconstructie als
bedoeld in artikel 3.4, derde lid, van het besluit, wordt een
herleidingsterm CL;k voor de variatie in geluidbelasting toegepast,
zoals aangegeven in artikel 4.9, eerste, derde en vierde lid.
3.Bij de berekening van de
karakteristieke geluidwering van een scheidingsconstructie als
bedoeld in artikel 3.4, vierde lid, van het besluit, worden een
herleidingsterm CL;k voor de variatie in geluidbelasting gehanteerd,
zoals aangegeven in artikel 4.9 en herleidingswaarden Ci voor het
geluidspectrum, zoals aangegeven in artikel 4.10.
4.Berekeningen van de geluidwering
vinden plaats voor de octaafbanden met de middenfrequenties 125 Hz,
250 Hz, 500 Hz, 1000 Hz en 2000 Hz.
5.De geluidwering (GA) wordt berekend
uit het genormeerd geluiddrukniveauverschil van de gevel (D2m;nT;i)
in octaafbanden met de herleidingswaarden Civolgens de formule:
[Illustratie Verwijderd]
Hierbij worden de herleidingswaarden
Ci bepaald op grond van het eerste of derde lid.
6.Het genormeerd
geluiddrukniveauverschil van de gevel (D2m;nT;i) wordt bepaald uit
het genormeerd geluiddrukniveauverschil (D2m;nT;i;k) per
constructie-onderdeel en de herleidingsterm voor de variatie in
geluidbelasting (CL;k) voor het betreffende constructie-onderdeel k
volgens de formule:
[Illustratie Verwijderd]
waarin C L; k volgt uit het bepaalde
in het tweede of derde lid.
7.Het genormeerd
geluiddrukniveauverschil (D2m;nT;i;k) wordt per
constructie-onderdeel k berekend volgens NEN-EN 12354-3, waarbij de
invulling van de rekenmethode die in de annexes B en D van die norm
wordt gegeven als een integraal onderdeel van de methode wordt
beschouwd en ∆Lfs = 0 dB wordt gesteld.
8.Ten aanzien van de te hanteren
invoergegevens voor de berekeningen zijn de aanwijzingen in NEN-EN
12354-3 annex B van toepassing. Als invoergegeven voor elementen
waarvan de akoestische prestatie is gebaseerd op
laboratoriummetingen, zoals de luchtgeluidisolatie R van
bouwelementen en het genormeerd geluidniveauverschil Dne van
ventilatievoorzieningen, wordt het meetresultaat met 2 dB
verminderd.
9.De karakteristieke geluidwering van
een scheidingsconstructie in relatie tot de artikelen 3.3, eerste,
vierde en vijfde lid, en 3.4, derde lid, van het besluit wordt
bepaald uit de geluidwering van de scheidingsconstructie volgens
onderdeel 5.3.6 van NEN 5077.
Artikel 4.9
1.Indien bij twee of meer
geluidbelaste constructie-onderdelen van de uitwendige
scheidingsconstructie deze onderdelen niet gelijktijdig door een
vliegtuig direct aangestraald kunnen worden, worden voor de
herleidingsterm CL;k als bedoeld in NEN 5077, onderdeel 5.3.4, en in
artikel 4.8, zesde lid, de volgende waarden gehanteerd:
a. C L; k = 0 dB voor de
constructie-onderdelen k waarvoor de hoek tussen de
verbindingslijn geluidsbron en het onderdeel en de normaal op
het onderdeel niet groter is dan 70°;
b. C L; k = 3 dB voor de
constructie-onderdelen k waarvoor de hoek tussen de
verbindingslijn geluidsbron en het onderdeel en de normaal op
het onderdeel groter is dan 70° en niet groter dan 90°, en
c. C L; k = 8 dB voor de
constructie-onderdelen k waarvoor de hoek tussen de
verbindingslijn geluidsbron en het onderdeel en de normaal op
het onderdeel groter is dan 90°.
2.De geluidwering GA van de
uitwendige scheidingsconstructie is de laagste van de bepaalde
geluidweringen bij mogelijke combinaties van direct en niet direct
aangestraalde onderdelen van de uitwendige scheidingsconstructie.
3.Voor het constructie-onderdeel k
van de uitwendige scheidingsconstructie dat het verst van het
gemiddelde grondpad is verwijderd, wordt CL;k = 8 dB gehanteerd,
indien de hoek tussen het onderdeel van de uitwendige
scheidingsconstructie en het gemiddelde grondpad kleiner is dan
30°.
4.In verband met de
hoekafhankelijkheid van de geluidwering van de uitwendige
scheidingsconstructie φαβm wordt een
herleidingstermCL;k toegepast als bedoeld in NEN 5077, onderdeel
5.3.4. φαβm is afhankelijk van de momentane
vliegtuigpositie die wordt beschreven door de hoeken α en
β. De horizontale hoek α is gedefinieerd als de hoek
tussen de normaal op het constructie-onderdeel k van de uitwendige
scheidingsconstructie en de verbindingslijn tussen het middelpunt
van het constructie-onderdeel van de uitwendige
scheidingsconstructie in het referentievlak en de projectie van de
vliegtuigpositie op het referentievlak. De verticale hoek β is
gedefinieerd als de hoek tussen de verbindingslijn tussen het
middelpunt van het constructie-onderdeel van de uitwendige
scheidingsconstructie in het referentievlak en de vliegtuigpositie
en de verbindingslijn tussen het middelpunt van het
constructie-onderdeel van de uitwendige scheidingsconstructie in het
referentievlak en de projectie van de vliegtuigpositie op het
referentievlak. φαβm wordt op grond van metingen of
berekeningen per luchtvaartterrein vastgesteld.
5.De herleidingsterm CL;k bedoeld in
het vierde lid, wordt per constructie-onderdeel k van de uitwendige
scheidingsconstructie per procedure m bepaald uit:
C L = L Aeq(1) - L Aeq(2)
waarbij :
L Aeq(1) = de L Aeq geluidsbelasting
in dB(A), als bedoeld in artikel 4.11, tweede lid, voor procedure m;
L Aeq(2) = de L Aeq geluidsbelasting
in dB(A), berekend overeenkomstig de Regeling berekening nachtelijke
geluidsbelasting, met mede-integratie van de hoekafhankelijke
geluidwering φ αβm, voor procedure m en
constructie-onderdeel k.
Artikel 4.10
Bij de bepaling van de geluidwering ten
gevolge van nachtelijk vliegverkeer wordt onderscheid gemaakt in de
geluidwering voor startend en landend vliegverkeer. Hierbij wordt
uitgegaan van de herleidingswaarden C i volgens het spectrum voor
startend en landend vliegverkeer, zoals opgenomen in tabel 4.1.
Tabel 4.1 - Herleidingswaarden(Ci) voor
specifiek soorten buitengeluid
|
Ci in dB voor octaafband met
middenfrequentie in Hz |
125
i =1 |
250
i =2 |
500
i =3 |
1000
i =4 |
2000
i =5 |
|
Luchtverkeer op Schiphol, starten |
-15,3 |
-7,6 |
-6,8 |
-4,4 |
-6,5 |
|
Luchtverkeer op Schiphol, landen |
-18,8 |
-11,9 |
-7,1 |
-5,9 |
-3,2 |
|
Luchtverkeer op Maastricht,
starten |
-12,6 |
-6,0 |
-5,7 |
-4,8 |
-10,8 |
|
Luchtverkeer op Maastricht,
landen |
-17,2 |
-10,5 |
-6,9 |
-6,1 |
-3,6 |
Artikel 4.11
1.De geluidwering G A van de
uitwendige scheidingsconstructie bij nachtelijk vliegverkeer wordt
als volgt berekend:
= {10 log {10 LAeq;buiten;starten/10
+ 10 LAeq;buiten;landen/10} - LAeq;binnen
Hierbij wordt de L Aeq
geluidsbelasting in dB(A) binnen een ruimte (LAeq;binnen), als volgt
berekend:
L Aeq;binnen = 10 log {10 L Aeq;binnen;starten/10
+ 10 LAeq;binnen;landen/10}
L Aeq;binnen;starten = L Aeq;buiten,starten
- G A;starten
L Aeq;binnen;landen = L Aeq;buiten;landen
- G A;landen
waarin:
L Aeq;binnen;starten = de L Aeq
geluidsbelasting in dB(A) binnen een ruimte ten gevolge van startend
vliegverkeer;
L Aeq;buiten;starten = de L Aeq
geluidsbelasting in dB(A) buiten de woonfunctie of de
gezondheidszorgfunctie ten gevolge van startend vliegverkeer als
bedoeld in het tweede lid;
G A;starten = de geluidwering van de
uitwendige scheidingsconstructie in dB(A) bij startend vliegverkeer;
L Aeq;binnen;landen = de L Aeq
geluidsbelasting in dB(A) binnen een ruimte ten gevolge van landend
vliegverkeer;
L Aeq;buiten;landen = de L Aeq
geluidsbelasting in dB(A) buiten de woonfunctie of de
gezondheidszorgfunctie ten gevolge van landend vliegverkeer als
bedoeld in het tweede lid;
G A;landen = de geluidwering van de
uitwendige scheidingsconstructie in dB(A) bij landend vliegverkeer
2.DeLAeq geluidsbelasting in dB(A)
buiten de woonfunctie of de gezondheidszorgfunctie voor startend en
landend vliegverkeer wordt berekend overeenkomstig de Regeling
berekening nachtelijke geluidsbelasting, waarbij de geluidwering van
de uitwendige scheidingsconstructie onderscheiden naar startend en
landend vliegverkeer, Lgevel;m', gelijk wordt gesteld aan 0 dB(A).
Artikel 4.12. NEN 5078
Waar in artikel 3.16 van het besluit
wordt verwezen naar NEN 5078, is bedoeld: NEN-EN 12354-6.
Artikel 4.13. NEN 5128
Bij toepassing van de norm geldt, dat
de in onderdeel 5.2.1 van die norm bedoelde waarde voor de correctie
ten opzichte van de vorige norm, C EPC 1,12 is.
Artikel 4.14. NEN 6090
Waar in artikel 1.1, tweede lid, van
het besluit wordt verwezen naar NEN 6090, is bedoeld:
a. in relatie tot de permanente
vuurbelasting onderdeel 3.3.1 van die norm, en
b. in relatie tot de vuurbelasting,
zijnde de som van de permanente vuurbelasting en de variabele
vuurbelasting, onderdeel 3.3 van die norm.
Artikel 4.14a. NEN 6700
Bij verbouw van een bouwwerk geen
gebouw zijnde als bedoeld in artikel 2.4a van het besluit, geldt het
volgende:
a. Onderdeel 5.2.2 wordt als volgt
gelezen: Als referentieperiode voor de bepaling van zowel de
grootte van de belastingen als de sterkte geldt voor
veiligheidsklasse 1 en 2 ten minste een referentieperiode van 15
jaar en voor veiligheidsklasse 3 een referentieperiode van 25
jaar.
b. Tabel 1, behorende bij onderdeel
5.3.4, wordt als volgt gelezen:
[Illustratie Verwijderd]
Tabel 1 Veiligheidsklassen voor
bouwconstructies met betrekking tot bezwijken
Artikel 4.15. NEN 6702
1. Bij de toepassing van NEN 6702
geldt het volgende:
a. Waar in artikel 2.2, tweede
lid, van het besluit, wordt verwezen naar bijzondere
belastingscombinaties als bedoeld in NEN 6702, is bedoeld:
onderdeel 6.2.2 in verbinding met
de onderdelen 9.5 en 9.6 van die norm.
b. Waar in artikel 2.3, eerste
lid, van het besluit, wordt verwezen naar bijzondere
belastingscombinaties als bedoeld in NEN 6702, is bedoeld:
onderdeel 6.2.2 in verbinding met
de onderdelen 9.3, 9.4 en 9.7 van die norm.
c. Waar in artikel 2.3, tweede
lid, van het besluit, wordt verwezen naar bijzondere
belastingscombinaties als bedoeld in NEN 6702, is bedoeld:
onderdeel 6.2.2 in verbinding met
onderdeel 9.1 van die norm.
d. in de onderdelen 5.1.2 en
5.1.3 wordt de tekst na de eerste gedachtenstreep als volgt
gelezen: Het gewicht is minder dan 1 kN of het gewicht per
oppervlakte is minder dan 0,15 kN/m2.
2. In afwijking van het eerste lid,
onderdeel a, geldt bij verbouw van een bouwwerk geen gebouw zijnde
als bedoeld in artikel 2.4a van het besluit, het volgende:
a. Tabel 2, behorende bij
onderdeel 5.2.1 van deze norm, wordt als volgt gelezen:
[Illustratie Verwijderd]
Tabel 2 Belastingsfactoren
uiterste grenstoestand
b. Bijzondere belastingen
behoeven niet hoger te worden gekozen dan die welke bij het
oorspronkelijke ontwerp van het bouwwerk geen gebouw zijnde in
de beschouwing zijn betrokken.
Artikel 4.16. NEN-EN 81-72
Bij de toepassing van NEN-EN 81-72
geldt het volgende:
a. bij onderdeel 5.1.1 geldt het
volgende:
1. ‘een tegen brand
beschermde hal’ wordt telkens gelezen als: verkeersruimte,
die al dan niet tezamen met de liftschacht een
rookcompartiment als bedoeld in afdeling 2.16 van het besluit
is.
2. ‘Zie bijlage B en bijlage
E’ wordt gelezen als:
Zie bijlage B en bijlage E.
De liftschacht van een
brandweerlift heeft een volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen
branddoorslag en brandoverslag naar een verblijfsgebied, een
toiletruimte, een badruimte, een meterruimte en een technische
ruimte van ten minste 60 minuten.
b. in onderdeel 5.2.3 geldt voor de
vrije doorgang van de toegang van de liftschacht een minimum
breedte van 85 cm.
c. voor de in onderdeel 5.9.1
genoemde primaire en secundaire voorziening voor elektriciteit is
artikel 4.1 van deze regeling van toepassing.
Afdeling 4.2. Bestaande bouw
Artikel 4.17. NEN 2057
Bij de toepassing van NEN 2057 geldt
het volgende:
Onderdeel 6.1 wordt gelezen als:
Projecteer de delen van de
daglichtopening loodrecht op het projectievlak.
Artikel 4.18. NEN 2608
Bij de verwijzing in onderdeel 4.3.3
van NEN 2608 naar NEN 6700, NEN 6710, NEN 6760 en NEN 6770, zijn de
artikelen 4.24, 4,27, 4,29 respectievelijk 4.30 van toepassing.
Artikel 4.19. NEN 2757
Waar in paragraaf 3.14.2 van het
besluit wordt verwezen naar NEN 2757, is bedoeld: NEN 8757.
Artikel 4.20. NEN 3859
Bij de toepassing van NEN 3859 geldt
het volgende:
a. bij de verwijzing in de
onderdelen 5.2.1 en 9.1 van deze norm naar NEN 6710, NEN 6720, NEN
6760 en NEN 6770 zijn de artikelen 4.27, 4.28, 4.29
respectievelijk 4.30 van deze regeling van toepassing;
b. in onderdeel 5.2.1 vervalt de
zinsnede `- 6.1 van NEN 6740:1991 voor funderingsconstructies;'
c. onderdeel 5.2.2 wordt gelezen
als volgt:
In afwijking van het gestelde in
5.2.1 moet:
-
bij de rekenmethode de
rekenwaarden van de belastingen zijn ontleend aan de
voorgeschreven fundamentele belastingscombinaties;
-
bij de rekenmethode de
rekenwaarden van de materiaalgrootheden zijn ontleend aan
hoofdstuk 9;
d. onderdeel 5.2.3 wordt gelezen
als volgt:
In aanvulling op het gestelde in
5.2.1, mogen de hier gegeven bepalingsmethoden slechts zijn
toegepast mits daarbij ten minste aan de voorwaarden in de
onderdelen 7.4, 11.2 en 11.3 is voldaan;
e. bij de verwijzing in onderdeel
5.3 van deze norm naar NEN 6700 is artikel 4.24 van deze regeling
van toepassing;
f. de onderdelen 7.1, 7.2, 7.3 en
7.5 blijven buiten beschouwing;
g. in onderdeel 8.1 wordt voor
Υf;w en voor Υf de waarde 1 aangehouden;
h. bij de verwijzing in de
onderdelen 8.3, 8.4, 8.5, 8.8.2 en 8.8.3 van deze norm naar NEN
6702 is artikel 4.25 van deze regeling van toepassing;
i. in onderdeel 8.4 is voor psn;q;k
de waarde 130 N/m² aangehouden;
j. in de onderdelen 8.5.1.a) en
8.5.1.c) wordt de tweede volzin telkens als volgt gelezen: De
belasting door installaties die permanent aanwezig kunnen zijn
moet bepaald zijn op grond van de werkelijk optredende
belastingen.;
k. in onderdeel 8.5.2.a) worden de
eerste twee volzinnen vervangen door: De geconcentreerde belasting
moet bepaald zijn op grond van de werkelijk optredende belasting.;
l. onderdeel 8.6.1 wordt gelezen
als volgt: Indien een kasconstructie wordt belast door gewassen en
de media waarop deze groeien, dan moet met het eigen gewicht van
deze gewassen en de media rekening zijn gehouden;
m. de onderdelen 8.6.2 en 8.6.3
blijven buiten toepassing;
n. tabel 2 van onderdeel 8.8.2
wordt gelezen als volgt:
Tabel 2: Extreme waarden van de
stuwdrukken door wind
|
heff*)[1] m
|
Pw N/m²
|
|
0,5 -2 |
293 |
|
2,5 |
329 |
|
3 |
359 |
|
3,5 |
386 |
|
4 |
410 |
|
5 |
450 |
|
6 |
484 |
|
7 |
514 |
|
8 |
539 |
|
9 |
562 |
|
10 |
584 |
|
>10 |
Conform NEN 6702 windgebied II,
onbebouwd, rekening houdend met de reductiefactor volgens 5.5.2
van die norm |
o. de onderdelen 11.1, 11.4 en
hoofdstuk 12 blijven buiten toepassing.
Artikel 4.21. NEN 6068
Bij de toepassing van NEN 6068 geldt
het volgende:
in de onderdelen 6.3, 6.4, 7.1.1, 7.2.1
en 7.2.2 blijven de verwijzingen naar de normen NEN 6071, NEN 6072 en
NEN 6073, buiten toepassing.
Artikel 4.22. NEN 6069
Bij toepassing van NEN 6069 zijn bij de
verwijzing in de onderdelen A.A.1.1, A.A.1.2 en A.A.2.1 van deze norm
naar NEN 6700, NEN 6710, NEN 6720, NEN 6760, NEN 6770 en NEN 6790 de
artikelen 4.24, 4.27, 4.28, 4.29, 4.30 respectievelijk 4.31 van deze
regeling van toepassing.
Artikel 4.23. NEN 6090
Waar in artikel 1.1, tweede lid, van
het besluit is verwezen naar NEN 6090, is bedoeld:
a. in relatie tot de permanente
vuurbelasting onderdeel 3.5 van die norm, en
b. in relatie tot de vuurbelasting,
zijnde de som van de permanente vuurbelasting en de variabele
vuurbelasting, onderdeel 3.1 van die norm.
Artikel 4.24. NEN 6700
1. Bij de toepassing van NEN 6700
geldt het volgende:
a. ten aanzien van de verwijzing
in hoofdstuk 3 naar NEN 6702 is artikel 4.25 van deze regeling
van toepassing;
b. onderdeel 5.2.2 wordt als
volgt gelezen:
5.2.2. De referentieperiode voor
een bouwconstructie is ten minste een jaar, met dien verstande
dat voor de bepaling van de belastingen de referentieperiode
voor veiligheidsklassen 2 en 3 ten minste 15 jaar is;
c. onderdeel 5.3.3 wordt als
volgt gelezen:
5.3.3 Bouwconstructies moeten
zodanig zijn ontworpen dat het bezwijken van een onderdeel ten
gevolge van brand niet tot onevenredig grote schade leidt;
d. tabel 1, behorende bij
onderdeel 5.3.4, wordt als volgt gelezen:
Tabel 1. Veiligheidsklassen voor
bouwconstructies met betrekking tot de gevolgen van bezwijken
|
Veiligheidsklasse |
Gevolgen van
bezwijken |
|
Betrouwbaarheidsindex
ß |
|
| |
|
|
|
|
| |
|
|
Uiterste
grenstoestand |
|
| |
|
|
|
|
| |
Kans op
levensgevaar |
Kans op
economische schade |
Indien wind
maatgevend |
Overige
belastingen maatgevend |
|
1 |
Verwaarloosbaar klein |
Klein |
1,3 |
1,7 |
|
2 |
Klein |
Groot |
2,2 |
2,2 |
|
3 |
Groot |
Groot |
2,9 |
2,9 |
e. in onderdeel 6.1.1 blijft de
laatste volzin buiten toepassing;
f. onderdeel 6.1.2 blijft
buiten toepassing;
g. onderdeel 8.3.1 wordt als
volgt gelezen: 8.3.1 Bij de beoordeling moet zijn uitgegaan
van de feitelijke geometrie van de bouwconstructie;
h. onderdeel 8.3.2 blijft
buiten toepassing;
i. in onderdeel 9.1.2 vervalt
het laatste aandachtspunt;
j. onderdeel 9.3.1.6 blijft
buiten toepassing, en
k. onderdeel 9.4 blijft buiten
toepassing.
2. Bij verbouw van een bouwwerk
geen gebouw zijnde als bedoeld in artikel 2.4a van het besluit, is
artikel 4.14a van toepassing.
Artikel 4.25. NEN 6702
1. Bij de toepassing van NEN 6702
geldt het volgende:
a. ten aanzien van de
verwijzingen in de onderdelen 5.1, 6.3.1, 8.3.1.1 en 8.3.1.2
naar NEN 6700 is artikel 4.24 van deze regeling van toepassing;
b. tabel 1 behorende bij
onderdeel 5.1 van die norm wordt als volgt gelezen:
|
Aanduiding van de gebruiksfunctie
ab |
Veiligheidsklasse |
Referentieperiode |
|
Bouwwerken, geen gebouw zijnde,
ten behoeve van een primaire nutsvoorziening, of bouwwerken met
een primaire maatschappelijke of culturele functie (energie
centrale, schouwburg, bruggen, tunnels, e.d.) |
3 |
1 |
|
Bijeenkomstfunctie,
gezondheidszorgfunctie, onderwijsfunctie, sportfunctie, overige
gebruiksfunctie voor het personen vervoer, winkelfunctie,
kantoorfunctie, |
3 |
1 |
|
Logiesgebouw, woongebouw,
cellengebouw, |
3 |
1 |
|
Alle gebouwen ten behoeve van een
primaire nutsvoorziening, of bouwwerken met een primaire
maatschappelijke of culturele functie |
3 |
1 |
|
Alle gebouwen met meer dan twee
bouwlagen met uitzondering van: niet in woongebouwen gelegen
woonfuncties, woonfunctie van een woonwagen, niet in
logiesgebouwen gelegen logiesfuncties |
3 |
1 |
|
Alle bouwwerken waarin een
gedeelte mede is bestemd voor bezoekers |
3 |
1 |
|
Niet in een logiesgebouw gelegen
logiesfunctie |
2 |
1 |
|
Niet in een woongebouw gelegen
woonfunctie, niet zijnde de woonfunctie van een woonwagen |
2 |
1 |
|
Celfunctie, niet gelegen in een
cellengebouw |
2 |
1 |
|
Bouwwerken, geen gebouw zijnde |
2 |
1 |
|
Woonfunctie van een woonwagen
(woonwagen zelf) |
2 |
1 |
|
Industriefunctie, met ten hoogste
2 bouwlagen, niet zijnde een lichte industriefunctie |
2 |
1 |
|
Lichte industriefunctie |
1 |
1 |
|
Overige bouwwerken, geen gebouw
zijnde, van geringe betekenis |
1 |
1 |
a Indien een bouwconstructie
ten dienste staat van twee of meer gebruiksfuncties, zoals
bijvoorbeeld een funderingsconstructie van een
combinatiegebouw, moet die combinatie van veiligheidsklasse en
referentieperiode worden beschouwd die leidt tot bouwkundig
zwaarste oplossing.
b Bij de toepassing van de
tabel blijven niet-gemeenschappelijke ruimten van een
gebruiksfunctie, gelegen binnen de omhullende van een andere
gebruiksfunctie, die bijdraagt aan het functioneren van de
beschouwde gebruiksfunctie, buiten beschouwing.
c. tabel 2, behorende bij
onderdeel 5.2.1 van deze norm, wordt als volgt gelezen:
Tabel 2. Belastingsfactoren
uiterste grenstoestand
| Veiligheidsklasse |
Belastingcombinaties |
γf;g;u (γf;p;u) |
|
γf;q;u |
γf;q;u |
γ f;a;u |
| |
|
Normaal
(ongunstig) |
Gunstig |
Wind |
Overig |
|
| |
Fundamentele combinaties a |
|
|
|
|
|
| 1 |
1 |
1 |
0,9 |
1 |
1 |
– |
| 2 |
1 |
1,15 |
0,9 |
1,3 |
1,05 |
– |
| 3 |
1 |
1,2 |
0,9 |
1,5 |
1,1 |
– |
| |
Bijzondere combinaties b |
|
|
|
|
|
| 1-2-3 |
3 |
1 |
1 |
1 |
1 |
1 |
a De fundamentele
belastingcombinaties voor ‘alleen permanente belasting’
hoeft voor bestaande bouw niet te worden gecontroleerd, omdat
deze impliciet reeds door de overige combinaties worden
afgedekt.
b De partiële factoren voor
bijzondere belastingen hebben in het geval van de beoordeling
van bestaande constructies uitsluitend betrekking op brand.
d. onderdeel 5.5.1 wordt als
volgt gelezen:
5.5.1 Voor de beoordeling van
de constructieve veiligheid van bestaande bouwwerken bedraagt
de referentieperiode 1 jaar;
e. in onderdeel 5.5.2 wordt
voor 't' gelezen:
t is de referentieperiode voor
de bepaling van de reductiefactor voor de gelijkmatig
verdeelde belasting in jaren volgens 5.5.1, waarbij voor
bouwwerken behorende tot veiligheidsklasse 2 of 3 voor de
bepaling van de correctie ten minste wordt uitgegaan van t =
15 jaren.
f. in onderdeel 6.1.1 van deze
norm wordt bij het laatste aandachtstreepje gelezen:
-
bijzondere belastingen
moeten zijn ontleend aan 9.2;
g. onderdeel 6.3.2, eerste
volzin, laatste aandachtspunt, blijft buiten toepassing;
h. ten aanzien van de
verwijzing in de onderdelen 6.3.3.3 naar NEN 6710, NEN 6720,
NEN 6760 en NEN 6770 zijn de artikelen 4.27, 4.28, 4.29
respectievelijk 4.30 van toepassing;
i. onderdeel 7.1.2.1 wordt als
volgt gelezen:
7.1.2.1 Het gewicht van
bouwwerken moet zijn berekend op grond van de werkelijke
afmetingen en het gemiddelde gewicht per volume van het
materiaal;
j. onderdeel 7.1.3.2 wordt als
volgt gelezen:
7.1.3.2 Niet-dragende
binnenwanden moeten in rekening zijn gebracht als lijnlast;
k. ten aanzien van de
verwijzing in onderdeel 7.3 naar NEN 6720 is artikel 4.28 van
toepassing;
l. onderdeel 8.2.5.3 van deze
norm blijft buiten toepassing;
m. onderdeel 8.3.2.1 van deze
norm wordt als volgt gelezen:
8.3.2.1 Voor de bepaling van de
belasting door goederen en transportmiddelen moet zijn
uitgegaan van de ten tijde van de verlening van de
bouwvergunning of de omgevingsvergunning berekende
vloerbelasting in relatie tot de oorspronkelijke bestemming
van die vloer;
n. in onderdeel 8.5.2:
1º. de eerste volzin van
de tweede alinea wordt als volgt gelezen:
Afhankelijk van het beladen
gewicht van de voertuigen, waarvan bij de verlening van de
bouwvergunning of de omgevingsvergunning is uitgegaan,
moet voor deze belastingen zijn aangehouden, en
2º. de eerste volzin van
het derde aandachtstreepje wordt als volgt gelezen:
De belasting moet zijn
bepaald op basis van het zwaarst mogelijke voertuig dat
van de garage gebruik maakt, en
o. In onderdeel 8.7.1.4 van
deze norm wordt γm = 1,3 gelezen als γm = 1,1
ingeval de hoogteligging van het dak, en de afmetingen en de
hoogteligging van de noodafvoeren als beschreven in onderdeel
8.7.1.3 in-situ zijn gemeten;
p. in onderdeel 8.8.2 van deze
norm wordt de eerste volzin als volgt gelezen:
De belastingen die optreden als
gevolg van temperatuurvariaties moeten zijn gebaseerd op de
grootte van de optredende temperatuurvariaties, zij het dat
ten minste moet zijn gerekend op temperaturen volgens tabel
12.
2. Bij verbouw van een bouwwerk
geen gebouw zijnde als bedoeld in artikel 2.4a van het besluit, is
artikel 4.15, tweede lid, van toepassing.
Artikel 4.26. NEN 6707
Bij de toepassing van NEN 6707 geldt
het volgende:
a. ten aanzien van de verwijzing in
onderdeel 5.2 alsmede bijlage C.3 naar NEN 6700 is artikel 4.24
van toepassing;
b. in onderdeel 5.2 wordt in de
voorlaatste alinea na NEN 6700 gelezen: , rekening houdend met een
referentieperiode van 1 jaar,;
c. in hoofdstuk 7 vervallen de
derde tot en met zevende alinea;
d. ten aanzien van de verwijzing in
onderdeel 9.1 alsmede de onderdelen 11.1, 11.2 en bijlage A.4 naar
NEN 6702 is artikel 4.25 van toepassing.
Artikel 4.27. NEN 6710
Bij de toepassing van NEN 6710 geldt
het volgende:
a. ten aanzien van de verwijzing in
onderdeel 5.2 alsmede onderdeel 5.2.0 naar NEN 6700 is artikel
4.24 van toepassing;
b. ten aanzien van de verwijzing in
onderdeel 5.2 alsmede hoofdstuk 12 naar NEN 6770 is artikel 4.30
van toepassing;
c. onderdeel 7.1.3.1 blijft buiten
toepassing;
d. in de onderdelen 7.1.3.2 en
7.1.4 blijft telkens de eerste volzin buiten toepassing;
e. onderdeel 7.2 blijft buiten
toepassing;
f. onderdeel 9.3.2.1 wordt als
volgt aangevuld:
Indien het toegepaste lasproces
niet bekend is, moeten de waarden voor TIG van tabel 8 zijn
aangehouden.;
g. onderdeel 9.3.2.2 wordt als
volgt aangevuld:
Indien het gebruikte
toevoegmateriaal niet bekend is, moeten de laagste waarden van
tabel 9 zijn aangehouden;
h. onderdeel 10.3 wordt als volgt
gelezen:
De toetsing of de uiterste
grenstoestanden niet zijn overschreden dient te zijn uitgevoerd
volgens de rekenregels gegeven in 10.3.1.;
i. onderdeel 10.3.2 blijft buiten
toepassing;
j. in de onderdelen 13.2.2,
13.2.3.1, 13.2.3.3 en 13.3.1 blijft telkens de eerste volzin
buiten toepassing;
k. onderdeel 13.2.3.5 blijft buiten
toepassing;
l. in onderdeel 13.3.2.1 blijft de
tweede volzin buiten toepassing;
m. in onderdeel 13.3.3.2b blijft de
alinea die begint met de zinsnede 'Indien volgens het lasproces,
als bedoeld in 7.2.2' en eindigt met de zinsnede 'uit de
resultaten van de kwalificatieproeven te bepalen', buiten
toepassing, en
n. onderdeel 13.4.1 blijft buiten
toepassing.
Artikel 4.28. NEN 6720
Bij de toepassing van NEN 6720 geldt
het volgende:
a. ten aanzien van de verwijzing in
onderdeel 4.1.2.0 en 4.1.2.2 naar NEN 6700 is artikel 4.24 van
toepassing;
b. onderdeel 4.3 blijft buiten
toepassing;
c. de onderdelen 5.1.1.2 tot en met
5.1.1.4, 5.1.2 tot en met 5.1.5, alsmede 5.2 blijven buiten
toepassing;
d. in onderdeel 6.1.1 wordt de
definitie van f'ck als volgt gelezen:
f'ck is de korteduur
karakteristieke kubusdruksterkte (kubusribbe 150 mm), waarvoor
moet worden aangehouden de ondergrens van het eenzijdige
overdekkingsinterval voor een fractie γ = 0,95 en een
onbetrouwbaarheidsdrempel α = 0,4, bepaald door middel van
onderzoek aan de constructie;
e. in onderdeel 6.1.2 wordt de
eerste volzin als volgt gelezen:
Treksterkte
De rekenwaarde van de treksterkte
ƒb moet zijn bepaald uit:
[Illustratie Verwijderd]
waarin:
a. f brep is de laagste waarde
van:
1º de waarde van de
karakteristieke korteduur splijttreksterkte (kubusribbe
150 mm), bepaald door middel van onderzoek aan de
constructie, of
2º f brep = 1,05 + 0,05
f'ck, in N/mm², en
b. γm is 1,4.;
f. onderdeel 6.1.3 wordt als volgt
gelezen:
De representatieve waarde en de
rekenwaarde van de elasticiteitsmodulus E'b is de laagste waarde
van:
a. 0,9 van de waarde van de
elasticiteitsmodulus in de oorsprong van de
spanning-rekrelatie, bepaald door middel van onderzoek aan de
constructie, of
b. E'b = (22250 + 250 f'ck), in
N/mm²;
g. onderdeel 6.1.5 de definitie van
kd wordt als volgt gelezen:
kd is de factor, afhankelijk van de
ouderdom tc van het beton, op het tijdstip van belasten zoals
aangegeven in tabel 5 voor sterkteklasse 32,5 en 32,5R;
h. ten aanzien van de verwijzing in
onderdeel 6.4 alsmede 9.16.2 naar NEN 6770 is artikel 4.30 van
toepassing;
i. in onderdeel 7.3.1 wordt de
eerste volzin als volgt gelezen:
Voor het bepalen van de
krachtsverdeling in een constructie moet zijn uitgegaan van de
schematisering van de constructie volgens 7.1 en een van de
theorieën genoemd in 7.2;
j. in onderdeel 8.1.1 wordt de
definitie van M d als volgt gelezen:
Md is de rekenwaarde van het
maximale buigend moment;
k. de onderdelen 8.1.7 en 8.6
blijven buiten toepassing;
l. onderdeel 8.7 wordt als volgt
gelezen:
Duurzaamheid
Vermindering van de sterkte van de
constructie door corrosie van de wapening dient in rekening te
zijn gebracht. Deze eis betreft zowel de sterktevermindering die
is opgetreden voor het moment van beoordelen als de te verwachten
sterktevermindering binnen één jaar, gerekend vanaf het moment
van beoordelen.;
m. onderdeel 9.1 blijft buiten
toepassing;
n. in onderdeel 9.2.a wordt de
tweede volzin als volgt gelezen:
De van toepassing zijnde
milieuklasse is milieuklasse 1;
o. de onderdelen 9.2.e en 9.4
blijven buiten toepassing, en
p. ten aanzien van de verwijzing in
onderdeel 9.14.3 naar NEN 6790 is artikel 4.30 van toepassing.
Artikel 4.29. NEN 6760
Bij de toepassing van NEN 6760 geldt
het volgende:
a. ten aanzien van de verwijzing in
onderdeel 5.2.1 alsmede onderdeel 5.3 naar NEN 6700 is artikel
4.24 van toepassing;
b. de onderdelen 7.3.1, 7.4.2, 7.5
tot en met 7.7, alsmede onderdeel 7.8.2 blijven buiten toepassing;
c. de eerste zinsnede tot de
dubbele punt van onderdeel 7.3.2 wordt als volgt gelezen:
Voor gevingerlast hout geldt dat de
rekenmethode volgens 5.2 alleen mag worden toegepast indien aan de
volgende voorwaarde is voldaan;
d. aan slot van onderdeel 7.4.1
wordt toegevoegd: waarbij de onderdelen die betrekking hebben op
het vaststellen van de eigenschappen van een partij buiten
toepassing blijven.
e. onderdeel 7.8.2 wordt als volgt
gelezen:
Om de bepalingsmethoden te mogen
toepassen moeten de houtconstructies zijn vervaardigd van hout dat
geen actieve aantasting bevat.
Voor berekeningen moet de
niet-aangetaste doorsnede zijn aangehouden.;
f. onderdeel 9.1.4 wordt als volgt
gelezen:
9.1.4 Voor de representatieve
waarden van de materiaaleigenschappen van vuren en grenen moet de
kwaliteitsklasse worden bepaald volgens NEN 5466.
Indien het hout kan worden
ingedeeld in kwaliteitsklasse A of B moet voor de representatieve
waarden worden uitgegaan van sterkteklasse C24. Indien het hout
kan worden ingedeeld in kwaliteitsklasse C moet voor de
representatieve waarden worden uitgegaan van sterkteklasse C18.
Voor de representatieve waarden van
de materiaaleigenschappen van azobé dient te worden uitgegaan van
sterkteklasse D70, waarvoor de volgende waarden gelden:
|
fm;0;rep |
= 70 N/mm² |
|
ρrep |
= 900 kg/m³ |
|
E0;ser;rep |
= 20.000 N/mm² |
|
f t;0;rep |
= 42 N/mm² |
|
ft;90;rep |
= 0,9 N/mm² |
|
fc;0;rep |
= 45 N/mm² |
|
fc;90;rep |
= 13,5 N/mm² |
|
f v;0;rep |
= 7 N/mm² |
|
E0;u;rep |
= 16.700 N/mm² |
|
E0;ser;rep |
= 1.330 N/mm² |
|
G ser;rep |
= 1.250 N/mm²; |
g. in onderdeel 9.1.5 wordt na `van
gelamineerd hout' gelezen: , ontleend aan de te beoordelen
constructie, ;
h. onderdeel 12.2.9 blijft buiten
toepassing;
i. in onderdeel 12.2.13 blijft de
alinea beginnend met de zinsnede 'Afhankelijk van het soort
verbindingsmiddel' buiten toepassing;
j. onderdeel 12.3.1 blijft buiten
toepassing;
k. onderdeel 12.3.5 wordt als volgt
gelezen:
Voor de bepaling van de
representatieve waarde van de schuifweerstand volgens 12.3.4 dient
de volgende waarde voor de stuiksterkte in rekening te zijn
gebracht:
[Illustratie Verwijderd]
waarbij:
f emb;rep;i is de getalswaarde van
de stuiksterkte van onderdeel i met i = 1, 2 of 3 in N/mm²;
ρrep is de getalswaarde van de
representatieve volumieke massa volgens 9.1.2 in kg/m³; en
d nom is de getalswaarde voor de
nominale middellijn van het verbindingsmiddel in mm.;
l. onderdeel 12.4.1 blijft buiten
toepassing;
m. onderdeel 12.4.5 wordt als volgt
gelezen:
Voor de bepaling van de
representatieve waarde van de schuifweerstand volgens 12.3.4 dient
de volgende waarde voor de stuiksterkte in rekening te zijn
gebracht:
[Illustratie Verwijderd]
waarbij:
f emb;rep;i is de getalswaarde van
de stuiksterkte van onderdeel i met i = 1, 2 of 3 in N/mm²;
ρrep is de getalswaarde van de
representatieve volumieke massa volgens 9.1.2 in kg/m³; en
d nom is de getalswaarde voor de
nominale middellijn van het verbindingsmiddel in mm.;
n. de onderdelen 12.5.1, 12.6.1 en
12.7.1 blijven buiten toepassing, en
o. in onderdeel 12.5.3 blijft de
tweede volzin buiten toepassing.
Artikel 4.30. NEN 6770
Bij de toepassing van NEN 6770 geldt
het volgende:
a. ten aanzien van de verwijzing in
onderdeel 5.2.0 alsmede onderdeel 5.3 naar NEN 6700 is artikel
4.24 van toepassing;
b. ten aanzien van de verwijzingen
vanuit NEN 6771 tot en met NEN 6773, naar welke normbladen vanuit
NEN 6770 is verwezen, naar NEN 6770 is telkens dit artikel van
toepassing;
c. onderdeel 5.2.4 blijft buiten
toepassing;
d. in onderdeel 7.1.4.1 blijft de
eerste volzin buiten toepassing;
e. in onderdeel 7.1.4.1 wordt de
laatste alinea als volgt gelezen:
Voor staal bedoeld in 7.1.3 moet op
overeenkomstige wijze de beproeving worden uitgevoerd.
f. de onderdelen 7.2 tot en met 7.6
blijven buiten toepassing;
g. in de onderdelen 9.1.2.1.3 en
13.4.1.1.5 blijft telkens de tweede volzin buiten toepassing;
h. in de onderdelen 13.4.1.1.4 en
13.4.1.2.1 blijft telkens de derde alinea buiten toepassing,
i. onderdeel 13.4.1.3.1 blijft
buiten toepassing.
Artikel 4.31. NEN 6790
Bij de toepassing van NEN 6790 geldt
het volgende:
a. ten aanzien van de verwijzing in
onderdeel 5.2.1 en onderdeel 5.3 naar NEN 6700 is artikel 4.24 van
toepassing;
b. onderdeel 7.1 en onderdeel 7.3
blijven buiten toepassing;
c. onderdeel 7.2 wordt als volgt
gelezen:
De rekenregels in deze norm zijn
niet van toepassing op metselwerk van cellenbeton dat op enigerlei
wijze in contact komt met grondwater;
d. de onderdelen 9.1.4 en 9.2.2
blijven buiten toepassing;
e. in onderdeel 12.2:
1º. de zin na het eerste
aandachtstreepje wordt als volgt gelezen:
-
krachten voortkomend uit
een scheefstand van 1/300 van de hoogte of de feitelijke
scheefstand, indien deze groter is dan 1/300 van de
hoogte, die voor ten minste vier naast elkaar gelegen
rijen kolommen of wanden van elke verdieping in dezelfde
richting moet worden aangenomen (zie fig. 14); en
2º. de zin na het tweede
aandachtstreepje wordt als volgt gelezen:
-
krachten voortkomend uit
windbelasting;
f. onderdeel 12.3 blijft buiten
toepassing, en
g. in Bijlage A:
1º in onderdeel A.1 blijft de
verwijzing in de tweede alinea naar onderdeel A.2 van bijlage
A buiten toepassing;
2º onderdeel A.2 blijft buiten
toepassing;
3º in onderdeel A.3 wordt het
opschrift als volgt gelezen:
Proefstukken
4º onderdeel A.3.1 wordt als
volgt gelezen:
Afmetingen
De proefstukken moeten aan de
ter beoordeling staande constructie zijn ontleend en moeten de
volgende afmetingen hebben:
-
de dikte dient gelijk te
zijn aan de bouwdeeldikte met een maximum van 300 mm;
-
de breedte dient gelijk te
zijn aan de dikte; en
-
de hoogte moet gelijk zijn
aan 5 maal de dikte.;
5º. onderdeel A.3.2 wordt als
volgt gelezen:
Aantal proefstukken
Er moeten ten minste 6
proefstukken zijn vervaardigd, en
6º. onderdeel A.3.3 blijft
buiten toepassing.
Artikel 4.32. NEN 8087
Waar in artikel 3.89 van het besluit is
verwezen naar NEN 8087, is bedoeld onderdeel 4.1 of 4.3 van die norm.
Artikel 4.33 [Vervallen per 01-09-2005]
Artikel 4.34 [Vervallen per 01-09-2005]
Hoofdstuk 5. Veiligheidseisen voor
wegtunnels
Afdeling 5.1. Sterkte bij brand
§ 5.1.1. Nieuwbouw
Artikel 5.1
Voor een te bouwen wegtunnel met een
tunnellengte van meer dan 250 m is aan artikel 2.9, zevende lid, van
het besluit voldaan, indien een uiterste grenstoestand van een
hoofddraagconstructie van een wegtunnelbuis gedurende 60 minuten, en
voorzover deze onder open water ligt 120 minuten, niet wordt
overschreden bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere
belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand.
§ 5.1.2. Bestaande bouw
Artikel 5.2
Voor een bestaande wegtunnel met een
tunnellengte van meer dan 250 m is aan artikel 2.12, vijfde lid, van
het besluit voldaan, indien een uiterste grenstoestand van een
hoofddraagconstructie van een wegtunnelbuis gedurende 30 minuten, en
voorzover deze onder open water ligt 60 minuten, niet wordt
overschreden bij de volgens NEN 6702 bepaalde bijzondere
belastingscombinaties die kunnen optreden bij brand.
Afdeling 5.2. Overbrugging van
hoogteverschillen
§ 5.2.1. Nieuwbouw
Artikel 5.3
Voor een te bouwen wegtunnel met een
tunnellengte van meer dan 250 m is aan artikel 2.24, tweede lid, van
het besluit voldaan, indien:
a. een hoogteverschil tussen
vloeren waarover een rookvrije vluchtroute voert of tussen een van
die vloeren en het aansluitende terrein, dat groter is dan 0,21 m
wordt overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan,
behalve voorzover de rookvrije vluchtroute door een wegtunnelbuis
voert;
b. een hoogteverschil tussen
vloeren waarover een route voert als bedoeld in artikel 5.25,
onderdeel 2, dat groter is dan 0,3 m wordt overbrugd door een
vaste trap of een vaste hellingbaan.
§ 5.2.2. Bestaande bouw
Artikel 5.4
Voor een bestaande wegtunnel met een
tunnellengte van meer dan 250 m is aan artikel 2.26, tweede lid, van
het besluit voldaan, indien:
a. een hoogteverschil tussen
vloeren waarover een rookvrije vluchtroute voert of tussen een van
die vloeren en het aansluitende terrein, dat groter is dan 0,22 m
wordt overbrugd door een vaste trap of een vaste hellingbaan,
behalve voorzover de rookvrije vluchtroute door een wegtunnelbuis
voert;
b. een hoogteverschil tussen
vloeren waarover een route voert als bedoeld in artikel 5.27,
onderdeel 1, dat groter is dan 0,3 m wordt overbrugd door een
vaste trap of een vaste hellingbaan.
Afdeling 5.3. Trap, Nieuwbouw
Artikel 5.5
Voor een te bouwen wegtunnel met een
tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.27,
tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan
door toepassing van de artikelen 2.28, vijfde lid, 2.29, eerste lid,
2.30, eerste en tweede lid, en 2.31 van het besluit.
Afdeling 5.4. Elektriciteits- en
noodstroomvoorziening
§ 5.4.1. Nieuwbouw
Artikel 5.6
Voor een te bouwen wegtunnel met een
tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.46,
tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan
door toepassing van de artikelen 2.47, 2.48, 2.49 en 2.50 van het
besluit.
§ 5.4.2. Bestaande bouw
Artikel 5.7
Voor een bestaande wegtunnel met een
tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.52,
tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan
door toepassing van de artikelen 2.53, 2.54 en 2.55 van het besluit.
Afdeling 5.5. Verlichting
§ 5.5.1. Nieuwbouw
Artikel 5.8
Voor een te bouwen wegtunnel met een
tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.56,
tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan
door toepassing van de artikelen 2.58, 2.59, derde en vierde lid, 2.60
en 2.61, tweede lid, van het besluit en van artikel 5.9.
Artikel 5.9
Een wegtunnel heeft een
verlichtingsinstallatie die een vloer, een trap en een hellingbaan kan
verlichten met een verlichtingssterkte van ten minste 10 lux.
Artikel 5.10
Voor een wegtunnel met een tunnellengte
van meer dan 250 m is aan artikel 2.59, derde lid, van het besluit
voldaan, indien een verlichtingsinstallatie als bedoeld in artikel 5.9
is aangesloten op een voorziening voor noodstroom als bedoeld in
artikel 2.47, tweede lid, van het besluit.
§ 5.5.2. Bestaande bouw
Artikel 5.11
Voor een bestaande wegtunnel met een
tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.63,
tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan
door toepassing van de artikelen 2.65, 2.66, derde en vierde lid, en
2.67 van het besluit en van artikel 5.12.
Artikel 5.12
Een wegtunnel heeft een
verlichtingsinstallatie die een vloer, een trap en een hellingbaan kan
verlichten met een verlichtingssterkte van ten minste 10 lux.
Artikel 5.13
Voor een wegtunnel met een tunnellengte
van meer dan 250 m is aan artikel 2.66, derde lid, van het besluit
voldaan, indien een verlichtingsinstallatie als bedoeld in artikel
5.12 is aangesloten op een voorziening voor noodstroom als bedoeld in
artikel 2.53, tweede lid, van het besluit.
Afdeling 5.6. Beperking van uitbreiding
van brand
§ 5.6.1. Nieuwbouw
Artikel 5.14
Voor een te bouwen wegtunnel met een
tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.103,
tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan
door toepassing van de artikelen 2.104, eerste en derde lid, 2.105,
eerste en achtste lid, 2.106, eerste en vijfde lid, 2.107 van het
besluit en van artikel 5.17.
Artikel 5.15
Voor een wegtunnel met een tunnellengte
van meer dan 250 m wordt de eerste volzin van artikel 2.104, eerste
lid, van het besluit als volgt gelezen:
Een besloten ruimte en een
wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m liggen in
een brandcompartiment.
Artikel 5.16
Voor een wegtunnel met een tunnellengte
van meer dan 250 m wordt artikel 2.105, achtste lid, van het besluit
als volgt gelezen:
8. Een brandcompartiment strekt zich
uit over niet meer dan een wegtunnelbuis.
Artikel 5.17
Een wegtunnelbuis met een lengte van
meer dan 250 m heeft ter beperking van uitbreiding van brand door
verspreiding van brandbare vloeistoffen en ter beperking van
verspreiding van giftige vloeistoffen, ten minste iedere 20 m gemeten
in de lengterichting roosters of andere voorzieningen die deze stoffen
voldoende kunnen afvoeren.
§ 5.6.2. Bestaande bouw
Artikel 5.18
Voor een bestaande wegtunnel met een
tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.110,
tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan
door toepassing van de artikelen 2.111, eerste en derde lid, 2.112,
eerste en zevende lid, 2.113 en 2.114 van het besluit en van artikel
5.21.
Artikel 5.19
Voor een wegtunnel met een tunnellengte
van meer dan 250 m wordt de eerste volzin van artikel 2.111, eerste
lid, van het besluit als volgt gelezen:
Een besloten ruimte en een
wegtunnelbuis met een tunnelbuislengte van meer dan 250 m liggen in
een brandcompartiment.
Artikel 5.20
Voor een wegtunnel met een tunnellengte
van meer dan 250 m wordt artikel 2.112, zevende lid, van het besluit
als volgt gelezen:
7. Een brandcompartiment strekt zich
uit over niet meer dan een wegtunnelbuis.
Artikel 5.21
Een wegtunnelbuis met een lengte van
meer dan 250 m heeft ter beperking van uitbreiding van brand door
verspreiding van brandbare vloeistoffen en ter beperking van
verspreiding van giftige vloeistoffen op een afvoervoorziening
aangesloten voorzieningen die deze stoffen voldoende kunnen afvoeren.
Afdeling 5.7. Beperking van
verspreiding van rook
§ 5.7.1. Nieuwbouw
Artikel 5.22
Voor een te bouwen wegtunnel met een
tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.134,
tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan
door toepassing van de artikelen 2.135, eerste lid, 2.137 en 2.138 van
het besluit.
§ 5.7.2. Bestaande bouw
Artikel 5.23
Voor een bestaande wegtunnel met een
tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.140,
tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan
door toepassing van de artikelen 2.141, 2.143 en 2.144 van het
besluit.
Afdeling 5.8. Vluchten binnen een
rookcompartiment en een subbrandcompartiment
§ 5.8.1. Nieuwbouw
Artikel 5.24
Voor een te bouwen wegtunnel met een
tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.145,
tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan
door toepassing van de artikelen 2.148, tweede tot en met vierde lid,
van het besluit en van artikel 5.25.
Artikel 5.25
Voor een wegtunnel met een tunnellengte
van meer dan 250 m, worden het tweede tot en met vierde lid van
artikel 2.148 van het besluit als volgt gelezen:
2. De loopafstand tussen een punt op de
rijbaanvloer en ten minste een toegang van het rookcompartiment is ten
hoogste 150 m. Deze afstand wordt gemeten over een route die
uitsluitend voert over vloeren, trappen of hellingbanen zonder dat
deuren worden gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend.
Deze route heeft een vrije doorgang met een breedte van ten minste
0,85 m en een hoogte van ten minste 2.1 m. De breedte geldt niet
voorzover deze route over een trap voert. De afstand tussen twee
toegangen is ten hoogste 250 m.
3. Een toegang van een rookcompartiment
heeft een vrije doorgang met een breedte van ten minste 0,85 m en een
hoogte van ten minste 2.1 m.
4. Een deur van een toegang van een
rookcompartiment draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting
in.
§ 5.8.2. Bestaande bouw
Artikel 5.26
Voor een bestaande wegtunnel met een
tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.150,
tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan
door toepassing van de artikelen 2.152, eerste tot en met derde lid,
van het besluit en artikel 5.27.
Artikel 5.27
Voor een wegtunnel met een tunnellengte
van meer dan 250 m worden het eerste tot en met derde lid van artikel
2.152 van het besluit als volgt gelezen:
1. De loopafstand tussen een punt op de
rijbaanvloer en ten minste een toegang van het rookcompartiment is ten
hoogste 150 m. Deze afstand wordt gemeten over een route die
uitsluitend voert over vloeren, trappen of hellingbanen zonder dat
deuren worden gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend.
Deze route heeft een vrije doorgang met een breedte van ten minste 0,7
m en een hoogte van ten minste 1,9 m. De afstand tussen twee toegangen
is ten hoogste 250 m.
2. Een toegang van een rookcompartiment
heeft een vrije doorgang met een breedte van ten minste 0,7 m en een
hoogte van ten minste 1,9 m.
3. Een deur van een toegang van een
rookcompartiment draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting
in.
Afdeling 5.9. Vluchtroutes
§ 5.9.1. Nieuwbouw
Artikel 5.28
Voor een te bouwen wegtunnel met een
tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.153,
tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan
door toepassing van de artikelen 2.154, eerste lid en 2.156, eerste
lid, van het besluit.
Artikel 5.29
Voor een wegtunnel met een tunnellengte
van meer dan 250 m, wordt artikel 2.156, eerste lid, van het besluit
als volgt gelezen:
1. Ter plaatse van een toegang van een
rookcompartiment begint een rookvrije vluchtroute.
§ 5.9.2. Bestaande bouw
Artikel 5.30
Voor een bestaande wegtunnel met een
tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.160,
tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan
door toepassing van de artikelen 2.161, eerste lid, en 2.163, eerste
lid van het besluit.
Artikel 5.31
Voor een wegtunnel met een tunnellengte
van meer dan 250 m, wordt artikel 2.163, eerste lid, van het besluit
als volgt gelezen:
1. Ter plaatse van een toegang van een
rookcompartiment begint een rookvrije vluchtroute.
Afdeling 5.10. Inrichting van rookvrije
vluchtroutes
§ 5.10.1. Nieuwbouw
Artikel 5.32
Voor een te bouwen wegtunnel met een
tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.166,
tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan
door toepassing van de artikelen 2.167, eerste en tweede lid, 2.168,
2.169, 2.170, eerste lid, 2.171, eerste lid, 2.173 en 2.174, van het
besluit.
Artikel 5.33
Voor een wegtunnel met een tunnellengte
van meer dan 250 m worden het eerste en tweede lid van artikel 2.167
van het besluit als volgt gelezen:
1. Een toegang waardoor een rookvrije
vluchtroute voert heeft een vrije doorgang met een breedte van ten
minste 0,85 m en een hoogte van ten minste 2,1 m.
2. Een rookvrije vluchtroute heeft een
vrije doorgang met een breedte van ten minste 1,2 m en een hoogte van
ten minste 2,1 m. De breedte geldt niet voor een verkeersroute
voorzover deze over een trap voert en niet voor een toegang.
Artikel 5.34
Voor een wegtunnel met een tunnellengte
van meer dan 250 m wordt artikel 2.171, eerste lid, van het besluit
als volgt gelezen:
1. Een deur die in een rookvrije
vluchtroute ligt draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting
in.
§ 5.10.2. Bestaande bouw
Artikel 5.35
Voor een bestaande wegtunnel met een
tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.176,
tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan
door toepassing van de artikelen 2.176, eerste en tweede lid, 2.177,
2.178, 2.179, 2.180, eerste lid, en 2.182 van het besluit.
Artikel 5.36
Voor een wegtunnel met een tunnellengte
van meer dan 250 m worden het eerste en tweede lid van artikel 2.176
van het besluit als volgt gelezen:
1. Een toegang waardoor een rookvrije
vluchtroute voert heeft een vrije doorgang met een breedte van ten
minste 0,7 m en een hoogte van ten minste 1,9 m.
2. Een rookvrije vluchtroute heeft een
vrije doorgang met een breedte van ten minste 0,7 m en een hoogte van
ten minste 1,9 m.
Artikel 5.37
Voor een wegtunnel met een tunnellengte
van meer dan 250 m wordt artikel 2.180, eerste lid, van het besluit
als volgt gelezen:
1. Een deur die in een rookvrije
vluchtroute ligt, draait bij het openen niet tegen de vluchtrichting
in.
Afdeling 5.11. Voorkoming en beperking
van ongevallen bij brand
§ 5.11.1. Nieuwbouw
Artikel 5.38
Voor een te bouwen wegtunnel met een
tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.183,
tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan
door toepassing van artikel 2.186, tweede lid, van het besluit en van
artikel 5.39.
Artikel 5.39
Een wegtunnelbuis met een lengte van
meer dan 250 m heeft een zodanig aantal hulpposten dat de loopafstand
tussen een punt op de rijbaanvloer en ten minste een hulppost niet
groter is dan 75 m. Deze afstand wordt gemeten over een route die
uitsluitend voert over vloeren, trappen of hellingbanen zonder dat
deuren worden gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend. De
afstand tussen twee opeenvolgende hulpposten is ten hoogste 100 m.
§ 5.11.2. Bestaande bouw
Artikel 5.40
Voor een bestaande wegtunnel met een
tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.188,
tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan
door toepassing van de artikelen 2.189 van het besluit en van artikel
5.41.
Artikel 5.41
Een wegtunnelbuis met een lengte van
meer dan 250 m heeft een zodanig aantal hulpposten dat de loopafstand
tussen een punt op de rijbaanvloer en ten minste een hulppost niet
groter is dan 75 m. Deze afstand wordt gemeten over een route die
uitsluitend voert over vloeren, trappen of hellingbanen zonder dat
deuren worden gepasseerd die met een sleutel moeten worden geopend. De
afstand tussen twee opeenvolgende hulpposten is ten hoogste 100 m.
Afdeling 5.12. Bestrijding van brand
§ 5.12.1. Nieuwbouw
Artikel 5.42
Voor een te bouwen wegtunnel met een
tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.190,
tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan
door toepassing van de artikelen 2.191, eerste lid, 2.192, eerste lid,
en 2.193, eerste lid, van het besluit.
Artikel 5.43
Voor een wegtunnel met een tunnellengte
van meer dan 250 m is aan artikel 2.191, eerste lid, van het besluit
voldaan, indien een wegtunnelbuis een blusleiding heeft.
Artikel 5.44
Voor een wegtunnel met een tunnellengte
van meer dan 250 m wordt artikel 2.192, eerste lid, van het besluit
als volgt gelezen:
1. Een in artikel 2.191 van het besluit
bedoelde blusleiding heeft een brandslangaansluiting in een hulppost
als bedoeld in artikel 5.39.
§ 5.12.2. Bestaande bouw
Artikel 5.45
Voor een bestaande wegtunnel met een
tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 2.196,
tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan
door toepassing van de artikelen 2.197, tweede lid, 2.198 en 2.199 van
het besluit.
Artikel 5.46
Voor een wegtunnel met een tunnellengte
van meer dan 250 m is aan artikel 2.197, tweede lid, van het besluit
voldaan, indien een wegtunnelbuis een blusleiding heeft.
Artikel 5.47
Voor een wegtunnel met een tunnellengte
van meer dan 250 m wordt artikel 2.198 van het besluit als volgt
gelezen:
Artikel 2.198
Een in artikel 2.197 van het besluit
bedoelde blusleiding heeft een brandslangaansluiting in een hulppost
als bedoeld in artikel 5.41.
Afdeling 5.13. Luchtverversing van
overige ruimten
§ 5.13.1. Nieuwbouw
Artikel 5.48
Voor een te bouwen wegtunnel met een
tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 3.67,
tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan
door toepassing van de artikelen 3.68, vijfde lid, en 3.69, vijfde
lid, van het besluit en van de artikelen 5.49 en 5.50.
Artikel 5.49
Bij een wegtunnelbuis met een
tunnelbuislengte van meer dan 500 m is de component voor afvoer van
lucht als bedoeld in de in artikel 3.68, vijfde lid, van het besluit
bedoelde voorziening voor luchtverversing mechanisch.
Artikel 5.50
Bij een wegtunnelbuis met een
tunnelbuislengte van meer dan 250 m vindt de toevoer van verse lucht
als bedoeld in artikel 3.68, vijfde lid, van het besluit rechtstreeks
van buiten plaats. Afvoer van binnenlucht vindt rechtstreeks naar
buiten plaats.
§ 5.13.2. Bestaande bouw
Artikel 5.51
Voor een bestaande wegtunnel met een
tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 3.74,
tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan
door toepassing van de artikelen 3.75, vijfde lid, en 3.76, vijfde
lid, van het besluit en van de artikelen 5.52 en 5.53.
Artikel 5.52
Bij een tunnelbuislengte van meer dan
500 m is de component voor afvoer van lucht als bedoeld in de in
artikel 3.75, vijfde lid, van het besluit bedoelde voorziening voor
luchtverversing mechanisch.
Artikel 5.53
Bij een wegtunnelbuis met een
tunnelbuislengte van meer dan 250 m vindt de toevoer van verse lucht
als bedoeld in artikel 3.75, vijfde lid, van het besluit rechtstreeks
van buiten plaats. Afvoer van binnenlucht vindt rechtstreeks naar
buiten plaats.
Afdeling 5.14. Meterruimte, Nieuwbouw
Artikel 5.54
Voor een te bouwen wegtunnel met een
tunnellengte van meer dan 250 m is in afwijking van artikel 4.65,
tweede lid, van het besluit aan het eerste lid van dat artikel voldaan
door toepassing van de artikelen 4.66, eerste lid, 4.67, derde lid, en
4.69 van het besluit.
Afdeling 5.15. Inrichtingseisen
§ 5.15.1. Nieuwbouw
Artikel 5.55
Een buiten de bebouwde kom gelegen te
bouwen wegtunnel voor twee rijrichtingen met een tunnellengte van meer
dan 250 m heeft ten minste twee wegtunnelbuizen.
Artikel 5.56
Een te bouwen wegtunnelbuis met een
tunnellengte van meer dan 250 m heeft een rijbaanvloer met een helling
van ten hoogste 1 : 20.
Artikel 5.57
Een te bouwen wegtunnel met een
tunnellengte van meer dan 250 m heeft een voorziening die een uit
oogpunt van verkeersveiligheid voldoende geleidelijke overgang van
daglicht naar kunstlicht waarborgt.
Artikel 5.58
Een te bouwen wegtunnelbuis met een
tunnellengte van meer dan 250 m heeft, voor een doelmatige doorgang
voor wegvoertuigen, een vloer met een breedte van ten minste 7 m en
een hoogte boven die breedte van ten minste 4,2 m.
§ 5.15.2. Bestaande bouw
Artikel 5.59
Een buiten de bebouwde kom gelegen
bestaande wegtunnel voor twee rijrichtingen met een tunnellengte van
meer dan 250 m heeft ten minste twee wegtunnelbuizen.
Artikel 5.60
Een buiten de bebouwde kom gelegen
bestaande wegtunnel met een tunnellengte van meer dan 250 m heeft een
voorziening die een uit oogpunt van verkeersveiligheid voldoende
geleidelijke overgang van daglicht naar kunstlicht waarborgt.
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Artikel 6.1
De Regeling Bouwbesluit nieuwbouw 1998,
de Regeling Bouwbesluit bestaande bouw 1998, de Regeling Bouwbesluit
materialen 1998, de Regeling Bouwbesluit aansluitvoorwaarden en de
Regeling Bouwbesluit CE-markeringen en erkende kwaliteitsverklaringen
worden ingetrokken.
Artikel 6.2
Deze regeling treedt in werking met
ingang van 1 januari 2003.
Artikel 6.3
Deze regeling wordt aangehaald als:
Regeling Bouwbesluit 2003.
Den Haag, 22 november 2002.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
H.G.J. Kamp.
Bijlage I, behorende bij artikel 1.2,
eerste lid
|
NEN |
47 |
1970 |
Technische tekeningen –
Doorsnede-aanduidingen van materialen op bouwkundige tekeningen,
inclusief correctieblad C1:1971 |
|
NEN |
379 |
2003 |
Technische productdocumentatie
– Vouwen en inhechten van tekenbladen |
|
NEN |
1006 |
2002 |
Algemene voorschriften voor
leidingwaterinstallaties (AVWI- 2002), inclusief wijzigingsblad
A2: 2008 |
|
NEN |
1006 |
1981 |
Algemene voorschriften voor
drinkwaterinstallaties (AVWI-1981), inclusief correctieblad C1:
1990 (bestaande bouw) |
|
NEN |
1010 |
2007 |
Veiligheidsbepalingen voor
laagspanningsinstallaties, inclusief correctieblad C1: 2008 |
|
NEN |
1041 |
2005 |
Veiligheidsbepalingen voor
hoogspanningsinstallaties |
|
V |
1041 |
1942 |
Leidraad voor den aanleg en een
veilig bedrijf van elektrische sterkstroominstallaties in
fabrieken en werkplaatsen (Fabrieksvoorschriften) – Deel II
– Hooge spanning (bestaande bouw) |
|
NEN |
1068 |
2001 |
Thermische isolatie van gebouwen
– Rekenmethoden, inclusief wijzigingsblad A5: 2008 |
|
NEN |
1078 |
2004 |
Voorziening voor gas met een
werkdruk tot en met 500 mbar – Prestatie-eisen – Nieuwbouw |
|
NEN |
1087 |
2001 |
Ventilatie van gebouwen –
Bepalingsmethoden voor nieuwbouw |
|
NEN |
1594 |
2006 |
Droge blusleidingen in en aan
gebouwen, inclusief correctieblad C1: 2007 |
|
NEN |
1594 |
1991 |
Droge blusleidingen in en aan
gebouwen, inclusief wijzigingsblad A1: 1997 (bestaande bouw) |
|
NEN |
1775 |
1991 |
Bepaling van de bijdrage tot
brandvoortplanting van vloeren, inclusief wijzigingsblad A1:
1997 |
|
NEN |
2057 |
2001 |
Daglichtopeningen van gebouwen
– Bepaling van de equivalente daglichtoppervlakte van een
ruimte, inclusief correctieblad C1: 2003 |
|
NEN |
2078 |
2001 |
Eisen voor industriële
gasinstallaties |
|
NEN |
2078 |
1987 |
Voorschriften voor
aardgasinstallaties GAVO 1987 – Deel 2: Aanvullende
voorschriften voor grotere bijzondere installaties (bestaande
bouw) |
|
NEN |
2302 |
1983 |
Tekeningen in de bouw –
Algemene regels |
|
NEN |
2555 |
2002 |
Brandveiligheid van gebouwen –
Rookmelders voor woonfuncties, inclusief wijzigingsblad A1: 2006 |
|
NEN |
2580 |
2007 |
Oppervlakten en inhouden van
gebouwen – Termen, definities en bepalingsmethoden, inclusief
correctieblad C1: 2008 |
|
NEN |
2608 |
1997 |
Vlakglas voor gebouwen –
Weerstand tegen windbelasting – Eisen en bepalingsmethode,
inclusief wijzigingsblad A1: 2001 en correctieblad C1: 2007 |
|
NEN |
2631 |
1979 |
Investeringskosten van gebouwen
– Begripsomschrijvingen en indeling |
|
NEN |
2686 |
1988 |
Luchtdoorlatendheid van gebouwen
– Meetmethode, inclusief wijzigingsblad A2: 2008 |
|
NEN |
2690 |
1991 |
Luchtdoorlatendheid van gebouwen
– Meetmethode voor de specifieke luchtvolumestroom tussen
kruipruimte en woning, inclusief wijzigingsblad A2: 2008 |
|
NEN |
2757 |
2001 |
Toevoer van verbrandingslucht en
afvoer van rook van verbrandingstoestellen in gebouwen –
Bepalingsmethoden |
|
NEN |
2768 |
1998 |
Meterruimten en bijbehorende
bouwkundige voorzieningen voor leidingaanleg in een woonfunctie,
inclusief wijzigingsblad A1: 2001 |
|
NEN |
2778 |
1991 |
Vochtwering in gebouwen –
Bepalingsmethoden, inclusief wijzigingsblad A3: 2004 |
|
NEN |
2916 |
2004 |
Energieprestatie van
utiliteitsgebouwen – Bepalingsmethode, inclusief
wijzigingsblad A1: 2008 |
|
NEN |
3215 |
2007 |
Binnenriolering – Eisen en
bepalingsmethoden |
|
NEN |
3859 |
2004 |
Tuinbouwkassen – Ontwerp en
constructie – Tuinbouwkassen voor de commerciële productie
van planten en gewassen |
|
NEN |
3859 |
1996 |
Tuinbouwkassen – Constructieve
eisen (bestaande bouw) |
|
NEN |
3870 |
1980 |
Tekeningen voor betonconstructies |
|
NEN |
5077 |
2001 |
Geluidwering in gebouwen –
Bepalingsmethoden voor de grootheden voor luchtgeluidisolatie,
contactgeluidisolatie, geluidwering van scheidingsconstructies
en geluidniveaus veroorzaakt door installaties, inclusief
wijzigingsblad A2: 2005 en correctieblad C1: 2005 |
|
NEN |
5087 |
2007 |
Inbraakveiligheid van woningen
– Bereikbaarheid van dak- en gevelelementen: deuren, ramen en
kozijnen |
|
NEN |
5096 |
2007 |
Inbraakwerendheid – Dak- of
gevelelementen met deuren, ramen, luiken en vaste vullingen –
Eisen, classificatie en beproevingsmethoden, inclusief
correctieblad C1: 2007 |
|
NEN |
5128 |
2004 |
Energieprestatie van woonfuncties
en woongebouwen – Bepalingsmethode, inclusief wijzigingsblad
A1: 2008 |
|
NEN |
6061 |
1991 |
Bepaling van de weerstand tegen
het ontstaan van brand bij stookplaatsen, inclusief
wijzigingsblad A2: 2002 |
|
NEN |
6062 |
1991 |
Bepaling van de brandveiligheid
van rookafvoervoorzieningen, inclusief wijzigingsblad A1: 1997 |
|
NEN |
6063 |
2008 |
Bepaling van het brandgevaarlijk
zijn van daken |
|
NEN |
6064 |
1991 |
Bepaling van de onbrandbaarheid
van bouwmaterialen, inclusief wijzigingsblad A2: 2001 |
|
NEN |
6065 |
1991 |
Bepaling van de bijdrage tot
brandvoortplanting van bouwmateriaal (combinaties), inclusief
wijzigingsblad A1: 1997 |
|
NEN |
6066 |
1991 |
Bepaling van de rookproductie bij
brand van bouwmateriaal(combinaties), inclusief wijzigingsblad
A1: 1997 |
|
NEN |
6068 |
2008 |
Bepaling van de weerstand tegen
branddoorslag en brandoverslag tussen ruimten |
|
NEN |
6069 |
2005 |
Experimentele bepaling van de
brandwerendheid van bouwdelen en bouwproducten en het
classificeren daarvan, inclusief wijzigingsblad A1:2005 |
|
NEN |
6071 |
2001 |
Rekenkundige bepaling van de
brandwerendheid van bouwdelen – Betonconstructies |
|
NEN |
6072 |
1991 |
Rekenkundige bepaling van de
brandwerendheid van bouwdelen – Staalconstructies, inclusief
wijzigingsblad A2: 2001 en correctieblad C2: 2005 |
|
NEN |
6073 |
1991 |
Rekenkundige bepaling van de
brandwerendheid van bouwdelen – Houtconstructies, inclusief
correctieblad C1: 2005 |
|
NEN |
6075 |
1991 |
Bepaling van de weerstand tegen
rookdoorgang tussen ruimten, inclusief correctieblad C1: 2005 |
|
NEN |
6090 |
2006 |
Bepaling van de vuurbelasting |
|
NEN |
6700 |
2005 |
Technische grondslagen voor
bouwconstructies – TGB 1990 – Algemene basiseisen, inclusief
wijzigingsblad A1:2008 |
|
NEN |
6702 |
2001 |
Technische grondslagen voor
bouwconstructies – TGB 1990 – Belastingen en vervormingen,
inclusief wijzigingsblad A1: 2005 |
|
NEN |
6707 |
2001 |
Bevestiging van dakbedekkingen
– Eisen en bepalingsmethoden, inclusief wijzigingsblad A1:
2007 |
|
NEN |
6710 |
1991 |
Technische grondslagen voor
bouwconstructies – TGB 1990 – Aluminiumconstructies –
Basiseisen en basisrekenregels voor overwegend statisch belaste
constructies, inclusief wijzigingsblad A2: 2001 |
|
NEN |
6720 |
1995 |
Technische grondslagen voor
bouwconstructies – TGB 1990 – Voorschriften Beton –
Constructieve eisen en rekenmethoden (VBC 1995), inclusief
wijzigingsblad A4: 2007 |
|
NEN |
6760 |
2001 |
Technische grondslagen voor
bouwconstructies – TGB 1990 – Houtconstructies –
Basiseisen – Eisen en bepalingsmethoden, inclusief
correctieblad C1: 2002 |
|
NEN |
6770 |
1997 |
Technische grondslagen voor
bouwconstructies – TGB 1990 – Staalconstructies –
Basiseisen en basisrekenregels voor overwegend statisch belaste
constructies, inclusief wijzigingsblad A1: 2001 |
|
NEN |
6790 |
2005 |
Technische grondslagen voor
bouwconstructies – TGB 1990 – Steenconstructies –
Basiseisen en bepalingsmethoden |
|
NEN |
6790 |
1991 |
Technische grondslagen voor
bouwconstructies – TGB 1990 – Steenconstructies –
Basiseisen en bepalingsmethoden, inclusief wijzigingsblad
A2:2001 (bestaande bouw) |
|
NEN |
8062 |
1995 |
Brandveiligheid van gebouwen –
Methode voor het beoordelen van de brandveiligheid van
rookafvoervoorzieningen van bestaande gebouwen, inclusief
wijzigingsblad A1:1997 |
|
NEN |
8078 |
2004 |
Voorziening voor gas met een
werkdruk tot en met 500 mbar – Prestatie-eisen – Bestaande
bouw |
|
NEN |
8087 |
2001 |
Ventilatie van gebouwen –
Bepalingsmethoden voor bestaande gebouwen |
|
NEN |
8757 |
2005 |
Afvoer van rook van
verbrandingstoestellen in gebouwen – Bepalingsmethoden voor
bestaande bouw |
|
NEN-EN |
81-72 |
2003 |
Veiligheidsregels voor het
vervaardigen en aanbrengen van liften – Bijzondere
toepassingen voor personenliften en personen-goederenliften –
Deel 72: Brandweerliften |
|
NEN-EN |
12354-6 |
2004 |
Geluidwering in gebouwen –
Berekening van de akoestische eigenschappen van gebouwen met de
eigenschappen van bouwelementen – Deel 6: Geluidabsorptie in
gesloten ruimten |
|
NEN-EN |
13501-1 |
2007 |
Brandclassificatie van
bouwproducten en bouwdelen – Deel 1: Classificatie op grond
van resultaten van beproeving van het brandgedrag |
|
NEN-EN |
45004 |
1996 |
Algemene criteria voor het
functioneren van verschillende soorten instellingen die
keuringen uitvoeren |
|
NEN-EN |
45011 |
1998 |
Algemene eisen voor instellingen
die productcertificatie-systemen uitvoeren |
|
NEN-EN |
45012 |
1998 |
Algemene eisen voor instellingen
die beoordeling en certificatie/registratie van
kwaliteitssystemen uitvoeren |
|
NEN-EN-ISO/IEC |
17025 |
2005 |
Algemene eisen voor de
bekwaamheid van beproevings- en kalibratielaboratoria, inclusief
correctieblad C1: 2007. |
Bijlage II, behorende bij artikel 1.13,
tweede lid
Toetsingscriteria voor certificatie- en
inspectie-instellingen en testlaboratoria in het kader van de
richtlijn bouwproducten.
De basis voor de toetsing van te
notificeren instellingen is de EN 45000 serie, of NEN-EN-ISO/IEC
17025:2000 (onderdeel 3.3 van het Guidance Paper A, Construct 00/402
Rev 1, `The designation of notified bodies in the field of the
construction products directive', d.d. 1 augustus 2002.
Toetsingscriteria (algemeen) voor
onderscheidenlijk:
-
Certificatie-instellingen:
NEN-EN 45011
NEN-EN 45012
-
Inspectie-instellingen:
NEN-EN 45012 of NEN-EN 45004
-
Testlaboratoria:
NEN-EN-ISO/IEC 17025
Niet alle onderdelen van bovengenoemde
normen zijn van toepassing voor de toetsing. Hieronder is een nadere
specificatie van de relevante onderdelen gegeven.
Toetsingscriteria voor het personeel
van de instelling
Aan artikel 1.13, eerste lid, onder c,
wordt voldaan indien voor:
-
type onderzoek van het product
voldaan is aan onderdeel 5.2.1 en 5.2.2 van NEN-EN-ISO/IEC 17025;
-
initiële inspectie van de fabriek
en de productiecontrole in de fabriek en voor steekproefsgewijze
controle van monsters voldaan is aan de onderdelen 2.1.2c, 2.1.2f,
2.1.2j en 2.2 van NEN-EN 45012 of onderdeel 8 van NEN-EN 45004;
-
permanente bewaking, beoordeling en
goedkeuring van de productiecontrole in de fabriek en het afgeven
van een conformiteitscertificaat voor een systeem van
productiecontrole en bewaking of het afgeven van een
conformiteitscertificaat voor het product zelf voldaan is aan de
onderdelen 4.2.c, 4.2.f, 4.2.j en 5 van NEN-EN 45011, alsmede aan
de onderdelen 2.1.2c, 2.1.2f, 2.1.2j en 2.2 van NEN-EN 45012.
Toetsingscriteria voor voorzieningen in
de instelling
Aan artikel 1.13, eerste lid, onder d,
wordt voldaan indien voor:
-
type onderzoek van het product
voldaan is aan de onderdelen 5.3 , 5.4, 5.5, 5.6.1, 5.6.2 en
5.6.3.1 van NEN-EN-ISO/IEC 17025;
-
initiële inspectie van de fabriek
en de productiecontrole en voor steekproefsgewijze controle van
monsters voldaan is aan de onderdelen 2.1.2n, 2.1.7 en 2.1.8 van
NEN-EN 45012, of de onderdelen 9 en 10 van NEN-EN 45004;
-
permanente bewaking, beoordeling en
goedkeuring van de productiecontrole in de fabriek en het afgeven
van een conformiteitscertificaat voor een systeem van
productiecontrole en bewaking of het afgeven van een
conformiteitscertificaat voor het product zelf voldaan is aan de
onderdelen 4.2n, 4.8 en 4.9 van NEN-EN 45011, alsmede aan de
onderdelen 2.1.2n, 2.1.7 en 2.1.8 van NEN-EN 45012.
Toetsingscriteria inzake de
onpartijdigheid van de instelling
Aan artikel 1.13, eerste lid, onder e,
wordt voldaan indien voor:
-
type onderzoek van het product
voldaan is aan de onderdelen 4.1.4 en 4.1.5 onderdelen (a), (b) en
(d) van NEN-EN-ISO/IEC 17025;
-
initiële inspectie van de fabriek
en de productiecontrole in de fabriek en voor steekproefsgewijze
controle van monsters voldaan is aan de onderdelen 2.1.1.1,
2.1.1.2, 2.1.2a, 2.1.2b, 2.1.2e, 2.1.2m, 2.1.2o en 2.1.2p van
NEN-EN 45012, of onderdeel 4 van NEN-EN 45004 voor instantie type
A;
-
permanente bewaking, beoordeling en
goedkeuring van de productiecontrole in de fabriek en het afgeven
van een conformiteitscertificaat voor een systeem van
productiecontrole en bewaking of het afgeven van een
conformiteitscertificaat voor het product zelf voldaan is aan de
onderdelen 4.1.1, 4.1.2, 4.2a, 4.2b, 4.2e, 4.2m, 4.2o en 4.2p van
NEN-EN 45011, alsmede aan de onderdelen 2.1.1.1, 2.1.1.2, 2.1.2a,
2.1.2b, 2.1.2e, 2.1.2m, 2.1.2o en 2.1.2p van NEN-EN 45012.
Toetsingscriteria voor een
kwaliteitssysteem van de instelling
Aan artikel 1.13, eerste lid, onder f,
wordt voldaan indien voor:
-
type onderzoek van het product
voldaan is aan de onderdelen 4.1.5, 4.2, 4.3.2.2, 4.4.3, 4.5, 4.8,
4.9.1, 4.10.1, 4.12, 4.13.1, 4.13.2, 4.14, en 5.2.1, 5.2.2, 5.3,
5.4.1, 5.4.2, 5.4.4, 5.4.6.1, 5.4.7.1, 5.5, 5.6.1, 5.6.2, 5.6.3.1,
5.7.3, 5.8, 5.10.1 t.m. 5.10.3, 5.10.4.1 (b), 5.10.5, 5.10.8 en
5.10.9 van NEN-EN-ISO/IEC 17025;
-
initiële inspectie van de fabriek
en de productiecontrole in de fabriek en voor steekproefsgewijze
controle van monsters voldaan is aan de onderdelen 2.1.1.3,
2.1.1.4, 2.1.2k, 2.1.2l, 2.1.4, 2.1.6, 2.3 en 2.4 van NEN-EN 45012
of de onderdelen 3.3, 6, 7, 10, 11, 12, 13 en 15 van NEN-EN 45004;
-
permanente bewaking, beoordeling en
goedkeuring van de productiecontrole in de fabriek en het afgeven
van een conformiteitscertificaat voor een systeem van
productiecontrole en bewaking of het afgeven van een
conformiteitscertificaat voor het product zelf voldaan is aan de
onderdelen 4.1.3, 4.1.4, 4.2k, 4.2.l, 4.3, 4.5, 4.7, 6 en 7 van
NEN-EN 45011, alsmede aan de onderdelen van 2.1.1.3, 2.1.1.4,
2.1.2k, 2.1.2l, 2.1.4, 2.1.6, 2.3 en 2.4 NEN-EN 45012.
Toetsingscriteria inzake de
zorgvuldigheid van de instelling
Aan artikel 1.13, eerste lid, onder g,
wordt voldaan indien voor:
-
type onderzoek van het product
voldaan is aan onderdelen.4.1.4 en 4.1.5 onderdelen (a), (b) en
(d)van NEN-EN-ISO/IEC 17025;
-
initiële inspectie van de fabriek
en de productiecontrole in de fabriek en voor steekproefsgewijze
controle van monsters voldaan is aan de onderdelen 2.1.2d, 2.1.2g,
2.1.2h, 2.1.5, 2.1.9 en 3.6 van NEN-EN 45012 of onderdeel 4 van
NEN-EN 45004 voor instelling type A;
-
permanente bewaking, beoordeling en
goedkeuring van de productiecontrole in de fabriek en het afgeven
van een conformiteitscertificaat voor een systeem van
productiecontrole en bewaking of het afgeven van een
conformiteitscertificaat voor het product zelf voldaan is aan de
onderdelen 4.2d, 4.2g, 4.2h, 4.6, 4.10 en 13 van NEN-EN 45011 en
de onderdelen 2.1.2d, 2.1.2g, 2.1.2h, 2.1.5, 2.1.9 en 3.6 van
NEN-EN 45012.
Bijlage III, behorende bij artikel
1.13, derde lid
Voorwaarden met betrekking tot het
uitbesteden van werkzaamheden in het kader van artikel 16 of 18 van de
richtlijn bouwproducten.
1. Uit te besteden werkzaamheden
dienen beperkt te zijn tot gedetailleerd beschreven technische
taken als testen, onderzoeken en kwaliteitssysteem audits.
2. Verdere uitbesteding van reeds
uitbesteed werk is niet toegestaan.
3. Taken op het gebied van
beoordeling en evaluatie worden niet uitbesteed.
4. De instelling verstrekt per
product/productgroep en per taak een overzicht.
5. De instelling die werkzaamheden
uitbesteedt, blijft voor alle werkzaamheden waarvoor de instelling
genotificeerd is verantwoordelijk.
|