|
BESLUIT van 4 juli
1986, houdende vaststelling van een examenreglement als bedoeld in de
Wet op de Zeevischvaartdiploma's 1935 (Stb. 1935, 455)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, mede namens
Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen, van 10 januari 1983, nr.
PJ/S 20132, Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken;
Gelet op artikel 3, tweede lid, onder a,
van de Wet op de Zeevischvaartdiploma’s 1935 (Stb.
1935, 455);
De Raad van State gehoord (advies van 6 april
1983, nr. W09.83.0034a/25.3.13);
Gezien het nader rapport van Onze voornoemde
Minister, mede namens Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen van
15 mei 1986, nr. PJ/S 30928, Directoraat-Generaal Scheepvaart en
Maritieme Zaken;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
- 1.
- De begripsbepalingen genoemd in
artikel 1, eerste lid, van de Wet op de Zeevischvaartdiploma's
1935 (Stb. 1935, 455) zijn van
toepassing.
- 2.
- In dit besluit wordt verstaan
onder:
"Commissie":
de Commissie, genoemd in artikel 2;
"voorzitter":
de voorzitter, genoemd in artikel 3, eerste lid;
"wet": de
Wet op de Zeevischvaartdiploma's 1935 (Stb.
1935, 455);
"examenprogramma":
het examenprogramma zeevisvaart, opgenomen in de bij dit besluit
behorende bijlage.
Hoofdstuk I.
Examencommissie
Artikel 2
Er is een Commissie
voor de zeevisvaartexamens, die, met het oog op de afgifte van
de diploma's en het bewijs, genoemd in artikel 2, eerste lid,
van de wet, examens afneemt ter verkrijging van:
- a.
- de verklaring
van bekendheid met de bepalingen ter voorkoming van
aanvaringen op zee S VII;
- b.
- de verklaring
voor de zeevisvaart SW VI;
- c.
- de verklaring
voor de zeevisvaart SW V;
- d.
- de verklaring
voor de zeevisvaart S IV-v;
- e.
- de verklaring
voor de zeevisvaart W IV-v;
Artikel 3
- 1.
- De Commissie bestaat uit een
voorzitter, leden en plaatsvervangende leden. De voorzitter
is een door Onze Minister aan te wijzen ambtenaar van zijn
ministerie. De leden en plaatsvervangende leden treden op
als examinator. Zij worden voor de tijd van ten hoogste twee
jaren benoemd door Onze Minister in overeenstemming met Onze
Minister van Onderwijs en Wetenschappen en zijn terstond
herbenoembaar. Bij de benoeming worden tevens uit de leden
een of meer plaatsvervangende voorzitters aangewezen. Van
iedere benoeming wordt schriftelijk kennis gegeven aan Onze
Minister van Onderwijs en Wetenschappen.
- 2.
- De leden en plaatsvervangende
leden van de Commissie ontvangen uit 's Rijks kas een
vergoeding van reis- en verblijfkosten overeenkomstig de
regelen welke gelden ter zake van reizen in Nederland ten
behoeve van het Rijk, alsmede, voor zover hun benoeming haar
oorzaak niet vindt in het ambt dat zij bekleden,
vacatiegelden.
Artikel 4
- 1.
- Onze Minister voorziet in het
secretariaat van de Commissie en wijst een ambtenaar van
zijn ministerie aan als secretaris.
- 2.
- De voorzitter wijst een of
meer leden aan als plaatsvervangend secretaris van de
Commissie.
Artikel 5
De Commissie brengt zo
spoedig mogelijk na afloop van een tijdvak als bedoeld in
artikel 7, aan Onze Minister verslag uit betreffende de gehouden
examens en zendt een afschrift van dat verslag aan Onze Minister
van Onderwijs en Wetenschappen.
Artikel 6
De voorzitter kan
nadere aanwijzingen geven voor het functioneren van de
Commissie.
Hoofdstuk II.
Organisatie en indeling examens
Artikel 7
Onze Minister bepaalt,
na overleg met Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen,
voor een tijdvak van ten hoogste een jaar de perioden waarin en
de plaats waar de Commissie zitting houdt, alsmede de
inschrijfperioden voor de examens.
Artikel 8
De voorzitter stelt de
roosters voor de te houden examens vast.
Artikel 9
- 1.
- De voorzitter roept de leden
en de plaatsvervangende leden van de Commissie op naarmate
de aard en de omvang der werkzaamheden hun tegenwoordigheid
vereisen.
- 2.
- In het belang van het goed
functioneren van de Commissie kan de voorzitter leden en
plaatsvervangende leden eveneens oproepen met het doel hen
in staat te stellen kennis te nemen van nieuwe
ontwikkelingen op het gebied van navigatie en
scheepswerktuigkunde.
Artikel 10
De examens, met
uitzondering van het examen ter verkrijging van de verklaring
van bekendheid met de bepalingen ter voorkoming van aanvaringen
op zee S VII, zullen naar verkiezing van de kandidaat worden
afgenomen hetzij in hun geheel, hetzij in twee delen als
aangegeven in het examenprogramma.
Hoofdstuk III.
Toelatingsvoorwaarden
Artikel 11
- 1.
- Degene die een in artikel 2
genoemd examen of een in artikel 10 bedoeld deel daarvan
wenst af te leggen, dient daartoe bij de voorzitter een
aanvraag in binnen de in artikel 7 bedoelde
inschrijfperiode.
- 2.
- Voor toelating tot een examen
als bedoeld in artikel 2, onder c, d
of e , dan wel een deel daarvan,
dient de kandidaat in het bezit te zijn van het bewijs dat
hij het eindexamen of examen, bedoeld in artikel 3, tweede
lid, onder a , van de wet, bestemd
voor het naast lagere diploma, met goed gevolg heeft
afgelegd. Indien de kandidaat een examen in twee delen
aflegt, dient hij voor de toelating tot deel II van het
examen tevens in het bezit te zijn van het bewijs dat hij
deel I met goed gevolg heeft afgelegd.
- 3.
- Terzake van de behandeling van
een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, is een
vergoeding verschuldigd volgens een door Onze Minister vast
te stellen tarief.
- 4.
- Bij een aanvraag dient de
kandidaat over te leggen:
- a.
- het
bewijs, bedoeld in het tweede lid;
- b.
- een
uittreksel uit het geboorteregister of, ten genoegen van
de voorzitter, een identiteitsbewijs;
- c.
- een bewijs
van betaling van de in het derde lid bedoelde vergoeding
en
- d.
- het bewijs
dat hij aan een school als bedoeld in artikel
14, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs
(Stb. 1967, 387) het onderwijs
in het vak visserijkunde met goed gevolg heeft
doorlopen.
- 5.
- De kandidaat die valse of
vervalste bescheiden overlegt, kan voor ten hoogste een jaar
door de voorzitter van deelneming aan een examen worden
uitgesloten.
Artikel 12
Onze Minister kan
ontheffing of vrijstelling verlenen van het bepaalde in artikel
11 onder zonodig door hem te stellen voorwaarden of beperkingen.
Hoofdstuk IV.
Examens
Artikel 13
- 1.
- Een in artikel 2 genoemd
examen of een deel daarvan dient binnen één
zittingsperiode als bedoeld in artikel 7, te worden afgelegd
in alle vakken die daarvoor zijn aangegeven in het
examenprogramma.
- 2.
- De kennis die wordt gevorderd,
is per vak aangegeven in het examenprogramma.
- 3.
- Onze Minister kan, na overleg
met Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen, aan de
bezitters van door hem aan te wijzen diploma's vrijstelling
verlenen van een of meer vakken van een examen.
- 4.
- In het examenprogramma is per
vak of gedeelte daarvan aangegeven of het examen daarin
schriftelijk, mondeling of praktisch wordt afgenomen.
Artikel 14
- 1.
- De voorzitter stelt, in
overleg met de betrokken examinatoren, de opgaven voor het
schriftelijk gedeelte van een examen vast.
- 2.
- Het schriftelijk examenwerk
wordt gemaakt op vanwege de Commissie uit te reiken
gewaarmerkt papier.
- 3.
- De kandidaten mogen bij het
schriftelijk gedeelte van het examen in het examenlokaal
niets anders meebrengen dan schrijfgerei en vanwege de
Commissie uitdrukkelijk toegestane andere benodigdheden.
- 4.
- Bij het schriftelijk en
praktisch examen zijn in elk lokaal waar examen wordt
afgenomen, zoveel leden van de Commissie voor het houden van
toezicht aanwezig, als door de voorzitter voldoende of
noodzakelijk wordt geacht.
- 5.
- De kandidaat levert al het
gebruikte papier in bij een der toezichthoudende leden.
Artikel 15
- 1.
- Bij elk mondeling examen is,
naast de examinator, ten minste één ander lid der
Commissie als bijzitter tegenwoordig. De bijzitter houdt
aantekening van de inhoud en het verloop van het examen van
iedere kandidaat.
- 2.
- Een examen dat mondeling wordt
afgenomen, is openbaar.
- 3.
- De voorzitter kan regels en
aanwijzingen geven voor het ordelijk verloop van een
mondeling examen.
- 4.
- De voorzitter kan een
toehoorder die zich niet naar de in het derde lid bedoelde
regels en aanwijzingen gedraagt, het verblijf in het
examenlokaal ontzeggen.
Artikel 16
- 1.
- Tijdens een examen mogen de
kandidaten niet met elkaar spreken, noch elkaars werk
bekijken, of, anders dan met door of vanwege de voorzitter
gegeven toestemming, het examenlokaal verlaten of iets van
elkaar lenen.
- 2.
- De kandidaten dienen zich
tijdens het examen te gedragen naar de door of vanwege de
voorzitter gegeven aanwijzingen.
- 3.
- Gedragingen van een kandidaat
in strijd met het bepaalde in het eerste en tweede lid,
gedragingen die storend werken op het verloop van het
examen, bedrog of een poging daartoe kunnen, zulks ter
beoordeling van de voorzitter, uitsluiting van verdere
deelneming aan het examen tot gevolg hebben.
Artikel 17
- 1.
- Het oordeel over het in elk
vak of gedeelte daarvan afgelegde examen wordt uitgedrukt in
gehele cijfers, waarvan het laagste cijfer 1 en het hoogste
cijfer 10 is.
- 2.
- Wanneer het examen in een vak
uit meer dan een gedeelte bestaat, wordt het eindcijfer voor
dat vak bepaald door het gemiddelde van de bij die gedeelten
behaalde cijfers, waarbij breuken van een half of meer naar
boven en breuken van minder dan een half naar beneden worden
afgerond.
Artikel 18
- 1.
- Onze Minister stelt, ter
bepaling van de uitslag van de examens, normen vast.
- 2.
- De Commissie bepaalt aan de
hand van deze normen of een kandidaat is geslaagd of
afgewezen, dan wel in welke vakken hij herexamens kan doen.
Artikel 19
| 1. |
Een kandidaat
die niet voldoet aan de normen om te slagen, kan een
herexamen afleggen, indien hij daardoor alsnog aan die
normen kan voldoen.
|
| 2. |
Een herexamen
kan ten hoogste het aantal vakken omvatten dat hieronder
is aangegeven:
| 1. |
Verklaring
voor de zeevisvaart SW VI (geheel): 4
|
| 2. |
Verklaring
voor de zeevisvaart SW VI (deel I): 2
|
| 3. |
Verklaring
voor de zeevisvaart SW VI (deel II): 2
|
| 4. |
Verklaring
voor de zeevisvaart SW v (geheel): 4
|
| 5. |
Verklaring
voor de zeevisvaart SW v (deel I): 1
|
| 6. |
Verklaring
voor de zeevisvaart SW v (deel II): 3
|
| 7. |
Verklaring
voor de zeevisvaart S IV-v (geheel): 4
|
| 8. |
Verklaring
voor de zeevisvaart S IV-v (deel I): 2
|
| 9. |
Verklaring
voor de zeevisvaart S IV-v (deel II): 2
|
| 10. |
Verklaring
voor de zeevisvaart W IV-v (geheel): 3
|
| 11. |
Verklaring
voor de zeevisvaart W IV-v (deel I): 1
|
| 12. |
Verklaring
voor de zeevisvaart W IV-v (deel II): 2
|
|
Artikel 20
- 1.
- Een herexamen dient binnen een
jaar nadat de Commissie heeft bepaald dat de kandidaat
hiervoor in aanmerking komt, te worden afgelegd op een, na
ontvangst van de aanvraag daarvoor, door de voorzitter te
bepalen tijdstip. De aanvraag dient uiterlijk een maand voor
het verstrijken van de periode van een jaar te zijn
ingediend.
- 2.
- Op de aanvraag voor het
herexamen is artikel 11 van overeenkomstige toepassing.
- 3.
- Indien een herexamen niet
tijdig is afgelegd of indien, na het afleggen daarvan,
blijkt dat niet is voldaan aan de normen om te slagen, wordt
de kandidaat afgewezen.
Artikel 21
- 1.
- Wordt een kandidaat ingevolge
het bepaalde in artikel 16, derde lid, uitgesloten van
verdere deelneming aan een examen of trekt hij zich tijdens
een examen terug, dan wordt hij beschouwd te zijn afgewezen.
- 2.
- Indien een kandidaat zich
tijdens het examen terugtrekt vindt het bepaalde in het
eerste lid geen toepassing als zulks, naar het oordeel van
de voorzitter, het gevolg is van overmacht.
- 3.
- Indien de voorzitter ingevolge
het bepaalde in het tweede lid van oordeel is dat de
kandidaat zich heeft teruggetrokken als gevolg van
overmacht, bepaalt hij op welk tijdstip de kandidaat het
examen alsnog kan voltooien.
Artikel 22
- 1.
- Degene die voor de eerste maal
een examen of een deel daarvan aflegt in overeenstemming met
artikel 13, eerste lid, en wordt afgewezen, behoeft de
eerstvolgende keer dat hij eenzelfde examen of eenzelfde
deel daarvan aflegt niet nogmaals examen af te leggen in de
vakken waarvoor hij reeds het eindcijfer 6 of hoger had
behaald, mits dit examen binnen twee jaar na de afwijzing
wordt afgelegd; het reeds behaalde eindcijfer zal dan op de
nieuwe cijferlijst worden overgenomen.
- 2.
- Op de kandidaat die ten tweede
male is afgewezen voor eenzelfde examen of eenzelfde deel
daarvan, afgelegd binnen twee jaar na de eerste afwijzing,
is de eerstvolgende keer dat hij eenzelfde examen of
eenzelfde deel daarvan aflegt, het eerste lid weer van
toepassing.
- 3.
- Op de aanvraag voor eenzelfde
examen of deel daarvan als bedoeld in het eerste lid, is
artikel 11 van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk V.
Verklaringen
Artikel 23
Onze Minister stelt de
modellen vast van de krachtens dit besluit uit te reiken
verklaringen.
Artikel 24
De voorzitter reikt
aan de geslaagde kandidaat de desbetreffende verklaring uit.
Artikel 25
Indien blijkt, dat de
kandidaat tijdens het examen bedrog heeft gepleegd of zich aan
een andere onregelmatigheid heeft schuldig gemaakt, kan de
voorzitter, na overleg met de Commissie, de kandidaat de
verklaring onthouden of een reeds uitgereikte verklaring
intrekken.
Artikel 26
Een duplicaat van een
uitgereikte verklaring wordt slechts afgegeven, indien de
belanghebbende aannemelijk kan maken, dat de oorspronkelijke
verklaring verloren is geraakt. Tenzij de oorspronkelijke
verklaring verloren is geraakt ten gevolge van een oorlogsdaad,
een scheepsramp of daarmee vergelijkbare omstandigheid, is voor
een duplicaat een vergoeding verschuldigd volgens een door Onze
Minister vast te stellen tarief.
Hoofdstuk VI.
Beroep
Artikel 27
- 1.
- De voorzitter legt
zijn beslissing als bedoeld in de artikelen 11, vijfde lid,
16, derde lid, 21, tweede lid, en 25, binnen twee weken vast
in een beschikking en geeft van deze beschikking kennis aan
Onze Minister door toezending van een afschrift.
- 2.
- Tegen een
beschikking van de voorzitter als bedoeld in het eerste lid
kan de belanghebbende beroep instellen bij Onze Minister.
- 3.
- De Commissie
handelt overeenkomstig de door Onze Minister genomen
beslissing.
Hoofdstuk VII.
Slot- en overgangsbepalingen
Artikel 28
Het Reglement voor de
stuurliedenexamens Zeevisvaart (Stb.
1947, H 443) en het Reglement voor de machinistenexamens
Zeevisvaart (Stb. 1947, H 444) worden
ingetrokken met ingang van 1 september 1984.
Artikel 29
Dit besluit treedt in
werking met ingang van de tweede dag na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin het wordt
geplaatst en werkt terug tot en met 1 september 1982.
Artikel 30
Dit besluit kan worden
aangehaald als: Examenreglement zeevisvaart.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende bijlage alsmede de nota van toelichting in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de
Raad van State.
's-Gravenhage, 4 juli 1986
BEATRIX
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
N. Smit-Kroes
De Minister van Onderwijs en Wetenschappen,
W.J. Deetman
Uitgegeven de twaalfde augustus 1986
De Minister van Justitie a.i.,
C.P. van Dijk
Bijlage als
bedoeld in het Koninklijk besluit van 4 juli 1986, Stb.
1986, 412
Examenprogramma zeevisvaart
Verklaring van
bekendheid met de bepalingen ter voorkoming van aanvaringen
op zee S VII
Exameneisen 1
Bepalingen
ter voorkoming van aanvaringen op zee
De kandidaat
moet kennis hebben van: de "Bepalingen ter
Voorkoming van Aanvaringen op Zee" en de meest
voorkomende toepassingen hiervan.
Verklaring voor
de zeevisvaart SW VI
Exameneisen 2
Deel I
1.
Nederlandse taal
De kandidaat
moet duidelijk leesbaar schrijven en de beginselen van
grammatica kunnen toepassen teneinde zijn gedachten
zonder grove fouten te kunnen uitdrukken.
2.
Rekenkunde
De kandidaat
moet kunnen werken met de hoofdbewerkingen, met
verhoudingen en procenten, met het SI-stelsel en
andere maten en gewichten bij de scheepvaart in
gebruik. De kandidaat moet begrip hebben van
machtsverheffen en worteltrekken en het oppervlak en
de inhoud van blok, bol en cilinder kunnen berekenen.
3.
Communicatieprocedure
De kandidaat
moet kennis hebben van: het gebruik van
radiotelefonische communicatiemiddelen, welke aan
boord aanwezig kunnen zijn; het gebruik van de
internationale communicatieprocedure; de procedure
betreffende de nood-, spoed- en
veiligheidsvoorschriften, alsmede de opsporing en
redding op zee.
4.
Wettelijke bepalingen
De kandidaat
moet begrip hebben van: de voornaamste wettelijke
bepalingen in verband met de veiligheid; de
voornaamste taken van de divisie Scheepvaart en van de
Raad voor de Scheepvaart; de hoofdzaken omtrent de
kapitein en zijn voornaamste verplichtingen; de
schepelingen; de maatschapsovereenkomst; het
monsteren; het scheepsdagboek; het machinedagboek; de
scheepsverklaring; hulpverlening; de hoofdzaken van de
wettelijke bepalingen ter voorkoming van
zeeverontreiniging; de voornaamste bepalingen
betreffende de zeevisserij.
5.
Verbrandingsmotoren
De kandidaat
moet enig begrip hebben van: de inrichting en de
werking van zuigermotoren en hun samenstellende delen;
de asleiding en voortstuwer; het brandstofsysteem; het
bedrijfsgereed maken; de beginselen van koeling en
smering; de controle op de werking. De kandidaat moet
kennis hebben van de voornaamste bepalingen en
voorschriften met betrekking tot de veiligheid van
schip, lading en opvarenden.
6.
Hulpwerktuigen
De kandidaat
moet enig begrip hebben van de uitvoering van aan
boord van zeevissersvaartuigen gebruikelijke
hulpwerktuigen.
7.
Elektrotechniek
De kandidaat
moet enig begrip hebben van: elektrische stroom,
spanning en weerstand; elektrisch vermogen en arbeid;
accumulatoren; natuurlijk- en elektromagnetisme; het
onderhoud van de elektrische installatie aan boord.
8.
Werktuigboudkundig tekenen
De kandidaat
moet een schets kunnen maken van een eenvoudig
onderdeel van een motor, hulpwerktuig of appendage
naar een gegeven model. De kandidaat moet een
eenvoudige werktuigbouwkundige tekening kunnen lezen
en verklaren.
9.
Praktisch werken
De kandidaat
moet eenvoudige werkstukken kunnen vervaardigen met de
verwerking bankwerken. De kandidaat moet enige
vaardigheid bezitten in demontage en montage van
werktuigen en werktuigonderdelen en in het beoordelen
van eenvoudige werktuigonderdelen op hun
bruikbaarheid.
10. Eerste
hulp bij ongevallen
De kandidaat
moet begrip hebben van enige vaardigheid in het
verlenen van eerste hulp bij ongevallen aan de hand
van de krachtens de Schepenwet aan boord van schepen
voorgeschreven handleiding.
Deel II
11.
Zeevaartkunde
De kandidaat
moet kennis hebben van: het coördinatenstelsel op
aarde; het werken in de zeekaart; het uitzetten van
koersen en het herleiden hiervan; de invloed van
stroom en drift; het bijhouden van gegist bestek;
plaatsbepaling door middel van peilingen en met behulp
van radar en Decca.
De kandidaat
moet enig begrip hebben van de vertikale en
horizontale getijbeweging in vaargebied I.
12.
Instrumenten
De kandidaat
moet kennis hebben van: van de inrichting van het
magnetisch vloeistofkompas; de peiltoestellen; de
loggen en loden welke bij de Nederlandse vissersvloot
voorkomen; de aneroïde barometer; de thermometer.
13.
Scheepsbouw, tuig en uitrusting
De kandidaat
moet begrip hebben van: de constructie van
zeevissersvaartuigen; doel en benaming van de
voornaamste samenstellende delen; het lezen van de
voornaamste scheepstekeningen; de waterdichte
indeling; het onderhoud van schip, tuig en uitrusting;
het veilig werken aan boord; de voorgeschreven
reddingmiddelen en brandblusmiddelen.
15.
Stabiliteit
De kandidaat
moet kennis hebben van: de betekenis van verplichte
stabiliteitsgegevens voor zeevissersvaartuigen; de
GM-berekening voor diverse beladingstoestanden; de
minimum GM-waarden voor de zeevisvaart; het belang van
vrijboord en waterlozing voor de stabiliteit; de
stabiliteit bij de boomkorvisserij.
15.
Manoeuvreren
De kandidaat
moet kennis hebben van: het manoeuvreren met
zeevissersvaartuigen; het waarnemen van de wacht, het
gebruik van trossen en meerdraden.
16.
Praktische navigatie
De kandidaat
moet zeekaarten in gebruik in vaargebied I kunnen
gebruiken en lezen; peilingen en koersen kunnen
afzetten. De kandidaat moet kunnen werken met de
zeemansgidsen, lichtenlijsten en getijtafels. De
kanidaat moet kennis hebben van het internationale
betonningsstelsel.
17.
Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee
De kandidaat
moet kennis hebben van: de "Bepalingen ter
Voorkoming van Aanvaringen op Zee" en de meest
voorkomende toepassingen hiervan.
Verklaring voor
de zeevisvaart SW V
Exameneisen 3,
4
Deel I
1. Engelse
taal
De kandidaat
moet kennis hebben van de beginselen van de Engelse
taal en deze kunnen toepassen voor het gebruik van in
het Engels gestelde nautische en technische
instructies.
2.
Communicatieprocedure
De kandidaat
moet kennis hebben van: het gebruik van de
telecommunicatiemiddelen welke aan boord aanwezig
kunnen zijn; het gebruik van het "Internationaal
Seinboek"; het morse-alfabet. De kandidaat moet
bedrevenheid hebben in het gebruik van de
radiotelefonie-procedure. De kanidaat moet enige
bedrevenheid hebben in het aflezen van seinvlaggen,
welke voor de zeevisserij van belang zijn.
3.
Wettelijke bepalingen
De kandidaat
moet begrip hebben van: het in- en uitklaren;
aanvaring, hulp en berging; hulpverlening;
verzekering; strafbare feiten in de scheepvaart en hun
behandeling; het testament; het handelen bij
overlijden.
4.
Verbrandingsmotoren
De kandidaat
moet begrip hebben van: de indeling van zuigermotoren;
de opbouw en de samenstellende delen; het proces van
inspuiting en verbranding; het aanzetten en omkeren
van de draairichting; de drukvulling; de koeling; de
smering; het onderhoud; het verband tussen
brandstofverbruik en vaart van het schip
5.
Hulpwerktuigen
De kandidaat
moet begrip hebben van de werking van aan boord van
zeevissersvaartuigen gebruikelijke hulpwerktuigen.
6.
Elektrotechniek
De kandidaat
moet enig begrip hebben van: het schakelen van
weerstanden; de Lorenzkracht; het ontstaan van een
bronspanning in een geleider; het principe van gelijk-
en één-fase wisselstroomgeneratoren en -motoren; het
drie- en viergeleidernet bij draaistroom.
Deel II
7.
Zeevaartkunde
De kandidaat
moet grondige kennis hebben van: het coördinatenstelsel
op aarde; het werken in de zeekaart; het uitzetten van
koersen en het herleiden hiervan; de invloed van
stroom en drift; het bijhouden van het gegist bestek.
De kandidaat
moet kennis hebben van: kaartprojecties; het bepalen
van de kompasfout met behulp van merklijn; de koers-
en verheidsrekening; methoden van plaatsbepaling bij
kustnavigatie en met behulp van elektronische
navigatiemiddelen; de vertikale en horizontale
getijbeweging in vaargebied II.
8.
Instrumenten
De kandidaat
moet kennis hebben van: het aardmagnetisme en de
plaatsing van de compensatiemiddelen van het
magnetisch vloeistofkompas; eisen te stellen aan een
magnetisch kompas. De kandidaat moet begrip hebben
van: het gyrokompas; netsonde en sonar.
9.
Meteorologie
De kandidaat
moet kennis hebben van: depressies; wolkenvormen; Wet
van Buys-Ballot; het lezen van weerkaarten;
stormwaarschuwingen; radioweerberichten.
10.
Cijferen
De kandidaat
moet zeevaartkundige vraagstukken betrekking hebbend
op het voorgaande onder 7 kunnen becijferen
11.
Scheepsbouw, tuig en uitrusting
De kandidaat
moet kennis hebben van: de voornaamste gegevens en
tekeningen benodigd voor de bouw van een
zeevissersvaartuig; het lezen van aan boord
voorkomende scheepstekeningen; de waterdichte leiding;
het onderhoud van schip, tuig en uitrusting; het
dokken en de daarbij te nemen veiligheidsmaatregelen;
brandbestrijding.
12.
Stabiliteit
De kandidaat
moet kennis hebben van: het verschil in stabiliteit
bij kleine en grote hellingen; het belang van de
stabiliteitskromme voor de beoordeling van de
stabiliteit; de stabiliteitsproef; de kenmerken van
een rank en een stijf schip; de maatregelen ter
verbetering van de stabiliteit.
13.
Manoeuvreren
De kandidaat
moet grondige kennis hebben van: het manoeuvreren met
alle typen zeevissersvaartuigen onder alle
omstandigheden; het instrueren van het wachtdoende
personeel; het meren, ontmeren en ankeren onder alle
omstandigheden; het werken met reddingmiddelen;
opsporing- en reddingacties op zee.
14.
Praktische navigatie
De kandidaat
moet zeekaarten kunnen gebruiken en kritisch lezen,
daarin peilingen en bestekken alsmede koersen kunnen
afzetten. De kandidaat moet kunnen werken met
zeemansgidsen en lichtenlijsten en gebruik kunnen
maken van getijtafels en stroomatlassen.
15.
Bepalingen ter voorkoming van aanvaring op zee
De kandidaat
moet grondige kennis hebben van: de "Bepalingen
ter Voorkoming van Aanvaringen op Zee" en hun
praktische toepassingen.
Verklaring voor
de zeevisvaart S IV v
Exameneisen 5,
6
Deel I
1.
Nederlandse taal
De kandidaat
moet zich in het Nederlands mondeling en schriftelijk
behoorlijk kunnen uitdrukken.
2. Engelse
taal
De kandidaat
moet de beginselen van de Engelse taal kunnen
toepassen voor het gebruik van in het Engels gestelde
nautische handboeken, kaarten en instructies en voor
het vertalen uit het Nederland in het Engels van een
eenvoudige tekst op het vak betrekking hebbend.
3.
Aardrijkskunde
De kandidaat
moet kennis hebben van de voornaamste
scheepsvaartwegen en aanliggende geografische
plaatsaanduidingen.
4.
Zeevaartkunde
De kandidaat
moet kennis hebben van: het principe van de
plaatsbepaling met de hoogtepuntmethode van zon en
sterren; de verbetering toe te passen op gemeten
zonshoogten en stershoogten; het gebruik van het
zonsmeridiaansbreedtepunt en het poolstersbreedtepunt;
het bepalen van de kompasfout met behulp van een zons-
of poolsters-azimuth; het gebruik van de "Nautical
Almanac"; eenvoudige sfeerstanden; het
grootcirkelvaren met behulp van de kaart en het
berekenen van een grootci rkelkoers.
De kandidaat
moet grondige kennis hebben van de loxodromische
koers- en verheidsrekening; de vertikale en
horizontale getijbeweging in het onbeperkt vaargebied;
de mogelijkheden voor elektronische plaatsbepaling met
behulp van radiorichtingzoekers, Decca en radar. De
kandidaat moet kennis hebben van de principes van
satellietnavigatie, Omega en Loran.
5.
Instrumenten
De kandidaat
moet grondige kennis hebben van het gebruik en de
inrichting van de sextant. De kandidaat moet kennis
hebben van: het gebruik van de tijdmeter; het principe
van het gyrokompas en van de koers- en vaartfout op de
gyrokompassen.
6.
Meteorologie
De kandidaat
moet kennis hebben van: de luchtdrukverdeling op
aarde; koude en warme massa; fronten, luchtsoorten en
brongebieden; isothermen en isobaren; gradiënt; de
constante, periodieke en variabele winden; het
ontstaan van mist en bewolking; de belangrijkste
zeestromen; het ontstaan van depressies en orkanen;
het ontwijken van orkanen.
7.
Communicatieprocedure
De kandidaat
moet begrip hebben van: de nationale en internationale
voorschriften en bepalingen die voor
zeevissersvaartuigen van belang zijn voor het
doelmatig functioneren van de telecommunicatiedienst
aan boord.
De kandidaat
moet grondige kennis hebben van de procedures
betreffende de nood-, spoed- en veiligheidsberichten.
De kandidaat moet enige bedrevenheid hebben in het
opnemen van morsetekens met de lamp en het aflezen van
seinvlaggen.
8. Eerste
hulp bij ziekten en ongevallen
De kandidaat
moet kennis hebben van eerste hulpverlening bij en
behandeling van ziekten en ongevallen alsmede begrip
van scheepshygiëne, een en ander aan de hand van de
krachtens de Schepenwet aan boord van schepen
voorgeschreven handleiding. De kandidaat moet enige
vaardigheid hebben in het leggen van verbanden.
Deel II
9. Cijferen
De kandidaat
moet zeevaartkundige vraagstukken betrekking hebbend op
het voorgaande onder 4 kunnen becijferen.
10.
Scheepsbouw, tuig en uitrusting
De kandidaat
moet kennis hebben van: de procedure bij nieuwbouw van
zeevissersvaartuigen; het lezen van bouwtekeningen; de
werkwijze van erkende particuliere onderzoekingsbureaus;
de waterdichte indeling en het minimum vrijboord; het
doel en de benaming van samenstellende delen; het
gebruik en het onderhoud van tuig en uitrusting; het
onderhoud van het schip; de dokwerkzaamheden;
maatregelen ter bescherming van het milieu; het veilig
werken aan boord; brandbeveiliging en brandbestrijding.
11.
Stabiliteit
De kandidaat
moet kennis hebben van: de invloed van vrije
vloeistofoppervlakken op de stabiliteit; de berekening
van de invloed van ijsafzetting en dwarswind op de
stabiliteit van zeevissersvaartuigen; de stabiliteit in
zeegang; de trimberekening bij diverse
beladingstoestanden.
12.
Praktische navigatie
De kandidaat
moet een route kunnen kiezen en beschrijven aan de hand
van diverse navigatorische, economische, milieu- en
veiligheidscriteria met gebruikmaking van "Ocean
passages for the world", klimatologische kaarten en
routering. De kandidaat moet zeemansgidsen kunnen
gebruiken in verband met het aanlopen van havens en
kusten.
13.
Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee
De kandidaat
moet grondige kennis hebben van de toepassing van de
"Bepalingen ter Voorkoming van Aanvaringen op
Zee".
Verklaring voor
de zeevisvaart W IV v
Exameneisen 7,
8
Deel I
1.
Nederlandse taal
De kandidaat
moet zich in het Nederlands mondeling en schriftelijk
behoorlijk kunnen uitdrukken.
2. Engelse
taal
De kandidaat
moet de beginselen van de Engelse taal kunnen
toepassen voor het gebruik van in het Engels gestelde
technische handboeken en instructies en voor het
vertalen uit het Nederlands in het Engels van een
eenvoudige tekst op het vak betrekking hebbend.
3.
Natuurkunde
De kandidaat
moet enig begrip hebben van: de bouw van de stof, de
hydrostatische wetten; dichtheid van de stof; de druk
van een gas en de meting ervan; temperatuur en warmte;
de uitzetting van een stof.
4.
Werktuigkunde
De kandidaat
moet enig begrip hebben van: de krachtenleer, arbeid
en arbeidsvermogen; eenvoudige werktuigen en takels.
5.
Materialen
De kandidaat
moet enig begrip hebben van: de eigenschappen van
materialen bij de motorbouw gebezigd; het harden van
staal; de samenstelling van soldeer en de toepassing
van de gebruikelijk vloeimiddelen; de samenstelling
van pakking- en isolatiestoffen en het gebruik ervan.
6.
Werktuigbouwkundig tekenen
De kandidaat
moet een werktekening kunnen maken van een eenvoudig
onderdeel van een motor, hulpwerktuig of appendage met
behulp van een door hem gemaakte handschets naar een
gegeven model. De kandidaat moet scheeps- en
werktuigbouwkundige tekeningen, zoals deze aan boord
van zeevissersvaartuigen voorkomen, kunnen lezen.
Deel II
7.
Scheepskennis
De kandidaat
moet kennis hebben van: de algemene inrichting en de
constructie van zeevissersvaartuigen op de
belangrijkste plaaten, voornamelijk ter plaatse van de
doorvoering van de schroefas, de motorfundatie, het
stuwblok, de buitenboordskranen en -afsluiters en de
fundatie van de vislier; de invloed van het dokken op
het scheepsverband en de motorinstallatie.
6.
Verbrandingsmotoren
De kandidaat
moet begrip hebben van: de spoeling van
verbrandingsruimten; inspuiting en de processen van
inspuiting en verbranding; de toepassing van
drukvulgroepen; het gebruik van verschillende soorten
brandstoffen; de wijzen van overbrenging van het
vermogen op de voortstuwer; de asleiding met
toebehoren en de voortstuwer.
9.
Hulpwerktuigen
De kandidaat
moet begrip hebben van de uitvoering van, de controle
op en het onderhoud van aan boord van
zeevissersvaartuigen gebruikelijke hulpwerktuigen. De
kandidaat moet enig begrip hebben van de
regeltechniek.
10.
Elektrotechniek
De kandidaat
moet enig begrip hebben van: stoom- en
spanningswaarden bij wisselstroom;
draaistroomgeneratoren en -motoren; het vermogen van
wisselstroom en draaistroom; meetinstrumenten.
11.
Praktisch werken
De kandidaat
moet eenvoudige werkstukken vervaardigen met de
bewerking autogeen lassen.
De kandidaat
moet enige vaardigheid bezitten in het beoordelen van
onderdelen van de machinekamerinstallatie op
bruikbaarheid en het vervangen van deze onderdelen.
Voetnoten:
|