| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Zeevaartbemanningswet
REGELING
VAARBEVOEGDHEIDSBEWIJZEN ZEEVAART
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
De Minister van
Verkeer en Waterstaat;
Gelet op de artikelen 20, tweede lid, 21 en 22,
vierde en vijfde lid, van de Zeevaartbemanningswet, alsmede de artikelen
5, 6, tweede lid, en 8, tweede lid, van het Besluit zeevaartbemanning
handelsvaart en zeilvaart;
Besluit:
§ 1. Begripsbepaling
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. Besluit:
Besluit zeevaartbemanning handelsvaart en zeilvaart;
b. kleine schepen:
schepen met een bruto tonnage van minder dan 3000 GT en een
voortstuwingsvermogen van minder dan 3000 kW;
c. vaarbevoegdheidsbewijs van erkennning:
een vaarbevoegdheidsbewijs dat is door de Minister van
Infrastructuur en Milieu wordt afgegeven op grond van een erkend
buitenlands vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld in artikel 22 van de
Wet;
d. Wet:
Zeevaartbemanningswet.
§ 2. Eerste afgifte
Artikel 2
1. Ter verkrijging van een vaarbevoegdheidsbewijs legt de aanvrager
de volgende bescheiden over aan de Minister van Infrastructuur en
Milieu:
a. een door hem ingevuld en ondertekend aanvraagformulier,
verkrijgbaar gesteld door de Inspectie Verkeer en Waterstaat;
b. twee gelijke, recente pasfoto's;
c. een afschrift van de originele geldige geneeskundige
verklaring van geschiktheid voor de zeevaart;
d. een afschrift van de originele geldige geneeskundige
verklaring betreffende het gezichtsorgaan en het gehoororgaan,
indien het betreft kapiteins, stuurlieden,
scheepswerktuigkundigen, maritiem officieren en scheepsgezellen
aan wie aan boord het houden van uitkijk kan worden opgedragen of
aan wie de wacht op de brug of in de machinekamer kan worden
toevertrouwd;
e. de bewijzen van diensttijd;
f. de voor het verlangde vaarbevoegdheidsbewijs vereiste
kennisbewijzen of de daarop betrekking hebbende EG-verklaring,
bedoeld in artikel 22, derde lid, van de Wet, zoals dat luidde
voor 20 oktober 2007, die ten hoogste vier jaren voor het indienen
van de aanvraag is of zijn afgegeven, of het bewijs dat met goed
gevolg een kennistoets heeft plaatsgevonden bij de Rijks
Examencommissie voor de Stuurlieden of voor de Werktuigkundigen in
combinatie met een aantoonbaar dienstverband van ten minste zes
maanden bij één Nederlandse rederij;
g. een bewijs van nationaliteit van de aanvrager;
h. het bewijs van betaling van de kosten, verbonden aan de
afgifte van het vaarbevoegdheidsbewijs;
i. voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs als kapitein
of stuurman: het voor de aangevraagde vaarbevoegdheid vereiste
certificaat maritieme radiocommunicatie, bedoeld in de artikelen
22 en 23 van het Besluit, dan wel het bewijs dat met goed gevolg
een marcomtoets heeft plaatsgevonden door de Divisie Telecom van
de Inspectie Verkeer en Waterstaat;
j. voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs als gezel:
het certificaat basisveiligheidstraining, bedoeld in artikel 87
van het Besluit;
k. voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs als kapitein
of eerste stuurman alle schepen: het certificaat
scheepsmanagement-N, bedoeld in artikel 68 van het Besluit;
l. voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs als
hoofdwerktuigkundige: het certificaat scheepsmanagement-W, bedoeld
in artikel 69 van het Besluit, tenzij:
1º. de aanvrager houder is van het diploma C als
scheepswerktuigkundige;
2º. de aanvrager vóór de datum van inwerkingtreding van
het Besluit dienst deed als hoofdwerktuigkundige;
m. voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs als eerste
maritiem officier: de certificaten scheepsmanagement-N en W;
n. voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs als genoemd
in artikel 18, tweede lid, van de Wet, met uitzondering van die,
genoemd onder e en f: het certificaat brandbestrijding voor
gevorderden, bedoeld in artikel 90 van het Besluit;
o. voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs als kapitein,
eerste stuurman alle schepen en eerste maritiem officier alle
schepen: het certificaat radarnavigator, bedoeld in artikel 70 van
het Besluit, en
p. voor het plaatsen van een aantekening op een
vaarbevoegdheidsbewijs als bedoeld in onderdeel n, dat de
betrokken zeevarende bevoegd is dienst te doen aan boord van
tankschepen: een erkend tankertrainingscertificaat en het bewijs
van zes maanden diensttijd in een officiersfunctie aan boord van
tankschepen.
2. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel k, geldt
niet indien het vaarbevoegdheidsbewijs wordt aangevraagd met de
beperking tot reizen nabij de kust.
Voor het vaarbevoegdheidsbewijs als eerste stuurman geldt deze
verplichting bovendien niet indien het vaarbevoegdheidsbewijs wordt
aangevraagd met de beperking tot schepen met een brutotonnage van
minder dan 3000 GT of in de uitzonderingssituaties, bedoeld in artikel
49, tweede lid, van het Besluit. Tenslotte geldt deze verplichting
niet indien het een aanvraag van een vaarbevoegdheidsbewijs betreft
als eerste maritiem officier met de beperking tot een brutotonnage van
ten hoogste 3000 GT en een motorvermogen van 3000 kW.
3. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel o, geldt
niet indien het vaarbevoegdheidsbewijs wordt aangevraagd met de
beperking tot reizen nabij de kust.
Voor het vaarbevoegdheidsbewijs als eerste stuurman en eerste
maritiem officier geldt deze verplichting bovendien niet indien het
vaarbevoegdheidsbewijs wordt aangevraagd met de beperking tot schepen
met een brutotonnage van minder dan 3000 GT.
4. Een bewijs van beroepsbekwaamheid als bedoeld in artikel 22a,
eerste lid, van de Wet, met betrekking tot de onderwerpen genoemd in
het eerste lid, onderdelen c tot en met f, en i tot en met p, wordt
met de desbetreffende in die onderdelen bedoelde bescheiden
gelijkgesteld.
5. Ter verkrijging van een vaarbevoegdheidsbewijs op grond van een
vaarbevoegdheidsbewijs dat is afgegeven door of onder de
verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit van een andere
lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of
Zwitserland, legt de aanvrager het origineel van dat geldige bewijs
alsmede de in het eerste lid, onderdelen a tot en met d, g en h,
bedoelde bescheiden over aan de Minister van Infrastructuur en Milieu.
6. De op een ingevolge artikel 22a, tweede lid, van de Wet
afgegeven vaarbevoegdheidsbewijs aangetekende vaarbevoegdheid is
beperkt tot de in het oorspronkelijke bewijs omschreven bevoegdheid
waarbij het in het Besluit aangegeven onderscheid naar categorie
schepen, bruto-tonnage, voortstuwingsvermogen en vaargebied in acht
wordt genomen.
7. Een ingevolge artikel 22a, tweede lid, van de Wet afgegeven
vaarbevoegdheidsbewijs heeft een geldigheidsduur die gelijk is aan die
van het oorspronkelijke bewijs, doch niet langer dan vijf jaar.
§ 3. Vaarbevoegdheidsbewijs van erkenning
Artikel 3
1. Ter verkrijging van een vaarbevoegdheidsbewijs van erkenning
legt de aanvrager, naast de in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot
en met d, en h genoemde bescheiden, de volgende bescheiden over aan de
Minister van Infrastructuur en Milieu:
a. het origineel van het geldige, door een bevoegde autoriteit
van de desbetreffende andere staat, naar het oordeel van de
Minister van Verkeer en Waterstaat rechtmatig afgegeven
vaarbevoegdheidsbewijs, op grond waarvan het
vaarbevoegdheidsbewijs van erkenning wordt verlangd;
b. indien de aanvraag een vaarbevoegdheidsbewijs van erkenning
betreft als:
1º. kapitein, eerste stuurman of hoofdwerktuigkundige;
2º. schipper zeevisvaart of plaatsvervangend schipper
zeevisvaart;
het originele kennisbewijs betreffende de opleidingsmodule
Nederlandse wetgeving, bedoeld in artikel 9, vierde lid, van
het Besluit;
c. een bewijs van nationaliteit van de aanvrager, en
d. indien het een aanvraag voor een vaarbevoegdheidsbewijs van
erkenning als kapitein betreft, het bewijs van schriftelijke
toestemming aan de scheepsbeheerder, bedoeld in artikel 30, vijfde
lid, van de Wet, tenzij artikel 5 van de Vrijstellingsregeling
buitenlandse kapiteins voor de sector koopvaardij of artikel 5 van
de Vrijstellingsregeling buitenlandse kapiteins voor de sector
zeegaande waterbouw van toepassing is.
2. Een vaarbevoegdheidsbewijs van erkenning heeft een
geldigheidsduur die gelijk is aan die van het door een bevoegde
autoriteit afgegeven oorspronkelijke vaarbevoegdheidsbewijs, doch niet
langer dan vijf jaar.
§ 4. Vernieuwing
Artikel 4
1. Ter vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs legt de aanvrager
de volgende bescheiden over aan de Minister van Infrastructuur en
Milieu:
a. een door hem ingevuld en ondertekend aanvraagformulier,
verkrijgbaar gesteld door de Inspectie Verkeer en Waterstaat;
b. twee gelijke, recente pasfoto's;
c. het originele vaarbevoegdheidsbewijs waarvan vernieuwing
wordt gewenst;
d. een afschrift van de originele geldige geneeskundige
verklaring van geschiktheid voor de zeevaart;
e. een afschrift van de originele geldige geneeskundige
verklaring betreffende het gezichtsorgaan en het gehoororgaan,
indien het betreft kapiteins, stuurlieden,
scheepswerktuigkundigen, maritiem officieren en scheepsgezellen
aan wie aan boord het houden van uitkijk kan worden opgedragen of
aan wie de wacht op de brug of in de machinekamer kan worden
toevertrouwd;
f. de bewijzen van diensttijd, dan wel het bewijs van
dienstdoen in een vergelijkbare functie als bedoeld in artikel 8;
g. een bewijs van nationaliteit van de aanvrager, en
h. het bewijs van betaling van de kosten, verbonden aan de
afgifte van het vaarbevoegdheidsbewijs.
2. Ter vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs dat is afgegeven
op grond van een vaarbevoegdheidsbewijs dat is afgegeven door of onder
de verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit van een andere
lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of
Zwitserland, is artikel 2, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5
Ter vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs van erkenning legt de
aanvrager de volgende bescheiden over aan de Minister van Infrastructuur
en Milieu:
a. de in artikel 4, eerste lid, onderdelen a tot en met h,
genoemde bescheiden;
b. indien het een aanvraag voor vernieuwing van een
vaarbevoegdheidsbewijs van erkenning als kapitein alle schepen of
kleine schepen betreft, het bewijs van schriftelijke toestemming aan
de scheepsbeheerder, bedoeld in artikel 30, vijfde lid, van de Wet,
tenzij artikel 5 van de Vrijstellingsregeling buitenlandse kapiteins
voor de sector koopvaardij of artikel 5 van de Vrijstellingsregeling
buitenlandse kapiteins voor de sector zeegaande waterbouw van
toepassing is, en
c. het geldige, door een bevoegde autoriteit van de
desbetreffende andere staat rechtmatig afgegeven
vaarbevoegdheidsbewijs op grond waarvan een vaarbevoegdheidsbewijs
van erkenning wordt verlangd.
Artikel 6
Voor de vernieuwing van de desbetreffende aantekening op het
vaarbevoegdheidsbewijs dat tevens geldig is voor het dienstdoen aan
boord van een van de volgende categorieën schepen, legt de aanvrager
een bewijs over dat hij voldoet aan het bij elke categorie genoemde
vereiste:
a. olietankschepen: het in een periode van vijf jaar voorafgaand
aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing ten minste één jaar
dienst hebben gedaan aan boord van olietankschepen of
chemicaliëntankschepen;
b. chemicaliëntankschepen: het in een periode van vijf jaar
voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing ten minste
één jaar dienst hebben gedaan aan boord van
chemicaliëntankschepen of productentankschepen;
c. gastankschepen: het in een periode van vijf jaar voorafgaand
aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing ten minste één jaar
dienst hebben gedaan aan boord van gastankschepen.
Artikel 7
Waar in deze regeling wordt gesproken over het overleggen van
originele bewijsstukken mag aan deze verplichting ook worden voldaan
door het overleggen van gewaarmerkte afschriften, in de gevallen en op
de wijze te bepalen door de Minister van Infrastructuur en Milieu.
§ 5. Vergelijkbare functies
Artikel 8
1. Als vergelijkbare functie als bedoeld in artikel 8, tweede lid,
van het Besluit, komen in aanmerking:
a. voor de functies van kapitein en stuurman:
1º. registerloods;
2º. gecertificeerde Noordzeeloods;
3º. nautisch surveyor van een klassebureau, medewerker van
nautische inspecties van rederijen en ambtenaar van de
Inspectie Verkeer en Waterstaat, voorzover daadwerkelijk
betrokken bij het toezicht op zeeschepen;
4º. simulatorinstructeur op een full-mission
brugsimulator, waarbij de diensttijd in deze functie voor de
helft wordt meegerekend;
b. voor de functie van kapitein of stuurman op zeilschepen:
officieren van de zeedienst der Koninklijke Marine, voorzover zij
daadwerkelijk dienstdoen als navigatieofficier;
c. voor de functie van scheepswerktuigkundige:
1º. technisch surveyor van een klassebureau, medewerker
van technische inspecties van rederijen en ambtenaar van de
Inspectie Verkeer en Waterstaat, voorzover daadwerkelijk
betrokken bij het toezicht op zeeschepen;
2º. werktuigkundige werkzaam bij, op of in:
-
de binnenvaart;
- centrales, gemalen en de procesindustrie;
- zeeschepen zonder eigen voortstuwing en installaties in de
offshore-industrie;
- de
zeevisserij,
mits het geïnstalleerd vermogen naar het oordeel van de
Minister van Infrastructuur en Milieu in overeenstemming is met de
bevoegdheid die behoort bij het vernieuwde vaarbevoegdheidsbewijs;
3º. simulatorinstructeur op een full-mission machinekamer
simulator, waarbij de diensttijd in deze functie voor de helft
wordt meegerekend;
d. voor de functie van maritiem officier:
1º. nautisch/technisch surveyor van een klassebureau in
het bezit van ten minste het kennisbewijs middelbaar maritiem
officier;
2º. ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat,
voorzover daadwerkelijk betrokken bij het toezicht aan boord
van zeeschepen en in het bezit van ten minste het kennisbewijs
middelbaar maritiem officier;
e. voor de functie van radio-operator:
1º. radio-operator werkzaam in de operationele dienst van
de kustwacht;
2º. bedrijfspersoneel betrokken bij de bediening,
installatie of reparatie van radiocommunicatie- en
radionavigatieapparatuur;
3º. toezichthoudend ambtenaar van de Rijksdienst
Radiocommunicatie (RDR);
4º. leraar radiokunde verbonden aan een door de
Rijksdienst Radiocommunicatie erkende opleiding Maritieme
Radiocommunicatie A of B.
2. In bijzondere gevallen kan de Minister van Infrastructuur en
Milieu andere functies als vergelijkbaar aanmerken.
Artikel 9
1. De tijd waarin de aanvrager een vergelijkbare functie als
bedoeld in artikel 8 heeft vervuld wordt volledig of gedeeltelijk
meegeteld voor de berekening van de diensttijd, zulks ter beoordeling
van de Minister van Infrastructuur en Milieu.
2. De bevoegdheden waarvoor het vernieuwde vaarbevoegdheidsbewijs
geldig is, zijn niet ruimer dan die, welke bij aanvang van de
vergelijkbare functie bestonden.
§ 6. Slotbepalingen
Artikel 10
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de artikelen
20, 21 en 22 van de Zeevaartbemanningswet in werking treden.
Artikel 11
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vaarbevoegdheidsbewijzen
zeevaart.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
T. Netelenbos.
|
|
|