|
REGELING van de Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit van 16 januari 2006, nr. TRCJZ/2006/99, houdende regels
met betrekking tot de werkzaamheden van de Raad voor plantenrassen
(Regeling werkzaamheden Raad voor plantenrassen)
De Minister
van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
Gelet op de artikelen 6, tweede, derde en
vierde lid, 49, zevende lid en 72 van de Zaaizaad- en plantgoedwet 2005
en de artikelen 1, onderdeel e, 7, eerste en tweede lid, 8, 9,
eerste en derde lid, 12, derde lid, 16, derde lid, 17, 19, tweede lid,
22, tweede lid, en 23 van het Besluit werkzaamheden Raad voor
plantenrassen;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
1. In deze regeling wordt verstaan
onder:
a. besluit: Besluit werkzaamheden
Raad voor plantenrassen;
b. richtlijn (EEG) 66/401:
richtlijn nr. 66/401/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 14 juni 1966 betreffende het in de handel
brengen van zaaizaad van groenvoedergewassen (PbEG L 125);
c. richtlijn (EEG) 66/402:
richtlijn nr. 66/402/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 14 juni 1966 betreffende het in de handel
brengen van zaaigranen (PbEG L 125);
d. richtlijn (EG) 2002/53:
richtlijn nr. 2002/53/EG van de Raad van de Europese Unie van 13
juni 2002 betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst van
landbouwgewassen (PbEG L 193);
e. richtlijn (EG) 2002/54:
richtlijn nr. 2002/54/EG van de Raad van de Europese Unie van 13
juni 2002 betreffende het in de handel brengen van bietenzaad (PbEG
L 193);
f. richtlijn (EG) 2002/55:
richtlijn 20002/55/EG van de Raad van de Europese Unie van 13 juni
2002 betreffende het in de handel brengen van groentezaad (PbEG L
193);
g. richtlijn (EG) 2002/56:
richtlijn 2002/56/EG van de Raad van de Europese Unie van 13 juni
2002 betreffende het in de handel brengen van pootaardappelen (PbEG
L 193);
h. richtlijn (EG) 2002/57:
richtlijn nr. 2002/57/EG van de Raad van de Europese Unie van 13
juni 2002 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van
oliehoudende planten en vezelgewassen (PbEG L 193);
i. richtlijn (EG) 2003/90:
richtlijn nr. 2003/90/EG van de Commissie van 6 oktober 2003
houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 7 van Richtlijn
2002/53/EG van de Raad met betrekking tot de kenmerken waartoe het
onderzoek van bepaalde rassen van landbouwgewassen zich ten minste
moet uitstrekken, en de minimumeisen voor dat onderzoek (PbEG L
254);
j. richtlijn (EG) 2003/91:
richtlijn nr. 2003/91/EG van de Commissie van 6 oktober 2003,
houdende bepalingen ter uitvoering van artikel 7 van Richtlijn
2002/55/EG van de Raad wat betreft de kenmerken waartoe het
onderzoek van bepaalde rassen van groentegewassen zich ten minste
moet uitstrekken, en de minimumeisen voor dat onderzoek (PbEG L
254);
k. richtlijn (EG) 2008/62:
richtlijn nr. 2008/62/EG van de Commissie van 20 juni 2008 tot
vaststelling van bepaalde afwijkingen voor de toelating van
landrassen en rassen in de landbouw die zich op natuurlijke wijze
hebben aangepast aan de lokale en regionale omstandigheden en die
door genetische erosie worden bedreigd, en voor het in de handel
brengen van zaaizaad en pootaardappelen van die landrassen en
rassen (PbEU L 162);
l. richtlijn (EG) 2009/145:
richtlijn (EG) nr. 2009/145 van de Commissie van 26 november 2009
tot vaststelling van bepaalde afwijkingen voor de toelating van
landrassen en rassen van groenten die van oudsher op bepaalde
plaatsen en in bepaalde gebieden worden gekweekt en die door
genetische erosie worden bedreigd, en van groenterassen die geen
intrinsieke waarde hebben voor de commerciλle productie van
gewassen maar die ontwikkeld zijn voor de teelt onder bijzondere
omstandigheden, en voor het in de handel brengen van zaaizaad van
die landrassen en rassen (PbEU L 312);
m. basiszaad: zaad als bedoeld in
artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van richtlijn (EG) 2002/55,
voor zover het groentegewassen betreft, zaad als bedoeld in
artikel 2, onderdeel b, van richtlijn (EG) 66/401 voor zover het
groenvoedergewassen betreft, zaad als bedoeld in artikel 2, eerste
lid, onderdelen c, c bis, en d, van richtlijn (EG) 66/402 voor
zover het zaaigranen betreft, zaad als bedoeld in artikel 2,
eerste lid, onderdeel c, van richtlijn (EG) 2002/54 voor zover het
bieten betreft of zaad als bedoeld in artikel 2, eerste lid,
onderdelen c en d, van richtlijn (EG) 2002/57 voor zover het
oliehoudende planten en vezelgewassen betreft;
n. basispootgoed: pootgoed als
bedoeld in artikel 2, aanhef, onderdeel b, van richtlijn (EG)
2002/56;
o. standaardzaad: zaad als bedoeld
in artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van richtlijn (EG) 2002/55;
p. identiteitsmonster: materiaal
dat ten behoeve van het technisch onderzoek, bedoeld in artikel 35
van de wet, ter beschikking wordt gesteld aan de Raad of aan een
instelling als bedoeld in artikel 16 van het besluit;
q. instandhoudingsras:
1°. landras van een
landbouwgewas;
2°. ras van een landbouwgewas,
dat zich op natuurlijke wijze heeft aangepast aan de lokale en
regionale omstandigheden;
3°. landras van een
groentegewas, of
4°. ras van een groentegewas,
dat van oudsher op bepaalde plaatsen en in bepaalde gebieden
wordt gekweekt,
dat door genetische erosie wordt
bedreigd;
r. landras: een stel populaties of
klonen van een plantensoort die zich op natuurlijke wijze hebben
aangepast aan de milieuomstandigheden van hun gebied;
s. genetische erosie: verlies, in
de loop van de tijd, van genetische diversiteit tussen en binnen
populaties of rassen van dezelfde soort, of verkleining van de
genetische basis van een soort door menselijk ingrijpen of
milieuveranderingen;
t. gebied van oorsprong: het gebied
of de gebieden waarin het ras van oudsher geteeld is en waaraan
het zich op natuurlijke wijze heeft aangepast;
u. voor teelt onder bijzondere
omstandigheden ontwikkeld ras: ras dat geen intrinsieke waarde
heeft voor de commerciλle productie van gewassen, maar dat
ontwikkeld is voor teelt onder bijzondere omstandigheden.
2. Een hybride ras als bedoeld in
artikel 1, aanhef, onderdeel e, van het besluit is het product van een
bewuste, voor elke zaadproductie herhaalde kruising tussen twee of
meer ouderlijnen die hiertoe afzonderlijk in stand gehouden worden.
Artikel 1a
Deze regeling is mede gebaseerd op
artikel 14 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.
Hoofdstuk 2. Het rassenregister
Artikel 2
1. Bij inschrijving in het
rassenregister kan aantekening worden gedaan van de cultuur- en
gebruikswaarde-aspecten die gebleken zijn uit het onderzoek, bedoeld
in artikel 35, eerste lid, onderdeel b, van de wet voor:
a. rassen van landbouwgewassen als
opgenomen in de richtlijnen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van
richtlijn (EG) 2002/53, of
b. rassen van groentegewassen als
bedoeld in artikel 8, derde lid, van het besluit.
2. Bij inschrijving in het
rassenregister kan bij rassen van bosbouwgewassen, als opgenomen in
bijlage I van richtlijn (EG) 1999/105, aantekening worden gedaan van
cultuur- en gebruikswaarde-aspecten die gebleken zijn bij de
inspectie, beoordeling of test, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van
het besluit.
3. Voor zover rassen worden toegelaten
overeenkomstig de artikelen 8 en 10 van het besluit wordt het
technisch onderzoek tot vaststelling van de cultuur- en
gebruikswaarde-aspecten uitgevoerd op verzoek en op kosten van de
aanvrager tot toelating.
Hoofdstuk 3. De toelating van rassen en
opstanden
Artikel 3
De groentegewassen, bedoeld in artikel 8,
eerste lid, van het besluit, zijn de gewassen zoals opgenomen in artikel
2, eerste lid, onderdeel b, van richtlijn (EG) 2002/55.
Artikel 3a [Treedt in werking per
30-09-2012]
1. De fruitgewassen, bedoeld in artikel
8a van het besluit, zijn de gewassen zoals opgenomen in bijlage 1 van
richtlijn 2008/90.
2. Rassen van de fruitgewassen, bedoeld
in het eerste lid, worden toegelaten indien zij voldoen aan het
bepaalde bij of krachtens artikel 7, vierde en vijfde lid, van
richtlijn (EG) 2008/90.
3. Rassen van fruitgewassen waarvan
teeltmateriaal reeds voor 30 september 2012 in Nederland in de handel
is gebracht worden toegelaten indien de Raad van oordeel is dat zij
voldoen aan het voor die rassen bij of krachtens artikel 7, vierde lid
van richtlijn (EG) 2008/90 bepaalde.
4. In afwijking van artikel 17 bedraagt
het aanvraagtarief voor de toelating van de rassen van fruitgewassen,
bedoeld in het derde lid,0.
Artikel 4
De landbouwgewassen, bedoeld in artikel
9, eerste lid, van het besluit, zijn de gewassen als opgenomen in de
richtlijnen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van richtlijn (EG)
2002/53.
Artikel 5
De bosbouwgewassen, bedoeld in artikel 10
van het besluit, zijn de gewassen als opgenomen in bijlage I van
richtlijn (EG) 1999/105.
Artikel 6
Artikel 8, derde lid, van het besluit is
van toepassing op de toelating van rassen van cichorei voor de
industrie.
Artikel 7
1. Degene die in verband met de
aanvraag tot toelating van een ras van een groentegewas,
onderscheidenlijk een landbouwgewas, heeft verklaard het
desbetreffende ras in stand te houden, houdt een administratie bij aan
de hand waarvan de instandhouding op enig moment gecontroleerd kan
worden.
2. In deze administratie zijn gegevens
opgenomen die betrekking hebben op de productie van alle aan het
basiszaad of basispootgoed voorafgaande generaties.
Artikel 8
1. De toelating van een ras als bedoeld
in richtlijn (EG) 2001/18 kan worden gewijzigd ingeval de voorwaarden
verbonden aan de toestemming, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van
het besluit, om dat materiaal in de handel te brengen worden
gewijzigd.
2. De toelating van een ras of een
opstand wordt ingetrokken ingeval de toestemming om dat materiaal in
de handel te brengen wordt ingetrokken.
Artikel 9
Voor rassen van groentegewassen waarvan
het zaad slechts als standaardzaad kan worden gecontroleerd, kunnen door
de aanvrager uitgevoerd onderzoek en bij de teelt opgedane praktische
ervaringen in aanmerking worden genomen in samenhang met de resultaten
van een onderzoek door een door de Raad aangewezen instelling als
bedoeld in artikel 16, derde lid, van het besluit.
Artikel 10
1. Het onderzoek, bedoeld in artikel 16
van het besluit, wordt bij rassen van groentegewassen uitgevoerd
overeenkomstig de voorschriften, bedoeld in bijlage I of bijlage II
van richtlijn (EG) 2003/91, voor wat betreft de vaststelling van de
onderscheidbaarheid, bestendigheid en homogeniteit van de in die
bijlagen opgenomen gewassen waarbij:
alle raskenmerken zoals
opgenomen in de voorschriften, bedoeld in bijlage I, in aanmerking
worden genomen, of
de met een asterisk aangeduide
raskenmerken zoals opgenomen in de voorschriften, bedoeld bijlage
II, in aanmerking worden genomen.
2. Het technisch onderzoek, bedoeld in
artikel 16 van het besluit, wordt bij rassen van groentegewassen die
niet zijn opgenomen in de bijlagen, bedoeld in het eerste lid, voor
wat betreft de vaststelling van de onderscheidbaarheid, bestendigheid
en homogeniteit uitgevoerd overeenkomstig de voor de desbetreffende
gewassen opgestelde protocollen, bedoeld in artikel 18 van het
besluit.
Artikel 10a [Treedt in werking per
30-09-2012]
Het onderzoek, bedoeld in artikel 16 van
het besluit, wordt bij rassen van fruitgewassen uitgevoerd
overeenkomstig de krachtens artikel 7, vijfde lid, van richtlijn (EG)
2008/90 gestelde eisen, voor wat betreft de vaststelling van de
onderscheidbaarheid, bestendigheid en homogeniteit.
Artikel 11
1. Het technisch onderzoek, bedoeld in
artikel 16 van het besluit, wordt bij rassen van landbouwgewassen
uitgevoerd overeenkomstig:
a. de voorschriften, bedoeld in
bijlage I of bijlage II van richtlijn (EG) 2003/90 voor wat
betreft de vaststelling van de onderscheidbaarheid, bestendigheid
en homogeniteit van de in die bijlagen opgenomen gewassen,
waarbij:
alle in de voorschriften,
bedoeld in bijlage I, opgenomen raskenmerken in aanmerking
worden genomen, of
de in de voorschriften,
bedoeld in bijlage II, met een asterisk aangeduide
raskenmerken in aanmerking worden genomen, en
b. de voorschriften opgenomen in
bijlage III van richtlijn (EG) 2003/90 met betrekking tot de
kenmerken aan de hand waarvan de cultuur- en gebruikswaarde wordt
onderzocht.
2. Het technisch onderzoek, bedoeld in
artikel 16 van het besluit, wordt bij rassen van landbouwgewassen die
niet zijn opgenomen in de bijlagen, bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, voor wat betreft de vaststelling van de
onderscheidbaarheid, bestendigheid en homogeniteit uitgevoerd
overeenkomstig de voor de desbetreffende gewassen opgestelde
protocollen, bedoeld in artikel 18 van het besluit.
Artikel 12
De Raad kan de beoordeling van een
aanvraag tot toelating van een ras of tot verlening van kwekersrecht
baseren op een onderzoek als bedoeld in artikel 19 van het besluit
indien:
a. het onderzoek waarop het over te
nemen rapport is gebaseerd, zal worden uitgevoerd, wordt uitgevoerd
of is uitgevoerd in opdracht van een andere met rassentoelating of
kwekersrechtverlening belaste autoriteit van een Unie-staat;
b. de Raad de instelling, belast met
het technisch onderzoek, bedoeld in artikel 35, eerste lid,
onderdelen a, b en c, heeft erkend als onderzoeksinstelling voor het
desbetreffende gewas, en
c. de aanvrager aangeeft dat het
identiteitsmonster dat zal worden onderzocht, wordt onderzocht of is
onderzocht behoort bij de aanvraag in Nederland.
Artikel 12a
1. Een instandhoudingsras wordt
toegelaten indien de Raad, met inachtneming van de basiskenmerken voor
landbouwgewassen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van richtlijn (EG)
2008/62, onderscheidenlijk voor groentegewassen, bedoeld in artikel 4,
tweede lid, van richtlijn (EG) 2009/145, betreffende
onderscheidbaarheid, bestendigheid en homogeniteit, van oordeel is
dat:
a. het betrokken ras, blijkens
onderzoek of kennis, verkregen door praktische ervaring tijdens
teelt, vermeerdering en gebruik:
1°. voldoende duidelijk te
onderscheiden is van elk ander instandhoudingsras uit het
gebied van oorsprong,
2°. voldoende homogeen is, en
3°. voldoende bestendig is;
b. het betrokken ras blijkens de
aan de Raad ter beschikking staande informatie van belang is voor
de instandhouding van plantaardige genetische bronnen;
c. het betrokken ras in stand wordt
gehouden in zijn gebied van oorsprong, en
d. de beschrijving en benaming van
het betrokken ras wat landbouwgewassen betreft voldoet aan de
eisen van richtlijn (EG) 2008/62 en wat groentegewassen betreft
aan de eisen van richtlijn (EG) 2009/145.
2. Indien de homogeniteit wordt
vastgesteld op basis van afwijkende typen, wordt een populatienorm van
10% en een toelatingskans van ten minste 90% toegepast.
3. Een ras is voldoende bestendig
indien gebleken is dat de kenmerkende eigenschappen onveranderd
blijven na achtereenvolgende vermeerdering.
4. De Raad kan protocollen vaststellen
met betrekking tot de eisen aan de documentatie behorende bij een
aanvraag tot toelating als instandhoudingsras, om de Raad in staat te
stellen de aanvraag te toetsen aan de eisen, bedoeld in het eerste,
tweede en derde lid.
5. Bij een toelating als bedoeld in het
eerste lid vermeldt de Raad in het rassenregister Nederland als gebied
van oorsprong
Artikel 12b
Een instandhoudingsras wordt niet
toegelaten indien:
a. het ras reeds in de
gemeenschappelijke rassenlijst, bedoeld in artikel 1 van richtlijn
(EG) 2002/53 of in de gemeenschappelijke rassenlijst, bedoeld in
artikel 3, derde lid, van richtlijn (EG) 2002/55, is opgenomen als
ander ras dan instandhoudingsras;
b. het ras van de gemeenschappelijke
rassenlijst is afgevoerd binnen de laatste twee jaar;
c. de overeenkomstig artikel 15,
tweede lid, van richtlijn (EG) 2002/53, onderscheidenlijk artikel
15, tweede lid, van richtlijn (EG) 2002/55, geldende termijn minder
dan twee jaar geleden is verstreken, of.
d. het ras wordt beschermd door
communautair kwekersrecht als bedoeld in verordening nr. 2100/94/EG
van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht (PbEG
L 227) of door nationaal kwekersrecht of hiertoe een aanvraag
aanhangig is.
Artikel 12c
1. Een voor teelt onder bijzondere
omstandigheden ontwikkeld ras van een groentegewas wordt toegelaten
indien de Raad met inachtneming van de basiskenmerken, bedoeld in
artikel 22, tweede lid, van richtlijn (EG) 2009/145 betreffende
onderscheidbaarheid, bestendigheid en homogeniteit, van oordeel is
dat:
a. het betrokken ras, blijkens
onderzoek of kennis, verkregen door praktische ervaring tijdens
teelt, vermeerdering en gebruik:
1°. voldoende duidelijk te
onderscheiden is van elk ander voor teelt onder bijzondere
omstandigheden ontwikkeld ras;
2°. voldoende homogeen is, en
3°. voldoende bestendig is;
b. het betrokken ras blijkens de
aan de Raad ter beschikking staande informatie geen intrinsieke
waarde heeft voor de commerciλle productie van gewassen, maar
ontwikkeld is voor teelt onder bijzondere landbouwtechnische,
klimatologische of bodemkundige omstandigheden;
c. de beschrijving en benaming van
het betrokken ras voldoet aan de eisen van richtlijn (EG)
2009/145.
2. Indien de homogeniteit wordt
vastgesteld op basis van afwijkende typen, wordt een populatienorm van
10% en een toelatingskans van ten minste 90% toegepast.
3. Een ras is voldoende bestendig
indien gebleken is dat de kenmerkende eigenschappen onveranderd
blijven na achtereenvolgende vermeerdering.
4. De Raad kan protocollen vaststellen
met betrekking tot de eisen aan de documentatie behorende bij een
aanvraag tot toelating als voor teelt onder bijzondere omstandigheden
ontwikkeld ras, om de Raad in staat te stellen de aanvraag te toetsen
aan de eisen, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid.
Artikel 12d
Een voor teelt onder bijzondere
omstandigheden ontwikkeld ras wordt niet toegelaten indien:
a. het ras reeds in de
gemeenschappelijke rassenlijst, bedoeld in artikel 3, derde lid, van
richtlijn (EG) 2002/55 is opgenomen als ander ras dan voor teelt
onder bijzondere omstandigheden ontwikkeld ras;
b. het ras van de gemeenschappelijke
rassenlijst in afgevoerd binnen de laatste twee jaar;
c. de overeenkomstig artikel 15,
tweede lid, van richtlijn (EG) 2002/55, geldende termijn minder dan
twee jaar geleden is verstreken, of
d. het ras wordt beschermd door
communautair kwekersrecht als bedoeld in verordening nr. 2100/94/EG
van de Raad van de Europese Unie van 27 juli 1994 inzake het
communautaire kwekersrecht (PbEG L 227) of door nationaal
kwekersrecht of hiertoe een aanvraag aanhangig is.
Artikel 12e
1. Bij de vaststelling van de benaming
van instandhoudingsrassen en voor teelt onder bijzondere
omstandigheden ontwikkelde rassen die voor 25 mei 2000 bekend waren,
kan worden afgeweken van verordening nr. 637/2009/EG van de Commissie
van 22 juli 2009 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen
betreffende de geschiktheid van rasbenamingen voor landbouw- en
groentegewassen (PbEU L 191).
2. De Raad kan meer dan ιιn naam voor
een instandhoudingsras toelaten indien de desbetreffende namen voor
dat ras van oudsher bekend zijn.
Hoofdstuk 4. Kwekersrecht
Artikel 13
1. Het gebruik van geoogst materiaal,
bedoeld in artikel 22 van het besluit, is toegestaan mits de teler aan
de houder van het kwekersrecht vσσr 15 mei van het kalenderjaar
waarin de teelt waarbij gebruik gemaakt is van geoogst materiaal,
wordt geoogst, ten minste gegevens verstrekt omtrent:
a. de naam- en adresgegevens van
het bedrijf;
b. het ras waarvan de teler het
geoogste materiaal heeft ingezaaid, onderscheidenlijk heeft
gepoot,
c. het gewicht van het geoogste
materiaal dat is ingezaaid of gepoot, en
d. de met het geoogste materiaal
ingezaaide of gepote oppervlakte.
2. De teler is voor het gebruik van het
geoogste materiaal de houder van het kwekersrecht een redelijke
vergoeding verschuldigd.
3. De redelijke vergoeding, bedoeld in
het tweede lid, bedraagt:
a. voor het gewas aardappel 60%, en
b. voor graangewassen ten minste
60%
van de vergoeding die in het
handelsverkeer verschuldigd is voor het gebruik van een licentie voor
het desbetreffende ras, tenzij de houder van het kwekersrecht en de
teler anders overeenkomen.
Artikel 14
Voor de volgende rassen bedraagt de duur
van het kwekersrecht 30 jaar:
a. De rassen van het gewas aardappel,
aardbei, acacia, anthurium, appel, es, esdoorn, iep, kers,
kornoelje, krent, lijsterbes, linde, magnolia, peer, populier, pruim
en wilg.
b. De rassen van bolgewassen als
bedoeld in bijlage II van de Landbouwkwaliteitsregeling 2007,
alsmede freesia en nerine.
Hoofdstuk 5. Aanvragen en verzoeken bij
de Raad voor plantenrassen
Artikel 15
1. Aanvragen als bedoeld in de
artikelen 36, 55, eerste lid, en 85 van de wet worden ingediend met
behulp van een door de Raad ter beschikking gesteld, volledig ingevuld
en ondertekend formulier waarbij een of meer relevante
beschrijvingsbladen worden gevoegd.
2. In de door de aanvrager verstrekte
beschrijving van het ras wordt mede beschreven de wijze waarop het ras
is gekweekt, dan wel is ontdekt en ontwikkeld.
3. Bij de aanvraag wordt in voorkomend
geval op verzoek van de Raad een representatieve kleurenfoto
verstrekt.
4. De door de aanvrager verstrekte
beschrijving van de wijze waarop het ras is gekweekt dan wel is
ontdekt en ontwikkeld, wordt beschouwd als informatie die
vertrouwelijk aan de Raad wordt meegedeeld.
Artikel 16
1. Een verzoek tot verlening van een
licentie als bedoeld in artikel 62 van de wet is met redenen omkleed
en bevat:
a. de voorwaarden waaronder de
verzoeker de licentie wenst te verkrijgen,
b. indien mogelijk de voorwaarden
waaronder de houder van het kwekersrecht de licentie bereid is te
verlenen, en
c. de benaming van het ras en de
naam van het gewas waartoe het ras behoort.
2. De Raad zendt een afschrift van het
verzoek aan de houder van het kwekersrecht waarbij deze in de
gelegenheid wordt gesteld te reageren binnen een door de Raad gestelde
termijn.
3. De Raad kan de termijn, bedoeld in
het tweede lid, verlengen en de verzoeker en de houder van het
kwekersrecht in de gelegenheid stellen schriftelijk nadere toelichting
te geven.
Hoofdstuk 6. Tarieven
§ 1. Tarieven voor werkzaamheden Raad
voor plantenrassen
Artikel 17
1. Voor de behandeling van een aanvraag
a. tot verlening van kwekersrecht
als bedoeld in artikel 55 van de wet,
b. tot toelating van een ras als
bedoeld in artikel 36 of 85 van de wet, of
c. tot zowel de verlening van
kwekersrecht voor een ras als bedoeld onder a als de toelating van
datzelfde ras als bedoeld onder b, mits de aanvragen gelijktijdig
zijn ingediend
is de aanvrager aan de Raad een bedrag
verschuldigd van 410,.
2. Indien de aanvraag tot
kwekersrechtverlening en toelating van eenzelfde ras niet gelijktijdig
zijn ingediend, is de aanvrager voor de laatst ingediende aanvraag aan
de Raad een bedrag verschuldigd van 52,.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing op een aanvraag die onmiddellijk volgt op en in de plaats
komt van de eerste aanvraag voor het desbetreffende ras, indien deze
laatste aanvraag voor het desbetreffende ras wegens gebreken bij de
inzending van het identiteitsmonster geacht wordt te zijn ingetrokken
of is afgewezen.
4. De bedragen, bedoeld in het eerste
en tweede lid, worden bij vooruitbetaling aan de Raad voldaan.
Artikel 18
1. Een houder van een kwekersrecht en
een in het rassenregister ingeschreven instandhouder van een ras is
voor ieder jaar of gedeelte daarvan aan de Raad een bedrag
verschuldigd van 0.
2. De houder van een kwekersrecht die
tevens als instandhouder is ingeschreven in het Rassenregister is voor
ieder jaar of gedeelte daarvan aan de Raad een bedrag verschuldigd van
0.
3. De vergoedingen, bedoeld in het
eerste en tweede lid, zijn bij vooruitbetaling verschuldigd vanaf de
eerste dag van de maand volgend op die waarin het kwekersrecht of de
instandhouding in het rassenregister is ingeschreven.
Artikel 19
Artikel 18 is niet van toepassing op een
instandhouder van een aardappelras die uitsluitend op basis van gegevens
van de keuringsinstelling als zodanig is geregistreerd.
Artikel 20
1. Indien binnen veertien dagen na de
dag, bedoeld in artikel 18, derde lid, niet is betaald, wordt de
betrokken instandhouder door de Raad bij aangetekende brief aan zijn
betalingsverplichting herinnerd.
2. De inschrijving van een
instandhouder in het rassenregister wordt van rechtswege doorgehaald,
zodra zes maanden zijn verstreken sinds de vergoeding, bedoeld in
artikel 18, eerste lid, verschuldigd is geworden zonder dat deze
betaald is.
Artikel 21
1. Indien het onderzoek, bedoeld in
artikel 35, eerste lid, onderdeel a, van de wet, door een Nederlandse
onderzoeksinstelling zal worden uitgevoerd, is per teeltperiode een
bedrag verschuldigd, zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling
voor de gewasgroep waartoe het desbetreffende ras behoort, vermeerderd
met het van toepassing zijnde BTW- percentage ingeval de
onderzoeksinstelling gehouden is dit te heffen.
2. Indien het onderzoek, bedoeld in
artikel 35, eerste lid, onderdeel a, van de wet, door een buitenlandse
onderzoeksinstelling zal worden uitgevoerd, is per teeltperiode een
bedrag verschuldigd dat gelijk is aan de vergoeding die de
desbetreffende instelling voor dat onderzoek rekent.
3. De Raad publiceert periodiek de
hoogte van de vergoedingen, bedoeld in het tweede lid.
4. De vergoedingen, bedoeld in het
eerste en tweede lid, verschuldigd voor de eerste teeltperiode, worden
gelijktijdig met de vergoeding, bedoeld in artikel 17, voldaan. De
vergoedingen verschuldigd voor tweede en volgende teeltperioden worden
voldaan binnen een door de Raad gestelde termijn.
5. Het eerste lid is niet van
toepassing ingeval de Raad heeft toegestaan dat het desbetreffende
onderzoek in opdracht van de aanvrager wordt uitgevoerd bij een door
de Raad aangewezen instelling.
6. Indien de Raad met betrekking tot
een aanvraag tot een bijzondere inrichting van het onderzoek besluit,
wordt het in het eerste of tweede lid bedoelde bedrag verhoogd met een
bedrag ter hoogte van de daaraan verbonden extra kosten, welk bedrag
binnen een door de Raad gestelde termijn moet worden voldaan.
Artikel 22
1.In afwijking van artikel 21, eerste
en tweede lid, is de aanvrager een bedrag van 240 verschuldigd
ingeval de Raad voornemens is uitvoering te geven aan artikel 19 van
het besluit.
2.De vergoeding, bedoeld in het eerste
lid, wordt gelijktijdig voldaan met de vergoeding, bedoeld in artikel
17.
3.Ingeval het niet mogelijk is het
voornemen, bedoeld in het eerste lid, te realiseren, is, onder
verrekening van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, artikel 21 van
toepassing met dien verstande dat het bedrag verschuldigd voor de
eerste teeltperiode binnen een door de Raad gestelde termijn moet
worden voldaan.
Artikel 22a
1. Voor een beoordeling van de aanvraag
aan de hand van de criteria van artikel 12a, eerste lid, of artikel
12c, eerste lid, op basis van de bij de aanvraag ingediende
documentatie is de aanvrager een bedrag verschuldigd van 600,-.
2. Indien de Raad van oordeel is dat
een technisch onderzoek als bedoeld in artikel 16 van het besluit
noodzakelijk is, is het tarief, bedoeld in artikel 21, verschuldigd.
3. De vergoeding, bedoeld in het eerste
lid, wordt gelijktijdig voldaan met de vergoeding, bedoeld in artikel
17.
Artikel 23
Ingeval de Raad op verzoek van de
aanvrager en op grond van na de aanvang van het onderzoek, bedoeld in
artikel 35, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de wet, van de
aanvrager ontvangen gegevens tot een verdergaand onderzoek besluit,
kunnen in afwijking van de bedragen, bedoeld in artikel 21 eerste en
tweede lid, en artikel 22, eerste lid, de werkelijke kosten van dat
onderzoek in rekening worden gebracht.
Artikel 24
1. Ingeval een aanvraag wordt
ingetrokken of afgewezen voordat het onderzoek bedoeld in artikel 35,
eerste lid, onderdeel a, van de wet, in een teeltperiode is
aangevangen, wordt het bedrag dat voor het onderzoek gedurende de nog
aan te vangen teeltperiode is betaald ingevolge artikel 21, eerste of
tweede lid, gerestitueerd.
2. Ingeval een aanvraag wordt
ingetrokken of afgewezen voordat de Raad de resultaten van het in
artikel 19 van het besluit bedoelde onderzoek heeft ontvangen, wordt
het in artikel 22, eerste lid, bedoelde bedrag gerestitueerd.
Artikel 25
1. Indien de Raad voor de beoordeling
van een bezwaar tegen zijn beslissing een voortzetting van onderzoek,
bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdeel a, van de wet, nodig
acht, is artikel 23 van overeenkomstige toepassing met dien verstande
dat het bedrag verschuldigd voor de eerste teeltperiode binnen de door
de Raad gestelde termijn moet worden voldaan.
2. De op grond van het eerste lid
verrichte betaling wordt gerestitueerd, indien het bezwaar gegrond
wordt verklaard.
Artikel 26
1. Voor de behandeling van een verzoek
om advies als bedoeld in artikel 58, vierde lid, van de wet, is een
bedrag verschuldigd van 70,.
2. Onverminderd het eerste lid is
degene op wiens verzoek het advies, bedoeld in het eerste lid, wordt
gegeven binnen een door de Raad gestelde termijn een bedrag
verschuldigd dat overeenkomt met de kosten van het onderzoek dat ten
behoeve van dat advies is uitgevoerd.
Artikel 27
Voor de behandeling van een verzoek
strekkende tot aanvulling van de beschrijving als bedoeld in artikel 31,
tweede lid, onder a, van de wet is een bedrag verschuldigd van 70,.
Artikel 28
Voor de inschrijving van een verzoek tot
verlening van een licentie door de Raad als bedoeld in artikel 62 van de
wet is een bedrag verschuldigd van 70,.
Artikel 29
Voor de inschrijving van een akte van
overdracht als bedoeld in artikel 65, vierde lid, van de wet alsmede van
overgang van het recht door vererving is met betrekking tot een ras een
bedrag verschuldigd van 22,50.
Artikel 30
Voor iedere inschrijving in het
rassenregister van
a. een licentie,
b. het proces-verbaal van
inbeslagneming van een kwekersrecht,
c. de titel waaruit de opheffing van
het beslag blijkt,
d. de titel waaruit de toewijzing van
de verkoop van een in beslag genomen kwekersrecht blijkt, of
e. andere stukken, waarvan de
belanghebbende inschrijving heeft verzocht, is per ras een bedrag
verschuldigd van 22,50.
Artikel 31
Indien op verzoek van de aanvrager, de
houder van het kwekersrecht, een instandhouder of hun rechtsopvolgers
een wijziging, verbetering of aanvulling van de in het register
ingeschreven gegevens noodzakelijk is, is, voor zover voor die
wijziging, verbetering of aanvulling geen bijzonder tarief is gegeven,
een bedrag van 7,85 verschuldigd per ingeschreven ras.
Artikel 32
1. Voor de verstrekking van een
afschrift of uittreksel uit het register is per bladzijde een bedrag
verschuldigd van 3,70.
2. De Raad kan afschriften of
uittreksels kosteloos verstrekken aan commissies of instellingen, die
betrokken zijn bij de uitvoering van de wet, alsmede aan de met
verlening van kwekersrecht of rassentoelating belaste autoriteiten in
Unie-staten.
Artikel 32a
De bedragen, genoemd in de artikelen 17,
18, 22, 26 en 27 tot en met 32, worden vermeerderd met het van
toepassing zijnde BTW-percentage indien het bureau als bedoeld in
artikel 3, vierde lid, van de wet gehouden is dit te heffen.
Artikel 33
De in deze paragraaf opgenomen tarieven
worden periodiek aangepast aan de ontwikkeling van de lonen en prijzen.
§ 2. Oplegging en inning
Artikel 34
1. De verplichting tot betaling van een
geldsom wordt in een factuur vastgesteld.
2. De factuur vermeldt in ieder geval:
a. de te betalen geldsom;
b. de door de Raad te verrichten of
verrichte handelingen als bedoel in artikel 6, tweede lid, van
wet;
c. de termijn waarbinnen de
betaling moet plaatsvinden.
Artikel 35
De kosten van betaling komen ten laste
van de schuldenaar.
Artikel 36
1. Betaling ter voldoening van een
bepaalde geldschuld strekt in de eerste plaats tot mindering van de
kosten, vervolgens tot mindering van de verschenen rente en ten slotte
tot mindering van de hoofdsom en de lopende rente.
2. Indien een schuldenaar verschillende
geldschulden heeft bij de Raad, kan de schuldenaar bij de betaling de
geldschuld aanwijzen waaraan de betaling moet worden toegekend.
3. De schuldenaar is niet bevoegd tot
verrekening voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser
nietig zou zijn.
Artikel 37
1. De Raad kan de schuldenaar uitstel
van betaling verlenen.
2. Gedurende het uitstel kan de Raad
niet aanmanen of invorderen.
3. De beschikking tot uitstel van
betaling vermeldt de termijn waarvoor het uitstel geldt.
4. De Raad kan aan de beschikking tot
uitstel van betaling voorschriften verbinden.
Artikel 38
De Raad kan de beschikking tot uitstel
van betaling intrekken of wijzigen
a. indien de voorschriften niet
worden nageleefd;
b. indien de schuldenaar onjuiste of
onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste
of volledige gegevens tot een andere beschikking zou hebben geleid,
of
c. voor zover veranderde
omstandigheden zich verzetten tegen voortduring van het uitstel.
Artikel 39
De schuldenaar is in verzuim indien hij
niet binnen de voorgeschreven termijn heeft betaald.
Artikel 40
1. De Raad maant de schuldenaar die in
verzuim is schriftelijk aan tot betaling binnen twee weken, gerekend
vanaf de dag na die waarop de aanmaning is toegezonden.
2. De aanmaning vermeldt dat bij niet
tijdige betaling deze kan worden afgedwongen door op kosten van de
schuldenaar uit te voeren invorderingsmaatregelen.
Artikel 41
1. De Raad kan voor de aanmaning een
vergoeding in rekening brengen. De vergoeding bedraagt 6 indien de
schuld minder dan 454 bedraagt en 14 indien de schuld 454
of meer bedraagt.
2. De aanmaning vermeldt de vergoeding
die in rekening wordt gebracht.
Artikel 42
1. Het dwangbevel, bedoeld in artikel
6, vijfde lid, van de wet vermeldt in ieder geval:
a. aan het hoofd het woord dwangbevel;
b. het bedrag van de invorderbare
hoofdsom;
c. de beschikking of het wettelijk
voorschrift waaruit de geldschuld voortvloeit;
d. de kosten van het dwangbevel, en
e. dat het dwangbevel op kosten van
de schuldenaar ten uitvoer kan worden gelegd.
2. Het dwangbevel vermeldt, indien van
toepassing:
a. het bedrag van de
aanmaningsvergoeding, en
b. de ingangsdatum van de
wettelijke rente.
Hoofdstuk 6a. Vacatiegelden en reis- en
verblijfkostenvergoeding
Artikel 42a
De leden van de Raad, met uitzondering
van de voorzitter en de secretaris, ontvangen voor een zitting van de
Raad een vacatiegeld van 150, per dag.
Artikel 42b
De reis- en verblijfkosten van de leden
van de Raad, met uitzondering van de secretaris worden per zittingsdag
vergoed op basis van het Reisbesluit binnenland.
Hoofdstuk 7. Overige bepalingen
Artikel 42c
Indien een Europese richtlijn tot
wijziging van een bijlage, genoemd inartikel 10, eerste lid, of artikel
11, eerste lid, daartoe de mogelijkheid biedt, worden onderzoeken die
zijn begonnen overeenkomstig de bijlage zoals die gold voor de wijziging
van toepassing werd, voortgezet overeenkomstig die eerdere versie van
debijlage.
Artikel 43
De volgende regelingen worden
ingetrokken:
a. Inrichting rassenlijst voor
landbouwgewassen,
b. Regeling instructie Raad voor het
Kwekersrecht,
c. Regeling Tarieven Raad voor het
Kwekersrecht,
d. Regeling toelating groenterassen
1973,
e. Vacatiegeld Raad voor het
Kwekersrecht,
f. Vaststelling vergoedingen voor
leden Raad voor het Kwekersrecht, en
g. Verlening kwekersrecht buiten
Nederland gewonnen rassen.
Artikel 44
Deze regeling treedt in werking op het
bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip van inwerkingtreding van de
Zaaizaad- en plantgoedwet 2005.
Artikel 45
Deze regeling wordt aangehaald als:
Regeling werkzaamheden Raad voor plantenrassen.
Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant
geplaatst worden.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
C.P. Veerman.
Bijlage 1, behorende bij artikel 21,
eerste lid, van de Regeling werkzaamheden Raad voor plantenrassen
|
Nr. |
Gewasgroep |
Bedrag |
| |
Landbouwgewassen |
|
|
1 |
Zaadgewassen |
1460 |
|
2 |
Vegetatief vermeerderde gewassen |
1715 |
|
3 |
Oliehoudende gewassen |
1855 |
|
4 |
Grasgewassen |
1835 |
|
5 |
Bieten |
1615 |
|
6 |
Vezelgewassen |
2145 |
|
7 |
Gewassen met bijzonder
onderzoeksprogramma |
1695 |
|
8 |
Andere landbouwgewassen |
1855 |
| |
Siergewassen |
|
|
9 |
Gewassen met levende
referentiecollectie, onderzoek onder glas, lange teelt |
2355 |
|
10 |
Gewassen met levende
referentiecollectie, onderzoek onder glas, korte teelt |
2245 |
|
11 |
Gewassen met levende
referentiecollectie, veldonderzoek, lange teelt |
1975 |
|
12 |
Gewassen met levende
referentiecollectie, veldonderzoek, korte teelt |
1530 |
|
13 |
Gewassen zonder levende
referentiecollectie, onderzoek onder glas, lange teelt |
1890 |
|
14 |
Gewassen zonder levende
referentiecollectie, onderzoek onder glas, korte teelt |
1685 |
|
15 |
Gewassen zonder levende
referentiecollectie, veldonderzoek, lange teelt |
1635 |
|
16 |
Gewassen zonder levende
referentiecollectie, veldonderzoek, korte teelt |
1635 |
| |
Groentegewassen |
|
|
20 |
Gewassen, veldonderzoek |
1775 |
|
21 |
Gewassen, onderzoek onder glas |
2250 |
| |
Fruitgewassen |
|
|
24 |
Fruitgewassen |
2475 |
|
25 |
Struiken |
2475 |
|