| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet ruimtelijke
ordening (Wro)
BESLUIT
RUIMTELIJKE ORDENING
Tekst zoals deze geldt op
22 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 21 april 2008 tot uitvoering van de Wet
ruimtelijke ordening (Besluit ruimtelijke ordening)
WIJ BEATRIX,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de
voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer van 17 december 2007, nr. DJZ2007127171,
Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op de artikelen 2.4, 3.6, 3.7, 3.16,
3.20, 3.22, 3.23, 3.36, 3.37, 3.38, 4.1, 4.2, 4.3, 6.7, 6.11, 6.12, 9.1,
9.3, 9.4, 10.3, 10.7 en 10.8 van de Wet ruimtelijke ordening;
De Raad van State gehoord (advies van
29 februari 2008, nr. W08.07.0483/IV);
Gezien het nader rapport van Onze voornoemde
Minister van 14 april 2008, nr. DJZ2008033519, Directie
Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
§ 1.1. Algemeen
Artikel 1.1.1
1. In dit besluit en de hierop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. wet: Wet ruimtelijke ordening;
b. andere geluidsgevoelige gebouwen: andere geluidsgevoelige
gebouwen als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder;
c. geluidsgevoelige terreinen: geluidsgevoelige terreinen als
bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder;
d. sociale huurwoning: huurwoning met een aanvangshuurprijs
onder de grens als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van
de Wet op de huurtoeslag, waarbij de instandhouding voor de in een
gemeentelijke verordening omschreven doelgroep voor ten minste
tien jaar na ingebruikname is verzekerd;
e. sociale koopwoning: koopwoning met een koopprijs vrij op
naam van ten hoogste het bedrag genoemd in artikel 26, tweede lid,
onder g, van het Besluit beheer sociale huursector, waarbij de
instandhouding voor de in een gemeentelijke verordening omschreven
doelgroep voor een in de verordening vastgesteld tijdvak van ten
minste een jaar en ten hoogste tien jaar na ingebruikname is
verzekerd;
f. particulier opdrachtgeverschap: situatie dat de burger of
een groep van burgers in dat laatste geval georganiseerd als
rechtspersoon zonder winstoogmerk of krachtens een overeenkomst
tenminste de economische eigendom verkrijgt en volledige
zeggenschap heeft over en verantwoordelijkheid draagt voor het
gebruik van de grond, het ontwerp en de bouw van de eigen woning;
g. geometrische plaatsbepaling: locatie van een ruimtelijk
object, vastgelegd in een ruimtelijk referentiesysteem.
2. In dit besluit en de hierop berustende bepalingen wordt onder
een bestemmingsplan mede begrepen een inpassingsplan als bedoeld in
afdeling 3.5 van de wet.
3. In hoofdstuk 3 van dit besluit en de hierop berustende
bepalingen wordt onder een bestemmingsplan mede begrepen een
wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid,
onder a of b, van de wet alsmede een rijksbestemmingsplan als bedoeld
in artikel 10.3 van de wet.
4. In dit besluit en de hierop berustende bepalingen wordt onder
verbeelding op papier begrepen een verbeelding op duurzaam materiaal
dat goed vermenigvuldigbaar is.
Artikel 1.1.2
Bij het stellen van regels in een bestemmingsplan, wijzigings- of
uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b,
van de wet, rijkbestemmingsplan als bedoeld in artikel 10.3 van de wet
of beheersverordening, bij de beslissing op een aanvraag om een
omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12 de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de
beheersverordening wordt afgeweken wordt voorkomen dat strijdigheid
ontstaat met artikel 14, aanhef en onder 5, van richtlijn nr.
2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie
van 12 december 2006 betreffende de diensten op de interne markt (PbEU L
376). Een wijziging van de richtlijn, bedoeld in de eerste volzin, gaat
voor de toepassing van die volzin gelden met ingang van de dag waarop
aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
§ 1.2. Bepalingen over de vormgeving, inrichting,
beschikbaarstelling, bekendmaking en terinzagelegging van ruimtelijke
besluiten
Artikel 1.2.1
1. Onverminderd het bepaalde bij of krachtens de wet stellen
burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten en Onze Minister of
Onze Minister wie het aangaat de volgende ruimtelijke visies, plannen,
besluiten, verordeningen of algemene maatregelen van bestuur, op
zodanige wijze beschikbaar dat deze langs elektronische weg door een
ieder kunnen worden verkregen:
a. structuurvisie;
b. bestemmingsplan;
c. wijzigings- of uitwerkingsplan;
d. voorbereidingsbesluit;
e. beheersverordening;
f. provinciale verordening als bedoeld in artikel 4.1 van de
wet;
g. algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4.3
van de wet;
h. aanwijzing als bedoeld in artikel 4.2 of 4.4 van de wet;
i. rijksbestemmingsplan.
2. De beschikbaarstelling, bedoeld in het eerste lid, omvat een
volledige, toegankelijke en begrijpelijke verbeelding van de visie,
het plan, het besluit, de verordening of de algemene maatregel van
bestuur met de daarbij behorende toelichting of onderbouwing.
3. Een ieder wordt in de gelegenheid gesteld een visie, plan,
besluit, verordening of algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
het eerste lid, op het gemeentehuis en in voorkomend geval tevens op
het provinciehuis of in de hoofdzetel van het ministerie van Onze
Minister of van Onze Minister wie het aangaat, langs elektronische weg
te raadplegen.
4. Een visie, plan, besluit, verordening of algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in het eerste lid, wordt met de daarbij behorende
stukken op het gemeentehuis van de betrokken gemeente en in voorkomend
geval tevens op het provinciehuis of in de hoofdzetel van het
ministerie van Onze Minister of van Onze Minister wie het aangaat, ter
inzage gelegd. Op verzoek wordt tegen kostprijs afschrift daarvan
verstrekt.
Artikel 1.2.2
1. Er is een landelijke voorziening waar in elektronische vorm de
ruimtelijke visies, plannen, besluiten, verordeningen of algemene
maatregelen van bestuur, genoemd in artikel 1.2.1, eerste lid, van
gemeenten, provincies en Rijk, voor een ieder volledig toegankelijk en
raadpleegbaar zijn.
2. Burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten en Onze Minister
of Onze Minister wie het aangaat melden aan de landelijke voorziening
de vindplaats van de ruimtelijke visies, plannen, besluiten,
verordeningen of algemene maatregelen van bestuur, genoemd in artikel
1.2.1, eerste lid.
3. Onze Minister draagt aan een of meer door hem aan te wijzen
instanties het beheer op van de landelijke voorziening en kan daarvoor
regels stellen.
Artikel 1.2.3
1. De in artikel 1.2.1, eerste lid, bedoelde visies, plannen,
besluiten en verordeningen in voorkomend geval met de daarbij
behorende toelichting of onderbouwing worden langs elektronische weg
vastgelegd en in die vorm vastgesteld. Een volledige verbeelding
daarvan op papier wordt gelijktijdig vastgesteld.
2. Indien na vaststelling de inhoud van de langs elektronische weg
vastgelegde visies, plannen, besluiten en verordeningen als bedoeld in
het eerste lid, en die van de verbeelding daarvan op papier tot een
verschillende uitleg aanleiding geeft, is de eerstbedoelde inhoud
beslissend.
Artikel 1.2.4
1. De in artikel 1.2.1, eerste lid, bedoelde visies, plannen,
besluiten en verordeningen alsmede hun aansluiting op het aangrenzende
gebied, worden vastgesteld met gebruikmaking van een duidelijke
ondergrond. Bij het besluit tot vaststelling wordt aangegeven welke
ondergrond is gebruikt. Het betrokken bestuursorgaan toont op verzoek
de visie, het plan, het besluit of de verordening op deze ondergrond.
2. Bij ministeriėle regeling kunnen regels worden gesteld over de
aard van de ondergrond en de schaal van de weergave van de ruimtelijke
ontwikkelingen, bestemmingen, doeleinden, onderscheidingen of het
betrokken gebied en het aangrenzende gebied. Daarbij kan tevens worden
bepaald of en op welke wijze andere gegevens in de visie, het plan,
het besluit of de verordening worden opgenomen.
Artikel 1.2.5
1. De in artikel 1.2.1, eerste lid, bedoelde visies, plannen,
besluiten en verordeningen bevatten een geometrische plaatsbepaling
van het werkingsgebied en de eventueel daarin aangebrachte
onderscheidingen.
2. Bij ministeriėle regeling kunnen regels worden gesteld omtrent
de bij de opstelling van de in artikel 1.2.1, eerste lid, bedoelde
visies, plannen, besluiten en verordeningen te hanteren standaard voor
de geometrische plaatsbepaling.
Artikel 1.2.6
1. Bij ministeriėle regeling kunnen regels worden gesteld omtrent
de vormgeving en inrichting van de inartikel 1.2.1, eerste lid,
bedoelde visies, plannen, besluiten en verordeningen.
2. Bij ministeriėle regeling kunnen regels worden gesteld omtrent
het waarborgen van de authenticiteit van de documenten deel uitmakend
van een in artikel 1.2.1, eerste lid, bedoelde visie, plan, besluit,
verordening of algemene maatregel van bestuur.
3. Bij ministeriėle regeling kunnen regels worden gesteld omtrent
de methoden en technieken voor het langs elektronische weg aan een
ieder beschikbaar stellen van een in artikel 1.2.1, eerste lid,
bedoelde visie, plan, besluit, verordening of algemene maatregel van
bestuur.
4. Bij ministeriėle regeling kunnen voorts nadere regels worden
gesteld omtrent het langs elektronische weg aan een ieder beschikbaar
stellen door het verantwoordelijke bestuursorgaan van ter inzage
gelegde, vastgestelde of onherroepelijk vastgestelde structuurvisies,
bestemmingsplannen, voorbereidingsbesluiten, beheersverordeningen en
aanwijzingen van provincies of Rijk.
§ 1.3. Voorbereiding van besluiten met betrekking tot ruimtelijke
ontwikkelingen
Artikel 1.3.1
1. Voor zover bij de voorbereiding van een structuurvisie of een
bestemmingsplan geen milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7
van de Wet milieubeheer wordt opgesteld, geeft een bestuursorgaan dat
voornemens is op verzoek of uit eigen beweging een structuurvisie of
een bestemmingsplan, waarbij sprake is van ruimtelijke ontwikkelingen,
voor te bereiden, kennis van dat voornemen met overeenkomstige
toepassing van artikel 3:12, eerste en tweede lid, van de Algemene wet
bestuursrecht. De kennisgeving geschiedt tevens langs elektronische
weg.
2. In de kennisgeving wordt vermeld, of:
a. stukken betreffende het voornemen ter inzage zullen worden
gelegd en waar en wanneer,
b. er gelegenheid wordt geboden zienswijzen omtrent het
voornemen naar voren te brengen, aan wie, op welke wijze en binnen
welke termijn en
c. een onafhankelijke instantie in de gelegenheid wordt gesteld
advies uit te brengen over het voornemen.
Hoofdstuk 2. Structuurvisies
Artikel 2.1.1
Bij een structuurvisie wordt aangegeven op welke wijze burgers en
maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding daarvan zijn
betrokken.
Artikel 2.1.2
Bij ministeriėle regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de
voorbereiding van structuurvisies.
Hoofdstuk 3. Bestemmingsplannen
§ 3.1. Algemeen
Artikel 3.1.1
1.Het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een
bestemmingsplan pleegt daarbij overleg met de besturen van betrokken
gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk
die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast
zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding
zijn. Artikel 3:6 van de Algemene wet bestuursrecht is van
overeenkomstige toepassing.
2.Gedeputeerde staten onderscheidenlijk Onze Minister kunnen
bepalen dat onder bepaalde omstandigheden of in bepaalde gevallen geen
overleg is vereist met de diensten van provincie onderscheidenlijk
Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening.
Artikel 3.1.2
1.Ten behoeve van de uitvoerbaarheid kan een bestemmingsplan regels
bevatten met betrekking tot sociale huurwoningen, sociale koopwoningen
of particulier opdrachtgeverschap.
2.Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening kan een
bestemmingsplan regels bevatten met betrekking tot branches van
detailhandel en horeca.
3.Een bestemmingsplan kan voorts regels bevatten ter wering van
dreigende en tot stuiting van reeds ingetreden achteruitgang van de
woon- of werkomstandigheden in en het uiterlijk aanzien van het in het
plan begrepen gebied.
4.Indien een bestemmingsplan regels bevat ten aanzien van sociale
koopwoningen kan de gemeenteraad na regionale afstemming een lagere
koopprijsgrens vaststellen dan het bedrag, genoemd in artikel 26,
tweede lid, onder g, van het Besluit beheer sociale huursector.
Artikel 3.1.3
Een bestemmingsplan bevat naast de bij of krachtens de wet
voorgeschreven bestemmingen en regels, in elk geval een beschrijving van
die bestemmingen, waarbij per bestemming het doel of de doeleinden
worden aangegeven.
Artikel 3.1.4
Een bestemmingsplan geeft voor een op grond van artikel 3.6, eerste
lid, onder b, van de wet uit te werken deel van het plan op een zodanige
wijze de doelstellingen aan, dat voldoende inzicht wordt verkregen in de
toekomstige ontwikkeling van het desbetreffende gebied.
Artikel 3.1.5
Voorlopige bestemmingen en voorlopige regels als bedoeld in artikel
3.2 van de wet kunnen slechts in samenhang met bestemmingen en
gebruiksregels als bedoeld in de artikelen 3.1 en 3.6 van de wet worden
aangewezen onderscheidenlijk gegeven.
Artikel 3.1.6
1. Een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor gaan vergezeld
van een toelichting, waarin zijn neergelegd:
a. een verantwoording van de in het plan gemaakte keuze van
bestemmingen;
b. een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is
gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding;
c. de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 bedoelde overleg;
d. de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3:2 van de
Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek;
e. een beschrijving van de wijze waarop burgers en
maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het
bestemmingsplan zijn betrokken;
f. de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan.
2. Voor zover bij de voorbereiding van het bestemmingsplan geen
milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer
wordt opgesteld, waarin de hierna volgende onderdelen zijn beschreven,
worden in de toelichting ten minste neergelegd:
a. een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied
aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of
te verwachten monumenten rekening is gehouden;
b. voor zover nodig een beschrijving van de wijze waarop
rekening is gehouden met overige waarden van de in het plan
begrepen gronden en de verhouding tot het aangrenzende gebied;
c. een beschrijving van de wijze waarop krachtens hoofdstuk 5
van de Wet milieubeheer vastgestelde milieukwaliteitseisen bij het
plan zijn betrokken.
Artikel 3.1.7
Bij ministeriėle regeling kunnen nadere regels worden gesteld
omtrent de voorbereiding van bestemmingsplannen.
§ 3.2. Standaardregels in bestemmingsplannen
Artikel 3.2.1
In een bestemmingsplan worden de volgende regels van overgangsrecht
ten aanzien van bouwwerken opgenomen, met dien verstande dat het
percentage genoemd in het tweede lid van die regeling lager kan worden
vastgesteld:
Overgangsrecht bouwwerken
1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het
bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan
worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt
van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet
wordt vergroot,
a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel
worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de
omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee
jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid
een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud
van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die
weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan,
maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor
geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
Artikel 3.2.2
Behoudens voor zover uit de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG van
de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het
behoud van de vogelstand onderscheidenlijk van 21 mei 1992 inzake de
instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna
beperkingen voortvloeien ten aanzien van ten tijde van de
inwerkingtreding van een bestemmingsplan bestaand gebruik, worden in een
bestemmingsplan de volgende regels van overgangsrecht ten aanzien van
gebruik opgenomen:
Overgangsrecht gebruik
1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het
tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in
strijd is, mag worden voortgezet.
2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik,
bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in
een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze
verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip
van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een
jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te
hervatten of te laten hervatten.
4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds
in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder
begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 3.2.3
Indien toepassing van het overeenkomstig artikel 3.2.2 in het plan
opgenomen overgangsrecht gebruik zou kunnen leiden tot een onbillijkheid
van overwegende aard voor een of meer natuurlijke personen die op het
tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan grond en
opstallen gebruikten in strijd met het voordien geldende
bestemmingsplan, kan de gemeenteraad met het oog op beėindiging op
termijn van die met het bestemmingsplan strijdige situatie, in het plan
persoonsgebonden overgangsrecht opnemen.
Artikel 3.2.4
In een bestemmingsplan wordt de volgende anti-dubbeltelbepaling
opgenomen:
Anti-dubbeltelbepaling
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een
bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven,
blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
§ 3.3. Geluidszones
Artikel 3.3.1
1.Voor zover de uitvoering van de Wet geluidhinder zulks vereist,
geeft het bestemmingsplan aan:
a. de ligging en de afmetingen van woningen en andere
geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen, die
gelegen zijn binnen de zone van een weg, spoorweg of
industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder;
b. de functie van de voornaamste wegen, alsmede het
dwarsprofiel of het aantal rijstroken daarvan dan wel de as van de
weg waarmee gerekend is, bedoeld in artikel 74 van de Wet
geluidhinder.
2.Voor zover een bestemmingsplan op grond van artikel 3.6 van de
wet moet worden uitgewerkt dan wel kan worden gewijzigd, kan in
afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden volstaan met het
aangeven van de voor woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en
geluidsgevoelige terreinen ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting,
welke bij de uitwerking dan wel de wijziging van het plan in acht moet
worden genomen.
§ 3.4 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 3.4.1 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 3.4.2 [Vervallen per 01-10-2010]
§ 3.5 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 3.5.1 [Vervallen per 01-10-2010]
Hoofdstuk 4 [Vervallen per 01-10-2010]
§ 4.1 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 4.1.1 [Vervallen per 01-10-2010]
§ 4.2 [Vervallen per 01-10-2010]
Artikel 4.2.1 [Vervallen per 01-10-2010]
Hoofdstuk 5. Andere planologische besluiten
Artikel 5.1.1
Indien bij een beheersverordening onder het beheer van het in de
verordening begrepen gebied overeenkomstig het bestaande gebruik mede
wordt begrepen het beheer van het in de verordening begrepen gebied
overeenkomstig het onder het voorafgaande bestemmingsplan toegestane
gebruik, wordt in de beheersverordening voorzien in overgangsrecht voor
feitelijk bestaand gebruik dat in strijd is met de verordening.
Hoofdstuk 6. Financiėle bepalingen
Afdeling 6.1. Tegemoetkoming in schade
§ 6.1.1. Algemene bepalingen
Artikel 6.1.1.1
In deze afdeling en de hierop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a. aanvraag: aanvraag om een tegemoetkoming in de schade als
bedoeld in artikel 6.1 van de wet;
b. bestuursorgaan: burgemeester en wethouders, of, indien
toepassing is gegeven aan artikel 6.6, eerste lid van de wet,
gedeputeerde staten, of, indien toepassing is gegeven aan artikel
6.6, tweede lid van de wet, Onze Minister dan wel Onze aangewezen
Minister;
c. adviseur: een persoon of commissie, die geen deel uitmaakt van
of werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan
waaraan wordt geadviseerd, en die belast is met de advisering over
de op de aanvraag te nemen beschikking.
§ 6.1.2. De aanvraag
Artikel 6.1.2.1
1.Burgemeester en wethouders tekenen de datum van ontvangst
onverwijld aan op het geschrift waarbij de aanvraag is ingediend.
2.Zij zenden de aanvrager onverwijld een bewijs van ontvangst,
waarin die datum is vermeld.
3.Zij delen de aanvrager zo spoedig mogelijk mee door welk
bestuursorgaan op de aanvraag zal worden beslist.
Artikel 6.1.2.2
1.Onverminderd artikel 4:2, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht en artikel 6.1 van de wet bevat de aanvraag:
a. een aanduiding van de oorzaak, bedoeld in artikel 6.1,
tweede lid, van de wet, ter zake waarvan een tegemoetkoming in de
schade wordt gevraagd;
b. een aanduiding van de aard van de schade;
c. een omschrijving van de wijze waarop aan de schade naar het
oordeel van de aanvrager tegemoet dient te worden gekomen indien
hij geen vergoeding in geld wenst.
2.Bij ministeriėle regeling kunnen nadere regels worden gegeven
omtrent de aanvraag.
§ 6.1.3. De behandeling en beoordeling van de aanvraag
Artikel 6.1.3.1
1.Het bestuursorgaan is bevoegd de aanvraag binnen vier weken na
ontvangst, onderscheidenlijk binnen acht weken nadat de termijn
verstreken is gedurende welke de aanvrager de aanvraag kon aanvullen,
af te wijzen, indien de aanvraag kennelijk ongegrond is.
2.Een besluit om een onvolledige aanvraag niet, onderscheidenlijk
niet verder in behandeling te nemen, wordt aan de aanvrager
bekendgemaakt binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag,
onderscheidenlijk binnen acht weken nadat de termijn is verstreken
gedurende welke de aanvrager de aanvraag kon aanvullen.
3.Het bestuursorgaan kan de laatste in het tweede lid genoemde
termijn eenmaal met ten hoogste vier weken verlengen.
Artikel 6.1.3.2
Het bestuursorgaan wijst een adviseur aan die een advies uitbrengt
over de op de aanvraag te nemen beslissing, tenzij toepassing wordt
gegeven aan artikel 6.1.3.1 of aan artikel 4:5 van de Algemene wet
bestuursrecht.
Artikel 6.1.3.3
1.Bij gemeentelijke verordening, provinciale verordening en bij
regeling van Onze Minister worden regels gegeven over de aanwijzing
van een adviseur en de wijze waarop deze tot een advies komt.
2.De regels, bedoeld in het eerste lid, hebben in ieder geval
betrekking op:
a. de deskundigheid en onafhankelijkheid van de adviseur;
b. de gevallen waarin een commissie als adviseur wordt
ingeschakeld;
c. het tijdstip waarop de adviseur wordt ingeschakeld;
d. de wijze waarop de aanvrager en eventuele andere betrokken
bestuursorganen of andere belanghebbenden als bedoeld in artikel
6.4a, tweede en derde lid, van de wet vooraf in de aanwijzing van
de adviseur worden gekend, dan wel deze na aanwijzing kunnen
wraken;
e. de wijze waarop de aanvrager, de betrokken bestuursorganen
en in voorkomend geval de belanghebbenden als bedoeld in artikel
6.4a, tweede en derde lid, van de wet door de adviseur, onder
verslaglegging, worden gehoord en bij de opstelling van het advies
worden betrokken, en de dienaangaande geldende termijnen.
Artikel 6.1.3.4
1.De adviseur betrekt in zijn onderzoek in ieder geval:
a. de vraag of de door de aanvrager in zijn aanvraag gestelde
schade een gevolg is of zal zijn van de in de aanvraag aangeduide
schadeoorzaak;
b. de omvang van de schade, bedoeld onder a;
c. de vraag of deze schade redelijkerwijs geheel of
gedeeltelijk ten laste van de benadeelde behoort te blijven, zulks
met inachtneming van de artikelen 6.1, eerste lid, 6.2 en 6.3 van
de wet.
2.De adviseur adviseert het bestuursorgaan over de hoogte van de
toe te kennen tegemoetkoming en doet, indien het bestuursorgaan een
daartoe strekkend verzoek heeft gedaan, voorstellen voor maatregelen
of voorzieningen waardoor de schade, anders dan door een
tegemoetkoming in geld, kan worden beperkt of ongedaan gemaakt. Heeft
een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de wet
voor de benadeelde naast schade tevens voordeel opgeleverd, dan wordt
dit voordeel bij het advies over de te vergoeden schade in aanmerking
genomen.
Artikel 6.1.3.5
1.De adviseur kan inlichtingen en adviezen inwinnen bij derden.
Indien met het verstrekken van inlichtingen of het verlenen van
adviezen door derden kosten gemoeid zijn, oefent de adviseur deze
bevoegdheid eerst uit na instemming van het bestuursorgaan.
2.De adviseur stelt zich ter plaatse op de hoogte van de situatie,
tenzij naar zijn mening uit de inhoud van de aanvraag aanstonds blijkt
dat deze behoort te worden afgewezen.
Artikel 6.1.3.6
1.Het bestuursorgaan beslist binnen acht weken na ontvangst van het
advies op het verzoek en maakt dit besluit binnen deze termijn bekend
aan de aanvrager.
2.Het bestuursorgaan kan de in het eerste lid bedoelde beslissing,
onder opgaaf van redenen, eenmaal voor ten hoogste vier weken
verdagen.
Artikel 6.1.3.7
1.Het bestuursorgaan kent de aanvrager op diens schriftelijke
aanvraag een voorschot toe indien hij naar redelijke verwachting in
aanmerking komt voor een tegemoetkoming en zijn belang naar het
oordeel van het bestuursorgaan zodanig voorschot vordert. Het
bestuursorgaan beslist op de aanvraag, gehoord de adviseur.
2.Een besluit tot het verlenen van een voorschot is geen erkenning
van een aanspraak op een tegemoetkoming.
3.Het voorschot kan uitsluitend worden verleend indien de aanvrager
van het voorschot schriftelijk de verplichting aanvaardt tot gehele en
onvoorwaardelijke terugbetaling van hetgeen ten onrechte als voorschot
is uitbetaald, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente over het
teveel betaalde, te rekenen vanaf de datum van betaling van het
voorschot. Het bestuursorgaan kan daarvoor zekerheidstelling
verlangen.
Artikel 6.1.3.8
Bij ministeriėle regeling kunnen nadere regels worden gegeven
omtrent de behandeling en beoordeling van de aanvraag.
Afdeling 6.2. Grondexploitatie
Artikel 6.2.1
Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet,
wordt aangewezen een bouwplan voor:
a. de bouw van een of meer woningen;
b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen;
c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1000 m²
bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen;
d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor
andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor
woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;
e. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor
andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel,
dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve
oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1500 m²
bruto-vloeroppervlakte bedraagt;
f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1000 m²
bruto-vloeroppervlakte.
Artikel 6.2.1a
Als gevallen als bedoeld in artikel 6.12, tweede lid, van de wet
worden aangewezen de gevallen waarin:
a. het totaal der exploitatiebijdragen dat met toepassing van
artikel 6.19, van de wet kan worden verhaald, minder bedraagt dan
10.000,;
b. er geen verhaalbare kosten zijn als bedoeld in artikel 6.2.4,
onderdelen b tot en met f;
c. de verhaalbare kosten, bedoeld in artikel 6.2.4, onderdelen b
tot en met f, uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de
openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen.
Artikel 6.2.2 [Vervallen per 01-03-2009]
Artikel 6.2.3
Tot de kosten, bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, ten
eerste, van de wet, worden, voor zover deze redelijkerwijs zijn toe te
rekenen aan de inbrengwaarde van de gronden, gerekend de ramingen van:
a. de waarde van de gronden in het exploitatiegebied;
b. de waarde van de opstallen die in verband met de exploitatie
van de gronden moeten worden gesloopt;
c. de kosten van het vrijmaken van de gronden in het
exploitatiegebied van persoonlijke rechten en lasten, eigendom,
bezit of beperkt recht en zakelijke lasten;
d. de kosten van sloop, verwijdering en verplaatsing van
opstallen, obstakels, funderingen, kabels en leidingen in het
exploitatiegebied.
Artikel 6.2.4
Tot de kosten, bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, ten
tweede, van de wet, worden gerekend de ramingen van:
a. de kosten van het verrichten van onderzoek, waaronder in ieder
geval begrepen grondmechanisch en milieukundig bodemonderzoek,
akoestisch onderzoek, ander milieukundig onderzoek, archeologisch en
cultuurhistorisch onderzoek;
b. de kosten van bodemsanering, het dempen van
oppervlaktewateren, het verrichten van grondwerken, met inbegrip van
het egaliseren, ophogen en afgraven;
c. de kosten van de aanleg van voorzieningen in een
exploitatiegebied;
d. de kosten van maatregelen, plannen, besluiten en
rechtshandelingen met betrekking tot gronden, opstallen,
activiteiten en rechten in het exploitatiegebied, waaronder mede
begrepen het beperken van milieuhygiėnische contouren en externe
veiligheidscontouren;
e. de in artikel 6.2.3 en de onder a tot en met d en g tot en met
n bedoelde kosten met betrekking tot gronden buiten het
exploitatiegebied, waaronder mede begrepen de kosten van de
noodzakelijke compensatie van in het exploitatiegebied verloren
gegane natuurwaarden, groenvoorzieningen en watervoorzieningen;
f. de in artikel 6.2.3 en de onder a tot en met d bedoelde
kosten, voor zover deze noodzakelijk zijn in verband met het in
exploitatie brengen van gronden die in de naaste toekomst voor
bebouwing in aanmerking komen;
g. de kosten van voorbereiding en toezicht op de uitvoering,
verband houdende met de aanleg van de voorzieningen en werken,
bedoeld onder a tot en met f, en in artikel 6.2.3, onder c en d;
h. de kosten van het opstellen van gemeentelijke ruimtelijke
plannen ten behoeve van het exploitatiegebied;
i. de kosten van het opzetten en begeleiden van gemeentelijke
ontwerpcompetities en prijsvragen voor het stedenbouwkundig ontwerp
van de locatie, en de kosten van vergoedingen voor deelname aan de
prijsvraag;
j. de kosten van andere door het gemeentelijk apparaat of in
opdracht van de gemeente te verrichten werkzaamheden, voor zover
deze werkzaamheden rechtstreeks verband houden met de in dit besluit
bedoelde voorzieningen, werken, maatregelen en werkzaamheden;
k. de kosten van tijdelijk beheer van de door of vanwege de
gemeente verworven gronden, verminderd met de uit het tijdelijk
beheer te verwachten opbrengsten;
l. de kosten van tegemoetkoming van schade, bedoeld in artikel
6.1 van de wet;
m. niet-terugvorderbare BTW, niet-gecompenseerde compensabele BTW,
of andere niet-terugvorderbare belastingen, over de kostenelementen,
genoemd onder a tot en met l;
n. rente van geļnvesteerde kapitalen en overige lasten,
verminderd met renteopbrengsten.
Artikel 6.2.5
Tot de voorzieningen, bedoeld in artikel 6.2.4, onder c, worden
gerekend:
a. nutsvoorzieningen met bijbehorende werken en bouwwerken, voor
zover de aanlegkosten bij of door de gemeente in rekening worden
gebracht en niet via de verbruikstarieven kunnen worden gedekt;
b. riolering met inbegrip van bijbehorende werken en bouwwerken;
c. wegen, ongebouwde openbare parkeergelegenheden, pleinen,
trottoirs, voet- en rijwielpaden, waterpartijen, watergangen,
voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, bruggen, tunnels,
duikers, kades, steigers, en andere rechtstreeks met de aanleg van
deze voorzieningen verband houdende werken en bouwwerken;
d. infrastructuur voor openbaar vervoervoorzieningen met
bijbehorende werken en bouwwerken, voor zover de aanlegkosten bij of
door de gemeente in rekening worden gebracht en niet via de
gebruikstarieven kunnen worden gedekt;
e. groenvoorzieningen, waaronder begrepen openbare parken,
plantsoenen, speelplaatsen, trapvelden en speelweiden,
natuurvoorzieningen en openbare niet-commerciėle
sportvoorzieningen;
f. openbare verlichting en brandkranen met aansluitingen;
g. straatmeubilair, speeltoestellen, sierende elementen,
kunstobjecten en afrasteringen in de openbare ruimte;
h. gebouwde parkeervoorzieningen, voor zover deze leiden tot
optimalisering van het grondgebruik en verbetering van de kwaliteit
van de openbare ruimte, openbaar toegankelijk zijn en voornamelijk
worden gebruikt door bewoners en gebruikers van het
exploitatiegebied, voor zover de aanlegkosten bij of door de
gemeente in rekening worden gebracht en niet via de gebruikstarieven
kunnen worden gedekt;
i. uit een oogpunt van milieuhygiėne, archeologie of
volksgezondheid noodzakelijke voorzieningen.
Artikel 6.2.6
Met betrekking tot de kostensoorten, bedoeld in artikel 6.2.4, onder
a en g tot en met j, kunnen bij ministeriėle regeling regels worden
gesteld met betrekking tot de hoogte en de begrenzing van de via het
exploitatieplan verhaalbare kosten. Bij deze regels kan een onderscheid
worden gemaakt naar type locatie en de aard en omvang van een project.
Artikel 6.2.7
Tot de opbrengsten van de exploitatie, bedoeld in artikel 6.13,
eerste lid, onder c, ten derde, van de wet, worden gerekend de ramingen
van de opbrengsten:
a. van uitgifte van de gronden in het exploitatiegebied;
b. van bijdragen en subsidies van derden;
c. welke worden verkregen of toegekend in verband met het in
exploitatie brengen van gronden die in de naaste toekomst voor
bebouwing in aanmerking komen.
Artikel 6.2.8
In de in artikel 6.13, eerste lid, onder c, van de wet bedoelde
exploitatieopzet wordt vermeld welk percentage van de totale kosten, met
uitzondering van de kosten bedoeld in artikel 6.2.4, onder f,
gerealiseerd is.
Artikel 6.2.9
De in artikel 6.13, tweede lid, onder c, van de wet bedoelde regels
kunnen mede betrekking hebben op het in overeenstemming met de geldende
aanbestedingsregels aanbesteden van de in het exploitatieplan voorziene
werken en werkzaamheden.
Artikel 6.2.10
De in artikel 6.13, tweede lid, onder d, van de wet bedoelde regels
kunnen mede betrekking hebben op:
a. het aantal en de situering van sociale huurwoningen, sociale
koopwoningen en percelen voor particulier opdrachtgeverschap;
b. de categorieėn woningzoekenden, die voor een kavel voor
particulier opdrachtgeverschap in aanmerking komen;
c. de methode van toewijzing van kavels voor particulier
opdrachtgeverschap;
d. de prijsvorming van kavels voor particulier
opdrachtgeverschap, waarbij voor kavels in de vrije sector wordt
uitgegaan van een door een onafhankelijke taxateur vastgestelde
prijs die is aanvaard door de gemeente en de verkoper, of van een
veiling onder toezicht van een notaris;
e. het sluiten van een overeenkomst tot vervreemding van een
kavel voor particulier opdrachtgeverschap en de overdracht van de
voor de kavel verstrekte bouwvergunning, tot aan het moment van
voltooiing van de bouw van de woning;
f. regels betreffende het tegengaan van speculatie met betrekking
tot sociale huur- en koopwoningen.
Artikel 6.2.11
Een exploitatieplan gaat vergezeld van een toelichting, welke
tenminste bevat:
a. een aanduiding van het ruimtelijk besluit, waarmee het
exploitatieplan verbonden is;
b. een toelichting op de functie van het exploitatieplan, en
c. een toelichting bij de begrenzing van het exploitatiegebied;
alsmede, voor zover van toepassing, een toelichting bij:
d. de locatie-eisen;
e. de regels voor woningbouwcategorieėn;
f. de overige regels in het exploitatieplan;
g. de exploitatieopzet;
h. de kosten per soort;
i. de bovenwijkse kosten;
j. de kosten voor toekomstige ontwikkelingen;
k. de opbrengstcategorieėn en prijzen;
l. de wijze van toerekening, en
m. indien de exploitatieopzet een tekort vertoont, een
omschrijving van de wijze waarop het tekort wordt gedekt.
Artikel 6.2.12
Binnen twee weken na het sluiten van een overeenkomst als bedoeld in
artikel 6.24 van de wet leggen burgemeester en wethouders een zakelijke
beschrijving van de inhoud van de overeenkomst ter inzage.
Afdeling 6.3. Subsidies
§ 6.3.1. Algemene bepalingen
Artikel 6.3.1.1
In deze afdeling en in een ministeriėle regeling krachtens artikel
6.10, tweede lid, of artikel 6.11, eerste lid, van de wet wordt verstaan
onder
programma: geheel van aangewezen taken, activiteiten of maatregelen
op het gebied van de ruimtelijke ordening, in de kosten waarvan door
Onze Minister een subsidie kan worden verleend voor het bereiken van de
bij die aanwijzing opgenomen doelstellingen.
Artikel 6.3.1.2
1.Deze afdeling is van toepassing op elke krachtens de wet of de
daarop berustende bepalingen door Onze Minister te verlenen of
verleende subsidie.
2.Terzake van een subsidie waaraan geen programma ten grondslag
ligt, wordt in artikel 6.3.1.4, eerste en tweede lid, in plaats van
«een programma» telkens gelezen: «een beschikking tot
subsidieverlening» en wordt in artikel 6.3.1.4, tweede lid, in plaats
van «dat programma» of «het programma» gelezen: «de beschikking
tot subsidieverlening».
Artikel 6.3.1.3
Bij een ministeriėle regeling als bedoeld in de aanhef van artikel
6.3.1.1 worden in elk geval regels gegeven omtrent:
a. de geldingsduur;
b. de hoogte van het jaarlijkse totale bedrag voor alle in die
regeling opgenomen categorieėn van subsidies tezamen, onderverdeeld
naar de in de regeling onderscheiden categorieėn van subsidies;
c. de eisen waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen
voor een subsidie;
d. het maximumbedrag van de subsidie of de maatstaven voor het
vaststellen van de hoogte van de subsidie;
e. de weigering en aanhouding van de aanvraag van een subsidie
vanwege de overschrijding of dreigende overschrijding van een bedrag
als bedoeld onder b of d.
Artikel 6.3.1.4
1.In een programma worden ten minste opgenomen het doel van de
subsidie, een aanduiding van de in aanmerking komende
subsidieontvangers en van de subsidiabele kosten en, indien van
toepassing, het subsidieplafond, het maximale subsidiepercentage en
het maximale subsidiebedrag.
2.Indien voor een programma een subsidieplafond wordt vastgesteld,
wordt in dat programma in verband met de besluitvorming over de
aanvraag van de subsidie bepaald of bij de subsidieverlening:
a. op de aanvragen in volgorde van ontvangst wordt beslist, met
dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van
de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de
aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld
voor die beslissing als datum van ontvangst van de aanvraag geldt,
of
b. aanvragen met betrekking tot soortgelijke activiteiten
gelijktijdig worden beoordeeld op basis van hun geschiktheid om
bij te dragen aan de doelstellingen van het programma.
Artikel 6.3.1.5
1.Onze Minister maakt een door hem vastgesteld subsidieplafond voor
het daaropvolgende kalenderjaar en de wijze van verdeling van het
beschikbare bedrag vóór 1 november in de Staatscourant bekend.
2.Indien het subsidieplafond van een programma is bereikt, waarvoor
de inartikel 6.3.1.4, tweede lid, bedoelde wijze van verdeling geldt,
maakt Onze Minister dit onverwijld in de Staatscourant bekend.
3.De artikelen 4:27, tweede lid, en 4:28 van de Algemene wet
bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6.3.1.6
Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt
geen subsidie verleend voor:
a. de in artikel 6.10, eerste lid, onder a, van de wet genoemde
activiteiten voor zover het reguliere kosten voor het opstellen en
herzien van ruimtelijke plannen betreft;
b. de in artikel 6.10, eerste lid, onder b, van de wet genoemde
activiteiten voor zover de kosten daarvoor uit hoofde van een andere
regeling voor vergoeding in aanmerking kunnen komen;
c. de in artikel 6.10, eerste lid, onder c, van de wet genoemde
activiteiten voor zover niet is aangetoond dat de activiteiten in
financiėle en in bestuurlijke zin haalbaar zijn of voor zover de
kosten uit hoofde van een andere regeling voor vergoeding in
aanmerking komen.
Artikel 6.3.1.7
Onze Minister kan ter uitvoering van een structuurvisie over de
Waddenzee subsidie verstrekken ten behoeve van het bestuurlijk overleg
over het Waddengebied.
§ 6.3.2. De aanvraag van de subsidie
Artikel 6.3.2.1
1.De aanvraag van de subsidie wordt voorafgaand aan de activiteiten
bij Onze Minister ingediend.
2.De activiteit vangt aan in het jaar waarop de aanvraag van de
subsidie betrekking heeft.
3.De aanvraag van de subsidie gaat in elk geval vergezeld van:
a. een sluitende begroting van de kosten of de wijze van
bekostiging van de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft,
en
b. een beschrijving van de activiteit en een tijdsplanning.
4.Onze Minister kan nadere regels geven omtrent de gegevens die bij
de aanvraag van de subsidie dienen te worden verstrekt.
5.Aan de aanvrager van de subsidie wordt onverwijld een bericht van
ontvangst gezonden, waarin de datum van ontvangst wordt vermeld.
§ 6.3.3. Subsidieverlening
Artikel 6.3.3.1
Onze Minister neemt bij de verdeling van het beschikbare bedrag in
aanmerking:
a. het belang van de activiteit waarvoor een aanvraag om subsidie
is ingediend voor de uitvoering van het nationaal ruimtelijk beleid,
en
b. de bijdrage van die activiteit aan de verwezenlijking van het
doel van de subsidie.
Artikel 6.3.3.2
1.Tenzij een aanvraag om subsidie wordt beoordeeld met toepassing
van artikel 6.3.1.4, tweede lid, onder b, beslist Onze Minister binnen
acht weken na de ontvangst van de aanvraag, met dien verstande dat
wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet
bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de
dag waarop de aanvraag is aangevuld voor die beslissing geldt als
datum van ontvangst van de aanvraag.
2.Onze Minister kan de beslissing voor ten hoogste acht weken
verdagen. Van de verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan.
Artikel 6.3.3.3
De subsidieverlening wordt geweigerd indien de aanvrager van de
subsidie niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 6.3.2.1, eerste
tot en met vierde lid.
§ 6.3.4. Verplichtingen van de subsidie-ontvanger
Artikel 6.3.4.1
1.De subsidie-ontvanger voert de activiteiten uit overeenkomstig de
door hem verstrekte gegevens, tenzij Onze Minister voorafgaand
toestemming heeft gegeven daarvan af te wijken.
2.De subsidie-ontvanger voert een administratie die zodanig is
ingericht dat daaruit te allen tijde op eenvoudige wijze de kosten en
de financieringswijze van de activiteit waarvoor een subsidie is
verleend, kan worden afgelezen.
3.Voor zover de activiteit zich over meer dan één kalenderjaar
uitstrekt legt de subsidie-ontvanger tevens eenmaal per kalenderjaar
een verslag omtrent de voortgang van de activiteit over aan Onze
Minister.
4.Onze Minister kan de subsidie-ontvanger bij de subsidieverlening
ook andere verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking
van het doel van de subsidie.
§ 6.3.5. Subsidievaststelling
Artikel 6.3.5.1
1.De subsidie-ontvanger dient binnen dertien weken na voltooiing
van de activiteit bij Onze Minister een aanvraag tot
subsidievaststelling in.
3.De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van een
activiteitenverslag, waarbij de subsidie-ontvanger aantoont dat de
activiteit overeenkomstig de aan de subsidie verbonden verplichtingen
heeft plaatsgevonden, en een financieel verslag.
3.Indien de subsidie meer bedraagt dan 50.000, gaat het
financieel verslag vergezeld van een verklaring van getrouwheid van
een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek, die wordt afgegeven na toetsing van de wijze
van besteding van de subsidie aan de wet en dit besluit.
4.Het derde lid is niet van toepassing op subsidieverstrekking aan
gemeenten of provincies.
Artikel 6.3.5.2
1.Indien de subsidie-ontvanger een gemeente, provincie of een
regionaal openbaar lichaam op grond van artikel 104 van de Wet
gemeenschappelijke regelingen is, wordt een subsidievaststelling
aangevraagd in het jaar na de voltooiing van de activiteit, door de
verantwoordingsinformatie aan Onze Minister te verstrekken, op de
wijze, bedoeld in artikel 27 van het Besluit financiėle verhouding
2001.
2.Artikel 58a van het Besluit begroting en verantwoording
provincies en gemeenten is van overeenkomstige toepassing.
§ 6.3.6. Voorschotten en betaling
Artikel 6.3.6.1
1. Het totale bedrag aan door Onze Minister verleende voorschotten
kan niet meer bedragen dan 80 procent van het bedrag van de verleende
subsidie.
2. In afwijking van het eerste lid kan in naar het oordeel van Onze
Minister in aanmerking komende gevallen het totale bedrag van de
verleende voorschotten 100 procent bedragen van de verleende subsidie.
Artikel 6.3.6.2
Indien de subsidieaanvrager een gemeente, een provincie of een
regionaal openbaar lichaam op grond van artikel 104 van de Wet
gemeenschappelijke regelingen is, geldt in afwijking van artikel 6.3.6.1
dat:
a. Onze Minister in het jaar waarin de uitvoeringswerkzaamheden
van het project aanvangen, een uit te keren jaartermijn tot maximaal
100 procent kan bevoorschotten, zo mogelijk in aansluiting op de
subsidieverlening en vervolgens aan het begin van een jaar;
b. de bevoorschotte bedragen in rekening-courant, bedoeld in
artikel 24, zesde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 worden
aangehouden bij het Ministerie van Financiėn, tenzij dat, gelet op
de omvang van de bedragen, naar het oordeel van Onze Minister van
Financiėn niet doelmatig is;
c. voor het aanhouden in rekening-courant van de bevoorschotte
bedragen de door Onze Minister van Financiėn gestelde regels,
bedoeld in artikel 49a van de Comptabiliteitswet 2001, van
toepassing zijn.
Hoofdstuk 7. Planologische organen
§ 7.1 [Vervallen per 01-03-2009]
Artikel 7.1.1 [Vervallen per 01-03-2009]
Artikel 7.1.2 [Vervallen per 01-03-2009]
Artikel 7.1.3 [Vervallen per 01-03-2009]
Artikel 7.1.4 [Vervallen per 01-03-2009]
Artikel 7.1.5 [Vervallen per 01-03-2009]
Artikel 7.1.6 [Vervallen per 01-03-2009]
Artikel 7.1.7 [Vervallen per 01-03-2009]
Artikel 7.1.8 [Vervallen per 01-03-2009]
Artikel 7.1.9 [Vervallen per 01-03-2009]
Artikel 7.1.10 [Vervallen per 01-03-2009]
Artikel 7.1.11 [Vervallen per 01-03-2009]
Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen
§ 8.1. Overgangsbepalingen
Artikel 8.1.1
1. In afwijking van artikel 1.2.3, eerste en tweede lid, mogen de
in artikel 1.2.1, eerste lid, bedoelde visies, plannen, besluiten en
verordeningen in voorkomend geval met de daarbij behorende toelichting
of onderbouwing die voor 1 januari 2010 in papieren vorm zijn
vastgelegd en in ontwerp ter inzage zijn gelegd, na dat tijdstip in
die vorm worden vastgesteld. In zodanig geval wordt tevens een
verbeelding daarvan in elektronische vorm vastgesteld.
2. Indien de inhoud van de visies, plannen, besluiten en
verordeningen op papier, bedoeld in het eerste lid, en de inhoud van
de verbeelding daarvan in elektronische vorm tot verschillende uitleg
aanleiding geeft, is in afwijking van artikel 1.2.3, tweede lid, de
inhoud van de papieren vorm beslissend.
Artikel 8.1.2
Tenzij toepassing is gegeven aan artikel 8.1.4, zijn de artikelen
1.2.2, 1.2.3 en 1.2.4 niet van toepassing op:
a. een wijziging of uitwerking van een bestemmingsplan, mits dat
bestemmingsplan in ontwerp ter inzage is gelegd voor 1 januari 2010,
en
b. een herziening van een bestemmingsplan, mits dat
bestemmingsplan in ontwerp ter inzage is gelegd voor 1 januari 2010
en de herziening niet betrekking heeft op het vervangen van een in
dat plan voorkomende bestemming.
Artikel 8.1.3
Voor zover na het tijdstip van inwerkingtreding van de wet aan een
bestemmingsplan gedeeltelijk goedkeuring is onthouden en voor het
betrokken gedeelte een nieuw plan wordt vastgesteld, mag, in afwijking
van de artikelen 1.2.3 en 1.2.4van dit besluit, binnen een jaar na het
besluit omtrent goedkeuring het nieuwe plan worden vormgegeven,
ingericht en beschikbaar gesteld op de wijze waarop het bestemmingsplan,
ter reparatie waarvan het nieuwe plan strekt, is vormgegeven, ingericht
en beschikbaar gesteld.
Artikel 8.1.4
1. Voor de periode die aanvangt op 1 juli 2009 en eindigt op 31
december 2009, kunnen, onverminderd het bepaalde bij of krachtens de
wet, burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten en Onze Minister
of Onze Minister wie het aangaat de volgende ruimtelijke visies,
besluiten, verordeningen of algemene maatregelen van bestuur, op
zodanige wijze beschikbaar stellen dat deze langs elektronische weg
door een ieder kunnen worden verkregen:
a. structuurvisie;
b. voorbereidingsbesluit;
c. tijdelijke ontheffing;
d. beheersverordening;
e. provinciale verordening als bedoeld in artikel 4.1 van de
wet;
f. algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4.3
van de wet;
g. aanwijzing als bedoeld in artikel 4.2 of 4.4 van de wet.
Artikel 1.2.1, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing.
2. Voor de periode, bedoeld in het eerste lid, kunnen de in het
eerste lid en de in artikel 1.2.1, eerste lid, bedoelde visies,
plannen, besluiten en verordeningen, met de daarbij behorende
toelichting of onderbouwing langs elektronische weg worden vastgelegd
en in die vorm vastgesteld. Een volledige verbeelding daarvan op
papier wordt gelijktijdig vastgesteld. Bij de vaststelling van de in
dit lid bedoelde visies, plannen, besluiten en verordeningen, wordt
aangegeven dat toepassing is gegeven aan dit artikel.
3. Indien na vaststelling de inhoud van de langs elektronische weg
vastgelegde visies, plannen, besluiten en verordeningen als bedoeld in
het tweede lid, en die van de verbeelding daarvan op papier tot een
verschillende uitleg aanleiding geeft, is de eerstbedoelde inhoud
beslissend.
4. Er is een landelijke voorziening waar in elektronische vorm de
visies, plannen, besluiten en verordeningen als bedoeld in het tweede
lid, en de algemene maatregelen van bestuur als bedoeld in het eerste
lid, voor een ieder volledig toegankelijk en raadpleegbaar zijn.
5. Burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten en Onze Minister
of Onze Minister wie het aangaat, melden aan de landelijke voorziening
de vindplaats van de visies, plannen, besluiten, en verordeningen,
bedoeld in het tweede lid, en de algemene maatregelen van bestuur,
bedoeld in het eerste lid.
6. De in het tweede lid bedoelde visies, plannen, besluiten en
verordeningen alsmede hun aansluiting op het aangrenzende gebied,
worden vastgesteld met gebruikmaking van een duidelijke ondergrond.
Bij het besluit tot vaststelling wordt aangegeven welke ondergrond is
gebruikt. Het betrokken bestuursorgaan toont op verzoek de visie, het
plan, het besluit of de verordening op deze ondergrond.
7. De in het tweede lid bedoelde visies, plannen, besluiten en
verordeningen en de in het eerste lid bedoelde algemene maatregelen
van bestuur, bevatten een geometrische plaatsbepaling van het
werkingsgebied en de eventueel daarin aangebrachte onderscheidingen.
8. Op de in het tweede lid bedoelde visies, plannen, besluiten en
verordeningen, is de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2008
van toepassing, welke regeling voor de periode, bedoeld in het eerste
lid, zijn grondslag vindt in dit artikel.
§ 8.2. Slotbepalingen
Artikel 8.2.1
1.Bij ministeriėle regeling worden regels gesteld omtrent de wijze
waarop de visies, plannen, besluiten of verordeningen, bedoeld in
artikel 1.2.1, eerste lid, worden vervat in een kaart met bijbehorende
verklaring waarop het gebied en in voorkomend geval de voorgenomen
ontwikkelingen, de bestemmingen of het gebruik waarop de visie, het
plan, het besluit of de verordening betrekking heeft, worden
aangewezen.
2.Dit artikel vervalt op het tijdstip waarop de bij ministeriėle
regeling, bedoeld in artikel 1.2.5, gestelde regels omtrent de
standaard voor de geometrische plaatsbepaling in werking treden.
Artikel 8.2.2
1. Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip, dat voor verschillende artikelen of onderdelen
daarvan verschillend kan worden gesteld.
2. Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit ruimtelijke
ordening.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
s-Gravenhage, 21 april 2008
BEATRIX
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer,
J.M. Cramer
Uitgegeven de negenentwintigste april 2008
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|