|
BESLUIT van 22 augustus 2011, houdende algemene regels ter
bescherming van nationale ruimtelijke belangen (Besluit algemene
regels ruimtelijke ordening)
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 21 december
2009, nr. BJZ2009065777, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Gelet op de artikelen 3.37, 4.1, vierde lid,
4.3, eerste lid, en 10.8 van de Wet ruimtelijke ordening;
De Raad van State gehoord (advies van 22 april
2010, W08.090558/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Infrastructuur en Milieu van 12 augustus 2011, nr. IENM/BSK-2011/107439,
Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemene
bepalingen
Artikel 1.1. (begripsomschrijvingen)
1. In dit besluit en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
bijlage: bij dit besluit
behorendebijlage;
gebouw: gebouw als bedoeld in
artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet met inbegrip van
woonwagens;
geometrische plaatsbepaling:
plaatsbepaling als geregeld bij of krachtens artikel 1.2.5 van het
Besluit ruimtelijke ordening;
GML-bestand: elektronisch
geografisch databestand met kenmerk NL.IMRO.0000.IMam11Barro-3000,
opgemaakt in Geography Markup Language;
kaart: kaart opgenomen als bijlage
bij dit besluit;
wet: Wet ruimtelijke ordening.
2. In dit besluit en de daarop
berustende bepalingen wordt onder bestemmingsplan mede verstaan:
a. wijzigings-of uitwerkingsplan
als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet;
b. inpassingsplan als bedoeld in
artikel 3.26 van de wet;
c. beheersverordening als bedoeld
in artikel 3.38 van de wet;
d. projectuitvoeringsbesluit als
bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet.
3. In dit besluit en de daarop
berustende bepalingen wordt onder toelichting bij een bestemmingsplan
mede verstaan de ruimtelijke onderbouwing, bedoeld in artikel 2.12,
derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
4. In dit besluit en de daarop
berustende bepalingen wordt onder bestemming mede verstaan regels met
het oog op de bestemming, tenzij anders is bepaald.
5. Dit besluit is van overeenkomstige
toepassing op een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12,
eerste lid, onderdeel a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht, verleend door Onze Minister, Onze Minister die het
aangaat of Onze Minister die het aangaat, in overeenstemming met Onze
Minister.
Artikel 1.2. (algemene uitsluitingen)
Het bepaalde bij of krachtens dit besluit
is niet van toepassing op een bestemmingsplan voor zover dat strekt ter
uitvoering van een tracébesluit als bedoeld in artikel 15, eerste lid,
van de Tracéwet, dan wel ter uitvoering van een wegaanpassingsbesluit
als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Spoedwet wegverbreding, dan
wel een plan als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, van die wet.
Hoofdstuk 2. Nationale belangen
Titel 2.1. Rijksvaarwegen
Gereserveerd
Titel 2.2. Project Mainportontwikkeling
Rotterdam
Artikel 2.2.1. (aanwijzing en begrenzing
landaanwinningsgebied)
Als landaanwinningsgebied wordt
aangewezen het gebied in de Noordzee aansluitend op het op het tijdstip
van inwerkingtreding van dit besluit bestaande havengebied, waarvan de
geometrische plaatsbepaling is vastgelegd in het GML-bestand en is
verbeeld op kaart 1.
Artikel 2.2.2. (gebruik van grond)
1. Een bestemmingsplan dat betrekking
heeft op gronden binnen de begrenzing van het gebied, bedoeld in
artikel 2.2.1, kan de bestemming bedrijventerrein aanwijzen op een
zodanige wijze dat in het landaanwinningsgebied voor ten hoogste 1000
hectare netto uitgeefbaar haven- en industrieterrein ontstaat.
2. Indien de gronden binnen de
begrenzing van het gebied begrepen zijn in meer dan één
bestemmingsplan, bedraagt de optelsom van het door deze plannen in het
gebied toegewezen aantal hectaren netto uitgeefbaar haven- en
industrieterrein ten hoogste 1000 hectare.
3. Voor het netto uitgeefbaar haven- en
industrieterrein kunnen geen andere bestemmingen worden toegewezen dan
die welke deep sea gebonden activiteiten mogelijk maken.
4. In afwijking van het derde lid kan
voor het netto uitgeefbaar haven- en industrieterrein onder bijzondere
omstandigheden en op basis van een zorgvuldige afweging een andere
bestemming worden aangewezen.
Artikel 2.2.3. (aanwijzing en begrenzing
duincompensatiegebied)
Als gebied voor de compensatie van de
effecten van de landaanwinning op open droog duin worden de gronden
aangewezen waarvan de geometrische plaatsbepaling is vastgelegd in het
GML-bestand en is verbeeld op kaart 1.
Artikel 2.2.4. (bestemmingen
duincompensatiegebied)
Een bestemmingsplan dat betrekking heeft
op gronden binnen de begrenzing van het gebied, bedoeld in artikel
2.2.3, bevat geen bestemmingen waardoor een belemmering kan ontstaan
voor de aanleg of verdere ontwikkeling van 100 hectare duincompensatie
voor de ontwikkeling van de landaanwinning.
Artikel 2.2.5. (aanwijzing en begrenzing
bodembeschermingsgebied)
Als gebied voor de compensatie van het
verlies aan zeenatuur als gevolg van de landaanwinning worden de gronden
aangewezen binnen de Voordelta, waarvan de geometrische plaatsbepaling
is vastgelegd in het GML-bestand en is verbeeld opkaart 1.
Artikel 2.2.6. (bestemmingen
bodembeschermingsgebied)
Een bestemmingsplan dat betrekking heeft
op gronden binnen de begrenzing van het gebied, bedoeld in artikel
2.2.5, bevat geen bestemmingen waardoor een belemmering kan ontstaan
voor de instelling en verdere ontwikkeling zeenatuur van 31.250 hectare
zeenatuur als compensatie voor de aanleg en ontwikkeling van de
landaanwinning.
Artikel 2.2.7. (aanwijzing en begrenzing
natuur- en recreatiegebieden)
1. Als openbaar toegankelijk natuur- en
recreatiegebied Midden-IJsselmonde wordt aangewezen het gebied waarvan
de geometrische plaatsbepaling is vastgelegd in het GML-bestand en is
verbeeld opkaart 1.
2. Als openbaar toegankelijk natuur- en
recreatiegebied Schiebroekse en Zuidpolder wordt aangewezen het gebied
waarvan de geometrische plaatsbepaling is vastgelegd in het
GML-bestand en is verbeeld opkaart 1.
3. Als openbaar toegankelijk natuur- en
recreatiegebied Schiezone wordt aangewezen het gebied waarvan de
geometrische plaatsbepaling is vastgelegd in het GML-bestand en is
verbeeld opkaart 1.
Artikel 2.2.8. (bestemmingen natuur- en
recreatiegebieden)
1. Een bestemmingsplan dat betrekking
heeft op gronden binnen de begrenzing van het openbaar toegankelijk
natuur- en recreatiegebied Midden-IJsselmonde bevat ten noorden van de
Essendijk bestemmingen die dienstbaar zijn aan openluchtrecreatie met
natuurwaarden.
2. Een bestemmingsplan dat betrekking
heeft op gronden binnen de begrenzing van het openbaar toegankelijk
natuur- en recreatiegebied Midden-IJsselmonde bevat ten zuiden van de
Essendijk bestemmingen die dienstbaar zijn aan hoogwaardige natuur
waarbij recreatief medegebruik wordt toegestaan.
3. Een bestemmingsplan als bedoeld in
het eerste en tweede lid kan agrarische activiteiten mogelijk maken,
voor zover deze een bijdrage leveren aan de functies, genoemd in het
eerste, onderscheidenlijk tweede lid.
4. Een bestemmingsplan als bedoeld in
het eerste of tweede lid kan een nevenfunctie bevatten ten behoeve van
landschappelijke of cultuurhistorische elementen die op het tijdstip
van inwerkingtreding van dit besluit in het gebied, bedoeld in het
eerste of tweede lid, aanwezig zijn.
5. In afwijking van het eerste en
tweede lid kan een bestemmingsplan:
a. voor gronden waarop op het
tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit gebouwen rechtmatig
aanwezig zijn of waarop een gebouw krachtens een verleende
omgevingsvergunning voor het bouwen kan worden opgericht dan wel
waarvoor een aanvraag voor zodanige vergunning is ingediend die
kan worden verleend, een zelfde bestemming aanwijzen als die welke
gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit;
b. een dubbelbestemming aanwijzen
ten behoeve van leidingen voor telecommunicatie en het transport
van gassen, vloeistoffen of elektriciteit.
6. Een bestemmingsplan dat betrekking
heeft op gronden binnen de begrenzing van het openbaar toegankelijk
natuur- en recreatiegebied Schiebroekse en Zuidpolder bevat voor een
totale grondoppervlakte van circa 100 hectare een bestemming voor
natuur en recreatie en stelt met het oog daarop regels omtrent het
gebruik van die gronden.
7. Indien de gronden, bedoeld in het
zesde lid, begrepen zijn in meer dan één bestemmingsplan, bedraagt
de som van het aantal hectaren dat in die bestemmingsplannen
gezamenlijk bestemd is voor natuur en recreatie en daaraan dienstbare
functies circa 100 hectare.
8. Een bestemmingsplan dat betrekking
heeft op gronden binnen de begrenzing van het openbaar toegankelijk
natuur- en recreatiegebied Schiezone bevat voor een totale
grondoppervlakte van circa 50 hectare een bestemming voor natuur en
recreatie en stelt met het oog daarop regels omtrent het gebruik van
die gronden.
9. Indien de gronden, bedoeld in het
achtste lid, begrepen zijn in meer dan één bestemmingsplan, bedraagt
de som van het aantal hectaren dat in die bestemmingsplannen
gezamenlijk bestemd is voor natuur en recreatie en daaraan dienstbare
functies circa 50 hectare.
Titel 2.3. Kustfundament
Artikel 2.3.1. (begripsomschrijvingen)
1. In deze titel en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
beschermingszone: beschermingszone
als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet, voor zover grenzend
aan een primaire waterkering;
kustfundament: gebied waarvan de
geometrische plaatsbepaling is vastgelegd in het GML-bestand en is
verbeeld op kaart 2;
nieuwe bebouwing: oprichten van
bouwwerken, anders dan het vervangen van bouwwerken door
bouwwerken van gelijke omvang;
primaire waterkering: primaire
waterkering als bedoeld in artikel 1.1 van de Waterwet, voor zover
gelegen op het kustfundament;
stedelijk gebied: bij
bestemmingsplan toegelaten stedenbouwkundig samenstel van
bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid,
detailhandel en horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of
sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur, met
uitzondering van stedelijk groen aan de rand van dat samenstel en
met uitzondering van lineaire bebouwing langs wegen, waterwegen of
dijken.
2. Deze titel is van toepassing op
gronden binnen de begrenzing van het kustfundament.
Artikel 2.3.2. (afwegingskader)
In een bestemmingsplan dat een wijziging
inhoudt ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan worden
geen activiteiten mogelijk gemaakt die een belemmering vormen voor het
uitzicht op de vrije horizon vanaf de gemiddelde hoogwaterlijn met de
blik op zee.
Artikel 2.3.3. (primaire waterkering)
1. Een bestemmingsplan geeft de
bestemming «waterkering» aan gronden waarop een primaire waterkering
ligt of die de functie van primaire waterkering hebben.
2. Een bestemmingsplan dat betrekking
heeft op gronden die deel uitmaken van een beschermingszone duidt die
gronden aan met de gebiedsaanduiding«vrijwaringzone – duin»,
indien de primaire waterkering een duin is, de gebiedsaanduiding
«vrijwaringzone– dijk», indien de primaire waterkering een dijk is
en in overige gevallen de gebiedsaanduiding «vrijwaringzone –waterstaatswerk».
Artikel 2.3.4. (algemene regels ter zake
van gronden behorend tot een primaire waterkering met inbegrip van de
beschermingszones)
1. Met betrekking tot gronden waarop
een primaire waterkering ligt of die de functie van primaire
waterkering hebben, of beschermingszones, kan een bestemmingsplan
worden vastgesteld dat een wijziging inhoudt ten opzichte van het
daaraan voorafgaande bestemmingsplan voor zover bij de verwezenlijking
daarvan geen belemmeringen kunnen ontstaan voor:
a. de instandhouding of versterking
van het zandige deel van het kustfundament, of
b. het onderhoud, de veiligheid of
mogelijkheden voor versterking van de primaire waterkering.
2. Een omgevingsvergunning als bedoeld
in artikel 2.12, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht waarbij tijdelijk van het bestemmingsplan wordt
afgeweken kan uitsluitend verleend worden voor zover deze in
overeenstemming is met het eerste lid.
Artikel 2.3.5. (bouwen in het
kustfundament buiten stedelijk gebied)
1. Een bestemmingsplan dat betrekking
heeft op gronden buiten het stedelijk gebied maakt ten opzichte van
het daaraan voorafgaande geldende bestemmingsplan geen nieuwe
bebouwing mogelijk.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op:
a. bouwwerken ten behoeve van
tijdelijke of seizoensgebonden activiteiten;
b. herbouw of verbouw van een
bestaand bouwwerk waarbij een eenmalige uitbreiding van het
grondoppervlak met ten hoogste tien procent is toegestaan, te
rekenen vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit;
c. bouwwerken voor het openbaar
belang voor zover deze bouwwerken niet buiten de gronden, bedoeld
in het eerste lid, tot stand gebracht kunnen worden. Tot deze
bouwwerken behoren in elk geval:
1°. bouwwerken voor
telecommunicatievoorzieningen, opsporing, winning, opslag en
transport van olie, gas en water, transport van elektriciteit
en kleinschalige opwekking van elektriciteit door middel van
windturbines;
2°. bouwwerken voor het
operationeel beheer van natuur of van hulpdiensten;
3°. bouwwerken voor de
waterstaatkundige functie van het kustfundament.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing voor zover nieuwe bebouwing bijdraagt aan versterking van
het zandige deel van het kustfundament.
Artikel 2.3.6. (afwijkende regels voor de
Friese Waddeneilanden) [Treedt in werking op een nader te bepalen
tijdstip]
Bij verordening van de provincie Fryslân
kunnen met inachtneming van artikel 2.3.4 en titel 2.5 voor de Friese
Waddeneilanden andere regels worden gesteld ter zake van de onderwerpen
geregeld in artikel 2.3.5.
Titel 2.4. Grote rivieren
Artikel 2.4.1. (begripsomschrijvingen)
1. In deze titel en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
rivierbed: gebied dat begrensd is
overeenkomstig artikel 3.1, tweede lid, van de Waterwet, en
waarvan de geometrische plaatsbepaling is vastgelegd in het
GML-bestand en is verbeeld opkaart 3a;
stroomvoerend deel van het
rivierbed: gebied waarvan de geometrische plaatsbepaling is
vastgelegd in het GML-bestand en is verbeeld opkaart 3a.
2. Deze titel is van toepassing op
gronden binnen de begrenzing van het rivierbed.
Artikel 2.4.2. (relatie met
watervergunning)
De artikelen 2.4.1 tot en met 2.4.5
hebben uitsluitend betrekking op activiteiten in het rivierbed waarop
artikel 6.12, eerste lid, of de bij of krachtens artikel 6.15 van het
Waterbesluit gestelde regels van toepassing zijn.
Artikel 2.4.3. (rivierbed)
1. Een bestemmingsplan wijst ten
opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan alleen nieuwe
bestemmingen in een rivierbed aan in het geval er sprake is van:
a. een zodanige situering van de
bestemming dat het veilig en doelmatig gebruik van het
oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd blijft;
b. geen feitelijke belemmering voor
de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier;
c. een zodanige situering van de
bestemming dat de waterstandverhoging of de afname van het bergend
vermogen zo gering mogelijk is, en
d. een zodanige situering van de
bestemming dat de ecologische toestand van het
oppervlaktewaterlichaam niet verslechtert.
2. Bij toepassing van het eerste lid
worden resterende waterstandeffecten of afname van het bergend
vermogen gecompenseerd.
3. In een bestemmingsplan wordt
vastgelegd hoe de effecten op de waterstand en de afname van het
bergend vermogen worden gecompenseerd.
Artikel 2.4.4. (stroomvoerend deel
rivierbed)
Onverminderd artikel 2.4.3 kan een
bestemmingsplan dat betrekking heeft op het stroomvoerend deel van het
rivierbed ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan
uitsluitend een wijziging mogelijk maken, voor zover daarbij een of meer
van de volgende activiteiten worden mogelijk gemaakt:
a. de aanleg of wijziging van
waterstaatkundige kunstwerken;
b. de verwezenlijking van
voorzieningen voor een betere en veilige afwikkeling van de beroeps-
of recreatievaart;
c. de bouw of wijziging van
waterkrachtcentrales;
d. de vestiging of uitbreiding van
overslagbedrijven of het realiseren van overslagfaciliteiten,
uitsluitend voor zover de activiteit gekoppeld is aan het vervoer
over de rivier;
e. de aanleg of wijziging van
scheepswerven voor beroeps- of pleziervaartuigen;
f. de verwezenlijking en het beheer
van natuurterreinen;
g. de uitbreiding of wijziging van
bestaande steenfabrieken;
h. de verwezenlijking van
voorzieningen die onlosmakelijk met de waterrecreatie zijn
verbonden;
i. de winning van
oppervlaktedelfstoffen;
j. de verwezenlijking van
voorzieningen van groot openbaar belang die niet buiten het
rivierbed kunnen worden gerealiseerd;
k. activiteiten van een zwaarwegend
bedrijfseconomisch belang voor bestaande grondgebonden agrarische
bedrijven die niet buiten het rivierbed kunnen worden gerealiseerd;
l. een functieverandering binnen de
bestaande bebouwing;
m. activiteiten die onderdeel
uitmaken van de lijst van maatregelen opgenomen in de Bijlage bij de
planologische kernbeslissing Ruimte voor de Rivier en waarvan de
uitvoering wordt gefinancierd door Onze Minister.
Artikel 2.4.5. (stroomvoerend deel
rivierbed, niet riviergebonden activiteiten met per saldo meer ruimte
voor de rivier)
1. Onverminderd artikel 2.4.3 maakt een
bestemmingsplan dat betrekking heeft op het stroomvoerend deel van het
rivierbed ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan
geen wijziging mogelijk, die andere bestemmingen dan bedoeld in
artikel 2.4.4, onder j tot en met m, toestaat tenzij daarbij
activiteiten worden mogelijk gemaakt die per saldo meer ruimte voor de
rivier opleveren op een vanuit rivierkundig oogpunt bezien zo gunstig
mogelijke locatie.
2. Aan het eerste lid wordt slechts
toepassing gegeven voor zover in het bestemmingsplan is vastgelegd
welke maatregelen die per saldo meer ruimte voor de rivier opleveren
worden genomen.
Artikel 2.4.6. (aanwijzing en begrenzing
gebiedsreserveringen voor de lange termijn)
Als gebiedsreservering voor de lange
termijn voor de Rijntakken worden aangewezen de gebieden waarvan de
geometrische plaatsbepaling is vastgelegd in het GML-bestand en is
verbeeld opkaart 3a.
Artikel 2.4.7. (geen grootschalige en
kapitaalintensieve ontwikkelingen in bestemmingsplannen)
Een bestemmingsplan dat betrekking heeft
op reservering van een gebied voor de lange termijn bevat geen wijziging
van de bestemming die ten opzichte van het daaraan voorafgaande
bestemmingsplan kan leiden tot grootschalige of kapitaalintensieve
ontwikkelingen die het treffen van rivierverruimende maatregelen kunnen
belemmeren.
Titel 2.5. Waddenzee en waddengebied
Artikel 2.5.1. (begripsomschrijvingen)
In deze titel en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
jachthaven: haven die naar zijn aard
en inrichting bedoeld en geschikt is voor het in hoofdzaak aanleggen
of aangelegd houden van pleziervaartuigen;
nieuwe bebouwing: oprichten van
bouwwerken, anders dan het vervangen van bouwwerken door bouwwerken
van gelijke aard, omvang en karakter;
stedelijk gebied: bij bestemmingsplan
toegelaten stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van
wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca,
alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele
voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur, met uitzondering
van lineaire bebouwing langs wegen, waterwegen of dijken;
vliegveld: terrein dat naar zijn aard
en inrichting bedoeld en geschikt is voor het doen opstijgen en
landen van gemotoriseerde burgerluchtvaartuigen, met uitzondering
van de daartoe behorende bouwwerken;
waddengebied: gebied als bedoeld in
artikel 2.5.3, eerste lid;
Waddenzee: gebied als bedoeld in
artikel 2.5.3, tweede lid.
Artikel 2.5.2. (landschappelijke en
cultuurhistorische kwaliteiten Waddenzee)
1. Als landschappelijke kwaliteiten van
de Waddenzee worden aangemerkt de rust, weidsheid, open horizon en
natuurlijkheid met inbegrip van de duisternis.
2. Als cultuurhistorische kwaliteiten
van de Waddenzee worden aangemerkt:
a. de in de bodem aanwezige
archeologische waarden, en
b. de overige voor het gebied
kenmerkende cultuurhistorische structuren en elementen, bestaande
uit:
1°. historische
scheepswrakken;
2°. verdronken en onderslibde
nederzettingen en ontginningssporen, waaronder de dam
Ameland-Holwerd;
3°. zeedijken en de daaraan
verbonden historische sluizen, waaronder het ensemble
Afsluitdijk;
4°. landaanwinningswerken;
5°. systeem van stuifdijken;
6°. systeem van historische
vaar- en uitwateringsgeulen, en
7°. kapen.
Artikel 2.5.3. (aanwijzing en begrenzing
waddengebied en Waddenzee)
1. Als waddengebied wordt aangewezen
het gebied waarvan de geometrische plaatsbepaling is vastgelegd in het
GML-bestand en is verbeeld opkaart 4.
2. Als Waddenzee wordt aangewezen het
gebied binnen het waddengebied, waarvan de geometrische plaatsbepaling
is vastgelegd in het GML-bestand en is verbeeld op kaart 4.
Artikel 2.5.4. (beoordeling)
1. Bij de voorbereiding van een
bestemmingsplan dat betrekking heeft op de Waddenzee en dat gebruik of
bebouwing mogelijk maakt, die afzonderlijk of in combinatie met ander
gebruik of andere bebouwing significante gevolgen kan hebben voor de
landschappelijke of cultuurhistorische kwaliteiten, bedoeld in artikel
2.5.2, wordt een beoordeling gemaakt van de gevolgen voor die
kwaliteiten van het gebied.
2. De beoordeling kan onderdeel
uitmaken van een voor dat bestemmingsplan voorgeschreven
milieueffectrapportage of van een passende beoordeling als bedoeld in
de Natuurbeschermingswet 1998.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing indien voor het gebruik of de bebouwing waarop dat
voorgenomen bestemmingsplan betrekking heeft, reeds eerder een
beoordeling is gemaakt en voor zover een nieuwe beoordeling
redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren omtrent
de desbetreffende significante gevolgen.
Artikel 2.5.5. («nee-tenzij»)
1. Een bestemmingsplan dat betrekking
heeft op de Waddenzee maakt ten opzichte van het daaraan voorafgaande
bestemmingsplan geen nieuw gebruik of nieuwe bebouwing dan wel
wijziging van bestaand gebruik of bestaande bebouwing mogelijk die
significante negatieve gevolgen kan hebben voor de landschappelijke of
cultuurhistorische kwaliteiten, bedoeld in artikel 2.5.2.
2. Als gebruik of bebouwing met
significante negatieve gevolgen wordt in ieder geval aangemerkt
gebruik dat of bebouwing die de landschappelijke of cultuurhistorische
kwaliteiten aantast of bedreigt.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing indien verzekerd is dat:
a. sprake is van zwaarwegende
redenen van groot openbaar belang, waaronder worden begrepen
redenen van sociale of economische aard, argumenten die verband
houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of
bereikbaarheid of sprake is van voor het milieu wezenlijk gunstige
effecten;
b. geen reële alternatieven voor
handen zijn voor de noodzakelijk geachte activiteiten, en
c. de optredende schade of andere
negatieve effecten zoveel mogelijk worden beperkt.
Artikel 2.5.6. (externe werking)
Op een bestemmingsplan dat betrekking
heeft op het waddengebied, dat nieuw gebruik of nieuwe bebouwing dan wel
een wijziging van bestaand gebruik of bestaande bebouwing mogelijk maakt
en daardoor afzonderlijk of in combinatie met ander gebruik of andere
bebouwing significante gevolgen kan hebben voor de landschappelijke of
cultuurhistorische kwaliteiten, bedoeld in artikel 2.5.2, zijn de
artikelen 2.5.4 en 2.5.5 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 2.5.7. (geen inpoldering)
Een bestemmingsplan dat betrekking heeft
op de Waddenzee regelt voor de aan die gronden te geven bestemming dat
het verboden is die gronden in te polderen, te bedijken of in te dijken.
Artikel 2.5.8. (aanlegverbod vliegvelden)
1. Een bestemmingsplan dat betrekking
heeft op het waddengebied maakt geen de aanleg van een nieuw vliegveld
mogelijk.
2. Een bestemmingsplan dat betrekking
heeft op vliegvelden in de gemeenten Texel en Ameland, maakt
uitbreiding van die vliegvelden slechts mogelijk, voor zover die
uitbreiding noodzakelijk is voor het waarborgen van de
vliegveiligheid.
Artikel 2.5.9. (booreilanden)
Een bestemmingsplan dat betrekking heeft
op de Waddenzee regelt voor de aan die gronden te geven bestemming dat
het verboden is booreilanden en andere offshore-installaties te
parkeren.
Artikel 2.5.10. (havens en
bedrijventerreinen)
1. Een bestemmingsplan dat betrekking
heeft op de Waddenzee of direct aan de Waddenzee grenzende gronden,
bevat geen bestemmingen die:
a. aanleg van een nieuwe haven of
nieuw bedrijventerrein, of
b. zeewaartse uitbreiding van een
direct aan de Waddenzee grenzende bestaande haven of bestaand
bedrijventerrein mogelijk maken.
2. Het eerste lid, onder b, is niet van
toepassing op het bestemmingsplan dat de verlegging van de
TESO-veerhaven in de gemeente Den Helder mogelijk maakt.
3. Onze Minister of Onze Minister die
het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister, kan op verzoek van
burgemeester en wethouders van Harlingen toestemming verlenen om af te
wijken van het eerste lid, onderdeel b, voor een zeewaartse
uitbreiding van de haven van Harlingen indien:
a. een binnendijkse uitbreiding van
die haven redelijkerwijs niet mogelijk is;
b. een vergunning krachtens de
Natuurbeschermingswet 1998 voor die uitbreiding kan worden
verkregen, en
c. de uitbreiding afzonderlijk of
in combinatie met andere activiteiten geen significante negatieve
effecten heeft op de landschappelijke of
d. cultuurhistorische kwaliteiten
als bedoeld in artikel 2.5.2 op de Waddenzee en het binnendijks
gelegen gebied.
Artikel 2.5.11. (geen bebouwing in de
Waddenzee, tenzij)
1. Een bestemmingsplan dat betrekking
heeft op de Waddenzee maakt geen nieuwe bebouwing mogelijk.
2. Het eerste lid is niet van
toepassing op:
a. bouwwerken, voor zover deze
noodzakelijk zijn voor de veiligheid van het scheepvaartverkeer in
de Waddenzee;
b. bouwwerken voor alternatieve
mosselzaadbronnen;
c. bouwwerken voor een adequate
afwatering van het vasteland;
d. wadwachtposten, voor zover het
een locatie betreft die niet vanaf het vaste land of een
Waddeneiland bewaakt kan worden.
3. Het eerste lid is niet van
toepassing op het bestemmingsplan, bedoeld in artikel 2.5.10, tweede
lid, of een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.5.16, derde lid.
Artikel 2.5.12. (bebouwing in het
waddengebied)
1. Onverminderd hetgeen elders in dit
besluit is bepaald ter zake van bebouwing, stelt een bestemmingsplan
dat betrekking heeft op het waddengebied, dat het oprichten van nieuwe
bebouwing mogelijk maakt:
a. in het stedelijk gebied: regels
die ertoe strekken dat de maximaal toelaatbare bouwhoogten
aansluiten bij de hoogte van de bestaande bebouwing, en
b. buiten het stedelijk gebied:
regels die ertoe strekken dat de maximaal toelaatbare bouwhoogten
alsmede de aard of de functie van nieuwe bebouwing passen bij de
aard van het omringende landschap.
2. Een bestemmingsplan voor zover het
betrekking heeft op havengerelateerde en stedelijke bebouwing in Den
Helder, Harlingen, Delfzijl en de Eemshaven kan afwijken van het
eerste lid, aanhef, en onder a, met dien verstande dat de nieuwe
bebouwing blijft binnen de verticale bebouwingscontour.
Artikel 2.5.13. (installaties voor het
winnen van diepe delfstoffen)
1. Een bestemmingsplan dat betrekking
heeft op de Waddenzee regelt voor de aan die gronden te geven
bestemming dat nieuwe opsporing of winning van diepe delfstoffen door
middel van opsporings- of winningsinstallaties in de Waddenzee
verboden is.
2. Een bestemmingsplan dat betrekking
heeft op gronden buiten de Waddenzee kan nieuwe opsporing of winning
van gas onder de Waddenzee mogelijk maken indien:
a. er wetenschappelijk gezien
redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat er geen schadelijke
gevolgen zijn voor de natuur- en landschapswaarden van de
Waddenzee, en
b. de benodigde op te richten
bouwwerken, waaronder de tijdelijke plaatsing van
boorinstallaties, zorgvuldig worden ingepast in het landschap ter
bescherming van de unieke openheid daarvan, met behulp van de best
beschikbare technieken.
3. Een bestemmingsplan dat betrekking
heeft op gronden buiten de Waddenzee kan geen bestemmingen bevatten
die nieuwe opsporing of winning onder de Waddenzee van andere diepe
delfstoffen dan gas toestaan tot het moment waarop wetenschappelijk
gezien redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat er geen schadelijke
gevolgen zijn voor de natuur- en landschapswaarden van de Waddenzee.
Artikel 2.5.14. (windturbines)
Een bestemmingsplan dat betrekking heeft
op de Waddenzee maakt geen plaatsing van nieuwe windturbines mogelijk.
Artikel 2.5.15. (winnen van
oppervlaktedelfstoffen, ontgrondingen en schelpenwinning)
Een bestemmingsplan dat betrekking heeft
op de Waddenzee regelt voor de aan die gronden te geven bestemming dat
het verboden is oppervlaktedelfstoffen te winnen met uitzondering van
a. het winnen van zand ten behoeve
van het regulier onderhoud van vaargeulen of ten behoeve van bij of
krachtens dit besluit toegestane bebouwing in de Waddenzee, en
b. het winnen van schelpen beneden
het peil van NAP –5 meter.
Artikel 2.5.16. (jachthavens)
1. Een bestemmingsplan dat betrekking
heeft op de Waddenzee of gronden die direct grenzen aan de Waddenzee
bevat geen bestemmingen die de aanleg van een nieuwe jachthaven
toestaan.
2. Een bestemmingsplan dat betrekking
heeft op de Waddenzee bevat geen bestemmingen die zeewaartse
uitbreiding van bestaande jachthavens toestaan.
3. Het tweede lid is niet van
toepassing op een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een
bestaande jachthaven op een Waddeneiland, voor zover het een beperkte
zeewaartse uitbreiding van die haven betreft, die noodzakelijk is voor
de veiligheid, en voor zover er geen andere passende oplossing
mogelijk is.
Artikel 2.5.17. (omgevingsvergunning voor
bepaalde termijn)
1. Van een bestemmingsplan als bedoeld
in de artikelen 2.5.7 tot en met 2.5.16, wordt niet met toepassing van
artikel 2.12, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht afgeweken.
2. Een bestemmingsplan als bedoeld in
de artikelen 2.5.7 tot en met 2.5.16 kan regelen dat burgemeester en
wethouders in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning als
bedoeld in artikel 2.12, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht kunnen verlenen waarbij tijdelijk van het
bestemmingsplan wordt afgeweken ten behoeve van tijdelijke bebouwing
voor wetenschappelijk onderzoek en monitoring.
3. Een bestemmingsplan als bedoeld in
artikel 2.5.15 kan regelen dat burgemeester en wethouders een
omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, tweede lid, van de
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht kunnen verlenen waarbij
tijdelijk van het bestemmingsplan wordt afgeweken ten behoeve van een
incidentele verdere verdieping van een hoofdvaargeul.
Artikel 2.5.18. (relatie met regels
kustfundament)
Artikel 2.3.4 is niet van toepassing
wanneer toepassing van deze bepaling zou leiden tot strijdigheid met de
regels die bij of krachtens deze titel zijn gesteld.
Titel 2.6. Defensie
Afdeling 2.6.1. Algemene regels militaire
objecten en civiele inrichtingen voor activiteiten met explosieven
Artikel 2.6.1. (begripsomschrijvingen)
In deze titel en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
bouwbeperkingengebied rondom een
zend- en ontvangstinstallatie buiten militair luchtvaartterrein:
gebied als bedoeld in artikel 2.6.8, tweede lid;
geluidzones voor militair
luchtvaartterrein: gebieden als bedoeld in artikel 2.6.4, tweede
lid;
inrichting voor activiteiten met
explosieven: inrichting als bedoeld in artikel 2.6.6, eerste lid;
laagvliegroute voor jachtvliegtuigen
en transportvliegtuigen: gebied als bedoeld in artikel 2.6.10;
militair luchtvaartterrein: gebied
als bedoeld in artikel 2.6.4, eerste lid;
militair terrein: gebied als bedoeld
in artikel 2.6.3, eerste lid;
munitieopslagplaats: gebied als
bedoeld in artikel 2.6.5, eerste lid;
obstakelbeheergebied: gebied als
bedoeld in artikel 2.6.4, vierde lid;
onveilig gebied: gebied als bedoeld
in artikel 2.6.3, tweede lid;
radarstation: gebied als bedoeld in
artikel 2.6.9, eerste lid;
radarverstoringsgebied voor een
radarstation: gebied als bedoeld in artikel 2.6.9, tweede lid;
zend- en ontvangstinstallatie buiten
militair luchtvaartterrein: gebied als bedoeld in artikel 2.6.8,
eerste lid.
Artikel 2.6.2. (aanwijzing)
1. Als militair terrein worden
aangewezen de in de ministeriële regeling van Onze Minister in
overeenstemming met Onze Minister van Defensie, genoemde militaire
terreinen waarvan de geometrische plaatsbepaling is vervat in het
daarachter genoemde GML-bestand en is verbeeld op de daarachter
genoemde kaart.
2. Als onveilig gebied buiten militair
terrein van schietterreinen worden aangewezen de in de ministeriële
regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van
Defensie, genoemde gebieden waarvan de geometrische plaatsbepaling is
vervat in het daarachter genoemde GML-bestand en is verbeeld op de
daarachter genoemde kaart.
3. Als militair luchtvaartterrein
worden aangewezen de in de ministeriële regeling van Onze Minister in
overeenstemming met Onze Minister van Defensie, genoemde militaire
luchtvaartterreinen waarvan de geometrische plaatsbepaling is vervat
in het daarachter genoemde GML-bestand en is verbeeld op de daarachter
genoemde kaart.
4. Als geluidzones voor het militaire
luchtvaartterrein worden aangewezen de in de ministeriële regeling
van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Defensie,
genoemde geluidzones waarvan de geometrische plaatsbepaling is vervat
in het daarachter genoemde GML-bestand en is verbeeld op de daarachter
genoemde kaart.
5. Als obstakelbeheergebied voor het
militaire luchtvaartterrein worden aangewezen de in de ministeriële
regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van
Defensie, genoemde obstakelbeheergebieden waarvan de geometrische
plaatsbepaling is vervat in het daarachter genoemde GML-bestand en is
verbeeld op de daarachter genoemde kaart.
6. Als zend-en ontvangstinstallatie
buiten militair luchtvaartterrein worden aangewezen de in de
ministeriële regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze
Minister van Defensie, genoemde zend- en ontvangstinstallaties waarvan
de geometrische plaatsbepaling is vervat in het daarachter genoemde
GML-bestand en is verbeeld op de daarachter genoemde kaart.
7. Als bouwbeperkingengebied rondom een
zend- en ontvangstinstallatie buiten militair luchtvaartterrein worden
aangewezen de in de ministeriële regeling van Onze Minister in
overeenstemming met Onze Minister van Defensie, genoemde gebieden
zend- en ontvangstinstallaties, waarvan de geometrische plaatsbepaling
is vervat in het daarachter genoemde GML-bestand en is verbeeld op de
daarachter genoemde kaart.
8. Als radarstations worden aangewezen
de in de ministeriële regeling van Onze Minister in overeenstemming
met Onze Minister van Defensie, genoemde radarstations waarvan de
geometrische plaatsbepaling is vervat in het daarachter genoemde
GML-bestand en is verbeeld op de daarachter genoemde kaart.
9. Als radarverstoringsgebieden worden
aangewezen de in de ministeriële regeling van Onze Minister in
overeenstemming met Onze Minister van Defensie, genoemde
radarverstoringsgebieden, waarvan de geometrische plaatsbepaling is
vervat in het daarachter genoemde GML-bestand en is verbeeld op de
daarachter genoemde kaart.
10. De begrenzingen van de
laagvliegroutes voor jacht- en transportvliegtuigen zijn opgenomen in
de ministeriële regeling van Onze Minister in overeenstemming met
Onze Minister van Defensie, en vervat in het GML-bestand en verbeeld
op de daarachter genoemde kaart.
11. Als munitieopslagplaats worden
aangewezen de in de ministeriële regeling van Onze Minister in
overeenstemming met Onze Minister van Defensie, genoemde
munitieopslagplaatsen waarvan de geometrische plaatsbepaling is vervat
in het daarachter genoemde GML-bestand en is verbeeld op de daarachter
genoemde kaart.
12. Als inrichting voor activiteiten
met explosieven worden aangewezen de in de ministeriële regeling van
Onze Minister genoemde inrichtingen waarvan de geometrische
plaatsbepaling is vervat in het daarachter genoemde GML-bestand en is
verbeeld op de daarachter genoemde kaart.
Artikel 2.6.3. (militaire terreinen)
1. Bij de eerstvolgende herziening van
een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een militair terrein wordt
voor die gronden de bestemming«Maatschappelijk – militair terrein»
opgenomen en worden geen bestemmingen opgenomen die een belemmering
kunnen vormen voor de functionele bruikbaarheid van dat terrein.
2. Bij de eerstvolgende herziening van
een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een onveilig gebied buiten
militair terrein, wordt voor die gronden de dubbelbestemming onveilig
gebied opgenomen en worden geen bestemmingen opgenomen die het gebruik
als onveilig gebied belemmeren.
Artikel 2.6.4. (militaire
luchtvaartterreinen en beperkingen in de nabijheid daarvan in verband
met geluid en veiligheid)
1. Bij de eerstvolgende herziening van
een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een militair
luchtvaartterrein wordt voor die gronden de
bestemming«Maatschappelijk – militaire luchthaven» opgenomen en
worden geen bestemmingen opgenomen die een belemmering kunnen vormen
voor de functionele bruikbaarheid van dat terrein.
2. Bij de eerstvolgende herziening van
een bestemmingsplan ter zake van gronden gelegen in het
beperkingengebied van een militair luchtvaartterrein worden de voor
het betrokken militaire luchtvaartterrein op grond van de
Luchtvaartwet en de Wet geluidhinder vastgestelde geluidzones en de
beperkingen, bedoeld in het vierde en vijfde lid, in acht genomen.
3. Bij de eerstvolgende herziening van
een bestemmingsplan ter zake van gronden gelegen in het
beperkingengebied van de buitenlandse militaire luchtvaartterreinen
Geilenkirchen en Brüggen worden de voor het betrokken militaire
luchtvaartterrein vastgestelde geluidzone en de beperkingen, bedoeld
in het vierde en het vijfde lid, in acht genomen.
4. De maximaal toelaatbare hoogte van
objecten in, op of boven de grond in een obstakelbeheergebied is in
overeenstemming met artikel 16 van het Besluit militaire luchthavens.
5. Een omgevingsvergunning als bedoeld
in artikel 2.12, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht ten behoeve van het oprichten van bouwwerken waarbij
tijdelijk van het bestemmingsplan wordt afgeweken kan uitsluitend
verleend worden voor zover deze in overeenstemming is met het tweede
tot en met vierde lid.
Artikel 2.6.5. (militaire
munitieopslagplaats en aanwijzing veiligheidszones)
1. Bij de eerstvolgende herziening van
een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een munitieopslagplaats
wordt voor die gronden de bestemming«Maatschappelijk – militair
munitiedepot» opgenomen, voor zover die munitieopslagplaats niet ligt
op gronden als bedoeld in de artikelen 2.6.3 en 2.6.4, en worden geen
bestemmingen opgenomen die een belemmering kunnen vormen voor de
functionele bruikbaarheid van de munitieopslagplaats.
2. Bij regeling van Onze Minister in
overeenstemming met Onze Minister van Defensie, worden voor elke
munitieopslagplaats drie veiligheidszones aangewezen, aan te duiden
als A-zone, B-zone en C-zone, waarbij de A-zone de kleinste afstand
tot de munitieopslagplaats heeft en de C-zone de grootste afstand.
3. In afwijking van het tweede lid kan
afhankelijk van de aard van de opgeslagen munitie, sprake zijn van
minder dan drie veiligheidszones.
Artikel 2.6.6. (civiele inrichting voor
explosieven en aanwijzing veiligheidszones)
1. Bij de eerstvolgende herziening van
een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een inrichting voor
activiteiten met explosieven wordt voor die gronden de bestemming
«Maatschappelijk – Explosieven en munitie» opgenomen en worden
geen bestemmingen opgenomen die een belemmering kunnen vormen voor de
functionele bruikbaarheid van de inrichting.
2. Bij regeling van Onze Minister
worden voor elke inrichting voor activiteiten met explosieven drie
veiligheidszones aangewezen, aan te duiden als A-zone, B-zone en
C-zone, waarbij de A-zone de kleinste afstand tot de inrichting voor
activiteiten met explosieven heeft en de C-zone de grootste afstand.
3. In afwijking van het tweede lid kan,
afhankelijk van de aard van de opgeslagen munitie, sprake zijn van
minder dan drie veiligheidszones.
Artikel 2.6.7. (bestemmingsplannen,
afwijking van bestemmingsplannen en veiligheidszones)
1. Bij de eerstvolgende herziening van
een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden, gelegen binnen de
veiligheidszonering van een militaire munitieopslagplaats of een
civiele inrichting voor activiteiten met explosieven wordt de
gebiedsaanduiding van de veiligheidszones opgenomen.
2. Bij de eerstvolgende herziening van
een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen de
begrenzing van de A-zone worden:
a. geen bestemmingen opgenomen die
het oprichten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten als
bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen mogelijk
maken, of de aanleg van autowegen, autosnelwegen, spoorwegen of
druk bevaren waterwegen, parkeerterreinen of recreatieve
voorzieningen toestaan, en
b. geen agrarische bestemmingen
opgenomen die niet kunnen worden gerealiseerd zonder een meer dan
incidentele aanwezigheid van enkele personen.
3. Bij de eerstvolgende herziening van
een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen begrenzing
van de B-zone worden geen bestemmingen opgenomen die het oprichten van
kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten als bedoeld in het Besluit
externe veiligheid inrichtingen toestaan.
4. Bij de eerstvolgende herziening van
een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen de
begrenzing van de C-zone worden geen bestemmingen opgenomen die het
oprichten van bouwwerken mogelijk maken met vlies- of
gordijngevelconstructies of grote glasoppervlakten en waarbinnen zich
doorgaans een groot aantal personen bevindt.
5. Een omgevingsvergunning als bedoeld
in van artikel 2.12, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht waarbij ten behoeve van het oprichten van bouwwerken
tijdelijk van het bestemmingsplan wordt afgeweken, staat geen
afwijking van het tweede tot en met vijfde lid toe.
6. Onze Minister, in overeenstemming
met Onze Minister van Defensie, kan regels stellen voor de beoordeling
van de veiligheidssituatie en het risico van voorgenomen activiteiten
in de veiligheidszones.
Artikel 2.6.8. (zend- en
ontvangstinstallaties en beperkingen in de nabijheid daarvan)
1. Bij de eerstvolgende herziening van
een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een zend- en
ontvangstinstallatie buiten een militair luchtvaartterrein, wordt voor
die gronden de bestemming«Maatschappelijk – militaire zend- en
ontvangstinstallatie» opgenomen en worden geen bestemmingen opgenomen
die een belemmering kunnen vormen voor de functionele bruikbaarheid
van die zend- en ontvangstinstallatie.
2. Bij de eerstvolgende herziening van
een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een bouwbeperkingengebied
rondom een zend- en ontvangstinstallatie buiten een militair
luchtvaartterrein, worden geen bestemmingen opgenomen die een
wijziging bewerkstelligen die het oprichten van bouwwerken hoger dan
22 meter gemeten vanaf het maaiveld mogelijk maken.
3. Een omgevingsvergunning als bedoeld
in artikel 2.12, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht waarbij ten behoeve van het oprichten van bouwwerken
tijdelijk van het bestemmingsplan wordt afgeweken, staat geen
overschrijding van de maximale hoogte, bedoeld in het tweede lid, toe.
Artikel 2.6.9. (militaire radarstations,
beperkingen rondom een radarstation en beoordeling gevolgen van
bouwwerken) [Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Bij de eerstvolgende herziening van
een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een radarstation op
gronden buiten een militair terrein of militair luchtvaartterrein,
wordt voor die gronden de bestemming«Maatschappelijk –
zend-/ontvangstinstallatie»opgenomen en worden geen bestemmingen
opgenomen die een belemmering kunnen vormen voor de functionele
bruikbaarheid van dat radarstation.
2. Bij de eerstvolgende herziening van
een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een radarverstoringsgebied
voor een radarstation, worden geen bestemmingen opgenomen die het
oprichten van bouwwerken mogelijk maken die door hun hoogte
onaanvaardbare gevolgen kunnen hebben voor de werking van de radar.
3. Bij regeling van Onze Minister in
overeenstemming met Onze Minister van Defensie, worden:
a. de begrenzingen van de
radarverstoringsgebieden, bedoeld in het tweede lid, vastgesteld,
en
b. de maximale hoogte van
bouwwerken binnen het radarverstoringsgebied vastgesteld.
4. Bij de voorbereiding van een
bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden als bedoeld in het
tweede lid, waarbij wordt overwogen het oprichten van bouwwerken
mogelijk te maken die de maximale hoogte, bedoeld in het derde lid,
onder b, overschrijden, wordt een beoordeling gemaakt van de gevolgen
van die bouwwerken voor de werking van de radar.
5. Onze Minister in overeenstemming met
Onze Minister van Defensie, kan regels stellen met betrekking tot de
wijze waarop de gevolgen, bedoeld in het vierde lid, bij die
beoordeling worden bepaald en beschreven. Die regels kunnen mede
betreffen de wijze van de totstandkoming van de beoordeling.
6. Onze Minister van Defensie
beoordeelt de toereikendheid van de beoordeling, bedoeld in het vierde
lid, en de aanvaardbaarheid van de daarin beschreven gevolgen voor de
werking van de radar.
7. Een omgevingsvergunning als bedoeld
in artikel 2.12, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht waarbij ten behoeve van het oprichten van bouwwerken
tijdelijk van het bestemmingsplan wordt afgeweken, staat geen
overschrijding van de maximale hoogte, bedoeld in het derde lid, onder
b, toe, tenzij uit een beoordeling als bedoeld in het vierde lid is
gebleken dat de activiteit geen onaanvaardbare gevolgen zal hebben
voor de werking van de radar.
8. De regels, bedoeld in het derde lid,
onder b, zijn niet van toepassing op bouwwerken:
a. die op het tijdstip van
inwerkingtreding van dit besluit reeds in het
radarverstoringsgebied, bedoeld in het derde lid, onder a,
aanwezig waren;
b. waarvoor de bouwvergunning
vóór dat tijdstip is verleend, of waarvan de bouw in het op dat
tijdstip geldende bestemmingsplan is toegestaan.
Artikel 2.6.10. (beperkingen in verband
met militaire laagvliegroutes jacht- en transportvliegtuigen)
Bij de eerstvolgende herziening van een
bestemmingsplan dat betrekking heeft op een laagvliegroute voor jacht-en
transportvliegtuigen worden geen bestemmingen opgenomen die het
oprichten van bouwwerken met een hoogte van meer dan 40 meter te meten
vanaf het maaiveld mogelijk maken.
Titel 2.7. Hoofdwegen en hoofdspoorwegen
Gereserveerd
Titel 2.8. Elektriciteitsvoorziening
Gereserveerd
Titel 2.9. Buisleidingen van nationaal
belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen
Gereserveerd
Titel 2.10. Ecologische hoofdstructuur
Gereserveerd
Titel 2.11. Primaire waterkeringen buiten
het kustfundament
Gereserveerd
Titel 2.12. IJsselmeergebied
(uitbreidingsruimte)
Gereserveerd
Titel 2.13. Erfgoederen van
uitzonderlijke universele waarde [Treedt in werking op een nader te
bepalen tijdstip]
Artikel 2.13.1. (algemeen) [Treedt in
werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. In deze titel en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
erfgoed van uitzonderlijke
universele waarde: gebied als bedoeld in artikel 2.13.2;
kernkwaliteiten: in bijlage 10
aangegeven essentiële landschappelijke en cultuurhistorische
kenmerken van een erfgoed van uitzonderlijke universele waarde.
2. Deze titel is van toepassing op
gronden binnen de grenzen van de erfgoederen van uitzonderlijke
universele waarde.
Artikel 2.13.2. (begrenzing) [Treedt in
werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Als erfgoed van uitzonderlijke
universele waarde worden aangewezen:
a. Nieuwe Hollandse Waterlinie,
waarvan de plaats indicatief geometrisch is vastgelegd in het
GML-bestand en is verbeeld opkaart 9;
b. Romeinse Limes, waarvan de
plaats indicatief geometrisch is vastgelegd in het GML-bestand en
is verbeeld opkaart 9;
c. Werelderfgoed De Beemster,
waarvan de geometrische plaatsbepaling is vastgelegd in het
GML-bestand en is verbeeld opkaart 9;
d. Werelderfgoed De Stelling van
Amsterdam, waarvan de geometrische plaatsbepaling is vastgelegd in
het GML-bestand en is verbeeld opkaart 9.
2. Bij verordening werken de
desbetreffende provinciale staten de begrenzing van de erfgoederen,
bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, geometrisch nader uit.
3. Indien de nadere plaatsbepaling en
begrenzing, bedoeld in het tweede lid, niet binnen een jaar na het
tijdstip van inwerkingtreding van deze titel zijn vastgesteld, stellen
Onze Minister en Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de
nadere plaatsbepaling en begrenzing bij ministeriële regeling vast.
Artikel 2.13.3. (kernkwaliteiten) [Treedt
in werking op een nader te bepalen tijdstip]
In bijlage 10 zijn voor ieder erfgoed van
uitzonderlijke universele waarde de kernkwaliteiten in hoofdlijnen
beschreven.
Artikel 2.13.4. (provinciale verordening)
[Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. In het belang van de instandhouding
en versterking van de door het provinciaal bestuur uitgewerkte en
geobjectiveerde kernkwaliteiten voor te onderscheiden delen van de
erfgoederen worden bij provinciale verordening regels gesteld over de
inhoud van of de toelichting bij bestemmingsplannen.
2. Bij de verordening worden in ieder
geval regels over de inhoud van bestemmingsplannen gesteld die
bewerkstelligen dat een bestemmingsplan ten opzichte van het daaraan
voorafgaande geldende bestemmingsplan nieuwe bestemmingen of een
wijziging van regels ter zake van het gebruik van de grond kan
bevatten, mits de uitgewerkte kernkwaliteiten, bedoeld in het eerste
lid, worden behouden of versterkt.
Hoofdstuk 3. Overige bepalingen
Artikel 3.1. (termijn uitvoering algemene
regels)
Voor zover dit besluit strekt tot
aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de
gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van
inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met
inachtneming van dit besluit.
Artikel 3.2. (ontheffingsbevoegdheid)
[Treedt in werking op een nader te bepalen tijdstip]
1. Onze Minister in overeenstemming met
Onze Minister die het aangaat, kan op aanvraag van burgemeester en
wethouders of van gedeputeerde staten ontheffing verlenen van de
bepalingen van hoofdstuk 2, indien de verwezenlijking van een
onderdeel van het gemeentelijk of provinciaal ruimtelijk beleid in
verhouding tot de met de nationale belangen die worden gediend met die
bepalingen onevenredig wordt belemmerd.
2. Aan de ontheffing kunnen
voorschriften worden verbonden indien de betrokken nationale belangen
dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.
Artikel 3.3. (uitvoeringsregels)
Indien in dit besluit geregelde
onderwerpen in het belang van een goede uitvoering van dit besluit
nadere regeling behoeven, kan deze geschieden bij ministeriële
regeling.
Artikel 3.4. (samenloop)
Indien er sprake is van strijdigheid van
het bepaalde bij of krachtens titel 2.3, 2.4 of 2.5 met het bepaalde bij
of krachtens titel 2.6, geldt het bepaalde bij of krachtens titel 2.6.
Artikel 3.5. (tijdstip vaststelling
provinciale verordeningen) [Treedt in werking op een nader te bepalen
tijdstip]
Uiterlijk negen maanden na het tijdstip
van inwerkingtreding van dit besluit stellen provinciale staten een
verordening als bedoeld in dit besluit vast.
Artikel 3.6. (inwerkingtreding)
Dit besluit treedt in werking op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende
artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Artikel 3.7. (citeertitel)
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit
algemene regels ruimtelijke ordening.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in
het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 22 augustus 2011
BEATRIX
De Minister van Infrastructuur en
Milieu,
M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus
Uitgegeven de zesentwintigste
augustus 2011
De Minister van Veiligheid en Justitie,
I.W. Opstelten
Bijlagen niet opgenomen
|