| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet ter voorkoming
van witwassen en financieren van terrorisme
UITVOERINGSREGELING
WET TER VOORKOMING VAN WITWASSEN EN
FINANCIEREN VAN TERRORISME
Tekst zoals deze geldt op
27 januari 2012
|
|
|
REGELING van de Minister van Financiën en de Minister
van Justitie van 23 juli 2008, nr. FM 2008-1792 M, Generale Thesaurie,
Directie Financiële Markten, Afdeling Integriteit, tot vaststelling van
regels ter uitvoering van de Wet ter voorkoming van witwassen en
financieren van terrorisme (Uitvoeringsregeling Wet ter voorkoming van
witwassen en financieren van terrorisme)
De Minister
van Financiën en de Minister van Justitie;
Gelet op de artikelen 3, zesde lid, 6, vierde
lid, 11, eerste, tweede en vierde lid, 12, derde lid, 21, derde lid, en
24, zesde lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren
van terrorisme, artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel
62 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 27i
en 30z van de Wet op de kansspelen;
Besluiten:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder wet: Wet ter voorkoming van
witwassen en financieren van terrorisme.
Artikel 2
Van artikel 3, eerste lid, van de wet zijn vrijgesteld instellingen
als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de wet, voor
zover zij een cliënt behulpzaam zijn bij het doen van aangifte in het
kader van:
a. de Wet inkomstenbelasting 2001 en de cliënt in het tijdvak
waarvoor aangifte wordt gedaan:
1°. geen belastbare winst uit een onderneming als bedoeld in
afdeling 3.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 geniet;
2°. geen belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden als
bedoeld in afdeling 3.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001
geniet;
3°. geen aanmerkelijk belang als bedoeld in afdeling 4.3 van
de Wet inkomstenbelasting 2001 heeft; en
4°. geen voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in
artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 geniet;
b. de Successiewet 1956.
Artikel 3
Als staat in de zin van artikel 6, eerste lid, onderdeel b, van de
wet worden aangewezen:
Argentinië, Aruba, Australië, Brazilië, Canada, Frans Polynesië,
Guernsey, Hongkong, Japan, Jersey, het eiland Man, Mayotte, Mexico, de
Nederlandse Antillen, Nieuw Zeeland, de Russische Federatie, Singapore,
Sint Pierre en Miquelon, de Verenigde Staten van Amerika, de
Wallis-archipel en Futuna-eiland, Zuid-Afrika en Zwitserland.
Artikel 4
1. Als documenten op basis waarvan kan worden voldaan aan artikel
11, eerste lid, eerste volzin, van de wet worden aangewezen:
a. een geldig paspoort;
b. een geldige Nederlandse identiteitskaart;
c. een geldige identiteitskaart die is afgegeven door het
daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat en is voorzien van
een pasfoto en de naam van de houder;
d. een geldig Nederlands rijbewijs;
e. een geldig rijbewijs dat is afgegeven door het daartoe
bevoegde gezag in een andere lidstaat en is voorzien van een
pasfoto en de naam van de houder;
f. reisdocumenten voor vluchtelingen en vreemdelingen;
g. vreemdelingendocumenten, afgegeven op grond van de
Vreemdelingenwet 2000.
2. Als documenten op basis waarvan kan worden voldaan aan artikel
11, tweede lid, eerste volzin, van de wet, worden aangewezen:
a. een uittreksel uit het handelsregister;
b. een akte of verklaring, opgemaakt onderscheidenlijk
afgegeven door een in Nederland of in een andere lidstaat
gevestigde advocaat, notaris, kandidaat-notaris of een hiermee
vergelijkbare, onafhankelijke beoefenaar van een juridisch beroep;
c. een document waaruit blijkt dat een kerkgenootschap of
lichaam waarin zij is verenigd, is aangesloten bij het
Interkerkelijk Contact in Overheidszaken dan wel dat het
kerkgenootschap of lichaam is aangemerkt als een instelling als
bedoeld in artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet
inkomstenbelasting 2001;
d. een document waaruit blijkt dat een zelfstandig onderdeel
van een kerkgenootschap als bedoeld in onderdeel c deel uitmaakt
van dat kerkgenootschap en het kerkgenootschap voldoet aan het
bepaalde in onderdeel c.
3. De identiteit van een cliënt als bedoeld in artikel 11, derde
lid, van de wet kan worden geverifieerd aan de hand van documenten,
gegevens of inlichtingen uit betrouwbare en onafhankelijke bron.
4. Onverminderd het derde lid kan de identiteit van een vereniging
van eigenaars als bedoeld in artikel 112, eerste lid, onderdeel e, van
Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek worden geverifieerd aan de hand van
de statuten van die vereniging die deel uitmaken van het reglement van
de akte van splitsing als bedoeld in artikel 111 van Boek 5 van het
Burgerlijk Wetboek.
Artikel 5
1.De Commissie inzake de meldingsplicht van ongebruikelijke
transacties, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet, bestaat
uit vertegenwoordigers van:
a. de Minister van Financiën;
b. de Minister van Justitie;
c. de instellingen;
d. De Nederlandsche Bank N.V.;
e. de Stichting Autoriteit Financiële Markten;
f. het Bureau Financieel Toezicht;
g. de Belastingdienst/Holland-Midden;
h. de Belastingdienst/Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst
– Economische Controledienst;
i. het openbaar ministerie;
j. de politie.
2.De leden van de commissie worden door de Minister van Financiën
en de Minister van Justitie gezamenlijk aangewezen. Bij de
samenstelling van de commissie streven de Minister van Financiën en
de Minister van Justitie naar een evenwichtige vertegenwoordiging van
de instellingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c.
3.De Minister van Financiën en de Minister van Justitie wijzen
gezamenlijk de voorzitter van de commissie aan.
4.De commissie bepaalt haar eigen werkwijze.
Artikel 6
De banken die zijn aangesloten bij de Coöperatieve Centrale
Raiffeisen-Boerenleenbank B.A. zijn vrijgesteld van het toezicht door De
Nederlandsche Bank N.V. op de naleving van de wet voor zover de
Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank B.A. voldoet aan het
bepaalde in artikel 24, zesde lid, van de wet.
Artikel 7
[Wijzigt het Instellingbesluit FIU-Nederland]
Artikel 8
[Wijzigt het Mandaat- en volmachtbesluit gemandateerd beheerder KLPD
2008]
Artikel 9
[Wijzigt de Mandaatregeling meldpunt ongebruikelijke transacties]
Artikel 10
[Wijzigt de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen
1994]
Artikel 11
[Wijzigt de Beschikking casinospelen 1996]
Artikel 12
Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling Wet ter
voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.
Artikel 13
Deze regeling treedt in werking met ingang van het tijdstip waarop de
Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme in
werking treedt.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Minister van Financiën a.i.,
A. Rouvoet.
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin.
|
|
|