| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet publieke
gezondheid (Wpg)
BESLUIT
PUBLIEKE GEZONDHEID
Tekst zoals deze geldt op
22 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 27 oktober 2008, houdende nieuwe eisen
inzake de publieke gezondheid (Besluit publieke gezondheid)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
van 26 mei 2008, kenmerk PG/ZP-2848098;
Gelet op de artikelen 2, derde lid, 5, vierde
lid, 6, derde lid, 15, tweede lid, 19, 49, eerste lid, en 62, tweede
lid, van de Wet publieke gezondheid;
De Raad van State gehoord (advies van 23 juni
2008, nr. W13.08.0193/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 21 oktober 2008, kenmerk DWJZ/SWW-2885172;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet publieke gezondheid;
b. basistakenpakket jeugdgezondheidszorg: de in artikel 5, tweede
lid, van de wet genoemde werkzaamheden;
c. de KNMG: de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot
bevordering der Geneeskunst.
Hoofdstuk II. Algemene taken publieke gezondheidszorg
Artikel 2
1.De in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a in samenhang met
onder g, van de wet genoemde werkzaamheden omvatten in ieder geval het
via onderzoek verwerven van inzicht in de gezondheidstoestand van
degenen die door een ramp worden getroffen.
2.De in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder d, van de wet
genoemde werkzaamheid omvat in ieder geval het in stand houden van een
structuur voor de samenwerking tussen instellingen die taken vervullen
op het gebied van gezondheidsbevordering.
3.De in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder e, van de wet
genoemde werkzaamheid omvat in ieder geval de volgende aspecten:
a. het signaleren van ongewenste situaties,
b. het adviseren van de bevolking over risico’s, inclusief
gezondheidskundig advies over gevaarlijke stoffen, in het
bijzonder bij rampen of dreiging van rampen,
c. het beantwoorden van vragen uit de bevolking en het geven
van voorlichting,
d. het verrichten van onderzoek.
4.De in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder f, van de wet
genoemde werkzaamheid omvat in ieder geval de volgende aspecten:
a. het bijhouden van een lijst met instellingen waar, gezien de
aard van de doelgroep en de omstandigheden waaronder de
activiteiten worden verricht, een verhoogd risico bestaat op de
verspreiding van pathogene micro-organismen,
b. het adviseren van de onder a bedoelde instellingen over de
mogelijkheden op het gebied van bouw, inrichting en organisatie
van de activiteiten om de risico’s op verspreiding van pathogene
micro-organismen te verkleinen,
c. het signaleren van ongewenste situaties,
d. het beantwoorden van vragen uit de bevolking en het geven
van voorlichting.
Hoofdstuk III. Jeugdgezondheidszorg
Artikel 3
1.Het basistakenpakket jeugdgezondheidszorg bestaat uit een uniform
deel en een maatwerk deel.
2.Het uniform deel van het basistakenpakket omvat de in de
artikelen 4, 5 en 6 van dit besluit beschreven werkzaamheden en wordt
aan alle jeugdigen aangeboden.
3.Het maatwerk deel van het basistakenpakket omvat de in de
artikelen 7, 8 en 9 van dit besluit beschreven werkzaamheden en wordt
afgestemd op de specifieke zorgbehoeften van de jeugdigen alsmede op
lokale of regionale demografische en epidemiologische gegevenheden.
Artikel 4
De in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder a, van de wet genoemde
werkzaamheid inzake de gezondheidstoestand van jeugdigen en de
gezondheidsbeďnvloedende factoren omvat de volgende aspecten:
a. het afnemen van een algemene anamnese van de jeugdige,
b. het beoordelen van de lichamelijke verschijning van de
jeugdige,
c. het meten en beoordelen van de groei van de jeugdige,
d. het beoordelen van de ontwikkeling van de jeugdige,
e. het beoordelen van het functioneren van de jeugdige,
f. het beoordelen van medisch-biologische parameters van de
jeugdige,
g. het beoordelen van het gedrag van de jeugdige,
h. het beoordelen van het sociaal milieu van de jeugdige,
i. het beoordelen van het fysieke milieu rondom de jeugdige,
j. het in kaart brengen van het zorgsysteem rondom de jeugdige.
Artikel 5
De in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder b, van de wet genoemde
werkzaamheid inzake de behoeften aan zorg omvat, naast het maatwerk
deel, bedoeld in artikel 7 van dit besluit, de volgende aspecten:
a. het schatten van de verhouding tussen de draaglast en
draagkracht van de jeugdige en van het gezin waartoe hij behoort,
b. het schatten van de behoefte aan advies en voorlichting van de
jeugdige en van het gezin waartoe hij behoort,
c. het inventariseren van de zorg die de jeugdige al ontvangt,
d. het nagaan of de jeugdige tot een of meer risicogroepen
behoort.
Artikel 6
De in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder c, van de wet genoemde
werkzaamheid inzake de opsporing en preventie van specifieke stoornissen
omvat de volgende aspecten:
a. het nagaan of bij de jeugdige sprake is van oogpathologie,
b. het nagaan of bij de jeugdige sprake is van maldescensus
testis,
c. het nagaan of bij de jeugdige sprake is van congenitale
hartafwijkingen,
d. het nagaan of bij de jeugdige sprake is spraak- of
taalstoornissen,
e. het nagaan of bij de jeugdige sprake is van perceptief
gehoorverlies,
f. het zonodig aanbieden van vaccinatie tegen hepatitis B,
g. het zonodig aanbieden van vaccinatie tegen tuberculose.
Artikel 7
De in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder b, van de wet genoemde
werkzaamheid inzake de behoeften aan zorg omvat, naast het uniform deel,
bedoeld in artikel 5 van dit besluit, de volgende aspecten:
a. het ramen welke zorgverlening op maat nodig is,
b. het ramen welke risicogroep gerichte zorg nodig is.
Artikel 8
De in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder d, van de wet genoemde
werkzaamheid inzake voorlichting omvat de volgende aspecten:
a. het geven van individugerichte voorlichting, advies,
instructie en begeleiding,
b. het geven van groepsgerichte voorlichting, advies, instructie
en begeleiding.
Artikel 9
De in artikel 5, tweede lid, aanhef en onder e, van de wet genoemde
werkzaamheid inzake gezondheidsbedreigingen omvat de volgende aspecten:
a. het formuleren welke individuele maatregelen, afgestemd op het
gezin van de jeugdige, nodig zijn,
b. het formuleren welke maatregelen, afgestemd op de groep
gezinnen waartoe het gezin van de jeugdige behoort, nodig zijn,
c. het formuleren welke individuele maatregelen, afgestemd op
buurt of school van de jeugdige, nodig zijn,
d. het formuleren welke maatregelen, afgestemd op de groep
buurten of scholen waartoe de buurt of school van de jeugdige
behoort, nodig zijn.
Artikel 10
Indien het college van burgemeester en wethouders toepassing geeft
aan artikel 14, tweede lid, van de wet, hanteert het college voor de
uitvoering dezelfde eisen als in artikel 17, tweede lid, van dit
besluit, aan de gemeentelijke gezondheidsdienst zijn gesteld.
Hoofdstuk IV. Infectieziektebestrijding
Artikel 11
Ter uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de
wet zorgt het college van burgemeester en wethouders in ieder geval
voor:
a. het, ter uitvoering van de meldingstaken, bedoeld in de wet,
te allen tijde bereikbaar zijn van de gemeentelijke
gezondheidsdienst,
b. het doorlopend verzamelen, analyseren en toepassen van
epidemiologische gegevens over infectieziekten,
c. het op grond van de gegevens, bedoeld onder b, inventariseren
van relevante trends en risico’s onder de bevolking of specifieke
groepen, alsmede het anticiperen daarop,
d. het geven van voorlichting en begeleiding, alsmede het
beantwoorden van vragen uit de bevolking,
e. het zorg dragen voor preventieve bronbehandeling bij de
bestrijding van tuberculose,
f. het bevorderen van de samenwerking van de gemeentelijke
gezondheidsdienst met huisartsen, medisch specialisten,
ziekenhuizen, laboratoria en overige organisaties die een rol spelen
bij de bestrijding van infectieziekten,
g. de algemene voorbereiding op maatregelen ter bestrijding van
een epidemie van een infectieziekte,
h. het aanbieden van vaccinaties aan risicogroepen,
i. de deelname aan toegepast wetenschappelijk onderzoek.
Artikel 12
De infectieziekten behorende tot groep C zijn: anthrax, bof,
botulisme, brucellose, gele koorts, hantavirusinfectie, heamophilus
influenza infectie, pneumokokkenziekte, legionellose, leptospirose,
listeriose, malaria, meningokokkenziekte, mrsa-infectie, psittacose,
q-koorts, tetanus, trichinose, west-nile virusinfectie, ziekte van
creutzfeldt-jakob.
Artikel 13
1.Een krachtens artikel 48 van de wet als behorende tot categorie B
aangewezen haven of luchthaven beschikt over een plan voor
noodsituaties op het gebied van de infectieziektebestrijding, met
inbegrip van de benoeming van een coördinator.
2.In het plan, bedoeld in het eerste lid, wordt ten minste
aangegeven:
a. hoe toegang wordt verleend aan medisch-diagnostische
faciliteiten op een zodanige wijze dat zieke reizigers onverwijld
en adequaat kunnen worden onderzocht, alsmede hoe personeel
hiertoe wordt ingezet,
b. hoe in de bescherming tegen infectie van verzorgend en
begeleidend personeel wordt voorzien,
c. hoe in de quarantaine van mogelijk geďnfecteerde reizigers
wordt voorzien,
d. hoe apparatuur en personeel worden ingezet voor het vervoer
van zieke reizigers naar een passende medische faciliteit,
e. hoe de voorlichting aan personeel, reizigers en overig
publiek plaatsvindt,
f. hoe wordt voorzien in de bestrijding van een besmetting,
waaronder vectorbestrijding, in de haven of luchthaven en van
schepen en luchtvaartuigen,
g. hoe over het onder a tot en met f gestelde wordt
samengewerkt met betrokken diensten en organisaties.
Artikel 14
Een krachtens artikel 48 van de wet als behorende tot categorie A
aangewezen haven of luchthaven beschikt, naast de voorzieningen, bedoeld
in artikel 13 van dit besluit, tevens over de volgende voorzieningen:
a. een te allen tijde bereikbare crisisdienst die kan worden
ingezet ter uitvoering van het plan voor noodsituaties, bedoeld in
artikel 13 van dit besluit,
b. een van sanitaire voorzieningen voorziene ruimte waar
aankomende reizigers, afgezonderd van andere reizigers, aan
quarantaine of medische controle kunnen worden onderworpen.
Artikel 15
1. Onze Minister verleent op aanvraag van het college van
burgemeester en wethouders een bijdrage in de kosten die voor de
gemeente voortvloeien uit het door de voorzitter van de
veiligheidsregio dan wel de burgemeester uitvoeren van de door Onze
Minister opgedragen maatregelen, bedoeld in artikel 62, eerste lid,
van de wet.
2. De bijdrage wordt vastgesteld op grond van de kosten die
voortvloeien uit het daadwerkelijk treffen van de maatregelen en de
gevolgen daarvan, verminderd met:
a. de kosten waarvoor de gemeente uit andere hoofde een
bijdrage heeft verkregen of kan verkrijgen,
b. de kosten die een gemeente in rekening brengt of kan
brengen.
3. Geen bijdrage wordt toegekend, indien de kosten, bedoeld in het
tweede lid, € 45.000 of minder bedragen.
Artikel 16
1.De aanvraag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, wordt uiterlijk
twaalf maanden na het einde van het treffen van de maatregelen
ingediend.
2.In afwijking van het eerste lid wordt, indien de maatregelen
onafgebroken gedurende één jaar worden getroffen, de aanvraag
uiterlijk twaalf maanden na het verstrijken van dat jaar ingediend.
3.De aanvraag gaat vergezeld van een opgave van de kosten, welke is
voorzien van bewijsstukken. Kosten waarvan de hoogte nog niet kan
worden vastgesteld, worden geraamd.
4.Onze Minister beslist binnen zes maanden na indiening van de
aanvraag.
5.Op verzoek van de aanvrager kan Onze Minister een voorschot
verlenen op de bijdrage, bedoeld in artikel 15, eerste lid. Een
verzoek daartoe gaat vergezeld van een voorlopige opgave van de
kosten.
6.Onze Minister kan de vaststelling van een bijdrage intrekken of
ten nadele van de ontvanger wijzigen:
a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan Onze Minister
bij de vaststelling van de bijdrage redelijkerwijze niet op de
hoogte kon zijn en op grond waarvan de bijdrage lager zou zijn
vastgesteld, of
b. indien de vaststelling van de bijdrage onjuist was en de
ontvanger dit wist of behoorde te weten.
Hoofdstuk V. Gemeentelijke gezondheidsdiensten
Artikel 17
1.Met het oog op de uitvoering van de in artikel 2 van de wet
omschreven taak voldoen de deskundigen, bedoeld in artikel 15 van de
wet, aan de volgende eisen:
a. de sociaal geneeskundige is ingeschreven in het Register van
Artsen Maatschappij en Gezondheid van de KNMG en, voor zover
werkzaam op het terrein van de medische milieukunde, opgeleid in
de medische milieukunde,
b. de deskundige op het terrein van de sociale verpleegkunde is
sociaal verpleegkundige en in het bezit van het diploma HBO-V,
c. de epidemioloog is geregistreerd als epidemioloog A in het
register van de Vereniging voor Epidemiologie of geregistreerd als
epidemioloog B door de Stichting voor opleiding tot Medisch
Biologisch Wetenschappelijk Onderzoeker.
2.Met het oog op de uitvoering van de in artikel 5 van de wet
omschreven taak ter zake van gezondheidsrisico’s voor jeugdigen
voldoen de deskundigen, bedoeld in artikel 15 van de wet, aan de
volgende eisen:
a. de sociaal geneeskundige is ingeschreven in het Register van
Artsen Maatschappij en Gezondheid van de KNMG en opgeleid in de
jeugdgezondheidszorg,
b. de deskundige op het terrein van de sociale verpleegkunde is
sociaal verpleegkundige en in het bezit van het diploma HBO-V,
c. de deskundige op het terrein van de gedragswetenschappen is
universitair opgeleid als psycholoog of pedagoog, dan wel in het
bezit van de akte M.O.-B pedagogiek.
3.Met het oog op de uitvoering van de in artikel 6 van de wet
omschreven taak voldoen de deskundigen, bedoeld in artikel 15 van de
wet, aan de volgende eisen:
a. de sociaal geneeskundige, belast met de
infectieziektebestrijding, is ingeschreven als arts
infectieziektebestrijding in het Register van Artsen Maatschappij
en Gezondheid van de KNMG en opgeleid in de
infectieziektebestrijding,
b. de sociaal geneeskundige, belast met de bestrijding van
tuberculose, is ingeschreven als arts tuberculosebestrijding in
het Register van Artsen Maatschappij en Gezondheid van de KNMG en
opgeleid in de tuberculosebestrijding, dan wel ingeschreven als
longarts in het desbetreffende specialistenregister van de KNMG,
c. de deskundige op het terrein van de sociale verpleegkunde is
sociaal verpleegkundige en in het bezit van het diploma HBO-V.
Hoofdstuk VI. Overige bepalingen
Artikel 18
[Wijzigt het Uitvoeringsbesluit artikel 1, tweede lid, Kwaliteitswet
zorginstellingen, enz.]
Artikel 19
[Wijzigt het Algemeen Rijksambtenarenreglement]
Artikel 20
[Wijzigt het Ambtenarenreglement Staten-Generaal]
Artikel 21
[Wijzigt het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie]
Artikel 22
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip.
Artikel 23
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit publieke gezondheid.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 27 oktober 2008
BEATRIX
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
A. Klink
Uitgegeven de achttiende november 2008
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|