|
REGELING
van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van
18 november 2008, nr. PG/ZP-2.892.655, houdende nieuwe eisen inzake
de publieke gezondheid (Regeling publieke gezondheid)
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
Handelende in
overeenstemming met de Minister van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op de artikelen 22, vierde lid, 24,
vijfde lid, 25, zesde en zevende lid, 26, tweede lid, 48, 57, derde en
vierde lid, 58, eerste en derde lid, en 63, derde lid, van de Wet
publieke gezondheid;
Besluit:
Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet publieke
gezondheid;
b. zorginstelling: instelling als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder f, van de Wet toelating
zorginstellingen, die beschikt over een eigen of gecontracteerde
hygiënische dienst.
Hoofdstuk II. Infectieziektebestrijding
§ 1. Meldingen
Artikel 2
1. Voor de meldingsplicht van de arts
op grond van artikel 22, tweede lid, van de wet, gelden voor de
hieronder genoemde infectieziekten de volgende voorwaarden:
a. pest, tuberculose en
infectieziekten behorende tot groep B2 en groep C: de
vaststelling wordt op normale werktijden binnen 24 uur gemeld,
b. hepatitis B: de vaststelling
van chronisch dragerschap wordt alleen gemeld als de infectie
voor de eerste keer wordt vastgesteld,
c. hepatitis C: alleen de
vaststelling van een recente infectie wordt gemeld,
d. mrsa-infectie: alleen de
vaststelling van een cluster van een mrsa-infectie veroorzaakt
door een bron buiten een zorginstelling wordt gemeld,
e. pneumokokkenziekte: alleen de
vaststelling bij kinderen in de leeftijd tot en met 5 jaar wordt
gemeld.
2. Voor de meldingsplicht van de arts
op grond van artikel 22, eerste lid, van de wet, gelden voor het
Mexicaanse influenzavirus (H1N1) de volgende voorwaarden:
1°. de vaststelling van een
infectie bij een persoon die op grond van de ernst van dit
ziektebeeld is opgenomen in een ziekenhuis wordt gemeld door de
behandelend arts van het ziekenhuis, en
2°. de vaststelling van het
overlijden van een persoon als gevolg van dit ziektebeeld, dan
wel het vermoeden dat dit ziektebeeld de oorzaak daarvan is
geweest, wordt gemeld door een arts.
Artikel 3
Voor de meldingsplicht van het hoofd
van het laboratorium op grond van artikel 25, tweede lid, van de wet,
gelden de volgende termijnen:
a. de vaststelling van een
verwekker van een infectieziekte behorend tot groep A wordt
onverwijld gemeld aan de gemeentelijke gezondheidsdienst;
b. de vaststelling van een
verwekker van een infectieziekte behorend tot groep B1, met
uitzondering van pest en tuberculose, wordt binnen 24 uur gemeld
aan de gemeentelijke gezondheidsdienst;
c. de vaststelling van pest of
tuberculose, alsmede van een verwekker van een infectieziekte
behorend tot groep B2 of C wordt op normale werktijden binnen 24
uur gemeld aan de gemeentelijke gezondheidsdienst.
Artikel 4
De meldingsplicht van het hoofd van een
instelling op grond van artikel 26, eerste lid, van de wet, wordt
binnen normale werktijden zo spoedig mogelijk uitgevoerd.
Artikel 5
De gegevensverwerking bij de meldingen,
bedoeld in de artikelen 21, 22 en 25, alsmede bij de aanvraag, bedoeld
in artikel 25, eerste lid, van de wet, voldoet aan de NEN 7510 norm
voor informatiebeveiliging in de zorg.
§ 2. Plaatsen van binnenkomst
Artikel 6
1.Ter uitvoering van artikel 48 van
de wet worden de volgende havens aangewezen:
a. als behorende tot categorie A:
de burgerhaven van de gemeente Rotterdam,
b. als behorende tot categorie B:
de burgerhavens van de gemeenten Amsterdam, Beverwijk, Den
Helder, Delfzijl, Dordrecht, Eemsmond, Harlingen, Maassluis,
Schiedam, Terneuzen, Velsen, Vlaardingen, Vlissingen en Zaandam.
2.Ter uitvoering van artikel 48 van
de wet worden de volgende burgerluchthavens aangewezen:
a. als behorende tot categorie A:
de burgerluchthaven van de gemeente Haarlemmermeer (Schiphol),
b. als behorende tot categorie B:
de burgerluchthavens van de gemeenten Beek (Maastricht Aachen
Airport), Eindhoven (Eindhoven Airport), Rotterdam (Rotterdam
Airport) en Tynaarloo (Groningen Airport Eelde).
Artikel 7
De burgemeesters van de gemeenten met
de volgende burgerhavens zijn bevoegd tot afgifte van het certificaat
van sanitaire controle van schepen en van het certificaat tot
vrijstelling van sanitaire controle van schepen: Amsterdam, Beverwijk,
Den Helder, Delfzijl, Dordrecht, Eemsmond, Harlingen, Maassluis,
Rotterdam, Schiedam, Terneuzen, Velsen, Vlaardingen, Vlissingen en
Zaandam.
Artikel 8
1.Ter verkrijging van een certificaat
van sanitaire controle van schepen of een certificaat tot
vrijstelling van sanitaire controle van schepen, worden de
inspecties uitgevoerd conform de bijlage bij deze regeling.
2.Indien vanwege buitengewone
omstandigheden in de haven geen certificaat als bedoeld in het
eerste lid kan worden afgegeven, en het schip is voorzien van een
nog geldig certificaat van sanitaire controle van schepen of
certificaat tot vrijstelling van sanitaire controle van schepen, kan
de burgemeester dit certificaat met één maand verlengen.
Artikel 9
1. Het tarief voor het onderzoek ter
verkrijging van een certificaat tot vrijstelling van sanitaire
controle van schepen of een certificaat van sanitaire controle van
schepen als bedoeld in artikel 57 van de wet, bedraagt:
a. € 97,26 per uur, indien het
onderzoek plaatsvindt op maandag tot en met vrijdag tussen 06.00
uur en 20.00 uur,
b. € 145,89 per uur, indien het
onderzoek plaatsvindt op maandag tot en met vrijdag tussen 20.00
uur en 06.00 uur, alsmede op zaterdag,
c. € 194,52 per uur, indien het
onderzoek plaatsvindt op zondag.
2. Het aantal uren, bedoeld in het
eerste lid, dat in rekening wordt gebracht, bedraagt niet meer dan:
– 4 uur bij schepen met minder
dan 50 opvarenden, anders dan bemanningsleden,
– 8 uur bij schepen met 50–500
opvarenden, anders dan bemanningsleden,
– 12 uur bij schepen met 500 en
meer opvarenden, anders dan bemanningsleden.
3. Het tarief voor het verlengen van
het certificaat, bedoeld in artikel 8, tweede lid, bedraagt €
97,26.
4. De in het eerste lid genoemde
bedragen worden vermeerderd met voorrijkosten van € 24,32 per
kwartier.
§ 3. Certificaten van inenting
Artikel 10
1.Organisaties mogen tegen gele
koorts inenten indien de organisatie een certificaat ter zake van de
reizigersadvisering heeft van de Stichting Harmonisatie
Kwaliteitsbeoordeling in de Zorgsector, dan wel
a. een arts in dienst heeft die
eindverantwoordelijk is voor de vaccinaties en toeziet op de
toediening van de entstof,
b. ervoor zorgt dat degene die de
indicatiestelling voor de vaccinaties verricht, beschikt over
het certificaat reizigersgeneeskunde of het certificaat
reizigersverpleegkundige van het Landelijk Coördinatiecentrum
Reizigersadvisering, of op aantoonbare wijze een kwalitatief
vergelijkbaar niveau van opleiding op het terrein van
reizigersgeneeskunde heeft gevolgd, en
c. een abonnement heeft op de
landelijke protocollen reizigersadvisering van het Landelijk
Coördinatiecentrum Reizigersadvisering, of een abonnement heeft
op een kwalitatief vergelijkbare bron van informatie.
2.Huisartsen mogen tegen gele koorts
inenten als zij:
a. beschikken over het
certificaat reizigersgeneeskunde of het certificaat
reizigersgeneeskundig huisarts van het Landelijk
Coördinatiecentrum Reizigersadvisering, of op aantoonbare wijze
een kwalitatief vergelijkbaar niveau van opleiding op het
terrein van reizigersgeneeskunde hebben gevolgd, en
b. een abonnement hebben op de
landelijke protocollen reizigersadvisering van het Landelijk
Coördinatiecentrum Reizigersadvisering, of een abonnement
hebben op een kwalitatief vergelijkbare bron van informatie.
Artikel 11
De organisaties en huisartsen, bedoeld
in artikel 10, laten zich voorafgaande aan het uitvoeren van de
inentingen tegen gele koorts registreren bij het Landelijk
Coördinatiecentrum Reizigersadvisering, postbus 1008, 1000 BA
Amsterdam.
Artikel 12
De inenting van personen tegen gele
koorts geschiedt uitsluitend met een door de
Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) goedgekeurde entstof.
Artikel 13
Het internationaal certificaat, bedoeld
in artikel 36 van de Internationale Gezondheidsregeling, van inenting
tegen gele koorts dient:
a. te worden ondertekend door de
huisarts of, indien het een organisatie betreft, door de
eindverantwoordelijke arts, bedoeld in artikel 10, eerste lid,
onder a, of door de verpleegkundige, die de indicatiestelling voor
de vaccinatie heeft verricht, onder verantwoordelijkheid van deze
arts,
b. volledig te zijn ingevuld in de
Engelse of Franse taal,
c. te zijn voorzien van een
stempel, waarvan de afdruk voldoet aan de volgende voorwaarden:
– de afdruk is cirkelvormig
met een middellijn van 25 millimeter,
– in het midden bevindt zich
het Nederlandse wapen met daaronder op de eerste regel het
woord ‘NEDERLAND’, op de tweede regel het woord ‘VACCINATION’
en op de derde regel ter linkerzijde de afkorting ‘NR’,
met ruimte voor cijfers,
– tussen de buitenste rand en
hetgeen hiervóór is aangegeven, bevinden zich boven de
horizontale middellijn van links naar rechts de woorden ‘STAATSTOEZICHT
OP DE VOLKSGEZONDHEID’ en onder deze middellijn van links
naar rechts de woorden ‘PUBLIC HEALTH SERVICE’,
– tussen de eerste ‘S’
van STAATSTOEZICHT en de ‘P’ van PUBLIC, alsmede tussen de
laatste ‘D’ van VOLKSGEZONDHEID en de laatste ‘E’ van
SERVICE bevindt zich een punt.
Artikel 14
Het tarief voor de vaccinaties ter
verkrijging van een internationaal certificaat, bedoeld in artikel 36
van de Internationale Gezondheidsregeling, van inenting tegen gele
koorts is niet meer dan kostendekkend.
Hoofdstuk III. Overige bepalingen
Artikel 15
[Wijzigt de Regeling Geneesmiddelenwet]
Artikel 16
Deze regeling treedt in werking met
ingang van 1 december 2008.
Artikel 17
Deze regeling wordt aangehaald als:
Regeling publieke gezondheid.
Deze regeling
zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport,
A. Klink.
Bijlage ex artikel 8 van de Regeling
publieke gezondheid
Programma van eisen sanitaire controle
van schepen
1. Inleiding
In dit document staan de WHO-normen1
waaraan wordt getoetst opdat voor een schip een certificaat van
sanitaire controle of een certificaat tot vrijstelling van sanitaire
controle kan worden afgegeven.
Per WHO-norm worden controlepunten
aangegeven waaruit kan blijken dat men aan deze norm voldoet. Deze
controlepunten vormen de leidraad voor een inspectie ten behoeve van
het verkrijgen van een certificaat.
In de WHO-normen zijn extra eisen
opgenomen voor ‘grote schepen’. Met ‘grote schepen’ wordt door
de WHO bedoeld ‘passagiersschepen’.
De definitie van een passagiersschip is
‘een schip ingericht voor meer dan 12 opvarenden anders dan
bemanningsleden’. In dit programma van eisen zijn de extra normen
voor deze passagiersschepen aangegeven via een kader om de tekst.
2. Kombuis en voedselvoorziening
2.1. Kennis van hygiëne en
voedselveiligheid
WHO-norm 1.2
De keukenmedewerkers die zich bezig
houden met het bereiden van voedsel, zijn op de hoogte van de
reinigingsprocedures, de bewaarnormen van levensmiddelen en de
bereidingswijzen. Als voorbeeld weten de betrokken keukenmedewerkers
de minimum en maximum temperaturen voor het bewaren en bereiden van
levensmiddelen en zijn ze in staat om zodanig te werken dat ze
kruisbesmettingen voorkomen.
WHO-norm 1.3
De keukenmedewerkers laten zien wanneer
en op welke wijze de handen moeten worden gewassen en dat hun
persoonlijke hygiëne aan de normen voldoet.
Controlepunten
– Toon aan dat de keukenmedewerkers
op de hoogte zijn van de afspraken/werkinstructies met betrekking
tot onder andere persoonlijke hygiëne, reiniging, hygiënische
werkwijze, temperatuur- en bewaarnormen.
– Zorg dat de keukenmedewerkers de
handen wassen met water en vloeibare zeep en tenminste op de
volgende momenten:
– bij aanvang van het werk en
na iedere pauze;
– bij wisselen van
werkzaamheden;
– na werken met rauwe
producten;
– na toiletbezoek, neus snuiten
en niezen;
– bij aanvang van het
portioneren en de uitgifte.
Aaanvullende eisen voor ‘grote
schepen’
WHO-norm 1.3.2
De keukenmedewerkers zijn in het bezit
van de benodigde opleidingscertificaten verkregen bij een relevante
opleiding voor het behandelen en het bereiding van voedsel. Het
kennisniveau wordt bijgehouden en indien bijscholing vereist is, zal
deze worden gevolgd. Hiervan worden registraties bijgehouden.
Controlepunten
– Toon aan dat er een opleiding- en
bijscholingsplan is voor de keukenmedewerkers.
– Registreer per medewerker de
gevolgde training, opleiding en bijscholing op het gebied van
voedselveiligheid.
2.2. Ontvangst van voedsel
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’
WHO-norm 1.1
Voedsel zal worden verkregen van
bronnen aan de wal die door de lokale overheid daarvoor als geschikt
worden bevonden. De producten dienen schoon, onbeschadigd en vrij van
bederf te zijn en mogen niet op andere manieren een gevaar voor de
gezondheid van de bemanning en of passagiers vormen. Rauwe producten
en ingrediënten worden niet geaccepteerd aan boord wanneer bekend is
dat deze parasieten, ongewenste micro-organismen, pesticiden,
veterinaire contaminanten bevatten of zijn bedorven. Ook worden
producten niet geaccepteerd als deze vreemde substanties bevatten die
niet tot een acceptabel niveau zijn terug te brengen door normaal te
sorteren of te verwerken. Waar toepasbaar zullen specificaties voor
ontvangst worden opgesteld en gebruikt. Er wordt gewerkt volgens het
first in, first out (FIFO) principe zodat de voorraad rouleert door
oude producten eerder te gebruiken dan de nieuwe voorraad.
Controlepunten
– Leg vast aan welke eisen een
product tijdens de ontvangst moet voldoen.
– Controleer bij aflevering op het
schip of de producten schoon zijn, onbeschadigd, vrij van bederf
zijn en de temperatuur voldoet aan de norm zoals in WHO norm 2.3.3.
Controleer ook op de houdbaarheidsdatum of de ‘te gebruiken tot’
termijn. Registreer de bevindingen in een logboek.
– Accepteer geen producten waarvan
geconstateerd is dat zij niet voldoen aan de norm.
– Hanteer het first in, first out (FIFO)
principe voor de opslag van producten.
– Controleer de binnenkomende
leveringen van levensmiddelen op de aanwezigheid van plaagdieren.
Registreer de bevindingen in een logboek.
2.3. Opslag en bereiding
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’
WHO-norm 1.3.3
Er worden registraties bijgehouden van
de bewaartemperaturen.
WHO-norm 1.3.5
Levensmiddelen worden betrokken van
veilige bronnen en worden op de juiste wijze opgeslagen, bereid en
geserveerd.
Controlepunten
– Controleer één keer per week de
temperatuur van de gekoelde en diepgevroren opslag. Registreer de
bevindingen in een logboek.
– Dek voedsel af en voorzie
producten van een houdbaarheidsdatum.
– Zorg dat de oppervlakten waar
voedselbereiding plaatsvindt schoon zijn.
– Gebruik alleen materialen die
glad en afwasbaar zijn.
– Houd koelverse en diepgevroren
producten zo kort mogelijk (maximaal 30 minuten) buiten de koeling
of vriezer.
– Verhit rauwe producten tot
tenminste 75 °C in de kern of totdat deze gaar zijn. Uitzondering
zijn hierbij de producten die geen interne besmetting hebben
ondergaan zoals biefstuk. Deze producten moeten tot tenminste 45 °C
worden verhit.
– Koel producten terug binnen vijf
uur tot een temperatuur van ten hoogste 7 °C.
2.4. Serveren
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’.
WHO-norm 1.4.1
Levensmiddelen, verpakt of onverpakt,
die uitgeserveerd worden in een buffet, een service-line of in een
saladebar, dienen op een zodanige geschikte wijze te worden
gepresenteerd dat er geen kans op besmetting van de medewerkers of de
passagiers kan ontstaan.
WHO-norm 1.4.2
Zelfbedieningsbuffetten en salade bars
waar niet verpakte producten ter consumptie worden aangeboden, zijn
voorzien van serveergereedschap en uitgiftemethoden die de besmetting
van levensmiddelen en dranken voorkomen.
WHO-norm 1.4.3
Levensmiddelen moeten tijdens opslag en
transport worden beschermd tegen vervuiling door zeewater, lenswater,
afvalwater, hydraulische vloeistoffen en brandstof.
WHO-norm 1.4.4
In een buffet of serveerruimte moeten
warme levensmiddelen warm worden gehouden en koude producten gekoeld
worden uitgegeven.
Controlepunten
– Zorg dat het buffet, een
service-line en/of saladebar is voorzien van ademschotten.
– Dek producten waar mogelijk af.
– Leg tangen, vorken of andere
materialen bij het gerecht zodat de producten hiermee kunnen worden
gepakt of opgeschept.
– Sla producten op in afgesloten
ruimten die beschermd zijn tegen verontreinigen van buitenaf.
– Bewaar en serveer warme producten
op een producttemperatuur van minimaal 60 °C.
– Bewaar en serveer koude gerechten
op een producttemperatuur van ten hoogste 7 °C.
2.5. Handenwasgelegenheid
WHO-norm 1.4
Er is minimaal één plaats toegewezen
als handenwasgelegenheid en deze plek is uitgerust met
wegwerphanddoeken/handblowers, een zeepdispenser en een afvalbak.
Controlepunten
– Voorzie de kombuis/keuken van een
handenwasgelegenheid. Dit houdt in een plaats waar de handen kunnen
worden gewassen.
– Voorzie de handenwasgelegenheid
van een zeepdispenser, handdoekjes voor eenmalig gebruik met een
afvalbak of een handblower.
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’
WHO-norm 1.3.6
De kombuis/keuken en andere ruimten
waar levensmiddelen worden voorbereid en verwerkt, zijn uitgerust met
een gemakkelijk te bereiken wasbak die is aangewezen als
handenwasgelegenheid. Deze handenwasgelegenheid is uitgerust met
wegwerphanddoeken, zeep en een afvalbak.
WHO-norm 1.3.7
De handenwasgelegenheid is alleen en te
allen tijde voor dit doel te gebruiken.
Controlepunten
– Voorzie de kombuis/keuken en
andere ruimten waar levensmiddelen worden bereid en bewerkt van een
handenwasgelegenheid die altijd beschikbaar is.
– Zorg dat de handenwasgelegenheid
is voorzien van een zeepdispenser, handdoekjes voor eenmalig gebruik
met een afvalbak of een handblower.
– Geef bij de handenwasgelegenheid
aan dat deze handenwasgelegenheid alleen bestemd voor het wassen van
de handen.
– Plaats de handenwasgelegenheid op
een makkelijk te bereiken plek.
2.6. Schoonmaak, onderhoud en afval
WHO-norm 1.1
Er is een schoonmaakschema aanwezig en
er wordt periodiek onderhoud gepleegd. Dit geldt voor de inrichting,
de installatie, de apparatuur en het materiaal dat wordt gebruikt voor
de voedselbereiding.
WHO-norm 1.5
Alle gebruiksmiddelen zoals potten,
pannen en materialen die in contact komen met voedsel, zijn voldoende
schoon, gereinigd en zo nodig gedesinfecteerd.
WHO-norm 1.6
Er blijven geen voedselresten achter
die plaagdieren aantrekken.
Controlepunten
– Beschik over en werk volgens een
schoonmaakprocedure met een bijbehorend schoonmaakschema.
– Reinig de kombuis/keuken na
afloop van de werkzaamheden en zorg dat er geen voedselresten
achterblijven.
– Beschik over een afvinklijst en
vink hierop af wanneer de periodieke schoonmaak van het
desbetreffende onderdeel is uitgevoerd.
– Beschik over en gebruik een
onderhoudsplan voor de kombuis/keuken.
– Zorg dat de materialen schoon
zijn.
– Dek producten af en verpak
producten zodanig dat plaagdieren niet worden aangetrokken.
– Zorg voor en werk volgens een
procedure voor de opslag en verwerking van afval.
– Leeg afvalbakken tijdig zodat
deze niet overvol zijn.
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’
WHO-norm 1.3.1
Er zijn geschreven schoonmaakschema’s
en onderhoudsrichtlijnen voor elke kritieke ruimte in de
kombuis/keuken die bij kan dragen aan de besmetting van levensmiddelen
aan boord.
Controlepunten
– Noteer per ruimte welke
onderdelen met welke frequentie gereinigd en gedesinfecteerd moeten
worden en op welke wijze. Leg dit vast in een schoonmaakschema.
– Noteer per ruimten welke
onderdelen met welke frequentie vervangen moeten worden en/of een
onderhoudsbeurt moeten ondergaan. Leg dit vast in een
onderhoudsschema.
2.7. Bouw en inrichting
WHO-norm 1.7
De kombuis/keuken is zo ingericht dat
plaagdieren zich niet kunnen verschuilen.
WHO-norm 1.13
Alle ruimten waarin de bereiding van
voedsel plaatsvindt, zijn gemaakt van ondoordringbaar materiaal met
een glad oppervlak dat goed gereinigd kan worden en geen gelegenheid
biedt voor plaagdieren om een schuilplek te vormen.
Controlepunten
– Zorg dat de inrichting van de
kombuis/keuken en de opstelling van de apparatuur zodanig is, dat
een goede reiniging mogelijk is en dat plaagdieren zich niet kunnen
nestelen.
– Zorg dat de vloer van de
kombuis/keuken van ondoordringbaar, makkelijk te reinigen en niet
absorberend materiaal is.
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’
WHO-norm 1.3.4
Alle oppervlakken, materialen en
inrichtingen zijn geschikt voor hun doel. Dit betekent dat ze niet
vochtdoorlatend zijn, gemakkelijk kunnen worden gereinigd, goed af
zijn te sluiten en beschermen tegen het binnendringen van plaagdieren.
Controlepunten
– Zorg dat de oppervlakken en
materialen in goede staat, glad en afwasbaar zijn.
Voedselcontactplaatsen zijn naadloos en niet-toxisch2.
– Sluit en werk de kombuis/keuken
zodanig af, dat de toegang voor plaagdieren is versperd.
2.8. Persoonlijke hygiëne
WHO-norm 1.8
De voedselbereidingruimte is alleen
bestemd voor voedselbereidingswerkzaamheden.
Controlepunten
– Voer in de kombuis/keuken alleen
werkzaamheden uit die gerelateerd zijn aan voedselbereiding.
– Geef alleen geautoriseerd
personeel toegang tot de voedselbereidingsruimte.
2.9. Drinkwater
WHO-norm 1.9
Er is voldoende warm en koud water
beschikbaar van drinkwaterkwaliteit. Dit is te allen tijde te
gebruiken voor de bereiding van levensmiddelen.
Controlepunten
– Voorzie de kombuis/keuken van
koud en warm stromend drinkwater.
– Gebruik bij de bereiding en
bewerking van voedsel alleen drinkwater.
2.10. Ventilatie- en
afzuigvoorzieningen
WHO-norm 1.11
Er zijn ventilatie- en
afzuigvoorzieningen aanwezig. Deze moeten voldoende capaciteit hebben
voor de aanwezige apparatuur en het aantal keukenmedewerkers.
Controlepunten
– Zorg voor en gebruik een
goedwerkende en onderhouden ventilatie- en afzuigvoorziening.
– Voorkom zichtbare condens.
2.11. Verlichting
WHO-norm 1.12
Er is voldoende licht aanwezig.
Controlepunten
– Zorg dat er in de kombuis/keuken
zoveel licht aanwezig is, dat zowel de producten als de omgeving
visueel beoordeeld kunnen worden op de aanwezigheid van vuil op of
verontreinigingen in het voedsel.
3. Pantry en opslag
3.1. Bouwtechnische staat
WHO-norm 2.1
De opslagruimten voor voedsel zijn
gemaakt van een ondoordringbaar materiaal met een glad oppervlak wat
goed gereinigd kan worden en geen gelegenheid biedt om een
schuilplaats voor plaagdieren te vormen.
Controlepunten
– Zorg dat de ruimte visueel schoon
is en bouwtechnisch in een goede staat.
– Zorg dat de ruimten en materialen
van glad en ondoordringbaar materiaal zijn.
3.2. Opslag van voedsel
WHO-norm 2.2
Voedsel wordt bewaard op voldoende
hoogte boven de vloer/dek (minimaal ongeveer 15 cm) en zodanig dat er
geen water kan binnendringen en geen verontreiniging kan optreden.
WHO-norm 2.4
Het aanwezige voedsel is veilig voor
consumptie en zonder versnijding/bijmengingen (met chemische of andere
stoffen) en is verkregen van bronnen die voldoen aan de geldende wet-
en regelgeving van de regio of het land van herkomst.
WHO-norm 2.5
Het systeem van opslag voorkomt
verontreiniging van voedsel met vreemde voorwerpen, stof, schadelijke
dampen, ongewenste chemicaliën en voorkomt kruisbesmetting tussen
levensmiddelen.
Controlepunten
– Bewaar voedsel op een afstand van
minimaal ongeveer 15 cm van de vloer.
– Zorg dat de houdbaarheidstermijn
van de producten in de opslag (koelvers, diepvries en droge
kruidenierswaren) niet overschreden wordt.
– Zorg dat de
producten/verpakkingen niet beschadigd of verontreinigd zijn.
– Zorg dat de opslagruimte zodanig
is dat er geen water kan binnendringen en geen verontreiniging kan
optreden.
– Dek producten af en verpak
producten zodanig dat er geen verontreiniging door vreemde
voorwerpen, stof, schadelijke dampen of ongewenste chemicaliën kan
optreden.
– Houd een duidelijke scheiding aan
tussen de opslag van rauwe en bereide producten.
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’
WHO-norm 1.2.1
De koel- en vriesruimten zijn geschikt
om de gekoelde en of bevroren producten op de voorgeschreven
temperatuur te houden. Temperaturen worden gecontroleerd en hiervan
worden registraties bijgehouden.
WHO-norm 1.2.2
Chemische of giftige materialen worden
gescheiden en veilig opgeslagen en zodanig dat deze niet in contact
kunnen komen met levensmiddelen.
WHO-norm 1.2.3
Levensmiddelen worden opgeslagen op een
daarvoor bestemde veilige plaats en afgeschermd tegen mogelijke
besmetting en verontreiniging.
WHO-norm 1.2.4
Levensmiddelen worden opgeslagen in een
schone, droge ruimte en worden niet blootgesteld aan water van
buitenaf, stof of andere verontreinigingen op minimaal ongeveer 15 cm
boven de vloer/dek.
Controlepunten
– Voorzie elke koude opslagruimte (koelingen,
vriezers, e.d.) van een thermometer.
– Zorg dat er minimaal één
voedselthermometer aanwezig is waarmee de temperatuur van producten
kan worden gecontroleerd.
– Bewaar gekoelde producten bij ten
hoogste 4 °C.
– Bewaar diepvriesproducten bij
minimaal –12 °C.
– Controleer en registreer
wekelijks de temperatuur van de opslagruimte.
– Registreer afwijkingen van de
norm met de bijbehorende genomen actie in het logboek en controleer
of de genomen maatregelen effectief zijn.
– Sla geen schoonmaakmaterialen of
-middelen op in de opslagruimten voor voedsel.
– Sla producten op in een schone,
droge ruimte.
– Voorzie producten van een
houdbaarheidsdatum zodat de bewaartermijn kan worden bewaakt en
wordt voorkomen dat producten bederven en andere producten
besmetten.
3.3. Temperatuur
WHO-norm 2.3
Voedsel wordt niet voor een langere
periode blootgesteld aan de omgevingstemperatuur. Voorbeelden van
aanbevolen bewaartemperaturen van bederfelijke producten zijn:
WHO-norm 2.3.1
Voedsel wordt zonodig warm bewaard met
behulp van warmhoudapparatuur bij een temperatuur van tenminste 60 °C
(145 °F) en wordt zolang als nodig op die temperatuur gehouden.
WHO-norm 2.3.2
Bederfelijke producten en dranken
worden normaal koud bewaard op een temperatuur die lager is dan 4 °C
(40 °F) behalve tijdens de bereiding of voor het opdienen
onmiddellijk na de bereiding. Wanneer voedsel voor een langere periode
wordt bewaard, dan wordt aanbevolen om dit te doen bij een temperatuur
van 4 °C (40 °F). Groenten en fruit worden bewaard in een koele
ruimte. De ideale bewaartermperaturen zijn voor vlees en vis tussen de
0 °C en de 3 °C (32–37 °F), voor zuivel en zuivelproducten 4 °C
(40 °F) en voor fruit en groenten tussen de 7 °C en de 10 °C (45–50
°F). Om praktische redenen mogen vanwege beperkte koelcapaciteit,
vlees en vleesproducten, vis en visproducten, eieren en eiproducten,
zuivel en zuivelproducten opgeslagen worden bij < 5 °C (41 °F) en
groente en fruit bij < 10 °C (50 °F)
WHO-norm 2.3.3
Diepvriesproducten worden bewaard bij
een temperatuur lager dan –12 °C (10 °F).
Controlepunten
– Bewaar warme gerechten op een
producttemperatuur van minimaal 60 °C.
– Bewaar vlees en vleesproducten,
vis en visproducten, eieren en eiproducten, zuivel en
zuivelproducten op een producttemperatuur van ten hoogste 4 °C.
– Bewaar groenten en fruit
(onbewerkt) in een koele ruimte op een producttemperatuur tussen de
7 en 10 °C.
– Bewaar diepvriesproducten op een
producttemperatuur lager dan –12 °C.
– Bewaar gekoelde producten niet
langer dan 30 minuten bij een producttemperatuur van 7 °C of hoger.
4. Vrachtruim
4.1. Vrachtruim
WHO-norm 3.1
Het vrachtruim, en zeker die bestemd is
voor de opslag van consumptiegoederen, zijn afgeschermd tegen het
binnendringen van water, plaagdieren, vectoren of andere
verontreiniging of besmetting. In geval van een lading van
consumptiegoederen wordt toezicht gehouden op de lading op sporen van
plaagdieren of een tekenen van verontreiniging of bederf.
Controlepunten
– Scherm het vrachtruim af tegen
weersomstandigheden, inslag van water en het binnendringen van
vectoren en plaagdieren. Ook bij een open vrachtruim dient de lading
tegen deze factoren beschermd te zijn.
– Controleer regelmatig en neem
maatregelen indien er tekenen zijn van bederf, verontreiniging of de
aanwezigheid van plaagdieren.
4.2. Ruim tijdens inspectie
WHO-norm 3.2
Het ruim dient normaliter leeg te zijn
bij een inspectie. Aanwezig ballastwater en materiaal in het ruim is
van dien aard of zodanig opgeslagen, dat een grondige inspectie niet
wordt verhinderd.
Controlepunten
– Zorg dat het ruim tijdens de
inspectie zo veel mogelijk leeg is.
– Sla materiaal in het ruim zodanig
op dat een grondige inspectie niet wordt verhinderd.
– Zorg dat het aanwezige
ballastwater in een zodanige hoeveelheid is, dat een grondige
inspectie niet wordt verhinderd.
5. Verblijven van bemanning en
officieren
5.1. Inrichtingseisen
bemanningsverblijven
WHO-norm 4.1
De bemanningsverblijven moeten zijn
ingericht overeenkomstig de geldende ILO-conventie. De
bemanningsverblijven mogen geen schuilplaats bieden aan plaagdieren en
de ruimten moeten schoon zijn en voldoende verlicht.
Controlepunten
– Richt de bemanningsverblijven in
volgens de eisen van de geldende ILO-conventie voor
bemanningsverblijven C133-19703.
– Zorg dat de ruimten schoon zijn
en goed onderhouden.
– Controleer regelmatig op de
aanwezigheid van plaagdieren en neem maatregelen indien er tekenen
zijn van plaagdieren.
– Zorg dat er in de
bemanningsverblijven zoveel licht aanwezig is, dat de omgeving
visueel beoordeeld kan worden op de aanwezigheid van vuil of
plaagdieren.
6. Drinkwater
6.1. Bouw en materialen
WHO-norm 5.1
Alle tanks, slangen, kleppen en
apparatuur bedoeld voor het gebruik van drinkwater worden niet voor
andere doeleinden gebruikt en zijn duidelijk gemarkeerd met de tekst
‘alleen bestemd voor drinkwater’. Het coderen van de leidingen met
een kleur is toegestaan.
Controlepunten
– Gebruik drinkwatertanks, slangen,
kleppen en apparatuur die voor drinkwater bedoeld zijn, niet voor
andere doeleinden dan voor drinkwater.
– Voorzie drinkwaterleidingen van
een markering die duidelijk herkenbaar is. Dit kan met een opschrift
‘drinkwater’ (in de werktaal op het schip) en/of middels
kleurcode.
6.2. Drinkwatertanks
WHO-norm 5.2
De drinkwatertanks delen geen
gemeenschappelijke wand met de romp van het schip of met tanks en
leidingen die voor andere doeleinden dan drinkwater worden gebruikt.
WHO-norm 5.3
Drinkwatertanks moeten geconstrueerd
zijn met materialen die geen verontreiniging afgeven aan het water in
de tank.
WHO-norm 5.4
Drinkwatertanks zijn zo geplaatst in
een ruimte in een schip dat er geen verontreiniging kan plaatsvinden
door vuil, plaagdieren, excessieve opwarming of andere contaminanten.
WHO-norm 5.5
De drinkwatertanks zijn toegankelijk
voor inspectie, onderhoud en reiniging en moeten zijn uitgerust met
een aparte aftapmogelijkheid.
Controlepunten
– Zorg dat de drinkwatertank geen
gemeenschappelijke wand heeft met tanks en leidingen die voor andere
doeleinden dan drinkwater worden gebruikt.
– Voorkom kruisbesmetting van het
drinkwater door verontreiniging van de tank.
– Gebruik voor de tank materialen
die verontreiniging van het drinkwater niet mogelijk maken, zoals
bijvoorbeeld roestvrij staal.
– Zorg dat de omgeving van de
drinkwatertank schoon is en vrij van plaagdieren.
– Situeer de tank zodanig dat
vervuiling door werkzaamheden of andere omgevingsfactoren niet
mogelijk is. Leidingen anders dan drinkwaterleidingen, mogen niet
door de tank lopen.
– Plaats de tank op een zodanige
manier in een ruimte opdat de temperatuur van het water niet boven
de 20 °C komt.
– Zorg dat er een inspectieluik is
dat gebruikt kan worden voor inspectie, onderhoud en reiniging.
– Controleer op aanwezigheid van
roest, vuil of besmettelijke materialen en verwijder dit indien dit
geconstateerd wordt.
– Voorzie de tank van een aftappunt
ten behoeve van de bemonstering van het water.
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’
WHO-norm 2.2.1
Drinkwater wordt opgeslagen in tanks
die zodanig zijn geconstrueerd en gelokaliseerd dat deze zijn
beschermd tegen vervuiling van buitenaf.
WHO-norm 2.2.2
De behandeling van water aan boord
gebeurt zodanig dat het ingenomen water voldoet aan de eisen voor
drinkwater overeenkomstig de Guidelines for drinking-water quality
2004 (WHO 2004)4 of enige relevante lokale wetgeving. Wanneer het
water gechloreerd wordt, moet de contacttijd voldoende lang zijn en
moet er een meetbare hoeveelheid vrij chloor overblijven in de te
vullen tank.
WHO-norm 2.2.3
Er wordt voorkomen dat drinkwater, dat
via leidingen uit de tanks naar de technische installaties gaat, terug
kan stromen. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van onder andere
terugslagkleppen.
WHO-norm 2.2.4
Drinkwatertanks delen geen
gemeenschappelijke wand met de romp of met andere opslagtanks (anders
dan drinkwatertanks).
WHO-norm 2.2.5
Er lopen geen leidingen door de
drinkwateropslag die bedoeld zijn voor andere producten dan
drinkwater.
Controlepunten
– Toon aan dat het drinkwater
zuiver is en niet vervuild.
– Toon aan dat de controles van het
drinkwater wordt geregistreerd in een hiervoor bestemd logboek.
– Controleer en registreer na het
innemen van water de hoeveelheid vrij chloor in het drinkwater. Neem
corrigerende maatregelen indien er niet aan de norm wordt voldaan en
controleer of de genomen maatregelen effectief zijn.
– Noteer datum, tijdstip en locatie
van inname van het drinkwater in een logboek.
– Toon met behulp van de
installatietekeningen aan dat er geen water terug kan stromen vanuit
andere technische systemen naar het drinkwatersysteem. Dit kan
middels het plaatsen van terugslagkleppen op relevante plaatsen of
een ander dergelijk systeem dat de terugstroom van water voorkomt.
– Controleer minimaal één keer
per zes maanden de aanwezige terugslagkleppen op een juiste werking.
Leg deze controle schriftelijk vast.
6.3. Drinkwatersysteem
WHO-norm 5.6
Drinkwatersystemen zijn uitgerust met
een chloreer-/halogenatiesysteem of andere mogelijkheden om adequaat
microbiële verontreiniging te verwijderen of af te doden en
verontreiniging te verwijderen.
WHO-norm 5.7
Bij de inname van drinkwater moeten
testrapporten van de drinkwaterkwaliteit opgevraagd worden bij de
havenautoriteit. De waterkwaliteit aan boord moet regelmatig
bemonsterd worden. Wanneer de kwaliteit van het ingenomen water niet
door de autoriteiten kan worden gegarandeerd, volstaat het gebruik van
een eigen test-kit aan boord van het schip mits deze voldoet aan de
Standaardmethodes voor het Onderzoek van Water.
WHO-norm 5.8
Drinkwatersystemen zijn uitgerust met
een systeem dat de terugstroom van water voorkomt.
Controlepunten
– Zorg dat er een systeem aanwezig
is dat het drinkwater zuivert en microbiële verontreinigingen
verwijdert.
– Toon middels een
kwaliteitsrapport aan dat het drinkwater bij inname en tijdens
opslag aan boord van voldoende kwaliteit is.
– Leg in een procedure vast dat de
eigen watercontroles worden uitgevoerd volgens de Standaardmethodes
voor het Onderzoek van Water5.
– Leg de uitkomsten van de eigen
watercontroles vast in een logboek.
– Controleer visueel of het water
vervuild is en neem maatregelen indien er vervuiling aanwezig is.
Controleer vervolgens of de genomen maatregelen effectief zijn
geweest.
– Voorkom terugstroming vanuit
andere technische systemen naar het drinkwatersysteem door het
plaatsen van terugslagkleppen of andere dergelijke systemen die de
terugstroom van water verhinderen.
6.4. Drinkwaterkwaliteit
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’
WHO-norm 2.1.1
De drinkwaterkwaliteit van een bron aan
land wordt beoordeeld voor het wordt ingenomen. Hierbij wordt minimaal
de registraties van de kwaliteitscontrole gecontroleerd. De haven en
de lokale autoriteiten onderzoeken of het drinkwater voldoet aan de
minimale veiligheidseisen. Onderzoek van de drinkwaterkwaliteit maakt
deel uit van de drinkwaterbehandeling routine aan boord van het schip.
WHO-norm 2.1.2
Schepen die aan boord het water
zuiveren met behulp van verdampers of een omgekeerde osmose
installatie, gebruiken deze niet in vervuilde gebieden, in havens of
als ze voor anker liggen.
WHO-norm 2.1.3
Schepen nemen geen drinkwater aan uit
voertuigen of schepen die voor meerdere doeleinden gebruikt worden dan
als het vervoer van water alleen. Voor de inname van drinkwater wordt
gebruik gemaakt van leveranciers die door de lokale autoriteiten
daarvoor zijn aangewezen. De watermanagement procedures aan boord van
een leverend schip verzekeren dat de ontvangst, verwerking, opslag en
aflevering onder zulke sanitaire voorwaarden gebeuren, dat de
veiligheid van het drinkwater kan worden gegarandeerd.
WHO-norm 2.1.4
(Vul)slangen die gebruikt worden voor
het transport van drinkwater zijn zodanig ontworpen dat deze niet voor
andere doeleinden kunnen worden gebruikt.
Controlepunten
– Leg in een procedure vast op
welke wijze de kwaliteit wordt gewaarborgd bij de ontvangst van het
water aan boord.
– Leg controles van het water vast
in een logboek. Toon aan dat er corrigerende maatregelen zijn
genomen indien het water niet voldeed aan de norm.
– Toon aan dat het innemen van
water ten behoeve van zuivering aan boord alleen in schone gebieden6
plaatsvindt en niet in havens of als het schip voor anker ligt.
– Toon aan op welke wijze de
veiligheid van het drinkwater wordt gegarandeerd.
– Zorg dat de koppeling van de
(vul)slang zodanig is dat de (vul)slangen alleen voor drinkwater
kunnen worden gebruikt. Aansluiten van andere slangen mag niet
mogelijk zijn.
– Codeer de (vul)slangen die
bestemd zijn voor drinkwater.
7. Riolering
7.1. Rioleringsysteem
WHO-norm 6.1
De riolering is solide, lekdicht en
geïsoleerd van andere systemen om kruisbesmetting te voorkomen. De
tanks dienen voldoende capaciteit te hebben om te voorkomen dat deze
over kunnen lopen. Installaties voor de behandeling van het
afvalwater, dienen regelmatig gecontroleerd te worden. Er mag niet
geloosd worden in gebieden waar dit niet is toegestaan (havens) en er
mag geen afvalwater als lenswater in het ruim terecht kunnen komen.
Controlepunten
– Zorg dat de riolering goed
geconstrueerd en onderhouden, solide, lekdicht en geïsoleerd is van
andere systemen.
– Zorg dat de capaciteit van de
riolering toereikend is.
– Voorkom lekkages en het overlopen
van de opslag.
– Leg vast in welke gebieden er
geloosd mag worden.
– Voer de controle op de werking
van de installatie voor de behandeling van het afvalwater uit
volgens instructies van de fabrikant.
8. Ballasttanks
Schepen vervoeren per jaar miljoenen
tonnen ballastwater over de wereld. Ballastwater is essentieel om bij
onbeladen schepen de schroef onder water te houden en tevens voldoende
stabiliteit en dus de veiligheid te waarborgen. Het innemen,
transporteren en weer lozen van ballastwater leidt tot het (ongewenst)
vermengen van water uit verschillende regio’s van de wereld. Behalve
een veilige vaart van het schip zorgt het lozen van ballastwater op
een andere plaats dan waar het verkregen is voor milieu- en
economische problemen:
Ballastwater bevat micro-organismen en
pathogenen (kiemen) die, indien zij in een andere dan de eigen habitat
worden geloosd, veel schade aanrichten in een ander ecosysteem dan
waar zij thuishoren. Via pathogene micro-organismen in ballastwater
kunnen infectieziekten verspreid worden.
8.1. Ballastwaterkleppen
WHO-norm 7.1
De afsluiters van de ballastwatertanks
in de haven zijn in de ‘off’ stand ter voorkoming van onbedoelde
lozing. De verantwoordelijke havenautoriteit kan toestemming verlenen
tot een lozing van ballastwater nadat er een risico inventarisatie is
gemaakt en er gewerkt wordt overeenkomstig de eisen van de IHR en de
International Convention on Control and Management of Ship Ballast
Water and Sediments7.
Controlepunten
– Plaats de ballastwaterkleppen in
de ‘off’ stand.
– Voorkom een onbedoelde of
onbevoegde lozing van ballastwater.
– Loos alleen ballastwater met
toestemming van de havenautoriteit.
– Werk volgens de eisen van de IHR
en de International Convention on Control and Management of Ship
Ballast Water and Sediments (momenteel nog niet van kracht).
– Toon het formulier IMO 868-208 en
de toepasselijke scheepsregistraties.
9. Afval
9.1. Afvalruimten
WHO-norm 8.1
De opslagruimten voor vast afval en
voedselafval zijn ontoegankelijk voor plaagdieren.
Controlepunten
– Zorg dat de
afvalopslagruimten/afvalcontainers voldoende zijn afgesloten voor
plaagdieren.
9.2. Medisch afval
WHO-norm 8.2
Er is een beschermde opslagmogelijkheid
voor infectieus medisch afval.
Controlepunten
– Sla medisch afval op in een in
een aparte afgesloten afvalbak.
– Zorg dat er geen kruisbesmetting
mogelijk is.
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’
WHO-norm 3.1
Het (medisch) afval wordt opgeslagen in
ruimten die alleen voor dat doel zijn aangewezen, ingericht en
duidelijk gemarkeerd.
Controlepunten
– Sla afval op in speciaal hiervoor
aangewezen containers en in de ruimten die alleen voor dit doel zijn
aangewezen.
– Zorg dat deze
afvalruimten/voorzieningen afgesloten zijn en de toegang voor
plaagdieren is verhinderd.
– Markeer de
afvalruimte/voorziening middels tekst of kleur zodat voor iedereen
duidelijk is dat dit de afvalruimte/voorziening betreft.
– Zorg dat er een scheiding is
tussen de afvalruimte voor algemeen afval en medisch afval. Geef
duidelijk aan welke ruimte voor welk afval is bestemd.
9.3. Verwijderen afval
WHO-norm 8.3
Vast afval, voedselresten en medisch
afval worden verwijderd overeenkomstig de geldende internationale en
nationale regelgeving en verordeningen.
Controlepunten
– Verwijder medisch afval van boord
volgens geldende nationale wet- en regelgeving9.
– Toon door middel van registraties
en contracten met afvalverwerkingsbedrijven dat het afval veilig en
legaal is verwijderd.
9.4. Afvalplan
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’
WHO-norm 3.2
De eisen betreffende het bewaren en het
verwijderen van het afval van boord zijn schriftelijk vastgelegd in de
bedrijfsregels en procedures welke zijn opgenomen in een
afvalbeheersplan. Dit afvalbeheersplan is afgestemd op de lokale
regelgeving en protocollen voor de verwerking van afval die van kracht
zijn in de te bezoeken havens.
WHO-norm 3.3
Voor de verwijdering van het afval
worden contracten afgesloten met voor dit doel door de havenautoriteit
goedgekeurde bedrijven of agenturen.
Controlepunten
– Toon aan dat er een
afvalbeheersplan is.
– Leg in het afvalbeheersplan vast
op welke wijze het afval wordt opgeslagen en verwijderd en werk
volgens dit plan.
– Zorg dat dit afvalbeheersplan te
allen tijde inzichtelijk is.
10. Stilstaand water
10.1. Plaatsen stilstaand water
WHO-norm 9.1
In stilstaand water kunnen zich larven
ophouden. Dergelijk stilstaand water mag niet aanwezig zijn aan boord.
De ruimten in en rond de reddingsboten, de spuigaten, de goten, de
gangboorden en de luchtzuiveringsinstallatie moeten geïnspecteerd
worden op stilstaand water wanneer deze niet in gebruik zijn.
Controlepunten
– Controleer regelmatig de ruimten
in en rond de reddingsboten, de spuigaten, de goten, de gangboorden
en de luchtzuiveringsinstallatie op stilstaand water.
– Verwijder stilstaand water indien
aanwezig.
11. Machinekamer
11.1. Ruimte machinekamer
WHO-norm 10.1
De machinekamer, de motorafdekking en
isolatiemateriaal zijn vrij van plaagdieren.
Controlepunten
– Controleer regelmatig de
machinekamer, motorafdekking en zichtbaar isolatiemateriaal en neem
maatregelen indien er tekenen zijn van de aanwezigheid van
plaagdieren.
12. Medische voorzieningen
12.1. Medische ruimten en faciliteiten
WHO-norm 11.1
Ruimten die bedoeld zijn voor het
onderzoek en de behandeling van zieke bemanningsleden zijn gescheiden
van andere bemanningsactiviteiten. De ruimten zijn goed verlicht,
schoon en bieden privacy. De onderzoek/behandelruimte is goed
onderhouden en uitgerust met een drinkwatervoorziening en
handenwasgelegenheid. Er worden registraties bijgehouden van medische
handelingen. Medisch (scherp) afval wordt veilig ontdaan. Wanneer er
geen gekwalificeerd medisch personeel (artsen en verpleegkundigen) aan
boord is, zijn er gebruikshandleidingen van medische voorzieningen
aanwezig en zijn er ook procedures aanwezig om extern medisch advies
aan te vragen wanneer zich een medisch urgent probleem en/of een
ziekte uitbraak voordoet aan boord.
Controlepunten
– Zorg dat er een aparte ruimte
aanwezig is waar zieke bemanningsleden kunnen worden onderzocht
en/of behandeld. Dit kan een tijdelijk aangewezen ruimte zijn.
– Voorzie de ruimte van voldoende
verlichting.
– Zorg dat de ruimte schoon is.
– Bied voldoende privacy.
– Onderhoud de apparatuur en
werkmaterialen zodanig dat deze glad en afwasbaar zijn. Hierdoor is
een goede reiniging mogelijk.
– Onderhoud het instrumentarium
periodiek en leg dit vast in een logboek. Reinig en indien nodig
desinfecteer het instrumentarium na gebruik.
– Zorg dat er een
handenwasgelegenheid met vloeibare zeep en handdoeken voor eenmalig
gebruik en een drinkwatervoorziening aangewezen is.
– Registreer de medische
handelingen die worden uitgevoerd.
– Zorg dat de handleidingen van de
medische apparatuur aanwezig zijn.
– Zorg dat er een procedure is
waarin staat vermeld op welke wijze extern medisch advies kan worden
gevraagd.
– Sla scherpe voorwerpen op in een
goedgekeurde (bijv. UN gekeurd) naaldcontainer.
– Sla medisch afval op in een
aparte afgesloten afvalbak.
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’
WHO-norm 5.1.2
De medische voorzieningen en apparatuur
aan boord dienen in een goede staat te verkeren en worden onder
hygiënische omstandigheden bewaard. Het onderhoud vindt plaats zoals
is voorgeschreven door de fabrikant.
WHO-norm 5.2.4
In de behandelruimte zijn voldoende
geschikte handenwasgelegenheden aanwezig.
Controlepunten
– Zorg dat de apparatuur schoon is,
geen gebreken vertoont, niet roestig is of beschadigd is.
– Toon aan dat er een
onderhoudsplan is voor de medische apparatuur en installaties.
– Reinig en desinfecteer de
apparatuur volgens aanwijzingen van de fabrikant.
– Voorzie de medische ruimte van
voldoende handenwasgelegenheden met een zeepdispenser, handdoekjes
voor eenmalig gebruik met een afvalbak of een handblower.
12.2. Uitvoering medische handelingen
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’
WHO-norm 5.2.1
Bevoegd en bekwaam medische personeel
(artsen/verpleegkundigen) of andere bemanningsleden die aangewezen
zijn voor deze werkzaamheden zijn getraind in het verlenen van eerste
hulp.
Controlepunten
– Toon aan dat het medisch
personeel getraind is in het verlenen van eerste hulp.
12.3. Medicijnen
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’
WHO-norm 5.3.1
Medicatie wordt alleen aan passagiers
of de bemanning verstrekt door getraind en bevoegd en bekwaam
personeel. Er worden registraties bijgehouden van het gebruik van
medicijnen.
Controlepunten
– Laat alleen medicatie verstrekken
door bevoegd en bekwaam personeel.
– Registreer op een
inventarisatielijst welke medicatie is verstrekt.
– Zorg dat de houdbaarheidstermijn
van de medicijnen niet overschreden wordt.
– Sla medicatie op volgens
voorschrift van de fabrikant.
12.4. Registratie ziekte
WHO-norm 4.2
Ziekte onder de bemanningsleden wordt
geregistreerd.
Controlepunten
– Registreer ziekte van
bemanningsleden.
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’
WHO-norm 5.2.2
Er wordt een gestructureerd, leesbaar
en actueel logboek bijgehouden en dit is te raadplegen en te gebruiken
in de behandelruimten. In het logboek wordt bijgehouden welke ziekte
bij wie (passagiers/bemanning) is geconstateerd en behandeld en welke
medicatie is verstrekt. Registraties in het logboek bevatten minimaal:
1) datum eerste bezoek aan de
medische dienst/afdeling, naam, leeftijd, geslacht van de
patiënt;
2) of het een passagier of
bemanningslid betreft;
3) de functie van het
bemanningslid;
4) hutnummer;
5) datum en tijd aanvang ziekte;
6) symptomen van de ziekte;
7) notities van eventueel afgenomen
monsters of andere eventueel ondernomen acties, wanneer dit van
toepassing is.
WHO-norm 5.2.3
Het medisch logboek is in te zien
tijdens inspecties.
Controlepunten
– Zorg dat het medisch personeel op
de hoogte is van en toegang heeft tot het medisch logboek.
– Noteer in een logboek welke
ziekte er bij welke personen zijn behandeld en welke medicatie is
gegeven.
– Zorg dat het logboek te allen
tijde inzichtelijk is tijdens een inspectie.
– Hanteer in het logboek een taal
die voor iedereen leesbaar is. Dit houdt in tenminste in een
internationale taal.
– Houd het logboek up to date.
– Noteer in het logboek minimaal
1) datum eerste bezoek aan de
medische dienst/afdeling, naam, leeftijd, geslacht van de
patiënt;
2) of het een passagier of
bemanningslid betreft;
3) de functie van het
bemanningslid;
4) hutnummer;
5) datum en tijd aanvang ziekte;
6) symptomen van de ziekte;
7) notities van eventueel
afgenomen monsters of andere eventueel ondernomen acties wanneer
van toepassing.
12.5 Infectieziekten
WHO-norm 1.10
De keukenmedewerkers vertonen geen
symptomen van besmettelijke ziekten zoals geelzucht, braken, diarree,
misselijkheid, koorts, zichtbare infectieuze huidaandoeningen of
zweren of uitvloed uit neus, ogen of oren.
Controlepunten
– Leg vast hoe te handelen wanneer
een keukenmedewerker symptomen heeft van besmettelijke ziekte of
andere medisch urgent probleem.
– Toon aan dat de medewerkers op de
hoogte zijn van de geldende afspraken.
– Zorg dat medewerkers die
symptomen van geelzucht, braken, diarree, misselijkheid, koorts,
zichtbare infectieuze huidaandoeningen of zweren of uitvloed uit
neus, ogen of oren hebben, niet werken in de kombuis/keuken.
12.6. Vertrouwelijke behandeling van
persoonsgegevens
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’
WHO-norm 5.4.1
De persoonlijke medische informatie
betreffende de gezondheid van passagiers, bemanningsleden en anderen
wordt vertrouwelijk behandeld overeenkomstig de toepasselijke wet- en
regelgeving.
Controlepunten
– Behandel de persoonlijke medische
informatie vertrouwelijk.
– Toon aan dat er afspraken zijn
over het behandelen van vertrouwelijke persoonsgegevens.
– Zorg dat de medewerkers van de
medische dienst/afdeling op de hoogte zijn van de afspraken over het
behandelen van vertrouwelijke persoonsgegevens.
13. Zwembaden en spa’s in
passagiersschepen
13.1. Technische eisen
WHO-norm 4.1
Zwembaden en sauna’s voldoen aan de
eisen die zijn omschreven in de WHO richtlijnen over Safe Recreational
Water Environments, Vol 2 Swimming pools, Spas and similar
Recreational Water Environments – WHO 200410.
Controlepunten
– Voldoe aan de eisen die zijn
omschreven in de WHO richtlijnen over Safe Recreational Water
Environments, Vol 2 Swimming pools, Spas and similar Recreational
Water Environments – WHO 2004.
– Stel een risicoanalyse op waarin
is omschreven:
– Het type zwembad;
– De omgeving;
– Het gedrag van de gasten;
– Personele
verantwoordelijkheid;
– Helderheid van het water;
– Mogelijke (micro)biologische
gevaren;
– Mogelijke chemische gevaren;
– Mogelijke fysieke en fysische
gevaren.
– Stel aan de hand van de
risicoanalyse een beheersplan op waarin staat omschreven hoe de
risico’s worden beheerst. Hierin moet tenminste zijn opgenomen:
– Periodieke controle
waterkwaliteit;
– Reiniging en desinfectie;
– Onderhoudsplan;
– Veiligheidsplan.
13.2. Watervoorziening
WHO-norm 4.2
Zwembaden en spa’s worden gevuld met
zeewater of drinkwater waarbij de aanvoerleiding een luchtslot of
terugslagklep heeft of een vergelijkbaar systeem om terugstroom te
voorkomen.
WHO-norm 4.3
Het zwemwater in zwembaden en
whirlpools dient voor gebruik eerst een desinfectieproces te ondergaan
zodat microbiële verontreiniging wordt verwijderd of geïnactiveerd.
Dit kan chemisch (chloor) of fysisch (U.V./filtratie) gebeuren.
Desinfectie is niet nodig indien het zwembad of de whirlpool voorzien
is van een zodanig goed functionerende doorstroomvoorziening met
zeewater, dat er geen reëel risico op besmetting van gebruikers is.
WHO-norm 4.4
Er worden geschreven of elektronische
registraties bijgehouden van het onderhoud, het desinfectieproces en
het gebruik van de zwembaden en spa’s. Dit gebeurt volgens
aanwijzing van de fabrikant.
Controlepunten
– Plaats een terugstroombeveiliging
in de aanvoerleiding van het zwembad of spa. Dit kan door middel van
een luchtslot, terugslagklep of een vergelijkbaar systeem.
– Desinfecteer het zeewater voordat
dit wordt gebruikt als zwembadwater. Dit kan chemisch (chloor) of
fysisch (U.V./filtratie) gebeuren. Desinfectie is niet nodig indien
het zwembad of de whirlpool voorzien is van een zodanig goed
functionerende doorstroomvoorziening met zeewater, dat bij de
dagelijkse controles geen verontreiniging wordt aangetoond.
– Controleer het water dagelijks op
verontreinigingen (microbiologisch, fysisch en chemisch). Registreer
de gevonden waarden in een logboek. Neem corrigerende maatregelen
indien niet wordt voldaan aan de norm en controleer of de genomen
maatregelen effectief zijn.
– Voer onderhoud aan het zwembad
uit volgens aanwijzing van de fabrikant. Registreer de
onderhoudswerkzaamheden in het logboek.
14. Overige beheerspunten
14.1. Transport (huis)dieren
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’
WHO-norm 6.1
Er moeten (hygiëne)regels gesteld zijn
en hygiënemaatregelen genomen zijn met betrekking tot eventuele
dieren aan boord en hun ontlasting en overig afval.
Controlepunten
– Stel duidelijke (hygiëne)regels
op met betrekking tot de aanwezigheid van dieren aan boord.
Informeer de eigenaren van de aanwezige dieren over de aan boord
geldende (hygiëne)regels.
– Geef middels een schriftelijke
instructie voor de medewerkers aan, welke gedeelten van het schip
wel en niet toegankelijk zijn voor (huis)dieren.
– Zorg dat de dieren niet zonder
toestemming van het land van aankomst van boord gaan. De eigenaar
dient zorg te dragen dat alle lokaal vereiste bescheiden toonbaar
zijn.
14.2. Incident fecesvervuiling
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’
WHO-norm 6.2
Op passagiersschepen dient overwogen te
worden om een procedure te hebben waarin de te nemen maatregelen
beschreven staan in geval van een incident met fecesvervuiling.
Controlepunten
– Stel zonodig een procedure op
waarin staat vermeld hoe te handelen bij een incident met
fecesvervuiling.
– Zorg dat alle bemanningsleden op
de hoogte zijn van deze procedure.
14.3. Dierplaagbeheersing
Aanvullende eisen voor ‘grote schepen’
WHO-norm 6.3
Er moeten maatregelen van kracht zijn
(overeenkomstig de IHR 2005) om de passagiersverblijven op alle
praktische uitvoerbare manieren permanent vrij te houden van bronnen
van besmetting of verontreiniging. Dit gebeurt door vectoren en
plaagdieren te weren en mogelijke broed- of schuilplaatsen voor
vectoren en plaagdieren te voorkomen.
Controlepunten
– Zorg dat er een Integrated Pest
Management (IPM) plan aanwezig is waarin staat omschreven op welke
wijze de aanwezigheid van plaagdieren wordt verhinderd en/of
voorkomen en welke locaties volgens welke frequentie worden
gecontroleerd op de aanwezigheid (van mogelijke broed- of
schuilplaatsen) van plaagdieren.
15. Begrippen
Ballastwater
Ballastwater is water wat wordt
ingenomen om het schip de juiste stabiliteit en trim te geven voor een
veilige vaart. Ballastwater is vaak troebel water en bevat meestal
allerlei micro-organismen. Er dient van uit gegaan te worden dat
ballastwater ook ziekmakende micro-organismen bevat.
Bemanningsleden
Persoon die deel uit maakt van de
bemanning.
BRT
Brutotonnage. De inhoud van een schip
in gewichtstonnen.
Geautoriseerd personeel
Medewerkers die toestemming hebben
gekregen tot een bepaalde taak of ruimte. Bijvoorbeeld:
keukenmedewerkers zijn geautoriseerd om de kombuis/keuken te betreden
tijdens werkzaamheden met voeding.
HACCP
HACCP staat voor Hazard Analysis
Critical Control Points. Een HACCP-systeem is een
voedselveiligheidssysteem waarin de risico’s op besmetting van het
voedsel middels normen en controles tot een minimum worden gebracht.
ILO
International Labour Organisation
(internationale arbeidsorganisatie van de VN).
IPM
IPM is gebaseerd op de internationale
principes van het Integrated Pest Management. Het heeft als doel het
duurzaam voorkomen van plaagdieren in productieprocessen,
(groot)keukens, horeca en overige ruimten waar voedsel verbruikt en/of
genuttigd wordt. IPM is gericht op een grondige inspectie van de
omgeving, het uitvoeren van een maximaal maatregelenpakket om
plaagdieren te weren en eventueel toepassing van alternatieve
bestrijdingsmethodes. Chemische bestrijdingsmiddelen worden alleen als
laatste hulpmiddel en zeer beperkt ingezet.
Kombuis
De kookplaats op een schip.
Lenswater
Water dat door lekkage of uit de ketels
in het ruim is gelopen.
Luchtslot
Luchtsluis; dubbele luchtdichte sluis.
Een luchtslot werkt hetzelfde als een schutsluis in een kanaal.
Medisch afval
Medisch afval kan worden verdeeld in
twee categorieën: risicohoudend en niet-risicohoudend medisch afval.
Voorbeelden van risicohoudend afval zijn al het afval met bloed, alle
scherpe voorwerpen (naalden, mesjes, etc.) en anatomisch afval. Deze
categorie dient verplicht te worden opgehaald door een gespecialiseerd
en erkend bedrijf. Voorbeelden van niet-risicohoudend medisch afval:
verbanden (ook in geval van geringe bevuiling met bloed e.d.),
disposables, onderleggers, spuiten zonder naald en sondes. Dit afval
mag tezamen met gewoon huishoudelijk afval worden verpakt in de gewone
huisvuilzak en verwijderd worden.
Onderhoudsplan
Een plan waarin is omschreven welke
onderdelen van de kombuis/keuken op welk moment worden nagekeken en/of
worden vervangen.
Opvarenden
Alle aanwezige personen op een schip.
Passagiersschip
Een schip ingericht voor meer dan 12
opvarenden anders dan bemanningsleden.
Plaagdieren
Dieren die voor overlast kunnen zorgen
zoals insecten of knaagdieren. De meest voorkomende plaagdieren zijn
ratten, muizen, kakkerlakken, duiven, bedwantsen, wespen,
muggen/muskieten en andere stekende insecten.
Vectoren
Vectoren zijn dieren die op zichzelf
geen plaagdier hoeven te zijn, maar wel (andere) plaagdieren of
ziekmakende micro-organismen bij zich kunnen dragen en over kunnen
brengen.
Voedselcontactplaatsen
Plaatsen in de keuken die in aanraking
komen met voedsel. Voorbeelden van voedselcontactplaatsen zijn
werkbanken en keukenapparatuur.
Vrachtschip
Een vrachtschip is een schip dat
uitsluitend bedoeld is voor het vervoer van goederen. Vrachtschepen
zijn te verdelen in schepen voor rivieren en binnenwateren en schepen
voor de zeevaart.
WHO
De Wereldgezondheidsorganisatie (World
Health Organization, WHO) is een gespecialiseerde organisatie van de
Verenigde Naties gevestigd in Genève met als doel wereldwijde
aspecten van de gezondheidszorg in kaart te brengen, activiteiten op
het gebied van de gezondheidszorg te coördineren en de gezondheid van
de wereldbevolking te bevorderen.
|