|
BESLUIT van 29 december 2008, houdende regels ter
uitvoering van de Wet participatiebudget (Besluit participatiebudget)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 12 september 2008, nr. W&B/SFI/08/22818, gedaan
mede namens Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie en de
Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
Gelet op artikel 89 van de Grondwet, de
artikelen 2, vierde en vijfde lid, 4, vierde lid, en 15, tweede lid, van
de Wet participatiebudget en de artikelen 2.5.5, tweede en derde lid, en
2.5.10 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
De Raad van State gehoord (advies van 25
september 2008);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 december
2008, nr. W&B/SFI/08/2771, uitgebracht mede namens Onze Minister
voor Wonen, Wijken en Integratie en de Staatssecretaris van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap, J.M. van Bijsterveldt-Vliegenthart;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 2. Verdeelsleutels
Paragraaf 1. Verdeelsleutel Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Artikel 2. Verdeelsleutel Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid
1. Het deel van het participatiebudget
dat een college ontvangt uit het totale bedrag dat beschikbaar is
gesteld door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor
een participatiebudget voor alle colleges wordt berekend op grond van
de formule:
(a × (OW / OTW) + (1–a) × (KW / TKW))
× TBW
waarbij:
a. a het aandeel van het totale
bedrag is dat beschikbaar is gesteld door Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor een participatiebudget voor
alle colleges dat objectief wordt verdeeld, zoals opgenomen in bijlage
1 van dit besluit;
b. OWhet aan de hand van het
verdeelmodel, dat is opgenomen in bijlage 1 van dit
besluit, bepaalde gewicht van de gemeente is;
c. OTWhet totaal is van de aan de
hand van het verdeelmodel, dat is opgenomen in bijlage 1
van dit besluit, bepaalde gewichten van alle gemeenten samen;
d. KWde uitkering, bedoeld in
artikel 69, eerst lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand,
zoals die luidde op 31 december 2008, voor het kalenderjaar 2003
is;
e. TKWhet totaal is van de
uitkeringen, bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel a, van
de Wet werk en bijstand, zoals die luidde op 31 december 2008,
voor het kalenderjaar 2003 voor alle gemeenten samen;
f. TBWhet bedrag is dat beschikbaar
is gesteld door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
voor een participatiebudget voor alle colleges voor het
desbetreffende kalenderjaar.
2. Indien het aan de hand van het
verdeelmodel, dat is opgenomen in bijlage 1 van dit besluit,
bepaalde gewicht van de gemeente negatief is, wordt dat voor de
toepassing van het eerste lid, onderdelen b en c, op nihil gesteld.
3. Jaarlijks worden bij ministeriële
regeling voor de verdeelmaatstaven inbijlage 1 bij dit besluit
de peiljaren en de gewichten vastgesteld.
4. Bij ministeriële regeling kunnen
nadere regels worden gesteld voor de toepassing van dit artikel en van
het verdeelmodel, dat is opgenomen inbijlage 1 bij dit besluit,
ter voorkoming van onvoorziene en ongewenste verdeeleffecten.
Paragraaf 2. Verdeelsleutel Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Artikel 3 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 4. Verdeelsleutel Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2013 en 2014
Het deel van het participatiebudget dat
een college ontvangt uit het totale bedrag dat beschikbaar is gesteld
door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor een
participatiebudget voor alle colleges wordt voor de jaren 2013 en 2014
berekend op grond van de formule:

waarbij:
a. Og het door het Centraal bureau
voor de statistiek op verzoek van Onze Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap berekende gemiddelde percentage volwassen
inwoners van de gemeente is met een opleiding op ten hoogste het
niveau van het diploma middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of
voorbereidend beroepsonderwijs over het zevende tot en met tweede
jaar voorafgaande aan het jaar van de uitkering, vermenigvuldigd met
het onder a bedoelde aantal inwoners op 1 januari van het jaar
voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
b. On het door het Centraal bureau
voor de statistiek op verzoek van Onze Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap berekende gemiddelde percentage volwassen
inwoners van alle Nederlandse gemeenten is met een opleiding op ten
hoogste het niveau van het diploma middelbaar algemeen voortgezet
onderwijs of voorbereidend beroepsonderwijs over het zevende tot en
met tweede jaar voorafgaande aan het jaar van de uitkering,
vermenigvuldigd met het onder b bedoelde aantal inwoners op 1
januari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering
wordt vastgesteld;
c. Ag het door het Centraal bureau
voor de statistiek op verzoek van Onze Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap berekende aantal volwassen inwoners van de
gemeente is op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar
waarvoor de uitkering wordt vastgesteld, waarvoor geldt dat beide
ouders of de volwassen inwoner zelf en één ouder geboren zijn in
een land dat niet is opgenomen inbijlage 2 bij dit besluit;
d. An het door het Centraal bureau
voor de statistiek op verzoek van Onze Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap berekende aantal volwassen inwoners van alle
Nederlandse gemeenten is op 1 januari van het jaar voorafgaande aan
het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld, waarvoor geldt dat
beide ouders of de volwassen inwoner zelf en één ouder geboren
zijn in een land dat niet is opgenomen inbijlage 2 bij dit
besluit;
e. BVg het aantal door de gemeente
ingekochte trajecten basisvaardigheden is in het tweede jaar
voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
f. BVn het totaal aantal door de
Nederlandse gemeenten ingekochte trajecten basisvaardigheden is in
het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering
wordt vastgesteld;
g. Cg het aantal door volwassen
inwoners van de gemeente behaalde NT2-certificaten, dat niet meetelt
bij de output-verdeelmaatstaven uit de verdeelsleutel van Onze
Minister voor Wonen, Wijken en Integratie, is in het tweede jaar
voorafgaande aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
h. Cn het totale aantal door
volwassen inwoners van de Nederlandse gemeenten behaalde
NT2-certificaten, dat niet meetelt bij de output-verdeelmaatstaven
uit de verdeelsleutel van Onze Minister voor Wonen, Wijken en
Integratie, is in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor
de uitkering wordt vastgesteld;
i. ib het bedrag is dat door Onze
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beschikbaar is gesteld
voor een participatiebudget voor alle colleges voor het jaar
waarvoor de uitkering wordt vastgesteld.
Artikel 5. Verdeelsleutel Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2015 en verder
Het deel van het participatiebudget dat
een college ontvangt uit het totale bedrag dat beschikbaar is gesteld
door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor een
participatiebudget voor alle colleges wordt voor de jaren 2014 en verder
berekend op grond van de formule:
(Ug : Un) x ib
waarbij:
a. Ug het aantal contacturen is dat
blijkens een overeenkomst uitkering educatie door een gemeente is
ingekocht in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de
uitkering wordt vastgesteld;
b. Un het totale aantal contacturen
is dat blijkens de overeenkomsten uitkering educatie door de
Nederlandse gemeenten is ingekocht in het tweede jaar voorafgaande
aan het jaar waarvoor de uitkering wordt vastgesteld;
c. ib het bedrag is dat door Onze
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beschikbaar is gesteld
voor een participatiebudget voor alle colleges voor het
desbetreffende kalenderjaar.
Artikel 6. Op nihil stellen onderdelen
verdeelsleutel Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Indien het college de gegevens, bedoeld
in de artikelen 4 en 5, niet op de wijze, bedoeld in
artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet, heeft verstrekt, worden
voor de berekening van het deel van het participatiebudget dat een
college ontvangt uit het totale bedrag dat beschikbaar is gesteld door
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor een
participatiebudget voor alle colleges de onderdelen Cg, BVg en Ug van de
formules, bedoeld in de artikelen 4 en 5, op nihil gesteld.
Paragraaf 3 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2013]
Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2013]
Paragraaf 3a. Gemeenschappelijke
regelingen
Artikel 10a. Aanpassing verdeelmaatstaven
bij gemeenschappelijke regelingen
Indien artikel 6 van de wet van
toepassing is, zijn de artikelen 6 en 10 van
overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat wordt uitgegaan van
de situatie waarin het bestuur van het openbaar lichaam de
verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 6, onderdeel a, van de
wet, niet op de wijze, bedoeld in artikel 17a van de
Financiële-verhoudingswet, heeft verstrekt.
Paragraaf 4. Gemeentelijke herindeling
Artikel 11. Aanpassing verdeelmaatstaven
bij gemeentelijke herindeling
Bij een wijziging van de gemeentelijke
indeling of een grenscorrectie als bedoeld in de Wet algemene regels
herindeling worden de gegevens waarmee de berekeningen op grond van dit
hoofdstuk worden uitgevoerd, vastgesteld op basis van een redelijke
schatting van de toestand van die gegevens zoals die zou zijn geweest
als de wijziging op de datum waarop die gegevens betrekking hebben reeds
was ingegaan.
Hoofdstuk 2a. Bevordering participatie
inactieven 2009–2011
Artikel 11a. Participatie inactieven
1. Per inactieve die na ondersteuning
door het college in de periode tussen 1 januari 2009 en 31 december
2011 een dienstbetrekking heeft aanvaard met een overeengekomen omvang
van ten minste 20 uur per week en die dienstbetrekking heeft behouden
voor een periode van ten minste zes maanden mag het college in het
kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de periode van zes
maanden is voltooid€ 12.000 uit het participatiebudget besteden aan
andere kosten ten behoeve van de bevordering van participatie dan de
kosten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet, alsmede ten
behoeve van de in dat lid bedoelde uitvoeringskosten.
2. [Vervallen.]
3. Met een dienstbetrekking voor een
periode van zes maanden, bedoeld in het eerste lid, worden
gelijkgesteld twee of meer aaneengesloten dienstbetrekkingen voor een
periode van in totaal ten minste zes maanden.
4. Met het behouden van een
dienstbetrekking met een overeengekomen omvang van ten minste 20 uur
per week voor een periode van ten minste zes maanden wordt
gelijkgesteld het ontvangen van loon uit dienstbetrekking over
gemiddeld 20 uur per week gedurende ten minste zes aaneengesloten
maanden.
5. Het bedrag dat op grond van het
eerste lid mag worden besteed bedraagt ten hoogste het deel van de
uitkering dat het college ontvangt op basis van de verdeelsleutel,
bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de wet, voor het bedrag dat door
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beschikbaar is
gesteld in het desbetreffende kalenderjaar.
Artikel 11b. Extra bestedingsruimte 2009
1.Op verzoek van het college kan Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid toestemming geven om op
basis van het aantal in dat verzoek genoemde inactieven een deel van
het participatiebudget voor het jaar 2009 in dat kalenderjaar te
besteden aan de kosten, bedoeld inartikel 11a, eerste lid.
2.Het bedrag dat op grond van het
eerste lid mag worden besteed aan de daarin bedoelde kosten bedraagt
€ 6.000 per inactieve, met dien verstande dat als het totaal aantal
inactieven op basis waarvan door alle colleges toestemming is gevraagd
meer bedraagt dan 5.000, het aantal inactieven op basis waarvan het
bedrag wordt berekend per college als volgt wordt vastgesteld:
a. voor het college dat toestemming
heeft gevraagd op basis van vijf of minder inactieven op dat
aantal inactieven;
b. voor het college dat toestemming
heeft gevraagd op basis van meer dan vijf inactieven op vijf
inactieven plus een op grond van het derde lid tot en met vijfde
lid vast te stellen aantal inactieven.
3.Het meerdere aantal inactieven,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, wordt berekend door het
verschil tussen 5.000 en het totaal aantal inactieven dat is
toegedeeld na toepassing van het tweede lid, waarbij voor het college
dat toestemming heeft gevraagd op basis van meer dan vijf inactieven
dat aantal op vijf wordt gesteld, toe te delen aan de colleges,
bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, naar rato van het aantal
inwoners van de desbetreffende gemeente op het totaal aantal inwoners
van de desbetreffende gemeenten. Het aantal inactieven op basis
waarvan het bedrag, bedoeld in het tweede lid, wordt berekend bedraagt
evenwel niet meer dan het aantal inactieven op basis waarvan het
college toestemming heeft gevraagd.
4.Indien het na toepassing van het
derde lid toegedeelde aantal inactieven minder bedraagt dan 5.000,
wordt het verschil tussen 5.000 en het aantal toegedeelde inactieven,
toegedeeld aan de colleges waarvan het aantal toegedeelde inactieven
minder bedraagt dan het aantal inactieven op basis waarvan het college
toestemming heeft gevraagd, naar rato van het aantal inwoners van de
desbetreffende gemeente op het totaal aantal inwoners van de
desbetreffende gemeenten. Het derde lid, tweede zin, is van
toepassing.
5.Het vierde lid wordt telkens
toegepast tot het totaal aantal inactieven op basis waarvan de
bedragen, bedoeld in het tweede lid, worden berekend 5.000 bedraagt.
6.Het aantal op grond van het tweede
tot en met het vierde lid berekende inactieven wordt afgerond op hele
getallen.
7.Het bedrag dat het college op grond
van dit artikel in 2009 mag besteden aan de kosten, bedoeld in artikel
11a, eerste lid, wordt in mindering gebracht op het bedrag dat het
college op grond van dat artikel in 2010 mag besteden aan de kosten,
bedoeld in dat lid.
8.Het verzoek, bedoeld in het eerste
lid, wordt door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
ontvangen voor 15 april 2009.
Artikel 11c. Vervaldatum
Dit hoofdstuk alsmede de definities
van«inactieve» en van «startkwalificatie» in artikel 1vervallen
met ingang van 1 januari 2015.
Hoofdstuk 3. Overige bepalingen
Artikel 12. Reserveringsregeling
1. Indien in een kalenderjaar het
participatiebudget niet volledig is besteed aan
participatievoorzieningen, kan het college het niet bestede bedrag tot
maximaal 25% van het voor dat jaar toegekende participatiebudget
reserveren voor besteding aan participatievoorzieningen in het
daaropvolgende kalenderjaar.
2. Indien in een kalenderjaar meer dan
het participatiebudget is besteed aan participatievoorzieningen, kan
het college het meer bestede bedrag tot maximaal 25% van het voor dat
jaar toegekende participatiebudget ten laste brengen van het
participatiebudget voor het daaropvolgende kalenderjaar.
3. Voor het jaar 2009 bedragen de in
het eerste en tweede lid genoemde percentages voor een college als
bedoeld in artikel 13 van de wet 31,25.
Artikel 13. Betaling
Iedere maand wordt op of omstreeks de
vijftiende dag van die maand een twaalfde deel van het voor dat
kalenderjaar vastgestelde participatiebudget betaald.
Hoofdstuk 4. Wijziging van andere
besluiten
Artikel 14. Wijziging van het Besluit WWB
2007
[Wijzigt het Besluit WWB 2007]
Artikel 15. Wijziging van het
Uitvoeringsbesluit WEB
[Wijzigt het Uitvoeringsbesluit WEB]
Artikel 16. Wijziging van het Besluit
brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid
[Wijzigt het Besluit brede doeluitkering
sociaal, integratie en veiligheid]
Artikel 17. Wijziging van het Besluit
inburgering
[Wijzigt het Besluit inburgering]
Hoofdstuk 5. Slotbepalingen
Artikel 18. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang
van 1 januari 2009.
Artikel 19. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit
participatiebudget.
Lasten en
bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in
het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 29 december 2008
BEATRIX
De Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J. Klijnsma
De Minister voor Wonen, Wijken en
Integratie,
E.E. van der Laan
De Staatssecretaris van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap,
J.M. van Bijsterveldt-Vliegenthart
Uitgegeven de dertigste
december 2008
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
Bijlage 1, behorende bij artikel 2 van
het Besluit participatiebudget
Verdeling van het bedrag dat
beschikbaar is gesteld door Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid voor een participatiebudget voor alle colleges
Verdeelmodel
De verdeling van het bedrag voor een
participatiebudget voor alle colleges dat wordt ingebracht door Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) bestaat uit een
aantal stappen. De belangrijkste stap wordt gevormd door het model
waarmee voor gemeenten het gewicht Ow (zie artikel 2) wordt bepaald op
basis waarvan een steeds groter deel van de beschikbare bijdrage van
Onze Minister van SZW aan het participatiebudget naar rato over de
gemeenten wordt verdeeld.
De gewichten worden bepaald op basis
van vier verdeelmaatstaven die elk een eigen parameter hebben.
Verdeelmaatstaven en parameters zijn zodanig bepaald dat zij in grote
mate aansluiten bij de behoefte aan re-integratiemiddelen.
A. Verdeelmaatstaven
Het schema geeft de verdeelmaatstaven
weer en de bron waaraan deze worden ontleend.
|
Verdeelmaatstaf |
|
Bron |
|
1. |
Aantal bijstandsontvangers |
CBS |
|
2. |
Aantal WW-ontvangers |
CBS |
|
3. |
Omvang beroepsbevolking |
CBS |
|
4. |
Kwalitatieve discrepantie
laaggeschoolde arbeid |
CBS |
Definitie verdeelmaatstaven:
Aantal bijstandsontvangers: aantal
huishoudens dat in het peiljaar op enig moment een uitkering op grond
van de Wet werk en bijstand (WWB) ontvangt en jonger is dan 65 jaar of
een uitkering of inkomensvoorziening ontvangt op grond van de Wet
investeren in jongeren (WIJ), de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen (IOAZ) of het Besluit bijstandverlening zelfstandigen
2004 (Bbz 2004). Eén huishouden telt hooguit één keer mee.
Huishoudens die in de loop van het meetjaar een tussentijdse
onderbreking van de WWB-uitkering hebben zijn dus één huishouden.
Huishoudens die in de loop van het meetjaar verhuizen van gemeente A
naar gemeente B en in beide gemeenten een uitkering hebben ontvangen,
tellen voor beide gemeenten mee naar rato van het aantal ingeschreven
maanden van de aanvrager volgens de gemeentelijke basisadministratie (GBA).
Aanvragers die niet ingeschreven zijn in de GBA van een Nederlandse
gemeente tellen niet mee.
Aantal WW-ontvangers:het aantal
personen dat in het peiljaar op enig moment een uitkering op grond van
de Werkloosheidswet (WW) ontvangt. Ook nu weer geldt: een persoon telt
hooguit één keer mee. Personen die in de loop van het meetjaar zowel
een WW-uitkering als een WWB-uitkering hebben ontvangen, worden
gerekend tot de groep bijstandsontvangers, en zijn dus uitgesloten van
de categorie WW-uitkeringen. Personen die in de loop van het meetjaar
verhuizen van gemeente A naar gemeente B en in beide gemeenten een
WW-uitkering hebben ontvangen, tellen voor beide gemeenten mee naar
rato van het aantal ingeschreven maanden van de persoon volgens de GBA.
Personen die niet zijn ingeschreven in de GBA van een Nederlandse
gemeente tellen niet mee.
Omvang beroepsbevolking: alle personen
tussen 15 en 65 jaar die meer dan 12 uur per week werken of willen
werken. Bij deze variabele wordt gerekend met een driejaarsgemiddelde.
Kwalitatieve discrepantie
laaggeschoolde arbeid: de omvang van de laaggeschoolde
beroepsbevolking minus de omvang van de laaggeschoolde werkzame
beroepsbevolking. Bij deze variabele wordt gerekend met een
driejaarsgemiddelde.
De maatstaven zijn alle afkomstig van
bestanden, die bij het Centraal bureau voor de statistiek (CBS) in
beheer zijn. De verdeelkenmerken aantal WW- en bijstandsontvangers
worden door het CBS berekend. De verdeelkenmerken omvang
beroepsbevolking en kwalitatieve discrepantie laaggeschoolde arbeid
zijn afkomstig uit de Enquête beroepsbevolking (EBB), en worden door
het CBS voor gemeenten met meer dan 10.000 inwoners op Statline
gepubliceerd. Voor gemeenten met minder dan 10.000 inwoners levert het
CBS de betreffende gegevens aan SZW.
B. Gewichten
Berekeningswijze voor gemeenten met
minder dan 30.000 inwoners
Omdat er bij kleine gemeenten forse
uitschieters kunnen optreden, wordt voor gemeenten met minder dan
30.000 inwoners het gewicht mede bepaald op basis van de gewichten van
gemeenten in het COROP-gebied (de indeling in COROP-gebieden is aan
het begin van de jaren zeventig opgesteld door de toenmalige
Coördinatiecommissie Regionaal Onderzoeks Programma voor de
beschikbaarstelling van statistische gegevens ten behoeve van het
regionaal economisch beleid).
Voor het bepalen van het aantal
gemeenten met minder dan 30.000 inwoners is de situatie op 1 januari
van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor het college het deel
van het participatiebudget ontvangt bepalend.
De volgende twee stappen worden
onderscheiden in het bepalen van het gewicht Ow dat een gemeente met
minder dan 30.000 inwoners krijgt:
1. bepaal gemeenten met minder dan
30.000 inwoners;
2. bereken de gewichten conform het
model voor deze gemeenten:
a. Voor COROP-gebieden met meer
dan één gemeente met minder dan 30.000 inwoners wordt het
gewicht van alle gemeenten met minder dan 30.000 inwoners
gezamenlijk bepaald, en wordt dit gewicht vervolgens verdeeld
over de betrokken gemeenten naar rato van het aantal
bijstandsontvangers.
b. Voor COROP-gebieden met maar
één gemeente met minder dan 30.000 inwoners wordt het
gewicht van alle gemeenten uit het COROP-gebied gezamenlijk
bepaald, en wordt het gewicht van die ene gemeente met minder
dan 30.000 inwoners bepaald naar rato van het aantal
bijstandsontvangers van deze gemeente ten opzichte van het
COROP-gebied. Het gewicht van de gemeenten met meer dan 30.000
inwoners wordt naar rato van hun gewicht gecorrigeerd voor het
verschil tussen het via het model berekende gewicht van de
gemeente met minder dan 30.000 inwoners en het gewicht dat op
deze wijze is berekend.
Overgang van historische kosten naar
verdeelmodel
Voor de verdeling van het bedrag dat
beschikbaar is gesteld door Onze Minister van SZW wordt voor de jaren
2009 en 2010 een overgangsregeling gehanteerd. Het aandeel van een
gemeente in het beschikbare deel van het macrobudget dat afkomstig is
van Onze Minister van SZW wordt bepaald door een combinatie van het
historische budgetaandeel in 2003 in de totale subsidie die in dat
jaar op grond van artikel 18 van de Wet inschakeling werkzoekenden (WIW)
en artikel 13, eerste tot en met derde lid, van het Besluit in- en
doorstroombanen (ID) beschikbaar was (KW / TKW) en het verdeelmodel.
Het deel van het participatiebudget dat een college ontvangt uit het
totale bedrag dat beschikbaar is gesteld door Onze Minister van SZW
voor een participatiebudget voor alle colleges wordt berekend op grond
van de formule (zie artikel 2 voor een toelichting):
(a × (OW / OTW) + (1–a) × (KW / TKW))
× TBW
Het totale gemeentelijke werkbudget
2003 bestond uit vijf verschillende budgetten:
1. WIW-normbudget;
2. WIW-declaratiedeel
dienstbetrekkingen;
3. WIW-declaratiedeel
werkervaringsplaatsen;
4. WIW Scholings- &
Activeringsbudget;
5. ID-budget.
Het aandeel voor een gemeente in 2003
wordt bepaald door de som van deze budgetten voor de gemeente gedeeld
door het in 2003 beschikbare macrobudget. Voor de budgetten 1, 4 en 5
komt dit neer op het optellen van de toegekende budgetten (voor de
budgetten 1 en 4 wordt gerekend met de toegekende budgetten na de
vaststelling van de loon- en prijsbijstelling 2003).
Voor de budgetten 2 en 3 wordt een
systematiek gehanteerd welke het macro beschikbare declaratiebudget
toedeelt aan gemeenten. Dit gebeurt als volgt.
Toedeling declaratiedeel
WIW-dienstbetrekkingen:
Het budgetaandeel per gemeente wordt
als volgt berekend. Eerst wordt het quotiënt bepaald van het
gemiddeld aantal gerealiseerde WIW-dienstbetrekkingen van de gemeente
in het jaar 2002 ten opzichte van het gemiddeld aantal landelijk
gerealiseerde WIW-dienstbetrekkingen in het jaar 2002 (gemiddelde
stand over dat jaar op basis van de statistische bijlage bij de
kwartaaldeclaraties). Het toe te rekenen budget voor het
declaratiedeel dienstbetrekkingen is vervolgens gelijk aan dit
quotiënt vermenigvuldigd met het voor het jaar 2003 beschikbare
macrobudget declaratiedeel WIW-dienstbetrekkingen.
Toedeling declaratiedeel
WIW-werkervaringsplaatsen:
Het budgetaandeel per gemeente wordt
als volgt berekend. Eerst wordt het quotiënt bepaald van het
gemiddeld aantal gerealiseerde WIW-werkervaringsplaatsen van de
gemeente in het jaar 2002 ten opzichte van het gemiddeld aantal
landelijk gerealiseerde WIW-werkervaringsplaatsen in het jaar 2002
(gemiddelde stand over dat jaar op basis van de statistische bijlage
bij de kwartaaldeclaraties). Het toe te rekenen budget voor het
declaratiedeel werkervaringsplaatsen is vervolgens gelijk aan dit
quotiënt vermenigvuldigd met het voor het jaar 2003 beschikbare
macrobudget declaratiedeel WIW-werkervaringsplaatsen.
Beide op bovenstaande wijze berekende
budgetaandelen zijn opgeteld bij de overige deelbudgetten om het
totale budget van een gemeente in 2003 te berekenen.
Het gewicht van de historische kosten
wordt geleidelijk aan minder, conform onderstaande tabel. Vanaf 2011
zal de verdeling van het bedrag dat beschikbaar is gesteld door Onze
Minister van SZW voor 100% worden bepaald door het verdeelmodel.
|
Jaar |
Gewicht
historische kosten (= 1–a in artikel 2) |
Gewicht
verdeelmodel (= a in artikel 2) |
|
2005 |
100% |
0% |
|
2006 |
83% |
17% |
|
2007 |
67% |
33% |
|
2008 |
50% |
50% |
|
2009 |
33% |
67% |
|
2010 |
17% |
83% |
|
2011 |
0% |
100% |
Bijlage 2, behorende bij de artikelen 4
en 5 van het Besluit participatiebudget
Lijst ontwikkelde landen bij
doelgroepen educatie
Deze lijst bevat de (eventueel
voormalige) landen die géén doelgroepland zijn voor de definitie van
allochtoon. Alle andere landen zijn doelgroepland. Daaronder vallen
ook (eventueel voormalige) overzeese gebiedsdelen als Suriname en
Aruba, Curaçao, Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba en de EU-landen Griekenland, Italië, Portugal en
Spanje.
Australië
België
Canada
Denemarken
Duitsland
Faeröer, de
Finland
Frankrijk
Groenland
Groot-Brittannië
Ierland
IJsland
Israël
Japan
Kaiser Wilhelmsland
Kanaaleilanden
Liechtenstein
Luxemburg
Man
Monaco
Nederland (exclusief overzeese
gebiedsdelen)
Nederlands Indië
Nederlands Nieuw Guinea
New Foundland
Nieuw-Zeeland
Noorwegen
Norfolk
Oostenrijk
Oostenrijk-Hongarije
Palestina
Saarland
Verenigde Staten
Zweden
Zwitserland
|