| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet tegemoetkoming
chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg)
BESLUIT
TEGEMOETKOMING CHRONISCH ZIEKEN EN GEHANDICAPTEN
Tekst zoals deze geldt op
22 januari 2012
|
|
|
BESLUIT van 29 december 2008, houdende regels inzake
de tegemoetkomingen voor chronisch zieken en gehandicapten (Besluit
tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de
voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
van 5 december 2008, kenmerk DWJZ/SWW-2898267, gedaan mede namens Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van
Financiën;
Gelet op de artikelen 2, eerste lid, 5, derde
lid, 10, derde lid en 11, tweede lid, van de Wet tegemoetkoming
chronisch zieken en gehandicapten, artikel 6, derde lid, van de Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten, artikel 15, derde lid, van de Wet
maatschappelijke ondersteuning, artikel 6.1, vierde lid, van de Wet
inkomstenbelasting 2001 en artikel 34 van de Wet op de loonbelasting
1964;
De Raad van State gehoord (advies van 18
december 2008, nr. W13.08.0534/I);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 23 december
2008, kenmerk DWJZ/SWW-2903248, uitgebracht mede namens Onze Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van
Financiën;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Definities en algemene bepalingen
Artikel 1
Voor de toepassing van de artikelen 2 tot en met 5 en de daarop
berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. de wet: de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en
gehandicapten;
b. chronische groep: een voor de verzekerde vergoede ATC of DBC,
of een combinatie van een vergoede ATC en DBC die gebruikt wordt bij
de behandeling van een specifieke chronische aandoening;
c. ATC: farmaceutische zorg die wordt geregistreerd met een ATC (Anatomical
Therapeutic Chemical Classification) als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel j, van de Regeling zorgverzekering;
d. DBC: diagnosebehandelingcombinatie als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel m, van de Regeling zorgverzekering;
e. indicatiebesluit: een besluit als bedoeld in artikel 1,
onderdeel d, van het Zorgindicatiebesluit dan wel een besluit als
bedoeld in artikel 9b, vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten, genomen door een aldaar bedoelde stichting;
f. zorgverzekeraar: een zorgverzekeraar als bedoeld in artikel 1,
onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet;
g. militair: een militair ambtenaar in werkelijke dienst als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, juncto onderdeel b,
van de Militaire ambtenarenwet 1931, dan wel een militair aan wie
buitengewoon verlof met behoud van militaire inkomsten is verleend.
Artikel 1a [Vervallen per 17-11-2010]
Hoofdstuk 2. Tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten
Artikel 2
1. De tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet,
bedraagt € 306 indien de rechthebbende in het kalenderjaar waarop de
tegemoetkoming betrekking heeft, jonger was dan 65 jaar of 65 jaar is
geworden, onderscheidenlijk € 153 indien de rechthebbende in het
gehele jaar 65 jaar of ouder was, de rechthebbende niet is overleden
in het kalenderjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft, en:
a. in dat jaar één of meer ATC’s of in het jaar
voorafgaande aan dat jaar één of meer DBC’s vergoed kreeg die
behoren tot een bij ministeriële regeling aangewezen chronische
groep die recht geeft op een lage tegemoetkoming;
b. in dat jaar één of meer ATC’s of in het jaar
voorafgaande aan dat jaar één of meer DBC’s vergoed kreeg die
behoren tot twee of meer bij ministeriële regeling aangewezen
chronische groepen die afzonderlijk geen recht geven op een
tegemoetkoming;
c. in dat jaar een ATC of in het jaar voorafgaande aan dat jaar
een DBC vergoed kreeg die behoort of die tezamen behoren tot een
bij ministeriële regeling aangewezen chronische groep die geen
recht geeft op een tegemoetkoming en daarnaast voor rekening van
zijn zorgverzekeraar een bij ministeriële regeling aangewezen
hulpmiddel in een bij die regeling te bepalen periode heeft
verkregen of heeft laten repareren;
d. op 31 december van dat jaar heeft beschikt over een
indicatie voor het gedurende dat jaar gebruiken van een rolstoel
op grond van artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de Wet
maatschappelijke ondersteuning;
e. in het jaar voorafgaande aan dat jaar van zijn
zorgverzekeraar geneeskundige zorg gericht op revalidatie in een
bij ministeriële regeling aangewezen instelling, vergoed heeft
gekregen;
f. in dat jaar:
1°. van zijn zorgverzekeraar fysiotherapie of
oefentherapie als bedoeld in artikel 2.6, tweede lid, van het
Besluit zorgverzekering vergoed heeft gekregen, of
2°. jonger was dan 18 jaar en in dat jaar en het daaraan
voorafgaande jaar van zijn zorgverzekeraar een bij
ministeriële regeling te bepalen bedrag, gelijk aan het
gemiddelde bedrag aan kosten voor een bij die regeling te
bepalen aantal behandelingen fysiotherapie of oefentherapie,
vergoed heeft gekregen, of
3°. militair was en in dat jaar en het daaraan
voorafgaande jaar van de rechtspersoon, bedoeld in artikel
90a, eerste lid, van het Algemeen militair
ambtenarenreglement, een bij ministeriële regeling te bepalen
bedrag, gelijk aan het gemiddelde bedrag aan kosten voor een
bij die regeling te bepalen aantal behandelingen fysiotherapie
of oefentherapie, vergoed heeft gekregen;
g. in dat jaar al dan niet aaneengesloten 26 weken of meer op
grond van een indicatiebesluit was aangewezen op één tot tien
uren per week zorg als bedoeld in de artikelen 4, 5 of 6 van het
Besluit zorgaanspraken AWBZ, met dien verstande dat:
1°. de indicatie voor één dagdeel zorg geldt als 2,5
uren zorg per week,
2°. het gemiddelde aantal uren waarvoor de indicaties zijn
afgegeven, bepalend is voor het toekennen van de
tegemoetkoming;
h. in dat jaar al dan niet aaneengesloten 26 weken of meer
gedurende één tot tien uren per week in natura huishoudelijke
verzorging als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van
de Wet maatschappelijke ondersteuning heeft ontvangen of daartoe
op grond van een indicatiebesluit was aangewezen en een
persoonsgebonden budget heeft ontvangen, met dien verstande dat
voor het vaststellen van de periode van 26 weken wordt aangesloten
bij de indeling in weken als bedoeld in artikel 4.1, derde lid,
van het Besluit maatschappelijke ondersteuning, of
i. in dat jaar al dan niet aaneengesloten 26 weken of meer op
grond van een indicatiebesluit was aangewezen op één of meer
etmalen per week zorg als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid,
of 13, eerste en tweede lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ.
2. De tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet
bedraagt€ 510 indien de rechthebbende in het kalenderjaar waarop de
tegemoetkoming betrekking heeft, jonger was dan 65 jaar of 65 jaar is
geworden, onderscheidenlijk € 357 indien de rechthebbende in het
gehele jaar 65 jaar of ouder was, de rechthebbende niet is overleden
in het kalenderjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft, en de
rechthebbende in dat jaar:
a. een of meer ATC’s of in het jaar voorafgaande aan dat jaar
een of meer DBC’s vergoed kreeg die behoren tot:
1°. één of meer bij ministeriële regeling aangewezen
chronische groepen die recht geven op een hoge tegemoetkoming,
of
2°. twee of meer bij ministeriële regeling aangewezen
chronische groepen die recht geven op een lage tegemoetkoming;
b. al dan niet aaneengesloten 26 weken of meer op grond van een
indicatiebesluit was aangewezen op tien of meer uren per week zorg
als bedoeld in de artikelen 4, 5 of 6 van het Besluit
zorgaanspraken AWBZ, met dien verstande dat:
1°. de indicatie voor één dagdeel zorg geldt als 2,5
uren zorg per week,
2°. het gemiddelde aantal uren waarvoor de indicaties zijn
afgegeven, bepalend is voor het toekennen van de
tegemoetkoming;
c. al dan niet aaneengesloten 26 weken of meer gedurende tien
of meer uren per week in natura huishoudelijke verzorging als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Wet
maatschappelijke ondersteuning heeft ontvangen of daartoe op grond
van een indicatiebesluit was aangewezen en een persoonsgebonden
budget heeft ontvangen, met dien verstande dat voor het
vaststellen van de periode van 26 weken wordt aangesloten bij de
indeling in weken als bedoeld in artikel 4.1, derde lid, van het
Besluit maatschappelijke ondersteuning, of
d. viel onder twee of meer van de categorieën, genoemd in het
eerste lid, met uitzondering van de volgende in het eerste lid
bedoelde categorieën:
1°. een combinatie van de categorie, genoemd in onderdeel
c en van de categorieën, genoemd in de onderdelen a en b;
2°. een combinatie van de categorieën, genoemd in de
onderdelen g en h.
3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen g en i, en het
tweede lid, onderdelen b en c, is voor militairen het aantal uren,
dagdelen of etmalen waarvoor zorg als bedoeld in de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten is gebruikt, bepalend voor het toekennen van
de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet.
4. Het gemiddelde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, en het
tweede lid, onderdeel b, wordt bepaald door op een decimaal achter de
komma naar boven af te ronden.
5. Een rechthebbende op wie het tweede lid, onderdeel a, onder 2°,
of onderdeel d, van toepassing is, heeft slechts recht op een
tegemoetkoming als bedoeld in de aanhef van dat lid.
6. Een rechthebbende op wie het eerste lid, onderdeel i, van
toepassing is, heeft in afwijking van het tweede lid, slechts recht op
een tegemoetkoming als bedoeld in de aanhef van het eerste lid.
7. Het eerste lid, onderdelen g en i, het tweede lid, onderdelen b
en d, en het zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de
indicatiebesluiten afgegeven door de stichting bedoeld in artikel 9b,
vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten die met ingang
van 1 januari 2010 zijn afgegeven dan wel op die datum geldig zijn.
Artikel 2a [Vervallen per 17-11-2010]
Artikel 3
1. Zorgverzekeraars en de rechtspersoon, bedoeld in artikel 90a,
eerste lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement, verstrekken
van rechthebbenden die vallen onder de categorieën, genoemd in
artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met c, e en f, aan het CAK:
a. het burgerservicenummer of bij ontbreken daarvan het
sociaal-fiscaalnummer,
b. het rekeningnummer,
c. de geboortedatum,
d. indien de rechthebbende is overleden, de datum van het
overlijden,
e. de naam en het adres van de rechthebbende, en
f. indien dat het geval is: dat een rechthebbende op grond van
artikel 2, tweede lid, onderdelen a en d, recht heeft op de daar
bedoelde tegemoetkoming.
2. Zorgverzekeraars verstrekken aan het CAK een overzicht van
verzekerden als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de
Zorgverzekeringswet die verzekerd waren op 31 december van het jaar
waarop de tegemoetkoming betrekking heeft.
3. Indicatieorganen als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de rechtspersoon, bedoeld in
artikel 90a, eerste lid, van het Algemeen militair
ambtenarenreglement, verstrekken aan het CAK van personen die vallen
onder artikel 2, eerste lid, onderdelen g of i, of artikel 2, tweede
lid, onderdeel b:
a. het burgerservicenummer of bij het ontbreken daarvan het
sociaal-fiscaalnummer,
b. de naam en het adres van de rechthebbende,
c. de geboortedatum, en
d. indien dat het geval is: de mededeling dat de persoon valt
in de categorieën, genoemd in artikel 2, eerste lid, onderdeel i,
of het tweede lid.
4. Gemeenten verstrekken aan het CAK van personen die vallen onder
artikel 2, eerste lid, onderdeel d:
a. het burgerservicenummer of bij het ontbreken daarvan het
sociaal fiscaal nummer,
b. naam en adres van de rechthebbende, en
c. de geboortedatum.
5. Gemeenten verstrekken aan het CAK van personen die in de zin van
artikel 2, eerste lid, onderdeel h, of artikel 2, tweede lid,
onderdeel c, een persoonsgebondenbudget voor huishoudelijke verzorging
ontvangen:
a. het burgerservicenummer of bij het ontbreken daarvan het
sociaal-fiscaalnummer,
b. de naam en het adres van de rechthebbende,
c. de geboortedatum,
d. de datum waarop en de duur waarvoor de indicatie is gegeven,
en
e. het gemiddelde aantal etmalen, dagdelen en uren waarvoor de
indicatie is gegeven.
6. Stichtingen als bedoeld in artikel 9b, vierde lid, van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten verstrekken aan de
indicatieorganen, bedoeld in het derde lid, van personen die zij voor
zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten hebben
geïndiceerd:
a. het burgerservicenummer of bij het ontbreken daarvan het
sociaal-fiscaalnummer,
b. de naam en het adres van de rechthebbende,
c. de geboortedatum,
d. de soort en omvang van de geïndiceerde zorg, en
e. de ingangs- en einddatum per geïndiceerde functie.
7. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale
verzekeringsbank, bedoeld in artikel 1, onderdelen c en d, van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, verstrekken aan het
CAK de rekeningnummers van rechthebbenden die vallen onder artikel 2,
eerste lid, onderdeel i, met uitzondering van die van militairen.
Hoofdstuk 3. Tegemoetkoming voor arbeidsongeschikten
Artikel 4
1. Recht op de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 10 van de wet,
heeft:
a. de persoon, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet
die op 1 juli van het kalenderjaar recht heeft op:
1°. een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering bij een
arbeidsongeschiktheid van 35% of meer,
2° .een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
hoofdstuk 6 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen,
3°. een werkhervattingsuitkering gedeeltelijk
arbeidsgeschikten op grond van hoofdstuk 7 van de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen, of
4°. een uitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen bij een
arbeidsongeschiktheid van 35% of meer;
b. de persoon die op 1 juli van het kalenderjaar recht heeft op
een arbeidsongeschiktheidsuitkering naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 35% of meer of op arbeidsondersteuning
op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten.
2. De persoon, bedoeld in het eerste lid, ontvangt per kalenderjaar
een tegemoetkoming van € 342.
3. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verstrekt de
tegemoetkoming ambtshalve in het derde kwartaal van het kalenderjaar.
Hoofdstuk 4. Algemene bepalingen over tegemoetkomingen
Artikel 5
De bedragen, genoemd in de artikelen 2 en 4, worden bij het begin van
het kalenderjaar bij ministeriële regeling vervangen door andere
bedragen. Deze bedragen worden berekend door de te vervangen bedragen te
vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor, bedoeld in artikel 10.2
van de Wet inkomstenbelasting 2001, en de uitkomst vervolgens naar boven
af te ronden op hele getallen.
Hoofdstuk 5. Korting op eigen bijdragen op grond van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten en de Wet maatschappelijke ondersteuning
Artikel 6
[Wijzigt het Bijdragebesluit zorg]
Artikel 7
[Wijzigt het Besluit maatschappelijke ondersteuning]
Hoofdstuk 6. Wijzigingen in fiscale regelgeving
Artikel 8
[Wijzigt het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001]
Artikel 9
[Wijzigt het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965]
Hoofdstuk 7. Slotbepalingen
Artikel 10
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te
bepalen tijdstip waarbij voor artikelen of onderdelen daarvan
terugwerkende kracht mogelijk is tot en met 1 januari 2009 met dien
verstande dat artikel 5 eerst toepassing vindt in het jaar 2010 en dat
de korting die wordt verleend op grond van artikel 16d, vijfde lid, van
het Bijdragebesluit zorg en artikel 4.1, vierde lid, van het Besluit
maatschappelijke ondersteuning zoals deze komen te luiden na
inwerkingtreding van dit besluit voor het jaar 2009 in een keer wordt
uitgekeerd in het tweede kwartaal van het jaar 2010.
Artikel 11
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit tegemoetkoming chronisch
zieken en gehandicapten.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal
worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 29 december 2008
BEATRIX
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en
Sport,
J. Bussemaker
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner
De Staatssecretaris van Financiën,
J.C. de Jager
Uitgegeven de dertigste december 2008
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
|
|
|