| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wet wegvervoer
goederen
REGELING
WEGVERVOER GOEDEREN
Tekst zoals deze geldt op
26 januari 2012
|
|
|
REGELING tot uitvoering van de Wet wegvervoer goederen (Regeling
wegvervoer goederen)
De Minister van Verkeer en Waterstaat;
Gelet op de artikelen 1.1, 2.1, derde lid,
onderdeel a en b, 2.2, 2.3, vierde en zevende lid, 2.6,
2.8, vierde lid, 2.11, derde en vierde lid, 2.13, tweede lid, onderdeel b,
en derde lid, 4.1, tweede lid, en 4.3, tweede lid, van de Wet wegvervoer
goederen;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder wet: Wet wegvervoer goederen.
Artikel 2
1.Als beroepsrichtlijn voor het wegvervoer wordt aangewezen:
richtlijn 96/26/EG van de raad van 29 april 1996 inzake de toegang tot
het beroep van ondernemer van goederen-, respectievelijk
personenvervoer over de weg, nationaal en internationaal, en inzake de
wederzijdse erkenning van diploma’s, certificaten en andere titels
ter vergemakkelijking van de uitoefening van het recht van vrije
vestiging van bedoelde vervoerondernemer (PbEG L 124).
2.Als cabotageverordening voor het wegvervoer wordt aangewezen
verordening (EEG) nr. 3118/93 van de Raad van Europese Gemeenschappen
van 25 oktober 1993 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder
vervoerders worden toegelaten tot het binnenlands goederenvervoer over
de weg in een lidstaat waarin zij niet gevestigd zijn (PbEG L 279).
3.Als marktverordening voor het wegvervoer wordt aangewezen
verordening (EEG) nr. 881/92 van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 26 maart 1992 betreffende de toegang tot de markt
van het goederenvervoer over de weg in de Gemeenschap van of naar het
grondgebied van een Lidstaat of over het grondgebied van een of meer
lidstaten (PbEG L 95).
4.Als vrijstellingsrichtlijn voor het wegvervoer wordt aangewezen
richtlijn nr. 2006/94/EG van het Europees parlement en de Raad van 12
december 2006 betreffende de vaststelling van gemeenschappelijke
regels voor bepaalde soorten goederenvervoer (PbEU L 374).
Hoofdstuk 2. Toegang tot de markt
Artikel 3
Als vervoer, bedoeld in artikel 2.1, derde lid, onder a, van de wet,
wordt aangewezen:
a. vervoer bij de verwijdering van huishoudelijke afvalstoffen
die vrijkomen uit percelen waar zodanige stoffen geregeld in
particuliere huishoudens ontstaan;
b. vervoer bij de verwijdering van afvalstoffen die vrijkomen bij
de uitvoering van reinigingswerken welke door, of in opdracht van,
gemeentelijke diensten worden verricht;
c. vervoer van beer, kolkafval, spoel- en sproeiwater voor het
reinigen van de openbare weg, en zand en chemicaliën voor de
bestrijding van gladheid van wegen en destructiemateriaal als
bedoeld in artikel 2 van de Destructiewet, voor zover dit vervoer
geschiedt met in het bijzonder voor deze doelen ingerichte of
uitgeruste vrachtauto's;
d. vervoer van landbouwproducten of goederen, te gebruiken bij
het verrichten van landbouwwerkzaamheden, met een landbouwtrekker
als bedoeld in afdeling 5.8 van de Regeling voertuigen, alsmede de
daardoor voortbewogen aanhangwagens, mits het betreft eigen vervoer
verricht door een landbouwer ten dienste van zijn landbouwbedrijf,
dan wel vervoer dat plaatsvindt rechtstreeks ten behoeve van een
landbouwbedrijf en onmiddellijk vooraf gaat aan of volgt op, alsmede
in direct verband staat met de uitvoering van landbouwwerkzaamheden;
e. vervoer van kranten, tijdschriften, reclamedrukwerken,
verricht in een distributie- of verspreidbedrijf, mits dit bedrijf
de beschikking heeft over niet meer dan één vrachtauto of over
twee vrachtauto's, mits één daarvan een aanhangwagen is, en
waarbij geldt dat het ledig gewicht, vermeerderd met het
laadvermogen, van de vrachtauto, dan wel van de beide vrachtauto's
gezamenlijk, niet meer bedraagt dan 3500 kg;
f. vervoer binnen Nederland of naar Nederland van voertuigen met
toebehoren die tengevolge van een defect van het voertuig, ongeval
of uitvallen van de bestuurder hun bestemming niet zonder hulp
kunnen bereiken, alsmede vervoer binnen Nederland van in beslag
genomen voertuigen, voor zover verricht met daartoe speciaal
ingerichte vrachtauto's met een maximum laadvermogen van 3500 kg, en
overeenkomstige aanhangwagens met een maximum laadvermogen van 1500
kg, in opdracht van organisaties, die zich krachtens polis- of
lidmaatschapsvoorwaarden jegens verzekerden, dan wel leden hebben
verbonden tot hulpverlening in vorengenoemde omstandigheden, dan wel
in opdracht van Nederlandse overheidsinstanties.
g. vervoer binnen Nederland van betonmortelspecie met daartoe
speciaal ingerichte vrachtauto's van de betonmortelfabriek naar in
aanbouw zijnde bouwobjecten.
Artikel 4
Cabotage als bedoeld in de cabotageverordening voor het wegvervoer is
niet toegestaan voor vervoer door een in Nederland gevestigde ondernemer
binnen Bulgarije en Roemenië, alsmede binnen Nederland door een in
Bulgarije of Roemenië gevestigde ondernemer.
Hoofdstuk 3. Toegang tot het beroep
Artikel 5
1.Aan de eis van vakbekwaamheid wordt voldaan door degene die een
getuigschrift overlegt, dat is afgegeven door de Stichting
Examenbureau Beroepsvervoer (SEB), waarbij ten minste de kennis is
vastgesteld van de onderwerpen en het opleidingsniveau van bijlage I
van de beroepsrichtlijn voor het wegvervoer en die overeenkomstig die
bijlage zijn georganiseerd.
2.Aan de eis van vakbekwaamheid wordt tevens voldaan door degene
die een verklaring van vakbekwaamheid overlegt die op grond van
artikel 3, vierde lid, van de beroepsrichtlijn voor het wegvervoer
door een andere lidstaat, door een andere staat die partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of door
Zwitserland is afgegeven.
Artikel 6
1.Ter voldoening aan de eis van financiële draagkracht beschikt de
vervoerder aan kapitaal en reserves over een bedrag van € 9000
wanneer slechts één voertuig wordt gebruikt en € 5000 voor ieder
volgend voertuig.
2.Ten aanzien van een beginnende vervoerondernemer wordt als
kapitaal en reserves aangemerkt het beschikbare risicodragend
vermogen, bestaande uit het eigen vermogen, vermeerderd met een
belegging in durfkapitaal, zoals geregeld bij of krachtens de
artikelen 5.17 en 5.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
3.Ingeval van verlenging van de vergunning wordt als kapitaal en
reserves aangemerkt het beschikbare risicodragend vermogen, bestaande
uit het eigen vermogen, vermeerderd met een ten opzichte van alle
andere schulden achtergestelde lening.
4.De vervoerder toont tegenover de NIWO zijn financiële
draagkracht aan door het overleggen van een balans en een toelichting
daarop, voorzien van een verklaring, inhoudende dat de waardering van
het beschikbare risicodragend vermogen is geschied volgens normen die
in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd, en
dat dit vermogen voldoet aan de in het eerste lid gestelde eisen.
5.Indien de vervoerder een rechtspersoon is, die op grond van titel
9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek verplicht is om een
jaarrekening op te maken, kan hij volstaan met het overleggen van zijn
jaarrekening over het voorafgaande kalenderjaar, voorzien van een
verklaring waaruit blijkt dat het beschikbare risicodragend vermogen
voldoet aan de in het eerste lid gestelde eisen.
6.De verklaringen, bedoeld in het vierde en vijfde lid, zijn
afgegeven door een registeraccountant of een
Accountant-Administratieconsulent als bedoeld in artikel 393 van Boek
2 van het Burgerlijk Wetboek.
7.In afwijking van het zesde lid kunnen ingeval van verlenging van
een vergunning de verklaringen ook zijn afgegeven door een
belastingdeskundige, aangesloten bij een door de NIWO daartoe
aangewezen instelling.
8.Omtrent het voldoen aan de eis van financiële draagkracht stelt
de NIWO een onderzoek in als bedoeld in artikel 3, derde lid, onder b
van de beroepsrichtlijn voor het wegvervoer.
9.De NIWO kan de vervoerder een uitstel van ten hoogste een jaar
verlenen om te voldoen aan de eis van financiële draagkracht indien
hij heeft aangetoond dat het op grond van de algemene economische
situatie van zijn vervoeronderneming waarschijnlijk is dat hij voor
afloop van het verleende uitstel zal voldoen aan de eis van
financiële draagkracht.
10.Een vervoerder, wiens land van herkomst of oorsprong een andere
lidstaat, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland is, voldoet
aan de eis van financiële draagkracht, indien een verklaring
overgelegd wordt die overeenkomstig artikel 9 van de beroepsrichtlijn
voor het wegvervoer in die andere staat is afgegeven en die niet ouder
is dan drie maanden.
Hoofdstuk 4. CEMT-vergunningen en ritmachtigingen
Artikel 7
Aanvragen om een CEMT-vergunning, geldig voor het volgende
kalenderjaar, worden vóór een door de NIWO te bepalen datum bij de
NIWO ingediend; aanvragen om een CEMT-vergunning voor het lopende
kalenderjaar kunnen gedurende dat jaar bij de NIWO worden ingediend.
Artikel 8
1.De houder van een CEMT-vergunning houdt het daarbij behorende
rittenboekje bij.
2.De NIWO reikt aan de houder van een CEMT-vergunning op zijn
verzoek de nodige rittenboekjes uit. De NIWO draagt zorg voor de
invulling van de omslag van het boekje.
3.De houder van een CEMT-vergunning maakt een verslag van het
verrichte vervoer op voor elke beladen rit, afgelegd tussen elke
plaats waar geladen of gelost wordt, alsmede voor elke ledige rit, met
inachtneming van de in het rittenboekje gegeven aanwijzingen.
4.De verslagen van het verrichte vervoer worden zodanig opgesteld,
dat de chronologische volgorde van de voor de verschillende al dan
niet beladen ritten afgelegde trajecten wordt aangehouden.
5.De houder van een CEMT-vergunning zendt de verslagen binnen twee
weken na het verstrijken van de maand waarop zij betrekking hebben,
aan de NIWO toe.
Artikel 9
1.Een ritmachtiging wordt aan de vervoerder verleend voor een
vrachtauto al dan niet met een aanhangwagen, of voor een samenstel van
een trekker en een oplegger, waarbij het trekkend voertuig in
Nederland geregistreerd is.
2.Op de ritmachtiging worden vermeld:
a. naam en adres van de houder;
b. de datum waarop op het verzoek om de ritmachtiging is
beslist;
c. de geldigheidsduur, en
d. de voorwaarden waaronder zij is verleend.
Artikel 10
Degene, die krachtens een CEMT-vergunning dan wel krachtens een
ritmachtiging grensoverschrijdend beroepsvervoer met een vrachtauto
verricht, alsmede de bestuurder van die vrachtauto zorgt ervoor dat de
geldige CEMT-vergunning en het bijbehorende rittenboekje,
onderscheidenlijk de ritmachtiging, bij de vrachtauto aanwezig zijn.
Artikel 11
1.Geen CEMT-vergunning onderscheidenlijk ritmachtiging is vereist
ten aanzien van vervoer waarvoor vrijstellingen zijn verleend
ingevolge besluiten van de Conferentie van de Europese Ministers van
Transport onderscheidenlijk bilaterale verdragen.
2.De in het eerste lid bedoelde vrijstellingen worden door de NIWO
bekend gemaakt.
Hoofdstuk 5. Dienstbetrekking
Artikel 12
Het model voor een verklaring als bedoeld in artikel 2.11, tweede
lid, van de wet wordt vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling
behorende bijlage, die ter inzage ligt ten kantore van het ministerie
van Verkeer en Waterstaat, Koningskade 4 te 's-Gravenhage.
Artikel 13
1.Van artikel 2.11, eerste lid, van de wet, wordt ontheffing
verleend indien vervoer wordt verricht met een of meer vrachtauto’s
met een laadvermogen van niet meer dan 500 kg.
2.Van artikel 2.11, eerste lid, van de wet, wordt ontheffing
verleend indien gebruik wordt gemaakt van:
a. een werknemer die voor beperkte tijd bij wijze van
hulpbetoon zonder winstoogmerk aan een vergunninghouder ter
beschikking is gesteld door een andere vergunninghouder bij wie
die werknemer in dienstbetrekking is en die ten bewijze daarvan
een verklaring van dienstbetrekking kan tonen; of
b. een werknemer die door een instelling aan een
vergunninghouder ter beschikking is gesteld en die ten bewijze
daarvan een door deze instelling afgegeven verklaring kan tonen.
Artikel 14
1.Een instelling die een werknemer aan een vergunninghouder ter
beschikking wil stellen, verkrijgt daartoe op aanvraag een aanwijzing
van de Minister van Verkeer en Waterstaat.
2.Een aanwijzing, die op het tijdstip van inwerkingtreding van de
wet reeds was verleend, wordt aangemerkt als aanwijzing als bedoeld in
het eerste lid.
Hoofdstuk 6. Vrachtbrief
Artikel 15
1.Op de vrachtbrief worden de volgende aanduidingen vermeld:
a. de naam en het adres van de afzender;
b. de naam en het adres van de vervoerder;
c. de naam en het adres van de geadresseerde;
d. de gebruikelijke aanduiding van de aard van de goederen;
e. het brutogewicht of de op andere wijze aangegeven
hoeveelheid van de goederen.
2.De vergunninghouder draagt er zorg voor dat:
a. de vrachtbrief in de vrachtauto, waarmee de goederen
vervoerd worden, aanwezig is;
b. de vrachtbrief bij het ten vervoer aannemen van de goederen
aan de afzender ten bewijze van ontvangst wordt afgegeven;
c. bij aflevering van de goederen de vrachtbrief tegelijk met
de goederen wordt afgegeven tegen aftekening voor ontvangst van
een daarvoor bestemd deel van de vrachtbrief.
3.Het tweede lid is niet van toepassing indien het beroepsvervoer
betreft waarvan de op dat vervoer betrekking hebbende
vrachtbriefgegevens gestructureerd en genormeerd via een elektronisch
systeem worden uitgewisseld.
4.Geen vrachtbrief is vereist voor het binnenlands beroepsvervoer
van:
a. levende dieren;
b. landbouwproducten van de teeltplaats naar de veiling en van
tot dit vervoer gebezigde ledige verpakkingsmiddelen van de
veiling naar de teeltplaats;
c. inboedels;
d. losgestorte goederen, of
e. postzendingen.
Hoofdstuk 7. Bestuur NIWO
Artikel 16
In het bestuur van de NIWO worden benoemd door:
a. TLN, Transport en Logistiek Nederland: 3 leden;
b. KNV, Koninklijk Nederlands Vervoer: 1 lid;
c. Vervoersbond FNV: 1 lid;
d. Vervoersbond CNV: 1 lid;
e. EVO, Ondernemersorganisatie voor logistiek en transport: 1
lid;
f. stichting VERN, Verenigde Eigen Rijders Nederland: 1 lid.
Hoofdstuk 8. Taken NIWO
Artikel 17
De NIWO is mede belast met de afgifte van uitnodigingen als bedoeld
in artikel 4, eerste lid, onderdeel c) van de overeenkomst tussen de
Europese Gemeenschap en de Russische Federatie inzake de versoepeling
van de afgifte van visa aan burgers van de Europese Unie en de Russische
Federatie (PbEU 129), voor zover deze betrekking hebben op
goederenvervoer, verricht in opdracht van een in Nederland gevestigde
vervoerder.
Hoofdstuk 9. Aanduiding als strafbare feiten
Artikel 18
1.Overtreding van de artikelen 8, eerste en derde tot en met vijfde
lid en 10 vormt een strafbaar feit.
2.Als bepalingen, bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, van de wet,
worden aangewezen artikel 72, eerste en tweede lid, van de
Wegenverkeerswet 1994 en artikel 5.1.2 in verbinding met de artikelen
5.18.17a tot en met 5.18.17g of in verbinding met artikel 5.18.25 van
de Regeling voertuigen.
3.Als bepalingen, bedoeld in artikel 2.6, tweede lid, van de wet,
worden aangewezen artikel 5.1.2 in verbinding met de artikelen
5.18.17a tot en met 5.18.17g of in verbinding met artikel 5.18.25 van
de Regeling voertuigen.
Hoofdstuk 10. Wijziging andere regelingen
Artikel 19
[Wijzigt de Regeling getuigschrift vakbekwaamheid]
Hoofdstuk 11. Slotbepalingen
Artikel 20
Deze regeling treedt in werking met ingang van het tijdstip waarop de
wet, met uitzondering van artikel 8.4, onderdeel A tot en met D, van de
wet, in werking treedt.
Artikel 21
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling wegvervoer goederen.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant
worden geplaatst.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
C.M.P.S. Eurlings.
Bijlage
[Ligt ter inzage bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat te Den
Haag]
|
|
|