| |
|
|
|
|
vorige
Nadere
regelgeving
Wetboek van
Strafrecht
BESLUIT
BUITENGEWOON STRAFRECHT (BBS)
Tekst zoals deze geldt op
24 januari 2013
Volgende actualisering: juli 2013
|
|
|
BESLUIT van 22 december 1943, houdende vaststelling
van het Besluit Buitengewoon Strafrecht
WIJ WILHELMINA,
bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz., enz., enz.
Op de
voordracht van Onze Ministers voor Algemeene Oorlogvoering van het
Koninkrijk, van Algemeene Zaken, van Buitenlandsche Zaken, van Justitie,
van Binnenlandsche Zaken, van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, van
Financiën, van Oorlog, van Marine, van Waterstaat, van Handel,
Nijverheid en Scheepvaart, van Landbouw en Visscherij, van Sociale
Zaken, van Koloniën en van Onze Ministers zonder Portefeuille van 10
December 1943, N°. 2722/G.92(a);
Overwegende, dat de veiligheid van den Staat
het dringend noodzakelijk maakt buitengewone bepalingen van strafrecht
vast te stellen voor de berechting van zekere gedurende den tijd van den
huidigen oorlog begane feiten, welke in zoo ernstige mate strafwaardig
zijn, dat hun strafbaarheid daarmede in overeenstemming dient te worden
gebracht, zonder dat een beroep op het bepaalde in artikel 1 van het
Wetboek van Strafrecht bij die berechting dient te worden toegelaten;
Den Buitengewonen Raad van Advies gehoord;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing op de misdrijven,
gedurende den tijd van den huidigen oorlog vóór 15 Mei 1945 begaan,
welke zijn omschreven in:
1°. een der Titels I en II van het Tweede Boek of een der
artikelen 137a , 137 b, 205 en 278 van het Wetboek van
Strafrecht, een der Titels I en II van het Tweede Boek of artikel
150 van het Wetboek van Militair Strafrecht of een der artikelen 26,
27 en 27a van dit besluit;
2°. een der artikelen 141, 145, 148-151, 157, 159, 161, 161bis,
162, 164, 166, 168, 170, 172, 179, 242-250, 250ter, 279,
281-283, 284, eerste lid, onder 1°., 285, 287-289; 300-304, 363 en
365 van het Wetboek van Strafrecht, indien de schuldige gebruik
heeft gemaakt of heeft gedreigd te maken van macht, gelegenheid of
middel, hem door den vijand of door het feit der vijandelijke
bezetting geboden;
3°. een der artikelen 131 tot en met 134, 189 en 416-417bis
van het Wetboek van Strafrecht of een der artikelen 143 en 146 van
het Wetboek van Militair Strafrecht, met dien verstande, dat, waar
in die artikelen van strafbaar feit of misdrijf wordt gesproken,
daaronder ten deze alleen wordt verstaan een misdrijf, als hiervoor
onder 1°. of 2°. bedoeld.
Artikel 2
Voor zoover in dit besluit niet anders wordt bepaald, vinden ten
aanzien van de in het voorgaande artikel bedoelde misdrijven de
bepalingen van het Wetboek van Militair Strafrecht en die ter uitvoering
daarvan, alsmede, behoudens de afwijkingen bij dat Wetboek vastgesteld,
de bepalingen van het gemeene strafrecht toepassing, met dien verstande,
dat, waar in het Wetboek van Militair Strafrecht gesproken wordt van den
militairen rechter of de militaire rechtsmacht, daaronder de bij het
Besluit op de Bijzondere Gerechtshoven aangewezen rechter
onderscheidenlijk diens rechtsmacht wordt begrepen.
Artikel 3
Het bepaalde in artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht blijft voor
de werking van dit besluit buiten toepassing.
Artikel 4
1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 2-8 van het
Wetboek van Strafrecht en in de artikelen 4 en 5 van het Wetboek van
Militair Strafrecht is de Nederlandsche strafwet toepasselijk op een
ieder, die zich buiten het Rijk in Europa schuldig heeft gemaakt of
maakt aan:
1°. een misdrijf, omschreven in artikel 278 van het Wetboek van
Strafrecht of een der artikelen 26, 27 en 27a van dit besluit,
of een misdrijf, als bedoeld in artikel 1, onder 2°., van dit
besluit, indien het feit is gepleegd tegen of met betrekking tot een
Nederlander of een Nederlandsch rechtspersoon of indien eenig
Nederlandsch belang daardoor is of kon worden geschaad;
2°. een misdrijf, omschreven in een der artikelen 131-134bis,
189 en 416-417bis van het Wetboek van Strafrecht, met dien
verstande, dat, waar in die artikelen van strafbaar feit of misdrijf
wordt gesproken, daaronder ten deze alleen wordt verstaan een
misdrijf, omschreven in een der artikelen 92-96, 97a, onder
1°., 105 en 108-110 van het Wetboek van Strafrecht, of een misdrijf
als hiervoor onder 1°. bedoeld.
2. De Nederlandsche strafwet is insgelijks toepasselijk op den
Nederlander, die zich buiten het Rijk in Europa schuldig heeft gemaakt
of maakt aan eenig misdrijf, in artikel 1 genoemd.
Artikel 5 [Vervallen per 01-01-1991]
Artikel 6
Het bepaalde in artikel 17 van het Wetboek van Militair Strafrecht
blijft voor de werking van dit besluit buiten toepassing.
Artikel 7 [Vervallen per 01-01-1999]
Artikel 7a
In afwijking in zooverre van het bepaalde in artikel 23, vijfde en
zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht is de duur der vervangende
hechtenis ten hoogste een jaar en in de gevallen, bedoeld in het zesde
lid, ten hoogste een jaar en vier maanden.
Artikel 7b
Voor de toepassing van artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht
wordt de bewaring, gelast of verlengd ingevolge het Besluit politieke
delinquenten 1945, gelijkgesteld met voorloopige hechtenis.
Artikel 8
1. In afwijking in zooverre van het bepaalde in de artikelen 28
en 29 van het Wetboek van Strafrecht en in artikel 35 van het Wetboek
van Militair Strafrecht kan ontzetting van de rechten, vermeld in
artikel 28, eerste lid, onder 1°., 2°., 3°. en 4°., van
eerstgenoemd Wetboek, worden uitgesproken in alle gevallen van
veroordeeling wegens eenig misdrijf, in artikel 1 genoemd.
2. Onder het bekleeden van ambten of van bepaalde ambten, als
bedoeld in artikel 28, eerste lid, onder 1° van het Wetboek van
Strafrecht, is voor de toepassing van dit besluit niet begrepen het
verrichten van werkzaamheden krachtens indienstneming op
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht door of vanwege het Rijk of
eenig openbaar lichaam.
3. Zoodanige indienstneming op arbeidsovereenkomst naar
burgerlijk recht geschiedt alleen in ondergeschikte en niet
verantwoordelijke functies.
4. In alle gevallen, bedoeld in het eerste lid, kan de schuldige
insgelijks worden ontzet van het recht om bepaalde beroepen of groepen
van beroepen uit te oefenen of bepaalde functies of groepen van functies
te bekleeden, waarvoor hij naar het oordeel van den rechter de in het
algemeen belang vereischte waardigheid of betrouwbaarheid mist.
Artikel 9
In afwijking van het bepaalde in artikel 31, eerste lid, van het
Wetboek van Strafrecht bepaalt de rechter, wanneer ontzetting van
rechten wordt uitgesproken, den duur als volgt:
1°. bij veroordeeling tot levenslange gevangenisstraf, voor het
leven;
2°. bij veroordeeling tot tijdelijke gevangenisstraf, tot
militaire detentie of tot hechtenis, voor een tijd den duur der
hoofdstraf ten minste vijf jaren te boven gaande en ten hoogste voor
het leven;
3°. bij veroordeeling tot geldboete, voor den tijd van ten
minste drie jaren en ten hoogste voor het leven.
Artikel 9a
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 33 van het Wetboek van
Strafrecht kunnen ook worden verbeurd verklaard bepaalde zaken, den
veroordeelde toebehoorende, waarvan aannemelijk is dat zij met
misbruik van de bijzondere omstandigheden zijn verkregen of behouden.
2. Indien de zaken den veroordeelde niet of niet meer toebehooren,
kan gelijke verbeurdverklaring worden uitgesproken, voor zoover dit met
eerbiediging van de rechten van derden te goeder trouw mogelijk is.
Artikel 10
In geval van eenig misdrijf, waarop de bepalingen van dit besluit van
toepassing zijn, omdat de schuldige gebruik heeft gemaakt of heeft
gedreigd te maken van macht, gelegenheid of middel, hem door den vijand
of door het feit der vijandelijke bezetting geboden, kan de rechter
bepalen, dat geen straf wordt toegepast, indien blijkt, dat de schuldige
het feit heeft begaan om den vijand te benadeelen of door of vanwege den
vijand of diens helpers beraamde maatregelen te beletten, belemmeren of
verijdelen.
Artikel 11
1. De schuldige aan een misdrijf, waarop de bepalingen van dit
besluit van toepassing zijn, kan worden veroordeeld:
1°. indien op dat misdrijf bij het Wetboek van Strafrecht
gevangenisstraf van vijftien jaren of meer is gesteld, tot levenslange
gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren;
2°. indien op dat misdrijf bij het Wetboek van Strafrecht
gevangenisstraf van minder dan vijftien jaren doch meer dan zeven
jaren en zes maanden is gesteld, gevangenisstraf van ten hoogste
twintig jaren;
3°. indien op dat misdrijf bij het Wetboek van Strafrecht
gevangenisstraf van niet meer dan zeven jaren en zes maanden doch meer
dan twee jaren en zes maanden is gesteld, tot het dubbele der daarop
gestelde straf;
4°. indien op dat misdrijf bij het Wetboek van Strafrecht
gevangenisstraf van twee jaren en zes maanden of minder of hechtenis
is gesteld, tot gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren;
een en ander onverminderd de mogelijkheid van oplegging van een
zwaardere straf, welke bij het Wetboek van Militair Strafrecht op het
misdrijf mocht zijn gesteld.
2. Naast of in plaats van andere straffen kan de rechter
geldboete opleggen. Het maximum der op te leggen geldboete bedraagt van
de vijfde categorie. Indien de rechter beslist, dat de schuldige zich
met misbruik van de bijzondere omstandigheden heeft verrijkt, kan dit
bedrag worden verhoogd tot het drievoud van het door den rechter
geschatte bedrag der verrijking.
Artikel 12
In afwijking van het bepaalde in de artikelen 45, tweede en derde
lid, en 49, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht kunnen
bij poging tot of medeplichtigheid aan een misdrijf dezelfde
hoofdstraffen tot dezelfde maxima worden opgelegd als op het misdrijf
zijn gesteld.
Artikel 13
1. De samenspanning tot eenig misdrijf, in artikel 1 genoemd,
wordt gestraft gelijk het misdrijf.
2. Nochtans is de strafvervolging uitgesloten tegen den deelnemer
aan eenige samenspanning, die, vóórdat de overheid met het bestaan
daarvan bekend is, haar op zoodanige wijze daarvan kennis geeft, dat
dientengevolge het plegen van het voorgenomen misdrijf wordt voorkomen.
Deze bepaling geldt niet voor hem, van wien blijkt, dat hij de aanlegger
is.
Artikel 14
In afwijking van het bepaalde in artikel 60, onder 1°., van het
Wetboek van Strafrecht worden in de daar bedoelde gevallen de straffen
van ontzetting van dezelfde rechten opgelost in ééne straf, in duur de
opgelegde hoofdstraf of hoofdstraffen ten minste vijf jaren te boven
gaande en ten hoogste voor het leven, of indien geene andere hoofdstraf
dan geldboete is opgelegd, in ééne straf van ten minste drie jaren en
ten hoogste voor het leven.
Artikel 15
1. Het bepaalde in artikel 68, eerste lid, van het Wetboek van
Strafrecht blijft buiten toepassing, tenzij het gewijsde van een bij
het Besluit op de Bijzondere Gerechtshoven aangewezen rechter of een
Nederlandschen rechter buiten het Rijk in Europa afkomstig is.
2. Het bepaalde in artikel 68, tweede lid, van dat Wetboek is
niet toepasselijk dan voor zoover de vervolging strijdig zou zijn met
den inhoud of de strekking van een overeenkomst, door Ons met een
vreemde mogendheid gesloten.
3. Nochtans kan in de gevallen, waarin het bepaalde in artikel 68
van het Wetboek van Strafrecht voor de werking van dit besluit buiten
toepassing blijft, bij de rechterlijke uitspraak worden bepaald, dat de
tijd der vrijheidsstraf of het bedrag der geldboete, door den
veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van die uitspraak ondergaan of
betaald ingevolge diens eerdere veroordeeling wegens hetzelfde feit, bij
de uitvoering van de hem opgelegde tijdelijke vrijheidsstraf of
geldboete geheel of gedeeltelijk in mindering zal worden gebracht; wat
de geldboete betreft, volgens den zoo noodig in de uitspraak te bepalen
maatstaf.
4. Hij, aan wien bij uitspraak van een Tribunaal, waarop het fiat
executie is verleend, een bijzondere maatregel, als bedoeld in artikel 1
van het Tribunaalbesluit, is opgelegd, kan ter zake van een misdrijf,
waarop de bepalingen van dit besluit van toepassing zijn, behoudens het
bepaalde in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering, niet worden
vervolgd dan met machtiging van Onzen Minister van Justitie.
Artikel 15a
Het bepaalde in artikel 75 van het Wetboek van Strafrecht blijft
buiten toepassing ten aanzien van de uitvoering van de straf van
geldboete en verbeurdverklaring.
Artikel 16 [Vervallen per 01-01-1991]
Artikel 17
Waar in eenige wettelijke bepaling van misdrijf in het algemeen of
van eenig misdrijf in het bijzonder wordt gesproken, wordt daaronder
voor de toepassing van dit besluit samenspanning tot dat misdrijf mede
begrepen, voor zoover dit met de strekking dier bepaling niet
onvereenigbaar is; onverminderd het bepaalde in artikel 78 van het
Wetboek van Strafrecht.
Artikel 18
Waar in het Wetboek van Strafrecht gesproken wordt van "grondwettigen
regeeringsvorm", worden daarmede gelijkgesteld de bestuursorganen,
genoemd in de zevende afdeeling van het Tweede Hoofdstuk en in het
Vierde, Vijfde, Zesde en Elfde Hoofdstuk der Grondwet.
Artikel 19
Onder openbaar gezag wordt verstaan het Nederlandsch souverein gezag,
waaronder deszelfs organen mede worden begrepen.
Artikel 20
Onder een Nederlandsch rechtspersoon wordt verstaan een
rechtspersoon, welker plaats van vestiging in het Koninkrijk is gelegen,
welke uitsluitend of mede door een of meer Nederlanders wordt bestuurd
of tot welker vermogen een of meer Nederlanders geheel of gedeeltelijk
gerechtigd zijn.
Artikel 21
Waar in de artikelen 44, 249 en 365 van het Wetboek van Strafrecht
van ambtenaar wordt gesproken, wordt daarmede gelijkgesteld ieder
ambtenaar, beambte of ander persoon, werkzaam voor het burgerlijk of
militair gezag van een vijandelijke mogendheid, hetzij in vasten of
tijdelijken dienst, hetzij in eenig ander dan dienstverband;
onverminderd het bepaalde in artikel 84 van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 22
Onder den vijand hulp verleenen wordt mede begrepen het bevorderen of
verspreiden van vijandelijke propaganda, het aan den vijand ter
beschikking stellen van eenig geld of goed, het verrichten van eenige
daad ten voordeele van den vijand en het beletten, belemmeren of
verijdelen van eenigen tegen den vijand gerichten maatregel.
Artikel 23
1. Onder den tijd van huidigen oorlog wordt verstaan de tijd
van den huidigen oorlog tegen het Koninkrijk en mede begrepen de tijd,
waarin die oorlog dreigende was.
2. Onder een misdrijf gedurende den tijd van den huidigen oorlog
gepleegd, wordt mede begrepen het geval, dat de schuldige het misdrijf
heeft gepleegd met het oog op den door hem aanstaand geachten huidigen
oorlog tegen het Koninkrijk.
Artikel 24
1. Waar in de artikelen 101 en 205 van het Wetboek van
Strafrecht van krijgsdienst wordt gesproken, wordt daarmede eenige
Staats- of publieke dienst gelijkgesteld.
2. Voor zoover betreft artikel 205 van dat Wetboek, wordt voor de
toepassing van dit besluit dienst bij een bondgenoot van den Staat in
den huidigen oorlog onder vreemden krijgs-, staats- of publieken dienst
niet begrepen.
Artikel 25
1. Onder een bondgenoot van den Staat in den huidigen,
gemeenschappelijken oorlog wordt verstaan elke niet-vijandelijke
mogendheid, elk ander niet-vijandelijk, door Ons erkend bewind en elke
niet aan het gezag van een vijandelijke mogendheid onderworpen,
georganiseerde krijgsmacht, oorlog voerende of vijandelijkheden
verrichtende tegen een vijandelijke mogendheid.
2. In afwijking in zooverre van het bepaalde in artikel 75 van
het Wetboek van Militair Strafrecht wordt de werking van dat artikel
niet beperkt door de voorwaarde, dat bij wet of traktaat wederkeerigheid
gewaarborgd zij.
Artikel 26
1. Hij, die gedurende den tijd van den huidigen oorlog
opzettelijk een ander blootstelt aan opsporing, vervolging,
vrijheidsberooving of -beperking, eenige straf of eenigen maatregel
door of vanwege den vijand, diens helpers of een persoon, als in
artikel 21 bedoeld, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
vijf jaren.
2. De schuldige wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste tien jaren, indien het feit vrijheidsberooving van langer dan
een maand ten gevolge heeft gehad.
3. De schuldige wordt gestraft met gevangenisstraf van ten
hoogste twintig jaren, indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten
gevolge heeft gehad.
4. De schuldige wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of
tijdelijke van ten hoogste twintig jaren, indien het feit den dood of de
vermissing, waaruit redelijkerwijze de dood is af te leiden. ten gevolge
heeft gehad.
5. Niet strafbaar is hij, die een feit heeft gepleegd met het
oogmerk om aan door Ons gegeven wettelijke voorschriften te beantwoorden
of om het algemeen belang te dienen.
Artikel 27
Hij, die gedurende den tijd van den huidigen oorlog opzettelijk
gebruik maakt of dreigt te maken van macht, gelegenheid of middel, hem
door den vijand of door het feit der vijandelijke bezetting geboden, om
een ander in zijn vermogen wederrechtelijk te benadeelen of om zich of
een ander wederrechtelijk te bevoordeelen, wordt gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.
Artikel 27a
1. Hij die gedurende den tijd van den huidigen oorlog in krijgs-,
staats- of publieken dienst bij of van den vijand zich schuldig maakt
aan eenig oorlogsmisdrijf of eenig misdrijf tegen de menschelijkheid
als bedoeld in artikel 6 onder (b) of (c) van het
handvest, behoorende bij de overeenkomst van Londen van 8 Augustus
1945, bekend gemaakt bij Ons besluit van 4 Januari 1946 (Staatsblad
no. G 5), wordt, indien zoodanig misdrijf tevens bevat de
bestanddeelen van een strafbaar feit waarop dit Besluit of het Wetboek
van Militair Strafrecht van toepassing is, gestraft met de daarop
gestelde straf.
2. Indien zoodanig misdrijf niet tevens bevat de bestanddeelen
van een strafbaar feit volgens de Nederlandsche wet, wordt de dader
gestraft met de straf, gesteld op het feit volgens de Nederlandsche wet,
waarmede het de meeste overeenkomst vertoont.
3. Met gelijke straf als bedoeld in het eerste en tweede lid
wordt gestraft de meerdere die opzettelijk toelaat, dat een zijner
minderen zich aan een zoodanig misdrijf schuldig maakt.
Artikel 28
De bij de artikelen 26, 27 en 27a strafbaar gestelde feiten
worden beschouwd als misdrijven.
Artikel 29
1. Dit besluit, ten aanzien waarvan de bevoegdheid, bedoeld in
artikel 9, tweede lid, van het Besluit op den bijzonderen staat van
beleg, niet kan worden uitgeoefend, treedt in werking op den dag
zijner afkondiging.
2. Het kan worden aangehaald onder den titel: Besluit
Buitengewoon Strafrecht.
Onze Minister van Justitie is belast met de
uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden
geplaatst.
Londen, den 22sten December 1943.
WILHELMINA
De Minister voor Algemeene Oorlogvoering van het
Koninkrijk,
P.S. Gerbrandy
De Minister van Algemeene Zaken a.i.,
Van Boeijen
De Minister van Buitenlandsche Zaken,
E.N. van Kleffens
De Minister van Justitie,
Van Angeren
De Minister van Binnenlandsche Zaken,
Van Boeijen
De Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen,
G. Bolkestein
De Minister van Financiën,
J. van den Broek
De Minister van Oorlog,
Van Lidth de Jeude
De Minister van Marine,
J.TH. Furstner
De Minister van Waterstaat,
J.W. Albarda
De Minister van Handel, Nijverheid en Scheepvaart,
P. Kerstens
De Minister van Landbouw en Visscherij a.i.,
P. Kerstens
De Minister van Sociale Zaken,
J. van den Tempel
De Minister van Koloniën,
H.J. van Mook
De Minister zonder Portefeuille,
E. Michiels van Verduijnen
De Minister zonder Portefeuille,
J.A.W. Burger
Uitgegeven den vierden September 1944.
De Minister van Justitie,
G.J. van Heuven Goedhart
|
|
|