|
MEMORIE VAN TOELICHTING
Nadere regelgeving:
- Algemeen
inkomensbesluit socialezekerheidswetten
- Beleidsregel boete werknemer 2010
- Beleidsregel
maatregelen UWV
- Beleidsregels schorsing,
opschorting, intrekking en herziening
uitkeringen 2006
- Beleidsregel terug- en invordering
-
Besluit
aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998
- Besluit beleid toetsing verblijfstitel
- Besluit betaling
zonder machtiging aan het College voor zorgverzekeringen
- Besluit gelijkstelling
loondervingsuitkering Toeslagenwet
- Besluit samenloop toeslagen ex artikel 16 Toeslagenwet
- Boetebesluit socialezekerheidswetten
- Controlevoorschriften Toeslagenwet
- Maatregelenbesluit
socialezekerheidswetten
- Regeling gelijkstelling ander inkomen met loondervingsuitkering
- Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en
terugvordering onverschuldigde betalingen
- Regeling
terugvordering geringe bedragen
- Regeling vervallen tweede maximeringsbepaling Toeslagenwet
- SZW-intrekkingsregeling
2004
Vervallen
nadere regelgeving:
- Beleidsregel afbakening maatregel en boete
(vervallen)
- Beleidsregel boete werknemer
(vervallen)
- Beleidsregel zwijgrecht (vervallen)
- Besluit afstemming boete werknemers (vervallen)
- Besluit betaling zonder machtiging aan de Ziekenfondsraad
(vervallen)
- Besluit herziening
en intrekking uitkeringen (vervallen)
- Besluit
kostenvergoedingen Werkloosheidswet (vervallen)
- Besluit waarschuwing (vervallen)
- Maatregelenbesluit Tica (vervallen)
- Maatregelenbesluit
UWV
(vervallen)
- Regeling
betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en
onverschuldigde betalingen (vervallen)
- Regeling herziening
kopjesbedragen IWS per 1 januari 2008 (vervallen)
- Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen
(vervallen)
Relevante
overige regelgeving:
- Beleidsregel kostenvergoeding UWV
- Besluit schadebeleid
- Besluit
verzekeringsplicht zeevarenden
- Invoeringswet
stelselherziening sociale zekerheid (vervallen)
- Regeling
inzage- en correctierecht UWV
- Regeling SUWI
- Reglement
behandeling bezwaarschriften UWV 2009
- Wet
beslistermijnen sociale verzekeringen
Inhoudsopgave
TW
| Hoofdstuk
I |
Algemene
bepalingen |
artt.
1 - 1a |
| Hoofdstuk
II |
De
toeslag |
artt.
2 - 25 |
| §
1x |
De
voorwaarden voor het recht op toeslag |
artt.
2 - 7 |
| §
2x |
De hoogte
van de toeslag |
artt.
8 - 9 |
| §
3x |
De
vakantie-uitkering |
art.
10 |
| §
4x |
Het geldend
maken van het recht op toeslag |
artt.
11 - 14h |
| §
5x |
De betaling
van de toeslag |
artt.
15 - 25 |
| Hoofdstuk
III |
Financiering |
artt.
26 - 28 |
| Hoofdstuk
IV |
De
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen |
artt.
29 - 35 |
| Hoofdstuk
V |
Bepalingen
in verband met de Algemene wet bestuursrecht en het beroep in
cassatie |
artt.
36 - 39 |
| Hoofdstuk
VI |
Strafbepalingen |
artt.
40 - 43a |
| Hoofdstuk
VII |
Overgangs- en
slotbepalingen |
artt.
44 - 46 |
| xxxxxxxxxxxx |
|
xxxxxxxxxxx| |
Parlementaire
behandeling:
Kamerstukken II 1985-1986, 19 257.
Handelingen II 1985-1986, blz. 4304-4367, 4369-4397, 4402-4455, 4458,
4463-4489, 4515-4542, 4558-4604, 4607-4630, 4633-4644, 4699-4751,
4836-4860, UCV 62(1-75), UCV 65(1-55), 4944, 4954-4958, 5017-5023.
Kamerstukken I 1985-1986, 19 257 (196, 196a); 1986-1987, 19 257 (21, 21a,
21b, 45, 45a, 45b, 45c, 45d, 45e, 45f).
Handelingen I 1986-1987, zie vergadering van 4 november 1986.
Geschiedenis:
Staatsblad
1995, 200; Staatsblad 1995, 250;
Staatsblad 1995, 690; Staatsblad
1995, 691; Staatsblad 1995, 696;
Staatsblad 1996, 134; Staatsblad 1996,
248; Staatsblad 1997, 96;
Staatsblad 1997, 178; Staatsblad 1997,
660; Staatsblad 1997, 773;
Staatsblad 1997, 789; Staatsblad 1997,
794; Staatsblad 1998, 203;
Staatsblad 1998, 278; Staatsblad 1998,
412; Staatsblad 1998, 742;
Staatsblad 1999, 185; Staatsblad 1999,
250; Staatsblad 1999, 564;
Staatsblad 1999, 594; Staatsblad 1999,
595; Staatsblad 2000, 40;
Staatsblad 2000, 496; Staatsblad 2001,
67; Staatsblad 2000, 627;
Staatsblad 2001, 481; Staatsblad 2001,
568; Staatsblad 2001, 625;
Staatsblad 2001, 692; Staatsblad 2003,
376; Staatsblad 2003, 524;
Staatsblad 2003, 544; Staatsblad 2003,
555; Staatsblad 2005, 37; Staatsblad 2004, 717;
Staatsblad 2005, 525; Staatsblad
2005, 573; Staatsblad
2005, 710; Staatsblad 2005, 708;
Staatsblad 2006, 695; Staatsblad
2006, 696; Staatsblad 2007, 302;
Staatsblad 2007, 305; Staatsblad
2007, 551; Staatsblad 2007, 555;
Staatsblad 2008, 510; Staatsblad
2008, 600; Staatsblad 2009, 384; Staatsblad 2009, 265;
Staatsblad 2009, 390;
Staatsblad 2009, 282;
Staatsblad 2009, 318; Staatsblad
2009, 580; Staatsblad 2009, 596;
Staatscourant 2009, 20547; Staatsblad
2010, 840; Staatsblad
2010, 838; Staatscourant
2010, 21445; Staatsblad 2010,
867; Staatsblad 2011, 288;
Staatsblad 2011, 618; Staatsblad
2012, 2; Staatsblad
2011, 647; Staatscourant
2011, 23884; Staatsblad
2011, 645; Staatsblad 2011,
650; Staatscourant 2012,
13238; Staatsblad 2012, 462;
Staatsblad 2012, 463; Staatscourant
2012, 25904; Staatsblad 2012,
675; Staatsblad 2012, 682.
WET van 6 november 1986, Stb.
1986, 562, houdende verlening van toeslagen tot het relevante sociaal
minimum aan uitkeringsgerechtigden op grond van de Werkloosheidswet,
de Ziektewet, de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Toeslagenwet). Inwerkingtreding: 1 januari 1987 (Stb. 1986, 597).
WIJ BEATRIX, bij de
gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz.
enz. enz.
Allen, die deze zullen
zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging
genomen hebben, dat het wenselijk is regelen te stellen inzake het
verlenen van toeslagen tot het relevante sociaal minimum aan
uitkeringsgerechtigden op grond van de Ziektewet, de
Werkloosheidswet, de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen;
Zo is het, dat Wij, de
Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal,
hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
I
Algemene
bepalingen
Art. 1.
[Begripsbepalingen] [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 1995, 691; Stb.
1995, 696; Stb. 1997,
96; Stb. 1997, 178;
Stb. 1997, 660; Stb.
1997, 789; Stb. 1998, 203;
Stb. 1998, 742; Stb.
2000, 496; Stb. 2001,
625; Stb. 2003, 544;
Stb. 2003, 555; Stb. 2005,
573; Stb. 2007, 302;
Stb. 2009, 390; Stb.
2009, 580; Stb. 2009, 596;
Stb. 2010,
838]
-1. In deze wet en de
daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister:
Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b.
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen: het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van
de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen;
c. Toeslagenfonds: het
fonds, bedoeld in artikel 31;
d.
loondervingsuitkering: een uitkering krachtens de verplichte verzekering
op grond van de Werkloosheidswet, de Ziektewet,
de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen,
de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, alsmede een uitkering of inkomensvoorziening op grond
van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten, op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf
1, van de Wet
arbeid en zorg aan de werknemer of de gelijkgestelde, bedoeld in artikel
3:6,
eerste lid, van die wet,
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen en de Wet inkomensvoorziening oudere
werklozen;
e. toeslag: een op een
loondervingsuitkering of naast het recht op
loon, bedoeld in artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek, dan
wel de bezoldiging of hetgeen daarmee overeenkomt, bedoeld in
artikel 76a van de Ziektewet,
te verlenen toeslag ingevolge deze wet;
f. minimumloon:
1º. voor de persoon,
bedoeld in artikel 2, eerste of tweede lid, het minimumloon per maand,
bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657),
gedeeld door 21,75; en
2º. voor de persoon,
bedoeld in artikel 2, derde lid, het voor zijn leeftijd geldende
minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de
Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag in verbinding met
artikel 8, derde lid, van die
wet, gedeeld door
21,75;
g. vervolgdagloon: het
vervolgdagloon, bedoeld in artikel 21b
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
h.
vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel: een bij onherroepelijk
geworden vonnis opgelegde vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel
als bedoeld in het Wetboek
van Strafrecht.
-2. Voor de toepassing van deze wet en
de daarop berustende bepalingen wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: geregistreerde partner;
b. echtgenoten: geregistreerde
partners;
c. gehuwd: als partner geregistreerd;
d. gehuwde: als partner geregistreerde.
-3. In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt:
a. als gehuwd of als echtgenoot mede
aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere
ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft
een bloedverwant in de eerste graad;
b. als ongehuwd mede aangemerkt degene
die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij
gehuwd is.
-4. Van een gezamenlijke huishouding is
sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning
hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het
leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
-5. Een gezamenlijke huishouding wordt
in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf
hebben in dezelfde woning en:
a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest
of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld;
b. uit hun relatie een kind is geboren
of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door de ander;
c. zij zich wederzijds verplicht
hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend
samenlevingscontract; of
d. zij op grond van een registratie
worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking
overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het vierde
lid.
-6. Bij algemene maatregel van bestuur
wordt vastgesteld welke registraties, en gedurende welk tijdvak, in
aanmerking worden genomen voor de toepassing van het vijfde lid, onderdeel
d. [Bargh98]
-7. Bij algemene maatregel van bestuur
kunnen regels worden gesteld ten aanzien van hetgeen wordt verstaan
onder het blijk geven zorg te dragen voor een ander, zoals bedoeld in het
vierde lid.
-8. Onder bloedverwant in de eerste graad
als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, wordt mede verstaan
een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind
van de ongehuwde meerderjarige.
-9. Onder voormalig pleegkind als bedoeld
in het achtste lid wordt verstaan een pleegkind waarvoor de ongehuwde
meerderjarige een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de Wet
op de jeugdzorg of kinderbijslag ontving
op grond van de Algemene Kinderbijslagwet.
Art. 1a. Vervallen.
[Geschiedenis:
Stb. 1997, 789; Stb.
1999, 564; Stb. 2000, 627
+ bis]
HOOFDSTUK
II
De
toeslag
§ 1.
De
voorwaarden voor het recht op toeslag
Art. 2.
[Kring rechthebbenden] [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 1999, 595 + bis;
Stb. 2007, 302; Stcrt.
2009, 20547; Stb. 2010,
838; Stcrt. 2010, 21445;
Stcrt. 2011, 23884; Stcrt.
2012, 13238; Stcrt. 2012,
25904]
-1. Recht op toeslag
heeft een gehuwde die:
a.
recht heeft op loondervingsuitkering; en
b. per dag een inkomen
heeft dat lager is dan €|67,56.
-2. Recht op toeslag
heeft een ongehuwde die:
a. recht heeft op
loondervingsuitkering;
b. een kind heeft
jonger dan 18 jaar dat niet als eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind tot
het huishouden van een ander behoort en voor wie aan hem op grond van artikel
18 van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag
wordt betaald, zal worden betaald of zou worden betaald indien artikel
7, tweede lid, van die wet niet van
toepassing zou zijn; en
c. per dag een inkomen
heeft dat lager is dan €|63,70.
-3. Behoudens het
vierde lid heeft voorts recht op toeslag een ongehuwde die:
a. recht heeft op
loondervingsuitkering; en
b. per dag een
inkomen heeft dat lager is dan:
1º.
indien hij 23 jaar
of ouder is: €|51,21;
2º.
indien hij 22 jaar
is: €|40,26;
3º.
indien hij 21 jaar
is: €|33,96;
4º.
indien hij 20 jaar
is: €|28,40;
5º.
indien hij 19 jaar
is: €|23,73;
6º.
indien hij 18 jaar
is: €|19,88.
-4. Geen recht op
toeslag heeft de in het derde lid bedoelde ongehuwde die de leeftijd van 21
jaar nog niet heeft bereikt en behoort tot het huishouden van zijn ouders of
pleegouders.
-5. Zolang een gehuwde
of ongehuwde geen recht heeft op een loondervingsuitkering omdat hem
rechtens zijn vrijheid is ontnomen of omdat hij zich onttrekt aan de
tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, heeft hij geen recht op toeslag.
-6.
Zolang een gehuwde of ongehuwde de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft
bereikt, heeft hij geen recht op toeslag.
Art. 3.
[Beperking kring rechthebbenden] [Geschiedenis]
Vanaf 1990 heeft een
gehuwde wiens echtgenoot is geboren na 31 december 1971 geen recht op
toeslag, tenzij tot zijn huishouden een eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind
behoort dat jonger is dan 12 jaar.
Art.
4.
[Uitsluiting bij onbetaald verlof] [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 1996, 134; Stb.
1998, 412; Stb. 1998, 742;
Stb. 1999, 250 + bis;
Stb. 1999, 594; Stb.
2003, 544]
Geen recht op toeslag heeft de persoon
die onbetaald verlof geniet als bedoeld in artikel
1, onderdeel g, van de
Werkloosheidswet of die met die persoon gehuwd is, ter hoogte van het bedrag
van het verlies van inkomen uit arbeid als gevolg van het genieten van
dat verlof.
Art.
4a.
[Uitsluiting bij niet wonen in Nederland]
[Geschiedenis:
Stb. 1999, 594 + bis
+ bis; Stb.
2003, 524]
-1. Geen recht op toeslag heeft de
persoon, bedoeld in
artikel
2, gedurende de periode dat hij niet in Nederland
woont.
-2. De persoon, bedoeld in artikel
2,
die op grond van het eerste lid geen recht heeft op toeslag, heeft vanaf de
dag dat hij in Nederland woont recht op toeslag indien hij aan de voorwaarden, bedoeld in
artikel
2,
eerste,
tweede of derde lid, voldoet.
Art.
4b. [Uitsluiting studerende Wajong-er]
[Geschiedenis:
Stb.
2009, 580]
Geen recht op toeslag heeft de persoon die inkomensondersteuning als
bedoeld in artikel 2:43 van de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten ontvangt.
Art.
5.
[Geen toeslag als compensatie voor inkomensverlies
wegens verwijtbaar handelen of nalaten] [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 2003, 555; Stb. 2005,
573; Stb. 2007, 302;
Stb. 2007, 551; Stb.
2012, 675]
-1. Indien de loondervingsuitkering
gedeeltelijk wordt geweigerd op grond van enig handelen of nalaten van
betrokkene dat hem redelijkerwijs kan worden verweten of het recht op loon,
bedoeld in artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel de bezoldiging of hetgeen daarmee overeenkomt,
bedoeld in artikel 76a van de Ziektewet, gedeeltelijk
ontbreekt dan wel de betaling daarvan is opgeschort door toepassing van
het derde of zesde lid van genoemd artikel 629, het eerste tot en met derde lid van artikel
76b van de Ziektewet of
artikel 76c van de Ziektewet, wordt voor de
toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen de loondervingsuitkering in aanmerking genomen
alsof die weigering niet heeft plaatsgevonden en het loon, de bezoldiging of hetgeen daarmee overeenkomt
alsof die artikelleden niet zijn toegepast.
-2. Geen recht op toeslag bestaat
indien de loondervingsuitkering, het loon, de bezoldiging of hetgeen daarmee overeenkomt,
bedoeld in het eerste lid, niet tot uitbetaling komt op grond van enig
handelen of nalaten van betrokkene dat hem redelijkerwijs kan worden
verweten.
-3. Indien bij samenloop van
loondervingsuitkeringen op grond van enig handelen of nalaten van
betrokkene dat hem redelijkerwijs kan worden verweten één of meer van
de loondervingsuitkeringen gedeeltelijk worden geweigerd of niet tot
uitbetaling komen, wordt voor de toepassing van deze wet en de daarop
berustende bepalingen het inkomen in aanmerking genomen alsof die
weigering niet heeft plaatsgevonden respectievelijk alsof die
uitbetaling heeft plaatsgevonden.
-4. Indien de uitkering op grond van de Werkloosheidswet
gedeeltelijk is geëindigd omdat de betrokkene minder beschikbaar is
voor arbeid dan het aantal arbeidsuren dat hij heeft verloren, wordt
voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen die
uitkering in aanmerking genomen alsof die eindiging niet heeft
plaatsgevonden.
-5. Indien de uitkering op grond van
artikel 35ab van de Werkloosheidswet is verminderd, wordt voor de
toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen de uitkering
in aanmerking genomen alsof die vermindering niet heeft plaatsgevonden.
Art.
6.
[Begrip inkomen] [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb.
2010, 867]
-1. Als
inkomen wordt aangemerkt:
a.
voor een gehuwde: de som van het inkomen uit arbeid of overig inkomen
van hemzelf en van zijn echtgenoot;
b.
voor een ongehuwde: zijn inkomen uit arbeid of overig inkomen.
-2.
Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat onder inkomen uit
arbeid of overig inkomen als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan.
Daarbij kan tevens worden bepaald dat nader te bepalen inkomen dat
gedeeltelijk, niet of niet langer wordt genoten als gevolg van
gewijzigde omstandigheden of enig handelen of nalaten van betrokkene, in
aanmerking wordt genomen alsof het wel volledig wordt genoten. [Ais]
[BglT]
Art. 7.
[Inkomstenvrijlating] [Geschiedenis:
VvW; MvT]
-1. In afwijking van
artikel 6 wordt gedurende een periode van ten hoogste twee jaren van het
inkomen uit arbeid buiten aanmerking gelaten:
a. een bedrag gelijk
aan 5% van het minimumloon; alsmede
b. indien en voor
zover het inkomen uit arbeid meer bedraagt dan het in onderdeel a
bedoelde bedrag, 30% van dat inkomen.
-2. Het niet in
aanmerking te nemen inkomen, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste 15% van
het minimumloon.
-3. Voor de
vaststelling van de in het eerste lid bedoelde periode wordt een periode waarover een
uitkering op grond van de Ziektewet is ontvangen, buiten beschouwing
gelaten.
-4. De beperking tot
een periode van twee jaren als bedoeld in het eerste lid is niet van
toepassing ten aanzien van de persoon die recht heeft op een uitkering op grond
van de Werkloosheidswet ter zake van
werkloosheid ontstaan na het bereiken van de leeftijd van 57,5 jaar.
§ 2.
De hoogte
van de toeslag
Art. 8.
[Hoogte toeslag] [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 2005,
573; Stb. 2007, 302;
Stcrt. 2009, 20547; Stcrt.
2010, 21445; Stcrt. 2011,
23884; Stcrt. 2012, 13238;
Stcrt. 2012, 25904]
-1.
Voor de persoon, bedoeld in artikel
2, eerste lid, is de toeslag gelijk aan het verschil tussen €|67,56
en het inkomen per dag.
-2.
Voor de persoon, bedoeld in artikel 2, tweede lid, is
de toeslag gelijk aan het verschil tussen €|63,70
en het inkomen per dag.
-3.
Voor de persoon, bedoeld in artikel 2, derde lid, is de
toeslag gelijk aan het verschil tussen het in artikel 2,
derde lid, onderdeel b, bij de leeftijd van die persoon genoemd
bedrag en het inkomen per dag.
Art. 8a.
[Maximumtoeslag] [Geschiedenis:
Stb. 2007, 302; Stb.
2007, 551; Stb. 2009, 390]
-1. De toeslag
bedraagt niet meer dan het verschil tussen het dagloon, vervolgdagloon
of de grondslag waarnaar de loondervingsuitkering is berekend en de
loondervingsuitkering, voor:
a. de persoon, bedoeld in artikel
2, eerste lid, indien het dagloon, vervolgdagloon of de grondslag
waarnaar de loondervingsuitkering is berekend lager is dan het minimumloon;
b. de persoon, bedoeld in artikel
2, tweede lid, indien het dagloon, vervolgdagloon of de grondslag
waarnaar de loondervingsuitkering is berekend lager is dan 90% van het
minimumloon;
c. de persoon, bedoeld in artikel
2, derde lid, indien het dagloon, vervolgdagloon of de grondslag
waarnaar de loondervingsuitkering is berekend lager is dan 70% van het
minimumloon.
-2. Voor de toepassing van het eerste lid
wordt de in het dagloon, vervolgdagloon of grondslag waarnaar de
loondervingsuitkering is berekend begrepen vakantiebijslag niet in
aanmerking genomen.
-3. Bij algemene maatregel van bestuur kan
worden bepaald dat voor de toepassing van het eerste lid ander inkomen
dan de loondervingsuitkering wordt gelijkgesteld met de op het dagloon,
vervolgdagloon of de grondslag waarnaar de loondervingsuitkering is
berekend in mindering te brengen loondervingsuitkering.
[BglT]
[Rgail]
-4.
Voor de toepassing
van dit artikel wordt tevens onder grondslag verstaan de factor A,
bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen, gedeeld door 21,75.
Art. 9.
[Herziening bedragen] [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 2007, 302; Stb.
2007, 551]
-1.
De in de artikelen
2 en 8 genoemde
bedragen worden gewijzigd overeenkomstig de wijze en met ingang van de
dag waarop de bedragen, genoemd in hoofdstuk 3
van de Wet werk en bijstand, worden gewijzigd.
De herziene bedragen treden voor de in de artikelen 2
en 8 genoemde bedragen in de plaats.
-2.
Van de herziene
bedragen, bedoeld in het eerste lid, wordt door Onze
Minister mededeling gedaan in de Staatscourant.
§
3. De vakantie-uitkering
Art. 10.
[Vakantie-uitkering] [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 1995, 696]
-1. Degene die recht
heeft op een toeslag heeft tevens recht op een vakantie-uitkering ter hoogte
van 8% van die toeslag.
-2. Het eerste lid is
niet van toepassing indien in het dagloon waarnaar de loondervingsuitkering
is berekend geen vakantietoeslag is begrepen.
-3. Indien het
percentage van de vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de
Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt gewijzigd, wordt dit gewijzigde
percentage in aanmerking genomen over het bedrag van de toeslag waarop
recht bestaat over de periode aanvangende met de dag waarop die
wijziging ingaat. Het gewijzigde percentage treedt in de plaats van het in het
eerste lid genoemde percentage.
-4. Het bepaalde bij of
krachtens de artikelen 12, 13, 14,
15, vierde lid, 18, 20,
21, 22, 23,
23a, 25, 27 en 29 vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
vakantie-uitkering.
§ 4.
Het geldend
maken van het recht op toeslag
Art. 11.
[Indiening aanvraag bij UWV | Afzien van
beschikking] [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 1995, 250; Stb.
1997, 96 + bis; Stb.
2001, 625 + bis; Stb.
2003, 544; Stb. 2007, 555;
Stb. 2008, 600; Stb.
2009, 265; Stb. 2010,
838; Stb. 2011, 647]
-1.
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen stelt op aanvraag
vast of recht op toeslag bestaat. De aanvraag wordt ingediend bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
-2. Op de toekenning en
de beëindiging van een toeslag op een loondervingsuitkering zijn de artikelen 3:40
en 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht
niet van toepassing,
indien:
a. redelijkerwijs mag worden
aangenomen dat aan de bekendmaking van de beschikking geen behoefte
bestaat; en
b. de toepasselijkheid van deze
artikelen ook is uitgesloten voor de toekenning en de beëindiging van de
loondervingsuitkering waarop de toeslag wordt of werd betaald.
-3. De toeslag op een
loondervingsuitkering wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is
vastgesteld indien de loondervingsuitkering waarop de toeslag wordt of
werd betaald ook op die wijze wordt betaald en indien redelijkerwijs mag
worden aangenomen dat aan een beschikking geen behoefte bestaat.
-4. Een toeslag als bedoeld in het derde lid
wordt beëindigd zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld indien
redelijkerwijs mag worden aangenomen dat aan een beschikking geen behoefte
bestaat. Indien de belanghebbende binnen een redelijke termijn om een
beschikking verzoekt, wordt deze zo spoedig mogelijk alsnog verstrekt.
-5. Een herziening van de toeslag als gevolg
van een wijziging van de in de artikelen 2 en 8
genoemde bedragen als bedoeld in artikel 9 of als
gevolg van een indexering van het dagloon of de grondslag waarnaar de
loondervingsuitkering is berekend, vindt plaats zonder dat dit bij
beschikking is vastgesteld.
-6. De vakantie-uitkering wordt betaald
zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.
-7. Het recht op toeslag kan niet worden
vastgesteld over perioden gelegen vóór één jaar voorafgaande aan de
dag waarop de aanvraag om toeslag werd ingediend. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van
de vorige zin.
Art.
11a.
[Herziening of intrekking toekenningsbesluit] [Bhiu]
[Bsoihu06] [Rsohiu]
[Geschiedenis:
Stb. 1996, 248; Stb.
1997, 96; Stb. 1997, 789;
Stb. 2001, 625; Stb.
2012, 463]
-1. Onverminderd het elders in deze wet
bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot
toekenning van toeslag en ter zake van weigering van toeslag, herziet het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen een dergelijk besluit of trekt het dat
in:
a. indien het niet of niet behoorlijk
nakomen van een verplichting op grond van artikel 12,
12a, eerste lid, aanhef en onder
b, of
13 heeft
geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van toeslag;
b. indien anderszins de toeslag ten
onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet behoorlijk
nakomen van een verplichting op grond van artikel 12,
12a, eerste lid, aanhef en onder
b, of
13 ertoe leidt
dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op toeslag bestaat.
-2. Indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn, kan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen besluiten geheel
of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
Art.
12.
[Inlichtingenverplichting] [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 1996, 248 + bis;
Stb. 1997, 96; Stb.
2001, 625; Stb. 2007, 555]
Degene die aanspraak maakt op toeslag,
zijn echtgenoot of zijn wettelijke vertegenwoordiger, alsmede de
instelling aan welke ingevolge artikel 22 toeslag wordt uitbetaald, zijn
verplicht
aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen op zijn verzoek of onverwijld uit
eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan hem of haar
redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het
recht op toeslag, de hoogte van de toeslag, het geldend maken van het recht op
toeslag of op het bedrag van de toeslag dat wordt betaald. Deze
verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kunnen worden vastgesteld
op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte
gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan
te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor
welke gegevens de tweede zin van toepassing is. [Bamb]
Art.
12a. [Onderzoek
woonsituatie]
[Geschiedenis:
Stb.
2012, 463]
-1. In aanvulling op artikel 12 kan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen degene die aanspraak maakt
op toeslag of zijn wettelijke vertegenwoordiger verzoeken aan te tonen
dat:
a. degene die aanspraak maakt op toeslag
een ongehuwde is als bedoeld in artikel 2, tweede of derde lid,
onderdeel a en onderdeel b, onder 1º, 2º of 3º;
b. de feitelijke woonsituatie van degene
die aanspraak maakt op toeslag, van zijn echtgenoot of van een kind in
overeenstemming is met het verstrekte adres van hemzelf, zijn echtgenoot
of van zijn kind.
Teneinde hem daartoe in de gelegenheid te
stellen, kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bij die
verzoeken aanbieden met de toestemming van degene die aanspraak maakt op
toeslag dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger de woning van degene
die aanspraak maakt op toeslag binnen te treden.
-2. Indien degene die aanspraak maakt op
toeslag dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger niet desgevraagd
aantoont dat degene die aanspraak maakt op toeslag een ongehuwde is als
bedoeld in artikel 2, tweede lid of derde lid, onderdeel
a en onderdeel b, onder 1º, 2º of 3º, wordt de toeslag toegekend respectievelijk
herzien naar een hoogte gelijk aan het verschil tussen de helft van het
bedrag, bedoeld in artikel 8, eerste lid, en het inkomen per dag.
Art.
13.
[Naleving controlevoorschriften] [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 1996, 248; Stb.
1997, 96; Stb. 2001,
625; Stb.
2012, 463]
Degene die aanspraak maakt op toeslag, zijn echtgenoot of zijn
wettelijke vertegenwoordiger, alsmede de instelling aan welke ingevolge artikel 22
toeslag wordt uitbetaald, zijn verplicht de voorschriften, bedoeld in artikel
30, op te volgen en anderszins aan het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen desgevraagd de
medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering
van deze wet.
Art.
14.
[Weigering toeslag bij niet-nakoming
verplichtingen | Afstemming maatregel] [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 1996, 248 + bis;
Stb. 1997, 96 + bis
+ bis; Stb.
1997, 789; Stb. 1998, 742
+ bis; Stb.
2001, 625 + bis + bis;
Stb. 2001, 692; Stb.
2003, 544; Stb. 2007, 305;
Stb. 2008, 600; Stb.
2009, 265; Stb. 2010, 840]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen weigert de toeslag tijdelijk of blijvend,
geheel of gedeeltelijk ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen
door degene die aanspraak maakt op een toeslag, zijn echtgenoot of zijn
wettelijke vertegenwoordiger van een verplichting als bedoeld in artikel
13 of artikel 55, tweede lid, van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, dan wel ter zake
van het niet binnen de door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen daarvoor vastgestelde termijn nakomen
door genoemde personen van een verplichting als bedoeld in artikel
12.
-2. Een maatregel als bedoeld in het
eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de
belanghebbende de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen
van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van
verwijtbaarheid ontbreekt.
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een maatregel
als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een
schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet tijdig nakomen
van een verplichting als bedoeld in artikel 12 indien dit niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot
een te hoog bedrag verlenen van toeslag, tenzij het niet tijdig nakomen
van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te
rekenen vanaf de datum waarop eerder aan degene die aanspraak maakt op
toeslag, zijn echtgenoot of zijn wettelijk vertegenwoordiger een
zodanige waarschuwing is gegeven. [BmU] [Bw]
-4. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een maatregel
indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-5. Het opleggen van een maatregel blijft
achterwege indien voor dezelfde gedraging een bestuurlijke boete als
bedoeld in artikel 14a wordt opgelegd.
-6. Bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste en
tweede lid. [Mszw] [MT] [MU]
Art.
14a.
[Bestuurlijke boete bij niet-nakoming inlichtingenverplichting
| Schriftelijke waarschuwing | Reformatio in peius] [Babw]
[Bbw10] [Bbwn]
[Geschiedenis:
Stb. 1996, 248 + bis;
Stb. 1997, 96 + bis
+ bis + bis;
Stb. 1997, 789; Stb.
1998, 742 + bis; Stb.
2001, 481; Stb. 2001,
625 + bis; Stb.
2005, 708; Stb. 2008, 600;
Stb. 2009, 265 + bis;
Stb. 2010, 840; Stb.
2012, 462]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste
het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door
degene die aanspraak maakt op een toeslag, zijn echtgenoot of zijn
wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel
12.
De bestuurlijke boete is niet lager dan de boete die op grond van het
derde lid zou worden opgelegd indien er geen sprake was van een
benadelingsbedrag.
-2. In dit artikel wordt onder
benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet
of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel
12,
ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan toeslag is ontvangen.
-3. Indien het niet of niet behoorlijk
nakomen door degene die aanspraak maakt op een toeslag, zijn echtgenoot
of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in
artikel 12, niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, legt het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een bestuurlijke boete op
van ten hoogste het bedrag van de tweede categorie, bedoeld in artikel
23, vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht.
-4. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke
boete als bedoeld in het derde lid en volstaan met het geven van een
schriftelijke waarschuwing wegens het niet of niet behoorlijk nakomen
van de verplichting, bedoeld in artikel 12, tenzij het niet of niet
behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode
van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan degene die
aanspraak maakt op een toeslag, zijn echtgenoot of zijn wettelijke
vertegenwoordiger een zodanige waarschuwing is gegeven. [Bw]
-5. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen legt een bestuurlijke boete op wegens het niet
of niet behoorlijk nakomen door degene die aanspraak maakt op een
toeslag, zijn echtgenoot of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de
verplichting, bedoeld in artikel 12, als gevolg waarvan ten onrechte of
tot een te hoog bedrag aan toeslag is ontvangen, van ten hoogste 150% van het benadelingsbedrag indien binnen een tijdvak van vijf
jaar voorafgaand aan de dag van het begaan van de overtreding een
eerdere bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie is opgelegd
wegens een eerdere overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging, die
onherroepelijk is geworden.
-6. Onder eenzelfde gedraging als bedoeld
in het vijfde lid wordt verstaan het niet of niet behoorlijk nakomen van
de verplichting, bedoeld in de artikelen 12 van deze wet,
25 van de Werkloosheidswet,
70, eerste en tweede lid, van de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, 12, eerste lid, van de
Wet inkomensvoorziening oudere werklozen, 80 van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
2:7, eerste lid, of 3:74 van de
Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, 27, eerste lid, van de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, 31, eerste lid,¹ of
49 van de Ziektewet, als gevolg waarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan
uitkering, inkomensvoorziening, ziekengeld of toeslag is verleend.
-7. In afwijking van het vijfde lid is het
in dat lid genoemde tijdvak van vijf jaar tien jaar indien wegens de
eerdere overtreding, bedoeld in het vijfde lid, degene die aanspraak
maakt op een toeslag, zijn echtgenoot of zijn wettelijke
vertegenwoordiger is gestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
-8. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan:
a. de bestuurlijke boete verlagen indien
sprake is van verminderde verwijtbaarheid;
b. afzien van het opleggen van een
bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
-9. Degene aan wie een bestuurlijke boete
is opgelegd, is verplicht desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de inlichtingen te verstrekken die voor de
tenuitvoerlegging van de bestuurlijke boete van belang zijn.
-10. Bij algemene maatregel van bestuur
worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete. [Bszw]
-11. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging
van de beschikking waarbij de bestuurlijke boete is opgelegd.
-12. In afwijking van artikel 8:69 van de
Algemene wet bestuursrecht kan de rechter in beroep of hoger beroep het
bedrag waarop de bestuurlijke boete is vastgesteld ook ten nadele van de
degene die aanspraak maakt op een toeslag, zijn echtgenoot of zijn
wettelijke vertegenwoordiger wijzigen.
1. Volgens de redactie
dient ", 31, eerste
lid" te worden vervangen door: of 31, eerste
lid.
Art.
14b.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1996, 248 + bis
+ bis; Stb.
1997, 96 + bis; Stb.
2001, 625 + bis; Stb.
2009, 265]
Art.
14c. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1996, 248 + bis
+ bis; Stb.
1997, 96 + bis; Stb.
2001, 625 + bis + bis;
Stb. 2009, 265; Stb.
2012, 462]
Art.
14d.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1996, 248 + bis;
Stb. 1997, 96; Stb.
2001, 625; Stb. 2009, 265]
Art.
14e.
Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1996, 248 + bis;
Stb. 1997, 96; Stb.
2001, 625 + bis; Stb.
2009, 265]
Art.
14f. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1996, 248; Stb.
2009, 265; Stb. 2012, 462]
Art.
14g.
[Invordering bestuurlijke boete] [Geschiedenis:
Stb. 1995, 690; Stb.
1996, 248 + bis; Stb.
1997, 96 + bis; Stb.
1997, 789; Stb. 1998, 742
+ bis; Stb.
2001, 568; Stb. 2001,
625 + bis; Stb.
2003, 376; Stb. 2004, 717;
Stb. 2005,
573; Stb. 2009, 265;
Stb. 2009, 390; Stb. 2009, 282;
Stb.
2009, 318; Stb.
2009, 580; Stb. 2011, 645;
Stb.
2011, 650; Stb.
2012, 462]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verrekent de bestuurlijke boete met een
toeslag op grond van deze wet, een uitkering op grond van de Werkloosheidswet,
de Ziektewet, de Wet werk
en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Wet
inkomensvoorziening oudere werklozen of de Wet
arbeid en zorg, die degene aan wie de bestuurlijke boete is
opgelegd, ontvangt.
-2. De Sociale
verzekeringsbank onderscheidenlijk de gemeente
betaalt het bedrag van de bestuurlijke boete, zonder dat daarvoor een
machtiging nodig is, op zijn verzoek aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen indien degene aan wie een bestuurlijke boete is
opgelegd een uitkering ontvangt op grond van de Algemene
Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet,
de Wet werk en bijstand, de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.
-3. De in artikel 479g van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering aan de raad voor
de kinderbescherming toegekende bevoegdheid komt gelijkelijk toe aan
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Indien het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gebruik maakt van deze
bevoegdheid, geschiedt de bekendmaking van het dwangbevel, in afwijking
van artikel 4:123, eerste lid, van de Algemene
wet bestuursrecht, door middel van toezending per post aan degene
aan wie de boete is opgelegd.
-4. Zolang degene die aanspraak maakt op
een toeslag, zijn echtgenoot of zijn wettelijke vertegenwoordiger zijn
verplichting, bedoeld in artikel 14a, negende
lid, niet of niet behoorlijk nakomt:
a. is het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, in afwijking van artikel
4:93, vierde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht, bevoegd tot verrekening van de bestuurlijke boete
voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn;
b. geldt de beslagvrije voet,
bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, in afwijking van artikel
4:116 van de Algemene wet bestuursrecht,
niet bij de invordering van een bestuurlijke boete bij dwangbevel.
14h.
[Verrekening
bestuurlijke boete bij recidive] [Geschiedenis:
Stb. 2012, 462]
-1. Bij de verrekening, bedoeld in artikel
14g, eerste lid, wordt de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel
14a,
vijfde lid, door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, in
afwijking van artikel 4:93, vierde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht, verrekend gedurende een tijdvak van ten hoogste vijf jaar
vanaf het moment van de dagtekening waarop de bestuurlijke boete is
opgelegd.
-2. Artikel 14g, eerste lid, en het eerste
lid zijn van overeenkomstige toepassing op de verrekening van de
bestuurlijke boete wegens eenzelfde gedraging als bedoeld in artikel
14a, zesde lid, indien en voor zover op het moment van verrekening,
bedoeld in het eerste lid, de bestuurlijke boete door de overtreder niet
is betaald.
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan op verzoek van de overtreder besluiten het
eerste en tweede lid niet of niet meer toe te passen indien, gelet
op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken.
-4. De voorgaande leden laten de
verrekening van de bestuurlijke boete op grond van artikel
14g, eerste
lid, na het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, onverlet.
-5. Indien als gevolg van de verrekening,
bedoeld in het eerste en tweede lid, algemene bijstand op grond van de
Wet werk en bijstand wordt toegekend, wordt bij de verrekening een bij
ministeriële regeling bepaald deel van de toeslag op grond van deze wet
vrijgelaten in verband met zorgkosten, woonkosten en de kosten van
kinderen. Het vrij te laten deel van de toeslag kan afhankelijk worden
gesteld van de leefsituatie.
§
5. De betaling
van de toeslag
Art.
15.
[Betaalbaarstelling toeslag] [Bsoihu06]
[Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 1996, 134; Stb.
1997, 96 + bis; Stb.
1998, 742; Stb. 2001, 625
+ bis; Stb.
2003, 555; Stb.
2005, 37; Stb.
2005, 525; Stb. 2009, 265;
Stb.
2011, 288; Stb.
2012, 463]
-1.
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen betaalt de toeslag waarop op grond van deze wet
recht bestaat.
-2.
De bepalingen die gelden voor de loondervingsuitkering ter zake van
het verschuldigd zijn van premie, van ¹ de heffing en invordering van
premie, zoals deze zijn opgenomen in de
Wet financiering sociale verzekeringen, zijn op de toeslag die op
de loondervingsuitkering wordt verleend van overeenkomstige toepassing.
-3. De betaling van de
toeslag geschiedt, voor zoveel mogelijk, in dezelfde termijnen als die
waarin de betaling van de loondervingsuitkering geschiedt.
-4.
Zoveel mogelijk wordt de toeslag betaald samen met de
loondervingsuitkering in één bedrag dan wel wordt de toeslag betaald
aan de werkgever met toepassing van artikel 10, derde lid, van de
Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel
11, derde lid, van de
Ziektewet of artikel 11, tweede lid, van de
Werkloosheidswet.
-5.
Onverminderd het
eerste tot en met vierde lid vindt betaling plaats:
a.
binnen zes weken na indiening van de aanvraag indien artikel
11, derde lid, van toepassing is;
b.
bij de eerstvolgende betaling van de toeslag nadat wijziging van het minimumloon
heeft plaatsgevonden of tegelijk met de eerstvolgende gewijzigde
loondervingsuitkering indien artikel 11, vijfde lid,
van toepassing is;
c.
tegelijk met de betaling van de vakantie-uitkering op de
loondervingsuitkering indien artikel 11, zesde lid,
van toepassing is.
-6. Het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen
schort de betaling van de toeslag op of schorst
de betaling, indien het op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het
gegronde vermoeden heeft dat:
a. het recht op
toeslag niet of niet meer bestaat;
b. recht op een lagere
toeslag bestaat; of
c. degene die
aanspraak maakt op toeslag, zijn echtgenoot dan wel de persoon aan wie of de
instelling aan welke ingevolge artikel 22
toeslag wordt uitbetaald, een
verplichting als bedoeld in artikel 12, 12a
of 13 niet is
nagekomen.
1. Volgens de redactie
dient ", van" te worden vervangen door: en van.
Art.
15a.
[Opschorting betaling toeslag bij onrechtmatig
verblijf in Nederland] [Geschiedenis:
Stb. 1997, 789 + bis;
Stb. 1998, 203; Stb.
2000, 496; Stb. 2001,
625; Stb. 2003, 524;
Stb. 2003, 544]
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
schort de betaling van de toeslag op indien
degene aan wie een toeslag is toegekend een vreemdeling als bedoeld
in de Vreemdelingenwet
2000 is die niet rechtmatig in Nederland
verblijf houdt als bedoeld in artikel 8 van die
wet. [Bbtv]
[Bsoihu06]
Art.
15b.
[Opschorting betaling toeslag bij afwijking adres]
[Bsoihu06] [Geschiedenis:
Stb. 2001, 67; Stb.
2001, 625]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen schort
de betaling van de toeslag op indien blijkt dat het door de
toeslaggerechtigde verstrekte adres van hemzelf, van zijn echtgenoot of
van een kind afwijkt van het adres waaronder de betrokkene in de
gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven.
-2. Geen opschorting vindt plaats:
a. indien de afwijking
redelijkerwijs geen gevolgen kan hebben voor het recht op of de hoogte
van de uitkering;
b. indien de toeslaggerechtigde van
de afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen doet schriftelijk mededeling van de opschorting
aan de toeslaggerechtigde.
-4. De opschorting wordt beëindigd zodra
het aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen gebleken is dat
de afwijking niet meer bestaat.
Art. 16.
[Nadere regelgeving samenloop toeslagen]
[Geschiedenis]
Onze Minister
kan
regels stellen met betrekking tot samenloop van toeslagen. [Bsta16T]
Art.
17.
[Voorschot] [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 1997, 96; Stb.
2001, 625; Stb. 2009, 265]
Voor zover bij of krachtens deze wet niet anders is bepaald, wordt een
voorschot op een nog niet vastgestelde toeslag beschouwd als een toeslag
op grond van deze wet.
Art.
18.
[Verjaringstermijn betaalbaarstelling]
[Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 1997, 96; Stb.
2001, 625]
De toeslag die niet in ontvangst is
genomen of is ingevorderd binnen drie maanden na de dag van
betaalbaarstelling wordt niet meer betaald. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen is
bevoegd in bijzondere gevallen ten gunste van de toeslaggerechtigde af te
wijken van de in de eerste volzin genoemde drie maanden.
Art.
19.
[Uitbetaling vakantie-uitkering] [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 1997, 96; Stb.
2001, 625; Stb. 2010, 840]
-1. Het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen betaalt de vakantie-uitkering, voor zover niet reeds eerder betaald,
jaarlijks in de maand mei over de aan die maand voorafgaande maanden.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen betaalt de vakantie-uitkering, voor zoveel mogelijk, samen met de
vakantie-uitkering over de loondervingsuitkering in één bedrag.
-3. Indien niet langer recht op
loondervingsuitkering bestaat, wordt de nog niet betaalde vakantie-uitkering, voor
zoveel mogelijk, samen met de vakantie-uitkering over de
loondervingsuitkering, in één bedrag betaald.
Art.
20.
[Terugvordering] [Bti]
[Geschiedenis:
VvW; MvT
+ bis; Stb. 1996, 248 + bis;
Stb. 1997, 96; Stb.
1997, 789; Stb. 1998, 278
+ bis; Stb.
1998, 742; Stb. 2001,
625; Stb. 2005, 710;
Stb. 2009, 265; Stb.
2012, 462]
-1. De toeslag die als gevolg van een
besluit als bedoeld in artikel 11a of 14 onverschuldigd is betaald, alsmede
hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen teruggevorderd.
-2. In afwijking van het eerste lid kan
het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen besluiten van terugvordering of van
verdere terugvordering af te zien, indien degene van wie wordt
teruggevorderd:
a. gedurende vijf jaar volledig aan
zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;
b. gedurende vijf jaar niet volledig
aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode,
vermeerderd
met de daarover verschuldigde
wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten,
alsnog heeft betaald;
c. gedurende vijf jaar geen betalingen
heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal
gaan verrichten; of
d. een bedrag overeenkomend met ten
minste 50% van de restsom in één keer aflost.
-3. De in het tweede lid, onderdeel a, b
en c, genoemde termijn is tien jaar indien de terugvordering het gevolg
is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld
in artikel 12.
-4. De in het tweede lid, onderdeel a en
b,
genoemde termijn is drie jaar, indien:
a. het gemiddeld inkomen van de
belanghebbende in die periode de beslagvrije voet, bedoeld in de
artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet
te boven is gegaan; en
b. de terugvordering niet het gevolg
is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in
artikel 12.
-5. Indien daarvoor dringende redenen
aanwezig zijn, kan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen besluiten geheel
of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
-6. Degene van wie wordt teruggevorderd,
is verplicht desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de inlichtingen te verstrekken die voor de terugvordering van
belang
zijn.
-7. In afwijking van het eerste lid kan
het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, onder voorwaarden die
Onze Minister
kan stellen, besluiten van terugvordering af te zien indien het terug te vorderen bedrag een door
Onze Minister vast te stellen bedrag
niet te boven gaat. [Rtgb]
Art.
20a.
[Invordering bij dwangbevel]
[Geschiedenis:
Stb. 1996, 248; Stb.
1998, 278; Stb. 2001,
625; Stb. 2009, 265]
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan de onverschuldigd betaalde toeslag,
bedoeld in artikel 20, eerste lid, invorderen bij
dwangbevel.
-2. Artikel 14g
is van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat indien het gemiddeld inkomen van de belanghebbende gedurende drie
jaar de beslagvrije voet, bedoeld in de
artikelen 475c en 475d van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, niet te boven is gegaan, het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de aflossingsbedragen lager vaststelt.
Art.
20b.
[Nadere regelgeving tenuitvoerlegging
onverschuldigde betaling]
[Rbttbot] [Rtbbtob]
[Geschiedenis:
Stb. 1996, 248; Stb.
1997, 96; Stb. 1998, 278;
Stb. 2001, 625 + bis;
Stb. 2009, 265]
-1.
Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot artikel
20, tweede en derde lid, nadere regels worden gesteld.
-2. Bij ministeriële regeling kunnen
regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van tenuitvoerlegging
van de beschikking waarbij is vastgesteld dat onverschuldigd is betaald.
Art. 21.
[Schuldregeling] [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 1995, 200; Stb.
1996, 248; Stb. 2008, 510;
Stb. 2011, 618]
-1. In afwijking van artikel
20, eerste lid, kan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, op verzoek van degene die aanspraak maakt
op de toeslag, zijn echtgenoot of zijn wettelijke vertegenwoordiger,
alsmede de instelling aan welke ingevolge artikel 22
toeslag wordt uitbetaald, besluiten gedeeltelijk van terugvordering of
gedeeltelijk van verdere terugvordering af te zien bij medewerking aan
een schuldregeling, indien:
a. redelijkerwijs te voorzien is dat
degene die aanspraak maakt op de toeslag, zijn echtgenoot of zijn
wettelijke vertegenwoordiger, alsmede de instelling aan welke ingevolge artikel
22 toeslag wordt uitbetaald, niet zal kunnen voortgaan met het
betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij
heeft opgehouden te betalen;
b. redelijkerwijs te voorzien is dat
een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in
het tweede lid bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder
een zodanig besluit niet tot stand zal komen;
c. de vordering van het
Uitvoeringinstituut werknemersverzekeringen wegens onverschuldigde
betaling ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de
vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang;
d. een naar het oordeel van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen betrouwbaar voorstel voor
een schuldregeling tot stand is gekomen door tussenkomst van een schuldhulpverlener als
bedoeld in artikel 48 van de Wet
op het consumentenkrediet;
e. aannemelijk is dat medewerking
aan een schuldregeling niet concurrentieverstorend werkt; en
f. uitdeling in het kader van de
schuldregeling plaatsvindt overeenkomstig artikel 349 van de Faillissementswet.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing
indien een vordering is ontstaan door het niet nakomen door degene die
aanspraak maakt op de toeslag, zijn echtgenoot of zijn wettelijke
vertegenwoordiger, alsmede de instelling aan welke ingevolge artikel
22 toeslag wordt uitbetaald, van de verplichting, bedoeld in artikel
12, en hiervoor een boete als bedoeld in artikel 14a
is opgelegd, dan wel met betrekking tot het niet naleven van die
verplichting aangifte is gedaan op grond van het Wetboek
van Strafrecht.
-3. Het besluit tot het afzien van
terugvordering of van verdere terugvordering wordt ingetrokken of ten
nadele van degene die aanspraak maakt op de toeslag, zijn echtgenoot of
zijn wettelijke vertegenwoordiger, alsmede de instelling aan welke
ingevolge artikel 22 toeslag wordt uitbetaald, degene
van wie wordt teruggevorderd gewijzigd, indien:
a. niet binnen twaalf maanden nadat
dat besluit is bekendgemaakt een schuldregeling tot stand is gekomen die
voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid;
b. degene die aanspraak maakt op de
toeslag, zijn echtgenoot of zijn wettelijke vertegenwoordiger, alsmede
de instelling aan welke ingevolge artikel 22 toeslag
wordt uitbetaald, zijn schuld aan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet;
of
c. onjuiste of onvolledige gegevens
zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot
een ander besluit zou hebben geleid.
-4. Bij ministeriële regeling kunnen met
betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld ten aanzien van
de bevoegdheid om mee te werken aan schuldregelingen.
Art.
21a.
[Preferentie] [Geschiedenis:
Stb. 2008, 510; Stb.
2011, 618]
Een vordering van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen als bedoeld in artikel 20
en 21 is bevoorrecht en volgt
onmiddellijk na de vorderingen, bedoeld in artikel 288 van Boek
3 van het Burgerlijk Wetboek.
Art.
22.
[Betaling aan instellingen] [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 1995, 691; Stb.
1997, 96; Stb. 1999, 185;
Stb. 2001, 625; Stb.
2005, 525]
Indien het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen op grond van een wettelijke bepaling de loondervingsuitkering
geheel of gedeeltelijk in plaats van aan de toeslaggerechtigde zonder diens
machtiging uitbetaalt aan het
College voor
zorgverzekeringen,
genoemd in artikel
58, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, een inrichting ter verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen of aan een
gemeente die de opnamekosten in een
dergelijke inrichting betaalt, betaalt het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen tevens de toeslag aan die raad ¹, inrichting of
gemeente. [BbzmC]
[BbzmZ]
1. Volgens de redactie dient
"die raad" te worden vervangen door: dat college.
Art.
23.
[Overlijdensuitkering] [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 1995, 696; Stb.
1997, 96; Stb. 1997, 773;
Stb. 1997, 794; Stb.
2001, 625; Stb. 2005,
573; Stb.
2009, 580; Stb. 2010, 840;
Stb.
2010, 867; Stb. 2012, 2]
-1. Na het overlijden van de
toeslaggerechtigde wordt met ingang van de dag na het overlijden de toeslag in de
vorm van een overlijdensuitkering uitbetaald:
a. aan de langstlevende van de
echtgenoten;
b. bij ontstentenis van de in
onderdeel a bedoelde persoon, aan de minderjarige kinderen tot wie de
overledene in familierechtelijke betrekking stond;
c. bij ontstentenis van de in de
onderdelen a en b bedoelde personen, aan degenen met wie de
overledene in gezinsverband leefde.
-2. De overlijdensuitkering is gelijk
aan het bedrag van de toeslag over één maand, doch niet over de zaterdagen en
zondagen, berekend naar de hoogte van die toeslag op de dag of
laatstelijk vóór de dag van overlijden van de toeslaggerechtigde.
-3. De
overlijdensuitkering wordt ambtshalve of op verzoek aan de rechthebbende of
rechthebbenden, genoemd in het eerste
lid, door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen
uitbetaald.
-4. De
overlijdensuitkering wordt in een bedrag ineens uitbetaald.
-5. Het bedrag van de
overlijdensuitkering wordt verminderd met het bedrag aan toeslag dat, over
na het overlijden gelegen dagen, reeds is uitbetaald.
-6. De
overlijdensuitkering is niet vatbaar voor beslag.
Art.
23a. [Aanmerking
als gehuwd na overlijden echtgenoot] [Geschiedenis:
Stb. 1995, 696]
Na het overlijden van
de echtgenoot van een toeslaggerechtigde wordt de toeslaggerechtigde
voor de toepassing van deze wet en de daarop rustende bepalingen tot en met
één maand na de dag van overlijden van de echtgenoot als gehuwd aangemerkt.
Art. 24. Vervallen.
[Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 1995, 691; Stb.
1995, 696]
Art. 25.
[Onvervreemdbaarheid toeslag] [Geschiedenis:
VvW; MvT]
-1. De toeslag is
onvervreemdbaar en niet vatbaar voor verpanding of belening.
-2. Een machtiging tot
het in ontvangst nemen van de toeslag, onder welke vorm of benaming ook
verleend, is steeds herroepelijk.
-3. Elk
beding
strijdig met het eerste of tweede lid is nietig.
HOOFDSTUK
III
Financiering
Art. 26.
[Financiering door Rijk] [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 1995, 691; Stb.
1996, 248; Stb. 1997, 789;
Stb. 2009, 265]
In de middelen tot
dekking van de uitgaven ten laste van het Toeslagenfonds wordt voorzien door
het Rijk, alsmede door de met toepassing van artikel 14a
verkregen bestuurlijke boeten.
Art. 27.
[Toeslagen en kosten ten laste van Toeslagenfonds]
[Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 1997, 96; Stb.
1997, 794; Stb. 2001,
625]
-1. De op grond van
deze wet te betalen toeslagen en de aan de uitvoering van deze wet verbonden
kosten komen ten laste van het Toeslagenfonds.
-2.
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan regels stellen
met betrekking tot het eerste lid.
Art. 28. Vervallen.
[Geschiedenis:
VvW; MvT]
HOOFDSTUK
IV
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen
Art. 29.
[Uitvoeringsinstelling] [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 1997, 96; Stb.
2001, 625 + bis]
-1.
In de uitvoering van
deze wet wordt voorzien door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
-2. Het recht op
toeslag ingevolge deze wet bestaat tegenover het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
Art. 30.
[Controlevoorschriften en reikwijdte] [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 1997, 96 + bis;
Stb. 2001, 625]
Het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen
is bevoegd controlevoorschriften vast te stellen. Deze
voorschriften mogen niet verder gaan dan strikt noodzakelijk is voor de
juiste
uitvoering van deze wet. [BcT]
Art. 31.
[Beheer en administratie Toeslagenfonds]
[Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 1997, 96; Stb.
2001, 625]
Het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen
beheert en administreert
afzonderlijk de middelen tot
dekking van de uitgaven, bedoeld in artikel 27, eerste lid, in de vorm van
een Toeslagenfonds dat deel uitmaakt van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
Art. 32.
[Schakelbepaling] [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb.
2005, 37]
Artikel 120 van de Wet financiering sociale verzekeringen
is van overeenkomstige toepassing
Art. 33. Vervallen.
[Geschiedenis:
VvW; MvT]
Art. 34. Vervallen.
[Geschiedenis:
VvW; MvT]
Art. 35. Vervallen.
[Geschiedenis:
VvW; MvT]
HOOFDSTUK
V
Bepalingen
in verband met de Algemene wet bestuursrecht en het beroep in cassatie
Art.
36.
[Bijzondere beslistermijnen aanvraag] [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 2000, 627; Stb. 2010, 840]
-1.
Indien de aanvraag om een toeslag tezamen met een aanvraag om een
loondervingsuitkering wordt ingediend, wordt de beschikking over de
toeslag gegeven binnen de termijn die geldt voor het geven van een
beschikking inzake de loondervingsuitkering.
-2. Indien een beschikking als bedoeld in
het eerste lid niet binnen de toepasselijke termijn kan worden gegeven,
wordt dit schriftelijk aan de aanvrager medegedeeld onder vermelding van
een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan
worden gezien.
Art.
37.
[Algemene beslistermijnen aanvraag] [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 2000, 627; Stb. 2010, 840]
-1. Onverminderd artikel 36 worden de
beschikkingen op grond van deze wet en de daarop berustende bepalingen
gegeven binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.
-2. De redelijke termijn is in ieder geval
verstreken wanneer binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen
beschikking is gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in het derde
of vierde lid is gedaan.
-3. Indien een beschikking niet binnen de
termijn van acht weken kan worden gegeven, wordt die termijn met een
redelijke termijn verlengd en wordt de aanvrager daarvan schriftelijk in
kennis gesteld.
Art.
37a. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 2005,
573; Stb.
2012, 682]
Art. 38.
[Beslistermijnen bezwaar] [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 1997, 96; Stb.
1997, 178; Stb. 2001,
625; Stb. 2005,
573; Stb. 2009, 384; Stb.
2009, 580]
-1.
In afwijking van
artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen
binnen dertien weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn
voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.
-2. Indien het
bezwaarschrift, bedoeld in het eerste lid, verband houdt met een bezwaar tegen een
besluit waaraan een medische of arbeidskundige beoordeling ten
grondslag ligt, zijn de artikelen 79, tweede lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet,
artikel 112 van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen, artikel 96, tweede lid, van de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, artikel 6:3, tweede
lid, van de Wet werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten,
87d van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en XXVIIa, tweede lid,
van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen van overeenkomstige
toepassing.
Art. 39.
[Beroep in cassatie] [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 1997, 660; Stb.
1997, 789]
-1. Tegen uitspraken
van de Centrale Raad van Beroep kan ieder der
partijen beroep in cassatie
instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van artikel
1, derde
tot en met zevende lid, en de daarop berustende bepalingen.
-2. Op dit beroep zijn
de voorschriften betreffende het beroep in cassatie tegen uitspraken van
de gerechtshoven inzake beroepen in
belastingzaken van overeenkomstige
toepassing, waarbij de Centrale Raad van Beroep de plaats inneemt van een gerechtshof.
HOOFDSTUK
VI
Strafbepalingen
Art. 40.
[Strafbepaling gedraging strijdig met AMvB] [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 2009, 265]
Een gedraging die in strijd is met een krachtens deze wet uitgevaardigde algemene maatregel van bestuur,
voor zover uitdrukkelijk als strafbaar feit in de zin van dit artikel aangeduid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste
één maand of geldboete
van de tweede categorie.
Art. 41.
Vervallen.
[Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 2000, 40]
Art. 42. Vervallen.
[Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 2000, 40]
Art. 43.
[Overtredingen] [Geschiedenis:
VvW; MvT;
Stb. 2000, 40]
De in artikel 40
bedoelde strafbare feiten zijn overtredingen.
Art.
43a. Vervallen. [Geschiedenis:
Stb. 1996, 248 + bis;
Stb. 1997, 96; Stb.
2001, 625; Stb. 2009, 265]
HOOFDSTUK
VII
Overgangs-
en slotbepalingen
Art.
44.
[Overgangsrecht 29 december 2005 maximumtoeslag] [Geschiedenis;
Stb. 2005,
573]
Op de persoon die op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel
1.10, onderdeel C, van de Wet invoering en
financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen recht had op
een toeslag op grond van deze wet blijft, tenzij het recht op de
uitkering eindigt, artikel 8, vierde lid, zoals dat
luidde op die dag van toepassing tot een bij ministeriële regeling
bepaald tijdstip dat voor verschillende groepen personen verschillend
kan worden vastgesteld. [RvtmT]
Art.
44a.
[Overgangsrecht 1 januari 2008 kopjesregeling IWS] [RhkIj08]
[Geschiedenis;
Stb. 2007, 302]
-1. De artikelen
24, 48 en 64a
van de Invoeringswet stelselherziening sociale
zekerheid en de daarop rustende bepalingen zoals deze luidden op 31
december 2007 blijven tot 1 maart 2008 van toepassing op de persoon die:
a. op 31 december 2007 recht had op
een verhoging van zijn uitkering op grond van de artikelen
24, 48 of 64a
van de Invoeringswet stelselherziening sociale
zekerheid; en
b. op 1 januari 2008 geen recht
heeft op een toeslag.
-2. Artikel 64a
van de Invoeringswet stelselherziening sociale
zekerheid en deze wet en de op dat artikel en deze wet rustende
bepalingen zoals deze luidden op 31 december 2007 blijven van toepassing
tot de dag waarop het recht op ziekengeld is geëindigd, maar uiterlijk
tot 1 maart 2008 op de persoon die:
a. op 31 december 2007 recht had op
een verhoging van zijn uitkering op grond van artikel
64a van de Invoeringswet
stelselherziening sociale zekerheid;
b. op 31 december 2007 geen recht
had op een toeslag; en
c. op 1 januari 2008 recht zou
hebben op een toeslag.
Art.
44b.
[Overgangsrecht 5 mei 2005 afbouw export toeslag]
[Geschiedenis;
Stb. 2006, 695; Stb.
2006, 696; Stb. 2007, 302]
-1. Voor de toepassing van
dit artikel wordt onder verordening verstaan: Verordening (EG) nr.
647/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005 tot
wijziging van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad betreffende de
toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen,
alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap
verplaatsen, en van Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad tot vaststelling
van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (PbEU L 117).
-2. Aan de persoon, bedoeld
in artikel 2, eerste, tweede of derde lid, die:
a. op de dag vóór de
inwerkingtreding van de verordening recht op toeslag heeft op grond van
artikel 10, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van de
Europese gemeenschappen van 14 juni 1971 betreffende de toepassing
van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich
binnen de Gemeenschap
verplaatsen (PbEG L 149); en
b. niet in Nederland woont,
maar wel in een andere lidstaat van de Europese Unie, in een land aangesloten bij de Europese Economische
Ruimte dan wel in Zwitserland;
wordt in afwijking van artikel 4a:
1º. vanaf de datum van
inwerkingtreding van de verordening tot en met één jaar na het tijdstip van
inwerkingtreding van de wet waarbij dit artikel in deze
wet is ingevoegd het bedrag uitbetaald waarop recht zou bestaan indien
betrokkene in Nederland zou wonen;
2º. gedurende het tweede
jaar na het tijdstip van
inwerkingtreding van de wet waarbij dit artikel in deze
wet is ingevoegd twee
derde van het bedrag
uitbetaald waarop recht zou bestaan indien betrokkene in Nederland zou
wonen; en
3º. gedurende het derde
jaar na het tijdstip van
inwerkingtreding van de wet waarbij dit artikel in deze
wet is ingevoegd een derde
van het bedrag uitbetaald
waarop recht zou bestaan indien betrokkene in Nederland zou wonen.
Art.
44c. [Overgangsrecht
1 januari 2010 gelijkstelling voormalige pleeg- en stiefkinderen aan eigen kinderen]
[Geschiedenis:
Stb. 2009, 596]
Artikel 1, achtste en negende lid, is niet van
toepassing indien vóór de inwerkingtreding van deze artikelleden op
grond van artikel 2 recht bestaat op toeslag, omdat de
ongehuwde toeslaggerechtigde wegens een gezamenlijke huishouding met een
meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind is
aangemerkt als gehuwd, voor zolang dit recht op toeslag bestaat, tenzij
toepassing van de genoemde artikelleden leidt tot een hogere toeslag.
Art. 45.
[Citeertitel] [Geschiedenis:
VvW]
Deze wet kan worden
aangehaald onder de titel "Toeslagenwet".
Art. 46.
[Inwerkingtreding] [Geschiedenis:
VvW; MvT]
Deze wet treedt in
werking op een bij of krachtens wet te bepalen tijdstip.¹
1. Bij Besluit van 26 november 1986, Stb.
1986, 597, is het tijdstip van inwerkingtreding bepaald op 1 januari 1987, red.
Lasten en bevelen dat deze in het
Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten,
colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te 's-Gravenhage, 6 november
1986
BEATRIX
De Staatssecretaris van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid,
L. de Graaf
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. de Koning
Uitgegeven de achttiende november 1986
De Minister van Justitie,
F. Korthals Altes
MEMORIE
VAN TOELICHTING
|
|