|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2009-2010, 31 165
Tijdelijke
regels voor een pilot ter bevordering van de participatie van personen
met een arbeidsbeperking met behulp van loondispensatie (Tijdelijke
wet pilot loondispensatie)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Doel
en evaluatie |
| 3 |
Vormgeving
pilot loondispensatie |
| 3.1 |
Doelgroep |
| 3.2 |
Financiering
en deelname gemeenten |
| 3.3 |
Toegangstoets |
| 3.4 |
Werkzaamheden
met behoud van uitkering |
| 3.5 |
Loonwaardebepaling |
| 3.6 |
Dienstbetrekking
en loondispensatie |
| 3.7 |
Beëindiging
pilot of beëindiging deelname gemeente aan pilot |
| 4 |
Financiële
aspecten pilot loondispensatie |
| 5 |
Uitvoering
pilot loondispensatie |
| 6 |
Ontvangen
commentaren en adviezen pilot loondispensatie |
| 7 |
Inwerkingtreding |
| xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
1 t/m 16 |
Algemeen
1.
Inleiding
Mensen
met een arbeidsbeperking willen naar
vermogen meedoen in de samenleving. Dit
is belangrijk voor henzelf en voor de
samenleving. Ondanks het feit dat de Wet
sociale werkvoorziening (hierna: Wsw)
aan meer dan 100 000 personen met een
arbeidsbeperking werk biedt, lukt het
nog te weinig om mensen met een
arbeidsbeperking via regulier werk
optimaal te laten deelnemen op de
arbeidsmarkt. Ongeveer driekwart van de
Wsw-ers werkt niet bij een reguliere
werkgever, terwijl velen van hen dat met
de nodige begeleiding en ondersteuning
op de werkplek (hierna: voorzieningen)
wel zouden kunnen. De huidige
wachtlijsten dreigen op termijn te
verdubbelen: tegenover de 100 000 Wsw-werknemers komen dan 40
000 tot 50 000 wachtenden te staan. Daarenboven
is de Wsw een relatief kostbare
voorziening.
Gelet
op deze problematiek heeft het kabinet
begin 2008 de Commissie fundamentele
herbezinning Wsw (hierna: de commissie-De Vries) geïnstalleerd om advies uit
te brengen over mogelijke maatregelen
ter verhoging van de participatie van
mensen met een arbeidsbeperking die
niet zelfstandig een reguliere baan
kunnen bemachtigen en behouden, maar wel
tot regelmatige en zinvolle aangepaste
arbeid in staat zijn, bij gelijkblijvende budgettaire middelen. Daarbij
dienden alle regelingen voor mensen met
een arbeidsbeperking in onderlinge
samenhang te worden bezien. De commissie-De
Vries heeft op 9 oktober 2008 haar
advies "Werken naar vermogen"
(Kamerstukken II 2008-2009, 29 817, nr.
40) uitgebracht.
Zoals
ook het advies van de commissie-De Vries
laat zien, zijn de bestaande problemen
een gevolg van het huidige wettelijke
systeem en hoe dat in de praktijk
uitwerkt. Zo stimuleert de Wsw
gemeenten
en bedrijven in de sociale
werkvoorziening (hierna: sw-bedrijven)
nog te weinig om Wsw-ers te helpen zich
te ontwikkelen als werknemer en hen
zoveel mogelijk naar regulier werk te
bemiddelen. De Wsw is zo vormgegeven
dat gemeenten en de sw-bedrijven er
zelfs financieel belang bij kunnen
hebben om zoveel mogelijk Wsw-ers onder
hun hoede te houden rblz.|2|
(zeker de meest
productieven). Daarnaast zijn
sw-bedrijven van oudsher bedrijven
gericht op productie van goederen, geen
bedrijven die mensen ruggensteunen naar
een plek op de reguliere arbeidsmarkt.
Bovendien is het mede door de Wsw-CAO
voor de Wsw-ers zelf ook niet
aantrekkelijk om bij een reguliere
werkgever aan de slag te gaan. De Wsw
functioneert nu als een fuik: gemeenten
en sw-bedrijven worden nog te weinig
geprikkeld de omslag te maken naar
"arbeidsontwikkelbedrijf"
en personen die meer kunnen, worden in
hun ontwikkeling geremd. Daarmee wordt
het doel voorbijgeschoten en worden de
personen waarom het gaat, tekortgedaan.
Uitgangspunt is om zoveel mogelijk
personen met een arbeidsbeperking bij
een reguliere werkgever aan de slag te
helpen. Dat laat evenwel onverlet dat
voor sommigen een afgeschermde werkplek
- al dan niet tijdelijk - de enige
mogelijkheid is om te kunnen
participeren. Voor deze mensen moeten
die werkplekken blijven bestaan. Naast
voornoemde problemen die zich voordoen
in de Wsw is er ook een groep mensen die
nu tussen wal en schip valt en die
permanent is aangewezen op een
uitkering. Deze groep is niet in staat
het wettelijk minimumloon te verdienen,
maar kan ook geen of onvoldoende
aanspraak maken op de verschillende
regelingen die er zijn voor mensen met
een arbeidsbeperking.
De commissie-De Vries heeft op grond van
bovenstaande geadviseerd tot een
fundamentele wijziging van het stelsel
van werk en inkomen. Werk moet voor alle
personen met een arbeidsbeperking meer
centraal komen te staan. Mensen moeten
in staat worden gesteld te werken naar
hun vermogen, het liefst op de reguliere
arbeidsmarkt. Daarbij stelt de commissie-De
Vries een uniforme benadering voor
van alle personen met een
arbeidsbeperking bij de inschakeling in
arbeid.
Het
kabinet deelt de door de commissie-De
Vries gehanteerde uitgangspunten, zoals
blijkt uit het kabinetsstandpunt van 13
februari 2009 (Kamerstukken II 2008-2009,
29 817, nr. 40). Ook spreekt de
vereenvoudiging van het stelsel zoals
door de commissie-De Vries voorgesteld
het kabinet ten zeerste aan, omdat dit
kan bijdragen aan het vergroten van de
effectiviteit van de ingezette publieke
middelen. Tegelijkertijd vindt het
kabinet de uitwerking zo ingrijpend dat
het - eveneens conform het advies van
de commissie-De Vries - eerst de
effectiviteit en de toepasbaarheid van
de nieuwe systematiek in pilots wil
onderzoeken. Het betreft immers de
positie van een zeer kwetsbare groep in
de samenleving, dus zorgvuldigheid dient
voorop te staan. Op grond van de
(tussentijdse) evaluatie van de pilots
kunnen vervolgens gefundeerde
beslissingen over een mogelijke
stelselwijziging worden genomen.
In
de brief van de Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 2
juli 2009 (Kamerstukken II 2009 [lees:
Kamerstukken II 2008-2009, red.], 29 817,
50) worden de verschillende pilots, die
een looptijd kennen tot eind 2012, nader
uitgewerkt. In de eerste pilot staat het
creëren van meer werkplekken voor
mensen met een arbeidsbeperking bij
reguliere werkgevers centraal. De tweede
pilot heeft als doel het verder
stimuleren van de ontwikkeling van
sw-bedrijven naar
arbeidsontwikkelbedrijven. De derde
pilot richt zich op het verbeteren van
de dienstverlening op de werkpleinen aan
en voor mensen met een arbeidsbeperking.
In de vierde pilot, die het onderwerp
vormt van onderhavig
wetsvoorstel, wordt
tot slot de nieuwe systematiek
onderzocht, waarbij inzet van het
instrument loondispensatie centraal
staat. De eerste drie pilots zijn
randvoorwaardelijk. Mocht in de toekomst
worden besloten tot het invoeren van een
nieuwe systematiek, dan is het voor de
implementatie daarvan belangrijk dat de
innovaties in de uitvoeringspraktijk bij
werkgevers, sw-bedrijven en werkpleinen
voor mensen met een arbeidsbeperking
(grotendeels) zijn ingevoerd.
Tegelijkertijd is verdere verbetering
van de dienstverlening ook in "het hier
en nu" van belang.
rblz.|3|
2.
Doel
en evaluatie
Met
onderhavig wetsvoorstel is de regering
voornemens om een basis te creëren om
uitvoering te kunnen geven aan de pilot
waarbij inzet van het instrument
loondispensatie centraal staat.
Toepassing van het instrument
loondispensatie komt erop neer dat de
werkgever mag afwijken van het bepaalde
bij en krachtens de Wet minimumloon en
minimumvakantietoeslag [lees: Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag,
red.] en een loon mag betalen dat onder het
wettelijk minimumloon
ligt als de loonwaarde van
de werknemer in de desbetreffende
functie uitwijst dat betrokkene niet in
staat is om het wettelijk minimumloon te
verdienen. De vraag die in deze pilot
centraal staat, is of loondispensatie als
instrument en de wijze waarop dit
instrument wordt gehanteerd door gemeenten die deelnemen aan de
pilot
bijdraagt aan het bevorderen van de
arbeidsparticipatie van personen met een
arbeidsbeperking.
De
pilot moet onder meer inzicht geven in
de afbakening, de kenmerken en de omvang
van de potentiële doelgroep, onder meer
door de toepassing van de toegangstoets.
Verder zal uit de pilot moeten blijken
in hoeverre de verschillende methodieken
voor het bepalen van de loonwaarde
reëel en objectief zijn en in de
praktijk hanteerbaar zijn en welke
administratieve lasten deze met zich
meebrengen. Voorts is het, om onnodige
uitval uit arbeid te voorkomen, van
belang te bezien welke voorzieningen op
de werkplek worden geboden aan
werkgevers en werknemers. Ook zijn de
gegevens over de gemiddelde loonwaarde
die de doelgroep weet te realiseren (de
baten) en de gemiddelde kosten voor
voorzieningen (de lasten) relevant voor
de vraag in hoeverre een dergelijk
stelsel budgettair neutraal zou kunnen
worden gefinancierd, mocht het landelijk
worden ingevoerd. Uitgangspunt is immers
dat een eventueel in te voeren nieuwe
systematiek geen additionele kosten met
zich meebrengt ten opzichte van de
huidige situatie. Doel is om meer mensen
met een arbeidsbeperking te laten
participeren gegeven de bestaande
budgetten voor de Wsw, re-integratie en
uitkeringen. Tevens dient bezien te
worden of en hoe een financiële prikkel
voor gemeenten en de mensen zelf
bijdraagt aan de inschakeling in arbeid
en de verdere ontwikkeling. Hierbij zal
speciale aandacht uitgaan naar de
inspanningen die aan de pilot
deelnemende gemeenten verrichten om de
meest kwetsbare groep toe te leiden naar
arbeid. Dit is de groep waarvoor de
kosten voor voorzieningen de besparing
op de uitkering dan wel
inkomensvoorziening te boven gaan. De
pilot zal ook meer inzicht moeten geven
in de opnamecapaciteit van de
arbeidsmarkt (de bereidheid van
werkgevers om mensen met een
arbeidsbeperking een kans te bieden), in
de mate waarin reguliere arbeid wordt
gerealiseerd voor de doelgroep en in
mogelijke verdringingseffecten, oftewel
in hoeverre leidt de nieuwe systematiek
ertoe dat mensen met een
arbeidsbeperking werk gaan verrichten
dat anders was verricht door mensen
zonder arbeidsbeperking. Daarnaast
zullen eventuele onvoorziene
neveneffecten in kaart worden gebracht
en de wijze waarop de toeleiding naar en
inschakeling in arbeid door alle
betrokkenen wordt ervaren. Tot slot
zullen de verschillen tussen werken met
inzet van het instrument loondispensatie
en werken met inzet van het instrument
loonkostensubsidie in beeld worden
gebracht.
De
pilots zijn succesvol als naar
aanleiding van de uitkomsten een
gefundeerde beslissing kan worden
genomen over het al dan niet landelijk
invoeren van de nieuwe systematiek. De
pilots dienen de bestaande onzekerheden
weg te nemen en onder meer inzicht te
verschaffen in voornoemde vragen. De
pilots zullen dan ook nauwlettend
gemonitord en (tussentijds) geëvalueerd
worden. Dat geldt voor alle pilots
afzonderlijk, maar ook voor het geheel.
rblz.|4|
3.
Vormgeving
pilot loondispensatie
3.1. Doelgroep
De
regering heeft voor ogen de doelgroep
voor de pilot te laten bestaan uit
personen die algemene bijstand ontvangen
op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb),
die beschikken over een geldige Wsw-indicatie en op de huidige
Wsw-wachtlijst staan (of gedurende de
pilot komen) en personen die algemene
bijstand ontvangen op grond van de Wwb,
die niet beschikken over een geldige
Wsw-indicatie en die vanwege structurele
lichamelijke, verstandelijke, psychische
of psychosociale beperkingen niet in
staat zijn het wettelijk minimumloon
te
verdienen, doch wel ten minste 20
procent daarvan. De ervaring leert
immers dat mensen met een loonwaarde die
lager ligt dan 20 procent van het
wettelijk minimumloon veelal niet in
staat zijn om bij een reguliere
werkgever arbeid te verrichten.
Werkgevers (inclusief sw-bedrijven) zijn
vaak niet bereid hen een dienstverband
aan te bieden. Ook jongeren tussen 23 en
27 jaar, die vanaf 1 oktober 2009 door
de inwerkingtreding van de Wet
investeren in jongeren (WIJ) niet meer
tot de Wwb-doelgroep zullen behoren,
vallen, mits ze aan bovenstaande
criteria voldoen, onder de doelgroep van
de pilot. De regering heeft voor de
ondergrens van 23 jaar gekozen vanwege
het feit dat voor personen die jonger
zijn het wettelijk minimumjeugdloon
geldt. Onder meer omdat dit wettelijk
minimumjeugdloon ieder levensjaar een
andere hoogte kent, zou de uitvoering
van de pilot (met name het bepalen van
de hoogte van de aanvullende uitkering)
hierdoor onnodig gecompliceerd worden.
Personen
van 23 jaar of ouder die algemene
bijstand ontvangen op grond van de Wwb
of die een inkomensvoorziening ontvangen
op grond van de WIJ en beschikken over
een geldige Wsw-indicatie en op de
Wsw-wachtlijst staan (of gedurende de
pilot komen), behoren automatisch tot de
doelgroep. Van hen is de
arbeidsbeperking immers vastgesteld bij
de Wsw-indicatiestelling. Voor personen
van 23 jaar of ouder die algemene
bijstand ontvangen op grond van de Wwb of een inkomensvoorziening ontvangen op
grond van de WIJ, zonder geldige
Wsw-indicatie, zal uit de toegangstoets
(zie paragraaf 3.3) moeten blijken of
sprake is van een arbeidsbeperking. Voor
hen wijst de toegangstoets uit of zij
tot de doelgroep behoren.
De
regering heeft bewust gekozen voor een
bredere groep dan alleen mensen die
beschikken over een geldige Wsw-indicatie en op de huidige
Wsw-wachtlijst staan (of gedurende de
pilot komen). Deze mensen willen immers
graag werken. Om echter te kunnen
beoordelen of een financiële prikkel
voor mensen zelf bijdraagt aan de
inschakeling in arbeid en de verdere
ontwikkeling, is het van belang dit ook
te onderzoeken bij een groep die
wellicht minder intrinsiek gemotiveerd
is om te werken. Voorts is van personen
die beschikken over een geldige
Wsw-indicatie de arbeidsbeperking reeds
vastgesteld, waardoor het afbakenen van
de doelgroep met behulp van de
toegangstoets met deze groep niet kan
worden onderzocht.
Voor
personen van 23 jaar of ouder die
algemene bijstand ontvangen op grond van
de Wwb of een inkomensvoorziening
ontvangen op grond van de WIJ
is voorts
gekozen omdat het een duidelijk
afgebakende groep betreft, waarmee
relatief eenvoudig alle onderdelen van
de nieuwe systematiek kunnen worden
onderzocht. Het gaat hierbij in ieder
geval om de toegangstoets, de
loonwaardebepaling in de praktijk, de
financierings- en beloningssystematiek
en de wijze waarop gemeenten het
instrument loondispensatie toepassen,
daar waar zij dat onder de huidige
regelgeving niet kunnen. Inzet van het
instrument loondispensatie biedt
gemeenten de rblz.|5|
mogelijkheid om óók
mensen naar werk toe leiden en verder te
ontwikkelen die niet in staat zijn om
het wettelijk minimumloon
te verdienen,
doch wel ten minste 20 procent daarvan.
Voor personen die aanspraak kunnen doen
op een uitkering op grond van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten (Wajong) [lees: Wet
werk en arbeidsondersteuning
jonggehandicapten (Wet Wajong), red.]
is het
instrument loondispensatie op dit moment
wel al beschikbaar, maar op grond van de
Wwb is thans noch het structureel
inzetten van een loonkostensubsidie, noch
het inzetten van loondispensatie,
waarmee tevens bewerkstelligd kan worden
dat meer werken ook loont, mogelijk.
Door te kiezen voor personen van 23 jaar
of ouder die algemene bijstand ontvangen
op grond van de Wwb of een
inkomensvoorziening ontvangen op grond
van de WIJ kan derhalve snel overgegaan
worden tot uitvoering van de pilot op
basis waarvan tevens een gefundeerde
beslissing genomen kan worden over het
al dan niet landelijk invoeren van de
nieuwe systematiek voor een brede
doelgroep. Mocht evenwel uit de
resultaten van de pilot blijken dat de
nieuwe systematiek werkt, dan zal worden
bezien of verbreding van de pilot met
andere groepen meerwaarde zou kunnen
hebben.
In
het navolgende komt de wijze waarop de
toeleiding naar werk in de pilot
geschiedt alsook de rechten en plichten
die daarbij zullen gelden aan bod. Wat
dit laatste betreft, geldt dat de
regering de nieuwe benadering van mensen
met een arbeidsbeperking zoals door de
commissie-De Vries voorgesteld, waarin
vrijblijvendheid in beginsel niet meer
past, onderschrijft. Daarmee komt niet
alleen tot uitdrukking dat mensen en hun
mogelijkheden serieus worden genomen
door de regering, maar ook dat van
iedereen die een beroep doet op een vorm
van inkomensondersteuning in beginsel
verlangd mag worden om zijn of haar
capaciteiten zoveel mogelijk te
benutten. Iedereen is straks immers hard
nodig om in de toenemende arbeidsvraag
te voorzien die naar verwachting zal
ontstaan na afloop van de huidige
economische crisis om het
welvaartsniveau op pijl te kunnen
houden. Daarnaast is het niet in het
belang van de emancipatie van mensen met
een arbeidsbeperking om in dit opzicht
voor hen een uitzonderingspositie te
handhaven: gelijke rechten en plichten
voor iedereen dient als basisprincipe te
gelden. In geval van weigering tot
medewerking aan de pilot zijn de
desbetreffende sanctiebepalingen van de Wwb
en de WIJ derhalve van toepassing.
3.2. Financiering en deelname gemeenten
Met
betrekking tot de
financieringssystematiek die de regering
voornemens is om in de pilot te
hanteren, is gekozen voor eenvoud en
aangesloten bij de
financieringssystematiek van de Wwb. Gemeenten
ontvangen geen extra geld voor
de toeleiding naar arbeid en de
voorzieningen benodigd op de werkplek.
Gemeenten kunnen de kosten hiervoor
financieren uit het participatiebudget
en desgewenst uit de besparingen op de
uitkering dan wel inkomensvoorziening
die ontstaan doordat de doelgroep met
loondispensatie gaat werken. Deze
besparingen zijn voor de deelnemende gemeenten vrij besteedbaar. Uit de pilot
zal blijken of gemeenten deze
besparingen vervolgens inzetten om ook
de meest kwetsbare groep toe te leiden
naar arbeid. Dit is de groep waarvoor de
kosten voor voorzieningen de besparing
op de uitkering dan wel
inkomensvoorziening te boven gaan.
Voorts kan de gemeente de aanvullende
uitkering waar betrokkenen recht op
hebben op grond van deze wet (zie
paragraaf 3.6.1), bekostigen uit het
inkomensbudget. Aangezien de aanvullende
uitkering voor de toepassing van alle
andere wetten gelijk wordt gesteld aan
de uitkering dan wel inkomensvoorziening
die betrokkene ontving vóór aanvang van
zijn dienstbetrekking, blijft betrokkene
meetellen voor de verdeling van het
inkomensbudget van de desbetreffende
gemeente. In de pilot zal worden
onderzocht hoe deze financiële rblz.|6|
prikkel
voor gemeenten bijdraagt aan de
inschakeling in arbeid en de verdere
ontwikkeling van personen uit de
doelgroep.
Naast
het feit dat deelname aan de pilot voor gemeenten de mogelijkheid biedt om de
doelgroep naar werk toe te leiden,
brengt dit ook lasten met zich mee. In
algemene zin levert deelname aan de
pilot voor een gemeente de
inspanningsverplichting op om te
handelen in de geest van het doel van de
pilot. Van de deelnemende gemeenten
wordt verwacht dat zij de nieuwe
systematiek toepassen conform de
desbetreffende wet- en regelgeving.
Alleen door hun gezamenlijke
inspanningen kan de nieuwe systematiek
immers worden onderzocht op
effectiviteit en toepasbaarheid. Het
uitvoeren van de toegangstoets, de
loonwaardebepaling en het voorlichten
van potentiële werkgevers en werknemers
zal van gemeenten naar verwachting de
meeste inspanningen vergen. Verder rust
op een deelnemende gemeente de
verplichting om informatie te
verstrekken aan een daartoe geselecteerd
onderzoeksbureau ten behoeve van de
pilot of aan de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid, onder meer om
de pilot te kunnen evalueren. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur
zullen ten aanzien van de te
administreren gegevens regels worden
gesteld. Uitgangspunt hierbij is dat de
administratieve lasten voor deelnemende
gemeenten zo beperkt mogelijk worden
gehouden. Daarnaast zal samen met onder
meer de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten (hierna: VNG) worden bezien
welke ondersteuningsbehoefte er bestaat
bij gemeenten die deel willen nemen aan
de pilot.
Gemeenten
zullen een tegemoetkoming ontvangen in
de aan deelname aan de pilot verbonden
uitvoeringskosten. De hoogte van de
tegemoetkoming zal als de nieuwe
systematiek volledig is vormgegeven na
overleg met de VNG worden vastgesteld.
De tegemoetkoming zal conform het
kabinetsbeleid om specifieke uitkeringen
aan gemeenten terug te dringen, via de
verzameluitkering op de begroting van
het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid aan deelnemende
gemeenten worden verstrekt. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur
zullen ten aanzien van de tegemoetkoming
regels worden gesteld.
Gemeenten
kunnen zelf een verzoek tot deelname aan
de pilot indienen. Bij de selectie van
gemeenten die een verzoek tot deelname
hebben gedaan, wordt gekeken naar de
regionale arbeidsmarktsituatie, de
grootte van de gemeente, de mate waarin
uitstroom uit de Wwb
plaatsvindt, de
mate waarin gemeenten erin slagen
mensen met een geldige Wsw-indicatie bij
een reguliere werkgever te plaatsen en
de grootte van de potentiële doelgroep.
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid (hierna: de minister)
wijst vervolgens op grond van deze
criteria maximaal 32 gemeenten aan die
deel zullen nemen aan de pilot. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur
zullen ten aanzien van deelname aan de
pilot en de selectie van gemeenten
regels worden gesteld.
Het
staat een gemeente overigens vrij om
zich zowel voor deelname aan de pilot op
grond van onderhavige Tijdelijke wet
pilot loondispensatie aan te melden als
voor projecten op grond van in het kader
van de pilot "het stimuleren van de
omslag van sw-bedrijven naar
arbeidsontwikkelbedrijven" en de pilot
"het vormgeven van een integrale
dienstverlening op de werkpleinen".
3.3. Toegangstoets
Het
staat gemeenten die deelnemen aan de
pilot niet vrij om zonder meer elke
persoon van 23 jaar of ouder die
algemene bijstand ontvangt op grond van
de Wwb of een inkomensvoorziening op
grond van de WIJ, zonder geldige
Wsw-indicatie, met behulp van
loondispensatie aan de rblz.|7|
slag te helpen.
Zowel voor de mensen zelf als voor
gemeenten is het van groot belang dat
het re-integratie-instrumentarium op
maat wordt ingezet. Onterecht gebruik
van het instrument loondispensatie zou
immers kunnen leiden tot verdringing,
zou onvoldoende recht doen aan de
capaciteiten van betrokkene en zou
onnodig blijvende afhankelijkheid van
het instrument loondispensatie en de
aanvullende uitkering in de hand werken.
Inzet van het instrument loondispensatie
dient dan ook pas in beeld te komen als
geheel reguliere arbeid, ook met inzet
van het overige
re-integratie-instrumentarium, echt niet
mogelijk is voor betrokkene. De regering
stelt derhalve voor om aan de inzet van
het instrument loondispensatie voor de
groep zonder geldige Wsw-indicatie, de
voorwaarde te verbinden dat de
toegangstoets daar aanleiding toe geeft.
Uit de toegangstoets moet blijken dat
sprake is van een arbeidsbeperking,
oftewel dat betrokkene vanwege een
structurele lichamelijke,
verstandelijke, psychische of
psychosociale beperkingen niet in staat
is het wettelijk minimumloon
te
verdienen, doch wel ten minste 20
procent daarvan. Ook zal uit de
toegangstoets moeten blijken of een
persoon (tijdelijk) is aangewezen op een
afgeschermde werkplek om te kunnen
participeren.
Gemeenten
die deelnemen aan de pilot kunnen
personen van 23 jaar of ouder die
algemene bijstand ontvangen op grond van
de Wwb of een inkomensvoorziening
ontvangen op grond van de WIJ, zonder
geldige Wsw-indicatie, oproepen om
middels toepassing van de toegangstoets
te bezien of zij tot de doelgroep
behoren. Betrokkene is uit hoofde van de
uitkering dan wel inkomensvoorziening en
onderhavig wetsvoorstel verplicht mee te
werken aan onderzoek naar de
mogelijkheden tot arbeidsinschakeling,
waaronder ook de toegangstoets.
Specifiek met betrekking tot de WIJ kan
de gemeente de toegangstoets aanmerken
als een (eerste) werkleeraanbod.
Daarnaast kan een persoon van 23 jaar of
ouder die algemene bijstand ontvangt op
grond van de Wwb of een
inkomensvoorziening ontvangt op grond
van de WIJ, zonder geldige Wsw-indicatie,
ook zelf de gemeente verzoeken tot
toepassing van de toegangstoets. Het is
vervolgens aan de gemeente om te bepalen
of zij hier al dan niet gehoor aan
geeft. Het toepassen van de
toegangstoets op verzoek van betrokkene
ligt niet in de rede als er bijvoorbeeld
nog re-integratieactiviteiten gaande
zijn gericht op uitstroom naar geheel
reguliere arbeid (zonder inzet van het
instrument loondispensatie). Besluit de
gemeente geen gevolg te geven aan het
verzoek van betrokkene tot toepassing
van de toegangstoets, dan staat voor
betrokkene hiertegen de mogelijkheid van
bezwaar en beroep open.
Ook
de beschikking naar aanleiding van de
uitkomst van de toegangstoets is voor
bezwaar en beroep vatbaar. Wijst de
toegangstoets uit dat betrokkene tot de
doelgroep behoort, dan kan hieraan door
betrokkene echter geen afdwingbaar recht
worden ontleend op een concreet
werkaanbod. Een gemeente
kan immers niet
afdwingen dat bij een werkgever werk
voor handen is of gecreëerd kan worden
dat past bij de capaciteiten van
betrokkene, noch een werkgever dwingen
een dienstverband met betrokkene aan te
gaan. Wel rust op de gemeente vanaf dat
moment een inspanningsverplichting om
een werkplek bij een potentiële
werkgever te zoeken.
Zoals
in de brief van de Staatssecretaris van
2 juli 2009 is aangegeven, zal de
ontwikkeling van de toegangstoets worden
uitbesteed aan een derde partij die
daarvoor de noodzakelijke gebundelde
expertise van artsen, psychologen en
arbeidsdeskundigen zal inschakelen. Bij
of krachtens algemene maatregel van
bestuur zullen ten aanzien van de
toegangstoets vervolgens regels worden
gesteld. In de pilot zal worden
onderzocht of de toegangstoets zijn
functie in het kader van de afbakening
van de rblz.|8|
doelgroep naar behoren vervult en
of de toets ook praktisch hanteerbaar is
en welke administratieve lasten deze
toets met zich meebrengt.
3.4. Werkzaamheden met behoud van
uitkering
Om
meer mensen met een arbeidsbeperking te
kunnen laten participeren op de
arbeidsmarkt, is de bereidheid van
reguliere werkgevers om hen een kans te
bieden essentieel. De verwachting is dat
vanwege de economische crisis werkgevers
minder mogelijkheden zien om personen
met een arbeidsbeperking in dienst te
nemen. Dat neemt niet weg dat er ook
kansen zijn. Zeker als gekeken wordt
naar de personeelstekorten die op de
lange termijn worden voorzien.
Op
het moment dat uit de toegangstoets
blijkt dat betrokkene tot de doelgroep
behoort, dient de gemeente
zich in te
spannen om een potentiële werkgever te
vinden waar betrokkene aan de slag kan.
Dit kan ook een sw-bedrijf zijn. Er is
in een dergelijk geval dan evenwel geen
sprake van een dienstbetrekking in het
kader van de Wsw. Als een potentiële
werkgever is gevonden, kan de gemeente
met het oog op een reële vaststelling
van de arbeidsprestatie ervoor kiezen om
een persoon uit de doelgroep een
beperkte periode van maximaal drie
maanden met behoud van uitkering dan wel
inkomensvoorziening te laten werken bij
de potentiële werkgever. Betrokkene is
uit hoofde van zijn uitkering dan wel
inkomensvoorziening en op grond van het
onderhavig wetsvoorstel verplicht
hieraan mee te werken. Specifiek met
betrekking tot de WIJ
kan de gemeente
werken met behoud van
inkomensvoorziening aanmerken als een
(volgend) werkleeraanbod. De potentiële
werkgever dient evenwel wel de intentie
te hebben om een arbeidsrelatie met
betrokkene aan te gaan en dient er
tevens zorg voor te dragen dat
betrokkene, gedurende de periode waarin
met behoud van uitkering dan wel
inkomensvoorziening wordt gewerkt, valt
onder de dekking van zijn
aansprakelijkheids- en
ongevallenverzekering. Op grond van
zowel de Arbeidsomstandighedenwet
als
het Burgerlijk
Wetboek geldt immers ook
aansprakelijkheid van de werkgever voor
personen die hij onder zijn gezag
arbeid laat verrichten, maar met wie hij
geen arbeidsovereenkomst heeft. Door de
mogelijkheid te bieden eerst een periode
met behoud van uitkering dan wel
inkomensvoorziening te werken, krijgt
betrokkene de ruimte om arbeidsritme op
te doen, om ingewerkt te raken en te
laten zien wat hij waard is, ook aan
zichzelf. Ook de werkgever krijgt
hiermee de tijd om een reëel beeld van
de potentiële werknemer te verkrijgen.
Voordat de werkgever daadwerkelijk een
arbeidsrelatie aangaat, zal hij immers
meestal willen weten wie en wat hij in
huis haalt. Op de gemeente rust
gedurende de periode waarin met behoud
van uitkering dan wel
inkomensvoorziening wordt gewerkt de
verplichting om goed in kaart te brengen
welke voorzieningen noodzakelijk zijn om
betrokkene te ondersteunen en te
begeleiden bij zijn werkzaamheden en
hierin te voorzien. Maatwerk is immers
essentieel; voorkomen moet worden dat
betrokkene niet in staat is zich te
handhaven op de werkvloer vanwege gebrek
aan ondersteuning en daardoor onnodig
uitvalt.
3.5. Loonwaardebepaling
Alvorens
een dienstbetrekking in het kader van de
pilot kan worden aangegaan, dient de gemeente
de loonwaarde te bepalen en
vast te leggen in een beschikking
waartegen bezwaar en beroep openstaat.
Op de werkvloer zal op basis van een
objectieve methodiek hiertoe concreet
worden vastgesteld wat iemand in de
desbetreffende functie kan betekenen in
termen van productiviteit. Betrokkene is
uit hoofde van zijn uitkering dan wel
inkomensvoorziening en onderhavig
wetsvoorstel verplicht hier zijn
medewerking aan te verlenen. Specifiek
met betrekking tot de rblz.|9|
WIJ kan de
gemeente de loonwaardebepaling aanmerken
als een (volgend) werkleeraanbod.
Zoals
in de brief van de staatssecretaris van
2 juli 2009 is aangegeven zal de Raad
voor werk en inkomen onderzoek doen naar
verschillende methodieken voor
loonwaardebepaling die nu al worden
toegepast en methodieken die in
ontwikkeling zijn. Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur zullen
vervolgens regels ten aanzien van de
loonwaardebepaling worden gesteld. In de
pilot zal de kwaliteit van de
verschillende methodieken om de
loonwaarde te bepalen nader worden
onderzocht. Van essentieel belang is dat
de loonwaardebepaling reëel en
objectief is. Met andere woorden, een
belanghebbende moet de (hoogte van de)
uitkomst niet kunnen manipuleren en de
loonwaarde moet goed overeenkomen met
hetgeen betrokkene daadwerkelijk
(naderhand) blijkt te kunnen produceren,
zodat alle partijen zich in beginsel
kunnen vinden in de uitkomst van de
loonwaardebepaling. Tevens is van belang
dat de loonwaardebepaling ook praktisch
hanteerbaar is en niet te veel
administratieve lasten met zich
meebrengt.
3.6. Dienstbetrekking en loondispensatie
Naar
aanleiding van de uitkomst van de
loonwaardebepaling krijgt de werkgever
van de gemeente een
beschikking waarin
wordt bepaald dat hij, mocht hij
overgaan tot het aangaan van een
dienstbetrekking met betrokkene,
vrijgesteld (gedispenseerd) zal zijn van
de verplichting om het normaliter voor
zijn werknemer rechtens geldende loon te
betalen. Deze beschikking vermeldt het
percentage dat de werkgever van dit
rechtens geldende loon dient uit te
betalen aan de werknemer en is voor
bezwaar en beroep vatbaar. Indien voor
de betreffende werkgever een CAO geldt,
dan betekent dit derhalve dat hij
betrokkene het vastgestelde percentage
van het geldende CAO-loon dient te
betalen. Vanwege de mogelijkheid om een
beperkte periode van maximaal drie
maanden met behoud van uitkering te
werken, zal wel als voorwaarde voor de
vrijstelling gelden dat de
dienstbetrekking geen proeftijd meer mag
kennen.
Als
de loonwaardebepaling is uitgevoerd,
kunnen vervolgens de werkgever en de
werknemer een dienstbetrekking in het
kader van de pilot aangaan. Betrokkene
is uit hoofde van zijn uitkering dan wel
inkomensvoorziening en onderhavig
wetsvoorstel verplicht hier zijn
medewerking aan te verlenen aangezien
werken met inzet van het instrument
loondispensatie wordt gezien als
algemeen geaccepteerde arbeid. Specifiek
met betrekking tot de WIJ
kan de gemeente het aanbod van een
dienstbetrekking in het kader van de
pilot aanmerken als een (volgend)
werkleeraanbod. De dienstbetrekking in
het kader van de pilot betreft een
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk
recht of een publiekrechtelijke
dienstbetrekking, waarbij alleen
afwijkende regels gelden voor wat het
loon betreft. Zolang er sprake is van
een dienstbetrekking in het kader van de
pilot rusten op betrokkene daarnaast
dezelfde rechten en plichten als ware
hij of zij uitkeringsgerechtigde op
grond van de Wwb
of rechthebbende op een
inkomensvoorziening op grond van de WIJ.
De
aan de pilot deelnemende gemeente
is
gedurende de dienstbetrekking die met
behulp van het instrument
loondispensatie tot stand is gekomen,
verplicht de noodzakelijke voorzieningen
op de werkplek te treffen. Het is niet
nodig, maar ook niet mogelijk, voor
werknemer noch voor werkgever om tevens
een beroep te doen op de artikelen 35 en
36 van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen (hierna: Wet WIA). Gemeenten
kunnen de kosten voor voorzieningen
financieren uit het participatiebudget
en desgewenst uit de besparingen op de
uitkering dan wel inkomensvoorziening
die ontstaan doordat de doelgroep met
loondispensatie gaat werken. Deze rblz.|10|
besparingen zijn voor de deelnemende
gemeenten vrij besteedbaar. Deze
situatie is vergelijkbaar met de huidige
Wsw. Een
persoon die werkzaam is in het
kader van de Wsw en de desbetreffende
werkgever kunnen op dit moment ook geen
beroep doen op de artikelen 35 en
36 van de Wet WIA. Ook in dat geval ligt de
verantwoordelijkheid voor het treffen
van de noodzakelijke voorzieningen bij
de gemeente, die voor de bekostiging
daarvan de beschikking heeft over het
Wsw-budget. In de pilot zal worden
onderzocht welke voorzieningen door
gemeenten worden geboden om de doelgroep
te ondersteunen en te begeleiden bij de
werkzaamheden.
In
geval van ziekte of gebrek geldt voor de
werkgever, aangezien sprake is van een
reguliere dienstbetrekking, de
loondoorbetalingsverplichting. Op grond
van no-riskpolis kan, als voldaan is aan
de vereisten van artikel
29b van de Ziektewet, een werkgever de kosten in
verband met ziekte of gebrek van deze
werknemer gecompenseerd krijgen doordat
tevens ziekengeld wordt toegekend. Deze
no-riskpolis is gedurende de eerste vijf
jaren na aanvang van de dienstbetrekking
geldig en neemt voor de werkgever het
loondoorbetalingsrisico bij
ongeschiktheid tot werken als gevolg van
ziekte of gebrek weg. Daarnaast kan, als
aan de vereisten van artikel 49 van de
Wet financiering sociale verzekeringen
is voldaan, de werkgever premiekorting
toepassen.
Voor
het overige is een CAO, waaraan de
desbetreffende werkgever is gehouden,
onverkort van toepassing op de
rechtsverhouding tussen beide partijen.
Zo is de opbouw van vakantiedagen
bijvoorbeeld gerelateerd aan het aantal
uren dat de werknemer werkt en niet
anders dan voor werknemers voor wie aan
de werkgever geen loondispensatie is
verleend.
Indien
de dienstbetrekking in het kader van de
pilot eindigt, dan valt betrokkene in
beginsel, afhankelijk van zijn of haar
leeftijd, terug in de Wwb
of de WIJ. Dit
lijdt alleen uitzondering in het geval
dat betrokkene door een wijziging in
persoonlijke omstandigheden geen recht
meer kan doen gelden op bedoelde
regelingen. Daarnaast zal betrokkene,
indien hij door zijn opgebouwde
arbeidsverleden voldoet aan de weken- en
jareneis, in beginsel een
werkloosheidsuitkering ontvangen.
Het
accepteren van een dienstbetrekking in
het kader van de pilot zal geen
negatieve consequenties hebben voor de
plaats op de Wsw-wachtlijst als
betrokkene beschikt over een geldige
Wsw-indicatie. Op het moment dat
betrokkene, op grond van de positie op
de Wsw-wachtlijst, in aanmerking komt
voor een arbeidsplaats in het kader van
de Wsw, geldt voor een aan de pilot
deelnemende gemeente
een
inspanningsverplichting om de
dienstbetrekking in het kader van de
pilot om te zetten in een begeleidwerkenplaats in het kader van de Wsw bij
dezelfde werkgever. Bij een begeleidwerkenplaats in het kader van de Wsw is
sprake van een loonkostensubsidie
waardoor een dergelijke overgang voor
betrokkene financieel gunstig is (hij
ontvangt dan het rechtens geldende - onverminderde
- loon). Mocht
betrokkene hieraan desalniettemin niet
mee willen werken, dan kan de gemeente
de Wsw-indicatie intrekken. Mocht de
naar verwachting ook uitzonderlijke
situatie zich voordoen dat de werkgever
niet mee wil werken aan het omzetten van
de dienstbetrekking, dan is de keus aan
de werknemer. Ofwel hij zegt de
dienstbetrekking met de werkgever op en
hij gaat - na het uitdienen van de
opzegtermijn - aan de slag in het
kader van de Wsw. Ofwel hij kiest ervoor
om de dienstbetrekking in het kader van
de pilot voort te zetten, waarmee de
Wsw-indicatie van rechtswege komt te
vervallen.
Indien
een werknemer die onder toepassing van
loondispensatie arbeid verricht,
verhuist naar een andere gemeente
gedurende de looptijd van de pilot, dan
blijft ten aanzien van het verlenen van
loondispensatie de rblz.|11|
gemeente bevoegd die
de beschikking tot het verlenen van
loondispensatie heeft afgegeven. Op deze
gemeente blijven ook de rechten en
plichten op grond van onderhavig
wetsvoorstel rusten.
3.6.1. Aanvullende uitkering
Toepassing
van het instrument loondispensatie wil
zeggen dat de werkgever een loon mag
betalen dat onder het wettelijk minimumloon
ligt als de
loonwaardebepaling van de werknemer in
de desbetreffende functie uitwijst dat
betrokkene niet in staat is om het
wettelijk minimumloon te verdienen.
Betrokkene ontvangt van de gemeente
een beschikking die is gebaseerd op de
uitkomsten van de loonwaardebepaling. In
deze beschikking, die voor bezwaar en
beroep vatbaar is, is de hoogte van de
aanvullende uitkering opgenomen. De
aanvullende uitkering wordt zo
berekenend dat deze afneemt als het loon
(de loonwaarde) stijgt, maar garandeert
tevens dat productiever worden ook
loont. Het inkomen van een werknemer
bestaat dus uit twee componenten (loon
en aanvullende uitkering) en zal niet
hoger zijn dan het wettelijk minimumloon
als de loonwaarde van de werknemer in de
desbetreffende functie uitwijst dat
betrokkene niet in staat is om het
wettelijk minimumloon te verdienen.
De
aanvullende uitkering wordt verstrekt op
basis van onderhavig
wetsvoorstel, maar
wordt voor de toepassing van alle
overige wetten en daarop berustende
bepalingen aangemerkt als algemene
bijstand op grond van de Wwb
dan wel
inkomensvoorziening op grond van de WIJ.
Hiervoor is gekozen om te benadrukken
dat met onderhavig wetsvoorstel wordt
voorzien in een aparte voorziening om
mensen aan het werk te helpen en niet
meer volledig afhankelijk te laten zijn
van een uitkering dan wel
inkomensvoorziening. De wijze waarop de gemeente
de aanvullende uitkering dient
te berekenen, wordt vastgelegd bij of
krachtens algemene maatregel van
bestuur. In ieder geval zal hierbij de
middelentoets zoals de Wwb en de WIJ die
kennen van overeenkomstige toepassing
worden verklaard, waardoor betrokkene
het recht op een aanvullende uitkering
verliest mocht hij of zij gedurende de
looptijd van de pilot te veel middelen
verkrijgen door bijvoorbeeld een erfenis
of een huwelijk. In een dergelijk geval
blijft de aan de werkgever verleende
vrijstelling om het rechtens geldende
loon te betalen overigens wel onverkort
van kracht, evenals de mogelijkheid voor
de gemeente om na een evaluatie van de
loonwaarde wederom een dergelijke
vrijstelling te verlenen, waardoor
betrokkene wel bij dezelfde werkgever
kan blijven werken.
De
keuze van de regering om te voorzien in
een inkomen (loon en aanvulling) dat
niet hoger ligt dan het wettelijk minimumloon
is ingegeven door de wens
uitstroom naar volledig regulier werk
niet te belemmeren. Mensen zullen immers
minder snel de stap naar een volledig
regulier dienstverband maken als dat
voor hen financieel minder aantrekkelijk
is. Voorts is het ook in het belang van
de acceptatie van betrokkene door zijn
directe collega’s die - zonder
arbeidsbeperking en aantoonbaar
productiever - in sommige gevallen het
wettelijk minimumloon zullen verdienen.
Voornoemde bovengrens in combinatie met
de ondergrens (het normbedrag van de
uitkering/inkomensondersteuning) zou ten
aanzien van de groep jongeren tot 23
jaar, voor wie het wettelijk
minimumjeugdloon geldt, een
vertienvoudiging betekenen van de door
een gemeente te hanteren rekenmethodes
om de aanvullende uitkering te bepalen.
De regering is van oordeel dat dit de
uitvoering van de pilot onnodig zou
compliceren, hetgeen gemeenten die aan de
pilot willen meedoen kunnen afschrikken.
In
de pilot zal worden onderzocht hoe deze
financiële prikkel bijdraagt aan de
motivatie en daarmee aan de slagingskans
van inschakeling in arbeid rblz.|12|
en de
(verdere) ontwikkeling van personen uit
de doelgroep. Tevens zal op basis van de
gegevens die uit de pilot voortkomen ten
aanzien van de (verdere) ontwikkeling,
worden bezien wat een redelijke termijn
is waarna iedereen die naar vermogen
werkt een aanvulling tot het wettelijk minimumloon
zal krijgen.
3.6.2. Periodieke evaluatie loonwaarde en
voorzieningen
Essentieel
onderdeel van het voorstel van commissie-De Vries is de periodieke herevaluatie
van de loonwaarde. Niemand is immers op
elke werkplek even productief én mensen
kunnen zich ontwikkelen. Kortom:
arbeidsproductiviteit is geen statisch
gegeven. Kern van het instrument
loondispensatie is dan ook dat het
mensen stimuleert zich verder te
ontwikkelen door een financiële prikkel
waardoor productiever worden loont.
De
pilot dient (onder meer) inzicht te
geven in de vraag of en in hoeverre deze
financiële prikkel daadwerkelijk
bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van
mensen met een arbeidsbeperking. De
regering wil derhalve in de pilot
voorzien in een periodieke evaluatie van
de loonwaarde. Mochten er zich echter
bijzondere omstandigheden voordoen, dan
kunnen zowel werkgever als werknemer
binnen de grenzen der redelijkheid de gemeente
verzoeken om een vervroegde
evaluatie van de loonwaarde in te
lassen. De gemeente kan hiertoe ook
eigenstandig besluiten. Op grond van de
evaluatie van de loonwaarde zullen
vervolgens nieuwe beschikkingen worden
afgegeven, waartegen wederom de
mogelijkheid tot bezwaar en beroep openstaat. Tevens zal de gemeente uit
eigener beweging of op verzoek ook
moeten beoordelen of de geboden
voorzieningen op de werkplek nog
toereikend zijn. Dit om uitval van
betrokken uit arbeid te voorkomen.
Mocht
de naar verwachting uitzonderlijke
situatie zich voordoen dat bezwaar en
beroep wordt ingesteld tegen de uitkomst
van de evaluatie van de loonwaarde, dan
heeft dit geen opschortende werking.
Hierdoor is een werkgever verplicht op
grond van de dienstbetrekking om een
loon te betalen zoals vastgelegd in de
beschikking van de gemeente
totdat deze
eventueel is herzien of vernietigd. In
geval van herziening of vernietiging zou
normaliter een vordering op de werknemer
ontstaan wegens onverschuldigde betaling
als de loonwaarde naar beneden wordt
bijgesteld. Dit is echter uiterst
onwenselijk in verband met de veelal
kwetsbare (financiële) positie van de
doelgroep en het verstorende effect van
een dergelijke vordering op de
arbeidsrelatie in combinatie met de
gemiddelde duur van bestuursrechtelijke
procedures. Het is echter ook
onwenselijk om dit risico bij werkgevers
neer te leggen aangezien door de
beperkte duur van de pilot het instellen
van bezwaar en beroep (en daarmee de
bestuursrechtelijke rechtsbescherming)
voor hen daarmee materieel niet of
nauwelijks effect kan sorteren en het
een obstakel zou kunnen vormen om de
doelgroep een dienstbetrekking in het
kader van de pilot aan te bieden.
Derhalve zal de gemeente een gedupeerde
werkgever ambtshalve compenseren bij
herziening of vernietiging van de
beschikking van de gemeente waarbij de
loonwaarde op een later moment naar
beneden is bijgesteld. De verwachting is
evenwel dat dit niet vaak zal voorkomen
aangezien de kwaliteit van de
methodieken van loonwaardebepaling die
zullen worden toegepast in de pilot
voorafgaand aan de pilot is onderzocht
door de Raad voor
werk en inkomen en de
keuze voor de toe te passen methodieken
in de pilot zal worden afgestemd met
onder meer de VNG. Daarenboven heeft de
werkgever vertrouwen gesteld in de
desbetreffende methodiek van
loonwaardebepaling, aangezien de
dienstbetrekking is aangegaan op basis
van de eerste uitkomst ervan.
rblz.|13|
3.7. Beëindiging pilot of beëindiging
deelname gemeente aan pilot
De
looptijd van de pilot is in beginsel tot
1 januari 2013. Indien voordat de pilot
is afgelopen een wetsvoorstel is
ingediend om de pilot om te zetten in
een structurele wettelijke regeling, is
voorzien in de mogelijkheid de pilot te
verlengen tot het moment van
totstandkoming van die structurele
regeling.
Indien
de tussentijdse resultaten of de
uitwerking van de pilot in de praktijk
daartoe onverhoopt aanleiding geven, kan
de minister er ook toe besluiten de
pilot eerder te beëindigen. In dat
geval, of op het moment dat een
deelnemende gemeente
zich onverhoopt
mocht terugtrekken uit de pilot, kan de
tegemoetkoming in de uitvoeringskosten
lager worden vastgesteld en vervolgens
worden teruggevorderd of verrekend. Een
dergelijk voortijdig einde van de pilot
of de deelname daaraan heeft echter geen
negatieve gevolgen voor werkgevers noch
voor werknemers die op het moment van
beëindiging reeds een dienstbetrekking
zijn aangegaan waarbij gebruik wordt
gemaakt van het instrument
loondispensatie.
Aangezien
de pilot een beperkte looptijd kent, is
het van belang dat de gemeente
een
potentiële werkgever adviseert om
alleen dienstbetrekkingen aan te gaan
voor bepaalde tijd die in ieder geval
geen langere looptijd kennen dan de
pilot. Op het moment dat de pilot
namelijk ten einde is en niet voorzien
zal worden in een structurele wettelijke
voorziening (bijvoorbeeld omdat aan de
nieuwe systematiek te grote nadelen
verbonden blijken te zijn), vervalt
daarmee de mogelijkheid voor de gemeente
om de werkgever vrijstelling te verlenen
van de verplichting om het normaliter
voor zijn werknemer rechtsgeldige loon
te betalen. Vanaf dat moment is het de
verantwoordelijkheid van de gemeente om
te bezien of en op welke wijze
anderszins invulling gegeven zou kunnen
worden aan de participatie van
betrokkene.
4.
Financiële
aspecten pilot loondispensatie
De
kosten die samenhangen met de uitvoering
van de pilots worden gefinancierd vanuit
bij Voorjaarsnota apart gereserveerde
middelen en middelen voor onderzoek en
vernieuwing die binnen het budget van de
Wsw zijn gereserveerd. Voor alle pilots
samen is een bedrag van ongeveer €|16
miljoen beschikbaar over de gehele
looptijd van de pilots. Na overleg met
onder meer de VNG
zal worden besloten
welk deel van dit bedrag beschikbaar
wordt gesteld ten behoeve van onderzoek
naar en uitvoering van de pilot waarvoor
onderhavig wetsvoorstel de basis
creëert.
5.
Uitvoering
pilot loondispensatie
De minister is belast met de uitbetaling
aan gemeenten van de tegemoetkoming voor
de aan deelname verbonden
uitvoeringskosten en de eventuele
terugvordering van onrechtmatig bestede
en niet-bestede gelden. Daarnaast is de
minister belast met de evaluatie van de
pilot waarvoor onderhavig wetsvoorstel
de basis creëert.
6.
Ontvangen
commentaren en adviezen pilot
loondispensatie
Onderhavig
wetsvoorstel is voorgelegd aan het Uitvoeringspanel
gemeenten, VNG,
Divosa,
Cedris en het Uitvoeringsinstituut voor
Werknemersverzekeringen [lees: Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, red.]
(hierna: UWV).
Naar aanleiding van de reacties is een
aantal formuleringen in onderhavig
wetsvoorstel technisch gewijzigd en zijn
enkele passages in de memorie van
toelichting verduidelijkt.
rblz.|14|
7.
Inwerkingtreding
Het
wetsvoorstel zal in werking treden op een
bij koninklijk besluit vast te stellen
tijdstip. De regering beoogt om zo snel
mogelijk van start te gaan met de pilot.
Daarbij is de streefdatum om het
onderhavige wetsvoorstel per 1 januari
2010 in werking te laten treden of zo
spoedig mogelijk na die datum.
Artikelsgewijs
Artikel
1, onderdeel c en e
In
onderdeel c is de kring gedefinieerd.
Het gaat hierbij om de inwoners van de
deelnemende gemeenten die algemene
bijstand ontvangen op grond van de Wwb
dan wel een inkomensvoorziening op grond
van de WIJ waarmee het college aan de
slag kan in het kader van de pilot. Het
gaat dan om enerzijds degenen die
beschikken over een geldige Wsw-indicatie en reeds daardoor tot de
doelgroep behoren die in aanmerking
komen voor toepassing van de artikelen 6
en 7 en anderzijds om degenen waarop het
college de toegangstoets van artikel 4
kan toepassen en, indien daaruit volgt
dat zij een arbeidsbeperking hebben, tot
de doelgroep behoren die in aanmerking
komen voor toepassing van de artikelen 6
en 7. Verder wordt, omwille van de
uitvoerbaarheid van de pilot,
voorgesteld om alleen personen van ten
minste 23 jaar in aanmerking te laten
komen aan pilot deel te nemen. Tot slot
wordt in onderdeel c de mogelijkheid
gecreëerd om bij lagere regelgeving
gedurende de looptijd van de pilot de
kring uit te breiden.
Artikel
2. Doel pilot
In
deze pilot staat de vraag centraal of
loondispensatie als instrument en de
wijze waarop dit instrument wordt
gehanteerd door gemeenten die deelnemen
aan de pilot bijdraagt aan het
bevorderen van de arbeidsparticipatie
van personen met een arbeidsbeperking.
Dit in combinatie met de aanvullende
uitkering. Zoals ook vermeld in hoofdstuk
2 van het algemeen deel van
deze memorie van toelichting moet de
pilot daarnaast antwoord geven op een
aantal hiermee samenhangende vragen. De
pilots zijn succesvol als naar
aanleiding van de uitkomsten een
gefundeerde beslissing kan worden
genomen over het al dan niet landelijk
invoeren van de nieuwe systematiek.
Artikel
3. Deelname gemeenten
De minister kan op grond van bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur
vastgelegde criteria (zie artikel
14,
tweede lid) gemeenten
aanwijzen die
deelnemen aan de pilot. Gemeenten moeten
een verzoek tot deelname indienen. Ten
aanzien van de vereisten voor dat
verzoek kunnen bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur nadere regels
worden gesteld. De minister kan de
aanwijzing ook weer intrekken. Hij zal
hiertoe bijvoorbeeld overgaan indien de
gemeente de pilot in strijd met deze wet
uitvoert. Zowel aan de aanwijzing als
aan de intrekking kunnen voorschriften
worden verbonden.
Artikel
4. Toegangstoets
Het
college van een deelnemende gemeente
kan, met het oog op de vraag of
loondispensatie kan worden ingezet voor
een inwoner die behoort tot de kring
van dit wetsvoorstel (zie de
toelichting
op artikel 1) en die niet beschikt over
een geldige Wsw-indicatie, een inwoner
oproepen voor de toegangstoets. Een
inwoner die behoort tot de kring en die
niet beschikt rblz.|15|
over een geldige Wsw-indicatie, kan ook het college
verzoeken om toepassing van de
toegangstoets. Met deze toets wordt
vastgesteld of deze inwoner behoort tot
de doelgroep (vanwege structurele
lichamelijke, verstandelijke, psychische
of psychosociale beperkingen niet in
staat is om het wettelijk minimumloon
te
verdienen, doch wel in staat is om
minimaal 20 procent van het wettelijk
minimumloon te verdienen). Tot slot zal
uit de toegangstoets moeten blijken of
een persoon (tijdelijk) is aangewezen op
een afgeschermde werkplek om te kunnen
participeren. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur zullen nadere
regels worden gesteld met betrekking tot
de toegangstoets.
Op
het moment dat uit de toegangstoets
blijkt dat een inwoner behoort tot de
doelgroep dient de gemeente
zich in te
spannen om een potentiële werkgever te
vinden waar de betrokkene aan de slag
kan. In een aantal situaties zal iemand
relatief snel geplaatst kunnen worden
bij een werkgever met wie door de
gemeente al contacten zijn gelegd. In
andere gevallen kan het noodzakelijk
zijn om bijvoorbeeld
re-integratiebedrijven of
uitzendorganisaties of sw-bedrijven in
te schakelen om een werkgever te vinden.
Daarbij kan de werkgever waar betrokkene
aan de slag gaat ook een sw-bedrijf zijn
(daarbij is dan overigens geen sprake
van een dienstbetrekking in de zin van
de Wsw).
Artikel
5. Re-integratieplicht Wsw-geïndiceerde
In
artikel 9, vijfde lid, van de Wwb
is
geregeld dat de
re-integratieverplichtingen van het
eerste lid van dat artikel niet van
toepassing zijn op de persoon die
beschikt over een geldige Wsw-indicatie.
Dat zou betekenen dat een
Wsw-geïndiceerde niet zou hoeven mee te
werken aan een onderzoek naar zijn
mogelijkheden tot arbeidsinschakeling,
niet verplicht zou zijn om gebruik te
maken van door het college aangeboden
voorzieningen gericht op
arbeidsinschakeling en voorts niet
verplicht zou zijn om naar vermogen
algemeen geaccepteerde arbeid te
verkrijgen en te aanvaarden. Artikel
9,
vijfde lid, van de Wwb
wordt met dit
artikel buiten toepassing verklaard met
betrekking tot inwoners van deelnemende gemeenten die behoren tot de doelgroep.
Aldus zijn inwoners die op de
Wsw-wachtlijst staan en die algemene
bijstand ontvangen, verplicht om mee te
werken aan het verrichten van onbeloonde
werkzaamheden op grond van artikel 6 van
deze wet en verplicht om arbeid te
aanvaarden waarop op grond van artikel 7
van deze wet loondispensatie van
toepassing is alsmede om gebruik te
maken van door het college aangeboden
voorzieningen op grond van artikel 9 van
deze wet. De WIJ
kent geen met artikel
9, vijfde lid, van de Wwb
overeenkomende
bepaling.
Indien
op grond van artikel
1, onderdeel c, bij
algemene maatregel van bestuur een
andere socialezekerheidswet is
aangewezen, geldt dat indien die wet een
met artikel 9, vijfde lid, van de
Wwb overeenkomstige vrijstelling van de
re-integratieverplichtingen kent, de
rechthebbende op grond van het
onderhavige wetsvoorstel eveneens wordt
verplicht om mee te werken aan het
verrichten van onbeloonde werkzaamheden
en de plicht heeft om arbeid te
aanvaarden met toepassing van
loondispensatie gebruikmakend van door
het college aangeboden voorzieningen.
Artikel
6. Werkzaamheden met behoud van uitkering
Zoals
opgemerkt in paragraaf 3.4 van het
algemeen deel van deze memorie van
toelichting kan, als een potentiële
werkgever is gevonden, het college
iemand uit de doelgroep eerst een
beperkte periode van maximaal drie
maanden met behoud van uitkering laten
werken bij de potentiële werkgever.
Betrokkene is uit hoofde van zijn
uitkering dan wel inkomensvoorziening,
eventueel in combinatie met artikel 5
van deze wet,
rblz.|16|
verplicht hieraan mee te
werken. Dit is evenwel alleen mogelijk
indien de potentiële werkgever (de
werkgever voor wie de werkzaamheden
worden verricht) ervoor zorgt dat
betrokkene, gedurende de periode waarin
met behoud van uitkering dan wel
inkomensvoorziening wordt gewerkt, valt
onder de dekking van zijn
aansprakelijkheids- en
ongevallenverzekering.
Artikel
7. Loondispensatie
In
het eerste lid is geregeld dat indien
een werkgever voornemens is een
dienstbetrekking aan te gaan met een
inwoner van een aan de pilot deelnemende
gemeente die tot de doelgroep behoort,
het college van die gemeente vaststelt
of de arbeidsprestatie van de
desbetreffende inwoner in de functie
waarvoor hij zal worden aangenomen ten
gevolge van zijn arbeidsbeperking minder
waard zal zijn dan het minimumloon
en,
zo ja, loondispensatie verleent voor het
geval de dienstbetrekking tot stand
komt. Onder loondispensatie wordt
verstaan het verminderen van de hoogte
van de aanspraak op een geldelijke
beloning van de betrokken werknemer voor
de verrichte arbeid tot de loonwaarde,
dat wil zeggen dat het college bepaalt
op welk percentage van het rechtens
geldende loon de werknemer aanspraak
heeft.
In
het tweede lid is bepaald in welke
situaties geen loondispensatie kan
worden verleend. De eerste is de
situatie dat de aan te gane
dienstbetrekking een Wsw-dienstbetrekking is dan wel een
dienstbetrekking in de zin van artikel 7
van de Wsw (begeleid werken). Het is in
het kader van de pilot niet de bedoeling
dat in dat geval loondispensatie kan
worden verleend.
In
het derde lid wordt de periodieke
evaluatie van de loonwaarde geregeld
(zie paragraaf 3.6.2 van het algemene
deel van deze memorie van toelichting).
Indien
op grond van het eerste of derde lid is
vastgesteld dat de loonwaarde meer
bedraagt dan het wettelijk minimumloon
dan wel minder bedraagt dan 20 procent
van het wettelijk minimumloon, stopt op
grond van het vierde lid de toepassing
van de pilot voor de betrokkenen.
In
het vijfde en zesde lid is de regeling
getroffen voor de situatie dat als
gevolg van een bezwaar of beroep de
loonwaarde achteraf lager wordt
vastgesteld (zie paragraaf 3.6.2
van het
algemene deel van deze memorie van
toelichting).
Artikel
8. Aanvullende uitkering
In
dit artikel wordt bepaald dat zolang het
college op grond van artikel 7 aan een
werkgever loondispensatie verleent, het
college tevens aan de werknemer een
aanvullende uitkering verstrekt. De
berekening van de hoogte van deze
uitkering zal geschieden overeenkomstig
bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur te stellen regels. Voor het
overige volgt de uitkering het regime
van de Wwb dan wel de
WIJ (afhankelijk
of de werknemer algemene bijstand op
grond van de Wwb dan wel een
inkomensvoorziening op grond van de WIJ
ontving onmiddellijk vóór aanvang van
zijn dienstbetrekking) en zijn op de
werknemer de rechten en plichten van de
Wwb respectievelijk de WIJ van
toepassing. Voor de toepassing van
andere regelgeving dan de Wwb en de WIJ
en de daarop berustende bepalingen - zoals de fiscale regelgeving
- wordt
de aanvullende uitkering eveneens
beschouwd als algemene bijstand op grond
van de Wwb respectievelijk een
inkomensvoorziening op grond van de WIJ.
rblz.|17|
Mocht
er bij algemene maatregel van bestuur
een andere socialezekerheidswet worden
aangewezen (op grond van artikel
1,
onderdeel c), dan wordt de aanvullende
uitkering eveneens beschouwd als de
uitkering welke betrokkene onmiddellijk
vóór aanvang van zijn dienstbetrekking
ontving.
Artikel
9. Voorzieningen
In
dit artikel wordt geregeld dat het
college de noodzakelijke voorzieningen
verstrekt voor het verrichten van arbeid
als bedoeld in artikel 6 of
7. Met het
tweede en derde lid wordt geregeld dat
de (potentiële) werknemer of werkgever
daarvoor niet verwezen kan worden naar
het UWV.
Artikel
10. Behoud indicatie en
inspanningsverplichting op grond van de
Wsw
Het
eerste lid bepaalt dat indien een
persoon uit de doelgroep die een
geldige Wsw-indicatie heeft, die persoon
deze indicatie niet verliest indien hij
onder toepassing van artikel
7, eerste
lid, een dienstbetrekking heeft
aanvaard, zolang de loondispensatie
voortduurt. De plaats op de wachtlijst
voor een dienstbetrekking op grond van
artikel 2 of artikel 7
van de Wsw blijft
behouden. Indien evenwel bij een
evaluatie van de loonwaarde wordt
vastgesteld dat betrokkene meer kan
verdienen dan het wettelijk minimumloon,
vervalt de Wsw-indicatie wel. Dan is
immers gebleken dat betrokkene buiten
Wsw-verband het wettelijk minimumloon
kan verdienen.
Met
het tweede lid wordt geregeld dat als de
desbetreffende werknemer bovenaan de
wachtlijst voor een Wsw-dienstbetrekking
komt, het college zich inspant om de
bestaande dienstbetrekking waarop
loondispensatie van toepassing is, om te
zetten naar een begeleidwerkenplek als
bedoel in artikel 7
van de Wsw. Dit
betreft een inspanningsverplichting van
het college, aangezien hiervoor
uiteindelijk de medewerking van de
werkgever vereist is. Indien het college
er niet in slaagt om de dienstbetrekking
aldus om te zetten, is het verplicht aan
de werknemer een Wsw-dienstbetrekking
(dienstbetrekking als bedoeld in artikel
2, eerste lid, van de Wsw) aan te
bieden. Indien de werknemer dat aanbod
niet aanvaardt, bijvoorbeeld omdat hij
ervoor kiest om de bestaande
dienstbetrekking voort te zetten,
vervalt wel zijn Wsw-indicatie.
Artikel
11. Bekostiging pilot
De
aan de pilot deelnemende gemeenten
ontvangen via de verzameluitkering op de
begroting van het ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid middelen ter
financiering van de uitvoeringskosten.
Voor alle pilots samen is een bedrag van
ongeveer €|16 miljoen beschikbaar over
de gehele looptijd van de pilots. Met
deze middelen wordt enerzijds een
tegemoetkoming in de uitvoeringskosten
van de pilot verstrekt aan deelnemende
gemeenten en anderzijds worden hieruit
de overige kosten van de pilot betaald,
zoals de kosten voor het onderzoek.
Indien
de deelname van een gemeente
onverhoopt
eerder eindigt dan de voorziene
einddatum van 31 december 2012 dan wel
de pilot onverhoopt eerder eindigt dan
die datum, kan de minister
de
tegemoetkoming, waarvan de hoogte bij of
krachtens bij algemene maatregel van
bestuur te stellen regels wordt
berekend, lager vaststellen en hetgeen
alsdan onverschuldigd is betaald,
terugvorderen of verrekenen.
rblz.|18|
Artikel
12. Beëindiging pilot of beëindiging
deelname gemeente aan pilot
Artikel 12, eerste lid, bevat de mogelijkheid om
bij besluit van de minister
de pilot
eerder te beëindigen dan op 1 januari
2013 indien de resultaten en ervaringen
daartoe aanleiding geven. Indien de minister
daartoe overgaat, zullen de
colleges de regels die bij of krachtens
dit wetsvoorstel worden gesteld niet
meer kunnen toepassen op degenen die nog
geen dienstbetrekking zijn aangegaan
onder toepassing van de loondispensatie
van artikel 7, eerste lid. Voor degenen
voor wie dat wel het geval is, blijven de
artikelen 7 tot en met 11 en de daarop
berustende bepalingen alsmede de op
grond van artikel 14 getroffen regels
met betrekking tot de toepassing van die
artikelen van toepassing tot en met 31
december 2012.
Indien
de deelname van een gemeente
eindigt vóór de voorgestelde datum waarop dit
wetsvoorstel vervalt (zie de toelichting
op artikel 16, tweede lid), kan het
college de regels die bij of krachtens
dit wetsvoorstel worden gesteld niet
meer toepassen op zijn inwoners die nog
geen dienstbetrekking zijn aangegaan
onder toepassing van de loondispensatie
van artikel 7, eerste lid. Voor degenen
voor wie dat wel het geval is, blijven
de artikelen 7 tot en met 11 en de
daarop berustende bepalingen alsmede de
op grond van artikel 14 gestelde regels
met betrekking tot de toepassing van die
artikelen van toepassing tot de datum
waarop wordt voorgesteld dat het
onderhavige wetsvoorstel vervalt.
Artikel
14. [Lagere regelgeving, red.]
Voorgesteld
wordt om bij de uitvoering van
onderhavig wetsvoorstel regels te
stellen bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur. Hierbij gaat het
in ieder geval om regels ten aanzien van
het aanwijzen van verzoeken van gemeenten tot deelname aan de pilot,
bepalingen over de toepassing van de
toegangstoets door deelnemende gemeenten
en de vaststelling van de loonwaarde en
regels ten aanzien van de tegemoetkoming
in de bekostiging aan deelnemende
gemeenten. Met het oog op het
experimentele karakter en de
voorgestelde duur van de pilot wordt
voorgesteld dit in lagere regelgeving
vorm te geven. Door middel van een
voorhangprocedure zal de inhoudelijke
betrokkenheid van de Staten-Generaal
hierbij worden gewaarborgd.
Artikel
16. [Inwerkingtreding, red.]
Met
het tweede lid van dit artikel wordt een
voorziening getroffen voor de situatie
dat al vóór 1 januari 2013 een
wetsvoorstel is ingediend om de pilot om
te zetten in een structurele wettelijke
regeling. Het is in dat geval ongewenst
dat de loondispensatiemogelijkheid voor
bestaande dienstbetrekkingen eindigt met
ingang van die datum, terwijl deze dan
later onder toepassing van de
structurele regeling weer zou kunnen
worden toegepast.
De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
J.
Klijnsma
|