|
REGELING van de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid van 3 juni 2010, nr. R&P/RPA/2010/10484,
houdende nadere bepalingen ten aanzien van de uitvoering van een pilot
met betrekking tot het toepassen van loondispensatie
(Uitvoeringsregeling Tijdelijke wet pilot loondispensatie)
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen
1, tweede lid, 3,
tweede lid, 4, eerste lid, 5, tweede lid en derde lid, en
8 van het
Uitvoeringsbesluit Tijdelijke wet pilot loondispensatie;
Besluit:
§ 1.
Nadere bepalingen ten aanzien van de
deelname
Art. 1.
Verzoek tot deelname
Het college van burgemeester en
wethouders van een gemeente kan uiterlijk vier weken na de
inwerkingtreding van deze regeling een verzoek tot deelname aan de pilot,
bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het
Uitvoeringsbesluit Tijdelijke wet pilot loondispensatie, indienen.
Art. 2.
Tegemoetkoming
uitvoeringskosten
-1. De tegemoetkoming in de vaste
kosten bedraagt voor elke deelnemende gemeente
€|115 000,00.
-2. De tegemoetkoming in de overige
kosten bedraagt voor een gemeente:
(A/B) x (€|2 200 000,00 x C/32)
waarbij:
A staat voor het aantal personen in
de kring van de desbetreffende gemeente op 30 juni 2009;
B staat voor het totale aantal
personen in de kring van alle deelnemende gemeenten op 30 juni 2009;
C staat voor het aantal deelnemende
gemeenten.
-3. De tegemoetkomingen worden aan het
college beschikbaar gesteld door middel van een decentralisatie-uitkering
als bedoeld in artikel 13 van de Financiële-verhoudingswet.
§ 2.
Nadere bepalingen ten aanzien van de
uitvoering
Art. 3.
Toegangstoets
-1. De uitvoering van het onderzoek,
bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de
Tijdelijke wet pilot loondispensatie, geschiedt met inachtneming van
bijlage 1.
-2. Bij het onderzoek wordt een
arbeidsdeskundige, een arts of een andere deskundige in ieder geval
betrokken, indien:
a. als gevolg van tegenstrijdige
informatie onduidelijkheid bestaat of de desbetreffende inwoner
een arbeidsbeperking heeft; of
b. anderszins bij het college
gerede twijfel bestaat of de desbetreffende inwoner een
arbeidsbeperking heeft.
Art. 4.
Methoden loonwaardebepaling
-1. De methoden van loonwaardebepaling
met bijbehorende marktaanbieders die worden toegepast bij de pilot
zijn:
a. Activa Loonwaarde Methodiek,
aangeboden door Activa BV;
b. Arbolabmethode, aangeboden
door Melba en Arbolab;
c. Dariuz, aangeboden door TNO,
Chainworks en Mensenwerk;
d. Loonbalans, aangeboden door Eduper.
-2. Indien de gemeente op het moment
van indiening van het verzoek tot deelname aan de pilot een
overeenkomst heeft met één van de vier bovengenoemde
marktaanbieders voor de toepassing van de aldaar genoemde methode,
past het college deze methode toe bij de pilot, tenzij het college
in het verzoek tot deelname heeft aangegeven die methode niet toe te
willen passen.
-3. Indien de gemeente op het moment
van indiening van het verzoek tot deelname aan de pilot een andere
methode dan de in het eerste lid genoemde methoden toepast, kan het
college aan de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid verzoeken om deze methode toe te mogen passen bij de pilot. De
minister kan dit toestaan, indien:
a. de beschreven methode de
arbeidsprestatie van een werknemer op de werkplek meet gegeven
diens eventuele arbeidsbeperkingen in een bepaalde functie op
een bepaald moment; en
b. deze methode een waarde als
uitkomst heeft.
-4. Voor de colleges die niet op basis
van het tweede of het derde lid een methode bij de pilot toepassen,
geldt dat het college één van de in het eerste lid genoemde
methoden krijgt toegewezen, waarbij de verdeling van de vier methoden
op een zodanige wijze geschiedt dat er een zoveel mogelijke
evenwichtige verdeling van de in het eerste lid genoemde methoden
over de deelnemende gemeenten plaatsvindt. Dit geschiedt door middel
van loting.
Art. 5.
Periodieke vaststelling van de
loonwaarde
-1. De vaststelling van de
arbeidsprestatie en de loonwaarde, bedoeld in artikel
7, derde lid,
van de Tijdelijke wet pilot loondispensatie, vindt eens per
zes maanden plaats.
-2. Indien er sprake is van bijzondere
omstandigheden kan, in afwijking van het eerste lid, de vaststelling
van de arbeidsprestatie en de loonwaarde vervroegd plaatsvinden.
§ 3.
Slotbepalingen
Art. 6.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking op het
tijdstip waarop de Tijdelijke wet pilot loondispensatie in werking
treedt en vervalt met ingang van 1 januari 2013, met dien verstande dat
indien op grond van artikel 16, tweede lid, van de
Tijdelijke wet pilot
loondispensatie die wet op een later tijdstip vervalt, deze regeling op
dat latere tijdstip vervalt.
Art. 7.
Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als:
Uitvoeringsregeling Tijdelijke wet pilot loondispensatie.
Deze regeling zal met de toelichting en
bijlage 1 in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 3 juni 2010.
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner.
BIJLAGE
1
Beslisschema
behorende bij artikel 3 van deze regeling

Algemeen
Vraag 2a, 2b en vraag 3 zijn uitgewerkt
in een aantal criteria. De gedachtegang is als volgt:
1. Als het college oordeelt dat de
cliënt bij vraag 2a voldoet aan één of twee criteria, dan geeft
hij of zij een "JA"-antwoord op vraag 2a: de cliënt behoort
niet tot de doelgroep van de pilot loondispensatie. De cliënt
"valt"
hier buiten de beslistabel, want de pijl leidt tot "de cliënt
behoort niet tot de doelgroep (bovengrens)". De cliënt is dus
niet aangewezen op het instrument loondispensatie om te participeren
in werk. In die gevallen wordt verondersteld dat de cliënt met
bestaande re-integratie-instrumenten en voorzieningen aan het werk
kan. Voor cliënten die niet voldoen aan een of beide criteria,
dient het college vervolgens vraag 2b te beantwoorden.
2. Als het college oordeelt dat de
cliënt bij vraag 2b aan alle criteria voldoet, dan geeft hij/zij
een "JA"-antwoord op deze vraag: de cliënt behoort niet tot de
doelgroep van de pilot loondispensatie (bovengrens). Voor cliënten
die voldoen aan alle criteria van vraag 2b dient het college
vervolgens vraag 3 te beantwoorden.
3. Als het college oordeelt dat de
cliënt bij vraag 3 aan alle criteria voldoet, dan geeft hij/zij een
"JA"-antwoord op deze vraag. De cliënt behoort tot de doelgroep
van de pilot en komt in aanmerking voor het instrument
loondispensatie. Indien het college oordeelt dat de cliënt niet aan
alle criteria voldoet, dan geeft hij/zij een "NEE"-antwoord
op
deze vraag: de cliënt behoort niet tot de doelgroep van de pilot
(ondergrens). In die gevallen wordt verondersteld dat de loonwaarde
die de cliënt kan realiseren te laag is om met loondispensatie aan
het werk te gaan bij een werkgever.
Ad 1
Doel vraag 1: Vaststellen of de cliënt beperkingen
heeft bij algemene dagelijkse levensverrichtingen.
Toelichting beleidskader:
Vraag 1 van het toetsingskader heeft
betrekking op het begrip "beperkingen". Beperkingen in het kader van
de toegangstoets zijn - in de persoon gelegen - moeilijkheden die de
cliënt ervaart in het dagelijks leven.
Strikt genomen is het niet van belang
vast te stellen welke stoornis (afwijking in of verlies van functies of
anatomische eigenschappen) aan de beperkingen ten grondslag ligt. Dit
behoort in beginsel niet tot de expertise van het college. Bij deze
vraag gaat het om een goed zicht op de belemmeringen die de cliënt in
het dagelijkse leven ervaart, pas bij de tweede vraag worden die
belemmeringen in de context van werk bezien.
Psychosociale beperkingen duiden op de
samenhang tussen het psychisch functioneren van een persoon en diens
functioneren in interactie met de sociale omgeving. Het gaat om die
situaties waarin sociale problematiek de psychische beperkingen
versterkt en situaties waarin de psychische beperkingen extra sociale
problematiek met zich meebrengen. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om
agressief gedrag, onrustig gedrag en delinquent gedrag, dwangmatig
gedrag, extreme teruggetrokkenheid, suïcidaliteit, gezinsproblemen,
huiselijk geweld, schuldenproblematiek en verslaving. Voor de
beantwoording van deze vraag is de cliënt veelal de belangrijkste
informatiebron. Eventueel kan het college beslissen een deskundige (arts
of psycholoog) in te schakelen voor het vaststellen van de aard of de
aanwezigheid de beperkingen. Ook andere bronnen (bijvoorbeeld informatie
van ketenpartners, bijvoorbeeld UWV WERKbedrijf) kunnen aanwijzingen geven voor
de aanwezigheid van beperkingen.
Ad 2
Doel van vraag 2:
Vaststellen of de beperkingen die de
cliënt heeft of ervaart consequenties hebben voor de uitvoering van
werk en of deze beperkingen gecompenseerd kunnen worden met bestaande
re-integratie-instrumenten dan wel bestaande voorzieningen, zodat de
cliënt in staat is zelfstandig het wettelijk minimumloon
te
verdienen.
Toelichting beleidskader:
Een cliënt die bij vraag 2a aan één
van beide criteria voldoet, wordt in staat geacht 100% van het wettelijk minimumloon
te
verdienen.
Indien een cliënt niet voldoet aan één
van beide criteria die zijn genoemd bij 2a, maar wel aan alle criteria
voldoet die zijn genoemd bij 2b, dan wordt hij/zij in staat geacht 100% wettelijk minimumloon
te verdienen.
Het instrument loondispensatie dient in
eerste instantie toegankelijk te zijn voor personen voor wie op basis
van objectiveerbare, vaak medische, criteria kan worden vastgesteld dat
werken zonder structurele ondersteuning niet mogelijk is.
Voor mensen voor wie dit niet relatief
eenvoudig is vast te stellen, kan loondispensatie pas in beeld komen
nadat alle andere re-integratie-instrumenten gericht op reguliere
uitstroom zijn bezien en/of beproefd.
Soms hebben mensen voldoende aan algemene
re-integratie-instrumenten gericht op reguliere uitstroom (bijvoorbeeld
workfirst, proefplaatsing, training) om tot een "normale" prestatie
te komen. Dat dient dan eerst te worden/te zijn geprobeerd, tenzij
evident is dat bestaande re-integratie-instrumenten en voorzieningen (artikel 35 respectievelijk
36 van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen) niet toereikend zullen zijn om de cliënt aan het werk
te helpen.
Bij het beantwoorden van de tweede vraag
van de beslistabel gaat het meer in het bijzonder over de vraag in
hoeverre de geconstateerde beperkingen het zelfstandig functioneren van
de cliënt in een arbeidsomgeving in de weg staan. Hierbij dient
rekening te worden gehouden met een functie of functies waarvoor de
cliënt in aanmerking komt gezien zijn of haar werkervaring,
opleidingsniveau en affiniteit.
Arbeidskansen kunnen klein lijken als
gevolg van leeftijd, lage opleiding, geringe motivatie, verbrokkeld
arbeidsverleden, ongunstige ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Dit mag
echter geen rol spelen bij afwegingen en beslissing of de cliënt in
aanmerking komt voor loondispensatie en dus tot de doelgroep behoort;
het gaat om de aanwezigheid van één of meer beperkingen met als gevolg
verminderde productiviteit.
Ad 3
Doel: Vaststellen of de cliënt ondanks de
beperkingen ten minste 20% van het wettelijk minimumloon
kan verdienen.
Toelichting beleidskader:
In het algemeen speelt bij deze vraag op
de achtergrond: als werken met loondispensatie niet mogelijk wordt
geacht, dan is arbeid voor de cliënt geen optie meer (hij of zij is
aangewezen op een zorg- of activeringstraject). Daarom is goede argumentatie
van een "nee" op deze vraag van de beslistabel van belang, zeker als
de cliënt wel gemotiveerd is om te werken. Bij twijfel dient het
college een deskundigenonderzoek te starten.
Bij een persoon die vanwege zijn of haar
beperkingen niet in staat is voor 20% van het wettelijk minimumloon
te verdienen, wordt
ervan uitgegaan dat het niet waarschijnlijk is dat een werkgever hem of
haar zal aannemen. De bijdrage aan het bedrijfsresultaat is dan zo
gering en, afhankelijk van de beperking, de aanpassing van het werk
relatief zo groot dat dit ook redelijkerwijs niet van een werkgever kan
worden verwacht.
TOELICHTING
[3 juni 2010]
Algemeen
De Tijdelijke wet pilot loondispensatie
(hierna: de wet) creëert een basis om uitvoering te kunnen geven aan
een pilot waarbij het instrument loondispensatie centraal staat. Deze
pilot is één van de pilots "werken naar vermogen" die het kabinet
heeft aangekondigd en die deels al zijn gestart, naar aanleiding van
het advies van de Commissie fundamentele herbezinning Wet sociale
werkvoorziening (Wsw) (Kamerstukken II 2008-2009, 29 817, nr. 40).
Toepassing van het instrument
loondispensatie in het kader van deze pilot wil zeggen dat de werkgever
een loon mag betalen dat onder het wettelijk minimumloon ligt als de
loonwaardebepaling van de werknemer in de desbetreffende functie
uitwijst dat betrokkene niet in staat is om het wettelijk minimumloon te
verdienen. Betrokkene ontvangt naast het loon dan een aanvullende
uitkering van de gemeente.
In deze regeling worden de volgende
onderwerpen nader uitgewerkt en toegelicht: verzoek tot deelname
gemeenten, tegemoetkoming in de uitvoeringskosten, de toegangstoets, de
methode van loonwaardebepaling en de periodieke vaststelling van de
loonwaarde.
In november 2009 heeft de Raad voor werk
en inkomen (hierna: de RWI) zijn rapport "Aan de slag met
loonwaardemeting" gepubliceerd. In zijn rapport adviseert de RWI om in de pilot
loondispensatie vier methoden voor loonwaardemeting te gebruiken. De RWI
adviseert deze methoden te gebruiken omdat deze methoden een loonwaarde
meten volgens de definitie: een arbeidsprestatie van een werknemer
gegeven diens eventuele arbeidsbeperkingen in een bepaalde functie op
een bepaald moment. Tevens zijn deze vier methoden ver genoeg ontwikkeld
en voldoende in de praktijk gebruikt. Het advies van de RWI is door de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid overgenomen. In deze
regeling is dan ook opgenomen dat de vier door de RWI geadviseerde
methoden, Activa Loonwaarde Methodiek, Arbolabmethode, Dariuz en
Loonbalans, in de pilot worden gebruikt. Daarnaast kan, op verzoek van
het college, de minister besluiten dat een gemeente een andere methode
mag gebruiken bij de pilot indien de methode voldoet aan de gestelde
eisen, namelijk dat het een beschreven methode betreft die de
arbeidsprestatie van een werknemer op de werkplek meet gegeven diens
eventuele arbeidsbeperkingen in een bepaalde functie op een bepaald
moment en dat deze methode een waarde als uitkomst heeft. De gemeente
dient bovendien voorafgaand aan de pilot al gebruik te hebben gemaakt
van de methode.
Het schema van bijlage 1
is door TNO
Kwaliteit van Leven ontwikkeld in opdracht van de toenmalige
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Bij de start van
de werkzaamheden is eerst door TNO Kwaliteit van Leven geïnventariseerd
welke bestaande methoden (waaronder de Wsw-indicatiestelling) mogelijk
de functie van toegangstoets zouden kunnen vervullen (eventueel na
aanpassingen) en in afdoende mate tegemoet zouden kunnen komen aan de
vereisten van uniformiteit, objectiviteit, validiteit, betrouwbaarheid
en hanteerbaarheid. Deze inventarisatie heeft uitgewezen dat de
bestaande methoden onvoldoende geschikt zijn om de functie van het
onderzoek, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van
de wet, (de "toegangstoets")
te vervullen in het kader van de pilot. Derhalve is gekozen voor de
ontwikkeling van een nieuwe methode, waarbij wel gebruik is gemaakt van
bruikbare elementen van bestaande methoden.
TNO Kwaliteit van Leven heeft bij de
ontwikkeling van de toegangstoets de expertise van artsen, psychologen,
arbeidsdeskundigen en werkcoaches van gemeenten en het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UVW) ingeschakeld. Tevens
waren de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), Cedris, het UWV en
Divosa vertegenwoordigd in de begeleidingscommissie van dit onderzoek.
Het schema maakt deel uit van de door TNO Kwaliteit van Leven
opgeleverde "Handreiking pilot loondispensatie".
Artikelsgewijs
Artikel 1.
Verzoek tot deelname
Gemeenten worden geselecteerd op basis
van de in het
Uitvoeringsbesluit Tijdelijke wet pilot loondispensatie genoemde criteria.
Het verzoek tot deelname aan de pilot
geschiedt middels een aanvraagformulier dat, vanaf de dag van
inwerkingtreding van deze regeling, is te downloaden van de website
www.ikkan.nl/meebouwenpilots. Gemeenten dienen een volledig ingevuld
aanvraagformulier op te sturen naar het op het formulier genoemde adres.
Ten behoeve van deze pilot kan indien er
sprake is van een bij gemeenschappelijke regeling (als bedoeld in de Wet
gemeenschappelijke regelingen) ingesteld openbaar lichaam waaraan
integrale overdracht van bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de
gemeente in het kader van de wet aan het openbaar lichaam heeft
plaatsgevonden, dit openbaar lichaam aangemerkt worden als een gemeente
die de wet uitvoert. Indien zowel het bestuur van het openbaar lichaam
als de colleges van één of meer van de in dat openbaar lichaam
deelnemende gemeenten een verzoek tot deelname aan de pilot doen, wordt
alléén het verzoek van het openbaar lichaam in behandeling genomen.
De aanmeldingstermijn begint te lopen op
de dag van de inwerkingtreding van deze regeling. De 28ste
dag na deze dag dienen de verzoeken tot deelname door de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid ontvangen te zijn.
Artikel 2.
Tegemoetkoming
uitvoeringskosten
De colleges van de deelnemende
gemeenten
krijgen een tegemoetkoming in de uitvoeringskosten. Het is een
tegemoetkoming in de kosten en is dus nadrukkelijk geen volledige
vergoeding van alle door de gemeente gemaakte kosten in het kader van
deelname aan de pilot.
Voor de tegemoetkoming in de
uitvoeringskosten van de pilot wordt een openbaar lichaam als één
entiteit aangemerkt. De individuele gemeenten die zijn overgegaan tot
het instellen van het hierboven omschreven openbaar lichaam ontvangen
niet ieder afzonderlijk de tegemoetkoming in de uitvoeringskosten, in
plaats daarvan wordt de tegemoetkoming van de uitvoeringskosten in het
kader van deze pilot aan het openbaar lichaam ter beschikking gesteld.
De tegemoetkoming wordt verstrekt door
middel van een verzameluitkering. Een verzameluitkering is een
specifieke uitkering waarin bedragen voor beleidsthema’s zijn
opgenomen die wordt verstrekt op grond van artikel 16a van de Financiële-verhoudingswet. De verzameluitkering zal worden verstrekt in
2010 en betreft de tegemoetkoming voor de jaren 2010, 2011 en 2012.
De tegemoetkoming is verdeeld in een
tegemoetkoming in de vaste en een tegemoetkoming in de overige kosten.
Onder vaste kosten worden de kosten verstaan die alle deelnemende gemeenten maken in de voorbereiding op de
uitvoering van de pilot en die niet direct gerelateerd zijn aan het
aantal mensen dat middels de nieuwe systematiek naar werk wordt
toegeleid. In dit bedrag is bijvoorbeeld een tegemoetkoming voor de
kosten voor een projectleider en administratieve ondersteuning
(inclusief de te registreren gegevens) verdisconteerd. Bij de vaste
kosten wordt een vast bedrag per deelnemende gemeente gehanteerd. Dit is
een bedrag van €|115 000,- per gemeente.
Onder overige kosten worden kosten
verstaan waarvan vooraf de verwachting is dat die tijdens de uitvoering
van de pilot worden gemaakt en waarvan de hoogte in hoge mate
gerelateerd is aan het aantal personen dat de gemeente middels de nieuwe
systematiek naar werk toeleidt. In dit bedrag is een tegemoetkoming
voor de kosten voor de uitvoering van de toegangstoets, de uitvoering
van de loonwaardebepaling en de periodieke evaluatie van de
loonwaardebepaling verdisconteerd.
Bij de overige kosten wordt er rekening
gehouden met het aantal personen in de deelnemende gemeenten met een
uitkering op grond van de Wet werk en bijstand ouder dan 23 jaar
[lees: van 23 jaar of ouder, red.] op 30
juni 2009. Dit is voorafgaand aan de pilot de indicator die het meeste
zegt over de potentiële doelgroep en dus over de kosten die hier
afhankelijk van zijn.
Voor de berekening van de overige kosten
van een openbaar lichaam worden het aantal personen in de kring van het
desbetreffende openbare lichaam bij elkaar opgeteld voor de vaststelling
van factor A. Voor de vaststelling van factor B worden het aantal
personen in de kring van de deelnemende gemeenten en het aantal personen
in de kring van de deelnemende openbare lichamen bij elkaar opgeteld.
In totaal is er een bedrag van €|2
200 000,- gereserveerd voor de tegemoetkoming in de overige kosten
bij deelname van 32 gemeenten. Bij deelname van een lager aantal
gemeenten zal dit totaalbedrag over de dan deelnemende gemeenten naar
rato worden verminderd.
Artikel 3.
Toegangstoets
Om te bepalen of personen uit de kring,
zonder Wsw-indicatie, deel uit maken van de doelgroep van de pilot
verricht het college het in artikel 4, eerste lid, van
de wet bedoelde
onderzoek met inachtneming van bijlage 1.
Het college schakelt zo nodig een
arbeidsdeskundige, een arts of een andere deskundige in. Het is aan het
college om te beoordelen wanneer dit nodig is. In twee situaties is het
college evenwel in ieder geval gehouden om een arbeidsdeskundige, een
arts of een andere deskundige in te schakelen. Dit is ten eerste het
geval indien niet duidelijk is of een inwoner uit de kring tot de
doelgroep behoort, omdat het college tegenstrijdige informatie heeft
ontvangen. In een dergelijke situatie is het zinvol om de adviezen ter
nadere beoordeling te leggen aan één of meer onafhankelijke
deskundige(n) op het desbetreffende terrein. Het college dient daarnaast
een arbeidsdeskundige, een arts of een andere deskundige in te schakelen
indien het college gerede twijfel heeft of de inwoner uit de kring al
dan niet tot de doelgroep behoort.
Een arbeidsdeskundige wordt bij het
onderzoek betrokken indien er vragen zijn van arbeidskundige aard.
Indien er vragen rijzen van medische aard, wordt er een arts bij het
onderzoek betrokken. "Arts" wordt gebruikt in de brede zin van het
woord. Gedacht kan worden aan een cardioloog, huisarts, longarts,
neuroloog, oogarts, psychiater en reumatoloog. Indien het vragen betreft
van een andere aard, dan wordt een andere deskundige bij het onderzoek
betrokken. Gedacht kan worden aan de situatie dat er vragen zijn die
betrekking hebben op de psychische gesteldheid van een mogelijk tot de
kring behorende persoon. In dat geval kan of wordt een psycholoog bij
het onderzoek betrokken.
Het bovenstaande kan ertoe leiden dat het
college meerdere deskundigen inschakelt bij het onderzoek gezien de
complexiteit van de gerezen vragen. Dit kan het geval zijn indien de
gerezen vragen de specialiteit van verschillende medisch specialisten
raken of indien de vragen betrekking hebben op verschillende gebieden.
Als uit het onderzoek volgt dat een
persoon tot de doelgroep behoort, dient de gemeente
zich in te spannen
om een potentiële werkgever te vinden waar betrokkene aan de slag kan.
Het is aan de professionaliteit van de uitvoerder van het onderzoek om
te bepalen of een persoon, al dan niet tijdelijk, is aangewezen op een
afgeschermde werkplek om te kunnen participeren. Tevens kan een gemeente
ervoor kiezen dit oordeel bij een ander dan de uitvoerder van het
onderzoek te beleggen. In het geval dat een persoon is aangewezen op een
afgeschermde werkplek zal voor betrokkene een werkplek moeten worden
gezocht waarbij het socialewerkvoorzieningsbedrijf als werkgever
vrijstelling krijgt om het rechtens geldende loon te betalen.
Artikel 4.
Methoden loonwaardebepaling
Artikel 4 is van toepassing op de
gemeenten die geselecteerd zijn voor deelname aan de pilot op basis van
de in het
Uitvoeringsbesluit Tijdelijke wet pilot loondispensatie
genoemde criteria.
In het eerste lid zijn de methoden van
loonwaardebepaling met hun ontwikkelaar opgenomen die bij de pilot
worden gebruikt.
Bij de verdeling van deze methoden wordt
eerst gekeken of een college bij het verzoek tot deelname aan de pilot
heeft aangegeven of de gemeente, dan wel een derde die de
loonwaardebepaling in het kader van de pilot voor de gemeente gaat
uitvoeren, een overeenkomst heeft met één van de marktaanbieders van
de hierboven genoemde methoden van loonwaardebepaling. Is dat het geval,
dan past het college - of, in opdracht van het college, die derde - deze methode toe bij de pilot, tenzij het college bij het verzoek tot
deelname aan de pilot uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven deze methode
niet toe te willen passen bij de pilot. Indien een college uitdrukkelijk
te kennen heeft gegeven deze methode niet toe te willen passen bij de
pilot, dan geschiedt de toewijzing van een methode conform het vierde
lid.
Het kan tevens voorkomen dat een
gemeente, dan wel een derde die de loonwaardebepaling in het kader van
de pilot voor de gemeente gaat uitvoeren, voorafgaand aan de pilot een
andere methode dan de methoden als bedoeld in het eerste lid hanteert
die de loonwaarde meet volgens de door de RWI gebruikte definitie. Als
naar het oordeel van de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid deze methode een loonwaarde meet volgens de bedoelde definitie en deze
methode een waarde als uitkomst heeft, dan kan de minister beslissen dat
het college - of, in opdracht van het college, die derde - deze
methode toepast in de pilot en zodoende geen gebruik hoeft te maken van
één van de in het eerste lid genoemde methoden.
De verdeling van de vier in het eerste
lid genoemde methoden van loonwaardebepaling geschiedt op een zodanige
wijze dat er een zo evenwichtig mogelijke verdeling van de genoemde
methoden over alle deelnemende gemeenten plaatsvindt. Dit houdt een
theoretisch optimale verdeling in van 25% van de deelnemende gemeenten
(die niet een andere methode gebruikt op grond van het derde lid) per
methode van loonwaardebepaling.
Het is echter mogelijk dat aan de hand
van het tweede lid van dit artikel het aantal deelnemende gemeenten dat
al een bepaalde methode van loonwaardebepaling hanteert dit percentage
overschrijdt. Kortom: meer dan 25% van de deelnemende gemeenten maakt
gebruik van deze methode. Overschrijdt één (of meer) in het eerste lid
genoemde methode(n) het bovengenoemde percentage, dan wordt (worden)
deze methode(n) niet meer op grond van het vierde lid verdeeld over de
overige gemeenten. De overige in het eerste lid genoemde methoden
worden vervolgens op grond van het vierde lid op een zodanige wijze
verdeeld dat er een zo evenwichtig mogelijke verdeling plaatsvindt over
de deelnemende gemeenten. Deze verdeling op grond van het vierde lid
geschiedt op basis van loting. De eerste gemeente die uit de loting naar
voren komt, krijgt de eerst aan te wijzen methode toegewezen, de tweede
krijgt de eerstvolgende methode toegewezen, de derde gemeente de daaropvolgende methode en ga zo maar door. Indien een methode het maximale
percentage heeft bereikt waarbij sprake is van een zo evenwichtig
mogelijke verdeling, doet deze methode niet meer mee bij de loting.
Voorbeeld
Op grond van het tweede lid wordt methode
3 door 40% van de deelnemende gemeenten gehanteerd en methode 4 door
10%. Methode 3 wordt bij verdere verdeling op grond van het vierde lid
uitgesloten. De overige methoden (methoden 1, 2 en 4) worden op grond
van het vierde lid dan zodanig verdeeld dat elke methode wordt
gehanteerd door 20% van de overige deelnemende gemeenten. Dat percentage
zal bij de loting voor methode 4 eerder bereikt zijn dan voor de
methoden 1 en 2. Vanaf dat moment wordt methode 4 niet meer bij de
loting toegewezen.
Naar aanleiding van de uitkomst van de
loonwaardebepaling krijgt de werkgever van de gemeente een beschikking
waarin wordt bepaald dat hij, mocht hij overgaan tot het aangaan van een
dienstbetrekking met betrokkene, vrijgesteld (gedispenseerd) zal zijn
van de verplichting om het normaliter voor zijn werknemer rechtens
geldende loon te betalen. Deze beschikking vermeldt het percentage dat
de werkgever van dit rechtens geldende loon dient uit te betalen aan de
werknemer en is voor bezwaar en beroep vatbaar. Indien voor de
betreffende werkgever een CAO geldt, dan betekent dit dat hij betrokkene
het vastgestelde percentage van het geldende CAO-loon dient uit te
betalen. Vervolgens kunnen de werkgever en de werknemer een
dienstbetrekking in het kader van de pilot aangaan. Tevens wordt met de
uitkomst van de loonwaardebepaling de hoogte van de eventuele
aanvullende uitkering berekend.
Artikel 5.
Periodieke vaststelling van de
loonwaarde
In artikel
7, derde lid, van de wet is
vastgelegd dat de vaststelling van de loonwaarde periodiek dient plaats
te vinden. Dit artikel regelt dat de nieuwe vaststelling van de
loonwaarde telkens binnen zes maanden na de vorige vaststelling
plaatsvindt.
Indien er zich bijzondere omstandigheden
voordoen, kan op verzoek van de werkgever of werknemer een vervroegde
vaststelling plaatsvinden. Tevens kan het college uit eigen beweging
hiertoe beslissen. Er mag echter nooit later dan zes maanden na de vorige
vaststelling van de loonwaarde een nieuwe vaststelling plaatsvinden, ook
niet met goedvinden van werkgever en werknemer.
Het college bepaalt in elk geval
afzonderlijk of er sprake is van bijzondere omstandigheden. Een geval
waarin er in ieder geval sprake is van bijzondere omstandigheden is het
geval dat een arts vaststelt dat er sprake is van duidelijke medische
verslechtering dan wel verbetering.
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner.
|
|