|
BESLUIT van 28 mei 2010, houdende nadere
regels ten aanzien van de uitvoering van de Tijdelijke wet pilot
loondispensatie (Uitvoeringsbesluit Tijdelijke wet pilot
loondispensatie)
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin
der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van
Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 31 maart 2010, nr. R&P/RPA/2010/6669;
Gelet op de artikelen
7, derde lid, 8,
tweede lid, en 14 van de Tijdelijke wet pilot
loondispensatie;
De Raad van State gehoord (advies van 21
april 2010, nr. W12.10.0108/III);
Gezien het nader rapport van Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 mei 2010, nr.
R&P/RPA/2010/8973;
Hebben goedgevonden en verstaan:
§ 1.
Deelname gemeenten
Art. 1.
Verzoek tot deelname en
beoordeling
-1. Indien een gemeente wil deelnemen
aan de pilot, doet het college van burgemeester en wethouders van die
gemeente een verzoek daartoe aan Onze
Minister.
-2. Het verzoek wordt gedaan binnen
een bij ministeriële regeling vast te stellen periode door middel
van een door Onze Minister ter beschikking gesteld
aanvraagformulier. Toewijzing dan wel afwijzing van verzoeken vindt
plaats met inachtneming van het derde tot en met vijfde lid. [UT]
-3. Aan de pilot nemen ten hoogste 32
gemeenten deel.
-4. Onze Minister stelt vast tot welke
regio en tot welke categorie de gemeenten behoren die een verzoek
tot deelname hebben gedaan. De categorieën die worden gehanteerd,
bestaan uit de combinaties van de volgende criteria:
a. inwoneraantal van de gemeente;
b. de mate waarin binnen een
gemeente uitstroom plaatsvindt van rechthebbenden op grond van
de Wet werk en bijstand; en
c. de mate waarin een gemeente
begeleid werken als bedoeld in artikel 7 van de
Wet
sociale werkvoorziening realiseert, dan wel werknemers in het kader van
een arbeidsovereenkomst op grond van artikel 2 van de
Wet
sociale werkvoorziening ter beschikking stelt aan een derde om
op grond van een met de gemeente afgesloten overeenkomst arbeid
te verrichten onder toezicht en leiding van die derde.
-5. Nadat het vierde lid is toegepast,
wijst Onze Minister met inachtneming van het derde lid de verzoeken
van gemeenten zodanig toe dat een zo evenwichtige mogelijke
verdeling wordt bereikt. Bij de toepassing van de vorige zin kunnen
verzoeken van gemeenten met een grotere kring voorgaan op verzoeken
van gemeenten met een kleinere kring.
Art.
2. Informatieverplichting
gemeenten
-1. Het college verstrekt op verzoek
van Onze Minister, aan hem dan wel aan een door hem aangewezen
derde, de benodigde inlichtingen ten behoeve van de pilot. Onze
Minister kan inzage vorderen van gegevens en bescheiden, voor zover
dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.
-2. Het college voert een zodanige
administratie dat alle van belang zijnde vastleggingen en
bewijsstukken met betrekking tot het verloop van de pilot tijdig en
controleerbaar zijn opgenomen.
-3. Ten aanzien van de inlichtingen,
bedoeld in het eerste lid, kunnen bij ministeriële regeling regels
worden gesteld.
Art.
3. Bekostiging
-1. De tegemoetkoming, bedoeld in
artikel 11, eerste lid, van de Tijdelijke wet pilot
loondispensatie,
bestaat uit een tegemoetkoming in de vaste kosten van de pilot en
een tegemoetkoming in de overige kosten.
-2. Ten aanzien van de hoogte van de
tegemoetkomingen, bedoeld in het eerste lid, de betaling van de
tegemoetkomingen en de vaststelling daarvan worden bij ministeriële
regeling regels gesteld. [UT]
§ 2.
Uitvoering
Art.
4. Toegangstoets
-1. Bij ministeriële regeling wordt
bepaald wanneer bij het onderzoek, bedoeld in artikel
4, eerste lid,
van de Tijdelijke wet pilot
loondispensatie, een arbeidsdeskundige,
een arts of een andere deskundige wordt betrokken en worden nadere
regels gesteld over de wijze waarop het college het onderzoek
uitvoert. [UT]
-2. Het college draagt ervoor zorg dat
indien een arbeidsdeskundige, een arts of een andere deskundige op
grond van het eerste lid wordt betrokken, deze over voldoende
deskundigheid beschikt.
Art.
5. Loonwaardebepaling
-1. Het college stelt de loonwaarde,
bedoeld in de artikelen 6 en 7 van de
Tijdelijke wet pilot
loondispensatie, vast op basis van de feitelijke werkzaamheden bij
de werkgever, bedoeld in artikel 6 van de
Tijdelijke wet pilot
loondispensatie, van de desbetreffende persoon uit de doelgroep en
op basis van een objectieve methode.
-2. Bij ministeriële regeling wordt
de periode, bedoeld in artikel 7, derde lid, van de
Tijdelijke wet pilot
loondispensatie, vastgesteld en wordt bepaald welke methoden
van loonwaardebepaling kunnen worden toegepast. [UT]
-3. De verdeling van de methoden over
de deelnemende gemeenten geschiedt op een bij ministeriële regeling
te bepalen wijze. [UT]
Art.
6. Hoogte aanvullende uitkering
-1. De aanvullende uitkering, bedoeld
in artikel 8 van de Tijdelijke wet pilot
loondispensatie, bedraagt
per kalendermaand:
a. indien de werknemer tot een gezin
behoort:
A - B - C;
b. indien de werknemer een
alleenstaande ouder is:
0,875 * (A - B) - C;
c. indien de werknemer een
alleenstaande is:
0,625 * (A - B) - C;
waarbij:
A staat voor het bedrag, bedoeld in
artikel 21, eerste lid, van de Wet
werk en bijstand;
B staat voor de inkomsten in de
desbetreffende kalendermaand uit de dienstbetrekking waarop artikel
7 van de Tijdelijke wet pilot
loondispensatie van toepassing is; en
C staat voor het overige inkomen in
de desbetreffende kalendermaand.
-2. Bij de vaststelling van factor B
zijn artikel 31, derde en vierde lid, van de
Wet werk en bijstand en
de daarop berustende bepalingen van overeenkomstige toepassing, met dien
verstande dat de arbeidskorting, bedoeld in artikel 8.11 van de Wet
inkomstenbelasting 2001, buiten toepassing wordt gelaten.
-3. Bij de vaststelling van factor C
zijn paragraaf 3.4 en de daarop berustende bepalingen en artikel
58,
derde lid, van de Wet werk en bijstand van overeenkomstige toepassing.
-4. Voor de toepassing van het eerste
lid wordt onder gezin, alleenstaande en alleenstaande ouder
verstaan gezin, alleenstaande en alleenstaande ouder als bedoeld
in de artikelen 3 en 4 van de
Wet werk en bijstand.
-5. Artikel 19, derde en vierde
lid, van de Wet werk en bijstand is van
overeenkomstige toepassing op de
aanvullende uitkering.
Art.
7. Informatieverplichting kring en
loongedispenseerden
Een inwoner die behoort tot de kring,
alsmede degene voor wie het college de hoogte van de aanspraak op een
geldelijke beloning voor de verrichte arbeid onder toepassing van
artikel 7, eerste lid, van de Tijdelijke wet pilot
loondispensatie heeft
verminderd, is gehouden om aan het college alle inlichtingen of gegevens
te verstrekken die het college redelijkerwijs nodig heeft ter
uitvoering van de Tijdelijke wet pilot
loondispensatie, alsmede de
benodigde inlichtingen te verstrekken ten behoeve van namens Onze
Minister te verrichten onderzoek in het kader van de evaluatie van de
pilot.
§ 3.
Slotbepalingen
Art.
8. Lagere regelgeving [UT]
Bij ministeriële regeling kunnen regels
worden gesteld ter uitvoering van dit besluit.
Art.
9. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op het
tijdstip waarop de Tijdelijke wet pilot
loondispensatie in werking
treedt en vervalt met ingang van 1 januari 2013, met dien verstande dat
indien op grond van artikel 16, tweede lid, van de
Tijdelijke wet pilot
loondispensatie die wet op een later tijdstip vervalt, dit besluit op
dat latere tijdstip vervalt.
Art.
10. Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als:
Uitvoeringsbesluit Tijdelijke wet pilot loondispensatie.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de
daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden
geplaatst.
’s-Gravenhage, 28 mei 2010
BEATRIX
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner
Uitgegeven de achtste juni 2010
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
NOTA
VAN TOELICHTING
[28 mei 2010]
1. Inleiding
De Commissie fundamentele herbezinning
Wet sociale werkvoorziening (Wsw) (hierna: commissie-De Vries) heeft op
9 oktober 2008 (Kamerstukken II 2008-2009, 29 817, nr. 40) geadviseerd tot
een wijziging van het stelsel van werk en inkomen. Werk moet voor alle
personen met een arbeidsbeperking meer centraal komen te staan. Mensen
moeten in staat worden gesteld te werken naar hun vermogen, het liefst
op de reguliere arbeidsmarkt. Daarbij stelt commissie-De Vries een
uniforme benadering voor van alle mensen met een arbeidsbeperking bij de
inschakeling in arbeid.
Het kabinet deelt de door
commissie-De Vries gehanteerde uitgangspunten, zoals blijkt uit het kabinetsstandpunt
van 13 februari 2009 (Kamerstukken II 2008-2009, 29 817, nr. 40). Alvorens
over te gaan tot definitieve besluitvorming wil het kabinet - conform
het advies van commissie-De Vries - evenwel eerst de effectiviteit en
de toepasbaarheid van de nieuwe systematiek in pilots onderzoeken. In de
brief van de toenmalige Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid (hierna: de staatssecretaris) van 2 juli 2009
(Kamerstukken II 2008-2009, 29 817, nr. 50) worden de verschillende pilots
nader uitgewerkt.
De Tijdelijke wet pilot
loondispensatie (hierna: de wet) creëert een basis om uitvoering te kunnen geven aan de
pilot waarbij inzet van het instrument loondispensatie centraal staat.
Toepassing van het instrument loondispensatie wil zeggen dat de
werkgever een loon mag betalen dat onder het wettelijk minimumloon ligt
als de loonwaardebepaling van de werknemer in de desbetreffende functie
uitwijst dat betrokkene niet in staat is om het wettelijk minimumloon te
verdienen. De nadere invulling van deze pilot geschiedt bij of krachtens
dit besluit. In dit besluit worden de volgende onderwerpen nader
uitgewerkt en toegelicht: deelname gemeenten (verzoek tot deelname en
beoordeling, informatieverplichting gemeenten, bekostiging), uitvoering
(toegangstoets, loonwaardebepaling, hoogte aanvullende uitkering,
informatieverplichting doelgroep) en slotbepalingen (lagere regelgeving,
inwerkingtreding). Deze toelichting wordt afgesloten met een bespreking
van de ontvangen adviezen over het onderhavige besluit van de bij de
uitvoering van de wet betrokken organisaties en de uitkomsten van de
voorhangprocedure bij de beide kamers van de Staten-Generaal.
2. Deelname gemeenten
2.1. Verzoek tot deelname en beoordeling
Op grond van artikel 3 van
de wet kan de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) gemeenten op hun verzoek aanwijzen om deel te nemen aan de pilot. In het
kabinetsstandpunt van 13 februari 2009 en in een brief van de toenmalige staatssecretaris
van 2 juli 2009 is aangegeven dat bij de selectie van
gemeenten die een verzoek tot deelname hebben gedaan rekening zal worden
gehouden met de eisen van representativiteit. Met andere woorden: er
moet zoveel mogelijk recht worden gedaan aan de diversiteit tussen
gemeenten, zodat bij de (tussentijdse) evaluatie van de pilot uitspraken
gedaan kunnen worden over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de
nieuwe systematiek kan functioneren.
Om een selectie te maken van
gemeenten
die een verzoek tot deelname hebben gedaan, zal worden gekeken tot welke
van de 30 grote regionale werkpleinen ze behoren
- de regionale
arbeidsmarktsituatie kan immers van invloed zijn op de resultaten die
behaald kunnen worden bij het aan het werk helpen van de doelgroep met
inzet van het instrument loondispensatie -, alsook tot welke van de
zestien categorieën ze behoren, zijnde alle mogelijke combinaties van de
onderstaande criteria:
Inwoneraantal
Gemeenten die een verzoek tot deelname
hebben gedaan, zullen worden ingedeeld in vier groepen op basis van de
grootteklassen gehanteerd door het Centraal bureau voor de
statistiek:
minder dan 20 000 inwoners, 20 000 tot 50 000 inwoners, 50 000 tot 100
000 inwoners en meer dan 100 000 inwoners. De grootte van de
gemeente kan immers van invloed zijn op de wijze waarop uitvoering
gegeven kan worden aan de nieuwe systematiek en daarmee op de resultaten
die behaald kunnen worden bij het aan het werk helpen van de doelgroep
met inzet van het instrument loondispensatie.
Uitvoering Wwb
Gemeenten die een verzoek tot deelname
hebben gedaan, zullen op basis van de informatie aangaande de Wet werk
en bijstand (Wwb) 2008, ingediend door gemeenten bij het Centraal
bureau voor de statistiek in het kader van de Bijstandsuitkeringenstatistiek,
worden ingedeeld in twee groepen om te bewerkstelligen dat zowel
gemeenten die een bovengemiddelde als gemeenten die een ondergemiddelde
netto-uitstroom (uitstroom minus instroom) uit de bijstand kennen,
vertegenwoordigd zijn in de pilot.
De uitstroommogelijkheden binnen een
gemeente kunnen immers ook van invloed zijn op de resultaten die behaald
kunnen worden bij het aan het werk helpen van de doelgroep met inzet van
het instrument loondispensatie.
Uitvoering Wsw
Gemeenten die een verzoek tot deelname
hebben gedaan, zullen worden ingedeeld in twee groepen op basis van de
informatie Wsw 2008 ingediend door gemeenten bij Research voor Beleid in
het kader van de Wsw-statistiek. Hiermee kan worden bewerkstelligd dat
zowel gemeenten met een bovengemiddelde als een ondergemiddelde
realisatie van arbeidsplaatsen bij reguliere werkgevers voor
Wsw-geïndiceerden vertegenwoordigd zijn in de pilot. Onder reguliere
arbeidsplaatsen wordt in dit kader zowel het aantal detacheringen van
Wsw-geïndiceerden bij reguliere werkgevers verstaan als het aantal
begeleidwerkenplekken waarbij Wsw-geïndiceerden daadwerkelijk in
dienst treden bij een reguliere werkgever. Onder meer een goed netwerk
met het regionale bedrijfsleven kan immers van invloed zijn op de
resultaten die behaald kunnen worden bij het aan het werk helpen van de
doelgroep met inzet van het instrument loondispensatie.
De selectie van deelnemende
gemeenten
vindt zodanig plaats dat de spreiding over de 30 grote regionale werkpleinen
en over de zestien categorieën zo evenwichtig mogelijk is.
Daarbij is bepaald dat maximaal 32 gemeenten deel kunnen nemen aan de
pilot. Doet de situatie zich bijvoorbeeld voor dat het maximumaantal
wordt overschreden en een keuze gemaakt moet worden tussen gemeenten die
behoren tot hetzelfde grote regionale werkplein en/of dezelfde categorie,
dan zal gekozen worden voor die gemeente(n) met de grootste kring.
Een verzoek tot deelname zal door
gemeenten door middel van een volledig ingevuld aanvraagformulier
kenbaar moeten worden gemaakt binnen een bij ministeriële regeling vast
te stellen periode. Op het aanvraagformulier dient de gemeente in ieder
geval gegevens op te nemen over de omvang van de kring. In de aanloop
naar de inwerkingtreding van de wet- en regelgeving betreffende de pilot
worden gemeenten voorgelicht over de vormgeving en de opzet van de pilot.
Hierdoor kunnen gemeenten zich reeds beraden op deelname en een
eventueel verzoek daartoe voorbereiden. Dit maakt het mogelijk om de
inschrijvingsperiode na de inwerkingtreding van de benodigde wet- en
regelgeving voor de pilot relatief kort te laten zijn. Ook zal samen met
onder meer de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG) in de
aanloop naar de pilot worden bezien welke behoefte er zal bestaan bij de
deelnemende gemeenten aan nadere voorlichting en ondersteuning.
2.2. Informatieverplichting gemeenten
Een deelnemende gemeente
dient informatie
te verstrekken ten behoeve van de pilot. Er zal vanaf de dag van
inwerkingtreding van dit besluit een voorlopige lijst met door de
gemeenten te registeren en aan te leveren gegevens die benodigd zijn om
de pilot te monitoren, te evalueren en te bekostigen (hierna: de lijst)
op de website www.ikkan.nl/meebouwenpilots
worden geplaatst. De lijst is
met name bedoeld om een gemeente die overweegt om zich aan te melden
voor deelname aan de pilot een indicatie te geven van de daarbij
behorende administratieve belasting. De definitieve lijst zal worden
opgesteld in overleg met het middels een Europese aanbestedingsprocedure
te selecteren onderzoeksbureau. Deze lijst zal zo spoedig mogelijk aan
deelnemende gemeenten worden doorgegeven. Aan de deelnemende gemeenten
zal door de minister een nog te ontwikkelen format beschikbaar worden
gesteld om de in lijst genoemde gegevens te registeren, zodat alle
deelnemende gemeenten deze set gegevens uniform bijhouden en het
onderzoeksbureau deze eenvoudig kan bewerken en ontsluiten. Gemeenten
dienen de gegevens bij te houden en aan te leveren in het ter
beschikking gestelde format. Aan de deelnemende gemeenten wordt gevraagd
om het dossier inzichtelijk en toegankelijk te administreren evenals de
gemaakte keuzes, zodat het onderzoeksbureau ook eenvoudig kwalitatief
onderzoek kan verrichten. Ook zal van een gemeente die aan de pilot
deelneemt naar verwachting enkele malen medewerking aan interviews en
enquêtes worden gevraagd.
Tevens dient de administratie zodanig te
zijn ingericht dat de desbetreffende gegevens ook controleerbaar zijn.
Uitgangspunt hierbij is dat de administratieve lasten voor deelnemende
gemeenten zo beperkt mogelijk worden gehouden.
2.3. Bekostiging
Zoals opgenomen in artikel
11, eerste
lid, van de wet zullen deelnemende gemeenten een tegemoetkoming
ontvangen voor de uitvoeringskosten. Bij de tegemoetkoming in de
uitvoeringskosten zal onderscheid worden gemaakt tussen vaste kosten en
overige kosten. Onder vaste kosten worden de kosten verstaan die alle
deelnemende gemeenten maken in de voorbereiding op de uitvoering van de
pilot en die niet direct gerelateerd zijn aan het aantal mensen dat
middels de nieuwe systematiek naar werk wordt toegeleid. Te denken valt
aan het maken van een plan ter uitvoering van de pilot, het inrichten
van de administratie en het opleiden/voorlichten van klantmanagers.
Onder overige kosten worden kosten verstaan die tijdens de uitvoering
van de pilot worden gemaakt en waarvan de hoogte in grote mate
gerelateerd is aan het aantal personen dat de gemeente middels de nieuwe
systematiek naar werk toeleidt. Te denken valt aan kosten die zijn
verbonden aan het uitvoeren van de toegangstoets en het toepassen van de
methode voor de loonwaardebepaling.
Voor alle pilots samen is een bedrag van
ongeveer €|16 miljoen beschikbaar voor de gehele looptijd van de pilots.
In overleg met onder meer de VNG zal worden besloten welk deel van dit
bedrag beschikbaar wordt gesteld ten behoeve van onderzoek naar en
uitvoering van de pilot waarvoor de wet de basis creëert. Voorts zal
van laatstgenoemd bedrag een deel worden gereserveerd voor de
tegemoetkoming in de uitvoeringskosten van gemeenten. Hieraan zal
evenwel een maximum worden gesteld om een beheersbare uitvoering van de
pilot te waarborgen. Bij ministeriële regeling zal de hoogte en de
vaststelling van de tegemoetkoming van de vaste en de overige
uitvoeringskosten worden vastgelegd.
2.4. Gemeenschappelijke regelingen
Indien sprake is van een bij
gemeenschappelijke regeling (als bedoeld in de Wet
gemeenschappelijke regelingen) ingesteld openbaar lichaam waaraan integrale overdracht van
bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de gemeente
in het kader van de wet aan het openbaar lichaam heeft plaatsgevonden, kan dit openbaar
lichaam ten behoeve van de pilot worden aangemerkt als een gemeente die
de wet uitvoert. Hiervoor is gekozen om kleine gemeenten die deel
uitmaken van een gemeenschappelijke regeling in staat te stellen deel te
nemen aan de pilot. Het is in dat geval het bestuur van het openbaar
lichaam dat een verzoek tot deelname aan de pilot doet. Indien zowel het
bestuur van het openbaar lichaam als de colleges van één of meer van de
in dat openbaar lichaam deelnemende gemeenten een verzoek tot deelname
aan de pilot doen, wordt alleen het verzoek van het openbaar lichaam in
behandeling genomen.
Zo zal voor de indeling in categorieën
van gemeenten door de minister
een openbaar lichaam als één entiteit
worden aangemerkt. De optelsom van het aantal inwoners van de aan het
openbaar lichaam deelnemende gemeenten is bepalend voor de bepaling van
het criterium inwoneraantal. Voor de bepaling van de criteria uitvoering
Wwb en uitvoering Wsw wordt de uitstroommogelijkheid voor het totaal
van de bijstandsgerechtigden van de deelnemende gemeenten
respectievelijk de realisatie van arbeidsplaatsen bij reguliere
werkgevers voor het totaal van Wsw-geïndiceerden van de deelnemende
gemeenten bezien.
Tevens wordt een openbaar lichaam voor de
tegemoetkoming in de uitvoeringskosten van de pilot als één entiteit
aangemerkt. De individuele gemeenten die zijn overgegaan tot het
instellen van dit openbaar lichaam ontvangen niet ieder afzonderlijk de
tegemoetkoming in de uitvoeringskosten, in plaats daarvan wordt de
tegemoetkoming van de uitvoeringskosten in het kader van deze pilot aan
het openbaar lichaam ter beschikking gesteld.
3. Uitvoering
3.1. Toegangstoets
De doelgroep van de pilot bestaat
enerzijds uit personen van 23 jaar of ouder die algemene bijstand
ontvangen op grond van de Wwb of een inkomensvoorziening op grond van de
Wet investeren in jongeren (WIJ), die beschikken over een geldige Wsw-indicatie en op de Wsw-wachtlijst staan (of gedurende de pilot
komen) en anderzijds uit personen van 23 jaar of ouder die algemene
bijstand ontvangen op grond van de Wwb of een inkomensvoorziening
ontvangen op grond van de WIJ die níet beschikken over een geldige
Wsw-indicatie en die wel vanwege structurele lichamelijke,
verstandelijke, psychische of psychosociale beperkingen niet in staat
zijn het wettelijk minimumloon te verdienen, doch wel ten minste 20
procent daarvan.
Personen die algemene bijstand ontvangen
op grond van de Wwb of een inkomensvoorziening op grond van de
WIJ en
die beschikken over een geldige Wsw-indicatie en op de Wsw-wachtlijst
staan (of gedurende de pilot komen), behoren automatisch tot de
doelgroep. Van hen is de arbeidsbeperking immers vastgesteld bij de
Wsw-indicatiestelling. Zoals opgenomen in artikel
4, eerste lid, van de wet zal voor diegenen zonder een geldige Wsw-indicatie uit de
toegangstoets moeten blijken of sprake is van een arbeidsbeperking. Voor
hen wijst de toegangstoets derhalve uit of zij behoren tot de doelgroep.
Zoals in de brief van de toenmalige staatssecretaris
van 2 juli 2009 is aangegeven, zal de ontwikkeling van
de toegangstoets worden uitbesteed aan een derde partij die daarvoor de
noodzakelijke gebundelde expertise van artsen, psychologen en
arbeidsdeskundigen zal inschakelen. Voorts zullen partijen
verantwoordelijk voor de uitvoering op de werkpleinen
nauw worden
betrokken opdat gebruikgemaakt kan worden van hun praktijkervaring en
om te waarborgen dat de toegangstoets voor hen ook goed hanteerbaar is.
Bij ministeriële regeling zal nader invulling worden gegeven aan de
toegangstoets alsook wanneer de gemeente in het kader van de
toegangstoets een arbeidsdeskundige, een arts of een andere deskundige
moet betrekken. Als de gemeente een arbeidsdeskundige, een arts of een
andere deskundige inschakelt, dient de gemeente ervoor te zorgen dat
deze deskundige ook beschikt over voldoende deskundigheid. Aandachtspunt
bij de ontwikkeling van de toegangstoets zal verder zijn dat de
administratieve lasten voor deelnemende gemeenten zo beperkt mogelijk
worden gehouden.
3.2. Loonwaardebepaling
Zoals opgenomen in artikel 6 en
7 van de wet kan de
gemeente met het oog op een reële vaststelling van de
arbeidsprestatie ervoor kiezen om iemand uit de doelgroep met behoud van
algemene bijstand of inkomensvoorziening te laten werken bij een
potentiële werkgever. De gemeente dient alvorens een dienstbetrekking
in het kader van de pilot kan worden aangegaan de loonwaarde te bepalen.
Op de werkvloer zal op basis van een objectieve methode concreet worden
vastgesteld wat iemand in de desbetreffende functie kan betekenen in
termen van productiviteit. Zoals in de brief van de toenmalige staatssecretaris
van 2 juli 2009 is aangegeven, zal de Raad voor
werk en inkomen onderzoek doen naar verschillende methoden voor
loonwaardebepaling die nu al worden toegepast en methoden die in
ontwikkeling zijn. In de pilot zal de kwaliteit van de verschillende
methoden om de loonwaarde te bepalen nader worden onderzocht. Van
essentieel belang is dat de loonwaardebepaling reëel en objectief is.
Met andere woorden, een belanghebbende moet de (hoogte van de) uitkomst
niet kunnen manipuleren en de loonwaarde moet goed overeenkomen met
hetgeen betrokkene daadwerkelijk (naderhand) blijkt te kunnen produceren,
zodat alle partijen zich in beginsel kunnen vinden in de uitkomst van de
loonwaardebepaling. Tevens is van belang dat de loonwaardebepaling ook
praktisch hanteerbaar is en niet te veel administratieve lasten met zich
meebrengt.
Bij ministeriële regeling zal worden
bepaald welke methoden voor de loonwaardebepaling in de pilot kunnen
worden toegepast. Tevens zal bij ministeriële regeling worden bepaald
hoe deze methoden over de gemeenten worden verdeeld. In de ministeriële
regeling zal er zorg voor worden gedragen dat de verschillende methoden
zo gelijkmatig mogelijk zijn verdeeld over de deelnemende gemeenten.
Wordt een dienstbetrekking in het kader
van de pilot aangegaan, dan dient de gemeente de loonwaarde vervolgens
periodiek vast te stellen met gebruikmaking van de aangewezen methode.
Arbeidsproductiviteit is immers geen statisch gegeven. Bij ministeriële
regeling zal de periode worden bepaald waarbinnen evaluatie van de
loonwaarde dient plaats te vinden.
3.3. Hoogte aanvullende uitkering
Toepassing van het instrument
loondispensatie wil zeggen dat de werkgever een loon mag betalen dat
onder het wettelijk minimumloon ligt als de loonwaardebepaling van de
werknemer in de desbetreffende functie uitwijst dat betrokkene niet in
staat is om het wettelijk minimumloon te verdienen. Op grond van artikel
8 van de wet verstrekt de gemeente
daarnaast een aanvullende uitkering.
Deze aanvullende uitkering is derhalve gebaseerd op de Tijdelijke wet
pilot loondispensatie en dit besluit en er is dus geen sprake (meer) van
een uitkering op grond van de wet waarop de uitkering van betrokkene
voorafgaande aan deelname aan de pilot was gebaseerd.
Bij het vormgeven van de
beloningssystematiek zijn drie uitgangspunten gehanteerd: (1) werken
moet lonen, (2) productiever worden moet lonen en (3) loon en
aanvullende uitkering samen mogen niet meer bedragen dan de
bijstandsnorm voor gehuwden jonger dan 65 jaar (100 procent netto wettelijk minimumloon). Dit laatste uitgangspunt is van belang om te
voorkomen dat geheel reguliere uitstroom wordt belemmerd omdat het
financieel onaantrekkelijk is voor betrokkene om een geheel regulier
dienstverband aan te gaan. Voornoemde uitgangspunten leveren een grafiek
op waarbij de uitkeringsnorm het beginpunt is en de bijstandsnorm voor
gehuwden jonger dan 65 jaar (100 procent netto wettelijk minimumloon)
het eindpunt. Wanneer het inkomen toeneemt, zal de aanvullende uitkering
vanuit de gemeente met een bepaald percentage gekort worden maar het
totale inkomen blijven stijgen.
Uitgangspunt voor de berekening van de
hoogte van de aanvullende uitkering voor de gehuwde werknemer is de norm
van de gehuwdenuitkering op grond van de Wwb of de hoogte van de
inkomensvoorziening voor gehuwden op grond van de WIJ,
waarbij
geregistreerd partners als gehuwden gelden. Dit is 100 procent van het
netto wettelijk minimumloon. Het is immers niet de bedoeling dat het
inkomen van de gehuwde werknemer door te gaan werken onder het netto
wettelijk minimumloon komt. Anderzijds wordt dit ook als maximum
gehanteerd om te voorkomen dat eventuele doorstroming naar volledig
regulier werk wordt belemmerd.
Voorts geldt voor gehuwde werknemers de
zogenaamde "partnermiddelentoets", waardoor verdiensten die de ene
partner genereert, worden gekort op de gezamenlijke uitkering. Doordat
personen die werken echter recht hebben op de fiscale arbeidskorting,
komt het netto-inkomen ook voor gehuwden die deelnemen aan de pilot
hoger uit dan voor gehuwden in de Wwb die niet werken (maximaal circa
€|1300 op jaarbasis). Ook de categorie gehuwden heeft er derhalve
gedurende de gehele looptijd van de pilot financieel veelal baat bij om
te gaan werken. Aangetekend moet worden dat het verkrijgen van extra
inkomen ook kan betekenen dat het recht op kwijtschelding van
gemeentelijke heffingen en bijzondere bijstand vervalt of dat de huur-
en zorgtoeslag minder wordt. Dit kan een neerwaarts effect hebben op het
besteedbare inkomen als één van beide partners gaat werken voor het wettelijk minimumloon.
De aanvullende uitkering op grond van
de wet voor de gehuwde werknemer zal dan ook per maand dit netto
wettelijk minimumloon bedragen waarop in mindering zijn gebracht de netto-inkomsten in die
maand uit de dienstbetrekking alsmede het overige netto-inkomen in die
kalendermaand. De vaststelling van dat overige netto-inkomen gebeurt
overeenkomstig paragraaf 3.4 en artikel
58, derde lid, van de Wwb of de
artikelen 7, 36, vijfde tot en met zevende lid, en
54 van de WIJ.
Voor werknemers ouder dan 23
jaar [lees: van 23 jaar of ouder, red.] die
alleenstaande ouder zijn, respectievelijk alleenstaande, geldt als
uitgangspunt 90 procent van de uitkeringsnorm voor gehuwden,
respectievelijk 70 procent van de uitkeringsnorm voor gehuwden. Om te
bereiken dat zij een totaal inkomen ter hoogte van het wettelijk minimumloon
kunnen bereiken en dat (meer) werken loont, wordt de
bijstandsnorm voor gehuwden jonger dan 65 jaar als bovengrens gehanteerd
voor de combinatie van de netto-inkomsten uit de dienstbetrekking en de
aanvullende uitkering. De aanvullende uitkering wordt zo berekenend dat
deze afneemt als het loon (de loonwaarde) stijgt maar tevens garandeert
dat productiever worden ook loont. Het totale inkomen van een werknemer
bestaat dus uit twee componenten (loon en aanvullende uitkering) en zal
niet hoger zijn dan de bijstandsnorm voor gehuwden jonger dan 65 jaar.
De hoogte van de aanvullende uitkering
wordt berekend door de
bijstandsnorm voor gehuwden jonger dan 65 jaar te
verminderen met de inkomsten uit de dienstbetrekking en de uitkomst
hiervan te vermenigvuldigen met een percentage. Het percentage voor een
alleenstaande ouder is 87,5 en voor een alleenstaande 62,5 en is zodanig
gekozen dat aan voornoemde drie uitgangspunten wordt voldaan. Op de
totale uitkomst wordt tot slot nog het eventuele overige netto-inkomen
in mindering gebracht. De vaststelling van dat overige netto-inkomen
gebeurt overeenkomstig paragraaf 3.4 en artikel
58, derde lid van de Wwb of de
artikelen 7, 36, vijfde tot en met zevende lid, en
54 van de WIJ.
Deze berekening leidt
ertoe dat bij een
inkomen van 20 procent van het wettelijk minimumloon
(indien de betrokkene immers
niet ten minste 20 procent van het wettelijk minimumloon kan verdienen,
behoort deze niet tot de doelgroep) uit de dienstbetrekking het inkomen
plus de aanvullende uitkering 90 procent - voor de alleenstaande ouder -
respectievelijk 70 procent - voor de alleenstaande - van de
bijstandsnorm voor gehuwden jonger dan 65 jaar bedraagt.
Er is voor gekozen om de pilot alleen
open te stellen voor mensen van 23 jaar of ouder. Voor de groep onder de
23 jaar geldt immers enerzijds het wettelijk
minimumjeugdloon dat elk
jaar een andere hoogte kent. Telkens bij het bereiken van een nieuw
levensjaar door betrokkene (of partner van betrokkene) een [lees: zou
een, red.] aan de pilot
deelnemende gemeente een nieuwe formule moeten hanteren. Een dergelijke
complexiteit is onwenselijk voor een pilot. Tevens zou het gemeenten
kunnen afschrikken om zich aan te melden voor de pilot.
Van de aanvullende uitkering wordt een
bepaald percentage gereserveerd als vakantietoeslag. Dit percentage komt
overeen met het percentage dat wordt toegepast met betrekking tot de
algemene bijstand of de inkomensvoorziening op grond van de WIJ.
De aanvullende uitkering wordt evenals de
bijstandsuitkering als een nettobedrag vastgesteld. De gemeente
neemt - evenals bij de bijstandsuitkering en de inkomensvoorziening op grond
van de WIJ - de door de betrokkene over de aanvullende uitkering
verschuldigde loonbelasting en socialeverzekeringspremie voor haar
rekening. Voorts is de gemeente de betrokkene over de aanvullende
uitkering de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de
Zorgverzekeringswet, verschuldigd.
3.4. Informatieverplichting kring en
loongedispenseerden
Een inwoner die behoort tot de
kring
dient aan het college alle gegevens te verstrekken die redelijkerwijs
nodig zijn om uitvoering te geven aan de pilot. Ditzelfde geldt voor
degenen voor wie het college de hoogte van de aanspraak op een
geldelijke beloning voor de verrichte arbeid onder toepassing van
artikel 7, eerste lid, van de wet heeft verminderd. Daarbij kan gedacht
worden aan de gegevens die de gemeente nodig heeft ten behoeve van haar
informatieverplichting op grond van artikel 2 van dit besluit, maar ook
aan gegevens die een daartoe geselecteerd onderzoeksbureau nodig heeft
om de pilot te monitoren en te evalueren. In ieder geval wordt daarbij
gedacht aan informatie over hoe de doelgroep de toeleiding naar en de
inschakeling in arbeid heeft ervaren.
4. Slotbepalingen
4.1. Lagere regelgeving
Ter uitvoering van het onderhavige
besluit kunnen bij ministeriële regeling regels worden vastgesteld. In
dit besluit is dit op een aantal plaatsen specifiek geregeld, maar met
het oog op het experimentele karakter van de pilot is tevens een
algemenere delegatiebevoegdheid opgenomen.
4.2. Inwerkingtreding
Door middel van een voorhangprocedure is
de inhoudelijke betrokkenheid van de Staten-Generaal bij dit besluit
gewaarborgd. Dit besluit zal in werking treden op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip. Beoogd wordt dat het onderhavige besluit
tegelijk in werking treedt met de wet. Tevens wordt geregeld dat het
onderhavige besluit tegelijkertijd met de wet vervalt.
5. Ontvangen adviezen
Onderhavig besluit is voorgelegd aan het
Uitvoeringspanel gemeenten, VNG, Divosa, Cedris en
UWV. Naar aanleiding
van de reacties is een aantal formuleringen in onderhavig besluit
technisch gewijzigd en zijn enkele passages in de nota van toelichting
verduidelijkt.
6. Uitkomsten voorhangprocedure
Staten-Generaal
Onderhavig besluit is overeenkomstig
artikel 14, derde lid, van de wet voorgehangen bij de Staten-Generaal.
Opmerkingen van de Tweede Kamer hebben geleid tot enkele technische
wijzigingen en verduidelijkingen in de toelichting. Er zijn geen
opmerkingen van de Eerste Kamer geweest die aanleiding gaven tot het
aanbrengen van wijzigingen in het besluit en bijbehorende toelichting.
De Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner
|