|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2004-2005, 29 948
Voorstel van
wet van het lid Noorman-den Uyl houdende vaststelling van een wet inzake
ondersteuning van alleenstaande ouders bij arbeid en zorg (Wet
voorzieningen arbeid en zorg alleenstaande ouders)
| Nr.r6 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING ZOALS GEWIJZIGD NAAR
AANLEIDING VAN HET ADVIES VAN
DE RAAD VAN STATE |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Algemeen |
| 1.1 |
Inleiding |
| 1.2 |
Doelstelling van de
regeling |
| 2 |
Inhoud
van de regeling |
| 2.1 |
Inkomensondersteuning |
| 2.2 |
Werk |
| 2.3 |
Overleg met
organisaties en belanghebbenden |
| 3 |
Uitwerking
van de wet |
| 3.1 |
Doelgroep |
| 3.2 |
Voorwaarden
voor de Vazalo-toeslag |
| 3.3 |
Vazalo-toeslag |
| 4 |
Voorwaarden
scheppen voor werk: kinderopvang, scholing en arbeidsplaatsen |
| 4.1 |
Algemeen |
| 4.2 |
Kinderopvang |
| 4.3 |
Scholing
en toeleiding naar de arbeidsmarkt |
| 4.4 |
Tijdelijk
gesubsidieerde arbeidsplaatsen |
| 5 |
Wijzigingen
gericht op vereenvoudiging, deregulering en handhaving |
| 5.1 |
Vereenvoudiging |
| 5.2 |
Fraude |
| 5.3 |
Sancties |
| 6 |
Financiering |
| 6.1 |
Vrijval Wwb |
| 6.2 |
Inkomenssteun en
uitgaven die met de regeling samenhangen |
| 7 |
Inkomensafhankelijke
regelingen |
| 8 |
Invoering |
|
xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
1 t/m 11 |
[Algemeen,
red.]
1.
Algemeen
1.1.
Inleiding
Ruim een derde van
de alleenstaande ouders in Nederland is aangewezen op bijstand. Dat is
veel en de vraag is of dat ook nodig is. Met het voorstel van Wet voorzieningen arbeid en zorg alleenstaande ouders
(Wet Vazalo) wordt niet uitkeringsafhankelijkheid, maar zelfredzaamheid
als uitgangspunt gekozen: het vermogen van alleenstaande ouders om zelf
betaalde arbeid en zorg voor kinderen te combineren. De indiener van dit
wetsvoorstel wil liever investeren in wat mensen wél kunnen om arbeid
en zorg voor hun kinderen te combineren, dan bijstand verlenen omdat men
niet voltijds beschikbaar is voor de arbeidsmarkt. Ook al is die keuze
niet voor iedere alleenstaande ouder mogelijk en niet altijd meteen.
Met dit voorstel wordt geaccepteerd dat een
alleenstaande ouder in beginsel alleen voor deeltijdarbeid beschikbaar
is vanwege de zorg voor en de opvoeding van de kinderen. Op die grond
wordt aan de ouder die in deeltijd werkt door de overheid een
Vazalo-toeslag verstrekt. Zo kunnen op termijn tienduizenden
alleenstaande ouders onafhankelijk worden van bijstand en op eigen benen
staan.
1.1.1. Aanleiding voor het voorstel van
Wet Vazalo
Sinds de introductie van de Algemene bijstandswet
(Abw) in 1963 is het
beroep op de bijstand door alleenstaande ouders zeer fors gestegen. In
1963 werd gedacht dat ongeveer 60 000 mensen een beroep zouden doen op deze
wet. Het waren er
op het hoogtepunt tienmaal zoveel. Een belangrijke oorzaak van die stijging
was de toename van het aantal echtscheidingen.
De
laatste tien jaar schommelt het aantal echtscheidingen rond de 33 000
per jaar. In de jaren ’60 ging het om ongeveer 6000 echtscheidingen
per jaar.¹
In 2001 telde Nederland 308 000 ²
alleenstaande ouders, waarvan er 102 000 in aanmerking kwamen voor de
fiscale aanvullende rblz.|2|
alleenstaandeouderkorting (dan is er geen partner, wel inkomen uit
tegenwoordige arbeid en ten minste één kind jonger dan 16 jaar). Deze
ouders vormen mede de doelgroep van dit
wetsvoorstel.
Van de 308 000 alleenstaande ouders ontvingen
er 94 380 een bijstandsuitkering.³
1. Statline, Centraal
bureau voor de statistiek.
2. Voor de fiscus is een alleenstaande ouder iemand zonder partner die
in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden een thuiswonend kind
onder de 27 jaar in belangrijke mate onderhoudt.
3. Statline, Centraal bureau voor de btatistiek.
Tot
in de jaren tachtig gold in veel gemeenten als
goed sociaal beleid dat een alleenstaande ouder zich pas beschikbaar
stelde voor de arbeidsmarkt als het jongste kind 18 jaar was geworden (Abw).
De ommekeer in het denken over vrouwen en werk kwam met de invoering van
de zogenoemde 1990-maatregel waarin het uitgangspunt werd vastgelegd dat
iedereen die in 1990 of daarna 18 jaar wordt, vanaf de 18e verjaardag in
principe zelf verantwoordelijk is om in het eigen onderhoud te voorzien.
Deze regel was echter niet van toepassing in de bijstandverlening. In de
Abw werd de vrijstelling van de sollicitatieplicht voor alleenstaande
ouders met kinderen jonger dan 5 jaar in 1996 nog in de wet
vastgelegd.
Inmiddels heeft er een kentering plaatsgevonden in de opvatting over de
mate waarin van alleenstaande ouders mag worden verwacht dat zij zelf
inkomen uit arbeid verwerven.
Met de inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand
(Wwb) in 2004 werd de categoriale vrijstelling voor alleenstaande ouders
in de bijstand opgeheven.
Wel wordt het - ook in de nieuwe Wwb - nog
altijd aan de gemeenten overgelaten of van een
alleenstaande ouder met jonge kinderen daadwerkelijk betaalde arbeid
wordt verwacht.
Onuitgesproken in wet- en regelgeving is echter
het feit dat de alleenstaande ouder vanwege opvoedkundige en verzorgende
taken niet volledig beschikbaar kán zijn voor de arbeidsmarkt. In dit wetsvoorstel
wordt dat wél als een feitelijkheid erkend.
Tabel 1 laat de ontwikkeling van het aantal alleenstaande ouders in de
bijstand zien, verdeeld naar mannen en vrouwen.
Tabel
1. Aantal alleenstaandeouderuitkeringen naar geslacht van de ontvanger:
| Jaar |
Totaal |
Mannen |
Vrouwen |
| 1998 |
103
690 |
3
720 |
99
970 |
| 1999 |
x99
720 |
3
530 |
96
190 |
| 2000 |
x95
480 |
3
150 |
92
330 |
| 2001 |
x92
520 |
3
060 |
89
460 |
| 2002 |
x91
390 |
3
140 |
88
250 |
| 2003 |
x93
870 |
3
450 |
90
420 |
Bron: ministerie
van SZW.
Van het totaal
aantal bijstandsuitkeringsgerechtigden is het aandeel
eenouderhuishoudens vrij constant (26-27%).
Deze constante kan naar het oordeel van de
indiener van dit wetvoorstel pas worden
doorbroken als de gedeeltelijke beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt
door de overheid wordt erkend in de vorm van een aanvullende
inkomensondersteuning bij inkomsten uit arbeid vanwege de opvoedings- en
verzorgingstaak van de ouder.
1.2.
Doelstelling van de regeling
1.2.1. Inleiding
Per
jaar zijn ongeveer 90 000 alleenstaande ouders met thuiswonende
minderjarige kinderen afhankelijk van bijstand. Maar is
bijstandverlening hier wel het meest voor de hand liggende instrument?
rblz.|3|
Dit wetsvoorstel wil bijstand overbodig maken voor alleenstaande
ouders die vanwege de zorg voor een kind tijdelijk nog niet in staat
zijn om volledig in eigen onderhoud te voorzien.
De hiertoe voorgestelde Vazalo-toeslag ontlast
de complexe en dure Wwb. In plaats van een
volledige bijstandsuitkering komen er het eigen inkomen en een beperkte
inkomensafhankelijke toeslag via de Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).
1.2.2. Doel van het wetsvoorstel
Dit wetsvoorstel
wil alleenstaande ouders de kans bieden én prikkelen om arbeid en zorg
te combineren en op die manier zelf te voorzien in de noodzakelijke
middelen van het bestaan: "werk boven uitkering".
Het doel van dit voorstel is:
* de alleenstaande ouder in de gelegenheid stellen met werk in deeltijd
voldoende inkomen te verwerven voor zichzelf en de kinderen: een beroep
op de bijstand is dan niet nodig;
* de regeling zó vormgeven dat méér werken méér loont. Door de
armoedeval tegen te gaan, wordt het verwerven van méér inkomen niet
ontmoedigd maar gestimuleerd;
* de inkomenspositie van alleenstaande ouders met een inkomen rond of
vlak boven het sociaal
minimum en hun kinderen verbeteren. Daarom worden alleenstaande
ouders met een inkomen tot 115% van het nettominimumloon
(NML) tot de doelgroep gerekend. Op die manier worden tegelijk de kansen
verbeterd van een fors deel van de 350 000 kinderen die opgroeien in een
huishouden met een laag inkomen.
1.2.3. Doelgroep
Dit voorstel
is gericht op alleenstaande ouders van wie het jongste thuiswonende kind
nog geen 16 jaar is, met een inkomen uit tegenwoordige arbeid van
minimaal €|4366,-¹ en een maximaal
inkomen van 115% van het
NML.
1. Inkomensondergrens voor
het recht op fiscale combinatiekorting
(2005).
1.2.4. Rol van de
overheid
Het
recht van kinderen op zorg en het belang van kinderen voor de
gemeenschap rechtvaardigen de steun van de overheid. "Moeder en
kind hebben recht op bijzondere zorg en bijstand" aldus artikel 25
van de Universele verklaring van de rechten van de mens. De zorgplicht
voor de ouder en het recht van het kind op zorg rechtvaardigen dan ook
dat de overheid de verzorgende ouder - zo nodig ook financieel -
bijstaat.
Deze zorgplicht blijkt ook uit de toelichting
op de Wwb waarin over de sollicitatieverplichting is aangegeven dat
de overheid, in casu de gemeente, rekening moet
houden met de belastbaarheid van de alleenstaande ouder, met de
aanwezigheid van kinderopvang en met het scholingsniveau van de ouder.
Ook in die overweging erkent de overheid dus haar
verantwoordelijkheid.¹
1. Amendement Noorman-den
Uyl (Kamerstuk 28 870, nr. 61,
ingetrokken met als reden dat het amendement door de regering is
overgenomen).
Via
de fiscus krijgt de overheidssteun aan de alleenstaande ouder vorm in
diverse fiscale heffingskortingen (cijfers 2005):
* Kinderkorting: €|112,- bij een inkomen
van maximaal €|60 447,-.
* Aanvullende kinderkorting: €|690,- bij
een inkomen van maximaal €|28 491,-, €|504,-
bij een inkomen tussen €|28 491,- en €|30
225,-.
rblz.|4|
* Extra aanvullende kinderkorting: €|65,-
extra bij drie of meer kinderen.
* Alleenstaandeouderkorting: €|1401,-.
* Aanvullende alleenstaandeouderkorting: 4,3% van het arbeidsinkomen met
een maximum van €|1401,-.
* Combinatiekorting: €|228,- bij een
arbeidsinkomen van minimaal €|4366,-.
* Aanvullende combinatiekorting: €|389,-.
Dat
zijn substantiële overheidsbijdragen, maar in de vele gevallen toch te
beperkt om met een deeltijdbaan een beroep op de bijstand te voorkomen.
Daar komt bij dat aanzienlijke aantallen ouders hun rechten op
heffingskortingen niet kunnen verzilveren omdat ze te weinig belasting
en premies betalen. Uit de raming van 2005 ¹ blijkt dat het aantal
alleenstaande ouders dat de heffingskortingen niet (volledig) kan
verzilveren groot is en snel toeneemt. In de onderstaande tabel is dat
in een overzicht weergegeven. Daarnaast zijn de cijfers van 2003
vermeld. Het aantal niet-verrekende kortingen in verband met kinderen,
het een alleenstaande ouder zijn en vanwege de combinatie van arbeid en
zorg geeft het volgende beeld:
| Heffingskortingxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Raming
2005 |
Realisatie
2003 |
| Alleenstaandeouderkorting |
v47
000 |
15
000 |
| Aanvullende
alleenstaandeouderkorting |
v49
000 |
v7
500 |
| Combinatiekorting |
154
000 |
99
000 |
| Aanvullende
combinatiekorting |
155
000 |
– |
| Basiskinderkorting |
v47
000 |
59
000 |
| Aanvullende
kinderkorting 1 en 2 |
158
000 |
87
000 |
| Extra
aanvullende kinderkorting |
v18
000 |
17
000 |
Deze ouders liepen daarmee in 2005 €|189
miljoen mis. In 2003 was dit nog €|76,9
miljoen.² Het totaalbedrag dat belastingplichtigen (inclusief
ouderen)vanwege de verzilveringsproblematiek mislopen is van 2003 naar
2005 gestegen van €|91 miljoen tot €|254
miljoen.
1. Antwoord op vragen van de
leden Crone en Noorman-den Uyl aan de Staatssecretaris
van Financiën en de Minister van SZW,
Aanhangsel 2979, nr. 1399.
2. Kamerstukken II 2004-2005, 29 800, nr. 3.
1.2.5. Instrumenten
Om
het doel van de Wet Vazalo te bereiken,
worden de navolgende instrumenten gehanteerd:
* een inkomensafhankelijke toeslag op basis van de Awir,
verder Vazalo-toeslag genoemd, voor de werkende alleenstaande ouder die
minstens één thuiswonend kind onder de 16 jaar verzorgt;
* een intensivering van flankerend beleid door middel van:
- kinderopvang, dat als een onlosmakelijk onderdeel van de regeling moet
worden gezien;
- scholing en training van de ouder om de kansen op de arbeidsmarkt te
vergroten;
- tijdelijk gesubsidieerd werk of werkervaring - voor een beperkt aantal
ouders - als opmaat naar een zelfstandige toegang tot de arbeidsmarkt.
1.2.6. Resultaat van de regeling
De regeling is als
geslaagd te beschouwen als in een periode van vijf jaar:
* het aantal
alleenstaande ouders in de bijstand is gedaald tot onder de 50 000;
rblz.|5|
* de koopkracht van de alleenstaande ouder met kinderen tot 16 jaar is
toegenomen;
* het aantal kinderen dat in een arm huishouden leeft, als gevolg van de Wet Vazalo
is afgenomen.
Daarnaast zal sprake moeten zijn van een
burgervriendelijke regeling door een afname van de informatie- en
verantwoordingsplicht.
In de wet is een
evaluatiebepaling opgenomen.
2.
Inhoud van de regeling
2.1.
Inkomensondersteuning
Een derde van de
alleenstaande ouders in de bijstand krijgt nu een deel van de fiscale
kortingen niet uitgekeerd omdat men te weinig belasting en premie is
verschuldigd. Via de bijstand wordt men daarvoor overigens wel
gecompenseerd.
De Vazalo-toeslag is anders vormgegeven: het is
een toeslag in de vorm van een belastingkorting die als subsidie wordt
uitgekeerd. Meer precies: in de Vazalo-toeslag worden de fiscale
kortingen voor alleenstaande ouders gebundeld en verhoogd en vervolgens
als subsidie uitgekeerd.
De
Vazalo-regeling kent een drietal elementen.
In de eerste plaats is de Vazalo-regeling een
toeslag die afhankelijk is van de leeftijd van het jongste kind en is
afgestemd op de hoogte van het eigen inkomen. Daarmee wordt een inkomen
gegarandeerd tot 90%
NML.
In de tweede plaats is er de Vazalo-toeslag
voor alleenstaande ouders met een inkomen tussen de 90% en de 115% NML.
Door een faseerde afbouw in stappen met vaste bedragen wordt de
armoedeval vermeden. Méér werken loont.
In de derde plaats omvat de Vazalo-regeling een
pakket flankerende maatregelen die de toegang tot de arbeidsmarkt moeten
faciliteren en ondersteunen: kinderopvang, scholing en tijdelijk
gesubsidieerd werk.
2.1.1. Vazalo-toeslag voor ouders met een
eigen inkomen tot het sociaal minimum
Dit
eerste element van de regeling is van toepassing op werkende ouders met
een eigen inkomen tot 90%
NML en een thuiswonend kind onder de 16 jaar.
Zij ontvangen een Vazalo-toeslag die het
verzamelinkomen op 90% tot 105% van het NML brengt. Dus een toeslag die
varieert van 35% NML (bij een eigen inkomen van 55% voor een
alleenstaande ouder met een kind jonger dan 12 jaar) tot 10-15% NML (bij
een eigen inkomen van 90% NML). De toeslag is dus afhankelijk van het
eigen inkomen. De toeslag is óók afhankelijk van de leeftijd van het
jongste kind. Bereikt dat kind de leeftijd van 12 jaar, dan wordt de
toeslag iets lager, in de veronderstelling dat de ouder dan voor iets
meer uren beschikbaar is voor de arbeidsmarkt. De prikkel om méér te
werken wordt dan sterker.
2.1.2. Méér werk moet méér lonen
Werk moet lonen, maar méér werk moet ook lonen. Daarom bevat het wetsvoorstel
een tweede element. Als de ouder een eigen inkomen verwerft en boven het
bijstandsniveau uitstijgt, blijft de Vazalo-toeslag tussen 90% en 115%
NML doorlopen; zij het geleidelijk aflopend tot 5% NML. Met deze
vormgeving wordt de armoedeval vermeden.
rblz.|6|
De stapsgewijze op- en afbouw van de Vazalo-toeslag vindt dus plaats op
basis van twee factoren: de hoogte van het zelf verworven inkomen en de
leeftijd van het jongste kind.
In tabel 4 is dat
schematisch uiteengezet.
Het
wetsvoorstel leidt zo tot een substantiële inkomensverbetering
voor eenouderhuishoudens met een inkomen rond het minimum en een
gerichte versterking van de kansen van kinderen in eenoudergezinnen. Die
verbetering voor een eenoudergezin is dringend nodig.¹
1. Armoedemonitor, Sociaal
en Cultureel Planbureau (2003).
2.2.
Werk
2.2.1. Werk als basis
Werk is de basis voor het inkomen. Daarom is in dit wetsvoorstel
een minimumeis gesteld aan zelf te verwerven inkomsten uit arbeid.
In
2003 stroomden 21 680 ¹ alleenstaande ouders uit de bijstand. Van
degenen die uitstromen, gaat ongeveer 80% naar regulier werk.²
1. Statline, Centraal
bureau voor de statistiek (CBS).
2. Eerste vervolgmeting Agenda voor de Toekomst (CBS, december 2002).
Tabel
2. In- en uitstroom van alleenstaande ouders tot 65 jaar in de bijstand:
| Jaar |
Instroom |
Uitstroom |
| 2000 |
26
380 |
28
550 |
| 2001 |
24
700 |
26
030 |
| 2002 |
24
680 |
24
260 |
| 2003 |
25
440 |
21
680 |
Bron: CBS.
Op dit moment is volledige uitstroom uit de
bijstand pas mogelijk bij een werkweek van circa 31 uur, uitgaande van
een 40-urige werkweek op minimumloonniveau.¹
Met de Vazalo-toeslag kan de alleenstaande
ouder straks met ongeveer een halve baan de bijstand verlaten.
1. Kamerstukken II
2002-2003, 28 870, nr. 89.
Hoe
reëel is de verwachting dat meer alleenstaande ouders aan het werk
gaan? In de eerste plaats werkt een aanzienlijk aantal alleenstaande
bijstandsouders al in deeltijd.
Van de alleenstaande ouders in de bijstand
heeft 15% (13 910 personen) inkomsten uit arbeid (CBS,
2003). Van de leeftijdscategorie tot 45 jaar hebben er 12 130 inkomen
uit arbeid naast hun bijstandsuitkering.¹
Zij allen vallen binnen de doelgroep van het wetsvoorstel
(de leeftijd van 16 jaar van het kind opgeteld bij de leeftijd tot 30
van de moeder bij de geboorte van dat kind).
Voor velen van hen zal de Vazalo-regeling dus
betekenen dat men van de ene op de andere dag uit de bijstand is.
1. Kamerstukken II
2002-2003, 28 875, nr. 1.
2.2.2. Beschikbaar werk
Is
er wel genoeg werk voor deze alleenstaande ouders? Het gaat hier veelal
om laag opgeleide vrouwen. Het aantal vacatures voor deeltijdwerk
vertoont de afgelopen twee jaar een lichte groei, vooral in de
provincies Gelderland, Noord- en Zuid-Holland.
rblz.|7|
Tabel 3. Aantal vacatures:
| |
Voorlaatste
12 maanden
|
Laatste
12 maanden |
Openstaande
vacatures |
| <12
uur |
x11
685 |
x14
380 |
x3
097 |
| 12
t/m 24 uur |
x27
995 |
x31
691 |
x6
351 |
| 25
t/m 31 uur |
xr7
038 |
xr7
855 |
x1
284 |
| >32
uur |
127
161 |
168
239 |
35
723 |
Bron: CWI [Centrale
organisatie werk en inkomen, red.], oktober 2004.
Vanwege de vergrijzing zal de behoefte aan
arbeidskrachten in bepaalde sectoren op middellange termijn of zelfs op
zeer korte termijn toenemen, ook bij minimale economische groei. De Raad voor werk en inkomen
(RWI) ¹ heeft onderzoek gedaan naar de segmenten van de arbeidsmarkt
waaruit blijkt dat het antwoord op de vervangingsvraag als gevolg van
het uitstromen van de babyboom vanaf 2006 tot problemen zal kunnen
leiden. De Raad concludeert dat de vervangingsvraag vooral sterk zal
toenemen voor de beroepsgroepen eerstegraadsdocenten en
productiepersoneel. Een hoge vervangingsvraag valt vooral te verwachten
in Friesland, Zeeland en Limburg.
1. Vergrijzing en
vervanging: een analyse van de gevolgen van het
uitstromen van de babyboomgeneratie voor de
arbeidsmarkt (Raad voor werk en inkomen, november 2004).
Hoewel op macroniveau de werkloosheidscijfers en de prognoses voor de
komende jaren een zorgelijk beeld te zien geven, zijn herintredende
vrouwen dus wel degelijk kansrijk. Dat waren ze ook in het recente
verleden: in de periode 1994-2002 waren vrouwen de grootste groep
instromers op de arbeidsmarkt.
Ten opzichte van 1994 is het aantal werkende
vrouwen in 2003 met 29% gestegen; bij mannen is deze stijging 11%.
Herintreedsters zijn vaak tussen de 34 en 55
jaar en laag of middelbaar opgeleid. Ongeveer zes van de tien
herintreedsters hebben meer dan tien jaar geleden voor het laatst
gewerkt. Slechts 15% van de herintreedsters stond in 2002 ingeschreven
bij het CWI [Centrum voor werk en
inkomen, red.]. In 2002 vonden 50 000 herintreedsters een
baan.¹
1. Brief van de
Staatssecretaris [Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid, red.] over herintredende vrouwen,
november 2004 (Kamerstukken II 2004-2005, 27 853, nr. 7).
Natuurlijk zal de conjunctuur van invloed blijven op de beschikbaarheid
en vooral op de groei van het aantal banen. Het wetsvoorstel
zelf zal naar verwachting de motivatie van alleenstaande ouders
versterken om een deeltijdbaan te zoeken en zo zonder bijstand verder te
kunnen gaan. Onafhankelijkheid van de bijstand is dan immers geen droom
meer, maar binnen handbereik.
Overigens zal
het
wetsvoorstel bij inwerkingtreding zelf leiden tot een
niet-onaanzienlijke werkgelegenheidsimpuls in de kinderopvang.
Uitgaande van 10 000 ouders en gemiddeld 1.1
kind per ouder zullen ruim 550 fulltimebanen worden geschapen. Dat is
één deeltijdbaan per 10 uitgestroomde alleenstaande ouders.
2.3.
Overleg met organisaties en belanghebbenden
Er heeft overleg
plaatsgevonden met een groot aantal personen uit uiteenlopende
organisaties, zoals vakbeweging,
werkgeversorganisatie, VNG [Vereniging van Nederlandse Gemeenten, red.],
gemeentelijke sociale diensten, E-Quality en belangenorganisaties en
steunpunten van personen met een uitkering: Vrouwen en de Bijstand [Landelijk
Steunpunt Vrouwen en de Bijstand, red.], Sjakuus,
Economie-Vrouwen-Armoede (EVA), Raad van Kerken en de
Landelijke Cliëntenraad.
Alle organisaties hebben positief gereageerd op
de grondgedachte van het
wetsvoorstel. Men is van mening dat het voorstel past in het
toekomstgericht denken over de sociale zekerheid. Benadrukt zijn daarbij
rblz.|8|
het belang van extra aandacht voor de groep van alleenstaande ouders met
een bijstandsuitkering en de noodzaak van flankerend beleid, waaronder
scholing om de kansen op werk voor deze groep te verbeteren. De
opmerkingen van de verschillende organisaties zijn verwerkt in het
voorliggend wetsvoorstel.
De
Raad van State heeft in zijn advies een
aantal vragen gesteld en een viertal opmerkingen gemaakt. In reactie
daarop heeft de indiener zo nodig op onderdelen het wetsvoorstel
gewijzigd. Van belang is de majeure wijziging door de uitvoering van de Wet Vazalo
onder te brengen in de Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Daarmee wordt ook de
uitvoering in handen gelegd van de Belastingdienst/Toeslagen.
De
gemeenten behouden de taak, de eerste maanden
tot 1 januari van het volgend jaar, via een separate toeslag in de Wwb
de Vazalo-regeling uit te voeren. Ook het flankerend beleid wordt door
de gemeente uitgevoerd via het W-deel [werkdeel, red.] van de
Wwb. Voor beide taken worden de gemeenten van bijbehorende aanvullende
middelen voorzien. De redactionele opmerkingen zijn verwerkt.
3.
Uitwerking van de wet
3.1.
Doelgroep
3.1.1. Definitie van de doelgroep
Om
gebruik te kunnen maken van deze regeling moet de alleenstaande ouder
voldoen aan alle volgende criteria:
* De alleenstaande ouder is iemand die geen partner heeft en samenleeft
met een inwonend kind onder de 16 jaar.
* Het inkomen uit tegenwoordige arbeid is minimaal €|4366,-
in een kalenderjaar (niveau 2005);
* Het inkomen ligt tussen 55% en 115%
NML (zie tabel
4).
Niet alleen bijstandsgerechtigden, maar ook alleenstaande ouders met een
(gedeeltelijke) WAO- of Wajong-uitkering,
ouders die partneralimentatie ontvangen en ouders met een inkomen uit
arbeid tussen 90-115%
NML kunnen dus van de regeling gebruik maken indien zij aan de
voorwaarden voldoen.
3.1.2. Grootte van de doelgroep
In
2003 bedroeg het aantal personen in de bijstand 358 690. Van hen was 26%
alleenstaande ouder. In dat jaar was de totale instroom in de bijstand
113 980 personen,¹ waarvan 25 440 alleenstaande ouder.
Van alle alleenstaande ouders in de bijstand
had ongeveer 50% eind 2003 korter dan drie jaar een bijstandsuitkering;
een derde deel had langer dan vijf jaar een bijstandsuitkering.¹
Verondersteld kan worden dat een derde deel (ongeveer 32 000 personen)
blijvend op de bijstand is aangewezen vanwege ziekte,
arbeidsongeschiktheid, beperkte belastbaarheid of om sociale redenen.
1. Statline, Centraal
bureau voor de statistiek.
3.1.3. Samenstelling van en
arbeidsparticipatie binnen de doelgroep
Zoals gezegd, is ongeveer 95% van de doelgroep vrouw. Van de totale
bijstandspopulatie was 57% in 1999 van allochtone afkomst, waarvan 31
procentpunt niet-westers allochtoon. Bij niet-westerse allochtonen had
40% van de huishoudens in 2001 een laag inkomen.¹
1. Statline, Centraal
bureau voor de statistiek.
rblz.|9|
In het algemeen geldt dat de zorg voor kinderen de kansen op deelname
aan betaalde arbeid voor vrouwen verkleint. Dit geldt voor zowel Turkse
en Marokkaanse als autochtone vrouwen. Opvallend genoeg geldt dit in
veel mindere mate voor Surinaamse en Antilliaanse vrouwen. Zij blijken
vanwege de zorg voor kinderen in veel gevallen juist te kiezen voor
werk. De grote deeltijdbanen (van 20-34 uur) worden verhoudingsgewijs
vaak vervuld door autochtone, Surinaamse, Antilliaanse en Arubaanse
vrouwen. Kleine deeltijdbanen (minder dan 20 uur) worden relatief vaak
door Turkse en Marokkaanse vrouwen bekleed. Autochtone vrouwen die niet
werken, zoeken vaker dan vrouwen uit etnische minderheidsgroepen een
deeltijdbaan van minder dan 12 uur per week.¹
1. Arbeidsdeelname vrouwen
uit etnische minderheden (Commissie AVEM [AVEM: Arbeidsdeelname Vrouwen
uit Etnische Minderheidsgroepen, red.], 2002).
In
2000 hebben de toenmalige Vrouwenvakscholen (VVS) onderzoek gedaan naar
de loopbaanontwikkeling van allochtone ex-cursisten. Hieruit bleek dat:
* 85% van de vrouwen binnen één jaar na de opleiding een baan had
gevonden;
* 43% een baan vond via de VVS of het stagebedrijf;
* 77% van de cursisten op het moment van onderzoek nog werkend was en
12% werkzoekend (gemiddeld hadden de respondenten die meededen aan het
onderzoek viereneenhalf jaar tevoren hun opleiding aan de VVS afgerond);
* 41% van de vrouwen 20-32 uur werkte en 9% van de vrouwen minder dan 20
uur.
3.1.4. Kinderen in de doelgroep
Uit
onderzoek ¹ blijkt dat in 1998 ruim 350 000 kinderen leven in een
huishouden met een inkomen op of onder het bestaansminimum.
Dat beperkt de kansen voor die kinderen. Vaak gaat het om huishoudens
met alleenstaande ouders. Omdat dit
voorstel zich ook richt op de alleenstaande ouder met een inkomen
net boven het
sociaal minimum, zal het een positief
effect hebben op de leefomstandigheden van een aanzienlijk deel van die
350 000 kinderen.
De inkomenspositie van alleenstaande ouders met
Vazalo-toeslag wordt extra verbeterd omdat de kinderkortingen en de
kinderalimentatie niet in de Vazalo-toeslag zijn opgenomen. Daardoor
wordt het huishoudinkomen verder verbeterd. In de bijstand wordt de
kinderalimentatie wel verrekend met de uitkering.
1. Kinderen in armoede:
opgroeien in de marge van Nederland, E. Snel, T. van der Hoek en T.
Chessa (2001).
3.1.5. De doelgroep en schuldenproblematiek
Het
aantal huishoudens met problematische schulden is de laatste jaren sterk
toegenomen. Ruim één op de vijf huishoudens (21%) met een laag inkomen
had in 2000 meer schulden dan bezittingen. Dit aandeel is hiermee bijna
dubbel zo hoog als bij de huishoudens met een inkomen boven de
lage-inkomensgrens. Bij de huishoudens met een laag inkomen kwamen
schulden het vaakst voor onder de eenoudergezinnen. Dit gold in 2000
voor ruim de helft van deze huishoudens.¹ Het is dan ook van belang dat
de gemeente
bij de toeleiding naar de arbeidsmarkt kiest voor een integrale aanpak,
waarvan schuldhulpverlening een onmisbaar onderdeel is.
1. Armoedemonitor 2003, SCP
[Sociaal en Cultureel Planbureau, red.].
3.2.
Voorwaarden voor de Vazalo-toeslag
De regeling wil het
inkomen van de werkende alleenstaande ouder verhogen via een
heffingskorting om zo een beroep op de bijstand onnodig te maken. Voor de
toepassing van de regeling gelden daarom eisen:
rblz.|10|
* de Vazalo-toeslag is bedoeld voor de alleenstaande ouder met een
inkomen tussen 55% en 115% van het
NML;
* een deel van dit inkomen wordt verworven uit tegenwoordige arbeid.
3.2.1. Aard van het inkomen
Het wetsvoorstel
faciliteert voor alleenstaande ouders de combinatie van arbeid en zorg.
De regeling kent daarom als eis dat minimaal €|4366,-
(het drempelbedrag voor de combinatiekorting) wordt verworven uit
tegenwoordige arbeid. Het toetsingsinkomen kan samengesteld zijn uit
allerlei andere bronnen: partneralimentatie, partiële uitkering, etc.
De kinderalimentatie wordt niet tot het fiscaal
toetsingsinkomen gerekend; de definitie van het toetsingsinkomen uit de Awir
en de belastingdienst kent deze gegevens
niet.
3.2.2. Bijzondere groepen
Personen met een
Anw-uitkering komen niet in aanmerking voor een
Vazalo-toeslag. De som van hun uitkeringsrecht en €|4366,-
aan tegenwoordige arbeid overschrijdt namelijk de bovengrens van 115%
NML. De vrijlatingsregeling van de Anw bij inkomsten uit arbeid
levert dus meer inkomen op dan de regeling van de Wet Vazalo.
Voor alleenstaande ouders in de bijstand met een deeltijdbaan en een
kind jonger dan 5 jaar kan in bijzondere omstandigheden de Wwb
financieel beperkt voordeliger zijn dan de Vazalo-toeslag vanwege de
wettelijk toegestane vrijlating.¹ Bij deze groep wordt immers een
tijdelijk hoger inkomen geaccepteerd. Als de alleenstaande ouder met een
kind jonger dan 5 jaar ook kinderalimentatie ontvangt, is de
Vazalo-toeslag weer voordeliger.
1. Binnen de Wwb
is het toegestaan om mensen die in deeltijd werken met zicht op een
volledige baan eenmalig, gedurende maximaal zes maanden een vrijlating
van €|163,- per maand te geven. Verder is
het mogelijk om in het kader van arbeidstoeleiding eenmaal per jaar een
premie te verstrekken van maximaal €|1984,-.
Dit is een bevoegdheid van de gemeente en zal
per gemeente verschillen. Daarnaast worden voor alleenstaande
bijstandsouders met een kind onder 5 jaar de aanvullende alleenstaande
ouderkorting, de combinatiekorting en de aanvullende combinatiekorting
vrijgelaten: artikel 31, tweede lid, onderdeel c, van de Wwb.
3.3.
Vazalo-toeslag
3.3.1. Fiscale en Awir-regels als
uitgangspunt
Uitgangspunt van de Wet Vazalo is dat de
bestaande belastingregels en de definities uit de Awir
worden gebruikt met zo min mogelijk afwijkingen. Dat betekent een
overstap van de detallering van de bijstand tot op het dubbeltje naar
een meer globale regeling in stappen van ongeveer €|57,-
per maand per inkomensklasse. De Vazalo-toeslag wordt op jaarbasis
verstrekt zodra in het betreffende kalenderjaar aan de voorwaarden wordt
voldaan. Conform de bestaande belastingsystematiek is het mogelijk om
een maandelijks voorlopige teruggave (VT) in het nog lopende jaar met
een maximum van 90%
NML plus de kinderkortingen. Het restant wordt in het eerste
kwartaal van het volgend jaar uitgekeerd.
3.3.2. Vazalo-toeslag en het
bruto-nettotraject
De
Vazalo-toeslag garandeert een netto-inkomen dat minimaal op bijstandsniveau
ligt. Daarom wordt bij de voorgestelde Vazalo-toeslag de berekening van
bruto- naar netto-inkomen (het bruto-nettotraject) rekening gehouden met
de bestaande heffingskortingen: kinderkortingen, eenouderkortingen en
kortingen in verband met arbeid en zorg.¹ Via de Vazalo-toeslag worden
dus de niet-verzilverbare heffingskortingen verzilverd. De arbeid en
zorg gerelateerde kortingen wordt vrijgelaten [lees: De arbeid- en
zorggerelateerde kortingen worden vrijgelaten, red.] evenals de
kinderkortingen. Een zeer groot aantal van de alleenstaande ouders met
inkomen uit arbeid komen niet aan de verzilvering van deze kortingen toe
(zie onder 1.2.4). Globaal gezien loopt het deel
verzilvering heffingskortingen binnen de Vazalo-toeslag af van 40% tot
nagenoeg 0% bij een arbeidsinkomen van 55%
NML tot respectievelijk 115% NML.
1. Naar verwachting zal de
regering vier bestaande kinderkortingen bundelen per 1 januari 2006 tot
één bedrag.
rblz.|11|
De Vazalo-toeslag is een geïndividualiseerde inkomensafhankelijke
toeslag. Deze toeslag is gecombineerd met een aantal heffingskortingen
waarmee op nettobasis het garantie-inkomen wordt bereikt. De hoogte van
de toeslag is afhankelijk van het zelf verworven inkomen, de eventuele
partneralimentatie en voorts de leeftijd van het jongste kind. De
toeslag wordt niet in de vorm van een percentage toegekend, maar in
vaste bedragen volgens een in de wet
opgenomen tabel. Deze tabel kent stappen van 5%
NML (€|57,- per maand). Zo is
relatief eenvoudig te zien bij welk fiscaal toestingsinkomen de passende
toeslag hoort.
3.3.3. Vazalo-toeslag op basis van
nettominimumloon en fiscaal minimumloon
De
Vazalo-toeslag is gebaseerd op het bijstandsinkomen omdat de toeslag
minimaal een inkomen ter hoogte van de bijstand garandeert. De bijstand
voor een alleenstaande ouder is gelijk aan 90%
NML plus kinderkortingen.¹ In dit wetsvoorstel
wordt de hoogte van de Vazalo-toeslag daarom aangegeven in een
percentage van het nettominimumloon. Omdat de Belastingdienst/Toeslagen
dat inkomensbegrip niet hanteert, wordt in de uitvoering niet het
nettominimumloon, maar het fiscaal minimumloon (FML) gehanteerd. Dat is
het bruto wettelijk minimumloon minus de werknemerspremies, plus de
werkgeversbijdrage Zfw. Dat wordt vervolgens
omgezet in eurobedragen.
1. Er is één uitzondering.
In de Wwb worden voor alleenstaande ouders met
een kind tot 5 jaar de combinatiekorting, de aanvullende
combinatiekorting en de aanvullende alleenstaandeouderkorting
vrijgelaten indien er inkomsten uit arbeid zijn. De inkomsten uit arbeid
worden wel volledig verrekend met de bijstandsuitkering. Zodra het
jongste kind 5 jaar is geworden, vervalt deze faciliteit.
3.3.4. Inrichting Vazalo-toeslag
Om
de armoedeval tegen te gaan en te zorgen dat meer werken blijft lonen,
is gekozen voor een stapsgewijs model in plaats van een
percentageregeling.
Om de ouder te simuleren tot arbeid is het
gewenst de regeling transparant te maken, zodat betrokkene precies weet
bij welk inkomen welke Vazalo-toeslag hoort. Dat is een voordeel ten
opzichte van een jaarlijkse vaststelling achteraf op basis van een
percentage van het verzamelinkomen waarbij iemand met een Vazalo-toeslag
pas na één jaar weet wat zijn toeslag is.
Men kan de toekenning van de toeslag op basis
van tevoren vastgestelde inkomensklassen minder aantrekkelijk vinden.
Het gekozen systeem heeft echter twee voordelen ten opzichte van een
percentageregeling. Ten eerste is vooraf in geld weten wat de regeling
gaat opleveren meer transparant. Zichtbaar is dat meer werk (5%-10%)
meer inkomen blijft generen.
Ten tweede is het door het systeem van het
stapsgewijs met gelijke treden aanpassen van de tabel mogelijk om
prikkels te introduceren naast een gefaseerde afbouw. Bij een
percentageregeling is alleen een lineaire afbouw mogelijk.
Tabel 4 geeft aan hoe het totale inkomen zich ontwikkelt
bij meer eigen inkomsten. (NB: In de wetsartikelen worden het inkomen en
de toeslagen in vaste geïndexeerde bedragen aangegeven)
Tabel
4. Overzicht Vazalo-toeslag:
| 0
t/m 11 jaar |
12
t/m 15 jaar |
|
NML |
Vazalo |
Totaal |
NML |
Vazalo |
Totaal |
| 55% |
35% |
v90% |
x |
x |
x |
| 60% |
30% |
v90% |
v60% |
30% |
v90% |
| 65% |
30% |
v95% |
v65% |
25% |
v90% |
| 70% |
25% |
v95% |
v70% |
25% |
v95% |
| 75% |
25% |
100% |
v75% |
20% |
v95% |
| 80% |
20% |
100% |
v80% |
20% |
100% |
| 85% |
15% |
100% |
v85% |
15% |
100% |
| 90% |
15% |
105% |
v90% |
10% |
100% |
| 95% |
10% |
105% |
v95% |
10% |
105% |
| 100% |
10% |
110% |
100% |
v5% |
105% |
| 105% |
v5% |
110% |
105% |
v5% |
110% |
| 110% |
v5% |
115% |
110% |
v5% |
115% |
rblz.|12|
De verlaging van de Vazalo-toeslag zodra het jongste kind een
leeftijdsgrens passeert, zal voor de ouder een stimulans zijn om iets
langer te gaan werken. Omdat een kind tussen 12 en 16 jaar als regel
minder tijd aan ouderlijke verzorging nodig heeft maar niet minder
aandacht of omdat de zorg voor een ouder kind wat minder is gebonden aan
vaste tijdstippen op de dag.
In
de onderstaande
grafieken 1, 2 en 3
is het netto-inkomenseffect van een inkomen met een Vazalo-toeslag
grafisch weergegeven. In de grafieken is ook het effect van de
vrijlating van de kinderalimentatie aangegeven. Er is uitgegaan van een
gemiddelde kinderalimentatie van €|190,-
per maand per kind. En van gemiddeld één kind per alleenstaande ouder.
|