|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1995-1996, 24 760
Voorziening tegen geldelijke gevolgen van langdurige
arbeidsongeschiktheid voor jonggehandicapten (Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
|
xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Voorgeschiedenis |
| 3 |
Adviezen |
| 4 |
Hoofdlijnen
wetsvoorstel |
| 4.1 |
Wenselijkheid van
een afzonderlijke voorziening voor jonggehandicapten en studerenden |
| 4.2 |
Handhaving van recht
op en hoogte en duur van de arbeidsongeschiktheidsuitkering |
| 4.3 |
Financiering ten laste van de algemene middelen |
| 4.4 |
Uitvoering door
één bedrijfsvereniging |
| 5 |
Overige aspecten in verband met het recht op
uitkering |
| 6 |
Enkele bijzondere aspecten |
| 6.1 |
Mogelijkheden tot arbeidsdeelname voor
jonggehandicapten |
| 6.2 |
Recht van regres op degene die de
arbeidsongeschiktheid heeft veroorzaakt |
| 6.3 |
Rechtsbescherming |
| 6.4 |
Informatievoorziening |
|
xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
1 t/m 77 |
Algemeen
1. Inleiding
Dit wetsvoorstel voorziet
voor jonggehandicapten en studerenden in een afzonderlijke
voorziening op minimumniveau tegen de geldelijke gevolgen van langdurige
arbeidsongeschiktheid, gefinancierd uit de algemene middelen.
De totstandkoming van een
afzonderlijke regeling voor deze categorie vloeit voort uit de
kabinetsvoornemens tot versterking van de marktwerking in de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Op de motieven en doelstellingen van deze kabinetsvoornemens wordt ingegaan
in het voorstel van Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen
(Pemba) (Kamerstukken II 1995-1996, 24 698, nrs. 1-3).
Als gevolg van deze
voornemens zal de huidige AAW
haar betekenis als volksverzekering
verliezen. Het zonder meer vervallen van de AAW zou tot gevolg hebben dat in
ieder geval voor zelfstandigen en jonggehandicapten geen regeling tegen inkomensderving meer zou
bestaan. Dit wordt
ongewenst geacht. Het kabinet is van oordeel dat voor een ieder van rechtswege
een regeling bij inkomensderving tengevolge van arbeidsongeschiktheid
moet blijven bestaan. Om die reden worden twee nieuwe regelingen
voorgesteld, namelijk een verzekering voor zelfstandigen,
meewerkende echtgenoten en beroepsbeoefenaren (de WAZ) en een voorziening
voor jonggehandicapten en studenten (Wajong). Wat betreft de regeling
voor zelfstandigen wordt verwezen naar het voorstel van Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ).
In het onderhavige
wetsvoorstel wordt voorzien in een regeling voor jonggehandicapten die
voorafgaand aan de leeftijd van 17 jaar arbeidsongeschikt zijn geworden. De
regeling geldt ook voor studerenden die nadien tijdens de studie
arbeidsongeschikt zijn geworden. Het voorliggende wetsvoorstel vormt
daarmee een wettelijke voorziening tegen het risico van langdurige
arbeidsongeschiktheid voor personen die arbeidsongeschikt zijn geworden op een
tijdstip dat zij vanwege de jeugdige leeftijd nog niet konden deelnemen
aan betaalde arbeid.
Gekozen is voor een
afzonderlijke wettelijke voorziening, omdat bij jonggehandicapten en
studerenden, anders dan bij werknemers en rblz.|2|
zelfstandigen, geen
sprake is van feitelijke inkomensderving maar van veronderstelde
inkomensderving. Financiering door betrokkenen zelf via premieheffing is bij deze
categorie, anders dan bij werknemers en zelfstandigen, niet aan
de orde. De voorliggende voorziening wordt gefinancierd uit de algemene middelen.
Uitgangspunt is dat
aangesloten wordt bij de huidige situatie in de AAW. Dit geldt onder meer
voor de voorwaarden voor het recht op uitkering, het arbeidsongeschiktheidscriterium en de duur en hoogte van
de uitkering. Er bestaat
individueel aanspraak op uitkering op minimumniveau wanneer betrokkene vóór
de leeftijd van 17 jaar arbeidsongeschikt is geraakt en een wachttijd van 52 weken heeft doorlopen. Toekenning van
de uitkering kan op zijn
vroegst plaatsvinden vanaf de leeftijd van 18 jaar. Voor studerenden die
tijdens de studie arbeidsongeschikt zijn geworden vindt toekenning van de
uitkering op een later tijdstip plaats, nadat de wachttijd van 52 weken is
verstreken. De uitkering wordt verstrekt tot de eerste dag van de maand
waarop de leeftijd van 65 jaar wordt bereikt. Er is geen toets op vermogen
noch op het inkomen van de partner.
Uiteraard is van de AAW afgeweken waar dit in verband met het gewijzigde karakter van
de regeling en de doelgroep noodzakelijk bleek.
In
dit wetsvoorstel wordt
voor het overige de opzet en vormgeving van het wetsvoorstel WAZ
gevolgd.
De uitvoering wordt, met
het oog op de efficiency, opgedragen aan één bedrijfsvereniging, de
Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. Deze bedrijfsvereniging voert
thans in de meeste gevallen ook de AAW
uit ten aanzien van
jonggehandicapten en studerenden. In het voorgenomen wetsvoorstel tot
wijziging van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen (wetsvoorstel
Organisatiewet sociale verzekeringen [zie Osv 1997,
red.]) zal worden voorgesteld om de
bedrijfsverenigingen van hun taak te ontheffen. Er zal een nieuwe verdeling
van
taken en verantwoordelijkheden tussen de uitvoeringsinstellingen
en de rechtsopvolger van het Tica [Tijdelijk instituut voor coördinatie
en afstemming, zie Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv) en vervolgens Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(UWV), red.]
worden vastgelegd. Gezien de
fase waarin de voorbereidingen van dat wetsvoorstel zich thans
bevinden, wordt in dit wetsvoorstel
vooralsnog uitgegaan van de Nieuwe
Algemene Bedrijfsvereniging als uitvoerende instantie.
Door de aansluiting bij
het regime van de AAW
bevat deze regeling een groot aantal bepalingen
die, gelet op de kring van rechthebbenden, in de praktijk naar verwachting
van beperkte betekenis zullen zijn. Gewezen kan onder meer worden op de
bepalingen met betrekking tot herziening van de uitkering vanwege
toegenomen arbeidsongeschiktheid, de bepalingen met betrekking tot maatregelen en boeten en de bepalingen met
betrekking tot het recht
van regres. Niettemin is het kabinet van oordeel dat genoemde bepalingen
in deze regeling dienen te worden opgenomen. Voor een beperkt aantal
gevallen en situaties kunnen immers genoemde bepalingen wel feitelijke
betekenis hebben.
Dit wetsvoorstel
regelt
de arbeidsongeschiktheidsuitkering van jonggehandicapten en
studerenden. In het wetsvoorstel voor de Invoeringswet premiedifferentiatie en marktwerking bij
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Invoeringswet) ¹ wordt, in
samenhang met de voorgenomen intrekking
van de AAW, voorzien in het uitkeringsregime van degenen zonder
arbeidsverleden die thans reeds een uitkering op grond van de AAW hebben
en van degenen zonder arbeidsverleden die reeds vóór de
invoering van deze wet arbeidsongeschikt zijn, maar vanwege de wachttijd van
52 weken nog geen recht op AAW-uitkering hebben. In het kader van
dat wetsvoorstel wordt geregeld dat zij voortaan uitkering op grond van
deze wet zullen hebben, dan wel zullen krijgen op rblz.|3|
het moment dat zij hun
wachttijd hebben vol gemaakt. De financiering van deze bestaande gevallen
komt eveneens ten laste van de algemene middelen. In het
wetsvoorstel Invoeringswet worden ook de noodzakelijke wijzigingen als gevolg
van het intrekken van de AAW en het tot stand komen van de Wajong in de
overige wetten geregeld. Meer technische aanpassingen zullen
worden ondergebracht in een wetsvoorstel Aanpassingswet.
1. Invoeringswet premiedifferentiatie en marktwerking bij
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (invoeringswet Pemba) luidde de citeertitel ten tijde van het
advies van de Raad van State; nadien is sprake
van Invoeringswet nieuwe en gewijzigde
arbeidsongeschiktheidsregelingen, red.
De opbouw van deze
memorie is als volgt. In paragraaf 2 wordt eerst, voor zover relevant,
ingegaan op de voorgeschiedenis van deze wet. Vervolgens wordt in
paragraaf 3 aandacht besteed aan de uitgebrachte adviezen en commentaren.
In paragraaf 4 komen de
hoofdlijnen van het wetsvoorstel aan de orde. Achtereenvolgens wordt
ingegaan op de wenselijkheid van een specifieke voorziening; de kring van
rechthebbenden; recht, hoogte en duur van de uitkering en de
financiering. In paragraaf 5 komt een aantal overige aspecten in verband met
het recht op uitkering aan de orde. Ten slotte wordt in paragraaf 6 aandacht besteed aan een aantal bijzondere aspecten
van de regeling.
2. Voorgeschiedenis
Thans hebben
jonggehandicapten vanaf de leeftijd van 18 jaar recht op een eigen inkomen op
grond van de AAW. Dit is het geval sinds de totstandkoming van de AAW
in 1976. De totstandkoming van een volksverzekering in de
vorm van de AAW in 1976 werd met name ingegeven door de
wenselijkheid om voor zelfstandigen en jonggehandicapten tot een
regeling te komen die bescherming zou bieden tegen het risico van
langdurige arbeidsongeschiktheid. Voor beide groepen werd het treffen
van een wettelijke regeling destijds urgent geacht. Vóór de
totstandkoming van de AAW vielen jonggehandicapten onder de Tijdelijke
Rijksgroepsregeling Mindervaliden, als onderdeel van de Algemene Bijstandswet.
Deze regeling werd als een tijdelijke oplossing gezien, in afwachting van
de ontwikkeling van de sociale verzekering betreffende het risico
van arbeidsongeschiktheid.
De invoering van een
volksverzekering werd in de memorie van toelichting bij het
toenmalige wetsvoorstel AAW gemotiveerd met de overweging dat het bij langdurige arbeidsongeschiktheid gaat om een
sociaal risico. Dat
sociaal risico geldt voor de gehele bevolking en dient daarom gedekt te worden
door middel van een volksverzekering.
Ten aanzien van
jonggehandicapten werd overwogen dat zij als gevolg van een handicap die
reeds vóór de toetreding tot het arbeidsproces is ontstaan, niet in staat
zijn door het verrichten van arbeid een eigen voldoende inkomen te verwerven, terwijl voorts de mogelijkheid om een
particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering af te sluiten ontbreekt. Het
werd gewenst geacht om
het recht op levensontplooiing, voor zover het gaat om een recht op inkomen, voor deze groep te effectueren door
middel van een socialeverzekeringswet. Overwogen werd dat het risico van inkomensderving door
arbeidsongeschiktheid van een jonggehandicapte noch
door de betrokkene noch door zijn ouders is te dragen en dat via een
volksverzekering de gemeenschap beter in staat is haar solidariteit ten
aanzien van jonggehandicapten na te komen (Kamerstukken II 1974-1975, 13 231,
nrs. 1-4, blz. 42 e.v.).
De
AAW
voorziet thans
voor alle ingezetenen tot 65 jaar in een uitkering op minimumniveau tegen de
gevolgen van inkomensderving vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid. De AAW is vooral van praktisch belang
gebleken voor zelfstandigen en jonggehandicapten.
De AAW is in de loop van
de tijd herhaaldelijk gewijzigd. In dit verband is van belang dat met
ingang van 1980 de eis van feitelijke inkomensderving rblz.|4|
werd ingevoerd.
Voor het recht op uitkering gold voortaan de voorwaarde dat in het jaar direct voorafgaande aan de arbeidsongeschiktheid
inkomen uit of in verband
met arbeid moet zijn genoten. Bovendien werd een
bepaalde minimuminkomensderving geëist (entree-eis).
Op het uitgangspunt van
feitelijke inkomensderving is in de huidige AAW echter voor bepaalde
groepen een uitzondering gemaakt. Dit geldt voor jonggehandicapten en
zgn. "bijzondere groepen", onder wie studerenden en verzorgers
van naaste verwanten. Op grond van de wet zelf worden jonggehandicapten uitgezonderd van de
inkomensdervingseis.
Verder worden, op grond
van het Besluit verzekerden die geacht worden vóór het
intreden van de arbeidsongeschiktheid inkomen te hebben verworven (Stb.
1980, 263), onder meer studerenden en verzorgers van naaste
verwanten geacht inkomen te hebben verworven, waarmee zij aan de
inkomensdervingseis hebben voldaan. Voor studerenden geldt daarbij als
voorwaarde dat zij in het jaar voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid
ten minste zes maanden student waren en de leeftijd van 30 jaar nog
niet hebben bereikt. Het werd niet gerechtvaardigd geacht de eis van
feitelijke inkomensderving aan studerenden te stellen, aangezien de
arbeidsongeschiktheid is ingetreden voordat sprake is van inkomensvormende arbeid
en de voor arbeid beschikbare tijd volledig in beslag wordt genomen door
studie.
De regeling voor
verzorgers van naaste verwanten geldt alleen voor de ongehuwde wiens voor
arbeid beschikbare tijd (nagenoeg) uitsluitend in beslag wordt genomen door
de oppassing en verzorging van één of meer naaste verwanten met wie
hij een huishouding vormt. Het opnemen van deze categorie was het
gevolg van de motie-Hermsen/Nijpels (Kamerstukken II 1979-1980, 15 700, nr.
16). Naar het oordeel van de Tweede Kamer diende de morele
verplichting tot zorg voor naaste verwanten te worden gesteld boven het
inkomensdervingsbeginsel.
De hoogte van de
AAW-uitkering is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid,
die tot uitdrukking komt in een bepaald arbeidsongeschiktheidspercentage,
en van de
uitkeringsgrondslag. In veel gevallen resulteert uit de
beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van jonggehandicapten een
arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%.
Aangezien de AAW een
verzekering op minimumniveau is, is de uitkeringsgrondslag in
beginsel gelijk aan het wettelijk minimum(jeugd)loon. Dit is de
"algemene" grondslag die ook voor jonggehandicapten, studerenden en verzorgers
van naaste verwanten geldt. De AAW-uitkering kan derhalve in beginsel
niet meer bedragen dan 70% van het geldende minimumloon. Betrokkene
kan zo nodig een aanvulling tot het relevante sociaal minimum verkrijgen via een
toeslag op grond van de
Toeslagenwet, voor zover
de inkomenssituatie daartoe aanleiding geeft.
In het kader van het
wetsvoorstel tot nadere wijziging van de AAW
(Kamerstukken II 1992-1993, 22 968, nr. 3) dat op 24 december 1992 door het vorige kabinet bij de
Tweede Kamer werd ingediend, zijn voorstellen gepresenteerd om het
inkomensdervingsbeginsel in de AAW te versterken. Daarbij werd
de huidige uitzonderingspositie op de eis van feitelijke inkomensderving voor jonggehandicapten gehandhaafd.
Overwogen werd dat het
voor deze groep objectief te rechtvaardigen is dat recht op uitkering
blijft bestaan zonder dat sprake is van feitelijke inkomensderving,
aangezien betrokkenen op een tijdstip arbeidsongeschikt zijn geworden dat zij nog
geen arbeidsinkomen hebben kunnen verwerven. In dat
wetsvoorstel werd wel voorgesteld om de uitzonderingspositie voor studerenden en
verzorgers van naaste verwanten te beëindigen, aangezien
deze groepen, anders dan jonggehandicapten, wel de keuzemogelijkheid
hebben gehad om arbeid te gaan verrichten. Handhaving van de
bijzondere positie van deze groepen zou naar het rblz.|5|
oordeel van het vorige
kabinet het risico met zich brengen dat ook andere groepen zonder
inkomensderving met succes een beroep op de AAW zouden kunnen doen. In
dat verband werd gewezen op groepen van personen die, evenals de
bijzondere groepen in de AAW, vanwege particuliere omstandigheden mogelijk geen arbeid uit inkomen hebben
kunnen verwerven.
Indien de particuliere
omstandigheden van de bijzondere groepen in de AAW niet van principieel
andere aard zouden zijn dan die van andere groepen en de uitzonderingspositie van de bijzondere groepen in de AAW
zou worden gehandhaafd,
dan zou tegenover de andere groepen van personen niet meer zijn
te motiveren waarom zij niet tot de kring van rechthebbenden kunnen worden gerekend. Daarbij werd met name
gedacht aan
schoolverlaters in de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers. Inmiddels is
deze regeling opgeheven en zijn schoolverlaters aangewezen op de Algemene
bijstandswet. Daarnaast werd gewezen op personen, voornamelijk
huisvrouwen, die kinderen verzorgen. De behandeling van dat
wetsvoorstel is niet verder gekomen dan tot het uitbrengen van het
voorlopig verslag door de Tweede Kamer (Kamerstukken II 1992-1993, 22 968, nr.
5).
Het huidige kabinet acht
het zeer gewenst dat het voorliggende wetsvoorstel in beginsel
aansluit bij de uitgangspunten van het reeds bij de Kamer ingediende wetsvoorstel. In verband met het voornemen de
AAW in te trekken
verliest laatstgenoemde wet zijn betekenis. Het kabinet is dan ook voornemens om
dit wetsvoorstel in te trekken.
De huidige
AAW
wordt
gefinancierd uit premies die zijn opgenomen in het tarief eerste schijf
en dus worden geïnd door de belastingdienst. De
geïnde AAW-premies
worden in het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds (AAf) gestort. Daaruit
worden de AAW-uitkeringen gefinancierd.
Het aantal
jonggehandicapten dat vóór het bereiken van de leeftijd van 17 jaar arbeidsongeschikt
was en een AAW-uitkering heeft, bedroeg eind 1994 ca. 100 000. In
onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van het aantal jonggehandicapten dat sinds de totstandkoming van de AAW
een uitkering ontving.
Tabel 1. Aantal
jonggehandicapten in personen en in uitkeringsjaren, alsmede de
uitkeringslasten in de periode 1976-1994:
| Jaarxxxxxxx |
xxPersonenxx
(x 1000) |
Uitkeringsjaren
(x 1000) |
xxxKostenxxx
(mln gld.) |
| 1976xxx |
40,9xxxxx |
7,6xxxxx |
0xxxxx |
| 1977 |
50,2xxxxx |
51,8xxxxx |
3xxxxx |
| 1978 |
52,8xxxxx |
54,1xxxxx |
6xxxxx |
| 1979 |
54,7xxxxx |
55,3xxxxx |
8xxxxx |
| 1980 |
56,7xxxxx |
57,1xxxxx |
11xxxxx |
| 1981 |
58,9xxxxx |
59,6xxxxx |
15xxxxx |
| 1982 |
61,5xxxxx |
62,8xxxxx |
19xxxxx |
| 1983 |
64,3xxxxx |
65,5xxxxx |
25xxxxx |
| 1984 |
67,1xxxxx |
68,1xxxxx |
1124xxxxx |
| 1985 |
69,6xxxxx |
70,4xxxxx |
1319xxxxx |
| 1986 |
72,2xxxxx |
73,7xxxxx |
1318xxxxx |
| 1987 |
74,7xxxxx |
76,0xxxxx |
1352xxxxx |
| 1988 |
78,0xxxxx |
79,6xxxxx |
1394xxxxx |
| 1989 |
83,0xxxxx |
82,8xxxxx |
1442xxxxx |
| 1990 |
90,5xxxxx |
89,2xxxxx |
1598xxxxx |
| 1991 |
93,4xxxxx |
93,2xxxxx |
1720xxxxx |
| 1992 |
95,1xxxxx |
95,6xxxxx |
1831xxxxx |
| 1993 |
97,1xxxxx |
97,9xxxxx |
1879xxxxx |
| 1994 |
99,8xxxxx |
100,0xxxxx |
1898xxxxx |
In de tabel zijn
overigens niet begrepen sociale lasten en uitvoeringskosten.
Opgemerkt wordt dat de
reeks "personen" en "uitkeringsjaren" elkaar weinig ontloopt. Dit is
verklaarbaar omdat de meeste jonggehandicapten volledig arbeidsongeschikt zijn. Als gevolg van nabetalingen en dergelijke
kan de reeks "uitkeringsjaren" hoger uitkomen dan de reeks
"personen".
Ruim 95% van de groep had
een mate van arbeidsongeschiktheid tussen de 80 en 100%.
Het aantal studerenden
dat recht heeft op een AAW-uitkering is niet rechtstreeks uit de
statistieken af te leiden. Zij maken onderdeel uit van de bevolkingsgroep
"overigen" in de AAW-registratie. Op basis van de instroom naar leeftijd is
wel een schatting te maken van de omvang van deze groep.
rblz.|6|
In 1993 bedroeg de totale
instroom van de groep overigen 639 personen; hiervan waren
er 225 jonger dan 30 jaar. Aannemend dat dit aandeel grosso modo
ongewijzigd is in andere jaren, kan worden verondersteld dat ca. 35%
van de totale omvang van de groep overigen uit studerenden bestaat.
De totale groep studerenden omvat dan ruim 1500 personen.
Een deel van de groep
jonggehandicapten is aangewezen op verzorging en verpleging in een
inrichting, bijvoorbeeld een blinden- of doveninstituut, een instelling voor
zwakzinnigen of een gezinsvervangend tehuis. Voor zover jonggehandicapten daarop zijn aangewezen en de instelling
daaronder valt, worden de
kosten van verblijf vergoed op grond van de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten (AWBZ). De AWBZ vergoedt alleen de kosten van verzorging,
verpleging en behandeling en bijvoorbeeld geen onderwijskosten, zak- en kleedgeld en dergelijke. Er wordt een
inkomensafhankelijke
eigen bijdrage in rekening gebracht.
3. Adviezen
Door de SER [Sociaal-Economische
Raad, red.] is, naar
aanleiding van een adviesaanvraag van 6 februari 1995, op 21 april 1995
advies uitgebracht over de kabinetsvoornemens inzake de WAO en
AAW.
Voor de hoofdlijnen van het advies ter zake alsmede het commentaar daarop van het kabinet moge worden verwezen
naar de memorie van
toelichting bij het wetsvoorstel Pemba. In deze memorie wordt volstaan
met een weergave van het advies van de SER, voor zover dit specifiek
betrekking heeft op de voorgestelde regeling voor jonggehandicapten
(hoofdstuk 5, paragraaf 2.3 en 2.4 van het advies). Naar het oordeel van de
SER is het kabinetsvoornemen om een afzonderlijke regeling voor
jonggehandicapten te treffen een betrekkelijk logische maatregel om voor deze
groep de gevolgen van het vervallen van de AAW ongedaan te maken. De Raad wijst erop dat hij zich ook in eerdere adviezen, zoals in het
Advies wijziging AAW, ABW, Ioaw en Ioaz van 18 januari 1991, heeft
uitgesproken voor het opnemen van deze groep in een wettelijke arbeidsongeschiktheidsverzekering, waarbij voor betrokkenen
het vereiste van inkomensderving niet zou behoeven te gelden. De Raad acht dit gerechtvaardigd
gelet op de jeugdige leeftijd waarop de arbeidsongeschiktheid is ingetreden,
waardoor
zij niet in staat zijn geweest met arbeid een inkomen te
verwerven.
Wat betreft studerenden
heeft het kabinet de SER in de adviesaanvraag de vraag voorgelegd of
deze categorie in de regeling voor jonggehandicapten kan worden ondergebracht, zonder dat dit leidt tot
precedentwerking naar
andere groepen. De Raad geeft in zijn advies aan vooralsnog in de
kabinetsvoornemens geen aanleiding te zien om zijn eerdere standpuntbepaling
te wijzigen. In zijn eerdergenoemd advies van 18 januari 1991 sprak de Raad zich uit voor handhaving van studerenden in de personenkring van de
AAW. De SER achtte het niet gewenst aan studerenden de eis van
feitelijke inkomensderving te stellen. De Raad overwoog daarbij dat ook
bij studerenden, net als bij jonggehandicapten, de arbeidsongeschiktheid
is ontstaan voordat betrokkenen aan het arbeidsproces konden
deelnemen. Van groot maatschappelijk belang acht de Raad het dat jongeren
voortgezet of hoger onderwijs kunnen volgen. Voorts mag worden
aangenomen dat studerenden na het voltooien van hun studie aan het
arbeidsproces deelnemen. In zijn advies van 21 april 1995 geeft de Raad aan
niet bevreesd te zijn voor precedentwerking naar andere groepen: de Raad
acht dit aspect niet zozeer relevant waar het gaat om de groepering van studerenden alswel ten aanzien van de categorie
van verzorgers van naaste verwanten. Wat laatstgenoemde categorie betreft, verwijst de SER
wederom naar zijn advies van 18 januari 1991, waarin de Raad aangaf dat
het niet meer te rechtvaardigen is deze groep rblz.|7|
wel en andere groepen - zoals huisvrouwen die jonge kinderen verzorgen
- niet tot de kring van
rechthebbenden te rekenen. Voorts achtte de Raad bij handhaving van deze
groep in de AAW grote juridische risico’s aanwezig op het punt van
ongelijke behandeling naar burgerlijke staat en van indirecte
discriminatie naar geslacht.
Het kabinet vat de
standpuntbepaling van de SER op als instemming met de voornemens die in dit
wetsvoorstel nader worden vormgegeven. Met betrekking tot de
positie van studerenden is het kabinet tot de conclusie gekomen dat het bij nader inzien gewenst is om deze groep te
laten vallen onder de
bescherming van dit wetsvoorstel. Evenals voor jonggehandicapten geldt
voor studerenden dat zij arbeidsongeschikt kunnen raken op een leeftijd waarop zij nog niet hebben kunnen deelnemen aan betaalde
arbeid. Het opnemen van studerenden is voorts consistent met het
overheidsbeleid dat erop is gericht om jongeren te laten deelnemen aan
onderwijs, zowel in het belang van henzelf als van de maatschappij. Verder
is van belang, zoals de SER overweegt, dat bij het opnemen van studerenden
in dit wetsvoorstel niet behoeft te worden gevreesd voor
precedentwerking naar andere groepen. Het kabinet voelt zich bij zijn voorstel om
studerenden op te nemen in de kring van rechthebbenden gesteund
door de opvatting van de SER. Voorts wordt hierdoor tegemoet gekomen
aan de kritische reactie van een grote meerderheid van de Tweede Kamer op het hiervoor gememoreerde
voornemen van het vorige
kabinet om deze groep niet langer tot de kring van rechthebbenden van de
AAW
te rekenen (Kamerstukken II 1992-1993, 22 968, nr. 5, blz. 10 e.v.).
Naar aanleiding van een
daartoe strekkend verzoek van 21 maart 1995 heeft de Ziekenfondsraad [zie
College
voor zorgverzekeringen, red.] voorts op 22 juni 1995 commentaar geleverd over de gevolgen voor de
sociale ziektekostenverzekeringen van de kabinetsvoornemens inzake versterking marktwerking in de
ZW en WAO.
De Raad beveelt onder
meer aan om de regeling voor jonggehandicapten titel voor
ziekenfondsverzekering te laten zijn indien betrokkenen een uitkering
ontvangen
berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%. Een
daartoe strekkende wetswijziging is opgenomen in het wetsvoorstel
Invoeringswet.
Na advisering door de
SER zijn de voorstellen uit de adviesaanvraag nader uitgewerkt in een
aantal wetsvoorstellen. Over het onderhavige wetsvoorstel is op 17
juli 1995 technisch commentaar gevraagd aan het Tica. Aan het College van
toezicht sociale verzekeringen (Ctsv) [zie Inspectie
Werk en Inkomen (IWI), red.] is op 17 juli 1995 verzocht om een
toets te verrichten op de toezichtsaspecten van dit wetsvoorstel.
Het Tica heeft bij brief
van 22 september 1995 commentaar uitgebracht. Het Tica gaat op diverse
onderdelen van het wetsvoorstel in. Het Ctsv heeft op 29 september
1995 de resultaten van de verrichte toets bekendgemaakt.
De opmerkingen van het
Tica en het Ctsv zijn voor zover mogelijk verwerkt. Waar dit niet
het geval is, wordt hierop in de desbetreffende onderdelen van deze
memorie nader ingegaan.
4. Hoofdlijnen
wetsvoorstel
Ten aanzien van
dit
wetsvoorstel heeft het kabinet de volgende uitgangspunten gehanteerd:
a. de wenselijkheid van
een afzonderlijke voorziening voor jonggehandicapten en
studerenden;
b. handhaving van recht
op en hoogte en duur van de arbeidsongeschiktheidsuitkering;
rblz.|8|
c. financiering ten laste
van de algemene middelen;
d. uitvoering door één bedrijfsvereniging.
Hierop wordt in de
volgende paragrafen ingegaan.
4.1. Wenselijkheid van
een afzonderlijke voorziening voor jonggehandicapten en studerenden
Ook na het vervallen van
de AAW
als volksverzekering blijft het naar het oordeel van het kabinet
gewenst voor jonggehandicapten een wettelijke voorziening op minimumniveau tegen het risico van langdurige arbeidsongeschiktheid
te handhaven. Het kabinet
acht de overwegingen die met betrekking tot deze groep
bij de totstandkoming van de AAW zijn aangevoerd nog steeds
valide. Met name betreft dit de overweging dat het personen betreft die
op een tijdstip arbeidsongeschikt zijn geworden dat zij nog geen
inkomensvormende arbeid kunnen verwerven, terwijl zij zich tegen dit risico
niet particulier kunnen verzekeren. Noch van betrokkenen zelf noch van
de ouders kan worden verlangd dat zij dit risico dragen. Voorts is van
belang dat in het kader van het pakket wetsvoorstellen tot versterking van de
marktwerking in de WAO voor deze doelgroep geen wijziging
in uitkeringspositie is beoogd. In het regeerakkoord voor de periode 1994-1998
(Kamerstukken II 1993-1994, 23 715, nr. 11) is vastgelegd dat voor
jonggehandicapten op de begroting een voorziening wordt
getroffen.
In het kader van de
kabinetsvoorstellen met betrekking tot de WAO/AAW worden
afzonderlijke arbeidsongeschiktheidsregelingen voor werknemers en zelfstandigen voorgesteld en komt de AAW als bodemvoorziening
te vervallen. Gelet op de
wenselijkheid van een wettelijke bescherming voor jonggehandicapten tegen het risico van langdurige
arbeidsongeschiktheid
ligt het voor de hand dat voor jonggehandicapten eveneens een
afzonderlijke regeling wordt getroffen die ten laste komt van de algemene middelen.
Anders dan werknemers en zelfstandigen hebben jonggehandicapten vóór het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid niet deel kunnen nemen
aan betaalde arbeid en via premieheffing kunnen bijdragen aan de
financiering van een wettelijke voorziening. Er is
derhalve behoefte aan een specifieke voorziening voor deze categorie, met een
eigen financieringskader.
Bij de uitwerking van de
kabinetsvoornemens is de vraag opgekomen of het niet gewenst zou zijn
om jonggehandicapten, waarvan de financiering zou dienen te geschieden
via de algemene middelen, onder te brengen in het stelsel van
minimumbehoeftevoorzieningen. Dit zou, afhankelijk van
de nadere vormgeving,
voordelen kunnen hebben vanuit oogpunt van eenvoud van wetgeving.
Van een uitwerking in deze zin is echter afgezien.
De huidige
minimumbehoeftevoorzieningen die door de gemeenten worden uitgevoerd
(Algemene bijstandwet (Abw), Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) en Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen (Ioaz)) worden weliswaar ook via de algemene middelen
gefinancierd, maar deze regelingen kennen, wat betreft de Abw een
toets op inkomen en vermogen van zowel de betrokkene als diens
eventuele partner, en, wat betreft de Ioaw en Ioaz, een toets op inkomen uit
of in verband met arbeid van betrokkene en diens eventuele partner.
De Ioaz kent naast een toets op inkomen uit of in verband met arbeid ook
een toets op inkomen uit vermogen, voor zover dit een bepaald niveau
(in 1995: ƒ202 000,-) overstijgt. Het onderbrengen van jonggehandicapten in
dit regime van minimumbehoefteregelingen zou in bepaalde gevallen
kunnen leiden tot een achteruitgang in sociaal beschermingsniveau,
hetgeen niet is beoogd.
rblz.|9|
Ook acht het kabinet het
niet wenselijk om te kiezen voor een regeling die qua karakter zou
aansluiten op de Algemene nabestaandenwet (Anw), waarbij een vermogenstoets achterwege zou blijven. Het kabinet heeft
ervoor gekozen om de
regeling voor jonggehandicapten zoals deze nu geldt in het kader van de AAW
middels de onderhavige wettelijke regeling voort te zetten.
In de lijn van het
streven om gedeeltelijk arbeidsgeschikten daar waar mogelijk aan het
arbeidsproces te laten deelnemen en uit oogpunt van samenhang, zou het niet
passen om voor jonggehandicapten wat betreft hun (gedeeltelijke) inkomensvoorziening een regeling te treffen die buiten
het kader valt van de (stimulerende) regelingen voor (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten.
Voor jonggehandicapten
wordt derhalve voorzien in een uitkeringsregeling op minimumniveau die kan
doorlopen tot het 65e jaar. Het recht op uitkering is gebaseerd
op individuele aanspraken en uit dien hoofde gunstiger dan de bijstand.
Tot de kring van
rechthebbenden van de onderhavige regeling behoren allereerst
jonggehandicapten die reeds bij het bereiken van de leeftijd van 17 jaar arbeidsongeschikt
zijn. Dit is de hoofdgroep van de regeling. Daarnaast wordt de kring
van rechthebbenden gevormd door studerenden zonder arbeidsverleden
die reeds de leeftijd van 17 jaar hebben bereikt, maar tijdens de studie arbeidsongeschikt zijn geworden. Zoals
reeds vermeld, is het
kabinet, mede door de adviezen van de SER
en de kritische beoordeling van
het wetsvoorstel tot nadere wijziging van de AAW
door de Tweede Kamer,
tot de conclusie gekomen dat het wenselijk en mogelijk is om
studerenden onder te brengen in de onderhavige regeling, zodat ook voor
hen een regeling bestaat die bescherming biedt tegen de gevolgen van
langdurige arbeidsongeschiktheid. Ook studerenden kunnen tot de categorie
van jonggehandicapten worden gerekend in die zin dat zij op een
tijdstip arbeidsongeschikt zijn geworden dat zij vanwege de
studieactiviteiten niet in staat zijn geweest via arbeid te voorzien in een voldoende
inkomen. Voorts zou bij uitsluiting van studerenden van enige
wettelijke regeling afbreuk kunnen worden gedaan aan het
overheidsbeleid dat erop is gericht om jongeren te laten deelnemen aan onderwijs,
zowel in het belang van henzelf als van de maatschappij.
Deze doelgroepuitbreiding
zou met betrekking tot andere groepen de vraag kunnen oproepen
waarom zij niet tot de groep van rechthebbenden worden gerekend. Gedacht
kan bijvoorbeeld worden aan de groep "schoolverlaters" die kort na hun zeventiende verjaardag of afstuderen
arbeidsongeschikt zijn geworden.
Op zich is deze vraag
legitiem. Het kabinet acht het evenwel ongewenst om de grenzen van de
doelgroepomschrijving ten opzichte van de huidige AAW en het eerder
ingediende wetsvoorstel 22 968 tot nadere wijziging van de AAW verder te
verruimen omdat het dan steeds moeilijker zal worden om tegenover
andere groepen (bijvoorbeeld bijstandsontvangers die evenzeer moeten
solliciteren of verzorgers zonder arbeidsverleden van jonge kinderen) te
motiveren waarom zij niet tot de groep van rechthebbenden worden gerekend. Achter
iedere grens die getrokken wordt staat een nieuwe doelgroep die
tot de regeling zou willen toetreden. Het kabinet is van oordeel
dat met het betrekken in de regeling van de groep studerenden een goed te
onderbouwen grens wordt getrokken en dat niet verder moet worden
gegaan.
In
deze wet wordt
aangesloten bij de omschrijving van het begrip studerende in de Wet
op de studiefinanciering (WSF). Het betreft studerenden van 18 tot 27 jaar die volledig dagonderwijs volgen met een
inkomensvoorziening op
grond van de WSF. Hiermee is de hoofdgroep rblz.|10|
van de categorie
studerenden aangeduid. Daarnaast zijn ook andere categorieën studerenden
geduid.
In de definitiebepaling
van het begrip "studerenden", artikel
5, tweede lid, zijn ook opgenomen
studerenden die na afloop van hun studiefinaciering door de onderwijsinstelling financieel worden ondersteund. Het
betreft de studerenden die worden genoemd in artikel 7.51, eerste lid, van
de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW).
Daarnaast zijn ook
studerenden van 17 jaar die studerend zijn in de zin van de Algemene
Kinderbijslagwet (AKW) en voor wie de ouders op grond van artikel
7,
tweede lid, onderdeel a, van de AKW aanspraak kunnen maken op
kinderbijslag, in de doelgroepomschrijving van
deze
wet opgenomen.
Ook de categorie
studerenden voor wie de ouders op grond van de in artikel
XII, onderdeel
a, van
de Wet van 21 december 1995 tot nadere wijziging van
een aantal socialeverzekeringswetten (technische verbeteringen in verband
met de wetten TAV, TBA en TZ, alsmede enige andere wijzigingen) (Stb. 1995,
691) getroffen overgangsregeling kinderbijslag ontvangen,
worden aangemerkt als studerenden in de zin van artikel
5, tweede lid, van dit voorstel van wet.
Dit is bepaald in één van de overgangs- en slotbepalingen van dit
voorstel van wet, in artikel 75 [76].
Voorts heeft de
Wet
tegemoetkoming studiekosten (WTS) (Stb. 1995, 676) kracht van wet
gekregen. Hoofdstuk III van die wet treedt in werking met ingang van 1 januari
1997. Het gevolg hiervan is dat één van de beoogde doelgroepen van
deze wet, studerenden in het voortgezet onderwijs niet zijnde middelbaar beroepsonderwijs, per 1 januari 1997
niet langer onder de WSF
zal vallen maar onder hoofstuk III van de WTS. In verband daarmee is
deze groep ook afzonderlijk geduid.
Ten slotte kunnen zo nodig
bij algemene maatregel van bestuur ook andere groepen
studerenden worden geduid.
Aangezien het hierbij om
een diversiteit van groepen gaat en het beleid ten aanzien van deze
groepen sterk in beweging is, bevat het voorliggende wetsvoorstel de
mogelijkheid om, naast de groepen zoals deze in de wet zijn genoemd, bij
algemene maatregel van bestuur ook andere groepen voor deze regeling in aanmerking te brengen.
Betrokkenen worden
overigens alleen als studerenden in aanmerking genomen wanneer zij in
het jaar voorafgaande aan de arbeidsongeschiktheid ten minste 6 maanden
studerend zijn geweest. Hiermee wordt aangesloten bij het
huidige regime in de AAW.
Naar het oordeel van het
kabinet is het niet gewenst om de verzorgers van naaste verwanten in
deze regeling onder te brengen. Anders dan jonggehandicapten hebben
verzorgers van naaste verwanten wel de keuzemogelijkheid gehad
om betaalde arbeid te verrichten. Naar het oordeel van het kabinet
dient de keuze om naaste verwanten te verzorgen en af te zien van het
verwerven van arbeidsinkomsten te worden gerespecteerd, maar
behoeft een dergelijke keuze niet te worden gehonoreerd met
aanspraken op een arbeidsongeschiktheidsregeling. Het kabinet deelt de
zienswijze van de SER dat het ten opzichte van andere categorieën, zoals met
name huisvrouwen met jonge kinderen, niet te rechtvaardigen zou zijn
hen in deze regeling op te nemen. Bij de behandeling van het wetsvoorstel tot
nadere wijziging van de AAW is de Tweede Kamer nader ingegaan op
het voornemen van het toenmalige kabinet om verzorgers van naaste
familieleden niet meer als een bijzondere groep in de AAW op te nemen (Kamerstukken II
1992-1993, 22 968, nr. 5).
rblz.|11|
Uit voornoemd voorlopig
verslag blijkt dat diverse fracties destijds begrip hadden voor de
argumentatie om verzorgers niet meer als uitzonderingsgroep aan te
merken.
Wel werd de vraag gesteld
of het kabinet inzicht heeft in de maatschappelijke en financiële gevolgen
indien door deze maatregelen de verzorgde intramuraal moet worden
opgenomen.
Dit zou niet in
overeenstemming zijn met het huidige overheidsbeleid.
Zoals dat ook in het ter zake uitgebrachte SER-advies (advies van 18 januari 1991, nr. 1) is
aangegeven, bestaat de groep van ongehuwd verzorgenden van naaste
familieleden naar schatting uit enkele tientallen personen. Naar verwachting zullen de maatschappelijke en
financiële
gevolgen van de maatregelen voor deze groep beperkt van omvang zijn. In dit verband is van
belang dat voor de groep ongehuwd verzorgenden een overgangsregeling is getroffen die inhoudt dat hun uitkering zal
worden voortgezet.
Daarnaast is het streven
van het kabinet erop gericht om binnen de daarvoor beschikbare financiële
kaders de in de maatschappij bestaande zorgbehoefte ook
extramuraal in te vullen. Over de voornemens van het kabinet met betrekking
tot de thuiszorg is de Tweede Kamer op 15 april en 6 mei jl. geïnformeerd
(Kamerstukken II 1995-191996, 23 235, nrs. 11 en 12). Daarnaast zijn de
ontwikkelingen met betrekking tot het zogenaamde persoonsgebonden budget
in deze ook van belang (Kamerstukken II 1994-1995, 23 904 nrs. 13
en 14).
Eén van de overwegingen
om verzorgers van verwanten niet meer als een afzonderlijke groep
in de AAW
te handhaven was het feit dat zij anders dan jonggehandicapten de keuzemogelijkheid hebben gehad om
arbeid te gaan verrichten.
Voorts is het kabinet met
de SER van mening dat uitgaande van het voortbestaan van de
uitzonderingspositie van verzorgers er juridische risico’s bestaan in die
zin dat er sprake zou kunnen zijn van discriminatie naar burgerlijke staat
(ongehuwd verzorgenden) en indirecte discriminatie naar geslacht (de
verzorgenden zijn veelal vrouwen).
Sommige fracties
betwijfelden, blijkens eerdergenoemd voorlopig verslag, of bij verzorgers van verwanten in alle gevallen sprake is geweest
van een vrije keuze.
Volgens deze leden zou het in veel gevallen gaan om mensen die weinig of geen
kansen hadden op de arbeidsmarkt.
Mocht dit al het geval
zijn dan vormt dit naar mening van het kabinet geen reden om deze groep
een uitzonderingspositie te geven ten opzichte van andere personen die
ook weinig of geen kansen op de arbeidsmarkt hebben.
Een aantal fracties
pleitten met het oog op het maatschapppelijk belang voor handhaving van de
verzorgers van hulpbehoevende naaste verwanten als afzonderlijke groep.
Hoewel zorg voor naasten
natuurlijk een maatschappelijk belang heeft, kan dit naar de mening
van het kabinet op zich geen grond vormen om voor verzorgers van
naaste verwanten in de regelgeving van de sociale zekerheid een
afzonderlijke regeling te creëren waarbij ervan uit wordt gegaan dat personen in
plaats van aan het arbeidsproces deel te nemen zich volledig richten op
de zorg van naaste familieleden. Het kabinetsbeleid is er immers op gericht
dat een ieder zich middels het volgen van een (beroeps)opleiding voorbereidt op toetreding tot de arbeidsmarkt
teneinde in zijn eigen levensonderhoud te kunnen voorzien.
Overigens wil dit niet
zeggen dat er bij het kabinet niet tevens aandacht bestaat voor de aspecten
van zorg. Hiervoor is reeds gewezen op de ontwikkelingen met
betrekking tot de thuiszorg en het persoonsgebonden budget. Voorts is in
dit
kader ook van belang de nota "Om de kwaliteit van arbeid en zorg; investeren in
verlof" die aan de Tweede Kamer is
toegezonden (Kamerstukken 1995-1996, 24 332, nrs. 1 en 2). In deze nota worden voorstellen gedaan
om de combineerbaarheid van betaalde rblz.|12|
arbeid met andere
verantwoordelijkheden, onder meer zorg, te verbeteren. In een brief van 26 april
1996 heeft het kabinet voorts aangekondigd over dit onderwerp advies te
zullen vragen bij de Stichting van de Arbeid en de Raad voor het
Overheidspersoneelsbeleid (Kamerstukken 1995-1996, 24 332, nr. 9) [zie
ook Wet arbeid en zorg, red.].
Met betrekking tot
verzorgers van jonge kinderen, voornamelijk nog vrouwen, is door diverse
fracties de invoering van een verzorgingsforfait naar analogie van de
Werkloosheidswet (WW) in overweging gegeven. Het kabinet acht het niet gewenst deze suggestie over te nemen.
In de eerste plaats kan
het verzorgingsforfait zoals dat wordt gehanteerd in het kader van de WW
niet analoog worden toegepast in de regelingen met betrekking tot
arbeidsongeschiktheid omdat deze regelingen geen referteperiode kennen.
Daarnaast is van belang
dat het kabinet het ongewenst acht om, zoals eerder benadrukt, de
grenzen van de doelgroepomschrijving verder te verruimen, omdat het dan
steeds moeilijker zal worden om tegenover andere groepen te motiveren waarom zij niet tot de groep van rechthebbenden
worden gerekend. In
paragraaf 2 is hierop uitvoerig ingegaan.
De onderhavige regeling
blijft beperkt tot jonggehandicapten en studerenden die
ingezetene zijn en op jeugdige leeftijd, dat wil zeggen voordat zij konden
deelnemen aan inkomensvormende arbeid, arbeidsongeschikt zijn geworden. Hiermee
wordt een toereikende afbakening bereikt ten opzichte van
personen die in andere omstandigheden verkeren en dan arbeidsongeschikt
worden, zoals verzorgers van naaste verwanten en personen die
aangewezen zijn op een bijstandsuitkering. Laatstgenoemden kunnen geen aanspraak aan
deze regeling ontlenen.
Evenals het geval is in
de huidige AAW, is in dit wetsvoorstel de mogelijkheid opgenomen
dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur uitbreiding dan
wel beperking kan worden gegeven aan het begrip "ingezetene".
Bezien zal worden in hoeverre het wenselijk is, mede gelet op de
handhavingsaspecten, om voor jeugdige personen die thans onder het Besluit
uitbreiding en beperking kring volksverzekeringen 1989 vallen, een regeling te
treffen.
4.2. Handhaving van recht
op en hoogte en duur van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
4.2.1. Algemeen
In
dit wetsvoorstel wordt
voor wat betreft het recht op en de hoogte van de uitkering aangesloten
bij de huidige AAW.
Recht op uitkering
bestaat indien de arbeidsongeschiktheid is ontstaan vóór het bereiken
van de leeftijd van 17 jaar of, ingeval het een studerende betreft, tijdens de
studieperiode. De uitkering wordt toegekend nadat een wachttijd van 52 weken is verstreken. Vereist is dat sprake is
van arbeidsongeschiktheid berekend naar een percentage van 25% of meer. In de
wachttijdperiode zal veelal aanspraak kunnen worden gemaakt op kinderbijslag
of, voor wat betreft studerenden zonder toereikende middelen, op
bijstand.
De hoogte van de
uitkering wordt bepaald door de mate van arbeidsongeschiktheid, uitgedrukt in het
arbeidsongeschiktheidspercentage, en de uitkeringsgrondslag. De
uitkeringsgrondslag wordt, evenals in de huidige AAW, vastgesteld op het
voor de leeftijd geldende minimumloon. Het arbeidsongeschiktheidspercentage
wordt bepaald door een loonkundige vergelijking tussen het
inkomen van een met betrokkene vergelijkbare gezonde persoon (de
maatman) en de resterende verdiencapaciteit bij arbeidsongeschiktheid.
Voor jonggehandicapten die voorheen geen rblz.|13|
arbeidsinkomen hebben
genoten, wordt het maatmaninkomen in het algemeen bepaald op het
minimumloonniveau. De resterende verdiencapaciteit wordt bepaald met
toepassing van het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium
dat met ingang van 1 augustus 1993 op grond van de Wet TBA voor
nieuwe gevallen geldt. Daarbij wordt uitgegaan van wat iemand,
gelet op zijn krachten en bekwaamheden, nog wél kan. Bij de
schatting van de arbeidsongeschiktheid worden functies geduid die iemand gezien
zijn krachten en bekwaamheden en los van opleiding of
werkervaring, nog kan vervullen. Bij de duiding van deze functies wordt de hoogste
loonwaarde in aanmerking genomen. Niet vereist is dat deze
functies ook daadwerkelijk voor betrokkene voorhanden zijn. Bij de beoordeling
van de mate van arbeidsongeschiktheid blijft in deze regeling de arbeid
die iemand in Wsw-verband kan verrichten, net als in de huidige AAW,
buiten beschouwing. Voor jonggehandicapten die veelal ernstige
lichamelijke of verstandelijke beperkingen kennen, zal toepassing van het nieuwe
arbeidsongeschiktheidscriterium in veel gevallen - evenals nu - resulteren in een
uitkering berekend naar een percentage van 80-100%.
Voor hen resulteert derhalve bij volledige arbeidsongeschiktheid een
uitkering van 70% van het bij de leeftijd behorende minimumloon.
In aansluiting bij de
AAW
bevat dit wetsvoorstel overeenkomstige bepalingen over onder
meer de toekenning, herziening, beëindiging en heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Deze bepalingen
omvatten mede recente wijzigingen van de AAW die ertoe strekken dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering
na een wachttijd van vier weken kan worden toegekend of
herzien. Dit is het geval wanneer de arbeidsongeschiktheid die is voortgekomen uit
dezelfde oorzaak als de aanvankelijk vastgestelde arbeidsongeschiktheid die al dan niet heeft geleid tot een
uitkering, binnen een termijn van vijf jaar is toegenomen. Deze bepalingen
zijn in overeenstemming met de desbetreffende wijzigingen van de AAW op grond van de Wet
Amber [Wet afschaffing malus en bevordering
reïntegratie, red.].
Erkend wordt dat de
praktische betekenis van de herzieningsbepalingen voor de groep
jonggehandicapten beperkt is, aangezien verreweg de meeste jonggehandicapten
thans een uitkering ontvangen naar een arbeidsongeschiktheid van
80-100%. Slechts een gering aantal ontvangt een uitkering berekend
naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%. Voor hen kunnen deze
bepalingen wel van betekenis zijn. Het zou jegens deze personen
onterecht zijn om deze bepalingen niet in dit wetsvoorstel op te nemen.
In
het wetsvoorstel zijn
ook bepalingen opgenomen die voorzien in een herbeoordeling van het
arbeidsongeschiktheidspercentage na het eerste arbeidsongeschiktheidsjaar
en vervolgens, omdat de uitkering voor drie jaar wordt toegekend, elke
drie jaar. Omdat het in verband met de oriëntatie op de arbeidsmarkt ook voor
deze groep belangrijk is dat deze herbeoordelingsmomenten
plaatsvinden, zijn deze in het onderhavige wetsvoorstel analoog aan
de AAW
opgenomen.
In artikel 11, derde lid,
van dit voorstel van wet wordt aan het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming
(Tica) de mogelijkheid geboden om onder
ministeriële
goedkeuring ten aanzien van bepaalde groepen arbeidsongeschikten te
bepalen dat er voor de eerste herbeoordeling geen termijn geldt dan
wel een termijn zal gelden die afwijkt van de termijn van één jaar.
Daarnaast is in artikel 27 [28], zevende lid, van
dit voorstel van wet bepaald dat het Tica onder
ministeriële goedkeuring ten aanzien van bepaalde groepen arbeidsongeschikten kan bepalen dat voor de herbeoordeling
met het oog op voortzetting van de uitkering geen tijdvak van drie jaar
- in
de huidige AAW geldt nog
een termijn van vijf jaar - dan wel een ander rblz.|14|
tijdvak zal gelden waarover de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt
toegekend.
Deze artikelen zouden
toepassing kunnen vinden met betrekking tot die jonggehandicapten en
studenten ten aanzien van wie een herbeoordeling nauwelijks zin heeft,
zoals degenen die langdurig in een verpleeginrichting zijn opgenomen.
Het recht op uitkering
wordt beëindigd met ingang van de eerste dag van de maand waarop de
jonggehandicapte de leeftijd van 65 jaar bereikt of wanneer de arbeidsongeschiktheid is
geëindigd of is afgenomen tot
een percentage beneden de
25%.
Indien de
jonggehandicapte die een uitkering ontvangt inkomsten uit arbeid verwerft en niet
vaststaat of betrokkene deze arbeid duurzaam kan blijven verrichten, wordt
de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet meteen aangepast, maar worden de
inkomsten geanticumuleerd op de uitkering. Alsdan blijft het reeds
vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage van toepassing. Binnen een termijn van uiterlijk drie jaar dient te worden
beoordeeld of betrokkene
het werk wel aankan. Indien de jonggehandicapte na het
verstrijken van deze periode deze arbeid nog steeds verricht, wordt
ervan uitgegaan dat het om algemeen geaccepteerde arbeid gaat. Deze termijn
van drie jaar geldt niet ten aanzien van deelname aan arbeid in Wsw-arbeid. De meeste jonggehandicapten die arbeid verrichten doen
dit in Wsw-verband. In de AAW
is bepaald dat de bespaarde
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen worden gestort in ’s Rijks kas. Hierop wordt in
dit
wetsvoorstel aangesloten, zij het met enige aanpassing. Zowel het
Tica als het Ctsv
wijzen erop dat het onverkort handhaven van de afdracht
van bespaarde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in verband met arbeid in
Wsw-verband aan ’s Rijks kas zou leiden tot een kostbaar rondpompen van gelden van en naar het Rijk. Beide
instanties zien hiervoor
niet langer aanleiding nu de Wajong niet uit premies wordt
gefinancierd, zoals de AAW, maar uit algemene middelen.
Het kabinet deelt de
visie van het Tica en het Ctsv dat het rondpompen van gelden voor zover
mogelijk moet worden voorkomen. Het kabinet acht dit ook mogelijk
door bij de maandelijkse toekenning van voorschotten reeds
rekening te houden met het geraamde bedrag aan besparingen vanwege
Wsw-arbeid. Bij het bedrag van besparingen vanwege
Wsw-arbeid worden
op grond van dit wetsvoorstel ook de over de bespaarde uitkeringen
verschuldigde socialewerkgeverslasten betrokken; voor een
toelichting moge worden verwezen naar paragraaf 3.10 [van de memorie
van toelichting bij, red.] van het
wetsvoorstel Pemba. Door de voorgestelde systematiek wordt de
voorschotbetaling, ter financiering van uitgaven uit hoofde van deze wet, beperkt tot een
gesaldeerd bedrag (verschuldigde minus bespaarde - vanwege Wsw-arbeid - bedragen). Dit is in het onderhavige wetsvoorstel tot uitdrukking gebracht. Uiteraard zullen beide geldstromen
wel afzonderlijk moeten
worden verantwoord in verband met de vigerende begrotingsvoorschriften. Voorts zal steeds verrekening van de
geraamde en de gerealiseerde bedragen moeten plaatsvinden. Eén en ander zal nader worden
uitgewerkt in nadere regels op grond van artikel 74 van de Osv.
Het Tica mist in de
memorie van toelichting een passage waarin wordt aangegeven waarom niet de
mogelijkheid van een schatting op Wsw-arbeid is overwogen.
In het wetsvoorstel is
bepaald dat Wsw-arbeid voor de vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid buiten beschouwing blijft. Hiermee wordt aangesloten bij de
huidige bepaling in de AAW. Uitgangspunt is dat in principe alleen wordt
gekeken naar functies in het vrije bedrijf of beroep. Indien Wsw-arbeid
wel bij de arbeidsongeschiktheidsschatting zou mogen worden betrokken, dan zou dit ertoe kunnen leiden dat de
rblz.|15|
jonggehandicapte die op basis van zijn krachten en bekwaamheden voor Wsw-arbeid in aanmerking
komt, vanwege de daaruit voortvloeiende verdiensten geen recht
meer zou hebben op een AAW-uitkering. Dit zou een inhoudelijke
wijziging betekenen ten opzichte van de huidige situatie welke niet is beoogd.
In aansluiting op zijn
pleidooi om Wsw-arbeid wel te laten meetellen bij de vaststelling van de
mate van arbeidsongeschiktheid op grond van deze
wet, stelt het Tica voor
om de bepaling dat de termijn van drie jaar niet van toepassing is op Wsw-arbeid te schrappen.
Tussen de desbetreffende
bepaling en het buiten beschouwing laten van Wsw-arbeid bij de
vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid bestaat een nauwe
samenhang. Aangezien het kabinet geen aanleiding ziet om ten aanzien van de arbeidsongeschiktheidsschatting
wijzigingen ten opzichte
van het huidige AAW-regime aan te brengen, ziet het kabinet evenmin
aanleiding om bedoelde bepaling te schrappen.
4.2.2. Samenloop van uitkeringsrechten
Het Tica en het
Ctsv
hebben een aantal opmerkingen gemaakt over de samenloop van uitkeringsrechten.
Het Tica wijst erop dat in een aantal artikelen van de
AAW
thans nog de samenloop wordt geregeld tussen het recht op een
AAW-uitkering en aanspraken op nabestaandenpensioen. Het Tica mist in de
Wajong een regeling bij een samenloop van eventuele aanspraken op
grond van de Wajong en aanspraken op grond van het wetsvoorstel
Algemene nabestaandenwet (Anw, Kamerstukken II 1994-1995, 24 169;
inmiddels Wet van 21 december 1995).
In de Wajong behoeft een dergelijke samenloopregeling
ook niet te worden opgenomen. Op grond van de huidige AAW gaat het
recht op nabestaandenpensioen op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet nog
voor. Met de invoering van de Anw is hierin
wijziging gebracht. Op grond van de Anw wordt rekening gehouden
met inkomen uit of in verband met arbeid. In het Inkomensbesluit Anw
wordt bepaald welk inkomen als inkomen uit of in verband met arbeid
wordt beschouwd. In dat Inkomensbesluit zal worden aangegeven dat
Wajong-uitkeringen als inkomen uit of in verband met arbeid worden aangemerkt.
Krachtens de Anw wordt derhalve voorzien in anticumulatie van uitkeringsrechten,
zodat een regeling in het kader van dit wetsvoorstel
niet nodig is.
Bij het aan het Tica en
Ctsv voorgelegde wetsvoorstel
werd door het Tica gewezen op mogelijke ongewenste gevolgen van de
voorgestelde samenloopregeling tussen de WAO en de
Wajong.
Voorts gaf het Tica aan dat het ter beperking van de
administratieve lasten aangewezen is dat bij samenloop tussen Wajong en
WAO slechts één bedrijfsvereniging bevoegd is.
Door het Ctsv werd opgemerkt dat de voorgestelde
regeling inzake samenloop met andere arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
niet (geheel) helder was. Met name wees het Ctsv op de samenloop
tussen uitkeringsrechten op grond van de WAZ en de Wajong. Het Ctsv gaf in
overweging ook de Wajong te betrekken bij de gewenste duidelijke en
bij voorkeur eenduidige wet- en regelgeving bij samenloop van
uitkeringsrechten.
Het kabinet is met het
Ctsv van mening dat een
duidelijke en bij voorkeur eenduidige wet- en regelgeving bij samenloop
van uitkeringsrechten gewenst is. Daarbij moet rekening worden gehouden met de
verschillende vormen van samenloop die zich in de
praktijk kunnen voordoen. Zo kan zich samenloop met een WAO-uitkering of
een WAZ-uitkering voordoen. Ook bij toe- en afname van
arbeidsongeschiktheid rblz.|16|
is een heldere regelgeving nodig.
Uitgangspunt is dat bij samenloop van uitkeringsrechten waarbij een Wajong-uitkering is betrokken, geen cumulatie van uitkeringsrechten moet
kunnen plaatsvinden. Daarom is als hoofdregel in het wetsvoorstel opgenomen
dat bij samenloop van recht op een Wajong-uitkering met een
recht op een WAZ- of WAO-uitkering laatstgenoemd recht voorgaat. De
Wajong-uitkering wordt dan alleen uitbetaald voor zover het het andere
uitkeringsrecht overtreft. Het uitkeringsrecht op grond van een
verzekering gaat dus voor; de Wajong vormt als het ware een vangnetvoorziening.
Overigens bevat dit wetsvoorstel de mogelijkheid om ten aanzien van
samenloopsituaties nadere dan wel afwijkende regels te stellen, onder
meer
ter voorkoming of beperking van samenloop van uitkeringsrechten dan wel
een afwijkende regeling in specifieke situaties (zie ook de artikelsgewijze toelichting
bij artikel 50). Naar het oordeel van het kabinet leent zich uitwerking van
dergelijke gedetailleerde samenloopsituaties het beste
via nadere regels.
4.3. Financiering ten laste van de algemene middelen
De uitkeringslasten uit hoofde van de
Wajong komen ten
laste van de algemene middelen. Dit houdt in dat de financiering van
het centrale fonds dat de middelen toedeelt aan de bedrijfsvereniging die met de uitvoering van deze wet wordt belast, plaatsvindt door
middel van een rijksbijdrage.
De uitkeringslasten kunnen worden gesplitst in
uitkeringslasten voor jonggehandicapten en uitkeringslasten voor studerenden
(zowel bestaande als nieuwe gevallen), alsmede de verzorgers
van naaste verwanten die bij inwerkingtreding van deze wet reeds
een AAW-uitkering ontvangen (bestaande gevallen).
Wat de groep verzorgers van naaste verwanten betreft,
gaat het overigens om een zeer beperkte groep.
Bij de financiële onderbouwing van het regeerakkoord
is destijds op de rijksbegroting een voorziening opgenomen; deze betrof
echter alleen de lasten voor jonggehandicapten en niet voor studerenden.
In de financiering van deze begrotingspost was voorzien door middel van een
verhoging van het tarief eerste schijf. Mede naar
aanleiding van het SER-advies is besloten de regeling uit te breiden met
studerenden. Dit betekent dat de uitgaven uit hoofde van deze groep
moeten worden toegevoegd aan de reeds bestaande gereserveerde middelen. Dit betreft
structureel ca. ƒ45 mln. Het gaat daarbij om een verschuiving van de AAW naar de Wajong. Voor een uitgebreid overzicht van
de financiële consequenties van intrekking van wetsvoorstel 22 968, waarin
was
opgenomen dat studerenden niet langer een beroep op de AAW konden doen, zij
verwezen naar de memorie van toelichting bij
het wetsvoorstel Invoeringswet.
Ten laste van de rijksbegroting komen de totale kosten
van de Wajong. Dit betreft niet alleen de bruto-uitkeringen, maar ook
de sociale lasten en de uitvoeringskosten.
Een uitgebreid overzicht van alle gevolgen is opgenomen
in het totaaloverzicht van de financiële consequenties als
gevolg van het pakket maatregelen AAW/WAO in de
Invoeringswet.
Ter financiering van de uitgaven uit hoofde van deze
voorziening wordt een apart Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten
gecreëerd dat afzonderlijk door het Tica wordt beheerd. Ten gunste van
dit fonds komen onder meer de hiervoor gereserveerde rijksmiddelen en de
door de bedrijfsvereniging op de uitkering ingehouden
vereveningsbijdrage. Ten laste van dit fonds komen onder meer de uitkeringen, de
voorzieningen en de uitvoeringskosten. Dit Arbeidsongeschiktheidsfonds
jonggehandicapten wordt, door wijziging van de Osv in het kader van het rblz.|17|
wetsvoorstel
Invoeringswet, onder het bereik van die wet
gebracht. Op grond van artikel 74 van de Osv [Organisatiewet
sociale verzekeringen, Stb.
1994, 790, red.] zullen nadere regels worden
gesteld over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de afdracht van
gelden aan dit fonds plaatsvindt.
De uitkering uit hoofde van
deze wet is een bruto gekoppelde uitkering aan het minimumloon. Over de uitkering zelf zijn premies
volksverzekeringen en inkomensbelasting verschuldigd, die worden geheven
conform de normale systematiek. Over de huidige AAW-uitkering
wordt een vereveningsbijdrage ingehouden ter hoogte van de premies werknemersverzekeringen. Deze vereveningsbijdrage komt ten goede aan het
AAf. Op
deze wijze is het bruto-nettotraject voor
niet-werknemers identiek aan dat van werknemers.
Om ook op nettoniveau gelijk uit te komen met
werknemers wordt voorgesteld om het bruto-nettotraject voor de
Wajong-uitkering gelijk te stellen aan dat voor werknemers door middel van
introductie van een vereveningsbijdrage ter hoogte van de premies voor de
werknemersverzekeringen. Deze vereveningsbijdrage komt vervolgens volledig ten
goede aan het Arbeidsongeschiktheidsfonds
jonggehandicapten. Ingeval betrokkene een uitkering op grond van de Wajong ontvangt
en uit dien hoofde verplicht verzekerd is voor het ziekenfonds, houdt
de bedrijfsvereniging tevens de verschuldigde premie ziekenfonds in en draagt
zij deze tezamen met het werkgeversdeel van de premie ziekenfonds
af aan de Centrale Kas van de Ziekenfondsraad.
Het Tica stelt in zijn commentaar voor eenzelfde
bevoorschottings- en afrekeningssystematiek toe te passen als thans al geldt
voor het Toeslagenfonds. Het fonds vraagt voor iedere maand een
voorschot aan. Het ministerie voorziet dan, indien akkoord met deze
voorschotsaanvraag, het fonds aan het begin van de desbetreffende maand van
de benodigde middelen.
Voor de financieringssystematiek van het Wajong-fonds
lijkt een soortgelijke regeling het meest voor de hand liggend.
Dit zal worden uitgewerkt in de eerdergenoemde regeling op grond van
artikel 74 van de Osv.
Naar aanleiding van de opmerking van het Tica dat
behoefte bestaat aan een nadere regeling van het geldverkeer tussen ministerie
en fonds wordt opgemerkt dat artikel 74 van de Osv daartoe reeds
de wettelijke basis biedt. Het ligt, zoals aangegeven, in de bedoeling
om op grond daarvan regels te stellen waarin de genoemde
systematiek nader wordt uitgewerkt.
Het Tica merkt daarnaast op dat in
het hem voorgelegde
wetsvoorstel als één van de kostenposten van het Wajong-fonds is
genoemd "middelen tot vorming van een reserve". Het Tica ziet hiertoe
geen aanleiding aangezien het Wajong-fonds wordt gefinancierd door middel
van een rijksbijdrage en er derhalve geen noodzaak tot de
vorming van een reserve aanwezig is. Immers, een reserve dient louter om
de discrepantie tussen het moment van ontvangsten en uitgaven van een
fonds te overbruggen. Bij een financieringssystematiek door
middel van een rijksbijdrage kunnen ontvangsten en uitgaven op elkaar
worden afgestemd.
De kanttekening van het Tica is terecht. De aanvankelijk
voorgestelde bepaling is geschrapt.
Hierdoor behoeft niet meer te worden ingegaan op de
opmerking van het Ctsv met betrekking tot het beheer van de reserve
van het Wajong-fonds.
rblz.|18|
Het Tica mist een bepaling op grond waarvan het Rijk
uitdrukkelijk aansprakelijk is voor de financiering van de Wajong.
In artikel 72 van de Osv is reeds een algemene bepaling
getroffen die ook voor de Wajong van belang is. Hierin is de
aansprakelijkheid van het Rijk voor de betaling van uitkeringen neergelegd.
Bepaald is dat het Rijk ten opzichte van de uitkeringsgerechtigde aansprakelijk
is voor de betaling van de uitkering indien de bedrijfsvereniging
met betrekking tot verplichtingen ten laste van een fonds niet meer tot
betaling in staat is. Aan een specifieke bepaling in de Wajong is, gegeven de
regeling in de Osv, derhalve geen behoefte.
4.4. Uitvoering door
één bedrijfsvereniging
Verschilpunten ten opzichte van de huidige AAW
zijn dat
de nieuwe regeling exclusief voor jonggehandicapten en studerenden
geldt en uit de algemene middelen wordt gefinancierd en niet langer uit
premies. Voor het overige geldt dat de regeling in hoofdzaak aansluit
bij de huidige AAW. Er geldt dus geen toets op inkomen (zowel het eigen
inkomen als dat van de partner) en vermogen, aspecten die in de door
gemeenten uitgevoerde minimumbehoefteregelingen
wél aan de
orde zijn. Gelet op de kenmerken van de voorliggende regeling en de
aansluiting van de regeling bij de huidige AAW, is er geen aanleiding om de
uitvoering van het voorliggende wetsvoorstel weg te halen bij de
bedrijfsvereniging. De bedrijfsvereniging beschikt immers over de benodigde
expertise en know-how met betrekking tot de claimbeoordeling en uitkeringsverstrekking,
terwijl de bedrijfsvereniging ook verantwoordelijk is voor de uitvoering van de aan deze regeling verwante
WAO en WAZ.
Mede in antwoord op een vraag van het Tica waarom de uitvoering
bij de bedrijfsvereniging is vastgelegd, ziet het kabinet,
gelet op deze redenen, hiervoor voldoende aanleiding.
In verreweg de meeste gevallen berust de
verantwoordelijkheid voor de uitvoering thans bij de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging
(NAB). Dit is het geval voor 80 000 uitkeringsgerechtigden. Ten
aanzien van ca. 15 000 gevallen vindt uitvoering nu nog plaats door de BV
Overheid, dit in verband met de arbeid in Wsw-verband.
Gezien de beschikbare know-how en expertise ligt het
met het oog op de efficiency in de rede om de verantwoordelijkheid voor
de uitvoering geheel in handen te leggen van de NAB.
De middelen worden via de begroting doorgesluisd naar
een centraal fonds dat de middelen op declaratiebasis toedeelt aan de
Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging.
Het (financiële en beleids)toezicht op een
doelmatige uitvoering wordt overeenkomstig de Osv uitgeoefend door het Ctsv.
In
dit wetsvoorstel is geabstraheerd van de door het
kabinet beoogde wijzigingen van de Osv die op hoofdlijnen zijn
vastgelegd in de brief van 30 mei 1995 van het kabinet over de toekomstige
uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen (Kamerstukken II 1994-1995, 24
215, nr. 1) [zie Osv 1997, red.]. In dit wetsvoorstel wordt niet vooruitgelopen op deze
wijzigingen.
5. Overige aspecten in verband met het recht op
uitkering
In deze paragraaf komt een aantal overige aspecten aan
bod. Het betreft:
- het geldend maken van het uitkeringsrecht en de
betaling;
- de overlijdensuitkering;
- verzekering ziekenfonds.
rblz.|19|
Het geldend maken van het
uitkeringsrecht en de betaling
Wat betreft de bepalingen met betrekking tot het geldend
maken van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt in
beginsel aangesloten bij de huidige AAW.
De belanghebbende dient zich binnen uiterlijk vijf
maanden na het bereiken van de leeftijd van 17 jaar dan wel, in geval
van een studerende, na het intreden van de arbeidsongeschiktheid te melden
bij de bedrijfsvereniging.
Een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering
dient uiterlijk binnen negen maanden na deze tijdstippen te zijn ingediend,
zodat de bedrijfsvereniging vóór het einde van de wachttijd
een juiste beslissing met betrekking tot toekenning van de uitkering kan
nemen. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend voor een
periode van drie jaar. Om uitvoeringstechnische redenen is deze
periode vooralsnog vastgesteld op vijf jaar. In het wetsvoorstel
Invoeringswet wordt dit nader
geregeld.
Naar de opvatting van het Tica leidt de voorgestelde
regeling ten aanzien van melding door betrokkene en toekenning door
de bedrijfsvereniging tot een onduidelijke en onnodig kostbare uitvoering.
Volgens het Tica is er geen heldere redengeving voor het feit waarom
met integratie in de vijfde maand moet worden begonnen en met de
claimbeoordeling eerst in de negende maand. Het Tica acht het aangewezen
om geen nieuwe termijn op te nemen maar qua termijnen aan te
sluiten bij andere wetten.
Het ontgaat het kabinet dat de voorgestelde regeling
onduidelijk en onnodig kostbaar zou zijn. De verplichting voor de
betrokkene om de arbeidsongeschiktheid binnen uiterlijk vijf maanden te
melden komt immers overeen met de huidige regeling (artikel 65 AAW).
Het is van belang dat betrokkene ruimschoots vóór het verstrijken
van het wachtjaar bekend is bij de bedrijfsvereniging, omdat een verhoogde
inspanning met het oog op revalidatie of reïntegratie wenselijk kan
zijn. Dezelfde termijn is voor zelfstandigen opgenomen in het wetsvoorstel
WAZ.
Ook de verplichting voor de bedrijfsvereniging om betrokkene
uiterlijk vier maanden vóór het verstrijken van het wachtjaar te
attenderen op de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen sluit aan bij
de huidige regeling in de AAW
(artikel 24, tweede lid, onderdeel a). Ook deze termijn is in de WAZ opgenomen.
Beide termijnen sluiten derhalve aan bij de huidige
regeling alsmede bij de voorgestelde termijnen in het kader van de WAZ, zodat
niet gesproken kan worden van nieuwe termijnen.
Ten aanzien van het voorstel dat de bedrijfsvereniging
- bij een niet-tijdige melding door betrokkene - de mogelijkheid
heeft om uiterlijk drie maanden te wachten alvorens betrokkene te
attenderen op het doen van een aanvraag, merkt het Tica op dat dit niet als een
adequate sanctie kan worden aangemerkt.
Bij dit voorstel staat, anders dan het Tica
veronderstelt, niet zozeer het sanctiekarakter voorop alswel het scheppen van
administratieve duidelijkheid in de situatie dat de betrokkene pas
geruime tijd later dan is voorgeschreven melding maakt van zijn
arbeidsongeschiktheid. In zo’n situatie moet duidelijk zijn binnen welke termijn de
bedrijfsvereniging betrokkene uiterlijk dient te attenderen op de
mogelijkheden tot het doen van een aanvraag. Daarvoor is een uiterste termijn van
drie maanden gegeven.
In verband met het geldend maken van het recht op
uitkering kan de bedrijfsvereniging betrokkene oproepen of door
deskundigen laten onderzoeken. Ook kunnen voorschriften worden gegeven in
het belang rblz.|20|
van behandeling en genezing. Voorts kan de
bedrijfsvereniging controlevoorschriften opstellen.
Evenals in de AAW
is in deze wet een algemene
inlichtingenbepaling opgenomen. Op grond van deze bepaling is de
jonggehandicapte alsmede de student verplicht aan de bedrijfsvereniging op
verzoek [of, red.] uit eigen beweging mededeling te doen van al datgene dat van
invloed is op het recht op of de hoogte van de uitkering. Naast deze
algemene inlichtingenbepaling is in artikel 91 van de Osv een algemene verplichting
opgenomen om aan de bedrijfsvereniging inlichtingen en
gegevens te verstrekken. Deze bepaling gaat ook voor
jonggehandicapten en studenten gelden.
Overigens zullen verplichtingen veelal niet door de
jonggehandicapte dan wel de student in persoon zelf kunnen worden
nagekomen. Op grond van de algemene regeling die in het Burgerlijk
Wetboek is getroffen is het mogelijk dat betrokkene als handelingsonbekwaam wordt
aangemerkt en dat ter behartiging van de belangen van betrokkene een
wettelijk vertegenwoordiger wordt aangewezen. Het spreekt voor
zich dat deze alsdan de belangen en verplichtingen van de betrokkene
verzorgt.
Niet-nakoming van de aan de uitkering verbonden
verplichtingen kan ertoe leiden dat de bedrijfsvereniging de uitkering
tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk weigert. In dit wetsvoorstel
wordt, evenals bij het wetsvoorstel WAZ, aangesloten bij de bepalingen in de
AAW, zoals opgenomen in de Wet boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid (Stb. 1996, 248) [zie ook Boetebesluit
socialezekerheidswetten, red.]. Dit betekent dat ook
in dit wetsvoorstel de verplichting voor de bedrijfsvereniging om in
bepaalde nader omschreven situaties een maatregel of een boete op te
leggen wordt ingevoerd. Een maatregel wordt opgelegd bij overtreding
van bepalingen die gericht zijn op beperking van de instroom en op bevordering van de
uitstroom. De boete is aan de orde in de gevallen waarin
de belanghebbende zijn rechtsplicht tot het verstrekken van alle
inlichtingen die van belang kunnen zijn voor het recht op uitkering of de
hoogte daarvan niet of niet behoorlijk is nagekomen. Voor de overwegingen
die ten grondslag hebben gelegen aan genoemde wet en de verdere uitwerking
daarvan moge worden verwezen naar die wet.
Zoals eerder aangegeven, zal het praktisch effect van
deze bepalingen in verband met de kring van rechthebbenden van het
onderhavige wetsvoorstel beperkt zijn. In een beperkt aantal
gevallen zullen deze bepalingen naar het oordeel van het kabinet niettemin
noodzakelijk zijn.
Over de uitkering bestaat aanspraak op een
vakantie-uitkering. Deze bedraagt 8% van het uitkeringsbedrag. De
vakantie-uitkering wordt in het algemeen in de maand mei uitbetaald over de voorafgaande
twaalf maanden waarop recht op uitkering bestond. De
vakantie-uitkering wordt eerder uitbetaald indien de uitkering eerder wordt
beëindigd.
De uitkering wordt verder als regel in maandtermijnen
uitbetaald. De bedrijfsvereniging is bevoegd om de uitkering bij wege
van voorschot uit te betalen indien de hoogte van de uitkering nog niet
vaststaat. Deze kan dan verrekend worden met de definitief vastgestelde
uitkering.
Een verstrekking op grond van de wet kan van de
jonggehandicapte en student worden teruggevorderd wanneer duidelijk is dat
deze onverschuldigd is betaald.
Het Tica maakt een opmerking over de voorgestelde
regeling met betrekking tot de betaling aan instellingen. Deze
regeling sluit aan bij het desbetreffende onderdeel van de Veegwet (technische
verbeteringen in verband met de wetten TAV, TBA en TZ, alsmede enige
andere wijzigingen, Stb. 1995, 691). Volgens het Tica biedt de regeling geen
duidelijkheid rblz.|21|
ten aanzien van de inrichtingen die onder deze
bepaling vallen en wie bij een verschil van mening een bindende uitspraak
kan doen.
Naar de opvatting van het kabinet is de voorgestelde
regeling voldoende duidelijk. De term "inrichting ter verpleging
van geesteszieken of van zwakzinnigen" is dermate specifiek bepaald dat
mag worden verwacht dat dit doorgaans voldoende duidelijkheid
schept. Bovendien is de bedrijfsvereniging bevoegd en niet verplicht om een
verzoek van een dergelijke inrichting om tot uitbetaling over te gaan in
te willigen. Indien de bedrijfsvereniging twijfels heeft over de status van
de instelling, mag worden aangenomen dat zij zich terdege informeert.
Verder stelt het Tica de vraag waarom in dit wetsvoorstel
niet de mogelijkheid is opgenomen dat de particuliere persoon
die de zorg van betrokkene op zich heeft genomen, in de gelegenheid
wordt gesteld (een deel van) de uitkering te ontvangen.
Zoals in paragraaf 2.3 van de memorie van toelichting
bij de Veegwet (technische verbeteringen in verband met de wetten TAV,
TBA en TZ, alsmede enige andere wijzigingen, Stb. 1995, 691) is
toegelicht, is een specifieke regeling niet nodig voor degenen die niet in
een inrichting ter verpleging van geesteszieken of van zwakzinnigen zijn
opgenomen en niet in staat zijn hun belangen behoorlijk waar te nemen. In
dergelijke situaties kan worden aangesloten bij de algemene regeling van
handelingsonbekwaamheid. Indien een curator of provisioneel bewindvoerder is
benoemd, kan de uitkering aan die curator of
bewindvoerder worden betaald.
Naar aanleiding van het daartoe strekkende pleidooi van
het Tica zijn de desbetreffende bepalingen in de WAZ
en dit wetsvoorstel
op uniforme wijze geregeld.
De overlijdensuitkering
Met betrekking tot de overlijdensuitkering wordt in
dit wetsvoorstel, voor zover van belang, aangesloten bij de
Wet tot
wijziging van de AOW en enige andere socialezekerheidswetten (Stb. 1995, 696).
Het betreft met name de volgende voorstellen:
- verkorting van de overlijdensuitkering tot één maand;
- het niet opnemen van de slotuitkering.
Voor een meer uitgebreide toelichting op de motieven en
doelstellingen van deze wijzigingen moge worden verwezen naar die wet.
Verzekering voor het
ziekenfonds
Thans zijn
AAW-gerechtigden met een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van
ten minste
45%, verplicht verzekerd op grond van de Ziekenfondswet. Dit is met
name van belang voor zelfstandigen en jonggehandicapten. Aan de
Ziekenfondsraad is advies gevraagd over de gevolgen van de
kabinetsvoorstellen inzake de Ziektewet, WAO
en AAW en in het bijzonder over de vraag
of het maatschappelijk wenselijk moet worden geacht dat
jonggehandicapten en studerenden op grond van deze wet en zelfstandigen op
grond van de WAZ onder de verplichte verzekering van de
Ziekenfondswet worden gebracht. Zoals in paragraaf 3 reeds aangegeven, heeft de
Ziekenfondsraad hiertoe positief geadviseerd. Eén en ander wordt nader geregeld in het wetsvoorstel
Invoeringswet.
6. Enkele bijzondere aspecten
6.1. Mogelijkheden tot arbeidsdeelname voor
jonggehandicapten
Gelet op de aard van de beperkingen van
jonggehandicapten zijn de mogelijkheden tot reïntegratie in veel gevallen
beperkt. Dit komt ook rblz.|22|
naar voren uit het recente onderzoek "Behoefte aan
beroepsopleidingen voor vroeggehandicapten en arbeidsongeschikten" uit januari
1995 dat in opdracht van het ministerie van SZW is verricht en in
maart 1995 naar de Tweede Kamer is gezonden.
In het rapport wordt vastgesteld dat de uitgangspositie
voor toetreding tot de arbeidsmarkt slecht lijkt. Zeker waar het de
gezondheidstoestand betreft, hebben jonggehandicapten relatief veel
beperkingen die het verwerven van een baan belemmeren. In het algemeen
hebben jonggehandicapten een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering. Jonggehandicapten zijn in het algemeen
voorts laaggeschoold.
De beperkte mogelijkheden voor jonggehandicapten worden
geïllustreerd aan de hand van de volgende gegevens uit het onderzoek.
Door de onderzoekers is nagegaan hoe groot de groep
gehandicapten tussen de 16 en 46 jaar is die niet werkt en geen
beroepsopleiding volgt. Wat de categorie jonggehandicapten betreft, gaat het hierbij om
43 000 personen, van wie 27 000 personen niet werken en geen
beroepsopleiding volgen. Hiervan hebben de onderzoekers vastgesteld dat
6000
personen gezien de gezondheidssituatie kunnen werken en een
beroepsopleiding kunnen volgen. 5000 jonggehandicapten willen ook een
beroepsopleiding volgen; 2800 personen willen naar aangepast onderwijs.
Wat betreft de mogelijkheden om de
reïntegratiekansen
van betrokkenen te bevorderen wordt in dit wetsvoorstel, voor zover van
toepassing, aangesloten bij het huidige instrumentarium. Dit
instrumentarium omvat onder meer de voorzieningen die thans op grond van de
AAW
kunnen worden verstrekt. Deze voorzieningen zijn nader te
onderscheiden in voorzieningen tot behoud, herstel of bevordering van de
arbeidsgeschiktheid (zgn. "werkvoorzieningen") en een beperkt aantal
voorzieningen strekkend tot verbetering van de levensomstandigheden (zgn. "leefvoorzieningen"). Als werkvoorzieningen worden ook
beschouwd voorzieningen ten behoeve van het volgen van regulier onderwijs, zoals
speciale leermiddelen en vervoer van en naar school,
welke voor jonggehandicapten en studenten bij uitstek van belang
kunnen zijn.
Wat betreft onderwijs aan scholen voor speciaal
onderwijs, scholen van voortgezet speciaal onderwijs dan wel scholen voor
speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, heeft de AAW geen taak ten aanzien
van voorzieningen in de school en het vervoer naar en van
school. Verstrekking van voorzieningen voor deze vormen van
onderwijs valt onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van
OCW. Voor de vergoeding van het vervoer naar en van school kan een
beroep worden gedaan op de gemeente waarin de betrokken leerling woonachtig is.
Voorts is het mogelijk dat de bedrijfsvereniging met het
oog op de (re)integratie van de jonggehandicapte in het
arbeidsproces scholingskosten vergoedt, welke onder meer kunnen bestaan uit
(aangepaste) leermiddelen, reiskosten en lesgeld.
Deze voorzieningen kunnen op grond van de AAW ook
vóór het bereiken van de leeftijd van 17 jaar worden verstrekt.
Het is gewenst de mogelijkheid tot het verstrekken van
dergelijke onderwijs- en scholingsvoorzieningen in het kader van dit
wetsvoorstel te handhaven. Wanneer de jonggehandicapte dan wel
studerende overigens een dienstverband met een werkgever aangaat en voor het
verrichten van die arbeid nadere voorzieningen noodzakelijk zijn,
bijvoorbeeld in de vorm van begeleiding op de werkplek, worden deze niet
verstrekt uit hoofde van het voorliggende wetsvoorstel, maar op grond van de
WAO.
Wat de bevordering van de arbeidsmarktkansen van
jonggehandicapten en studerenden betreft, zijn uiteraard ook de generieke
arbeidsmarktinstrumenten van belang.
Juist omdat deze personen voor een aanzienlijk deel
zodanige beperkingen en gezondheidsproblemen hebben dat de kans op een
reguliere rblz.|23|
baan gering is, is het van groot belang dat de
mogelijkheid bestaat tot werk onder aangepaste omstandigheden voor diegenen die
tot arbeid in staat zijn. Deze mogelijkheid wordt geboden door de Wet
sociale werkvoorziening (Wsw).
Hierbij is de aanwezigheid van een aangeboren dan wel op
jonge leeftijd opgelopen handicap niet zonder meer voldoende.
Indien de beperkingen van dien aard zijn dat deze het
werken op een reguliere arbeidsplaats als zodanig niet in de weg
staan, kunnen de reïntegratie-instrumenten van de bedrijfsverenigingen
om de arbeidsinpassing te bevorderen dienstig zijn. De arbeidsmogelijkheden
van betrokkene kunnen ook zo gering zijn dat betrokkene
niet in staat is om arbeid in Wsw-verband te verrichten. In dat geval zijn
andere dagactiviteiten in een dagverblijf voor gehandicapten of
een activiteitencentrum voor lichamelijk gehandicapten meer aangewezen.
De sociale werkvoorziening kan voor jonggehandicapten en
studerenden gezien worden als een reële mogelijkheid tot
arbeidsdeelname. Dit blijkt ook uit het feit dat ca. 21 000 jonggehandicapten
deelnemen aan arbeid in Wsw-verband. Daarmee maakt deze categorie
thans circa een kwart van de totale Wsw-populatie uit.
Het verrichten van arbeid in Wsw-verband biedt
betrokkene de mogelijkheid om in arbeidsomstandigheden die zijn
aangepast aan zijn of haar mogelijkheden en beperkingen, deel te nemen aan
betaalde arbeid en daardoor een inkomen te verwerven. In een aantal
gevallen is het denkbaar dat betrokkene vanuit de Wsw doorstroomt naar
een reguliere werkkring buiten de sociale werkvoorziening. Voor diegenen die na een bedrijfsopleiding en werkervaring binnen de sociale
werkvoorziening alsnog in staat zijn door te stromen naar een gewone
werkkring buiten de sociale werkvoorziening, is de (re)integratiefunctie
volledig. Voor anderen die niet in staat zijn om door te stromen, zal de
deelname aan Wsw-arbeid een beperkte (re)integratiebetekenis
hebben.
Daarnaast valt te wijzen op de mogelijkheden van de
Jeugdwerkgarantiewet (JWG) [zie Wiw, red.]. De JWG is het sluitstuk van het activerend arbeidsmarktbeleid voor
jongeren. Per 1 januari 1994
vallen de volgende categorieën onder de werking van de wet: werkloze
jongeren tot 21 jaar en werkloze schoolverlaters tot 23 jaar. Deze jongeren
moeten ten minste een halfjaar werkloos zijn.
Ook jonggehandicapten kunnen aan de JWG deelnemen.
Indien zij voor minder dan 80% arbeidsongeschikt zijn, is de wet zonder
meer van toepassing; bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van
80 of meer kan een jongere ook in aanmerking komen voor een
JWG-garantieplaats indien de bedrijfsvereniging daarover positief adviseert
en een passende garantieplaats beschikbaar is. In het kader van de
stroomlijning van gesubsidieerde arbeid wordt overwogen om voor jongeren
die geïndiceerd zijn voor de Wsw ook de zogenoemde sluitende aanpak door
middel van een directe plaatsing in de Wsw toe te passen.
Ten slotte is van belang dat ook jonggehandicapten deel
uitmaken van de bemiddelingspopulatie van de bedrijfsvereniging. Dit
vloeit voort uit artikel 16 van de Wet arbeid gehandicapte werknemers (Wagw). Zoals in het kader van de
Wet Amber is aangekondigd, is in een
ministeriële regeling op grond van de Wagw nader omschreven welke
categorieën onder welke voorwaarden tot de bemiddelingspopulatie van
de bedrijfsvereniging worden gerekend. Hierin zijn ook jonggehandicapten en
studerenden met een arbeidsongeschiktheidsuitkering opgenomen. Voorts worden ook
jonggehandicapten en studerenden
zonder arbeidsongeschiktheidsuitkering maar met een
arbeidshandicap tot de bemiddelingspopulatie gerekend.
rblz.|24|
In zijn commentaar op
dit wetsvoorstel maakt het Tica
een aantal opmerkingen over de wijze waarop de
voorzieningenverstrekking is geregeld.
Het Tica merkt op dat de jonggehandicapte alsmede de
student voor zijn voorzieningen bij drie verschillende regelingen terecht
kan. Het Tica vraagt aandacht voor de uitvoeringstechnische
consequenties hiervan en wijst erop dat de kans op lacunes bij de uitvoering in
de praktijk zal toenemen.
Het kabinet onderkent dat de voorgenomen intrekking van
de AAW
noodzaakt tot een herverkaveling van de artikelen met
betrekking tot het verstrekken van voorzieningen over verschillende
regelingen. Hierop is in algemene zin uitgebreid ingegaan in paragraaf
2.2 van
de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Invoeringswet. Voor de
jonggehandicapte zijn de gevolgen van de herverkaveling van de
voorzieningen naar inschatting van het kabinet in de praktijk beperkt.
Immers, indien de jonggehandicapte nog geen (uitzicht op) werk heeft en
scholings- en onderwijsvoorzieningen aan de orde zijn, is duidelijk
dat deze alleen kunnen worden verstrekt op grond van deze wet. Indien
betrokkene in verband met de aanvaarding van arbeid in loondienst een werk- of
scholingsvoorziening nodig heeft, zal deze verstrekt
kunnen worden op grond van de WAO. Verstrekking van een
scholings- of onderwijsvoorziening
op grond van de Wagw is voor deze categorie niet aan de orde. Het voorstel om in de
Wagw een mogelijkheid te creëren om een dergelijke voorziening toe te kennen (opgenomen in de
Invoeringswet) biedt alleen een vangnetregeling voor degenen die niet
onder de WAO, WAZ of Wajong vallen en is in dit verband dus niet
relevant.
Voor de goede orde zij erop gewezen dat bij algemene
maatregel van bestuur, voor zover nodig, nader duidelijkheid kan
worden geboden over de vraag welke regeling voor betrokkene van toepassing
is.
Het Tica mist
ten slotte bij de voorgestelde
loondervingsvergoeding en een vergoeding voor de kosten van onderhoud en
huisvesting een bepaling die inhoudt dat de vergoeding en de toelage
niet vatbaar zijn voor beslag.
Een dergelijke bepaling is opgenomen in het
wetsvoorstel, zij het op een andere plaats. Omwille van de overzichtelijkheid
zijn alle elementen uit het wetsvoorstel die niet vatbaar zijn voor beslag
in één bepaling ondergebracht (artikel 58 [59]).
Zoals in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel
Pemba reeds is aangekondigd, zal het totaal aan reïntegratiebevorderende maatregelen overigens worden gebundeld in een Wet op de
Reïntegratie [zie Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, red.].
6.2. Recht van regres op degene die de
arbeidsongeschiktheid heeft veroorzaakt
In
dit voorstel van wet is, evenals dit het geval is in
de Algemene nabestaandenwet en het wetsvoorstel WAZ, het recht van
regres opgenomen op degene die de arbeidsongeschiktheid heeft
veroorzaakt.
In het kader van het onderhavige wetgevingstraject
verliest de AAW
als volksverzekering tegen het risico van
arbeidsongeschiktheid zijn betekenis. Het kabinet ziet geen principiële reden om
af te zien van invoering van het recht van regres in dit wetsvoorstel,
zoals dit reeds bestaat in de WAO en wordt voorgesteld in het kader van
het wetsvoorstel WAZ.
Waar in de regelingen voor werknemers en zelfstandigen
wel de mogelijkheid van regres is opgenomen, is het niet
verdedigbaar dat dit recht in de voorliggende regeling zou ontbreken. Wel
onderkent het kabinet dat feitelijke toepassing van het regresrecht in
het kader van deze regeling een beperkte praktische betekenis zal hebben
vanwege de omstandigheid dat de arbeidsongeschiktheid in de meeste
gevallen op rblz.|25|
zeer jeugdige leeftijd, bijvoorbeeld bij de geboorte, is
ontstaan, terwijl het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eerst op de
leeftijd van 18 jaar kan ingaan. In dergelijke gevallen ligt toepassing van
het regresrecht vanwege de aard van het ontstaan van de handicap en het
grote tijdsverloop niet in de rede. Anderzijds moet het niet uitgesloten
worden geacht dat de arbeidsongeschiktheid op latere leeftijd,
maar vóór de leeftijd van 17 jaar, is ontstaan door toedoen van verwijtbaar handelen van
een derde die hiervoor gehouden is tot schadevergoeding.
Te denken valt aan verkeersongevallen waarbij een derde aansprakelijk
is. Met het oog op dergelijke situaties moet de bedrijfsvereniging naar
het oordeel van het kabinet kunnen beschikken over het recht om in voorkomende
gevallen de kosten van de uitkering te verhalen op
degene die door zijn onrechtmatig handelen er de oorzaak van is dat een
persoon beroep moet doen op een uitkering.
Het regresrecht wordt in dit wetsvoorstel
geregeld door
in hoofdstuk 4 van deze wet bepalingen op te
nemen die de relatie met
het burgerlijk recht regelen en waarin aan de bedrijfsvereniging een
regresrecht wordt toegekend. Inhoudelijk is de regeling gelijk aan die in
de WAO en de daarop gebaseerde jurisprudentie, en de voorgestelde
regeling in het kader van de WAZ: de rechter moet bij het vaststellen
van de schadevergoeding rekening houden met de aanspraken die de gedupeerde
krachtens deze wet heeft. Vervolgens kan de bedrijfsvereniging de door haar gemaakte kosten op de schadeplichtige
verhalen.
Omdat het regresrecht in het verlengde ligt van de schadevergoedingsvordering van
het slachtoffer, is dit verhaal aan een maximum gebonden.
De bedrijfsvereniging kan niet méér verhalen dan het bedrag dat
betrokkene zou kunnen vorderen als de betreffende sociale verzekering niet zou
hebben bestaan. Dit maximum wordt het civiel plafond genoemd. Hierbij
wordt uitgegaan van een nettoschadevergoeding, derhalve zonder heffing
van belastingen en premies.
In aansluiting bij de Algemene nabestaandenwet en het
wetsvoorstel WAZ is in dit wetsvoorstel een aanknopingspunt voor
collectivering opgenomen. Daartoe kan de bedrijfsvereniging met
verzekeraars overeenkomen dat een jaarlijkse afkoopsom wordt betaald
op basis van een inschatting van de schadelast.
Met de invoering van een regresrecht in deze wet is een
besparing van naar schatting ƒ5 mln gemoeid.
Wat de voorgestelde regeling met betrekking tot het
regres betreft, verwijst het Tica naar zijn kanttekeningen bij het
wetsvoorstel WAZ. Voor de reactie op het Tica-commentaar ter zake moge ook het
kabinet naar de toelichting bij dat wetsvoorstel verwijzen
(paragraaf 5.2).
6.3. Rechtsbescherming
Met betrekking tot de rechtsbescherming is aangesloten
bij de hiervoor geldende bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht
(Awb). Dit houdt in dat bij een geschil eerst een verplichte
bezwaarschriftprocedure moet worden gevolgd alvorens beroep kan worden ingesteld bij
de sector bestuursrecht van de rechtbanken. In de
AAW
geldt thans
maar voor een beperkt aantal geschillen een verplichte
bezwaarschriftprocedure. Op grond van het bepaalde in artikel IV, deel 6
Overgangs- en slotbepalingen van de [lees: artikel IV van
deel 6 (Overgangs-
en slotbepalingen), van de, red.] Wet voltooiing eerste fase herziening
rechterlijke organisatie zou deze beperking op 1 januari 1997 komen te vervallen.
Aangezien deze datum samenvalt met de beoogde inwerkingstredingsdatum
van het wetsvoorstel, is het niet noodzakelijk in dit wetsvoorstel van de Awb
afwijkende regels met betrekking tot de verplichte bezwaarschriftprocedure
op te nemen.
rblz.|26|
6.4. Informatievoorziening
In het voorafgaande is aangegeven welke organen
betrokken zijn bij de uitvoering van deze wet. Om hun taken en bevoegdheden
adequaat te kunnen uitoefenen hebben zij informatie nodig. In
hoofdzaak kan worden aangesloten bij de huidige situatie.
De informatievoorziening valt uiteen in twee
categorieën:
a. informatieverplichtingen voor jonggehandicapten en
studerenden;
b. beleids- en toezichtsinformatie.
a. Informatieverplichtingen voor jonggehandicapten en
studerenden
Wat betreft de vaststelling van recht en hoogte van die
uitkering dient belanghebbende alle relevante informatie aan de
bedrijfsvereniging te verstrekken. Vastgesteld moet onder meer worden of
betrokkene voor deze wet in aanmerking komt, of sprake is van
arbeidsongeschiktheid, of de wachttijd van 52 weken is verstreken, e.d. Hiervoor
zijn verschillende gegevens noodzakelijk. Op de belanghebbende rust de
plicht om aan de bedrijfsvereniging alle gegevens en inlichtingen te
verschaffen die nodig zijn voor een correcte vaststelling van het recht op en
de hoogte van een (eventuele) uitkering. Deze verplichting is in algemene
zin geformuleerd in artikel 91 van de Osv. Daarnaast zijn in het onderhavige
wetsvoorstel algemene en specifieke inlichtingen- en medewerkingsverplichtingen
opgenomen.
b. Beleids- en toezichtsinformatie
Van belang zijn voorts de noodzakelijke
informatiestromen vanuit de NAB in de richting van het Tica, de toezichthouder en de
centrale overheid. Ook hierbij geldt dat in principe de bestaande
regelingen worden overgenomen. De uitvoeringsorganisatie is
verplicht om de benodigde informatie te leveren.
Het Tica is verantwoordelijk voor het beheer en de
administratie van het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten. Om deze
taken adequaat te kunnen uitvoeren zal het Tica informatie
moeten verkrijgen van de NAB. De informatie die het Tica van de
bedrijfsvereniging nodig heeft, betreft voornamelijk het aantal verstrekte
uitkeringen, de uitkeringslasten en de uitvoeringskosten.
Het Ctsv is belast met het toezicht op de uitvoering van
deze wet. In verband hiermee heeft het Ctsv volume- en
financiële
gegevens nodig over de uitkeringsverstrekking en de lasten van de
regeling. Daarnaast zal de NAB informatie dienen te verstrekken over de wijze
waarop de wet wordt uitgevoerd. Het Ctsv houdt ook toezicht op de
doelmatigheid van de uitvoering. Hiervoor heeft het College informatie nodig
met betrekking tot de uitvoeringskosten van de regeling.
De centrale overheid heeft informatie nodig over de
kosten van de regeling en om haar beleid te kunnen ontwikkelen en
evalueren. De statistische beleidsinformatie zal primair worden
verkregen bij het Ctsv, dat een informatietaak heeft op het terrein van de
sociale verzekeringen. De informatiebehoeften van de overheid betreffen in
principe alle aspecten van de wet.
In het kader van het wetsvoorstel post-nOsv
[zie Osv 1997, red.] zal worden
voorgesteld om de informatietaak van het Ctsv over te hevelen naar de
rechtsopvolger van het Tica [zie Lisv en
vervolgens UWV, red.].
Deze wordt dan verantwoordelijk voor het verzamelen en
beschikbaar stellen van beleidsinformatie over de uitvoering van
(onder andere) de Wajong. De consequenties van deze verandering zullen in
het invoeringstraject van het wetsvoorstel post-nOsv worden meegenomen.
rblz.|27|
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel
2. Begrip arbeidsongeschiktheid
Wat de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid
betreft, is in het algemeen gedeelte van deze toelichting reeds
aangegeven dat het de bedoeling is om geen wijziging aan te brengen op dit
punt. Daarom is het arbeidsongeschiktheidscriterium, zoals dat reeds in de
AAW
gold ten aanzien van jonggehandicapten, qua strekking niet
aangepast.
Het arbeidsongeschiktheidsbegrip is één van de centrale
begrippen uit dit wetsvoorstel. Aan de hand van de vraag of, en zo ja,
in welke mate de jonggehandicapte als arbeidsongeschikt is aan te merken,
wordt bepaald welk recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat en
hoe hoog de aanspraken van de jonggehandicapte zijn. In het
arbeidsongeschiktheidscriterium, zoals dat onder andere in artikel 5 van de
AAW
is
neergelegd, wordt arbeidsongeschiktheid, geheel of gedeeltelijk,
geformuleerd als het "als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen
gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat zijn om
met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke
opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het
laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk
verdienen" (artikel 5, eerste lid). Deze zinsnede is opgenomen bij gelegenheid
van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen
(Wet TBA). In
het achtste lid van artikel 5 worden zwangerschap en
bevalling met ziekte gelijkgesteld.
In verband met de opname in dit wetsvoorstel van dit arbeidsongeschiktheidscriterium
behoeft dat laatste onderdeel nadere aandacht, aangezien ten opzichte van het AAW-criterium een tekstuele
wijziging heeft plaatsgevonden.
De gelijkstelling van zwangerschap en bevalling met
ziekte spoort niet met het gangbare spraakgebruik en handhaving daarvan is
bovendien voor de toepassing van de relevante wetsbepaling niet
nodig. Het niet handhaven van de gelijkstelling komt voorts overeen met
de in de Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte
(Wulbz)
opgenomen bepaling strekkend tot schrappen van de gelijkstelling.
Het is evenwel geenszins de bedoeling om een persoon die als gevolg van
zwangerschap of bevalling arbeidsongeschikt is, uit te sluiten van
uitkering op grond van deze wet. Daarom is in het eerste en tweede lid
"ziekte
of gebreken" aangevuld met "zwangerschap of bevalling". Daarmee
wordt bereikt dat de vrouw die als gevolg van zwangerschap of bevalling
arbeidsongeschikt is geworden, onder gelijke voorwaarden als personen die
als gevolg van ziekte of gebreken arbeidsongeschikt zijn geworden, in
aanmerking komt voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Voorts is als onderdeel van het
arbeidsongeschiktheidscriterium voor het bepalen van de maatman niet gekozen voor
"ter
plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht", maar
voor "ter plaatse waar hij woont of in de omgeving daarvan". Deze keuze is
ingegeven door het feit dat het in de rede ligt voor jonggehandicapten uit te
gaan van de plaats waar een gezonde persoon woont of in de omgeving
daarvan, in plaats van de plaats waar een gezonde persoon arbeid verricht
of het laatst heeft verricht.
De betekenis van het tweede en derde lid kan als volgt
worden toegelicht. Als er op de dag waarop een ingezetene 17
jaar wordt of na die dag als studerende arbeidsongeschikt wordt, sprake is
van bijvoorbeeld 50% arbeidsongeschiktheid en de betrokkene werkt 19 uur
per week, dan wordt op grond van het tweede lid bij de bepaling van
het zogenoemde maatmaninkomen (soortgelijke persoon) en de resterende
verdiencapaciteit uitgegaan van 19 uur per week.
Indien na verloop van tijd de arbeidsgezondheidskundige
toestand van deze jonggehandicapte verbetert en hij meer uren,
bijvoorbeeld 30, per rblz.|28|
week kan werken, zal de jonggehandicapte naar zijn
verminderde arbeidsongeschiktheid worden beoordeeld. Zijn
arbeidsongeschiktheidspercentage vermindert dan, uitgaande van de oorspronkelijke
gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Dat vloeit voort uit het derde
lid. Neemt daarna de arbeidsongeschiktheid weer toe, bijvoorbeeld
tot 30 uur, dan wordt bij de maatman en de resterende verdiencapaciteit
niet uitgegaan van 20 uur maar van 30 uur per week.
In het vierde lid, onderdeel a, van het overeenkomstige
artikel 5 van de AAW
is bepaald dat het tweede en derde lid van dat
artikel 5 geen toepassing vinden indien de betrokkene gedurende de zes
jaar, onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop hij 17 jaar wordt,
ingezetene is geweest. Deze bepaling is in het vierde lid van dit
artikel overgenomen.
Ten aanzien van het vijfde lid van dit artikel kan
worden opgemerkt dat alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de
jonggehandicapte met zijn krachten en bekwaamheden in staat is moet worden
betrokken bij de vraag of, en zo ja in welke mate, de jonggehandicapte
arbeidsongeschikt is. Dat betekent dat bij de toepassing van het
arbeidsongeschiktheidscriterium uitsluitend relevant is wat de jonggehandicapte nog kan
doen en niet wat hij vroeger gekund en gedaan heeft. Bij de
vraag wat de jonggehandicapte nog aan arbeid kan verrichten is van
belang de arbeid waartoe de jonggehandicapte met zijn krachten en bekwaamheden in
staat is. Dat de arbeid op iemands krachten moet zijn berekend, betekent
dat de belasting van de betrokken arbeid de
belastbaarheid van de persoon niet te boven mag gaan. De bekwaamheden zien op
de functie-eisen, zoals opleiding, ervaring en vaardigheden die voor de
betrokken arbeid nodig zijn.
Overigens is de in de AAW voorkomende bepaling dat
buiten beschouwing wordt gelaten hetgeen wordt of kan worden
ontvangen voor arbeid bij wijze van sociale werkvoorziening, in het
zevende lid van dit artikel overgenomen. In principe dienen bij de
beoordeling of iemand in staat is met arbeid een inkomen te verwerven, functies in
het vrije bedrijf in aanmerking te worden genomen. Het mede in aanmerking
nemen van arbeid in de sociale werkvoorziening zou betekenen dat
iemand die tot Wsw-arbeid in staat is, gelet op de daaruit voortvloeiende verdiensten,
geen recht op een uitkering op grond van deze wet krijgt, ook al is zijn
handicap een belemmering voor het verkrijgen van
passende arbeid in het vrije bedrijf. Met name voor jonggehandicapten is deze
bepaling van belang. Veelal zijn zij namelijk aangewezen op arbeid in
de sociale werkvoorziening. Uiteraard zullen de inkomsten uit die
arbeid op grond van artikel 49 [50] op de uitkering in mindering dienen te
worden gebracht.
Het bepalen van de mate van arbeidsongeschiktheid ligt
anders wanneer op meer dan één grond arbeidsongeschiktheid
ontstaat. Te denken valt daarbij onder meer aan het tezelfdertijd
intreden van arbeidsongeschiktheid als jonggehandicapte en als
werknemer of een volgtijdelijke samenloop van een recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet en een ontstaan van een recht op
WAO-uitkering. Het berekenen van de resterende verdiencapaciteit zou in zo’n geval niet rechtvaardig kunnen uitwerken indien
deze volledig zou worden afgemeten aan zowel de arbeid waartoe de jonggehandicapte met
zijn krachten en bekwaamheden in staat is als de arbeid als werknemer. Voor situaties als deze dienen afwijkende regels te
kunnen worden gesteld met betrekking tot de mate van arbeidsongeschiktheid en
met name de toerekening van de resterende verdiencapaciteit. Het
tiende lid voorziet daarin.
Artikelen 3 en 4. Ingezetene/woonplaats
In
artikel 5
is met het oog op het in artikel 6
bedoelde recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering vastgelegd wie als
jonggehandicapte kan worden beschouwd. Eén van de voorwaarden om als
jonggehandicapte te rblz.|29|
worden beschouwd is het ingezetene zijn. Ook kan de duur
van het ingezetene zijn van belang zijn voor het buiten
aanmerking laten van gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid die
bestond op de dag waarop een ingezetene 17 jaar wordt of na die dag als
studerende arbeidsongeschikt wordt.
Op grond van
artikel 3, eerste lid, wordt onder
ingezetene verstaan de natuurlijke persoon die in Nederland woont. De
nationaliteit van de betrokkene speelt daarbij geen rol. In artikel 4 is
aangegeven dat naar de omstandigheden wordt beoordeeld waar een natuurlijk
persoon woont. Hoewel dit veelal kan blijken uit het feit dat de
betrokkene in een bevolkingsregister in Nederland ingeschreven staat,
kunnen toch de feitelijke omstandigheden doorslaggevend zijn voor het
antwoord op de vraag of iemand in Nederland woont en dus ingezetene is.
Zoals in paragraaf 4.1 van het algemeen deel van de toelichting
reeds is gesteld, is in dit wetsvoorstel de mogelijkheid opgenomen dat bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur uitbreiding dan wel
beperking kan worden gegeven aan het begrip "ingezetene". Dit is
geregeld in artikel 3, tweede lid.
Artikel
5. Jonggehandicapte
In dit artikel is
neergelegd wie als jonggehandicapte
kan worden aangemerkt.
Evenals bij de AAW
het geval was, wordt in artikel
5,
eerste lid, als eis om als jonggehandicapte te kunnen worden aangemerkt,
gesteld dat men ingezetene is, dit wil zeggen in Nederland woont (zie de
toelichting op artikel 3). Anders dan bij de AAW waarbij men vanaf het
moment waarop men ingezetene is verzekerd is, is in dit wetsvoorstel
bepaald dat jonggehandicapte is de ingezetene die op de dag waarop
hij de leeftijd van 17 jaar heeft bereikt arbeidsongeschikt is dan wel
op een na het bereiken van die leeftijd gelegen dag arbeidsongeschikt
wordt op een dag dat hij studerende is.
Is de ingezetene op de dag waarop hij 17 jaar wordt niet
arbeidsongeschikt en wordt hij dat ook op een na die datum gelegen dag
niet als hij studerende is, dan kan op grond van deze wet geen recht
op arbeidsongeschiktheidsuitkering meer ontstaan.
Voor de goede orde wordt nog opgemerkt dat een
ingezetene die studerende is en al vóór de dag waarop hij de
leeftijd van 17 jaar bereikt arbeidsongeschikt wordt, onder onderdeel a van het
eerste lid valt. Hij is dan immers reeds arbeidsongeschikt op de dag waarop hij
17 jaar wordt. Voldoet een persoon eenmaal aan de voorwaarden om als jonggehandicapte te kunnen worden
aangemerkt, dan blijft
hij jonggehandicapte. Aldus wordt bereikt dat de jonggehandicapte indien
hij gedurende 52 weken onmiddellijk volgend op de dag
waarop hij de leeftijd van 17 jaar heeft bereikt, arbeidsongeschikt is geweest dan wel
volgend op de dag waarop hij als studerende arbeidsongeschikt wordt en na afloop daarvan nog steeds arbeidsongeschikt is,
op
grond van artikel 6 recht heeft op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ook
tijdens de wachttijd van 52 weken en op het moment van
afloop van die wachttijd is hij dan immers jonggehandicapte. Hetzelfde
geldt voor de persoon die een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond
van deze wet ontvangt.
Ook indien na beëindiging van het recht op uitkering
omdat de arbeidsongeschiktheid is geëindigd of beneden de 25%
is gedaald, recht bestaat op heropening van de uitkering (artikel 19 [20]),
blijft de betrokkene een jonggehandicapte in de zin van de wet. Hierdoor kan
deze persoon voor heropening van zijn uitkering in aanmerking komen.
Hetzelfde geldt voor degene die op grond van artikel 18 [19]
binnen vijf jaar
na intrekking of niet-toekenning recht heeft op toekenning van een
uitkering.
rblz.|30|
Aan het jonggehandicapt zijn is een aantal rechten en
verplichtingen gekoppeld, zoals de mogelijkheid om in aanmerking te
komen voor voorzieningen tot behoud, herstel of ter bevordering van
de arbeidsgeschiktheid, toelagen en vergoedingen als bedoeld in artikel 3 van
hoofdstuk
2 van deze wet en een verplichting tot naleving van
bepaalde door de bedrijfsvereniging gestelde voorschriften.
In het tweede lid is aangegeven welke personen in ieder
geval als studerende worden aangemerkt. Dit zijn studerenden die
volledig dagonderwijs volgen en die een inkomensvoorziening
hebben op grond van de Wet
op de studiefinanciering (WSF) (onderdeel a).
In onderdeel
b worden als studerenden aangemerkt
studenten die op grond van artikel 7.51, eerste lid, van de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) na afloop van hun
studiefinanciering door de onderwijsinstelling financieel ondersteund
worden.
Deze financiële ondersteuning kan door de
onderwijsinstelling in bijzondere gevallen worden verleend. Van een bijzonder
geval kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de student tijdens zijn
studie door ziekte is getroffen.
Het kabinet vond het niet noodzakelijk om de categorie
studenten die financiële ondersteuning ontvangen krachtens artikel
7.51, tweede lid, WHW
afzonderlijk in artikel 5 op te nemen. Het betreft
hier studenten die schadeloos worden gesteld voor de omzetting van
voorwaardelijke beursbedragen in rentedragende lening (tempobeurs), dan
wel prestatiebeurs in rentedragende lening. Deze studenten hebben dus over
de desbetreffende periode studiefinanciering ontvangen.
Daarmee vallen ze reeds onder de reikwijdte van de Wajong.
Voorts zijn in onderdeel
c als studerenden aangemerkt
studerenden in het voortgezet onderwijs, niet zijnde middelbaar
beroepsonderwijs. Deze personen vallen niet onder de WSF, maar ontvangen een
financiële voorziening op grond van hoofdstuk III van de Wet
tegemoetkoming studiekosten (WTS).
In onderdeel
d worden als studerenden aangemerkt
kinderen voor wie de ouders recht op kinderbijslag hebben op grond van
artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene Kinderbijslagwet
(AKW). Op grond van artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de AKW kunnen de
ouders van kinderen van 16 of 17 jaar die studerend zijn in de zin
van de AKW in aanmerking komen voor kinderbijslag.
In dit verband kan nog worden
opgemerkt dat bij wijze
van overgangsmaatregel in artikel 75 [76] ook als studerenden worden aangemerkt
kinderen voor wie de ouders recht op kinderbijslag hebben op
grond van de overgangsbepaling, neergelegd in artikel
XII, onderdeel a, van de
Wet van 21 december 1995, Stb. 1995, 691, tot nadere wijziging van een
aantal socialeverzekeringswetten (technische verbeteringen in verband
met de wetten TAV, TBA en TZ, alsmede enige andere wijzigingen),
hierna te noemen de Veegwet. Voor een toelichting moge worden verwezen naar
de toelichting op artikel 75.
In het derde lid is
bepaald dat bij algemene maatregel
van bestuur ook andere personen als studerende kunnen worden aangemerkt.
In dit kader is overigens nog van belang dat, wil een
ingezetene die als studerende arbeidsongeschikt is geworden in aanmerking
komen voor toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, hij
in het jaar onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop de
arbeidsongeschiktheid rblz.|31|
is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden
studerende moet zijn geweest. Eén en ander is geregeld in artikel
6, derde lid [zie artikel 5, eerste lid,
onderdeel b, red.].
Artikel
6. Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
In dit artikel wordt het recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering geregeld, een recht dat uitsluitend kan ontstaan als de
betrokkene op grond van artikel 5, eerste lid, als
jonggehandicapte kan worden aangemerkt. In de toelichting op artikel 5 is
reeds ingegaan op het begrip jonggehandicapte. Dit is de ingezetene die op de
dag waarop hij de leeftijd van 17 jaar bereikt, arbeidsongeschikt is of
die na die dag arbeidsongeschikt wordt en studerende is.
Is er geen sprake van arbeidsongeschiktheid op de dag
waarop iemand 17 jaar wordt of op een latere dag als studerende, dan
kan nimmer recht meer ontstaan op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op
grond van deze wet.
Overigens kan iemand die als studerende
arbeidsongeschikt is geworden, uitsluitend recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering doen gelden indien hij in het jaar voorafgaande aan het
intreden van de arbeidsongeschiktheid gedurende ten minste zes
maanden studerende was in de zin van artikel
5, tweede en derde
lid. Er dient dus sprake te zijn geweest van een studie van enige omvang.
In de AAW
kwam dit tot uiting door de bepaling in het Koninklijk besluit van 28 april 1980, Stb.
1980, 263, dat een student geacht werd voor iedere
maand waarin hij student was een inkomen te hebben verworven ter grootte
van 1/6 van het voor het recht op toekenning van AAW-uitkering vereiste minimuminkomen.
De in het voorliggende wetsvoorstel opgenomen eis dat de betrokkene in het aan de arbeidsongeschiktheid
voorafgaande jaar ten minste zes maanden moet hebben gestudeerd, komt
praktisch daarmee overeen.
Ook wat het tijdstip van ingang van het recht
op arbeidsongeschiktheidsuitkering betreft, is aangesloten bij hetgeen de AAW
reeds regelde.
Er bestaat een wachttijd van 52 weken, waarbij perioden van arbeidsongeschiktheid
die elkaar met onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, op grond van het tweede lid dienen te worden
samengeteld. Een bepaling zoals neergelegd in artikel 6, vierde lid,
onderdeel b, van de AAW, inhoudende dat arbeidsongeschiktheid die bestaat
voordat de jonggehandicapte 17 jaar is geworden, voor het bepalen
van het tijdvak van 52 weken buiten beschouwing wordt gelaten, is hier
niet nodig. Op grond van het eerste lid van dit artikel dient het
tijdvak van 52 weken immers onmiddellijk te volgen op de in artikel
5, eerste
lid, onderdeel a of b, bedoelde dag.
De arbeidsongeschiktheid moet ook na die periode van 52
weken voortduren. In dit kader is van belang dat personen die
minder dan 25% arbeidsongeschikt zijn op grond van het vijfde lid voor
de toepassing van dit artikel niet als arbeidsongeschikt worden beschouwd.
De betrokkene dient derhalve gedurende de gehele wachtperiode 25% of
meer arbeidsongeschikt te zijn geweest.
In beginsel zou het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering kunnen ingaan 52 weken nadat de jonggehandicapte 17 jaar is
geworden. In artikel 6, negende lid, van de AAW
was neergelegd, dat
de AAW-uitkering niet eerder kon ingaan dan nadat de verzekerde 18 jaar
is geworden. Dit geldt ook voor het recht op toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van het onderhavige wetsvoorstel. De afloop van
de periode van 52 weken hoeft niet altijd samen te vallen
met de dag waarop de betrokkene 18 jaar wordt. De wachttijd kan, behalve
op een latere dag, ook een paar dagen vóór het bereiken van de leeftijd van
18 jaar aflopen. Evenals in de AAW is in het zesde lid van dit artikel
bepaald dat
toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond
van deze wet niet plaatsvindt vóór de dag waarop de verzekerde
18 jaar is geworden.
rblz.|32|
Als na ommekomst van de wachttijd blijkt dat de
jonggehandicapte op dat moment niet arbeidsongeschikt is, komt hij toch in
aanmerking voor toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering als hij
binnen vier weken na afloop van die periode weer arbeidsongeschikt is. Het
gaat hierbij om vier onafgebroken weken.
In beginsel zou het zo kunnen zijn dat op het moment dat
de verzekerde 18 jaar wordt en hij 52 weken arbeidsongeschikt is, hij
zowel recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op basis van deze wet
als op basis van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zou
kunnen hebben, maar daaromtrent regelt het eerste lid van artikel 50 [51]
dat voor zover recht op basis van de WAO bestaat, dat recht voorgaat. De
uitkering op grond van deze wet wordt derhalve alleen uitbetaald voor
zover
deze de WAO-uitkering overtreft. Uiteraard kan er ook op een
later tijdstip sprake zijn van samenloop van uitkering op grond van deze wet
met WAO-uitkering. In deze situatie voorziet artikel 50 [51]
eveneens in
anticumulatie.
In geval van samenloop met eventuele andere uitkeringen
bieden het tweede en derde lid van artikel 50 [51]
de mogelijkheid ter zake nadere regels te stellen.
Artikel
7. Grondslag van de uitkering
Ten aanzien van de hoogte van de uitkering is
aangesloten bij artikel 10, eerste en tweede lid, van de AAW.
De grondslag bedraagt het minimumloon. Op grond van het
tweede lid wordt hieronder verstaan het minimumloon per maand,
bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, gedeeld door 21,75. Indien het een persoon jonger dan 23
jaar betreft, wordt daaronder verstaan het minimumloon per
maand dat voor zijn leeftijd geldt op grond van artikel 7, derde lid,
en artikel 8, derde lid, van genoemde
wet, gedeeld door 21,75.
Bij aanpassing van het bedrag van het minimumloon werkt
het verhoogde bedrag als gevolg van de koppeling aan het
minimumloon automatisch door in de grondslag.
Het derde lid regelt dat voor een herziening van de
grondslag geen formele beschikking en een mededeling over de bezwaar-
en beroepsmogelijkheden hoeft te worden afgegeven.
Artikel
8. Percentage arbeidsongeschiktheidsuitkering
De hoogte van de uitkering is niet alleen afhankelijk
van de grondslag, maar tevens van de mate van arbeidsongeschiktheid. Deze
wet kent, evenals de AAW, zes arbeidsongeschiktheidsklassen. Tot
25% arbeidsongeschiktheid bestaat geen recht op uitkering, gelet op het feit dat
op grond van artikel 6, vijfde lid, arbeidsongeschiktheid
tot dat percentage buiten beschouwing blijft. De klassen beginnen dus te
lopen vanaf 25% arbeidsongeschiktheid. De maximale
arbeidsongeschiktheidsuitkering bedraagt 70% van de grondslag, bij een
arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100.
Indien een uitkeringsgerechtigde door bijvoorbeeld
studie nieuwe bekwaamheden verwerft en met deze bekwaamheden aan de
slag gaat, leidt het rekening houden met die nieuw verkregen
bekwaamheden ertoe dat bij de nadere vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid een vergelijking wordt gemaakt met een persoon die diezelfde
bekwaamheden bezit.
Zoals bij de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid
in eerste aanleg wordt gekeken naar de krachten en bekwaamheden die de jonggehandicapte heeft
voor het verrichten van algemeen
geaccepteerde arbeid, zo is het ook van belang deze gedurende de loop
van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering te bezien. Daarin wordt
voorzien door rblz.|33|
herbeoordeling van de jonggehandicapte. Een scholing of
opleiding kan tevens bijdragen tot verhoging van de bekwaamheden.
Uiteindelijk kunnen deze zodanig zijn dat deze leiden tot intrekking
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, welke intrekking
overigens niet eerder ingaat dan één jaar na afronding van die scholing of
opleiding (zie artikel 17). Ingeval de jonggehandicapte een voor hem wenselijk
geachte scholing of opleiding weigert te volgen of de goede
afronding daarvan tegenwerkt, worden hem de bekwaamheden toegerekend als
had hij de scholing of opleiding afgerond. Hij wordt alsdan in
dezelfde situatie gebracht als de verzekerde die wel door middel van
scholing of opleiding werkt aan verhoging of uitbreiding van zijn bekwaamheden. In de
artikelen 11, vijfde lid, en 17, tweede lid, wordt
geregeld dat in zo’n geval de uitkering kan worden herzien of ingetrokken.
Artikel
9. Verhoging arbeidsongeschiktheidsuitkering
Met dit artikel wordt een tegemoetkoming geregeld voor
de jonggehandicapte die extra kosten maakt in verband met
oppassing en verzorging. De tegemoetkoming bestaat uit een verhoging
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering tot de grondslag. Het
gaat om de jonggehandicapte die ten minste 80% arbeidsongeschikt is
en voorlopig blijvend hulpbehoevend is. Wordt de jonggehandicapte in
deze toestand opgenomen in een inrichting en worden de kosten van
verblijf in die inrichting door een verzekeraar betaald, dan geldt de
verhoging van de uitkering niet.
Artikel
10. Buiten aanmerking laten van
arbeidsongeschiktheid
Met het eerste lid van dit artikel wordt voor de
bedrijfsvereniging de mogelijkheid geschapen om arbeidsongeschiktheid (al dan
niet volledig) buiten aanmerking te laten. Het betreft hier gehele
arbeidsongeschiktheid op de in artikel 5, eerste lid, onderdeel a of
b,
bedoelde dag. Ingeval sprake is van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid op die dag,
geldt artikel 2, tweede lid.
Op grond van het tweede lid blijft het eerste lid buiten
toepassing indien de betrokkene gedurende de zes jaren onmiddellijk
voorafgaande aan de in artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b, bedoelde
dag ingezetene is geweest.
Op grond van
artikel 2, tweede lid, kan de
jonggehandicapte die op de in artikel 5, eerste lid, onderdeel a of
b, bedoelde dag
gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, nog slechts voor zijn resterende
arbeidsongeschiktheid recht krijgen op uitkering. Uit het feit dat nog slechts
de resterende arbeidsongeschiktheid als basis voor het
recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering dient, vloeit voort dat alleen de mate
waarin de resterende arbeidsgeschiktheid is afgenomen, bepalend is voor het vast te stellen arbeidsongeschiktheidspercentage.
Wanneer de resterende arbeidsgeschiktheid geheel is weggevallen, is
er alsdan sprake van gehele arbeidsongeschiktheid.
Artikelen
11 tot en met 14. Herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering
Deze vier artikelen regelen de herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Deze artikelen komen overeen met hetgeen in
de artikelen
26 tot en met 29 van de AAW
is opgenomen. Artikel 11 geeft het uitgangspunt
aan. De uitkering wordt herzien wanneer de
jonggehandicapte op grond van enige bepaling in deze wet voor een hogere of een
lagere uitkering in aanmerking komt. Zo’n herziening kan plaatsvinden
gedurende de gehele looptijd van het recht op uitkering. De
bedrijfsvereniging beoordeelt rblz.|34|
in ieder geval binnen één jaar na ingang van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering of er gronden zijn tot herziening van de uitkering. Het
is mogelijk dat een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een voor
hem gewenste scholing of opleiding juist door het volgen daarvan
minder arbeidsongeschikt wordt. Het vijfde lid van artikel 11 voorkomt dat in een
dergelijk geval de uitkering tijdens de duur van de opleiding of
scholing wordt herzien. Door verwijzing naar artikel
8, derde lid,
wordt overigens wel bewerkstelligd dat herziening tijdens de opleiding of
scholing wel mogelijk is indien betrokkene onvoldoende meewerkt aan
het bereiken van een gunstig resultaat daarvan. Wel kan worden
opgemerkt dat een herziening wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid
tijdens het volgen van opleiding of scholing mogelijk blijft.
In artikel 12 worden regels gesteld ter zake van
toeneming van de arbeidsongeschiktheid ten aanzien van de
jonggehandicapte die minder dan 45% arbeidsongeschikt is. Herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 12 vindt plaats zodra de toeneming
van de arbeidsongeschiktheid 52 weken heeft geduurd. Voorwaarde
daarbij is dat de toeneming voortvloeit uit dezelfde oorzaak als die
welke aan de eerder toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering ten grondslag
lag. Komt de toeneming kennelijk voort uit een andere oorzaak dan
vindt geen herziening plaats. Bij het herzieningsregime op grond
van dit artikel geldt, evenals in artikel 6, tweede lid, dat
arbeidsongeschiktheidsperioden die elkaar met onderbreking van minder dan vier weken
opvolgen worden samengeteld. Artikel 13 geeft regels met betrekking tot
herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de jonggehandicapte
die 45% of meer arbeidsongeschikt is. De regeling vervat in de
artikelen 12 en 13 vindt geen toepassing bij toename van de arbeidsongeschiktheid binnen
vier weken na ingangsdatum van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of herziening. Alsdan geldt
artikel 14.
Artikel
15. Herziening bij toeneming
arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar
Dit artikel komt overeen met artikel
29a van de AAW,
zoals ingevoerd bij de Wet afschaffing malus en bevordering
reïntegratie.
Dit artikel bepaalt dat de
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt herzien zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken
vier weken heeft geduurd. Voorwaarde is dat de toeneming van de
arbeidsongeschiktheid moet zijn ingetreden binnen vijf jaar na de datum van
toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of de
herziening van de uitkering en dat de toeneming van de
arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die welke ten
grondslag lag aan de bestaande uitkering. De termijn van vijf jaar hangt
samen met de plicht van de bedrijfsverenigingen om dossiers vijf jaar te
bewaren. Voor de bepaling van de wachttijdperiode van vier weken geldt op
grond van het tweede lid de regel dat perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid
bij elkaar worden opgeteld wanneer zij elkaar met tussenpozen van minder dan vier weken opvolgen. Hieruit volgt dat bij
onderbrekingen van langer dan vier weken een nieuwe wachttijdperiode van
vier weken aanvangt. Het, anders dan in de AAW, gekozen tijdvak van
vier weken sluit aan bij de overeenkomstige tijdvakken die in deze wet
zijn opgenomen.
Het kan voorkomen dat zowel recht op herziening bestaat
op grond van artikel 12 als op grond van dit
artikel 15. Waar sprake
is van zo’n samenloop van mogelijkheden wordt toepassing gegeven aan
dit artikel, nu op die grond eerder recht op herziening bestaat. In
verband hiermee is bepaald dat herziening op grond van dit artikel
plaatsvindt in afwijking van artikel 12. Indien herziening op basis van dit
artikel plaatsvindt, hoeft geen herziening op basis van artikel 12 meer plaats te
vinden. Dat maakt overigens artikel 12 niet overbodig, omdat dat artikel
uiteraard nog rblz.|35|
toepassing dient te vinden in gevallen waarin sprake is
van toeneming van de arbeidsongeschiktheid na afloop van de in dit
artikel genoemde vijf jaar.
Het kan zonder nadere voorziening ook voorkomen dat
zowel recht op herziening bestaat op grond van dit artikel als op
grond van artikel 13. In het kader van artikel 13 is de oorzaak van de toegenomen
arbeidsongeschiktheid niet relevant, terwijl de toepassing van dat artikel
niet is gebonden aan een termijn van vijf jaar. In dit geval
levert toepassing van dit artikel 15 geen extra voordeel op. In verband
hiermee is bepaald dat dit artikel geen toepassing vindt indien recht bestaat op
herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel
13.
Evenmin vindt dit artikel toepassing indien recht op
herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat op grond van
artikel 14, onderdeel a tot en met c. Toepassing van laatstgenoemd
artikel werkt gunstiger uit dan toepassing van dit artikel, aangezien
de herziening van de uitkering dan direct ingaat, in plaats van na vier
weken.
Artikel
16. Overige gronden voor herziening of
intrekking
Dit artikel komt overeen met het in de Wet van 25 april
1996, Stb. 1996, 248 (Wet boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid) opgenomen artikel 26a van de AAW. Dit artikel laat
onverlet de uit hoofde van andere bepalingen voortvloeiende herziening of
intrekking. Mogelijkerwijs bestaat in een concreet geval samenloop met andere
bepalingen inzake herziening of intrekking. Alsdan verdient het de
voorkeur om in één beschikking ter zake de betrokken onderdelen te noemen.
Dit artikel kan overigens ook ter reparatie dienen, namelijk als andere
bepalingen geen volledig uitsluitsel kunnen bieden in de toepassing. Het
artikel maakt geen onderscheid tussen gevallen waarin eigen toedoen van de
jonggehandicapte een rol speelt en gevallen waarin
daarvan geen sprake is, maar het de jonggehandicapte duidelijk kon zijn dat
er met de toegekende uitkering iets mis was. In het laatste geval
is er geen reden de jonggehandicapte extra bescherming te bieden. Het verdient overigens
wel de voorkeur dat de bedrijfsvereniging in alle
gevallen een afweging maakt met betrekking tot de herziening c.q.
intrekking
aan de hand van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dat niet
de wet zelf de verschillende gevolgen dwingend verbindt aan de
omstandigheid dat de jonggehandicapte al dan niet door eigen toedoen heeft
bijgedragen aan foutieve toekenning. Toepassing van de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur kan er onder omstandigheden ook toe
leiden dat de bedrijfsvereniging zal moeten afzien van herziening of
intrekking. Het tweede lid van dit artikel geeft voor een beoordeling
van de bedrijfsvereniging op dat punt de basis.
Het gaat in dit artikel niet om het opleggen van een
maatregel of sanctie. Het artikel strekt uitsluitend tot correctie,
tot herstel in de rechtmatige toestand. In het artikel is in het eerste
lid een viertal gronden aangegeven op basis waarvan de bedrijfsvereniging tot
correctie (herziening of intrekking) moet overgaan, behoudens,
zoals hiervoor vermeld, in gevallen waarin het tweede lid toepassing
vindt.
Artikel
17. Einde van het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering
Het eerste lid van dit artikel geeft een tweetal
eindigingsgronden aan van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering. In
verband met de ingang van het recht op ouderdomspensioen op grond van
de Algemene Ouderdomswet op de eerste dag van de maand waarin men 65
jaar wordt, eindigt het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering per
diezelfde dag. De tweede grond voor eindiging van het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering is het einde van de arbeidsongeschiktheid, dan wel een
daling rblz.|36|
van de arbeidsongeschiktheid tot beneden 25%. Anders dan
bij de eerste eindigingsgrond eindigt hierbij het recht niet op een
bij deze wet vastgestelde dag, maar op een door de bedrijfsvereniging
te bepalen dag. Dat zal in de praktijk de dag zijn met ingang waarvan
de bedrijfsvereniging krachtens haar beschikking van oordeel is dat de arbeidsongeschiktheid
is geëindigd dan wel tot beneden 25% is gedaald.
De ingangsdatum van de intrekking als gevolg van
eindiging van de arbeidsongeschiktheid of een vermindering van de
arbeidsongeschiktheid tot minder dan 25% kan echter niet later zijn gelegen
dan drie maanden na de dag waarop die intrekking is aangezegd. Deze
aanzegging zal in de regel plaatsvinden bij het kenbaar maken door de
bedrijfsvereniging dat er sprake van eindiging of vermindering van de
arbeidsongeschiktheid is.
Het tweede lid komt overeen met hetgeen in artikel
11,
vijfde lid, met betrekking tot de herziening van de uitkering is
bepaald. Het is mogelijk dat een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een voor
hem gewenste scholing of opleiding juist door het volgen daarvan
minder arbeidsongeschikt wordt. Het tweede lid voorkomt dat in een dergelijk
geval de uitkering tijdens de duur van de opleiding of scholing
wordt ingetrokken. Door verwijzing naar artikel
8, derde lid, wordt
overigens wel bewerkstelligd dat intrekking tijdens de opleiding of scholing wel
mogelijk is indien betrokkene onvoldoende meewerkt aan het bereiken
van een gunstig resultaat daarvan.
Ingeval verzekerde een scholing of opleiding met succes
heeft afgerond en in verband hiermee tot intrekking van
arbeidsongeschiktheidsuitkering zou moeten worden geconcludeerd, gaat die intrekking
niet eerder in dan één jaar na voltooiing van de scholing of
opleiding. Als de jonggehandicapte binnen dat jaar inkomsten is gaan
verwerven, worden die inkomsten op de voet van artikel 49 [50]
op de uitkering
in mindering gebracht.
Artikel
18. Toekenning uitkering binnen vijf jaar na
intrekking of niet-toekenning [zie
art. 19 Wajong,
red.]
Dit artikel komt overeen met artikel
32a van de AAW,
zoals ingevoerd bij de Wet afschaffing malus en bevordering
reïntegratie.
Dit artikel geeft aan dat een
arbeidsongeschiktheidsuitkering na een wachttijd van vier weken wordt toegekend wanneer opnieuw
arbeidsongeschiktheid intreedt en aan twee nadere voorwaarden is voldaan. De
eerste voorwaarde is dat de arbeidsongeschiktheid is
ingetreden binnen een tijdvak van vijf jaar na de datum van intrekking van
een eerdere arbeidsongeschiktheidsuitkering of na de wachttijdperiode van 52 weken,
waarbij geen recht bestond op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. De tweede voorwaarde is dat de ingetreden
arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die welke ten grondslag lag aan
de ingetrokken uitkering dan wel aan de ongeschiktheid tot werken in de
wachttijdperiode van 52 weken.
Voor de bepaling van de wachttijdperiode van vier weken
geldt op grond van het tweede lid de regel dat perioden van
toegenomen arbeidsongeschiktheid bij elkaar worden opgeteld
wanneer zij elkaar met tussenpozen van minder dan vier weken opvolgen. Hieruit
volgt dat bij onderbrekingen van langer dan vier weken een nieuwe
wachttijdperiode van vier weken aanvangt.
Ook bij toepassing van dit artikel kan sprake zijn van
een situatie dat eveneens recht bestaat op heropening van de uitkering op
grond van artikel 19 [20]. Aangezien toepassing van laatstgenoemd
artikel gunstiger uitwerkt omdat heropening van de uitkering daarbij
direct plaatsvindt in plaats van na vier weken, is in onderdeel a van het
derde lid bepaald dat dit artikel geen toepassing vindt indien recht op
heropening bestaat op grond van artikel 19 [20].
Voorts vindt op grond van onderdeel b van het derde lid
van dit artikel geen rblz.|37|
toepassing voor zover ten aanzien van de betrokkene
artikel 29b van de Ziektewet (ZW) toepassing kan vinden. Deze laatste
omschrijving omvat ook de situatie dat dat artikel daadwerkelijk toepassing
vindt.
Dit onderdeel komt overeen met de in het kader van de
Veegwet TAV, TBA en TZ in de Wet Amber aangebrachte wijziging van
artikel 32a AAW.
De situatie waar het in dit geval om draait, is dat een
jonggehandicapte zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering verliest wegens
einde van zijn arbeidsongeschiktheid. Vervolgens aanvaardt hij een
dienstbetrekking. Valt hij binnen vijf jaar na intrekking van zijn Wajong-uitkering uit wegens arbeidsongeschiktheid, dan zou op basis van dit artikel
recht bestaan op toekenning van Wajong-uitkering, terwijl betrokkene op
basis van artikel 29b ZW recht op ziekengeld ter hoogte van zijn dagloon
kan krijgen, althans wanneer hij in de drie jaar voorafgaand aan zijn
dienstbetrekking recht had op een Wajong-uitkering of de wachttijd voor
die uitkering heeft doorgemaakt. In zo’n geval gaat de werking van artikel
29b ZW voor teneinde samenloop van een ZW-
c.q. WAO-uitkering met
een Wajong-uitkering te voorkomen.
Voorts kan, bij voortdurende arbeidsongeschiktheid, de
werking van dit artikel 18 [19] ongunstig uitvallen, omdat het dagloon voor
de WAO-uitkering lager is dan de grondslag van de oorspronkelijke
Wajong-uitkering. Om dat te voorkomen wordt in de WAO
(artikel
43a) bepaald
dat het WAO-dagloon niet lager uitvalt dan de grondslag van de
eerdere Wajong-uitkering.
Artikel 19. Heropening van de uitkering
[zie art. 20 Wajong,
red.]
In een aantal situaties bestaat, nadat het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken, recht op heropening van de
uitkering. In
alle gevallen gaat het om een heropening zonder wachttijd. In
het eerste en vierde lid betreft het een heropening na intrekking van
de uitkering, waarbij kan worden vermeld dat in de situatie bedoeld
in het vierde lid de arbeidsongeschiktheid moet zijn voortgekomen uit
dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid die ten grondslag lag aan de
ingetrokken arbeidsongeschiktheidsuitkering. In het tweede en derde lid gaat het om heropening van de uitkering die was ingetrokken na een
daaraan voorafgaande herziening.
Artikel 20. Recht op vakantie-uitkering
[zie art. 21 Wajong,
red.]
In dit artikel is het recht op vakantie-uitkering
neergelegd. Het recht op vakantie-uitkering bestaat over elke maand waarin recht
op arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat. Het is niet van
belang over hoeveel dagen in een maand recht op uitkering bestaat,
dus als een uitkeringsrecht op de tweede van een maand eindigt,
bestaat ook over die maand recht op vakantie-uitkering, die uiteraard
gerelateerd is aan het bedrag waarop over die maand recht bestaat.
Artikel 21. Hoogte van de vakantie-uitkering
[zie art. 22 Wajong,
red.]
De vakantie-uitkering bedraagt acht procent van het
bedrag aan uitkering waarop in de twaalf maanden voorafgaande aan
de maand mei recht bestond. Indien sprake is van samenloop van
uitkering met inkomsten uit arbeid, wordt een bedrag aan uitkering in
aanmerking genomen nadat verrekening met die inkomsten op basis
van artikel 49 [50] heeft plaatsgevonden. In
geval van anticumulatie met WAO-
of andere uitkeringen wordt een bedrag aan uitkering in aanmerking
genomen na toepassing van artikel 50 [51]. Indien op basis van de
Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag het percentage van de vakantie-uitkering wordt
gewijzigd, wijzigt het percentage in het eerste lid overeenkomstig. Het vierde lid regelt dat voor de toekenning van de
vakantie-uitkering geen rblz.|38|
formele beschikking en een mededeling over de bezwaar-
en beroepsmogelijkheden hoeft te worden afgegeven.
Artikel 22. Recht op vakantie-uitkering over
overlijdensuitkering [zie
art. 23 Wajong,
red.]
Dit artikel bepaalt dat recht op vakantie-uitkering
bestaat over de overlijdensuitkering (artikel 52 [53]). De hoogte van de
vakantie-uitkering over deze uitkering is gelijk aan de hoogte genoemd in
artikel 21 [22].
Artikel 23. Voorzieningen
[zie
art. 24 Wajong,
red.]
Op grond van dit artikel kan de bedrijfsvereniging de
jonggehandicapte, alsmede de ingezetene die de leeftijd van 17 jaar nog
niet heeft bereikt, in aanmerking brengen voor voorzieningen die strekken tot
behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid. Deze
laatsten kunnen, ondanks het feit dat zij (nog) niet onder het in
artikel 5 gehanteerde begrip "jonggehandicapte" vallen, voor voorzieningen
in aanmerking komen. Ook personen die een uitkering hebben gehad
kunnen als jonggehandicapte in aanmerking komen voor een
voorziening.
De voorzieningen die kunnen worden verstrekt zijn in
eerste instantie werkvoorzieningen. Daarnaast kunnen ook voorzieningen
worden verstrekt die tevens leiden tot verbetering van zijn
levensomstandigheden, maar daarbij geldt in elk geval de eis dat deze ook
strekken tot verbetering van de arbeidsgeschiktheid. De voorzieningen ter
verbetering van de leefomstandigheden zijn beperkt tot
vervoersvoorzieningen en het beschikbaar stellen van een blindengeleidehond. Op basis
van het derde lid zullen regels worden gesteld omtrent de te
verstrekken voorzieningen. Deze zullen in nauwe samenhang met vergelijkbare
regelingen omtrent voorzieningen worden getroffen. In dit verband is ook de
afbakening met regelingen op andere terreinen op basis waarvan
voorzieningen kunnen worden getroffen, zoals op het terrein van de
gezondheidszorg, van belang.
Artikel 24. Overeenkomstige toepassing artikel 16 op
voorziening [zie
art. 25 Wajong,
red.]
In
artikel 16 is geregeld in welke gevallen de
bedrijfsvereniging de beschikking omtrent toekenning van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering in elk geval herziet of intrekt. Deze gevallen gelden
eveneens met betrekking tot beschikkingen inzake voorzieningen.
Artikel 25. Toelage en vergoeding
[zie
art. 26 Wajong,
red.]
Deze bepaling is deels gelijkluidend aan artikel 58 van
de AAW. Het treffen van revalidatiemaatregelen kan ertoe leiden dat
een jonggehandicapte geen of slechts gedeeltelijk arbeid kan
verrichten, waardoor zijn inkomsten geheel of gedeeltelijk
wegvallen. Dit artikel voorziet in de mogelijkheid compensatie voor dat
inkomensverlies te verlenen. Anders dan in de AAW
is de toelage gemaximeerd
tot de grondslag die de basis heeft gevormd voor de uitkering. Wel kan de
bedrijfsvereniging, als het bedrag aan gederfde
inkomsten meer bedraagt dan de grondslag, een hogere toelage verlenen. Voorts
bestaat onder meer de mogelijkheid voor de bedrijfsvereniging om
tijdens de voorziening een vergoeding te verlenen wegens kosten van
onderhoud en huisvesting.
rblz.|39|
Artikel 26. Melding gedurende wachttijd
[zie art. 27 Wajong,
red.]
Dit artikel beoogt de bedrijfsvereniging bijtijds op de
hoogte te doen zijn van een ingetreden arbeidsongeschiktheid. Een melding
dient plaats te vinden binnen vijf maanden na het intreden of de toename
van de arbeidsongeschiktheid. Door een tijdige melding kan de
bedrijfsvereniging zo nodig maatregelen nemen en inspanningen verrichten,
gericht op revalidatie van de jonggehandicapte. Er is bij de
melding nog geen sprake van een aanvraag voor een
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Op basis van artikel 27 [28]
dient de bedrijfsvereniging de
jonggehandicapte uiterlijk vier maanden vóór het tijdstip waarop de
wachttijd van 52 weken verstrijkt in kennis te stellen van de mogelijkheid een
aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering in te dienen. Doet de
jonggehandicapte de melding niet of niet tijdig, dan leidt dat er op grond
van artikel 27 [28], derde lid, toe dat de bedrijfsvereniging niet gehouden is
deze
kennisgeving binnen de aldaar gestelde termijn te doen.
Zijn er onderbrekingen in de arbeidsongeschiktheid van
minder dan vier weken, dan tellen die op grond van het tweede lid niet
mee voor het vijfmaandstijdvak. Dat lid komt overeen met hetgeen in
artikel 6, tweede lid, is bepaald.
Artikel 27. Toekenning arbeidsongeschiktheidsuitkering
op aanvraag [zie
art. 28 Wajong,
red.]
Deze bepaling is overeenkomstig artikel 24 van de
AAW
opgesteld, met enige wijzigingen voor zover het de groep van
jonggehandicapten betreft. De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt uitsluitend op
aanvraag toegekend. Die aanvraag moet worden gedaan uiterlijk
binnen negen maanden na aanvang van de arbeidsongeschiktheid, dan wel
uiterlijk drie maanden vóór het verstrijken van de periode waarover de
uitkering is toegekend. Het tijdvak waarover uitkering wordt
toegekend is drie jaar. Evenwel zal in het invoeringstraject voorlopig een
tijdvak worden gehanteerd overeenkomstig artikel XVIII van de Wet
TBA.
Op grond van dat artikel geldt vooralsnog een toekenning voor een periode van vijf
jaar.
De bedrijfsvereniging moet de jonggehandicapte tijdig op
de hoogte stellen van het feit dat hij een aanvraag om uitkering
of voortzetting van de uitkering kan doen. Tijdig wil zeggen: uiterlijk vier
maanden vóór het einde van de wachttijd, dan wel vier maanden vóór het
einde van het tijdvak van drie (vijf) jaar waarover de uitkering is
toegekend. Doet zij dat niet, dan wordt een aanvraag beschouwd bijtijds te zijn
ingediend. Doet de bedrijfsvereniging haar kennisgeving te laat, dan geldt
dat een aanvraag binnen vier weken daarna bijtijds is ingediend. Op grond
van het derde lid geldt de kennisgevingsverplichting, zoals in het tweede
lid beschreven, niet als de jonggehandicapte het ontstaan of de
toeneming van zijn arbeidsongeschiktheid niet of niet tijdig aan de
bedrijfsvereniging meldt. Deze meldingsplicht staat vermeld in artikel
26 [27]. In geval
van niet-tijdige melding moet de bedrijfsvereniging de kennisgeving
binnen drie maanden na het tijdstip van melden doen. In dit verband
kan overigens worden opgemerkt dat ook al heeft de jonggehandicapte
de melding niet (tijdig) gedaan, dit geen consequenties voor hem hoeft
te hebben. Het ontbreken van de melding of een niet-tijdige melding
laat immers onverlet dat hij zijn aanvraag om toekenning of voortzetting nog
wel binnen de op grond van het vierde lid bepaalde termijn kan indienen.
Voorts is van belang op te merken dat wanneer de
bedrijfsvereniging niet binnen de wettelijk vastgelegde termijn een
beschikking afgeeft over een aanvraag tot voortzetting, de uitkering doorloopt
volgens de oorspronkelijke toekenning, totdat zij een nieuwe
(andere) beschikking heeft getroffen. Het Tica kan ten slotte bepalen dat
uitkeringen kunnen worden verstrekt over een andere periode dan de in het
eerste lid bedoelde drie jaar. Te denken valt hierbij vooral aan
jonggehandicapten rblz.|40|
ten aanzien van wie een herbeoordeling nauwelijks zin
heeft, zoals degenen die langdurig in een verpleeginrichting zijn opgenomen.
Artikel 28. Ingangsdatum uitkering
[zie art. 29 Wajong,
red.]
Als eerste dag waarop recht bestaat op een uitkering
geldt de eerste dag na afloop van een tijdvak van 52 weken
arbeidsongeschiktheid, doch niet eerder dan de dag gelegen vóór die waarop
de betrokkene de leeftijd van 18 jaar bereikt. Op deze dag begint de uitkering te
lopen. Wanneer de jonggehandicapte de uitkering te laat aanvraagt, dan
heeft dat tot consequentie dat een uitkering niet eerder kan beginnen
te lopen dan vanaf één jaar voorafgaande aan de aanvraag. Dat
betekent dat de jonggehandicapte die meer dan één jaar na ommekomst van
de wachttijd van 52 weken de uitkeringsaanvraag doet, een deel van
zijn aanspraken verspeelt. Wel bestaat de mogelijkheid voor de
bedrijfsvereniging om in situaties waarin toepassing van deze regel tot
bijzondere hardheid zou leiden af te wijken van die regel. Een toekenning van de
uitkering kan op grond van het derde lid echter niet ingaan op of na de
dag waarin de jonggehandicapte 65 jaar wordt.
Artikel 29. Herziening en heropening op aanvraag of
ambtshalve [zie
art. 30 Wajong,
red.]
Indien een jonggehandicapte van mening is dat er termen
zijn voor herziening van zijn uitkering, kan hij een aanvraag
indienen tot herziening van zijn uitkering. Ingeval de bedrijfsvereniging
echter een herbeoordeling wenselijk acht, dan wel op basis van
artikel 11 tot een beoordeling overgaat, zal zij eigener beweging dienen te
beslissen over herziening van de uitkering. In dat geval is sprake van een herziening
ambtshalve. Bij heropening ligt dat evenwel anders. Een heropening volgt
immers steeds na een eindiging van het recht op
uitkering (zie artikel 19 [20]). Wanneer een uitkering is
geëindigd, is de
jonggehandicapte niet meer rechtstreeks bij de bedrijfsvereniging in beeld. Alsdan
is een heropening ambtshalve niet aan de orde en ligt het voor de hand om,
als er na eindiging weer sprake is van arbeidsongeschiktheid, de
jonggehandicapte de aanvraag om heropening te laten doen.
Artikel 30. Ingangsdatum herziening en heropening
uitkering [zie
art. 31 Wajong,
red.]
In de
artikelen 11 tot en met 15 is aangegeven welke
tijdvakken gelden alvorens een herziening van de uitkering plaatsvindt.
Het eerste lid van dit artikel haakt hierop aan door aan te geven dat de
herziening ingaat op het moment dat de jonggehandicapte voor de herziening in
aanmerking komt. Evenals bij de aanvraag om uitkering en voortzetting van
uitkering, geldt dat herziening en heropening niet eerder kunnen ingaan
dan één jaar vóór de datum van aanvraag om herziening of heropening. Voor
herziening die leidt tot een verlaging van de uitkering in verband met
afgenomen arbeidsongeschiktheid geldt als ingangsdatum de dag die
de bedrijfsvereniging aangeeft als dag waarop de arbeidsongeschiktheid is
verminderd. Evenals in artikel 17, eerste lid, onderdeel b, geldt
ook hier dat de herziening uiterlijk ingaat drie maanden na de aanzegging daarvan.
Evenals in artikel 17, vierde lid, is neergelegd met betrekking tot de intrekking van de uitkering, wordt met het vierde lid
beoogd de jonggehandicapte die opleiding of scholing heeft
voltooid de gelegenheid te bieden gedurende één jaar na afronding naar passend
werk te zoeken. In dat jaar wordt de verzekerde niet geconfronteerd met
een verlaging van zijn uitkering. De ingangsdatum van de heropening van de
uitkering spreekt voor zich. Een heropening van de uitkering kan
op grond van het zesde lid echter niet ingaan op of na de eerste dag van
de maand waarin de jonggehandicapte 65 jaar wordt.
rblz.|41|
Artikel 31. Toekenning andere uitkeringen op aanvraag of
ambtshalve [zie
art. 32 Wajong,
red.]
In dit artikel wordt ten aanzien van de overige
uitkeringen en verstrekkingen bepaald op welke wijze deze worden verstrekt. Ten
aanzien van de vakantie-uitkering is bepaald dat deze ambtshalve wordt
verstrekt. Alleen wanneer de jonggehandicapte de vakantie-uitkering op een
ander moment wenst te ontvangen dan de in deze wet geregelde
maand mei, zal hij een aanvraag daartoe bij de bedrijfsvereniging
moeten indienen (zie ook artikel 51 [52]). De wijze van toekenning van een
voorziening, toelage en vergoeding spreekt voor zich.
Artikel 32. Oproep en onderzoek door of namens
bedrijfsvereniging [zie
art. 33 Wajong,
red.]
Met de in dit artikel aan de bedrijfsvereniging
toegekende bevoegdheden kan worden bewerkstelligd dat zij die gegevens verkrijgt
die het mogelijk maken een oordeel te geven over het recht op
uitkering, de mate van arbeidsongeschiktheid, het treffen van voorzieningen
en andere met de arbeidsongeschiktheidsuitkering verband houdende
aspecten. De bevoegdheden op basis van het eerste lid kunnen worden
uitgeoefend door de bedrijfsvereniging of door een door haar
aangewezen deskundige. Indien de bedrijfsvereniging een onderzoek
nodig oordeelt, vindt dat onderzoek plaats door een door haar aangewezen
deskundige. Een aangewezen deskundige kan, op grond van het derde
lid, op zijn beurt andere deskundigen aanwijzen voor het oproepen,
ondervragen of onderzoeken van een jonggehandicapte.
Artikel 33. Vergoeding kosten en tijdverlies
[zie art. 34 Wajong,
red.]
Onze Minister stelt regels vast op basis waarvan
opgeroepenen en hun eventuele begeleiders kosten worden vergoed. Het orgaan
dat de oproep heeft gedaan is verantwoordelijk voor de toekenning en
betaling van de kosten, vermeld in dit artikel.
Artikel 34. Voorschriften van medische of
administratieve aard [zie
art. 35 Wajong,
red.]
Ten aanzien van arbeidsongeschikten kunnen door de
bedrijfsvereniging of door de door haar aangewezen deskundige voorschriften
worden gegeven die strekken tot genezing, behandeling
of bevordering van de arbeidsgeschiktheid. In geval van gedeeltelijke
arbeidsongeschiktheid kunnen voorschriften worden gegeven omtrent inschrijving
als werkzoekende bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie [zie Centrale
organisatie werk en inkomen (CWI), red.].
Artikel 35. Controlevoorschriften
[zie art. 36 Wajong,
red.]
Gedurende de loop van het uitkeringsproces, waaronder
ook begrepen de wachttijdperiode voor ingang van de uitkering, moet
de bedrijfsvereniging controlevoorschriften kunnen geven om dat
uitkeringsproces in goede banen te doen leiden. Zo zijn op basis van de AAW
controlevoorschriften gesteld met betrekking tot vakantie van degene die
arbeidsongeschikt is. Die voorschriften hebben betrekking op de verplichte
melding van het voornemen vakantie te houden. Het ligt voor de
hand dat op basis van dit artikel soortgelijke voorschriften zullen worden
gesteld. Voorts kan de bedrijfsvereniging ook controlevoorschriften stellen
in verband met de verplichting voor de jonggehandicapte informatie te
verstrekken met betrekking tot het uitkeringsproces. De
controlevoorschriften moeten worden goedgekeurd door het College van toezicht sociale
verzekeringen. Het niet of niet behoorlijk naleven van de
controlevoorschriften leidt op rblz.|42|
grond van artikel 37 [38]
tot tijdelijke of blijvende gehele
of gedeeltelijke weigering van de uitkering of toelage.
Artikel 36. Gevolgen weigeren onderzoek
[zie art. 37 Wajong,
red.]
Het niet voldoen aan de verplichtingen die op grond van
dit artikel worden gesteld aan de personen genoemd in artikel 32 [33],
leidt tot een weigering van de uitkering, toelage of voorziening. Het
gaat daarbij om de personen die in de wachttijd zitten, die een uitkering
ontvangen of daarop aanspraak maken, alsmede de personen ten aanzien van wie
een voorziening wordt getroffen of overwogen. Van belang is
op te merken dat wanneer de betrokken persoon één van de relevante
verplichtingen niet is nagekomen, een sanctie wordt opgelegd. De
formulering op dit punt komt overeen met de in de AAW
(artikel
16) gebezigde formulering.
Ter zake bestaat er voor de bedrijfsvereniging geen vrijheid af te zien van
het opleggen van een sanctie, zij het dat op basis van artikel 38 [39]
de maatregel moet worden afgestemd op de ernst van de
gedraging van de betrokkene en de mate waarin de gedraging hem verweten
kan worden en dat wanneer dringende redenen aanwezig zijn de
bedrijfsvereniging kan besluiten van het opleggen van een maatregel af te zien.
De in dit artikel neergelegde sanctieplicht is
overgenomen uit de Wet boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid op grond waarvan in de socialezekerheidswetten, waaronder ook de
AAW, bepalingen zijn opgenomen onder meer omtrent
administratieve sancties. De voorstellen die ter zake van de AAW zijn gedaan zijn
in dit wetsvoorstel overgenomen.
De sanctie die in het eerste lid van dit artikel is
opgenomen, geldt tevens in gevallen waarin sprake is van toeneming van de
arbeidsongeschiktheid, voortgekomen uit dezelfde oorzaak als de
arbeidsongeschiktheid zelf.
Artikel 37. Gevolgen niet-naleving voorschriften
[zie art. 38 Wajong,
red.]
Een gelijke maatregel als omschreven in artikel
36 [37] wordt getroffen ten aanzien van de jonggehandicapte die de voorschriften
genoemd in artikel 34 [35] of 35 [36]
niet heeft opgevolgd. Daarnaast is nog een
aantal andere omstandigheden in dit artikel opgenomen die leiden tot
een maatregel. De verplichting bedoeld in artikel 91, vierde lid, van de
Organisatiewet sociale verzekeringen, betreft de verlening van inzage in een
identiteitsdocument door de jonggehandicapte op verzoek van de
bedrijfsvereniging.
De maatregel komt overeen met hetgeen in de bij de
toelichting op artikel 36 genoemde wet ter zake van artikel 19 van de
AAW
is opgenomen.
Artikel 38. Afstemming maatregel op ernst gedraging
[zie art. 39 Wajong,
red.]
Dit artikel komt overeen met het in de
Wet boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid opgenomen
artikel 20 AAW. De bedrijfsvereniging dient bij oplegging van maatregelen
de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen. Dat
brengt mee dat de factoren in het eerste lid genoemd, moeten worden
meegewogen.
Evenals bij het herzieningsartikel (artikel
16), de
boeteoplegging (artikel 39 [40]) en de terugvordering (artikel
54 [55]) het geval is,
stelt deze wet de verplichting daartoe voorop. Daarbij wordt echter steeds
tot uitdrukking gebracht dat van een absolute verplichting geen sprake
is, in die zin dat om dringende redenen van uitoefening van die
verplichting kan worden afgezien. De bedrijfsvereniging legt deze beslissing
neer in een beschikking. Wordt voor de desbetreffende gedraging een
boete opgelegd, blijft oplegging van een maatregel achterwege.
rblz.|43|
Artikel 39. Boete bij niet-nakoming
inlichtingenverplichting [zie
art. 40 Wajong,
red.]
Dit artikel komt overeen met het in de
Wet boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid opgenomen
artikel 20a AAW. Wanneer de algemene verplichting tot het verschaffen van
alle informatie die relevant is voor het recht op en de hoogte van de
uitkering niet wordt nageleefd, legt de bedrijfsvereniging een boete op. Deze
verplichting geldt op grond van artikel 68 [69]
de jonggehandicapte, diens
wettelijke vertegenwoordiger en instellingen aan wie in plaats van aan de
jonggehandicapte de uitkering wordt betaald (inrichtingen en gemeenten,
bedoeld in artikel 48 [49]). Van het opleggen van een boete zijn de instellingen
evenwel uitgesloten. Mocht als gevolg van het niet of niet
behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting door de instelling
herziening van de uitkering noodzakelijk blijken, dan werkt dat terug naar de
uitkeringsgerechtigde of zijn wettelijke vertegenwoordiger. Het tweede lid komt
overeen met artikel 38 [39], eerste lid. Het derde lid komt overeen met
artikel 16, tweede lid, 38 [39], tweede lid en 54 [55], tweede lid. Uitzonderingen moeten
mogelijk zijn indien de boete voor de betrokkene onaanvaardbare consequenties
heeft. Daarbij moet het om incidentele gevallen gaan, gebaseerd
op een individuele afweging van alle relevante omstandigheden.
Van algemene of categoriale afwijkingen kan geen sprake zijn. De
verplichting, in het vierde lid opgenomen, tot het verstrekken van informatie
ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de boete is nodig naast de
bestaande algemene informatieplicht, aangezien het hierbij niet gaat om
inlichtingen met betrekking tot de uitkering. De niet-nakoming van deze
inlichtingenverplichting wordt, evenals dat bij de AAW
geldt, strafbaar gesteld op
grond van artikel 108 van de Organisatiewet sociale verzekeringen. Eén en
ander zal in het invoeringstraject worden geregeld.
Het strafkarakter van de boete brengt mee dat alleen de
dader zelf daardoor moet worden getroffen. Een nog niet geïnde
boete vervalt dan ook op grond van het vijfde lid van rechtswege bij
overlijden van de dader, zonder dat daarvoor een intrekking van de
boetebeschikking nodig is.
Artikel 40. Voorschriften rond voorgenomen
boeteoplegging [zie
art. 41 Wajong,
red.]
Dit artikel komt overeen met het in de
Wet boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid opgenomen
artikel 20b AAW. Wanneer de betrokkene aan een handeling van de
bedrijfsvereniging redelijkerwijs de conclusie kan verbinden dat hem een
boete zal worden opgelegd, geldt het zwijgrecht. Doorgaans zal dat pas
aan de orde zijn wanneer kennis is gegeven van het voornemen tot
boeteoplegging, hoewel dat ook eerder kan zijn, bijvoorbeeld als de
betrokken jonggehandicapte of diens wettelijke vertegenwoordiger,
opgeroepen voor een gesprek inzake de beoordeling van de rechtmatigheid van de
uitkeringsverstrekking, aangeeft niet te hebben voldaan aan de hem geldende inlichtingenverplichting. In dat geval zal de
bedrijfsvereniging moeten wijzen op het zwijgrecht. De cautie, dat wil
zeggen het uitdrukkelijk wijzen op het zwijgrecht, is uitsluitend van toepassing
indien de betrokkene mondeling om informatie is gevraagd.
De bedrijfsvereniging moet de betrokkene in kennis
stellen van het voornemen een boete op te leggen en de gronden waarop
dat voornemen rust. In artikel 6, derde lid, onderdeel a, van het EVRM
is het recht vastgelegd van degene tegen wie een vervolging is
ingesteld, om in een taal die hij verstaat op de hoogte te worden gesteld van
de beschuldiging. Het derde lid voorziet hierin. In het vierde lid is een
ruimere hoorplicht ingevoerd dan op grond van de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) geldt. In de situatie dat betrokkene zijn zienswijze geeft (vijfde lid), moet
gewaarborgd zijn dat deze de gestelde vragen volledig
begrijpt en zich ook verstaanbaar kan maken. Om die reden is de
zorgplicht voor de rblz.|44|
bedrijfsvereniging stringenter geformuleerd. Als
redelijkerwijze kan worden aangenomen dat aan een taalhulp geen behoefte
bestaat, kan worden afgezien van een taalhulp. Daarbij kan worden
gedacht aan een jonggehandicapte die al langere tijd een uitkering
ontvangt, waaruit kan worden afgeleid dat hij bekend is met de in het
uitkeringsproces gebezigde taal, of dat de jonggehandicapte zich ook naar
de bedrijfsvereniging toe zelfstandig of met hulp heeft weten uit te drukken.
Artikel 41. Voorschriften
rond boetebesluit [zie
art. 42 Wajong,
red.]
Dit artikel komt overeen
met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid opgenomen artikel 20c AAW. De bedrijfsvereniging zal degene die zij een boete oplegt in haar beschikking
duidelijk moeten
informeren over de wijze en de termijn van betalen van de boete. Tevens zal
betrokkene moeten worden meegedeeld dat hem bij niet-tijdige betaling
tenuitvoerlegging overeenkomstig artikel 45 [46]
boven het hoofd hangt.
Op grond van het tweede
lid moet de in het besluit vervatte informatie zoveel mogelijk in een
voor de betrokkene begrijpelijke taal worden meegedeeld. Dit lid komt overeen met het derde lid van het vorige artikel.
Artikel 42.
Niet-oplegging van boete [zie
art. 43 Wajong,
red.]
Dit artikel komt overeen
met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid opgenomen artikel 20d AAW. Hangende een onderzoek van het OM wordt de
boeteoplegging
opgeschort. Het tweede
lid geeft, samen met het voorgestelde artikel 72 [73], uitwerking aan het
una-viabeginsel. Zodra de bedrijfsvereniging een boete heeft opgelegd, kan
wegens dezelfde gedraging geen strafrechtelijke afdoening meer volgen
(artikel 72 [73]). Aan de andere kant kan geen
administratiefrechtelijke
boete meer worden opgelegd indien ter zake van de gedraging
strafvervolging is ingesteld die zover is gevorderd dat het onderzoek ter
terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht op strafvervolging is
vervallen door een schikking met het OM op de voet van artikel 74 Wetboek
van Strafrecht. Het derde lid geeft een informatieplicht ter zake aan het OM.
Artikel 43.
Termijnstelling van boete [zie
art. 44 Wajong,
red.]
Dit artikel komt overeen
met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid opgenomen artikel 20e AAW. Teneinde voldoende effectiviteit te bewerkstelligen, is het noodzakelijk dat
tussen de kennisgeving en
de oplegging van de boete niet te veel tijd ligt. Daarom is één jaar
als uiterste termijn aangehouden, te rekenen vanaf het moment dat de betrokkene
op grond van artikel 40 [41], vierde lid, in de gelegenheid is gesteld
zijn zienswijze over de voorgenomen boeteoplegging naar voren te brengen.
Als aangifte is gedaan of proces-verbaal opgemaakt, begint de
termijn te lopen vanaf de dag dat het OM de bedrijfsvereniging heeft
meegedeeld dat geen strafvervolging wordt ingesteld. Uit een
oogpunt van rechtszekerheid wordt een boete hoe dan ook niet opgelegd als
vijf jaar na de gedraging zijn verstreken.
Artikel 44. Afwijking
artikel 8:69 Awb [zie
art. 45 Wajong,
red.]
Dit artikel komt overeen
met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid opgenomen artikel 20f AAW. Aansluitend op hetgeen de
Hoge Raad heeft geoordeeld inzake de fiscale boete, waarbij de boete
naar analogie van hetgeen geldt voor straffen in het commune strafrecht
door de rechter kan worden verhoogd, wordt in dit artikel bepaald dat
de rechter in (hoger) beroep het bedrag van de rblz.|45|
boete ten nadele van de
betrokkene kan wijzigen. Uiteraard wordt deze wijziging in elk geval
begrensd door de maximale hoogte van de op te leggen boete.
Artikel 45. Boetebesluit
executoriale titel [zie
art. 46 Wajong,
red.]
Dit artikel komt overeen
met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid opgenomen artikel 20g AAW. Het besluit tot oplegging van
een boete levert een executoriale titel op die met toepassing van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan worden ten uitvoer
gelegd.
Ten aanzien van het besluit tot terugvordering is datzelfde geregeld in
artikel 55 [56]. Overigens hoeft van de executoriale kracht die een
boetebesluit oplevert niet altijd onmiddellijk gebruik te worden gemaakt.
Dit artikel geeft een
zekere voorkeur aan met betrekking tot de volgorde van te hanteren
executiewijzen. Voorop staat de verrekening tussen dezelfde partijen en
met
uitkering of andere verstrekking op grond van deze
wet, de WW, de Ziektewet, de
WAO, de AAW, de Wamil of een toeslag op grond van de
Toeslagenwet (tweede lid). Daarna volgt inhouding door een ander
uitvoeringsorgaan met afdracht aan de boeteoplegger (derde en
vierde lid; pseudo-verrekening). De derde mogelijkheid is executie
met de middelen van Rv. De bepalingen zijn alle imperatief, ofschoon het
wenselijk kan zijn af te wijken van de aangegeven volgorde, dan wel om
tegelijkertijd of achtereenvolgens verschillende vormen toe te passen.
Deze mogelijkheid is neergelegd in het zesde lid. Kosten voortvloeiend
uit additionele werkzaamheden, noodzakelijk om tot invordering te komen
bij niet-tijdige betaling, komen voor rekening van de betrokkene. In het
achtste lid worden de artikelen 479b tot en met 497g Rv, behoudens
497e
Rv, van overeenkomstige toepassing verklaard op executoriaal
derdenbeslag.
Het in het negende lid
bepaalde over de beslagvrije voet volgt met betrekking tot de echte
verrekening al uit het eerste lid van artikel 6:135 BW
en voor de tenuitvoerlegging met toepassing van Rv uit dat wetboek.
Dit lid is echter nodig
voor de pseudo-verrekening.
Het niet nakomen van de
verplichting om informatie te verschaffen die van belang is voor de
tenuitvoerlegging van de boete leidt tot verlies van de bescherming die de
beslagvrije voet anders biedt.
Artikel 46.
Betaalbaarstelling [zie
art. 47 Wajong,
red.]
De
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt door de bedrijfsvereniging betaald in
principe over
tijdvakken van telkens één maand. Het kan voorkomen dat de bedrijfsvereniging heeft vastgesteld dat recht op
uitkering bestaat, maar
dat nog niet kan worden vastgesteld welk bedrag aan uitkering moet worden
betaald. In verband daarmee heeft de bedrijfsvereniging de
mogelijkheid om de uitkering bij wijze van voorschot te verlenen.
Dit voorschot wordt dan naderhand verrekend met het definitief
vastgestelde uitkeringsbedrag. In een drietal situaties gaat de bedrijfsvereniging over
tot schorsing of opschorting van de betaling van de uitkering. Dat is het
geval wanneer zij op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel
is of het gegronde vermoeden heeft dat geen recht (meer) bestaat op uitkering, dan wel recht op een lagere uitkering of
dat de jonggehandicapte één van de verplichtingen genoemd in artikel
36 [37], 37 [38] of 61
[62] niet is
nagekomen. Het niet nakomen van één van die verplichtingen leidt op
grond van artikel 16, wat de arbeidsongeschiktheidsuitkering
betreft, tot herziening of intrekking.
Voor alle duidelijkheid
wordt opgemerkt dat de bedrijfsvereniging niet lichtvaardig kan overgaan
tot schorsing of opschorting. Er moeten duidelijke aanwijzingen
of gegronde vermoedens bestaan dat zich één van de omstandigheden
genoemd in dit lid voordoet.
rblz.|46|
Overmaking van een
uitkering naar het buitenland brengt meer kosten met zich dan wanneer de
uitkering binnenslands wordt uitbetaald. De kosten van overmaking
naar het buitenland worden dan ook in mindering gebracht op de uitkering.
De uitkeringsgerechtigde
kan een ander machtigen de uitkering in ontvangst te nemen. Hij
kan die machtiging elk moment weer intrekken. In het vijfde lid is bepaald
dat aan de machtiging, respectievelijk de intrekking van de
machtiging zo spoedig mogelijk moet worden voldaan. In principe bij het
eerstvolgende betalingstijdvak, maar als dat gelet op het tijdstip waarop de
machtiging is gedaan, respectievelijk ingetrokken, niet mogelijk is, met
ingang van het daaropvolgende betalingstijdvak.
Artikel 47. Inhouding
vereveningsbijdrage [zie
art. 48 Wajong,
red.]
Dit artikel regelt de
inhouding van de zogenoemde vereveningsbijdrage op de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van
deze wet. Ten
aanzien van de persoon
die deze uitkering ontvangt wordt geen premie werknemersverzekeringen geheven. In dit verband kan overigens wel
worden opgemerkt dat
ingeval een persoon naast een uitkering andere inkomsten verwerft, voor
zijn uitkeringsdeel vereveningsbijdrage wordt ingehouden en voor zijn
andere inkomsten andere regels gelden. Indien deze andere inkomsten als
zelfstandige worden verworven, betaalt hij daarover WAZ-premie.
Wat de
vereveningsbijdrage betreft, is de regeling zo dat de
uitkeringsgerechtigde wat de inhouding betreft
op gelijke wijze wordt behandeld als een werknemer.
Artikel 48. Betaling aan
instellingen [zie
art. 49 Wajong,
red.]
Op grond van het eerste
lid kan de bedrijfsvereniging de uitkering tot het bedrag van de eigen
bijdrage in de verpleegkosten op grond van de AWBZ zonder machtiging van de jonggehandicapte betalen aan de
Ziekenfondsraad.
Het tweede lid biedt de
mogelijkheid voor de bedrijfsvereniging om de uitkering in plaats van
aan de uitkeringsgerechtigde, te betalen aan een inrichting waar de jonggehandicapte is opgenomen of aan de
gemeente
die de desbetreffende opnamekosten betaalt. Die mogelijkheid bestaat indien de
uitkeringsgerechtigde niet in staat is kwijting te verlenen voor de betaling van de
uitkering. Betaling vindt echter eerst plaats nadat een daartoe strekkend verzoek
is gedaan door de inrichting of de betrokken gemeente.
Voor het na toepassing
van het eerste lid resterende bedrag kan het tweede lid nog toepassing
vinden.
Op grond van artikel 3:41
Awb moet bekendmaking van besluiten geschieden door toezending of uitreiking aan de belanghebbende. Op
grond van artikel 3:45
Awb moet melding worden gemaakt van de bezwaar- en
beroepsmogelijkheden. Vasthouden aan deze voorschriften zou in het geval dat na
toepassing van het eerste lid een herzieningsbeschikking wordt getroffen, een
onevenredige belasting kunnen opleveren voor de
bedrijfsvereniging. Daarom is in het vierde lid van dit artikel met betrekking
tot het eerste lid de toepasselijkheid van genoemde Awb-artikelen uitgesloten.
Artikel 49. Inkomsten uit
arbeid tijdens uitkering [zie
art. 50 Wajong,
red.]
In het algemeen zal
werkhervatting door de uitkeringsgerechtigde leiden tot herziening of
intrekking van de uitkering. Wanneer echter geen zekerheid bestaat dat deze arbeid valt aan te merken als
arbeid genoemd
in artikel 2, vijfde lid,
dan kan ten aanzien van de jonggehandicapte nog geen schatting op die
arbeid plaatsvinden. Alsdan wordt het uitkeringsrecht rblz.|47|
niet herzien of
ingetrokken, maar vindt een vermindering van het bedrag van de uitkering
plaats. Deze anticumulatie vindt plaats alsof de arbeid die de
jonggehandicapte aanvangt wel algemeen geaccepteerde arbeid is. Op basis van
de aldus verrichte fictieve schatting wordt dan de uitkering verminderd met
het bedrag van de inkomsten. Wanneer de inkomsten zodanig zijn dat er bij wel algemeen geaccepteerde arbeid een
arbeidsongeschiktheid van
minder dan 25% zou resteren, wordt de uitkering niet betaald.
Toepassing van het eerste lid kan over maximaal drie jaar plaatsvinden.
Na afloop van dat tijdvak geldt de aangevangen arbeid als arbeid in de
zin van artikel 2, vijfde lid. De driejaarstermijn geldt niet ten aanzien van
degene die Wsw-arbeid verricht. In die gevallen worden over de gehele
duur van die arbeid de inkomsten daaruit op de uitkering in mindering gebracht.
Eén en ander staat in het derde lid. De als
gevolg daarvan niet
betaalde uitkeringen komen ten gunste van ’s Rijks kas (vierde lid). Op
grond van het vijfde lid worden bij ministeriële regeling regels gesteld
op basis van het eerste lid. Deze regeling voorziet in elk geval in
gelijkstelling van inkomsten in verband met arbeid, zoals uitkeringen uit hoofde
van het verrichten of verricht hebben van arbeid, genoemd in het eerste
lid, met inkomsten uit arbeid. Daarnaast worden gevallen aangewezen
waarbij het eerste lid buiten toepassing blijft of slechts gedeeltelijk van
toepassing wordt verklaard. Dit kan het geval zijn als een jonggehandicapte
naast uitkering op grond van deze wet ook nog een andere uitkering
ontvangt. Toepassing van het eerste lid zou bij inkomsten uit arbeid
ertoe leiden dat deze inkomsten in mindering moeten worden gebracht.
Daarbij bestaat de mogelijkheid dat deze inkomsten ook op de
andere uitkering in mindering worden gebracht, hetgeen niet de bedoeling
kan zijn. Ter voorkoming van dubbele anticumulatie dienen,
aangezien de situaties waarin dit zich kan voordoen niet in deze wet kunnen
worden geduid, regels ter zake mogelijk te zijn. In het zesde lid wordt
geregeld dat bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat ook bij
andere arbeid dan Wsw-arbeid de driejaarstermijn niet geldt. Dit lid komt
overeen met artikel 33, vijfde lid, AAW.
Artikel 50. Samenloop met
WAO-uitkering en andere uitkeringen [zie
art.
51 Wajong, red.]
Het kan
voorkomen dat
een persoon zowel recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering als op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze
wet. Deze
situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als iemand van 15 of 16 jaar ter
zake van werkzaamheden, op grond waarvan hij WAO-verzekerd is, arbeidsongeschikt wordt in de zin van de WAO.
Omdat hij op de dag
waarop hij 17 jaar wordt arbeidsongeschikt is, komt hij tevens in aanmerking
voor een uitkering op grond van deze wet.
Ook kan het voorkomen dat
iemand na de ingangsdatum van een uitkering op grond van
deze wet Wsw-werkzaamheden verricht. De arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van deze wet wordt dan, gelet op artikel 50 [51], derde lid,
niet ingetrokken of herzien. Wanneer de betrokkene uit Wsw-arbeid
arbeidsongeschikt wordt, kan hij tevens in aanmerking komen voor een
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO.
In deze gevallen dienen
deze arbeidsongeschiktheidsuitkeringen niet te cumuleren. In verband
hiermee is in het eerste lid van dit artikel bepaald dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet slechts
wordt uitbetaald voor
zover deze de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering overtreft. In
deze gevallen gaat de WAO-uitkering derhalve voor. Hetzelfde geldt in
geval van samenloop van
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet met arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.
Ook kan zich de situatie
voordoen dat een persoon slechts gedeeltelijk rblz.|48|
arbeidsongeschikt is in
de zin van deze wet. Indien hij dan zijn resterende arbeidsgeschikheid benut
met WAO-verzekeringsplichtige werkzaamheden en arbeidsongeschikt
wordt in de zin van de WAO, heeft hij tevens recht op een WAO-uitkering. Er zijn dan twee situaties denkbaar. Hij heeft
geen recht op herziening
(verhoging) van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet of
hij heeft dat recht wel. Ingeval wel recht bestaat op
herziening (verhoging) van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet,
ligt anticumulatie van de (verhoogde) arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van deze wet met zijn WAO-uitkering voor de
hand. In het andere geval, als er geen recht bestaat op herziening van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet, werkt de in
dit artikel neergelegde anticumulatieregeling onredelijk uit.
Uitsluitend zijn resterende arbeidsgeschiktheid is dan immers voorwerp van de
WAO-verzekering, zodat zijn WAO-uitkering daarop is afgestemd. Het
is niet ondenkbaar dat zich op dit punt nog andere - onvoorziene - samenloopsituaties met WAO-uitkering kunnen voordoen. In verband
hiermee is in het tweede lid, onderdeel a, van dit artikel
bepaald dat bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere en zo nodig afwijkende regels kunnen worden gesteld met
betrekking tot samenloop
met WAO- of WAZ-uitkeringen.
Ook is samenloop van
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet denkbaar met
eventuele andere uitkeringen dan WAO- en WAZ-uitkeringen. Het tweede lid, onderdeel
b, van dit artikel biedt voor die samenloopgevallen
eveneens de mogelijkheid bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
nadere en zo nodig afwijkende regels te stellen. Het derde lid komt
overeen met hetgeen in artikel 43 van de AAW
was bepaald, met dien
verstande dat naast de niet tot uitbetaling komende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
en niet-betaalde vakantie-uitkeringen ook het bedrag aan
premies dat de werkgever daarover verschuldigd zou zijn indien die wel zouden zijn uitbetaald, aan ’s Rijks kas dient te worden
afgedragen.
Artikel 51. Betaling van
vakantie-uitkering [zie
art. 52 Wajong,
red.]
In het eerste lid wordt
aangegeven dat de vakantie-uitkering in de maand mei wordt betaald.
Er wordt dan uitgekeerd het bedrag over de twaalf maanden
voorafgaand aan die maand. Er zijn evenwel situaties denkbaar waarin het in de
rede ligt de vakantie-uitkering op een ander tijdstip te betalen. Dit
geldt allereerst wanneer een recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering
eerder dan in mei eindigt. De bedrijfsvereniging heeft de bevoegdheid de
vakantie-uitkering op een ander tijdstip uit te betalen als de
verzekerde daartoe een verzoek doet. In tegenstelling tot hetgeen artikel 56
van de AAW
bepaalt, zijn in dit lid alle afwijkingen ten opzichte van betaling
in de maand mei opgenomen. Het treffen van een ministeriële
regeling ter zake is dan niet nodig.
De overeenkomstige
toepassing in het tweede lid van de artikelen 46 [47], 48
[49] en 52 [53] betreft de
toepasselijkheid van een aantal artikelen over de betaling. Voor zover voor de
vakantie-uitkering niet anders is geregeld, gelden deze artikelen ook voor de
vakantie-uitkering. Het gaat om de artikelen over de betaalbaarstelling, de
uitbetaling aan instellingen en de betaling van overlijdensuitkering.
Artikel 52.
Overlijdensuitkering [zie
art. 53 Wajong,
red.]
Op grond van dit artikel
wordt na overlijden van de uitkeringsgerechtigde de arbeidsongeschiktheidsuitkering enige tijd doorbetaald. Deze
doorbetaling vindt plaats
in de vorm van een overlijdensuitkering. Rechthebbend ten aanzien
van de overlijdensuitkering is allereerst de langstlevende echtgenoot
indien de overledene niet duurzaam gescheiden leefde van de andere
echtgenoot. Indien er geen langstlevende rblz.|49|
echtgenoot is, zijn
rechthebbend de minderjarige wettige en natuurlijke kinderen. Indien ook die
er niet zijn, zijn rechthebbend de personen ten aanzien van wie de
overledene grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in
gezinsverband leefde. Ten aanzien van deze laatste groep rechthebbenden kan worden opgemerkt dat deze zowel
(bloed)verwanten van de overledene kunnen zijn als ook personen kunnen zijn die geen
familierechtelijke betrekkingen met de overledene hebben gehad. Genoemde
volgorde is dwingend in die zin dat als er een rechthebbende is als
bedoeld in onderdeel a, er geen volgende rechthebbenden meer zijn.
Het kan zijn dat de
overledene op de dag van zijn overlijden geen recht op uitkering had. Het
recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt immers op de eerste dag
van de maand waarin de jonggehandicapte de leeftijd van 65 jaar
bereikt. Indien de jonggehandicapte om die reden geen recht meer heeft op
uitkering en hij overlijdt vóór de dag waarop hij 65 jaar zou worden, wordt
niettemin toch overlijdensuitkering verstrekt aan de rechthebbende(n). Dat
wordt geregeld in het tweede lid door deze persoon gelijk te stellen
met een uitkeringsgerechtigde.
In het derde lid is de
gelijkstelling neergelegd van niet met elkaar gehuwde personen met
echtgenoten. Deze gelijkstelling komt overeen met die welke in andere socialeverzekeringswetten is neergelegd. De
voorheen in ZW, WAO en
AAW
bestaande uitzondering voor bloedverwanten in de eerste of tweede
graad is vervangen door een uitzondering alleen voor
bloedverwanten in de eerste graad. Dat leidt ertoe dat wanneer een
uitkeringsgerechtigde een gezamenlijke huishouding voert met een bloedverwant in
de tweede graad, dat wil zeggen een broer of zus dan wel een
grootouder of kleinkind, en ook overigens aan de omschrijving van het vierde
lid voldoet, na zijn overlijden deze bloedverwant
als echtgenoot aanspraak kan maken op overlijdensuitkering.
In het zesde lid is de
hoogte van de overlijdensuitkering aangegeven. Uitgangspunt bij de
berekening is de hoogte van de uitkering op de dag van overlijden. Voor degene op wie het tweede lid van toepassing is, is
bepalend de
uitkeringshoogte op de laatste dag van zijn uitkeringsrecht.
Gerekend vanaf de dag
volgend op de dag van overlijden van de uitkeringsgerechtigde is
de overlijdensuitkering gelijk aan het bedrag van één maand uitkering. Een
voorbeeld ter verduidelijking. Een uitkeringsgerechtigde overlijdt op 10
januari.
Tot en met die dag bestaat recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Vanaf 11 januari tot en met 10 februari wordt de uitkering
doorbetaald in de vorm van overlijdensuitkering. De uitkeringshoogte op 10
januari is bepalend voor de hoogte van de overlijdensuitkering over
de daaropvolgende dagen in de periode van 11 januari tot en met 10
februari.
Zou de overledene in
kwestie op 20 januari 65 jaar zijn geworden, dan is zijn recht op uitkering
geëindigd op 31 december van het voorafgaande jaar. In dat geval is de
uitkeringshoogte op 31 december bepalend voor de hoogte van de overlijdensuitkering in de periode van 11 januari tot en met
10 februari.
Overlijdt de
uitkeringsgerechtigde op een zaterdag of een zondag, dan bestaat over die dag geen
recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering. Alsdan is de uitkeringshoogte op de vrijdag daaraan voorafgaand
bepalend.
Met het zevende lid wordt
voorkomen dat onbedoeld een voortijdig einde aan de overlijdensuitkering komt. Dat zou kunnen gebeuren in de
situatie dat een jonggehandicapte op 15 januari overlijdt terwijl hij op 4
februari 65 jaar zou zijn geworden. Consequentie zou dan zijn dat met ingang van 1 februari de
uitkering eindigt. Dit is ongewenst. In verband hiermee wordt in het
zevende lid artikel 17, eerste lid, onderdeel a, in verband met het
overlijden van de uitkeringsgerechtigde buiten werking gesteld.
De overlijdensuitkering
wordt in een bedrag ineens uitbetaald. De rblz.|50|
uitbetaling geschiedt
eerst na een daartoe strekkend verzoek van de rechthebbende of rechthebbenden. Dit is verwoord in het achtste en
negende lid.
Afhankelijk van de dag
van overlijden, het moment waarop de overlijdensmelding bij de bedrijfsvereniging
binnenkomt en de dag waarop de reguliere uitkering wordt betaald, zal het in de praktijk vaak voorkomen
dat de reguliere
uitkering al over de gehele maand is betaald op het moment dat de
uitkeringsgerechtigde overlijdt. Om te voorkomen dat over een bepaalde, na het
overlijden gelegen periode zowel een reguliere uitkering als een
overlijdensuitkering wordt betaald, wordt in het tiende lid bepaald dat de
overlijdensuitkering wordt verminderd met het bedrag aan uitkering dat over na
het overlijden gelegen dagen reeds aan de overledene was betaald.
Over het bedrag aan
overlijdensuitkering bestaat recht op vakantie-uitkering. Dat is neergelegd in
artikel 22 [23].
Artikel 54.
Terugvordering [zie
art. 55 Wajong,
red.]
Dit artikel komt overeen
met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid opgenomen artikel 48 AAW. In dit artikel is de verplichting neergelegd tot terugvordering van al hetgeen in
het kader van de uitkeringsrelatie onverschuldigd is betaald. Het gaat om
een terugvordering van de persoon aan wie of de instelling waaraan de uitkering is betaald. Dat
betekent een terugvordering niet alleen van de jonggehandicapte zelf,
maar ook van andere instellingen die in plaats van de jonggehandicapte (een
deel van de) uitkering hebben ontvangen op grond van deze
wet. Een
terugvordering van willekeurige derden die bijvoorbeeld als gevolg
van een foutieve overboeking gelden hebben ontvangen, kan niet op de
voet van dit artikel plaatsvinden. In die situatie is immers geen sprake van
betaling van verstrekkingen op grond van deze wet. Alsdan zal op de
voet van het BW
terugvordering van onverschuldigde betaling moeten
plaatsvinden.
Terugvordering vindt
plaats van achteraf onverschuldigd verstrekte uitkeringen of voorzieningen als gevolg van een
herzienings- of
intrekkingsbeslissing
genoemd in artikel 16. Door deze beslissing komt de rechtsgrond aan een reeds
verleende uitkering of voorziening geheel of gedeeltelijk te
ontvallen. Het kan bij zo’n beslissing gaan om zowel de inhoudelijke aspecten van
de uitkering, zoals het recht op uitkering en de verlaging van de
uitkering bij wege van maatregel, als om vergissingen, zoals rekenfouten. Beide
leiden tot herstel van het toekenningsbesluit. Dat op grond van het eerste
lid hetgeen overigens onverschuldigd is betaald ook teruggevorderd wordt,
heeft ermee te maken dat er ook terugvordering moet plaatsvinden in de
gevallen dat er geen sprake is van een herzienings- of
intrekkingsbeslissing. Dat doet zich bijvoorbeeld voor als
er een goed besluit is getroffen, doch abusievelijk een hoger bedrag wordt
betaald dan het besluit vermeldt. De in het eerste lid gekozen formulering
impliceert tevens dat in
de gevallen waarin achteraf, als gevolg van een rechterlijke uitspraak,
wijziging in het recht op uitkering optreedt, terugvordering
plaatsvindt.
Het tweede lid komt
overeen met hetgeen in artikel 16, tweede lid, 38 [39], tweede lid, en
39 [40], derde
lid, is bepaald. Uitzonderingen moeten mogelijk zijn indien de terugvordering voor de belanghebbende onaanvaardbare
consequenties heeft. Daarbij moet het om incidentele gevallen gaan, gebaseerd op een
individuele afweging van alle relevante omstandigheden. Van algemene of
categoriale afwijkingen kan geen sprake zijn. Toepassing van dringende
redenen dient te geschieden met inachtneming van de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur. Bij dringende redenen behoeft niet
alleen aan financiële omstandigheden te worden gedacht. Ook immateriële omstandigheden kunnen een rol spelen. Wat de
financiële omstandigheden betreft, kan nog worden bedacht dat in het algemeen
rblz.|51|
voldoende bescherming
wordt geboden door de beslagvrije voet (zie artikel 55 [56], tweede lid,
jo. 45 [46], negende lid). Dringende redenen worden niet gevormd door doelmatigheidsoverwegingen, in die zin dat op grond van
een kosten-batenafweging van uitoefening van de verplichting door de bedrijfsvereniging kan
worden afgezien. Uit een oogpunt van rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en
preventieve werking is het consequent ten uitvoer leggen van deze
besluiten van groot belang.
Evenals bij een besluit
tot boeteoplegging is bepaald (zie artikel 41 [42], eerste lid), zal in een
terugvorderingsbesluit informatie moeten worden verstrekt over de wijze
van tenuitvoerlegging van dat besluit. Het derde lid voorziet daarin.
Het vierde lid komt
overeen met artikel 39 [40], vierde lid. De niet-nakoming van deze inlichtingenverplichting zal in het invoeringstraject strafbaar
worden gesteld op grond
van artikel 108 van de Organisatiewet sociale verzekeringen. Voorts
leidt niet-nakoming van deze inlichtingenverplichting tot verlies van de
bescherming van de beslagvrije voet.
Artikel 55. Besluit als
executoriale titel [zie
art. 56 Wajong,
red.]
Dit artikel komt overeen
met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid opgenomen artikel 48a AAW. Evenals een boetebesluit (artikel
45 [46], eerste lid) levert het besluit tot
terugvordering een
executoriale titel op.
Artikel 56. Nadere regels
[zie art. 57 Wajong,
red.]
Dit artikel komt overeen
met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid opgenomen artikel 48b AAW. Evenals bij het treffen van maatregelen (artikel
38 [39], vierde lid) en in geval
van opleggen van boete,
is ter wille van afstemming op het concrete geval ter zake van
terugvordering regelgeving nodig. In de wetgeving kan niet verder worden gegaan dan
het aangeven van enkele kaders. Ten aanzien van de reikwijdte van
deze gedelegeerde regelgeving kan worden verwezen naar paragraaf
10 (Nadere regelgeving) van het algemeen deel van de toelichting bij
het wetsvoorstel (Kamerstukken II 1994-1995, 23 909) dat tot de Wet boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid heeft
geleid.
Artikel 57.
Onvervreemdbaarheid van verstrekkingen [zie
art. 58 Wajong, red.]
Teneinde te bereiken dat
de op basis van deze wet verleende uitkeringen zoveel mogelijk
beantwoorden aan het doel waarvoor zij worden verstrekt, te weten een inkomensvoorziening, wordt in dit artikel bepaald
dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering, de verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering,
de vakantie-uitkering, de voorziening, de toelage noch de
vergoeding op grond van artikel 25 [26], in eigendom kan worden overgedragen of
kan worden beleend dan wel verpand. Met geen beding kan daarvan worden afgeweken. Op de arbeidsongeschiktheidsuitkering,
de vakantie-uitkering en
de toelage kan overigens wel beslag worden gelegd.
Artikel 58. Niet voor
beslag vatbare verstrekkingen [zie
art. 59 Wajong,
red.]
Een aantal verstrekkingen
op grond van deze wet is uitgezonderd van de mogelijkheid tot
beslaglegging. Dat zijn de verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
in verband met
hulpbehoevendheid, de voorzieningen, de vergoeding bedoeld in artikel 25
[26] en de overlijdensuitkering.
Gelet op het feit dat een
verleende voorziening niet vatbaar is voor beslag, ligt het in de
rede ook de vergoeding beslagvrij te houden. Deze rblz.|52|
vergoeding houdt namelijk
rechtstreeks verband met de verstrekte voorziening. Dat geldt
niet voor de toelage bedoeld in artikel 25 [26], die veeleer het karakter
heeft van een tegemoetkoming wegens gederfde inkomsten en als zodanig
overeenkomt met een uitkering die dat karakter eveneens heeft.
Artikel 59. Samenloop
aanspraken [zie
art. 60 Wajong,
red.]
Wanneer de
arbeidsongeschiktheid van een jonggehandicapte is ontstaan door toedoen van
een ander die daarvoor naar burgerlijk recht verplicht is tot schadevergoeding, moet worden voorkomen dat langs
twee wegen schadevergoeding kan worden verkregen. Met het oog daarop is in dit artikel
bepaald dat de rechter die oordeelt over de schadevergoeding naar
burgerlijk recht, rekening houdt met de aanspraken die de
jonggehandicapte op grond van deze wet heeft.
Artikel 60. Regresrecht
[zie art. 61 Wajong,
red.]
In
paragraaf 6.2 van het
algemeen deel van de toelichting is ingegaan op de achtergronden van
het voorstel tot uitbreiding van het regresrecht.
Over de omvang van het
regres is het volgende bepaald. De rechter moet bij het vaststellen
van de schadevergoeding rekening houden met de aanspraken die de jonggehandicapte krachtens
deze wet heeft (artikel 60 [61]). Vervolgens kan de bedrijfsvereniging de door haar gemaakte kosten op de schadeplichtige
verhalen. Omdat het regresrecht van de bedrijfsvereniging in het verlengde ligt van
de schadevergoedingsvordering van de jonggehandicapte, is dit
verhaal aan een maximum gebonden. Dit wordt gedaan door een fictie op
te nemen: de bedrijfsvereniging kan niet méér verhalen dan het bedrag
dat de jonggehandicapte zou kunnen vorderen als de betreffende
sociale verzekering niet zou hebben bestaan. Dit maximum wordt het civiel
plafond genoemd.
Om de hoogte van het
regres te kunnen vaststellen moet de rechter dus eerst de hoogte van de
schadevergoeding van het slachtoffer vaststellen zoals die zou zijn geweest als er geen sociale verzekeringen waren
geweest. De rechter gaat
er dan van uit dat in die situatie het slachtoffer een schadevergoeding
ontvangen zou hebben uit een particuliere verzekering. Aangezien
dergelijke uitkeringen in het algemeen niet aan de heffing van belasting en
sv-premies [socialeverzekeringspremies, red.] onderworpen zijn, gaat het bij het maximaal verhaalbare
bedrag om een nettobedrag. Deze systematiek is door de Hoge Raad een
aantal malen bevestigd, laatstelijk bij arrest van 25 februari 1995, NJ
1995, 608 (Sterpolis/Staat).
Het tweede lid van dit
artikel bepaalt dat de bedrijfsvereniging in plaats van de periodieke
verstrekkingen de contante waarde daarvan kan vaststellen in de vorm van een jaarlijkse
afkoopsom die de totale schade
als gevolg van het
veroorzaken van arbeidsongeschiktheid weerspiegelt.
Artikel 61. Verplichting
tot verstrekken van inlichtingen [zie
art. 62 Wajong,
red.]
Dit artikel behelst de
algemene verplichting tot het verstrekken van alle mededelingen die van
invloed kunnen zijn op het recht op, de hoogte en het bedrag van de uitkering. Deze verplichting geldt allereerst de
jonggehandicapte, zoals
omschreven in artikel 5. Afgezien van de jonggehandicapte is diens
wettelijke vertegenwoordiger mededelingsplichtig. Tot slot betreft de
verplichting de instelling waaraan de Wajong-uitkering wordt
betaald op grond van artikel 48 [49].
De
inlichtingenverplichting strekt zich tevens uit over de aanspraak op vakantie-uitkering. De
inlichtingenverplichting geldt tevens degene ten aanzien van wie een
voorziening wordt getroffen of overwogen of aan wie een toelage of vergoeding
is verleend.
Het niet of niet
behoorlijk nakomen van de verplichting voortvloeiend rblz.|53|
uit dit artikel, kan op
grond van artikel 16 of 24 [25] leiden tot herziening of intrekking van uitkering
of een voorziening, en op grond van artikel 39 [40]
leiden tot een boete.
Daarnaast wordt op grond van artikel 46 [47]
de betaling van uitkering geschorst
of opgeschort, als de bedrijfsvereniging op grond van duidelijke
aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft dat de
jonggehandicapte of diens wettelijke vertegenwoordiger de inlichtingenverplichting
niet of niet behoorlijk is nagekomen.
Artikel 62.
Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten [zie
art. 63 Wajong, red.]
De middelen tot dekking
van de uitgaven, bedoeld in artikel 64 [65], en de uitgaven die op grond van
artikel 64 [65] moeten worden gedaan, worden ten gunste, respectievelijk
ten laste gebracht van een Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten.
Evenals dat voor andere socialeverzekeringsfondsen geldt, zoals het Algemeen
Werkloosheidsfonds, maakt dit fonds onderdeel uit van het
Tica en wordt het apart beheerd en geadministreerd.
Artikel 63. Middelen tot
dekking van de uitgaven [zie
art. 64 Wajong,
red.]
In dit artikel is
bepaald op welke wijze in de middelen tot dekking van de uitgaven ten laste van
het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten wordt
voorzien. Zoals in het algemeen deel van de toelichting reeds is
gesteld, vindt financiering plaats ten laste van de algemene middelen. In de
middelen tot dekking van de uitgaven wordt derhalve in de eerste
plaats voorzien door het Rijk. Voorts wordt daarin voorzien door de
vereveningsbijdragen die op grond van artikel 47 [48]
op de verstrekte uitkeringen in
mindering worden gebracht, de geïnde boeten wegens niet of niet
voldoende naleving van de inlichtingenverplichting en
de bedragen die de bedrijfsvereniging int door toepassing van het recht van verhaal.
Voorts is in dit kader
artikel 74 van de Organisatiewet sociale verzekeringen van belang. Op grond van
dat artikel worden de wijze waarop en de voorwaarden waaronder
de afdracht van gelden door het Rijk aan het Tica ten gunste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten
plaatsvindt, bij ministeriële regeling vastgelegd. Over die regels dient overeenstemming te
bestaan met de Minister van Financiën.
Artikel 64. Uitgaven ten
laste van Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten [zie
art. 65 Wajong, red.]
Dit artikel somt de
bedragen op die ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten worden
gebracht. Dat zijn in eerste instantie alle
uitkeringen die op basis van deze wet worden gedaan, te weten
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, uitkeringen in verband met bevalling,
vakantie-uitkeringen en overlijdensuitkeringen. Voorts komen voorzieningen op grond
van artikel 23 [24] en toelagen en vergoedingen op grond van artikel 25
[26] ten
laste van het fonds.
Premies die wettelijk
zijn verschuldigd door de bedrijfsvereniging over de uitkering, zonder dat
deze op de uitkering in mindering kunnen worden gebracht, komen tevens
ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten. Te
denken valt hierbij onder andere aan het deel van de premie op grond van de
Ziekenfondswet dat de bedrijfsvereniging verschuldigd is. Toelagen
door het Tica verleend op basis van artikel 66 [67]
en de kosten die uitvoering
van deze wet met zich brengt, komen tenslotte ook ten laste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten.
Voor de financiering van
deze uitgaven dient het Tica op grond van het tweede lid ten laste van
het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten gelden
aan de bedrijfsvereniging ter beschikking te stellen. Het derde lid
geeft het Tica de bevoegdheid ter uitvoering van het rblz.|54|
eerste en tweede lid
regels te stellen. Deze regels behoeven de goedkeuring van het
College van toezicht sociale verzekeringen.
Artikel 65. Uitvoering
door bedrijfsvereniging [zie
art. 66 Wajong, red.]
Op grond van
deze wet is,
met het oog op de efficiency, één bedrijfsvereniging belast met de uitvoering
van deze wet, te weten de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. Het gaat hierbij onder meer om alle
aspecten rond het recht
op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering en de betaling
van uitkering. De Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging is op grond van artikel
61, eerste lid, AAW
ook thans ten aanzien van jonggehandicapten in
de meeste gevallen met de uitvoering belast. Op grond van het tweede
lid worden regels gesteld die voorzien in een bevoegde
bedrijfsvereniging in de situatie dat een persoon aan wie reeds eerder een
WAO- of WAZ-uitkering was toegekend, later tevens recht verkrijgt op toekenning
van Wajong-uitkering.
Artikel 66. Verlening
toelagen [zie
art. 67 Wajong, red.]
Op basis van dit artikel
kunnen instellingen en organisaties zich tot het Tica wenden met een
verzoek om een financiële bijdrage in projecten van uiteenlopende aard.
Voorbeeld daarvan kan zijn het ontwikkelen van voorzieningen voor
gehandicapten. De activiteiten van deze instanties dienen behoud, herstel of
bevordering van de arbeidsgeschiktheid tot doel te hebben.
Subsidieaanvragen zullen door het Tica dan ook op basis van deze criteria
getoetst.
Artikel 67. Begrip
belanghebbende [zie
art. 68 Wajong,
red.]
Met dit artikel wordt, in
afwijking van de Algemene wet bestuursrecht, een begrip belanghebbende
gedefinieerd. Deze inperking van het begrip belanghebbende geldt uitsluitend besluiten inzake het bestaan, het
voortbestaan en de mate
van arbeidsongeschiktheid. Belanghebbende in deze is de
jonggehandicapte wiens aanspraken deze besluiten betreft. Uitgaan van het algemene
belanghebbendebegrip van de Awb zou ertoe kunnen leiden dat meer
personen als belanghebbend zouden kunnen worden aangemerkt in deze
kwesties, die toch als overwegend privacygevoelig moeten worden beschouwd.
Artikel 68.
Beslistermijnen [zie
art. 69 Wajong,
red.]
Ten aanzien van de
termijn waarbinnen een beschikking op aanvraag dan wel een beschikking
ambtshalve moet worden gegeven, kunnen bij AMvB regels worden gesteld. Deze AMvB draagt een tijdelijk karakter. Bij
het treffen van deze AMvB
zal naar verwachting worden aangesloten bij het Besluit
beslistermijnen socialeverzekeringswetten. Het gaat bij deze regels om beschikkingen
die de bedrijfsvereniging geeft.
Artikel 69. Beslistermijn
bedrijfsvereniging bij bezwaarschrift [zie
art. 70 Wajong, red.]
Met dit artikel is
afgeweken van artikel 7:10 van de Awb, dat zegt dat beslissingen op bezwaar
binnen zes of, als er een externe adviescommissie is ingesteld, binnen 10
weken moeten zijn genomen. Voor de bedrijfsvereniging geldt
ten aanzien van beslissingen op bezwaar een termijn van dertien
weken.
rblz.|55|
Artikel 70. Medische
bezwaarschriftprocedure [zie
art. 71 Wajong,
red.]
Aangezien de beoogde
datum van inwerkingtreding van deze wet - 1 januari 1997
[eerst op 1 januari 1998 heeft dit voorstel kracht van wet gekregen, red.]
- samenvalt met de datum waarop de verplichte
bezwaarschriftprocedure
integraal in de arbeidsongeschiktheidswetten dient te worden
ingevoerd, is in dit artikel voorzien in de mogelijkheid om bij algemene
maatregel van
bestuur regels te stellen met betrekking tot medische
bezwaarschriftenprocedures.
Artikel 71. Beroep in
cassatie [zie
art. 72 Wajong,
red.]
Dit artikel opent de
mogelijkheid cassatieberoep in te stellen naar aanleiding van een beslissing door de bedrijfsvereniging genomen over
het in artikel 3
gehanteerde begrip "ingezetene". Het ingezetene zijn is één van de
voorwaarden die artikel 5 stelt om als jonggehandicapte te worden aangemerkt. Naar
aanleiding van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep over een
beslissing over het ingezetene zijn kan een belanghebbende beroep in
cassatie instellen. Aangezien ook door de belastingdienst
beschikkingen worden afgegeven ter zake van het verzekerd zijn is, om te
voorkomen dat tussen de rechter in belastingzaken en de rechter in
socialeverzekeringszaken verschil van mening over de
uitleg van het begrip ingezetene zou ontstaan, deze cassatiemogelijkheid
opgenomen.
Artikel 72. Strafbepaling
[zie art. 73 Wajong,
red.]
Dit artikel komt overeen
met artikel 86 van de AAW. Deze bepaling spreekt voor zich.
Artikel 73. Verval van
recht tot strafvordering [zie
art. 74 Wajong,
red.]
Dit artikel komt overeen
met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid opgenomen artikel 87 AAW. Dit artikel geeft, samen met
het voorgestelde artikel 42 [43], uitwerking aan het
una-viabeginsel. Zodra
de bedrijfsvereniging een boete heeft opgelegd, kan wegens dezelfde
gedraging geen strafrechtelijke afdoening meer volgen. Aan de andere
kant kan geen administratiefrechtelijke boete meer worden opgelegd indien
ter zake van de gedraging strafvervolging is ingesteld die zover is
gevorderd dat het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan
wel het recht op strafvervolging is vervallen door een schikking met
het OM op de voet van artikel 74 Wetboek
van Strafrecht.
Artikel 74. Overtredingen
[zie art. 75 Wajong,
red.]
Dit artikel komt overeen
met het in de Wet boeten, maatregelen en terug- en
invordering sociale zekerheid opgenomen artikel 88 AAW
en behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 75.
Overgangsbepaling studerende in de zin van artikel 5 [zie
art. 76 Wajong, red.]
In dit artikel worden als
studerenden aangemerkt kinderen voor wie de ouders recht op
kinderbijslag hebben op grond van artikel
XII, onderdeel a, van de zogenaamde Veegwet. Bij
artikel XI, onderdeel D, van die
wet is het recht op
kinderbijslag voor studerende kinderen van 18 jaar en ouder afgeschaft. In
artikel XII, onderdeel a, is een overgangsbepaling opgenomen inhoudende dat
ouders die over het vierde kwartaal van 1995 recht hadden op
kinderbijslag voor een studerend kind van 18 jaar of ouder dan wel voor een
studerend kind dat op 30 september 1995 17 jaar oud was, dit recht
behouden tot het einde van de studie van het kind. Dit rblz.|56|
geldt alleen zolang
deze
kinderen dezelfde schoolsoort blijven volgen. Het wordt wenselijk geacht
ook deze groep studerenden, indien onverhoopt arbeidsongeschiktheid
optreedt, onder de werking van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten te
brengen.
Artikel 76. Buitentoepassingverklaring van Algemene
termijnenwet [zie
art. 77 Wajong,
red.]
De
Algemene
termijnenwet geeft regels voor de berekening van termijnen in verband met
de zaterdag, zondag en algemeen erkende feestdagen. Op grond van
die wet moet een bij wet gestelde termijn die op één van de genoemde
dagen eindigt, worden verlengd tot de eerstvolgende dag, niet
zijnde een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag. Als erkende
feestdag gelden Nieuwjaarsdag, tweede paas- en pinksterdag,
Koninginnedag, Hemelvaartsdag, de beide Kerstdagen en de vijfde mei. Goede
Vrijdag is met deze dagen gelijkgesteld. De Algemene termijnenwet
geldt onder meer niet voor termijnen die zijn omschreven in meer dan
twaalf weken, drie maanden of in één of meer jaren.
Met dit artikel wordt ten
aanzien van een aantal in deze wet genoemde
tijdvakken de Algemene
termijnenwet buiten toepassing verklaard. Dat betreft de tijdvakken van vier weken, genoemd in de
artikelen 6, tweede
en vierde lid, 12, derde
lid, 13, 14, eerste lid,
15, 18 [19] en 19 [20].
Artikel 77.
Inwerkingtreding [zie
art. 78 Wajong,
red.]
Het voornemen bestaat om
deze wet in werking te doen treden op 1 januari 1997.¹ Op dit
moment kan nog niet worden vastgesteld of alsdan alle artikelen van deze
wet tegelijkertijd in werking kunnen treden. Met het oog daarop is de
inwerkingtreding bepaald op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, met de
mogelijkheid onderdelen op verschillende tijdstippen in te laten
gaan.
1. Bij Besluit
van 2 september 1997, Stb. 1997, 391, is het tijdstip van
inwerkingtreding bepaald op 1 januari 1998, red.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
R.L.O. Linschoten
|