|
REGELING van de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
van 22 september 2005, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/R&S/2005/73174,
houdende regels met betrekking tot de financiering van scholing van
jonggehandicapten met ernstige scholingsbelemmeringen (Subsidieregeling
scholing jonggehandicapten met ernstige scholingsbelemmeringen)
De Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 50a
van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten;
Besluit:
Art.
1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. de minister: de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
b. jonggehandicapte met ernstige
scholingsbelemmeringen: de jonggehandicapte die:
1º. na scholing of opleiding, die strekt
tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het
verrichten van arbeid, in staat is algemeen geaccepteerde arbeid te
verrichten als bedoeld in 2:5 of 3:1
van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten; en
2º. als rechtstreeks en objectief medisch
vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek, ook met toepassing van
voorzieningen als bedoeld in de artikelen 35 en
36 van de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen en artikel 2.17 van de
Wet invoering en
financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, ernstige
belemmeringen ondervindt bij het deelnemen aan dergelijke scholing of
opleiding;
c. scholingsinstelling:
rechtspersoon die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf
door scholing de inschakeling van jonggehandicapten met ernstige
scholingsbelemmeringen in de arbeid bevordert;
d. cohort: een groep
jonggehandicapten met ernstige scholingsbelemmeringen die in een bepaald
kalenderjaar zijn opleiding aan een scholingsinstelling is aangevangen;
e. cohortperiode: periode van drie
jaar en zeven maanden waarin een cohort een opleiding volgt aan een
scholingsinstelling.
Art.
2. Subsidie scholingsinstellingen
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verstrekt één keer per drie jaar op
aanvraag, telkens voor de duur van vijf kalenderjaren en zeven maanden, subsidie ten behoeve van een scholingsinstelling die
beroepsonderwijs voor jonggehandicapten met ernstige
scholingsbelemmeringen verzorgt als bedoeld in artikel 7.2.2 van de Wet
educatie en beroepsonderwijs, voor zover de jonggehandicapte op of na 1
januari 2006 dit onderwijs is gaan volgen en dat onderwijs is gericht op
het verwerven van arbeidsmarktgerichte diploma’s of deelcertificaten.
-2. De beschikking tot verlening van
subsidie als bedoeld in het eerste lid vermeldt de verhouding tussen het
bedrag van de subsidie en de door de subsidieontvanger te verrichten
activiteiten.
Art.
3. Subsidieplafond
De minister stelt één keer per drie jaar,
telkens voor de duur van vijf kalenderjaren en zeven maanden, het
subsidieplafond per cohort vast dat naar de klassen, bedoeld in
artikel 4, eerste lid, kan verschillen en doet hiervan mededeling in de
Staatscourant. [Rss06-08]
[Rss07-09]
Art.
4. Verdeling beschikbare subsidie over aanvragers
-1. Na het verstrijken van de periode van
indiening, bedoeld in artikel 6, vijfde lid, worden de aanvragen,
per cohort conform de klassenindeling, bedoeld in bijlage 1, ingedeeld naar de
ernst van de handicap of de behoefte aan scholing van de cursisten op
wie de aanvraag betrekking heeft.
-2. Per cohort per klasse, bedoeld in bijlage
1,
worden de aanvragen in een rangorde geplaatst. Daarbij worden de
aanvragen beoordeeld naar de verhouding tussen de kosten van de
opleiding en het percentage jonggehandicapten dat na afronding van de
door de scholingsinstelling verzorgde scholing een dienstbetrekking
aangaat, waarbij de aanvraag met de gunstigste verhouding als eerste in
de rangorde wordt geplaatst.
-3. Indien het subsidiebedrag dat verleend
kan worden aan de subsidieaanvrager wiens aanvraag als eerste in de
rangorde is geplaatst lager is dan het subsidieplafond per cohort per klasse,
bedoeld in artikel 3, verleent het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen dat subsidiebedrag. Indien aan de aanvrager van
de volgende aanvraag een subsidiebedrag kan worden verleend dat lager is
dan het bedrag dat na beslissing op de eerste aanvraag resteert,
verleent het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen ook aan die
aanvrager dat subsidiebedrag, en zo vervolgens.
-4. Indien in de rangorde een aanvraag aan
de orde is waarop een hoger bedrag kan worden verleend dan het bedrag
dat van het subsidieplafond per cohort per klasse resteert, wordt het
subsidiebedrag bepaald gelijk aan het van het subsidieplafond per cohort
per klasse resterende bedrag.
-5. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen wijst resterende aanvragen af.
Art.
5. Subsidieaanvrager
-1. De subsidie wordt aangevraagd door een
natuurlijk persoon of een rechtspersoon die gemachtigd is om de
scholingsinstelling ten behoeve waarvan de subsidie wordt aangevraagd,
in rechte te vertegenwoordigen.
-2. De subsidie wordt verstrekt aan de
subsidieaanvrager.
Art.
6. Subsidieaanvraag
-1. De aanvraag tot subsidieverlening
wordt ingediend bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
-2. De subsidieaanvrager maakt bij de
indiening van de aanvraag gebruik van het daartoe door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te verstrekken formulier.
-3. Bij de aanvraag wordt overgelegd:
a. een beschrijving van de
onderwijsvorm van de scholingsinstelling;
b. een begroting van de voor
subsidie in aanmerking te brengen kosten;
c. een opgave van het aantal
jonggehandicapten met ernstige scholingsbelemmeringen van wie scholing
met de subsidie wordt bekostigd;
d. een document waaruit blijkt dat
de subsidieaanvrager gemachtigd is de scholingsinstelling ten behoeve
waarvan subsidie wordt aangevraagd, in rechte te vertegenwoordigen;
e. gegevens met betrekking tot het
aantal jonggehandicapten met ernstige scholingsbelemmeringen dat in de
laatste vijf jaar na het volgen van een opleiding bij een
scholingsinstelling in de arbeid is ingeschakeld.
-4. Indien de subsidieaanvrager voor de
kosten, bedoeld in artikel 7, subsidie van een ander bestuursorgaan
heeft aangevraagd of ontvangen, dan wel in verband daarmee van anderen
inkomsten verwerft, doet hij daarvan mededeling in de aanvraag.
-5. Een aanvraag om subsidie wordt een
zodanig tijdstip verzonden dat het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen deze ontvangt vóór 1 november van het jaar
voorafgaand aan het eerste kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking
heeft. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen geeft een
beschikking binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.
-6.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen neemt een aanvraag tot
subsidieverlening voor een bedrag van minder dan €|125
000,00 niet in behandeling.
Art.
7. Subsidiabele kosten
Voor subsidie kunnen slechts in aanmerking worden gebracht de volgende
noodzakelijke, rechtstreeks aan de voorbereiding en de feitelijke
uitvoering van de scholing of opleiding van jonggehandicapten met
ernstige scholingsbelemmeringen toe te rekenen, werkelijk gemaakte en
ten laste van de scholingsinstelling ten behoeve waarvan de subsidie is
aangevraagd, gebleken kosten van:
a. personeel;
b. lesmateriaal;
c. kosten van huisvesting, ICT en
andere indirecte kosten;
d. de woonfunctie van de
jonggehandicapte met ernstige scholingsbelemmeringen;
e. vervoer als bedoeld in artikel
9,
eerste lid, onderdeel j;
f. inschakeling in de arbeid.
Art.
8. Omvang subsidie
De subsidie voor de kosten, bedoeld in artikel 7, bedraagt maximaal het
in de beschikking tot subsidieverlening overeenkomstig artikel 4
vastgestelde bedrag.
Art.
9.¹ Weigering subsidie
Subsidie wordt geweigerd, indien:
a. de voor subsidie in aanmerking te
brengen kosten niet in een redelijke verhouding staan tot de daarvan te
verwachten resultaten;
b. de subsidie betrekking heeft op
kosten die vóór de subsidieaanvraag zijn gemaakt;
c. de administratieve organisatie
niet aan de in artikel 11 gestelde eisen voldoet;
d. de lokatie waar door de
scholingsinstelling onderwijs wordt geboden niet goed toegankelijk is
voor jonggehandicapten met ernstige scholingsbelemmeringen, voor zover
deze toegankelijkheid, de doelgroep van de scholingsinstelling waarvoor
de subsidie wordt aangevraagd in aanmerking nemende, noodzakelijk kan
worden geacht;
e. de scholingsinstelling niet is
aangepast aan het geven van arbeidsmarktgericht beroepsonderwijs aan
jonggehandicapten met ernstige scholingsbelemmeringen;
f. leraren en begeleiders van de
scholingsinstelling niet beschikken over kwalificaties waaruit blijkt
dat zij bevoegd en deskundig zijn met betrekking tot het geven van
beroepsonderwijs en begeleiding aan jonggehandicapten met ernstige
scholingsbelemmeringen;
g. het onderwijsprogramma van de
scholingsinstelling geen specifiek op jonggehandicapten met ernstige
scholingsbelemmeringen gericht beroepsonderwijs omvat;
h. de scholingsinstelling geen
ondersteuning biedt indien de jonggehandicapte met ernstige
scholingsbelemmeringen een stage volgt;
i. de scholingsinstelling bij het te
geven van onderwijs geen rekening houdt met de specifiek op de
jonggehandicapten met ernstige scholingsbelemmeringen gerichte
activiteiten op het terrein van de zorg;
j. de scholingsinstelling geen zorg
draagt voor het vervoer tussen het al dan niet tijdelijke woonadres van
jonggehandicapten met ernstige scholingsbelemmeringen en de
scholingsinstelling of tegemoetkoming in de kosten van dat vervoer;
k. de scholingsinstelling niet kan
aangeven met welke activiteiten wordt bevorderd dat de jonggehandicapte
met ernstige scholingsbelemmeringen direct aansluitend op de
schoolopleiding kan instromen in het arbeidsproces; of
l. de scholingsinstelling in
de twee jaar aansluitend op de afronding van de schoolopleiding door de
jonggehandicapte met ernstige scholingsbelemmeringen geen nazorg biedt.
m.¹ bij de subsidieverlening en de
subsidievaststelling wordt rekening gehouden met subsidies of inkomsten
als bedoeld in artikel 6, vierde lid.
1. Volgens de redactie
dient, mede gelet op de toelichting op artikel 9,
voor de tekst van artikel 9 de aanduiding "-1." te worden
geplaatst, dient de aanduiding voor onderdeel m te worden
vervangen door de aanduiding "-2." en dient "bij de
subsidieverlening" te worden vervangen door: Bij de
subsidieverlening.
Art.
10. Beschikking subsidieverlening/voorschot
-1. Indien de gevraagde subsidie geheel of
gedeeltelijk wordt verleend, geeft het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aan de
subsidieaanvrager een beschikking tot subsidieverlening waarbij per
cohortperiode voor ieder cohort ambtshalve een voorschot van ten hoogste
60% van de verleende subsidie voor dat specifieke cohort kan worden
verleend.
-2. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen is bevoegd in de cohortperiode ten hoogste één
keer een tweede voorschot toe te kennen, waarbij de hoogte van het
eerste en tweede voorschot tezamen ten hoogste 60% van de verleende
subsidie voor dat specifieke cohort bedragen.
Art.
10a. Geen aanspraak vervolgsubsidie
Verstrekking van subsidie door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen op grond
van deze regeling kan geen aanspraken doen ontstaan op verlening van een
vervolgsubsidie.
Art.
11. Administratie
-1. De subsidieaanvrager draagt zorg voor
een inzichtelijke en controleerbare administratie. Deze administratie
bestaat uit een leerlingenadministratie en een financiële
administratie, waarin alle voor de subsidieverlening en de
subsidievaststelling noodzakelijke gegevens tijdig, juist en volledig
zijn vastgelegd en zijn te verifiëren met bewijsstukken.
-2. De administratie biedt voldoende
mogelijkheden voor een goede accountantscontrole.
-3. De subsidieaanvrager draagt er zorg
voor dat voor de subsidieverlening en de subsidievaststelling
noodzakelijke bescheiden bewaard blijven tot en met vijf jaren na het
jaar waarin de subsidie is vastgesteld.
Art.
11a. Meldingsplicht en voortgangsverslag
-1. De subsidieaanvrager doet onverwijld
een schriftelijke melding zodra aannemelijk is dat de activiteiten
waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen
worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de
subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan.
-2. De in het vorige lid bedoelde
omstandigheid doet zich in ieder geval, doch niet uitsluitend, voor
indien er sprake is van een substantieel aantal minder te scholen
jonggehandicapten met ernstige scholingsbelemmeringen dan waarop de door
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen
afgegeven toekenningsbeschikking is gebaseerd.
-3. De subsidieaanvrager overlegt één
keer per periode van twaalf maanden een tussentijds
voortgangsverslag aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
conform de eisen die het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in
de beschikking aan dit verslag stelt.
Art.
12. Verantwoording en subsidievaststelling
-1. De subsidieaanvrager dient na afloop
van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend een aanvraag tot
subsidievaststelling in. Het verzoek tot subsidievaststelling wordt door
het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen ontvangen uiterlijk dertien weken na afloop
van de cohortperiode waarvoor subsidie is verleend. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen geeft een beschikking
binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.
-2. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid,
wordt ingediend onder gebruikmaking van het door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verstrekte formulier, dat
is ingericht overeenkomstig een door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen vast te stellen model, vergezeld van een
declaratie van de gemaakte subsidiabele kosten, bedoeld in artikel
7,
die is ingericht overeenkomstig een door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen vast te stellen model.
-3. De declaratie is voorzien van een
verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid,
van Boek 2 van
het Burgerlijk Wetboek. De verklaring van de accountant
is gebaseerd op een controle die is uitgevoerd overeenkomstig het door
het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voorgeschreven
controle- en rapportageprotocol.
-4. Op aanvraag kan de termijn, bedoeld in
het eerste lid, worden verlengd met ten hoogste dertien weken.
-5. Indien van de subsidieaanvrager niet
binnen de termijn, bedoeld in het eerste of vierde lid, een aanvraag tot
subsidievaststelling is ontvangen, stelt het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen de subsidie binnen acht weken na afloop van de
desbetreffende termijn ambtshalve vast.
Art.
13. Wijze subsidievaststelling
De subsidie wordt als volgt vastgesteld:
a.
de subsidie wordt per cohort vastgesteld op 20% van het op grond van artikel 4
vastgestelde bedrag;
b.
in aanvulling op de vaststelling, bedoeld in onderdeel a, wordt
de subsidie per cohort vastgesteld op 40% indien het in artikel 2
bedoelde opleidingsresultaat is behaald, met dien verstande dat het
genoemde percentage wordt gerelateerd aan het aantal jonggehandicapten
waarvoor een afrekening is ingediend en die in de desbetreffende
cohortperiode dat resultaat hebben behaald;
c. in aanvulling op de
vaststelling, bedoeld in de onderdelen a en b, wordt de
subsidie per cohort vastgesteld op 40% indien het in de aanvraag
genoemde aantal of een hoger aantal jonggehandicapten, nadat zij het in artikel 2
bedoelde opleidingsresultaat hebben behaald, een dienstbetrekking is
aangegaan, met dien verstande dat:
1º.
het genoemde percentage wordt gerelateerd aan het aantal
jonggehandicapten waarvoor een afrekening is ingediend en dat in de
desbetreffende cohortperiode dat opleidingsresultaat heeft behaald en in
deze cohortperiode een dienstbetrekking is aangegaan; en
2º.
voor zover de aangegane dienstbetrekkingen dienstbetrekkingen zijn in de
zin van artikel 2
van de Wet
sociale werkvoorziening, deze voor de vaststelling, bedoeld in de
aanhef, niet meer dan 20% van het totaal aantal aangegane
dienstbetrekkingen omvatten.
Art.
14. Aanvullende subsidie 2009-2012
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen verstrekt in het jaar 2009 eenmalig, voor de
duur van drie jaar en zeven maanden ingaande op 1 januari 2009, een
aanvullende subsidie ten behoeve van een scholingsinstelling die
beroepsonderwijs voor jonggehandicapten met ernstige
scholingsbelemmeringen verzorgt als bedoeld in artikel 7.2.2 van de Wet
educatie en beroepsonderwijs, voor zover de jonggehandicapte op of
na 1 januari 2006 dit onderwijs is gaan volgen en dat onderwijs gericht
is op het verwerven van arbeidsmarktgerichte diploma’s of
deelcertificaten.
-2. De minister
stelt het subsidieplafond vast voor de aanvullende subsidie, bedoeld in
het eerste lid, alsmede de maximale aanvullende subsidie per
subsidieaanvrager, welke naar de klassen, bedoeld in artikel
4, eerste lid, kunnen verschillen en doet hiervan mededeling in de Staatscourant.
-3. Een aanvraag om aanvullende subsidie,
bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend vóór 1 juli 2009.
-4. De artikelen 2, tweede
lid, 4, 5, 6, eerste
tot en met vierde lid, 7, 8, 9,
11 en 12 zijn van overeenkomstige
toepassing op de aanvullende subsidie, bedoeld in het eerste lid.
-5. Artikel 13 is van
overeenkomstige toepassing op de aanvullende subsidie, bedoeld in het
eerste lid, met dien verstande dat ten aanzien van de aanvullende
subsidie geldt dat het percentage, bedoeld in onderdeel b, 40% is
en het percentage, bedoeld in onderdeel c, 40%.
Art.
14a. Toedeling scholingsactiviteiten
-1. De subsidieaanvrager geeft bij de
aanvraag, bedoeld in artikel 12, eerste lid, aan ten
aanzien van welke jonggehandicapten activiteiten plaatsgevonden hebben
in het kader van de aanvullende subsidie, bedoeld in artikel
14, eerste lid.
-2. Bij de vaststelling van de subsidie,
bedoeld in artikel 2, eerste lid, blijven activiteiten
die plaatsvonden ten aanzien van jonggehandicapten, bedoeld in het
eerste lid, buiten beschouwing.
Art.
14b. Beschikking subsidieverlening en voorschot
Indien de gevraagde aanvullende subsidie, bedoeld in artikel
14, eerste lid, geheel of gedeeltelijk wordt verleend,
zendt het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aan de subsidieaanvrager een beschikking tot
subsidieverlening. Bij de subsidieverlening kan het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen een voorschot verstrekken van 60% van de
verleende subsidie. Dit voorschot kan op verzoek van de
subsidieaanvrager door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
worden verhoogd, welk verzoek ten hoogste één keer per jaar kan worden
ingediend.
Art.
14c. Verantwoording Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen
-1. Binnen acht weken nadat een beschikking
tot subsidieverlening is gegeven, overlegt het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aan de minister
per cohort per klasse gegevens over aantallen toegekende trajecten per
subsidieaanvrager, alsmede een overzicht van de totaal per
subsidieklasse toegekende budgetten.
-2. Binnen acht weken nadat over een
cohortperiode een beschikking tot subsidievaststelling is gegeven,
overlegt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de
minister per cohort per klasse gegevens over het aantal opgeleide en het
aantal geplaatste jonggehandicapten met ernstige scholingsbelemmeringen,
alsmede de totaal uitgekeerde bedragen.
-3. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen informeert de minister onverwijld over
ontwikkelingen met betrekking tot de uitvoering van deze regeling die
van zodanig maatschappelijk of politiek belang zijn of die anderszins
zodanig de aandacht kunnen trekken dat tijdige kennisneming door de
minister gewenst is.
Art.
15. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met dien
verstande dat subsidies op grond van deze regeling niet eerder dan per 1
januari 2006 kunnen worden verleend.
Art.
16. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling scholing
jonggehandicapten met ernstige scholingsbelemmeringen.
Deze regeling zal met de toelichting en bijlage 1
in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 22 september
2005.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.
TOELICHTING
[22 september 2005]
[Algemeen, red.]
Algemeen
Deze regeling
voorziet in een uitwerking van artikel 50a
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten (hierna: Wajong).
Daarin is geregeld dat het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (hierna: UWV) subsidie kan verstrekken aan een rechtspersoon die in het
kader van de uitoefening van beroep of bedrijf door scholing de
inschakeling van jonggehandicapten met ernstige scholingsbelemmeringen
in de arbeid bevordert. Het gaat om de subsidiëring van de kosten van
scholing en daarmee samenhangende kosten van jonggehandicapten waarbij
sprake is van zodanig ernstige belemmeringen dat het onderwijs en de
faciliteiten daaromheen moeten zijn aangepast alvorens de betrokkene in
staat is om de scholing te kunnen volgen. Hierbij kan worden gedacht aan
de aanpassing en inrichting van gebouwen en het bieden van (aangepast)
vervoer naar de scholingsinstelling en het bieden van woongelegenheid
voor cursisten. Voorts moet bij de onderwijsprogramma’s en de
groepsgrootten rekening worden gehouden met de handicaps en het
onderwijzend personeel zal deskundig moeten zijn in het begeleiden van
personen met een ernstige handicap. Waar nodig zal het
onderwijsprogramma afgestemd moeten worden op de behoefte aan andere
ondersteuning in de vorm van therapie en revalidatie en eventueel in
verblijf. Voor zover deze aanpassingen voor betrokkenen in het reguliere
onderwijs (nog) niet zijn te realiseren, kunnen cursisten op basis van
deze subsidieregeling scholing volgen aan een scholingsinstelling die
daarop is ingesteld. Doel van de scholing is in de eerste plaats dat de
cursisten worden geplaatst op de reguliere arbeidsmarkt; de
scholingsinstelling dient zich ook in te spannen om in de plaatsing op
de arbeidsmarkt te voorzien.
De jonggehandicapten
waarop deze regeling betrekking heeft, hebben veelal nog niet of vrijwel
niet deelgenomen aan arbeid op de arbeidsmarkt en zijn voordat ze hun
initiële opleiding hebben afgerond zodanig gehandicapt geworden dat
zij ernstige scholingsbelemmeringen hebben.
Op grond van de regeling kan uitsluitend
subsidie worden gegeven voor scholing als bedoeld in artikel 7.2.2 van
de Wet
educatie en beroepsonderwijs en de met die scholing samenhangende
kosten. De scholing moet zijn gericht op het verkrijgen van een diploma
of certificaten van een beroepsopleiding die noodzakelijk zijn om
duurzaam toegang te krijgen tot de reguliere arbeidsmarkt.
Scholingsinstellingen die voldoen aan de in
deze regeling opgenomen voorwaarden voor subsidiëring en aldus
beschikken over de expertise om genoemde doelgroep de bovenbedoelde
scholing te bieden, komen voor subsidie in aanmerking. Met het oog op
continuïteit in werkzaamheden en investeringen van een
scholingsinstelling wordt de subsidie voor een periode van drie jaar
vastgesteld. Het UWV toetst jaarlijks of aan de subsidievoorwaarden
wordt voldaan.
De uitvoering van de subsidieregeling wordt
opgedragen aan het UWV. Het UWV heeft aldus tot taak het beoordelen van
de aanvraag, het verstrekken van de subsidie en het toetsen of de
scholingsinstelling zich aan subsidievoorwaarden houdt en zo nodig in
handhavende zin optreden. De Inspectie Werk en Inkomen (hierna: IWI)
houdt toezicht op uitvoering van de subsidieregeling door het UWV.
Deze ministeriële regeling vervangt de
subsidiëring van scholingsinstituten zoals die plaats vond op grond van
artikel 44 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (hierna:
Wet Rea) [zie Regeling subsidiëring
scholingsinstituten 2005, red.]. Het UWV verstrekte per kalenderjaar aan door de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: SZW) aangewezen
scholingsinstituten die tot doel hadden de arbeidsintegratie van
arbeidsgehandicapten te bevorderen een subsidie ter hoogte van een bij
ministeriële regeling bepaald bedrag. Door de Minister van SZW waren
vijf scholingsinstituten ¹ (hierna: de Rea-scholingsinstituten)
aangewezen.
1. Stichting
Arbeidsbemiddeling en Vakopleidingen Sonneheerdt te Ermelo;
Stichting Hoensbroeck Centrum voor Arbeidsperspectief te Hoensbroek;
Stichting Beroepsopleidingen Werkenrode te Groesbeek;
Stichting Instituut voor Arbeidsintegratie en Scholing Heliomare te Wijk
aan Zee;
Stichting EEGA Educatie te Borne.
De
subsidieverlening aan deze instituten is in 2003 geëvalueerd.
In het desbetreffende rapport wordt
geconstateerd dat ook andere instellingen dan deze Rea-scholingsinstituten
scholing en reïntegratieactiviteiten aanbieden of kunnen aanbieden aan
personen die behoren tot de doelgroep van de scholingsinstituten. Bij de
evaluatie werd voorts vastgesteld dat de kosten van scholing aan een Rea-scholingsinstituut
substantieel hoger zijn dan de kosten van scholing door andere
scholingsinstellingen. Daarnaast werd geconstateerd dat de huidige Rea-scholingsinstituten
beschikken over een bijzondere expertise.
De Commissie Het Werkend Perspectief (hierna:
CWP) heeft ook gewezen op de deskundigheid die in de Rea-scholingsinstituten
is opgebouwd.
Na afweging van de hiervoor weergegeven
aspecten is de keus gemaakt om de kosten van opleiding en scholing (en
daarmee samenhangende kosten) van jonggehandicapten met ernstige
scholingsbelemmeringen middels subsidiëring te bekostigen. De regeling
is evenwel niet meer beperkt tot de vijf scholingsinstituten die in het
kader van de Wet Rea door de Minister van SZW
waren aangewezen.
In 2006 worden alle jongeren met een handicap
die op of na 1 januari 2006 scholing volgen bij de vijf Rea-scholingsinstituten
en die behoren tot de doelgroep jonggehandicapten met ernstige
scholingsbelemmeringen onder deze subsidieregeling gebracht. Voor de
cursisten die vóór 1 januari 2006 hun opleiding gestart zijn bij één
van de voordien erkende Rea-scholingsinstituten wordt de opleiding
afgefinancierd via toepassing van een overgangsregeling op grond van de IWIA
[op grond van artikel 76c,
eerste lid, van de Wajong, welk artikel
ingevolge artikel 1.7, onderdeel U, van
de IWIA in de Wajong wordt ingevoegd; zie Overgangsregeling
Rea-scholingsinstituten, red.].
Deze regeling geeft de voorwaarden waaraan
instellingen moeten voldoen om voor subsidie in aanmerking te komen. Er
is geen garantie opgenomen dat een bepaald aantal cursisten waarvoor
capaciteit aanwezig is daadwerkelijk aangemeld zal worden.
Subsidiesystematiek
Er
zijn tal van opleidingen mogelijk voor jonggehandicapten met ernstige
scholingsbelemmeringen. De kosten van deze opleidingen kunnen sterk
uiteenlopen. Kostenverschillen kunnen worden veroorzaakt door verschil
in de duur van de opleidingen. Die verschillen kunnen ook ontstaan
doordat de faciliteiten die nodig zijn in verband met de opleidingen
beperkt of omvangrijk zijn.
Een administratieve opleiding kan bijvoorbeeld
goedkoper zijn dan een technische opleiding waarvoor gereedschappen,
machines en lokalen nodig zijn. Tot slot kan een verschil in kosten
veroorzaakt worden door verschil in handicaps van de cursisten en de
faciliteiten en expertise die nodig zijn om de belemmeringen die uit de
handicaps voortvloeien te compenseren. In het ene geval kan met relatief
eenvoudige materiële hulpmiddelen worden volstaan waarvoor ook slechts
een eenmalige investering nodig is, in het andere geval zullen permanent
extra middelen worden gebruikt of zal extra personele begeleiding nodig
zijn of zal het onderwijs in kleine groepen of (vrijwel) individueel
moeten worden aangeboden, waardoor de personele kosten sterk stijgen. De
subsidie voorziet in bekostiging van de integrale kosten van de
opleiding en de eventueel daaraan verbonden extra zorg en reïntegratie.
Met deze kostenverschillen wordt bij de
beoordeling van de ingediende subsidieaanvragen rekening gehouden. Het
plafond voor toekenning van de subsidie wordt in drie kostenklassen
verdeeld. Per klasse kunnen aanvragen worden gedaan en kan subsidie
worden verleend. Daarbij geven de aanvragers, bijvoorbeeld op grond van
ervaringsgegevens, aan welk percentage plaatsingen zij over een aantal
jaar verwachten.
De aanvragen worden vervolgens per kostenklasse
in een rangorde geplaatst. Daarbij worden de aanvragen beoordeeld naar
de verhouding tussen de kosten van de opleiding en het verwachte
percentage jonggehandicapten dat na afronding van de door de
scholingsinstelling verzorgde scholing een dienstbetrekking aangaat.
Daarna worden de subsidieaanvragen per klasse
afgehandeld. Als er een subsidiebedrag overblijft nadat subsidie is
verleend aan de eerste geplaatste subsidieaanvrager, wordt subsidie
verleend aan de tweede aanvrager in de rangorde, en zo vervolgens.
Er wordt per aanvrager geen hoger bedrag
verleend dan het resterende subsidiebedrag. Daarmee wordt voorkomen dat
het subsidieplafond wordt doorbroken.
Algemene wet bestuursrecht
Met
betrekking tot subsidieverstrekking is niet alleen deze ministeriële
regeling, maar ook titel 4.2 van de Awb) van belang. Deze titel geeft het
wettelijk kader voor alle subsidies van het Rijk en decentrale overheden
en is ook op subsidieverstrekking door het UWV
van toepassing. Het zou
te ver voeren de gehele titel 4.2 van de Awb
hier uiteen te zetten, maar
met betrekking tot de in deze regeling gehanteerde subsidiesystematiek
is in zijn algemeenheid het volgende van belang.
De subsidietitel van de Awb
gaat uit van een
onderscheid tussen twee beschikkingen: de subsidieverlening en de
subsidievaststelling. Wanneer beide beschikkingen bedoeld kunnen zijn,
wordt de term "verstrekken" gebruikt.
Met de term subsidieverlening duidt de Awb de
beschikking aan die voorafgaand aan de (voltooiing van de) te
subsidiëren activiteit wordt gegeven. De subsidieverlening geeft de
subsidieontvanger een voorwaardelijke aanspraak op financiële middelen,
waarvan de precieze omvang vaak nog niet vaststaat.
Met de term subsidievaststelling duidt de Awb
vervolgens een tweede beschikking aan, waarin wordt vastgesteld in
hoeverre de voorwaarden (aan de subsidieverlening) zijn vervuld en
hoeveel het exacte subsidiebedrag is. Bij de subsidievaststelling wordt
derhalve vastgesteld of de gesubsidieerde activiteit is verricht en of
de opgelegde verplichtingen zijn nageleefd.
De subsidievaststelling geeft een
onvoorwaardelijke en definitieve aanspraak op een bepaald bedrag. Zij
doet een onvoorwaardelijke verbintenis tot betaling van het vastgestelde
subsidiebedrag ontstaan en is daarmee in zoverre de afsluiting van de
subsidieverhouding.
Meer in het bijzonder wordt nog opgemerkt dat
artikel 4:32 Awb bepaalt dat de beschikking tot subsidieverlening het
bedrag van de subsidie, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt
bepaald, vermeldt. Omdat de subsidievaststelling deels afhankelijk is
van factoren die pas gedurende de subsidieperiode duidelijk worden
(bijvoorbeeld het aantal jonggehandicapten dat na scholing een
dienstbetrekking aangaat), zal het UWV in een beschikking op grond van
deze regeling niet het precieze bedrag, maar de wijze van berekening van
dat bedrag in de beschikking tot subsidieverlening kunnen opnemen.
Daartoe kan het UWV in die beschikking "herhalen" wat in artikel 13
van deze regeling is bepaald.
Artikelsgewijs
Artikel
1
Tot
de doelgroep van deze regeling behoren degenen met een Wajong-uitkering,
degenen van 17 jaar die op hun 17e arbeidsongeschikt zijn en de
wachttijd nog niet hebben volgemaakt en degenen die na hun 17e als
student arbeidsongeschikt zijn geworden en de wachttijd nog niet hebben
volgemaakt. Deze personen dienen na scholing of opleiding die strekt tot
behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid in staat te zijn
om algemeen geaccepteerde arbeid te verrichten. Voorts moeten ze, ook
bij inzet van onderwijsvoorzieningen, als gevolg van ziekte of gebrek
ernstige belemmeringen ondervinden bij het deelnemen aan een scholing of
opleiding. Het moet dus gaan om belemmeringen die zodanig van aard zijn
dat daaraan op een instelling voor regulier onderwijs niet kan worden
tegemoet gekomen door middel van materiële of onderwijskundige
aanpassingen. In algemene zin betreft het hier de doelgroep waarbij er
sprake is van zodanige belemmeringen dat het in het kader van
reïntegratie te volgen onderwijs en de faciliteiten daaromheen moeten
zijn aangepast alvorens de betrokkene in staat is om de scholing te
kunnen volgen.
Met deze omschrijving is beoogd heldere
criteria te geven voor de bepaling welke cursisten in aanmerking komen
voor een opleiding aan een scholingsinstelling en aan welke criteria de
instellingen moeten voldoen om voor subsidie in aanmerking te komen. Met
de regeling worden ook opleidingsmogelijkheden geboden aan cursisten
voor wie een integraal aanbod van scholing, zorg en reïntegratie
noodzakelijk is.
Deze cursisten kenmerken zich door een beperkte
mate van zelfredzaamheid en belastbaarheid. Er kan sprake zijn van een
psychisch verminderde belastbaarheid, een gecombineerd verminderde
belastbaarheid (zowel psychisch, lichamelijk of zintuiglijk) of een
complexe problematiek. De mate van belastbaarheid stelt eisen aan de
zorg, begeleiding en benodigde voorzieningen (zie artikel
4, eerste lid).
Artikel
2, eerste lid
Uit
artikel 2, eerste lid, vloeit de voorwaarde voor subsidiëring voort dat
de betreffende scholingsinstelling beroepsonderwijs voor
jonggehandicapten met ernstige scholingsbelemmeringen verzorgt als
bedoeld in artikel 7.2.2 van de Wet
educatie en beroepsonderwijs. Niet
vereist is dat de betrokkene ook daadwerkelijk het aan dat onderwijs
verbonden diploma behaalt.
Hierbij wordt opgemerkt dat de
scholingsinstelling haar streven daarop uiteraard wel dient te richten.
Het gewenste resultaat, te weten inschakeling in de arbeid dan wel het
vergroten van de arbeidsmogelijkheden, kan overigens ook zijn uiting
vinden in het behalen van aan het onderwijs verbonden deelcertificaten.
Op grond van de onderhavige regeling wordt
alleen subsidie verstrekt voor onderwijs aan jonggehandicapten met
ernstige scholingsbelemmeringen die op of na 1 januari 2006 (de datum
vanaf wanneer de subsidie op grond van deze regeling kan worden
verleend) bedoeld onderwijs zijn gaan volgen. Subsidie voor hen die
reeds vóór die datum het onderwijs genoten, wordt verstrekt op grond van
de Overgangsregeling Rea-scholingsinstituten,
welke eveneens op 1 januari 2006 in werking treedt.
Aanwijzing dat sprake is van onderwijs als
bedoeld in artikel 2, eerste lid, kan worden gevonden in het feit dat:
- met het onderwijs CREBO-erkende [CREBO: Centraal Register
Beroepsopleidingen, red.] diploma’s en certificaten worden
behaald;
- met het onderwijs door een bedrijfstak landelijk erkende diploma’s
of certificaten worden behaald;
- met het onderwijs certificaten worden behaald die zijn gericht op het
versterken en/of compenseren van doelgroepspecifieke (empowerende ¹ en
sociaal-communicatieve) vaardigheden en dat onderwijs is gericht op
het verwerven van competenties die zijn gerelateerd aan het toekomstig
beroep. Voor dit laatste geldt dat dergelijke certificaten altijd in
combinatie met erkende certificaten worden behaald.
1. Afgeleid van empowerment:
het geheel van maatregelen ter stimulering van mensen, met name
werknemers, om zelf verantwoordelijkheid te nemen, red.
Artikel
3
Omdat deze subsidieregeling een budget kent, en
geen zogenaamde "openeinderegeling" is, wordt op grond van artikel 3
een subsidieplafond vastgesteld dat kan verschillen naar de in artikel 4
en bijlage 1 bedoelde klassen.
Artikel
4
Omdat voor deze regeling een subsidieplafond wordt vastgesteld, is het
nodig in deze regeling de wijze van verdeling van dat plafond te
bepalen. Artikel 4 bepaalt volgens welke methode het beschikbare budget
wordt verdeeld.
Uit het eerste lid blijkt dat de aanvragen na
de sluitingsdatum worden ingedeeld naar klassen als bedoeld in bijlage
1. Omdat de subsidieaanvrager op grond van artikel 6 in de aanvraag moet
vermelden voor welke klasse hij subsidie aanvraagt, kan deze indeling
door het UWV relatief eenvoudig geschieden. Opgemerkt wordt dat een
aanvraag op slechts één klasse kan zien. Wil een scholingsinstelling
subsidie aanvragen voor twee of zelfs drie klassen, dan zal het twee
respectievelijk drie subsidieaanvragen moeten indienen.
Nadat de aanvragen in de klassen zijn ingedeeld,
plaatst het UWV die aanvragen per klasse in een rangorde als bedoeld in
het tweede lid. Deze rangorde wordt bepaald door de beoordeling door het
UWV van de verhouding tussen de kosten van de opleiding en het
percentage jonggehandicapten dat na afronding van de door de
scholingsinstelling verzorgde scholing een dienstbetrekking aangaat. De
aanvraag met de gunstigste verhouding wordt als eerste in de rangorde
geplaatst. Met "gunstigste" wordt in dit verband bedoeld de aanvraag
met de meeste plaatsingen en de laagste kosten per opleidingsplaats.
Nadat de bedoelde rangorde is bepaald, wordt het
beschikbare subsidiebedrag per klasse (immers: het subsidieplafond zal
op grond van artikel 3 per klasse worden vastgesteld) verdeeld. Dat
geschiedt op de wijze als beschreven in het derde lid. Dit houdt in dat
op de eerste aanvraag in de rangorde het volledig aangevraagde
subsidiebedrag wordt verleend (mits uiteraard dat bedrag het
subsidieplafond van de desbetreffende klasse niet te boven gaat; zie ook
de toelichting hierna op het vierde lid). Vervolgens wordt op de tweede
aanvraag in de rangorde het subsidiebedrag verleend, en zo verder.
Vanwege het subsidieplafond is het mogelijk dat op één van de in de
rangorde geplaatste aanvragen niet het gehele aangevraagde
subsidiebedrag kan worden verleend. In dat geval verleent het UWV op
grond van het vierde lid slechts het van het subsidieplafond resterende
bedrag. Mochten er na het bereiken van het subsidieplafond nog aanvragen
resteren, dan worden die op grond van het vijfde lid door het UWV afgewezen.
Bovenvermelde
methode voor selectie van de subsidieaanvragen is gebaseerd op het
(door de aanvragers te benoemen) aantal te verwachten plaatsingen. Pas
enige jaren ná het moment van subsidieaanvraag zal het definitieve
aantal plaatsingen bekend zijn en zal de definitieve financiële
afrekening (de subsidievaststelling) plaatsvinden (zie artikel
13).
Artikel
5
Artikel 5 bepaalt wie de subsidie op grond van deze regeling kan
aanvragen en aan wie de subsidie wordt verstrekt. Dit artikel beoogt
onduidelijkheid te voorkomen met betrekking tot wie de subsidieaanvrager
is. Een dergelijke onduidelijkheid zou bijvoorbeeld kunnen ontstaan
wanneer de subsidie is aangevraagd door een bestuurder van een
scholingsinstelling die op enig moment dat is gelegen vóór de
subsidievaststelling niet langer aan het betreffende instituut is
verbonden.
Artikel
6
Het
is de verantwoordelijkheid van de subsidieaanvrager om een aanvraag in
te dienen waar het UWV direct op kan beslissen. Indien de bij de
aanvraag verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de
beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking,
kan het UWV, op grond van artikel 4:5 van de
Awb, besluiten de aanvraag
niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen
een door het UWV gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.
Om te bevorderen dat de aanvraag direct in
behandeling kan worden genomen, is het raadzaam dat de subsidieaanvrager
in zijn aanvraag in ieder geval de volgende gegevens vermeldt:
- het bedrag waarvoor subsidie wordt gevraagd;
- het aantal deelnemers (dit vloeit overigens al uit artikel 6 voort);
- de doelgroep of klasse als bedoeld in bijlage 1
waarvoor subsidie
wordt gevraagd; en
- het verwachte percentage jonggehandicapten dat na afronding van de
door de scholingsinstelling verzorgde scholing een dienstbetrekking
aangaat.
Wellicht ten overvloede wordt erop gewezen dat als de subsidieaanvraag
deze gegevens niet bevat, het UWV de aanvraag niet kan beoordelen en
derhalve (zie ook artikel 4:5 van de Awb) om aanvullende gegevens zal
verzoeken.
Op grond van het derde lid dient ook een aantal
andere gegevens te worden overgelegd. Deze gegevens zijn nodig voor een
goede en vlotte beoordeling van de subsidieaanvraag.
In dit derde lid, onderdeel e, wordt de eis
gesteld dat bij de subsidieaanvraag gegevens omtrent de in het verleden
bereikte plaatsingsresultaten moeten worden overgelegd. Hierbij wordt
opgemerkt dat deze gegevens slechts ter achtergrondinformatie dienen en
nimmer een doorslaggevend criterium kunnen vormen bij de beslissing tot
het al dan niet verlenen van subsidie.
De gegevens, bedoeld in het vierde lid, dienen
te worden overgelegd in verband met het in artikel 9, tweede lid,
bepaalde.
Op grond van het vijfde lid dient een aanvraag
telkens vóór 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het eerste
kalenderjaar waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft door het UWV te
zijn ontvangen. Dit is de verantwoordelijkheid van de subsidieaanvrager.
Omdat echter artikel 14 overgangsrecht met betrekking tot de
subsidieverlening over de jaren 2006 tot en met 2008 regelt, geldt het
in het vijfde lid bepaalde eerst voor de aanvragen voor de jaren 2007
tot en met 2009. Die subsidieaanvragen dienen dus vóór 1 oktober 2006
door het UWV te zijn ontvangen.
Artikel
7
In
dit artikel worden de kosten opgenoemd die onder de subsidie zijn
begrepen.
Artikel
9
Onderdeel a
In
artikel 9 zijn de weigeringsgronden voor subsidieverstrekking opgesomd.
Deze weigeringsgronden gelden alle blijkens het woord "of" aan het
slot van het eerste lid, onderdeel k. De aanwezigheid van één grond
dient dus al tot weigering van de subsidie te leiden.
Hierbij wordt opgemerkt dat het aan de
subsidieaanvrager is om duidelijk in de subsidieaanvraag aan te geven
dat er geen weigeringsgrond aanwezig is. Laat de subsidieaanvrager dit
na en beschikt het UWV
over te weinig gegevens om dit te onderzoeken, dan
kan het UWV op grond van artikel 4:5 van de
Algemene wet bestuursrecht
(hierna: Awb) de subsidieaanvrager verzoeken binnen een bepaalde termijn
die gegevens alsnog te leveren.
Onderdeel d
Met
de in onderdeel d bedoelde "toegankelijkheid" wordt de fysieke
toegankelijkheid bedoeld.
Onderdeel f
Opgemerkt wordt dat aanwezigheid van de in artikel 9, eerste lid,
onderdeel f, bedoelde kwalificaties en competenties bijvoorbeeld kan
worden aangetoond door:
- het overleggen van een overzicht
waaruit blijkt dat docenten en begeleiders in het bezit zijn van
relevante en door de overheid erkende pedagogische/didactische diploma’s,
diploma’s in de menswetenschappen, in de jeugdhulpverlening, diploma’s
als arbeidskundige en/of aantoonbare vakgerichte praktijkervaring in
combinatie met pedagogische/didactische aantekeningen;
- aan te tonen dat de
scholingsinstelling zorg draagt voor het behoud van expertise van
docenten en begeleiders met betrekking tot specifieke diagnosegroepen;
- aan te tonen dat de
scholingsinstelling de beschikking heeft over specialistische
professionals (revalidatiearts, orthopedagoog, psycholoog, visioloog,
paramedici of anderen) met erkende diploma’s die de op de doelgroep
afgestemde begeleiding en zorg bieden.
Gelet
op het feit dat de aanvragen betrekking kunnen hebben op verschillende
groepen jonggehandicapten (zie ook bijlage 1 bij deze regeling) zullen
ook de benodigde competenties en kwalificaties kunnen verschillen.
Opgemerkt wordt dat dit geen vereisten zijn,
maar wel voor het UWV bij de beoordeling van de aanvraag een aanwijzing
kunnen zijn dat geen sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel
9, eerste lid, onderdeel f.
Onderdeel h
De
ondersteuning, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel h, kan
inhouden:
- ondersteuning bij de
verwerving van een adequate stageplaats;
- verantwoordelijkheid voor het
inrichten van stageplaatsen overeenkomstig doelgroepspecifieke eisen;
- het bieden van noodzakelijke
begeleiding op de stageplek zowel gericht op de cliënt als op de
werkvloer.
Opgemerkt
wordt dat dit geen vereisten zijn, maar wel voor het UWV
bij de
beoordeling van de aanvraag een aanwijzing kunnen zijn dat geen sprake
is van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
onderdeel h.
Onderdeel i
Bij
activiteiten gericht op zorg kan worden gedacht aan psychologische en
fysieke hulpverlening (fysiotherapie) en revalidatiegeneeskunde.
Onderdeel l
Onder
nazorg als bedoeld in artikel 9, onderdeel l, wordt verstaan:
- het regelmatig toetsen van het
functioneren op de arbeidsplaats;
- het bieden van begeleiding en
ondersteuning op de arbeidsplaats;
- bij sprake van belemmeringen bij
het functioneren op de arbeidsplaats het al dan niet via bemiddeling
bieden van een oplossing;
- het geven van voorlichting en verstrekken van algemene informatie aan
de bij de (re)integratie van de ernstig gehandicapte betrokken
personen/instanties.
Opgemerkt
wordt dat de nazorg moet worden geboden, maar geschiedt op verzoek van
de cliënt en/of werkgever en heeft betrekking op werkgerelateerde
kwesties.
Artikel
9, tweede lid
Artikel
9, tweede lid, heeft ten doel te voorkomen dat dezelfde activiteiten met
meerdere subsidies of andere wijze(n) van financiering worden bekostigd.
Het UWV dient hier ingevolge bedoeld artikellid rekening mee te houden
bij de subsidieverstrekking. Bij de subsidievaststelling zal uiteraard
alleen rekening worden gehouden met de daadwerkelijk van elders
ontvangen subsidies en inkomsten, terwijl bij de subsidieverlening ook
elders aangevraagde subsidies een rol kunnen spelen.
Artikel
10
Op
grond van artikel 10 kan het UWV een voorschot op de verleende subsidie
verstrekken. Ingeval de subsidie gedeeltelijk wordt verleend, bedraagt
het voorschot 60% van dat verleende deel. Dit volgt uit de zinsnede
"60%
van de verleende subsidie". Daarnaast heeft het UWV de bevoegdheid om
op verzoek van de subsidieaanvrager het voorschot hoger vast te
stellen. Hierbij is gedacht aan scholingsinstituten die in de loop van
de periode van drie jaar, waarop het voorschot van 60% betrekking heeft,
laten zien dat zij uitstekende resultaten behalen waardoor een hoger
voorschot op zijn plaats kan zijn. Om te voorkomen dat te veel aanvragen
tot verhoging bij het UWV worden ingediend, is bepaald dat een dergelijke
aanvraag ten hoogste eenmaal per jaar kan worden gedaan. Het UWV kan
de aanvrager verzoeken gegevens te verstrekken waaruit blijkt dat een
hoger voorschot op zijn plaats is.
Artikel
11
In
artikel 11 worden regels gesteld met betrekking tot de administratie van
de subsidieontvanger. De regels hebben ten doel de subsidievaststelling
in het kader waarvan onder andere wordt bezien of aan de gestelde
voorwaarden is voldaan en of het beoogde subsidiedoel is behaald, goed
te kunnen laten plaatsvinden.
Artikel
12
Zoals
hiervoor uiteengezet, gaat deze subsidieregeling uit van de systematiek
waarbij de subsidie eerst wordt verleend en de subsidie na afloop van de
subsidieperiode wordt vastgesteld. De bedoelde vaststelling dient te
worden aangevraagd. Artikel 12, eerste lid, bepaalt binnen welke termijn
dit dient te gebeuren. Die termijn kan op grond van het vijfde lid
worden verlengd, maar niet dan nadat een aanvraag daartoe is ingediend.
De aanvraag om subsidievaststelling dient te
geschieden op de wijze zoals uiteengezet in het tweede, derde en vierde
lid. Daar waar in het vierde lid wordt bepaald dat kan worden volstaan
met het formulier wordt bedoeld dat de in het tweede (en derde) lid
bedoelde declaratie niet behoeft te worden overgelegd.
Voor het geval de subsidieontvanger geen
aanvraag om subsidievaststelling indient, bepaalt het zesde lid binnen
welke termijn het UWV de subsidie ambtshalve vaststelt. Deze ambtshalve
vaststelling van de subsidie zal in dat geval nodig zijn om de
subsidietoekenning af te ronden.
Opgemerkt wordt dat niet behoeft te worden
geregeld binnen welke termijn het UWV op een aanvraag om
subsidievaststelling dient te beslissen, omdat dit reeds in artikel 69
van de Wajong is bepaald.
Artikel
13
Onderdeel a
Indien het beoogde opleidingsresultaat, bedoeld in artikel
2, is bereikt,
wordt 60% van de subsidie vastgesteld. De vaststelling van 60% van de
subsidie geschiedt op basis van het aantal jonggehandicapten dat het
opleidingsresultaat in de betreffende subsidieperiode heeft behaald.
Wanneer bijvoorbeeld een scholingsinstelling een subsidie heeft
aangevraagd uitgaande van 400 op te leiden jonggehandicapten en geen 400
maar 300 jonggehandicapten het opleidingsresultaat behalen in de
subsidieperiode, wordt de subsidie vastgesteld op 300/400 x 60% van het
(verleende) subsidiebedrag.
Onderdeel b, onder 1º
Indien het in de subsidieaanvraag genoemde aantal of een hoger aantal
jonggehandicapten na afronding van de door de scholingsinstelling
verzorgde scholing tijdens de subsidieperiode een dienstbetrekking is
aangegaan, wordt, in aanvulling op onderdeel a, 40% van de subsidie
vastgesteld.
De vaststelling van de "resterende" 40% van
de subsidie geschiedt op basis van het daadwerkelijke aantal
jonggehandicapten dat tijdens de subsidieperiode een dienstbetrekking is
aangegaan (is "geplaatst").
Wanneer bijvoorbeeld een scholingsinstelling een subsidie heeft
aangevraagd uitgaande van plaatsing van 400 jonggehandicapten en geen
400 maar 250 jonggehandicapten een dienstbetrekking zijn aangegaan in
subsidieperiode, wordt de subsidie vastgesteld op 250/400 x 40% van het
(verleende) subsidiebedrag.
De zinsnede "in aanvulling op" maakt
duidelijk dat het hier gaat om een extra vaststelling. Wanneer een
scholingsinstelling dus naast het opleidingsresultaat ook het
plaatsingsresultaat heeft behaald, wordt in totaal 100% van het
(verleende) subsidiebedrag vastgesteld, uiteraard, zoals hiervoor en
hierna uiteengezet, gerelateerd aan het daadwerkelijk behaald
opleidings- en plaatsingsresultaat in de betreffende subsidieperiode.
Onderdeel b, onder 2º
De
subsidieregeling voorziet in subsidie ten behoeve van plaatsing op de
reguliere arbeidsmarkt. Gelet op het gegeven dat als gevolg van de
handicap niet altijd plaatsing op de reguliere arbeidsmarkt mogelijk is,
is in artikel 1 aan "algemeen
geaccepteerde arbeid" niet de voorwaarde verbonden dat die arbeid niet
mag worden verricht in een dienstbetrekking in de zin van artikel 2 van
de Wet sociale werkvoorziening (Wsw). Of een
dienstbetrekking een dienstbetrekking is in de zin van artikel 2 van de
Wsw
is echter wel van belang voor de subsidievaststelling. Wsw-dienstbetrekkingen tellen namelijk voor niet meer dan 20% van het
totaal aantal plaatsingen mee voor de subsidievaststelling. Indien
bijvoorbeeld 50 plaatsingen zijn gerealiseerd waarvan 20 Wsw-dienstbetrekkingen en 30 op de reguliere arbeidsmarkt, dan tellen
niet meer dan tien Wsw-dienstbetrekkingen mee voor de vaststelling van de
subsidie, bedoeld in artikel 13, onderdeel
b.
Wellicht
ten overvloede wordt met betrekking tot de vaststelling van de subsidies
die betrekking hebben op verschillende subsidieperiodes, opgeleide en
geplaatste jonggehandicapten slechts een maal kunnen worden "meegeteld".
Artikel
14
Om
de in deze subsidieregeling geïnteresseerde scholingsinstellingen
voldoende gelegenheid te geven een aanvraag om subsidie in te dienen, is
met betrekking tot de subsidie die kan worden aangevraagd voor de jaren
2006 tot en met 2008 een van artikel 6 afwijkende indieningsdatum
opgenomen in artikel 14. Deze datum is zodanig gekozen dat het UWV
de
aanvragen tijdig kan beoordelen.
Artikel
15
In
artikel 15 is de reguliere inwerkingtredingsbepaling voor ministeriële
regelingen opgenomen.
Omdat
het de bedoeling is dat de subsidies telkens per 1 januari van een
kalenderjaar worden verleend en hieromtrent onduidelijkheid zou kunnen
bestaan wanneer deze regeling vóór 1 januari 2006 in werking treedt, is
dit expliciet bepaald in de inwerkingtredingsbepaling.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.
BIJLAGE
1
Klassenindeling
aanvragen als bedoeld in artikel 4, eerste lid
Ernst
handicap/
scholingsbehoefte |
Klasse
1 |
Klasse
2 |
Klasse
3 |
| Lichamelijke,
psychische of zintuiglijke belastbaarheid, mate van
zelfredzaamheid |
Beperkingen
in belastbaarheid zijn te compenseren
Perspectief op arbeid
|
Belastbaarheid
is beperkt, maar voorspelbaar en continu
Perspectief op arbeid
|
Belastbaarheid
is beperkt en onvoorspelbaar en discontinu
Perspectief op arbeid
|
| Persoonsgerichte
zorg en begeleiding |
In
lichte mate |
Gemiddeld |
Zwaar;
bijvoorbeeld er is sprake van zorgindicatie, therapie,
bijzondere aandacht voor de handicap (handicapmanagement) |
| Opleidings-
en handicapgerelateerde expertise |
Heeft
binnen zijn functieverantwoordelijkheid basale kennis van de
meest voorkomende diagnosecategorieën en daarmee samenhangende
persoonlijke en arbeidsgerelateerde beperkingen. Is in staat om
in samenwerking met andere professionals de als noodzakelijk
geïndiceerde extra ondersteuning te geven. |
Heeft
binnen zijn functieverantwoordelijkheid kennis van alle
voorkomende diagnosecategorieën en daarmee samenhangende
persoonlijke en arbeidsgerelateerde beperkingen. Is in staat om
zelfstandig en waar nodig in samenwerking met andere
professionals de als noodzakelijk geïndiceerde extra
ondersteuning te geven. |
Heeft
binnen zijn functieverantwoordelijkheid brede kennis van alle
voorkomende diagnosecategorieën en daarmee samenhangende
persoonlijke en arbeidsgerelateerde beperkingen. Is in staat om
in hoge mate zelfstandig de als noodzakelijk geïndiceerde extra
ondersteuning te geven en collega’s daarin te coachen. |
| Aanvullende
persoonsgerichte aanpassingen en voorzieningen |
– |
In
beperkte mate noodzakelijk |
Programma
wordt sterk bepaald door deze noodzakelijke aanpassingen en/of
voorzieningen |
| Groepsgrootte
(continu) |
Geen
eisen |
Tot
acht personen |
Tot
vijf personen |
| Individuele
werk-/leerinstructie |
Af
en toe gewenst |
Periodiek
noodzakelijk |
Intensief |
| Verzorging
in opleiding en verblijfsvoorziening |
– |
– |
Hulp
bij algemene dagelijkse levensverrichtingen en/of voorbehouden
medische handelingen voor cliënten met zwaar lichamelijke
problematiek, en/of intensieve psychosociale begeleiding of
therapie voor cliënten met zware psychiatrische aandoeningen |
| Intensieve
arbeidsbemiddeling en nazorg (duur en frequentie) |
Licht |
Gemiddeld |
Zwaar |
| Maximale
opleidingsduur |
1
jaar |
2
jaar |
2,5
jaar |
| Indicatie
studiebelasting |
1600
uur studiebelasting |
3200
uur studiebelasting |
4000
uur studiebelasting |
| Dagelijks
reizen veelal bezwaarlijk: verblijfs- of vervoersvoorziening |
– |
Gemiddeld |
In
de meerderheid van de gevallen |
|
|