|
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Gelet op artikel 17, zevende lid, van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;
Besluit:
Art.
1. Handelen volgens beleidsregels
Bij het uitoefenen van de bevoegdheid om, in afwijking van de artikelen
2:11, eerste lid, onderdeel b, en 3:19,
eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet
werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten, een recht op
arbeidsondersteuning of arbeidsongeschiktheidsuitkering niet te beëindigen omdat dit zou leiden
tot een onbillijkheid van overwegende aard, handelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
overeenkomstig de in dit besluit opgenomen
beleidsregels.
Art.
2. Onbillijkheid van overwegende aard
Van een onbillijkheid van overwegende aard is sprake indien de
jonggehandicapte naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
zwaarwegende redenen heeft om buiten
Nederland te gaan wonen en naar verwachting als gevolg van het eindigen
van het recht op arbeidsondersteuning of arbeidsongeschiktheidsuitkering aanmerkelijk nadeel zal
ondervinden. Als zwaarwegende redenen om buiten Nederland te gaan wonen
worden in ieder geval aangemerkt:
a. het ondergaan van een medische
behandeling van enige duur;
b. het aanvaarden van arbeid met
enig reïntegratieperspectief;
c. het volgen van de woonplaats van
degene(n) van wie de jonggehandicapte voor zijn verzorging afhankelijk
is en die genoodzaakt is om buiten Nederland te gaan wonen.
Art.
3. Verzoek om een besluit op voorhand
De jonggehandicapte aan wie een recht op arbeidsondersteuning of arbeidsongeschiktheidsuitkering
is
toegekend en die het voornemen heeft om buiten Nederland te gaan wonen,
kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
verzoeken op voorhand een besluit te nemen over het niet beëindigen van
dit recht nadat hij aan dit voornemen uitvoering zal hebben gegeven.
Art.
4. Toewijzing van het verzoek
Indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
van oordeel is dat het beëindigen van de arbeidsondersteuning of arbeidsongeschiktheidsuitkering
zal leiden tot een onbillijkheid van
overwegende aard, maakt het de jonggehandicapte het besluit bekend dat
het de in artikel 1 bedoelde bevoegdheid te zijnen gunste zal uitoefenen
indien hij binnen de termijn van één jaar buiten Nederland zal gaan
wonen.
Art.
5. Afwijzing van het verzoek
Indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
van oordeel is dat het eindigen van de arbeidsondersteuning of arbeidsongeschiktheidsuitkering
niet zal leiden tot een onbillijkheid
van overwegende aard, maakt het de jonggehandicapte het besluit bekend
dat het de in artikel 1 bedoelde bevoegdheid niet te zijnen gunste zal
uitoefenen indien hij buiten Nederland zal gaan wonen.
Art.
6. Geen opschortende werking
Een verzoek tot niet-beëindiging van het recht op arbeidsondersteuning
of arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft geen opschortende werking ten
aanzien van het eindigen van dit recht met ingang van de eerste dag van
de maand volgend op die waarin de jonggehandicapte buiten Nederland is
gaan wonen.
Art.
7. Vervolgbeslissingen
Indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
bij het nemen van een besluit tot
herziening, heropening, herleving of voortzetting van een recht op
arbeidsondersteuning of arbeidsongeschiktheidsuitkering ten behoeve van een jonggehandicapte die
buiten Nederland woont tot het oordeel komt dat het eindigen van dit
recht niet zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard,
beëindigt het dit recht.
Art.
8. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de
publicatie van de Staatscourant waarin het is geplaatst.
Dit
besluit wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst.
Amsterdam, 29 april 2003.
P. Cloo, plv. voorzitter Raad van bestuur UWV.
TOELICHTING
[29 april 2003]
Artikel
17, eerste lid, onderdeel c, van de Wajong
bepaalt dat het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt met
ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de
jonggehandicapte buiten Nederland is gaan wonen. Het exporteren van een Wajong-uitkering
is daardoor in principe niet mogelijk. In het zevende lid van artikel
17, zoals dat per 1 september 2002 is gewijzigd, is aan het UWV [Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, red.] de bevoegdheid gegeven om deze
bepaling "buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken voor
zover toepassing, gelet op het belang van het eindigen van het recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering buiten Nederland, zou leiden tot een
onbillijkheid van overwegende aard". In deze beleidsregels wordt
aangeduid in welke gevallen en op welke wijze het UWV uitvoering zal
geven aan deze hardheidsclausule.
De redenen voor een jonggehandicapte om buiten
Nederland te gaan wonen, kunnen van persoonlijke, medische, sociale of
andere aard zijn. Omdat een hardheidsclausule steeds aan de hand van de
omstandigheden van het individuele geval moet worden toegepast, kunnen
hiervoor geen strikte inhoudelijke normen worden aangelegd. Bij de
parlementaire behandeling van de wetswijziging zijn drie voorbeelden
genoemd van gegronde redenen om buiten Nederland te gaan wonen: een
ondergaan van een medische behandeling, het aanvaarden van arbeid of het
volgen van de woonplaats van personen van wie de jonggehandicapte voor
zijn verzorging afhankelijk is. Deze redenen zijn niet onder alle
omstandigheden voldoende zwaarwegend. Een behandeling in het buitenland
moet medisch geïndiceerd zijn en zo lange tijd vergen dat het werkelijk
nodig is om daar ook te gaan wonen. De arbeid die de jonggehandicapte
kan aanvaarden, moet een reëel perspectief bieden op reïntegratie. De
redenen waarom de verzorgende personen buiten Nederland gaan wonen,
moeten objectief en dwingend van aard zijn en dus niet in overwegende
mate gebaseerd op een eigen keuze.
Ook andere situaties dan de drie hiervoor
genoemde kunnen grond opleveren voor toepassing van de
hardheidsclausule. In alle gevallen beoordeelt het UWV of de
jonggehandicapte zwaarwegende redenen heeft om buiten Nederland te gaan
wonen en of het eindigen van de uitkering voor hem een aanmerkelijk
nadeel zal betekenen.
De Wajong-gerechtigde die het voornemen heeft
om in het buitenland te gaan wonen, kan het UWV verzoeken om op voorhand
een uitspraak te doen over het wel of niet toepassen van de
hardheidsclausule wanneer hij dit voornemen zal gaan uitvoeren. Op dit
verzoek wordt een beslissing genomen waartegen bezwaar en beroep
mogelijk is. Is de jonggehandicapte reeds buiten Nederland gaan wonen,
maar is de uitkering nog niet beëindigd, dan kan hij ook nog een
dergelijk verzoek indienen. Nadat een beslissing tot beëindiging van de
uitkering is genomen, is een beroep op de hardheidsclausule mogelijk in
het kader van een bezwaar tegen die beslissing. Indien een
intrekkingsbeslissing echter definitief is geworden, in deze zin dat
daartegen geen bezwaar of beroep meer kan worden aangetekend, dan kan
het recht op uitkering uitsluitend herleven doordat de cliënt weer in
Nederland gaat wonen. Een vanuit het buitenland ingediend verzoek om op
grond van de hardheidsclausule alsnog een Wajong-uitkering toe te
kennen, bijvoorbeeld wegens gewijzigde omstandigheden, kan niet worden
ingewilligd, omdat de wet daarvoor geen
ruimte biedt.
Indien het UWV op voorhand besluit tot
toepassing van de hardheidsclausule, heeft dit besluit een
voorwaardelijk karakter. Het heeft pas effect wanneer de
jonggehandicapte daadwerkelijk buiten Nederland gaat wonen. De cliënt
kan echter zijn vertrek uitstellen of geheel daarvan afzien.
Om onduidelijkheid te voorkomen, wordt een
toewijzend besluit daarom aan een termijn van één jaar gebonden. Wil
de jonggehandicapte daarna alsnog met behoud van de Wajong-uitkering
buiten Nederland gaan wonen, dan moet hij een nieuw verzoek indienen.
Besluit het UWV om de hardheidsclausule niet
toe te passen, dan kan de cliënt tegen die beslissing bezwaar [maken, red.]
en beroep instellen. Blijft de afwijzende beslissing in stand en wordt
er later opnieuw een beroep gedaan op de hardheidsclausule, dan kan het
UWV verlangen dat dit verzoek met nieuwe feiten wordt onderbouwd.
Ontbreken deze nieuwe feiten, dan kan het verzoek om die reden worden
afgewezen.
Een beroep op de hardheidsclausule heeft geen
opschortende werking. Indien er op de eerste dag van de maand volgend op
de maand waarin de jonggehandicapte buiten Nederland is gaan wonen een
verzoek om toepassing van de hardheidsclausule bij het UWV in
behandeling is, wordt de uitkering in elk geval beëindigd. Wordt het
verzoek daarna ingewilligd, dan komt het UWV terug op het eerdere
besluit tot intrekking van de uitkering.
Het UWV beoordeelt de omstandigheden zoals die
van toepassing zijn op het moment dat de cliënt buiten Nederland gaat
wonen. Is er later sprake van gewijzigde omstandigheden, dan wordt er
niet enkel om die reden op de beslissing tot toepassing van de
hardheidsclausule teruggekomen. Moet het UWV echter een besluit nemen
over herziening, heropening of voortzetting van de Wajong-uitkering van
een cliënt die buiten Nederland woont, dan wordt daarbij beoordeeld of
er op dat moment gronden bestaan voor voortgezette toepassing van de
hardheidsclausule. Zijn die gronden er niet meer, dan wordt de uitkering
alsnog ingetrokken.
Amsterdam, 29 april 2003.
P. Cloo, plv. voorzitter Raad van bestuur UWV.
|
|