|
BESLUIT
van 24 december 1997 tot vaststelling van een algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, houdende regels met
betrekking tot uitbreiding en beperking van de kring van ingezetenen
voor de toepassing van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten (Besluit uitbreiding en beperking kring ingezetenen
Wajong) ¹
1. Ingevolge artikel IX,
onderdeel B, van het Besluit van 15 december 2009, Stb. 2009,
587, is het Besluit uitbreiding en beperking kring
ingezetenen Wajong met ingang van 1 januari 2010 voorzien van een nieuwe
citeertitel, luidende: Besluit uitbreiding en beperking kring
ingezetenen Wet Wajong.
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 25 november 1997, nr. SV/GSV/97/4895;
Gelet op artikel 3, tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten;
De Raad van State gehoord (advies van 17
december 1997, nr. W12.97.0762);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 december
1997, nr. SV/GSV/97/5432;
Hebben
goedgevonden en verstaan:
Art. 1. Begripsbepalingen
In dit besluit wordt verstaan onder de wet: de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten.
Art. 2.
Uitbreiding van
de kring van ingezetenen
Voor de toepassing van de wet
wordt mede verstaan onder ingezetene: de persoon die buiten Nederland
woont en die op grond van artikel 2,
3, 5
of 8
van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden
volksverzekeringen 1999 verplicht verzekerd is voor de
volksverzekeringen.
Art. 3.
Eigen kind,
aangehuwd kind of pleegkind van ontwikkelingswerker
-1. Voor de toepassing van de wet
wordt mede verstaan onder ingezetene:
het eigen kind, het aangehuwde kind of het pleegkind van de persoon die
is uitgezonden om door de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking aan te
wijzen werkzaamheden in het kader van ontwikkelingssamenwerking te
verrichten, dat gedurende het tijdvak waarin bedoelde werkzaamheden
worden verricht tot de huishouding van die persoon behoort, tenzij het
kind gedurende bedoeld tijdvak werkzaamheden verricht.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing op het pleegkind van de aldaar
bedoelde persoon dat eerst gedurende het tijdvak waarin de in het
eerste lid bedoelde werkzaamheden worden verricht, tot diens huishouding
is gaan behoren.
-3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder pleegkind verstaan een
kind dat als een eigen kind wordt onderhouden en opgevoed.
Art. 4.
Beperking van de
kring van ingezetenen
Voor de toepassing van de wet wordt niet verstaan onder ingezetene: de
persoon die op grond van artikel 13,
14, 15,
16, 18
of 20
van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden
volksverzekeringen 1999 niet verplicht verzekerd is voor de
volksverzekeringen.
Art. 5.
Slotbepaling
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1998.
Art. 6.
Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitbreiding en beperking kring
ingezetenen Wet Wajong.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Het Oude Loo, 24 december
1997
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
Uitgegeven de dertigste
december 1997
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager
NOTA
VAN TOELICHTING
[24 december 1997]
Op 1 januari 1998 treedt in
werking de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).
De wet voorziet in een
regeling op minimumniveau tegen de geldelijke gevolgen van langdurige
arbeidsongeschiktheid voor jonggehandicapten. Voorheen bestond er voor hen
een inkomensvoorziening op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). De Wajong is, in tegenstelling tot de AAW, geen
verzekering. Voor zowel de AAW als de Wajong vormt het ingezetenschap
evenwel een belangrijk criterium voor de vraag of men in aanmerking kan
komen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Artikel
3, eerste lid, van
de Wajong bepaalt wie ingezetene is, namelijk de natuurlijke
persoon die in Nederland woont. Het tweede lid
van artikel 3 regelt dat bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur uitbreiding dan wel
beperking aan dat begrip kan worden gegeven. Dit besluit geeft deze
uitbreiding respectievelijk beperking. Daarbij wordt aangesloten bij het Besluit
uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989 (KB
164) [zie Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden
volksverzekeringen 1999 (Bubkvv99), red.]. Daarin wordt ten behoeve van verschillende groepen van
personen in grensoverschrijdende situaties uitbreiding respectievelijk
beperking gegeven aan de kring van verzekerden voor de volksverzekeringen.
Omdat dit besluit vanaf 1 januari 1998 niet meer geldt voor de AAW,
zouden zonder nadere regeling vanaf die datum een aantal groepen
jonggehandicapten in grensoverschrijdende situaties zoals omschreven
in KB 164, geen aanspraak (meer) kunnen maken op uitkeringen of voorzieningen. Zij voldoen namelijk niet aan de
voorwaarde van het
ingezetenschap in de zin van de Wajong. Ook de omgekeerde situatie - te
weten wél ingezetenschap in situaties waarbij juist géén aanspraak op
een uitkering zou moeten bestaan - zou daarvan het gevolg kunnen zijn. Dit
besluit beoogt dat te voorkomen.
Overigens betekent het feit
dat men gedurende het verblijf in het buitenland op grond van dit
besluit toch als Nederlands ingezetene wordt aangemerkt, geenszins dat er
gedurende die periode ook daadwerkelijk recht zou bestaan op een
uitkering ingevolge de Wajong. Dat recht ontstaat pas op het moment
dat men naar Nederland terugkeert. De Wajong is een regeling die
uit de algemene middelen worden gefinancierd; analoog aan het uitgangspunt
ter zake van de Algemene Bijstandswet (ABW) [Algemene
bijstandswet (Abw), red.] worden
uitkeringen uit hoofde van dergelijke regelingen niet in het
buitenland uitbetaald.
In de
artikelen 2 en 4 van
dit besluit wordt uitbreiding respectievelijk beperking aan het begrip
ingezetene gegeven. Daarbij wordt verwezen naar artikelen in KB 164 [zie
Bubkvv99, red.].
Dit betekent dat van ingezetenschap alleen dan sprake kan zijn indien
betrokkene voldoet aan de voorwaarden voor verzekering ingevolge de
volksverzekeringen zoals die zijn geformuleerd in de betreffende bepalingen
van KB 164. Deze eis geldt uiteraard ook voor de spiegelbeeldsituatie
in artikel 4 van dit besluit, waar het gaat om de beperking van de kring
van ingezetenen.
Artikel 2 bepaalt dat
tijdelijk buiten Nederland wonende kinderen van Nederlandse diplomaten,
consuls en ambtenaren die uit hoofde van hun functie niet in Nederland wonen (artikel 2 en 3 van KB
164 [zie Bubkvv99, red.]) alsmede
buiten ons land wonende
kinderen van bepaalde groepen van personen die werkzaam zijn in het
internationaal transport en eveneens niet in Nederland wonen (artikel 6
van KB 164 [zie Bubkvv99, red.]), toch als ingezetene worden aangemerkt. Dat zelfde geldt
voor bepaalde groepen van kinderen die wegens studieredenen niet in
Nederland wonen en kinderen die in een in het buitenland gevestigde,
op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten erkende,
inrichting verblijven (artikel 9 van KB 164 [zie Bubkvv99,
red.]).
Artikel 4 van het besluit
regelt dat tijdelijk in Nederland verblijvende kinderen van diplomaten,
consuls en ambtenaren van vreemde mogendheden die eveneens niet duurzaam
in Nederland wonen, niet als ingezetene van ons land
worden aangemerkt (artikel 11, 12 en 15 van KB 164 [zie Bubkvv99,
red.]). Dat laatste geldt
eveneens voor kinderen van werknemers die in dienst zijn van een in
Nederland gevestigde volkenrechtelijke organisatie (artikel 13 van KB
164 [zie Bubkvv99, red.]),
alsmede voor kinderen van de hier in Nederland verblijvende gevolmachtigde
Ministers van de Nederlandse Antillen of Aruba en de kinderen van de
verder in artikel 14 van KB 164 [zie Bubkvv99,
red.] nader omschreven Nederlands-Antilliaanse of Arubaanse ambtenaren. Ook de
kinderen van tijdelijk in Nederland verblijf houdende personen die in dienstbetrekking werkzaam
zijn van in ons land gevestigde buitenlandse instellingen zonder
winstoogmerk, worden gedurende dat verblijf niet als Nederlandse ingezetenen
aangemerkt (artikel 18 van KB 164 [zie Bubkvv99,
red.]). Ten slotte worden evenmin als
Nederlands ingezetenen beschouwd degenen die uitsluitend wegens
studieredenen tijdelijk in Nederland wonen, zoals bedoeld in artikel 22 van KB
164 [zie Bubkvv99, red.].
In artikel 3 van dit besluit
worden kinderen van ontwikkelingswerkers als ingezetenen aangemerkt.
In het kader van de AAW
konden zij verzekerd worden op grond
van het Besluit vrijwillige verzekering AOW, Anw en AAW [zie Besluit
vrijwillige verzekering AOW en Anw 2001, red.]. Nu de AAW wordt
ingetrokken worden zij als ingezetenen in het kader van de Wajong
aangemerkt, zodat ook zij bij terugkeer in Nederland niet
geconfronteerd kunnen worden met de bepalingen van de Wajong, die inhouden dat er
geen recht op uitkering bestaat indien er in het buitenland arbeidsongeschiktheid is ingetreden.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
F.H.G. de Grave
|