|
BESLUIT
van 16 december 1998, houdende vaststelling van een algemene maatregel
van bestuur als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, houdende uitbreiding
van de kring van studerenden voor de toepassing van die wet (Besluit
uitbreiding kring studerenden Wajong) ¹
1. Ingevolge artikel X,
onderdeel B, van het Besluit van 15 december 2009, Stb. 2009,
587, is het Besluit uitbreiding kring studerenden Wajong met ingang van 1 januari 2010 voorzien van een nieuwe
citeertitel, luidende: Besluit uitbreiding kring studerenden Wajong.
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op
de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst, van 2 december 1998, Directie
Sociale Verzekeringen, nr. SV/WV/98/38819;
Gelet op artikel 5, derde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
jonggehandicapten;
De Raad van State gehoord (advies van 10 december
1998, nr. W12.98.0561);
Gezien het nader rapport van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst,
van 14 december 1998, Directie Sociale Verzekeringen, nr. SV/WV/98/41142;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Art. 1.
Uitbreiding van
de kring van studerenden
Voor de toepassing van de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten wordt mede
verstaan onder studerende: de persoon die niet op grond van artikel
1:4, eerste lid, van die wet als studerende wordt aangemerkt en
werkzaam is om vakbekwaamheid te verwerven, onder wie mede wordt
begrepen de persoon die als leerling van een instelling van onderwijs
praktisch werkzaam is, alsmede de persoon die aan een bedrijfsschool
opleiding ontvangt.
Art. 2.
Inwerkingtreding
-1. Indien het bij koninklijke boodschap van 7 oktober 1998 ingediende voorstel van wet tot nadere
wijziging van een aantal socialezekerheidswetten en enige andere
wetten, houdende technische alsmede enige andere wijzigingen (Veegwet
SZW 1998; Kamerstukken 26 239), nadat het tot wet is verheven, in
werking treedt, treedt dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking.
-2. Indien het Staatsblad waarin dit
besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven op of na de dag van
inwerkingtreding van het voorstel van wet, bedoeld in het eerste lid,
treedt dit besluit, in afwijking van het eerste lid, in werking met
ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het
wordt geplaatst en werkt het terug tot en met de dag van
inwerkingtreding van dat voorstel van wet.
Art. 3.
Citeertitel
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitbreiding kring studerenden
Wet Wajong.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van
toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage, 16 december
1998
BEATRIX
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
Uitgegeven de tweeëntwintigste
december 1998
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals
NOTA
VAN TOELICHTING
[16 december 1998]
Voor leerlingen en studenten
van bepaalde onderwijsinstellingen is het in de praktijk opdoen van
ervaring onderdeel van hun opleiding. Leerlingen en studenten die
in de praktijk leren worden stagiairs genoemd. Zij hebben met de
instelling waar zij gaan werken een stage- of leerovereenkomst gesloten.
Het kan hierbij gaan om leerlingen en studenten van
onderwijsinstellingen die in een bedrijf werken om praktijkervaring op te doen
of om schoolverlaters die een praktijkopleiding volgen volgens het programma
van een bedrijfsschool of opleidingsstichting.
In een stage- of
leerovereenkomst staat het kunnen voltooien van de studie centraal. Een
stageovereenkomst is geen arbeidsovereenkomst. Dit betekent dat de regels
van het arbeidsrecht niet van toepassing zijn. De stagiair ontvangt ook
geen salaris. De stagegever kan wel een onkostenvergoeding betalen.
Er kan bij deze leerlingen en studenten ook niet van een reële
gezagsverhouding gesproken worden. De stage moet immers worden vervuld om de
opleiding met goed gevolg te kunnen voltooien. Tijdens de stage
is een sterke binding met de onderwijsinstelling noodzakelijk. Vaak is de
stage- of leerovereenkomst een tripartiete overeenkomst
tussen de leerling/student, de praktijkinstelling en de onderwijsinstelling.
De uitbreiding van kennis en ervaring (onderwijs) staat voorop en
niet de economische betekenis van het verrichten van productieve
arbeid. Is er sprake van het verrichten van productieve arbeid, waarvoor
salaris wordt betaald, en een reële gezagsverhouding, dan gaat
het niet om een stage- of leerovereenkomst, maar om een arbeidsovereenkomst respectievelijk een dienstbetrekking in
de zin van artikel 3, eerste
lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), van de
Ziektewet en
van de Werkloosheidswet.
Tot de datum van
inwerkingtreding van de Veegwet SZW 1998 werd ingevolge
artikel 4, eerste
lid, onderdeel g, van de WAO mede als dienstbetrekking beschouwd
de arbeidsverhouding van: degene die als leerling van een instelling
van onderwijs praktisch werkzaam was, alsmede degene die aan een
bedrijfsschool opleiding ontving. Kort gezegd ging het in dat
onderdeel om stagiairs. Met ingang van de datum van inwerkingtreding van de
Veegwet SZW 1998 is artikel 4, eerste lid, onderdeel g, van de WAO
komen te vervallen. Overweging daarbij was onder meer dat de positie
van stagiairs meer verwant is met de positie van studenten dan met die van werknemers. Om te voorkomen dat in
bepaalde gevallen door de
werking van artikel 5 van het Koninklijk besluit van 24 december 1986,
houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als
bedoeld in artikel 5 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering,
artikel 5 van de Ziektewet
en artikel 5 van de Werkloosheidswet (Besluit
aanwijzing
van gevallen waarin een arbeidsverhouding als dienstbetrekking wordt
beschouwd) (Stb. 1986, 655) alsnog verzekeringsplicht voor stagiairs voor de
WAO ontstaat, zal de krachtens
artikel 5, tweede lid,
onderdeel b, van dat besluit getroffen ministeriële regeling op dat punt worden
uitgebreid.
In artikel 5 van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)
is neergelegd wie als jonggehandicapte kan worden aangemerkt. Naast de ingezetene die op de dag waarop hij 17 jaar
wordt arbeidsongeschikt is,
wordt op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van die
wet als
jonggehandicapte aangemerkt de ingezetene die na die dag
arbeidsongeschikt wordt en in het jaar voorafgaande aan het intreden van de
arbeidsongeschiktheid ten minste zes maanden studerende was.
In het tweede lid van
artikel 5 van de Wajong is aangegeven wie als studerende wordt aangemerkt.
In het derde lid [van dat artikel, red.] van die
wet is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) ook andere personen als
studerende kunnen worden
aangemerkt.
Deze AMvB strekt ertoe om
stagiairs onder het bereik van de Wajong te brengen,
voor zover dat niet
reeds het geval was op grond van artikel 5, tweede lid, van de Wajong.
Hiermee worden stagiairs wat betreft het recht op uitkering bij arbeidsongeschiktheid op één lijn gesteld met studenten.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
|
|