|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2001-2002, 28 219
Wijziging
van de Coördinatiewet Sociale Verzekering en andere
wetten in verband
met een administratieve lastenverlichting inzake de vaststelling van het
premieloon en het uitkeringsloon (Wet
administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in
socialeverzekeringswetten)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Hoofdlijnen |
| 1.1 |
Inzet van het kabinetsbeleid |
| 1.2 |
Doel van de
voorstellen |
| 1.3 |
De voorstellen op
hoofdlijnen |
| 1.4 |
Randvoorwaarden en
uitgangspunten |
| 1.5 |
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Inspectie Werk en Inkomen |
| 1.6 |
Inwerkingtreding en
implementatie |
| 2 |
Historie en adviezen |
| 2.1 |
Inleiding |
| 2.2 |
Rapport van de
werkgroep Loonbegrip |
| 2.3 |
Adviezen van Lisv,
Ctsv, CVZ en Actal |
| 3 |
De huidige situatie |
| 3.1 |
Inleiding |
| 3.2 |
Het loonbegrip |
| 3.3 |
De
dagloonsystematiek |
| 3.4 |
Premieafdrachtsystematiek en verzekerdenadministratie |
| 3.5 |
Gevolgen van de
huidige situatie voor werkgevers en UWV |
| 4 |
Voorstellen |
| 4.1 |
Inleiding |
| 4.2 |
Het loonbegrip |
| 4.3 |
De
dagloonsystematiek |
| 4.4 |
Premieafdrachtsystematiek en polisadministratie |
| 4.5 |
Overgangsrecht |
| 5 |
Gevolgen |
| 5.1 |
Inleiding |
| 5.2 |
Gevolgen voor
werkgevers |
| 5.3 |
Gevolgen voor het
UWV |
| 5.4 |
Gevolgen voor
werknemers |
| 6 |
Financiële gevolgen |
| 6.1 |
Inleiding |
| 6.2 |
Premieopbrengsten en
uitkeringslasten |
| 6.3 |
Uitvoeringskosten |
| 6.4 |
Gevolgen voor
werkgevers |
| 7 |
Overheid |
|
xArtikelsgewijs |
| Hoofdstuk
I. Wijzigingen
inzake de vaststelling van het premieloon en van de
invordering van de premie |
| xxx |
Artikelen
I t/m III |
| Hoofdstuk
II. Wijzigingen
inzake de vaststelling van het uitkeringsloon |
| x |
Artikelen
IV t/m VIII |
| Hoofdstuk
III. Overige
wijzigingen die verband houden met het voorgestelde in de
hoofdstukken I en II |
| x |
Artikelen
XXIII t/m XXX |
| xBijlage
1 |
rblz.|3|
Algemeen
1.
Hoofdlijnen
1.1. Inzet van het kabinetsbeleid
De uitvoering van de werknemersverzekeringen wordt thans
gekenmerkt door complexe regelgeving. Deze complexiteit strekt zich
uit over een aantal deelterreinen. Het loonbegrip dat bepalend is
voor de premieheffing werknemersverzekeringen is gedefinieerd in de
Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV). Deze wet kent tal van
loonbestanddelen die zijn uitgesloten voor de premieheffing. Op grond van deze wet
zijn daarnaast tal van besluiten en regelingen getroffen die het
loonbegrip voor de premieheffing nader definiëren.
Het loonbegrip waarop de uitkering wordt gebaseerd,
verschilt van het premieloonbegrip. Over een aantal loonbestanddelen wordt
wel premie werknemersverzekeringen geheven, maar deze elementen
zijn uitgezonderd van het uitkeringsloon. Ook de omgekeerde situatie kan
zich voordoen. Bovendien worden sommige loonbestanddelen wel voor de
ene werknemersverzekering tot het uitkeringsloon gerekend,
maar niet voor de andere.
De bepalingen waarin wordt geregeld welke
loonbestanddelen tot het uitkeringsloon behoren, vormen slechts één element
voor de vaststelling van de hoogte van de uitkering. De regelingen waarin is
vastgelegd hoe de hoogte van de uitkering moet worden bepaald
(dagloonregelingen), bevatten daarnaast nog tal van andere bepalingen die van
invloed zijn op de hoogte van deze uitkering. Deze regels verschillen
per werknemersverzekering. Binnen iedere regeling zijn vervolgens weer
uitzonderingen op de hoofdregel voor die werknemersverzekering
opgenomen. Ten slotte zijn er weer tal van uitzonderingen op al deze regels
getroffen, die kunnen verschillen per categorie werknemers (de bijzondere
dagloonbesluiten). De wijze van premieafdracht ten slotte is eveneens niet
uniform geregeld. Drie van de vijf voormalige uitvoeringsinstellingen werkten op basis van
een systeem van premieafdracht achteraf. De overige
twee voormalige uitvoeringsinstellingen werkten op voorschotbasis. Beide
systemen worden voorshands door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV) voortgezet. De systemen vergen een verschillende
wijze van gegevensaanlevering en kennen verschillende
verplichtingen.
De complexiteit van de
wet- en regelgeving met
betrekking tot de werknemersverzekeringen heeft een aantal belangrijke
gevolgen.
In de eerste plaats is de complexiteit van de
regelgeving - uiteraard - niet bevorderlijk voor de inzichtelijkheid
van het stelsel.
Met name de veelheid van regels met betrekking tot het vaststellen van de
uitkering (het dagloon) heeft tot gevolg dat de wijze van de
uitkeringsvaststelling voor niet-ingewijden nauwelijks is te begrijpen. Daarnaast
betekent de veelheid van regels met betrekking tot zowel het premieloon als
het uitkeringsloon voor de werknemersverzekeringen (hierna: sv-premieloon
respectievelijk sv-uitkeringsloon [sv-: socialeverzekerings-, red.]) dat, mede in het licht van de toename
in diversiteit van beloningsvormen, inzicht in de beoordeling of over bepaalde loonbestanddelen
premie moet worden geheven dan wel tot het
uitkeringsloon moeten worden gerekend, zeer specialistische kennis
vereist.
Een tweede gevolg dat rechtstreeks uit de complexiteit
van de regelgeving voortvloeit, is dat de voormalige uitvoeringsinstellingen (maar zou
waarschijnlijk tevens gelden voor het UWV) ten aanzien van de uitkeringsvaststelling niet
konden voldoen aan de eisen die worden gesteld in het
kader van de rechtmatigheid. Het
College van toezicht sociale
verzekeringen (Ctsv) heeft destijds aangegeven dat er twee belangrijke
oorzaken zijn aan te rblz.|4|
wijzen, te weten
onvoldoende accuratesse in de wetsuitvoering en de (toenemende) complexiteit
van de regelgeving. Een relatie tussen dit gebrek aan zorgvuldigheid
in de uitvoering en de complexiteit van de regelgeving ligt voor de
hand: de ingewikkeldheid van wet- en regelgeving vergt een groot aantal
objectieve en subjectieve beoordelingsmomenten in de uitvoering,
waardoor de kans op fouten en vergissingen groot is.
Ten derde leidt een
correcte toepassing van de regelgeving tot hoge uitvoeringskosten. Er is
veel personeel noodzakelijk om het collecterende, maar vooral het
distribuerende proces tijdig en correct te kunnen uitvoeren. Daarnaast
vereisen beide processen zeer veel gegevens, die moeten worden verwerkt in
de administratie van het UWV.
Ten vierde, maar zeker
niet in de minste plaats, zijn de administratieve lasten voor werkgevers
zeer hoog. Werkgevers moeten zeer veel gegevens aanleveren ten behoeve
van het proces van premie-inning. Daarnaast moeten werkgevers een
veelheid van gegevens aanleveren voor de beoordeling van het recht
op en de hoogte van een uitkering. Als gevolg van de discrepantie
tussen het sv-premieloon en het sv-uitkeringsloon, maar ook als gevolg van
de gedetailleerdheid van de regels met betrekking tot de
uitkeringsvaststelling, kan het UWV geen gebruik maken van de gegevens die
werkgevers al hebben aangeleverd voor de premie-inning. Zowel het collecterende
proces als het distribuerende proces door het UWV vereist van
werkgevers derhalve een zeer forse stroom van gegevens.
Ten slotte is het evident
dat complexe en gedetailleerde regelgeving de mogelijkheden tot
handhaving niet ten goede komen. Controles op de administraties van
werkgevers vragen daardoor veel tijd en menskracht en beperken als gevolg
hiervan het aantal controles dat kan worden uitgevoerd.
Uit het bovenstaande moge
blijken dat vereenvoudiging van de wet- en regelgeving op het
terrein van de werknemersverzekeringen dringend is gewenst. Het kabinet
heeft bij zijn aantreden deze vereenvoudiging dan ook hoog op de agenda
geplaatst. Mede in dit licht is in het regeerakkoord aangegeven dat verhoging
van de doelmatigheid en verlaging van de uitvoeringskosten hoge
prioriteit hebben (Kamerstukken II 1997-1998, 26 024, nr. 9).
Ook van andere zijden is
aangegeven dat veel winst valt te behalen bij een vergaande
vereenvoudiging. Zo bevatten de tussenrapportage "De papierberg te
lijf" alsmede de
eindrapportage "Regels zonder overlast" van de Commissie Administratieve
Lasten een aantal aanbevelingen met betrekking tot de werknemersverzekeringen. Daaruit voortvloeiend heeft de
werkgroep Loonbegrip in
zijn rapport "Het loont de moeite" nadere voorstellen gedaan om de uitvoering
van onder meer de werknemersverzekeringen eenvoudiger te maken. Het
kabinet heeft in zijn reacties op beide rapporten
aangegeven deze aanbevelingen ter harte te zullen nemen (Kamerstukken II
1999-2000, 24 036, nrs. 138, 148 respectievelijk 168).
Dit wetsvoorstel is een
eerste concrete vertaling van dit voornemen.
1.2. Doel van de
voorstellen
De met dit wetsvoorstel
beoogde vereenvoudiging dient - in onderlinge samenhang - de volgende
doelen te bewerkstelligen:
a. vergroting van de
inzichtelijkheid van het stelsel;
b. verhoging van de
rechtmatigheid van de uitkeringsvaststelling;
c. verlaging van de
uitvoeringskosten van het UWV;
d. verlaging van de
administratieve lasten voor werkgevers;
e. verbetering van de
handhaving.
rblz.|5|
De
regering is van mening
dat met de in dit wetsvoorstel opgenomen voorstellen deze
doelstellingen kunnen worden gerealiseerd. Daarbij wil de regering op voorhand
al opmerken dat deze voorstellen niet los van elkaar kunnen worden
gezien. Met andere woorden, realisering van de genoemde doelstellingen
is alleen mogelijk indien de diverse onderdelen van dit wetsvoorstel in
hun samenhang worden geïmplementeerd. Dit is ook de reden waarom de
verschillende onderdelen in één wetsvoorstel zijn samengebundeld.
De regering is zich ten
volle bewust dat realisering van de genoemde doelen veel meer vergt
dan alleen de invoering van dit wetsvoorstel. Met name voor de uitvoering
zal de implementatie van de voorstellen een forse inspanning vergen.
Dit geldt zowel voor de aanpassingen die noodzakelijk zijn ten aanzien van het
proces van de premie-inning als ten aanzien van de inrichting
van de administratie en de toepassing van de regels voor de uitkeringsverstrekking.
Ook werkgevers zullen in
veel gevallen hun administratie moeten aanpassen. Het is daarbij
niet uitgesloten dat deze aanpassing eenmalig een lastenverzwaring
betekent. Eenmalig, aangezien de voorstellen er juist toe moeten leiden
dat, eenmaal aangepast, de administraties van de werkgevers de
noodzakelijke gegevens eenvoudig kunnen aanleveren aan de uitvoering.
De feitelijke
implementatie van de voorstellen zal daarom zorgvuldig moeten gebeuren. Zowel de
uitvoering als de werkgevers zullen ruim de tijd moeten hebben om
zich voor te kunnen bereiden en zich in te stellen op de nieuwe situatie.
Dit proces vereist uiteraard uitgebreide voorlichting richting werkgevers. Waar
nodig zal worden bezien of en in welke vorm werkgevers extra
ondersteuning kan worden geboden, bijvoorbeeld ten aanzien van de
faciliëring van elektronische verwerking en aanlevering van gegevens.
Voorlichting is tevens
noodzakelijk naar werknemers. Niet alleen moeten werknemers - uiteraard
- op de hoogte zijn van de wijzigingen die van invloed kunnen zijn op
hun verzekeringen uit hoofde van de Ziektewet (ZW),
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en Werkloosheidswet (WW),
maar ook wordt de rol van werknemers in het gehele administratieve
proces uitgebreid.
Daarnaast kunnen de
voorstellen met betrekking tot het sv-loonbegrip aanleiding vormen voor
werkgevers en werknemers om in de CAO-afspraken bepaalde
beloningsvormen om te zetten (bijvoorbeeld om loon in natura om te
zetten in loon in geld); ook hiervoor moet sociale partners tijd worden
gegund.
1.3. De voorstellen op
hoofdlijnen
De vereenvoudiging van de
wet- en regelgeving betreft twee hoofdterreinen, te weten het loonbegrip
en de uitkeringsvaststelling (dagloonsystematiek).
De voorstellen met
betrekking tot het loonbegrip betreffen in de eerste plaats de (definiëring
van de) loonbestanddelen die relevant zijn voor de premieheffing en de
uitkeringsvaststelling.
Het loonbegrip voor de
premieheffing, het sv-premieloon, zal aanzienlijk worden vereenvoudigd. Loonbestanddelen die qua omvang beperkt zijn
dan wel die incidenteel
worden verstrekt, met andere woorden loonbestanddelen waarop een werknemer niet
zijn normale uitgavenpatroon baseert, zullen niet
langer tot het sv-premieloon worden gerekend. Het betreft, zoals gezegd,
geen loonbestanddelen die een substantieel onderdeel van het reguliere loon
vormen, maar die wel administratief-technisch en uitvoeringstechnisch
zeer bewerkelijk en complex zijn. Deze loonbestanddelen worden thans in veel
gevallen al niet meegenomen in de hoogte van de uitkering,
hoewel hierover wel premie is betaald. Op
het rblz.|6|
sv-uitkeringsloon zal
deze vereenvoudiging met andere woorden geen of slechts een marginale
invloed hebben.
Tevens zal het sv-uitkeringsloon gelijk worden aan het
sv-premieloon. Over loonbestanddelen die
niet tot het sv-uitkeringsloon behoren, zal dus niet langer premie
verschuldigd zijn. Omgekeerd geldt dat over die loonbestanddelen waarvan het wenselijk
wordt gevonden dat deze tot het sv-uitkeringsloon behoren, altijd premie verschuldigd zal zijn. Niet alleen wordt op deze manier
recht gedaan aan het equivalentiebeginsel, maar kan het UWV
tevens bij de
uitkeringsvaststelling gebruik maken van de gegevens die een
werkgever heeft aangeleverd in het kader van de premieheffing en die dus
in de administratie van het UWV aanwezig zijn. Dit vereist derhalve niet
langer gegevensuitvraag bij de werkgever én, belangrijker, voorkomt
nieuwe beoordelingsmomenten voor werkgever en het UWV.
Ook de regels voor de
wijze waarop de (hoogte van de) uitkering wordt vastgesteld, de
dagloonsystematiek, zullen drastisch worden vereenvoudigd. De verschillende
dagloonregelen voor de desbetreffende werknemersverzekeringen zullen worden
geïntegreerd tot één dagloonregeling. Daarnaast zal de dagloonsystematiek voor alle werknemersverzekeringen
worden geüniformeerd,
met andere woorden zullen de regels voor de
vaststelling van het dagloon voor alle wetten gelijkluidend worden. Deze regels
zullen tevens zo min mogelijk uitzonderingen op de hoofdregels bevatten. Dit
betekent ook dat de bijzondere dagloonbesluiten zullen komen te
vervallen. Daarbij zal worden bezien of bepaalde onderdelen van
deze besluiten zullen worden overgenomen in de algemene
dagloonregeling.
Ten slotte zullen zoveel
mogelijk subjectieve beoordelingsmomenten binnen de
dagloonsystematiek worden geschrapt dan wel geobjectiveerd. Op deze wijze ontstaat
een eenduidige dagloonvaststelling voor alle werknemersverzekeringen met zo weinig mogelijk
uitzonderingen en beoordelingsmomenten. Dit
reduceert niet alleen de kans op fouten bij uitkeringsvaststelling,
maar betekent ook minder gegevensuitvraag bij werkgevers en dus lagere
administratieve lasten bij werkgevers en lagere uitvoeringskosten.
Om de vereenvoudiging van
de wet- en regelgeving optimaal te benutten, zullen ook wijzigingen in
het administratieve proces worden aangebracht. Het doel is daarbij het
administratieve proces zodanig in te richten dat de gegevensuitvraag bij
werkgevers zoveel mogelijk wordt beperkt, dat werkgevers de noodzakelijke gegevens zo efficiënt mogelijk kunnen
aanleveren en dat het UWV zoveel mogelijk gebruik kan maken van de in de eigen administratie
aanwezige gegevens.
De premieafdrachtsystematiek zal in dit proces een cruciale rol gaan spelen. Werkgevers moeten
ten behoeve van een correcte afdracht van de verschuldigde premies
gegevens aanleveren aan het UWV over onder andere dienstverbanden en
lonen. In de situatie dat het sv-uitkeringsloon gelijk is aan het sv-premieloon kunnen de gegevens die de werkgevers al hebben aangeleverd ten
behoeve van de premieafdracht tevens worden gebruikt in het geval een
uitkering moet worden vastgesteld. Voorwaarde is uiteraard dat deze
gegevens per individuele werknemer in de administratie van het UWV aanwezig
zijn. Om dit te bewerkstelligen, wordt een uniforme
premieafdrachtsystematiek ingevoerd. De verloonde bedragen zullen na afloop van
iedere salarisperiode (per maand of per vier weken) worden gemeld op
nominatief niveau, dat wil zeggen per individuele werknemer. Op deze wijze
beschikt de uitvoering dan in de eerste plaats per definitie over gerealiseerde gegevens. In de tweede plaats is op deze
wijze gegarandeerd dat de
gegevens actueel en betrouwbaar zijn.
Deze wijze van premieafdracht betekent dus dat de voorschotsystematiek, die het UWV thans nog
hanteert, zal worden verlaten. Bij een
rblz.|7|
systematiek op
voorschotbasis worden de premies afgedragen op basis van een inschatting van
de totale premieplichtige loonsom van een werkgever. Handhaving van de voorschotsystematiek zou betekenen dat de
uitvoering nog steeds
niet zou beschikken over gerealiseerde loongegevens en dus bij een
uitkeringsvaststelling toch weer gegevens zou moeten uitvragen bij de
werkgever.
Een efficiënte en
correcte premieafdracht stelt eisen aan de wijze waarop de voor de
premievaststelling noodzakelijke gegevens worden aangeleverd door de
werkgevers. De uitvoering moet enerzijds kunnen controleren of sprake is
van premieplicht, en zo ja, welk bedrag aan premies is verschuldigd;
dit vereist dat de uitvoering tijdig over de juiste gegevens moet kunnen
beschikken. Anderzijds moet worden voorkomen dat werkgevers onnodig
gegevens moeten verstrekken en, belangrijker, moet worden
bewerkstelligd dat de gegevensverstrekking zo weinig mogelijk extra
administratieve belasting voor de werkgever vergt.
Beide aspecten kunnen
worden gerealiseerd door middel van invoering van een standaardbericht.
Dit bericht zal een aantal verplicht aan te leveren gegevens
bevatten, zoals bijvoorbeeld het dienstverband en de loongegevens. Daarnaast
zal het bericht voor de werkgever de mogelijkheid bieden om méér gegevens
aan te leveren. Hierbij gaat het dan met name om gegevens die voor
de uitkeringsverstrekking relevant zijn, zoals bijvoorbeeld het aantal
ziektedagen. Indien de uitvoering ook standaard over deze gegevens
beschikt, kan de uitkeringsvaststelling zonder verdere gegevensuitvraag
plaatsvinden. Het standaard aanleveren van meer gegevens kan met name voor
werkgevers die, bijvoorbeeld door de aard van de werkzaamheden, vaak te maken hebben met een uitkeringsverzoek van
hun werknemers
interessant zijn.
Een werkgever dient het
bericht direct na afloop van de salarisperiode te versturen. Niet alleen
zijn dan de gerealiseerde loongegevens bekend, maar ook kan het
versturen van de noodzakelijke gegevens dan worden gecombineerd of zelfs
geïntegreerd met de salarisadministratie.
Ten slotte zal de rol van
de werknemer in het administratieve proces worden uitgebreid. De
werknemer heeft thans geen inzicht in de gegevens die de werkgever aan het
UWV aanlevert. Een werknemer zal straks bij indiensttreding, alsmede
bij belangrijke wijzigingen in de hoogte van zijn loon, een polisbericht
ontvangen van het UWV. In dit polisbericht wordt aangegeven welk verzekerd
loon de werkgever heeft aangeleverd. Indien dit verzekerde loon
volgens de werknemer niet correct is, moet deze dit melden aan het UWV. Op
deze wijze ontstaat niet alleen een extra controle op de gegevens die door
de werkgever worden aangeleverd, maar krijgt de werknemer tevens
inzicht in zijn positie als verzekerde.
1.4. Randvoorwaarden en
uitgangspunten
Iedere substantiële
vereenvoudiging gaat gepaard met gevolgen voor werkgevers en werknemers.
Deze gevolgen kunnen zich op een aantal punten voordoen. De
vereenvoudiging van het loonbegrip is van invloed op de
macropremiegrondslag, alsmede het verschuldigde bedrag aan premies
werknemersverzekeringen. Dit kan gevolgen hebben voor het inkomen van werknemers en
voor de loonkosten van werkgevers. De uniformering van het sv-premieloon en
sv-uitkeringsloon kan daarnaast gevolgen hebben voor de
hoogte van de uitkering. Ook de vereenvoudiging van de dagloonsystematiek
betekent dat de hoogte van de uitkering enigszins kan verschillen
ten opzichte van de huidige systematiek.
Op voorhand dient te
worden benadrukt dat gevolgen onvermijdelijk zijn bij een forse
vereenvoudiging. De complexiteit van de wet- en regelgeving is vaak immers ontstaan
doordat voor iedere bijzondere situatie een aparte regeling is
getroffen. Veralgemenisering van de regelgeving betekent
rblz.|8|
dat niet meer met
iedere bijzondere situatie afzonderlijk rekening gehouden kan worden.
Bij de uiteindelijke
keuzen heeft de regering een aantal randvoorwaarden gehanteerd.
In de eerste plaats
zullen bestaande uitkeringsrechten worden gerespecteerd. Het is niet de bedoeling
dat dit wetsvoorstel gevolgen heeft voor de uitkeringen die op het
moment dat de voorstellen worden ingevoerd, worden genoten. De
wijzigingen gelden met andere woorden alleen voor uitkeringen die na de
ingangsdatum ingaan.
In de tweede plaats dient
de uitkeringsgrondslag - uiteraard - een voldoende
inkomensbescherming te blijven bieden. Dit betekent dat de grondslag voor de
uitkering die loonbestanddelen dient te bevatten die de werknemer tot zijn
normale, reguliere, normale loon rekent. Bij de afweging of
loonbestanddelen al dan niet worden meegenomen in de uitkering, met andere
woorden de definiëring van het sv-uitkeringsloon, zal dus steeds moeten
worden afgewogen of deze loonbestanddelen een vast onderdeel uitmaken
van de beloning van de werknemer.
In de derde plaats wordt
het sv-premieloon gelijk aan het sv-uitkeringsloon.
Momenteel zijn er, zoals
eerder aangegeven, verschillen tussen de grondslag voor de afdracht van de
verzekeringspremie, het sv-premieloon en de grondslag voor de
bepaling van de uitkering, het sv-uitkeringsloon. Niet alleen heeft dit
hoge administratieve lasten en uitvoeringskosten tot gevolg, maar bovendien
betekent dit dat premie verschuldigd is over loonbestanddelen die niet
in de uitkering terugkomen of omgekeerd. Het gelijkstellen van het sv-premieloon en het
sv-uitkeringsloon heeft wel gevolgen voor de afweging
ten aanzien van loonbestanddelen. Indien het wenselijk wordt gevonden
dat een bepaald loonelement in de uitkering wordt meegenomen, betekent
dit wel dat hierover dus ook premie verschuldigd zal zijn.
Omgekeerd betekent de keuze om over een bepaald loonelement niet langer
premie te heffen dat dit element ook niet in de uitkering terugkomt.
In de vierde plaats moet
het nieuwe sv-loonbegrip zo eenvoudig mogelijk zijn.
Vereenvoudiging is immers
het middel om de beoogde doelstellingen te realiseren. Naast het
creëren van eenheid door het sv-premieloon gelijk te stellen aan het sv-uitkeringsloon, brengt ook het vereenvoudigen van deze begrippen de beoogde
voordelen met zich.
Opgemerkt moet worden dat
deze randvoorwaarden bij de afwegingen onderling kunnen
conflicteren. Zo kan de tweede randvoorwaarde, een uitkeringsgrondslag die
voldoende inkomensbescherming biedt, in bepaalde gevallen
mogelijk botsen met het streven naar een zo eenvoudig mogelijk loonbegrip. Bij
elke voorgestelde wijziging is daarom gekeken naar de omvang en
reikwijdte van de gevolgen. In het geval het gevolg op de hoogte van de
uitkering bijvoorbeeld marginaal is of indien een wijziging slechts voor een beperkte
groep personen gevolgen heeft, dan zullen eenvoud en eenheid de
doorslag geven. In gevallen waarbij het effect niet marginaal is, kan de
randvoorwaarde van voldoende inkomensbescherming de doorslag geven.
Naast de hierboven
beschreven randvoorwaarden is er een tweetal uitgangspunten
gehanteerd, die deels voortvloeien uit deze randvoorwaarden.
In de eerste plaats is ernaar gestreefd de uitkeringsgrondslag op macroniveau
zoveel mogelijk
ongewijzigd te houden. De randvoorwaarde van voldoende
inkomensbescherming impliceert dat geen substantiële daling van de
macro-uitkeringsgrondslag mag optreden. Omgekeerd mogen de voorstellen echter ook
niet leiden tot een forse stijging van de uitkeringsgrondslag. Dit zou immers weer
leiden tot een (financiële) lastenverzwaring voor werkgevers en werknemers.
rblz.|9|
In de tweede plaats
dienen ook opwaartse premiemutaties zoveel mogelijk te worden vermeden. De
vereenvoudiging van het sv-loonbegrip zal in de meeste gevallen
betekenen dat over bepaalde loonbestanddelen niet langer premie
verschuldigd zal zijn. Veel incidentele loonbestanddelen behoren thans niet tot
het sv-uitkeringsloon. De randvoorwaarde dat het sv-premieloon gelijk is
aan sv-uitkeringsloon impliceert dat over deze loonbestanddelen niet
langer premie verschuldigd is; dit leidt derhalve tot grondslagversmalling. Het
is echter niet wenselijk om als gevolg van de verandering in de
premiegrondslag de tariefstelling voor de werknemersverzekeringen in belangrijke mate te
moeten wijzigen.
1.5. Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Inspectie Werk en Inkomen
In de aanloop naar de
totstandkoming van dit wetsvoorstel is er een aantal wijzigingen
opgetreden in de uitvoering van en het toezicht op de werknemersverzekeringen.
Per 1 januari 2002 is de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) van kracht
geworden. Daarmee is de uitvoering van de sociale verzekering
gewijzigd. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv) en
de vijf uitvoeringsinstellingen zijn per die datum opgegaan in het UWV.
Het uitvoeringstechnisch
commentaar op dit wetsvoorstel is echter nog ontvangen van het
toenmalige Lisv. In de memorie van toelichting is de verwijzing naar dit
orgaan, voor zover wordt gerefereerd aan dit commentaar, gehandhaafd.
Daarnaast is ook het
toezicht op de uitvoering van de sociale verzekeringen gewijzigd. Per 1 januari
2002 is dit de verantwoordelijkheid van de Inspectie Werk en Inkomen
(IWI). De Inspectie is voortgekomen uit het Ctsv en een onderdeel van
het ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid. Ook hier geldt dat de
rechtmatigheidstoets is verkregen van het Ctsv. Voor zover aan dit
commentaar wordt gerefereerd, is de verwijzing naar het Ctsv
gehandhaafd.
1.6. Inwerkingtreding en
implementatie
Een zorgvuldige invoering
van de voorstellen in dit wetsvoorstel kan niet los worden gezien van de
veel meer omvattende wijzigingen in de uitvoering in het kader van de Wet
SUWI.
Het spreekt voor zich dat beide trajecten zeer zorgvuldig op elkaar
zullen moeten worden afgestemd. De Wet SUWI is per 1 januari 2002 van
kracht geworden.
Met het
UWV zijn
inmiddels diverse gesprekken gevoerd over de uitvoering en implementatie van
het
onderhavige wetsvoorstel. Het betreft dan met name het
implementatietraject van de voorgestelde polisadministratie.
Op dit moment kennen de voormalige uitvoeringsinstellingen, die nu in het UWV zijn opgegaan,
een vijftal verschillende systemen van premieafdracht en administratie. De
omvorming van deze systemen tot één UWV-breed systeem moet
dan ook met de nodige zorgvuldigheid geschieden. De bouw van
een dergelijk nieuw systeem neemt, naar verwachting van het UWV,
drie jaar in beslag. Het UWV heeft het voornemen om in 2002 de voorstudie
af te ronden, alsmede de specificaties van de polisadministratie
in kaart te brengen. De twee jaar daaropvolgend kunnen dan gebruikt
worden voor de bouw van het systeem. Zoals hiervoor al gememoreerd, zal ook
voor het merendeel van de werkgevers sprake zijn van een
wijziging van de afdrachtsystematiek die noopt tot een eenmalige aanpassing
van de administratie. Er is tijd nodig om de
rblz.|10|
administraties op de
nieuwe systematiek voor te bereiden. Zij zullen derhalve geïnformeerd
moeten worden over de komende wijzigingen in het kader van de
voorgestelde premieafdrachtsystematiek. Gedacht wordt hierbij om de
softwareleveranciers van salarispakketten er in een vroeg stadium bij te
betrekken, om er zodoende voor te zorgen dat de software afgestemd is op
het systeem van het UWV.
Daarnaast wordt
onderzocht of het mogelijk is om werkgevers te stimuleren om dergelijke software te
gaan gebruiken, opdat de kwaliteit van de gegevens kan worden
gewaarborgd.
Naast de hiervoor
omschreven aspecten is ook van belang wanneer de tweede fase, de
uniformering van het fiscale loonbegrip aan het voorgestelde
sv-loonbegrip, kan worden
ingevoerd. De regering beoogt een gelijktijdige datum van
inwerkingtreding van beide wetsvoorstellen.
Gezien het voorgaande
wordt thans voorzien om het onderhavige
wetsvoorstel, alsmede het wetsvoorstel
aangaande de uniformering van het fiscale loonbegrip en het
sv-loonbegrip, per 1 januari 2005 in werking te laten treden.
2. Historie en
adviezen
2.1. Inleiding
De complexiteit van de
wet- en regelgeving met betrekking tot de werknemersverzekeringen is al lange tijd
onderwerp van analyse en discussie. In de afgelopen vijftien
jaren is een groot aantal rapporten en adviezen verschenen met betrekking
tot de vereenvoudiging van de regelgeving op het terrein van de werknemersverzekeringen. Voor een belangrijk deel zijn
deze rapporten en
adviezen nog steeds actueel.
Bij de Stelselherziening
1987 is een eerste stap gezet in de richting van vereenvoudiging van met
name de dagloonsystematiek. Deze betrof met name de invoering van het
historisch dagloon en de equivalentie van het premieloon en
uitkeringsloon. Naar aanleiding hiervan heeft het toenmalige kabinet een
adviesaanvraag gezonden aan de Sociale Verzekeringsraad (SVr) met betrekking tot
de dagloonsystematiek, waarin deze elementen werden
uitgewerkt. De SVr heeft in zijn advies deze uitgangspunten onderschreven.
Vervolgens heeft het
toenmalige kabinet naar aanleiding van een aantal rapporten in 1994 een kabinetsstandpunt geformuleerd (Kamerstukken
II 1994-1995, 24 044, nr. 1). Eén van deze rapporten was "Tegen de stroom in"
(TDSI) van de toenmalige
Federatie van Bedrijfsverenigingen (FBV). De FBV hanteerde als uitgangspunt de reductie van informatiestromen van
werkgevers naar
uitvoeringsorganen. De belangrijkste voorstellen in dit rapport waren de
uniformering van het premieloon en uitkeringsloon, een uniforme systematiek van
premieafdracht en de invoering van een polisadministratie. In het kabinetsstandpunt
van 1994 onderschreef het toenmalige kabinet deze voorstellen.
Daarbij gaf het kabinet aan dat de nadelen van eventuele
discoördinatie tussen fiscaal loon en premieloon moeten worden afgewogen
tegen de voordelen die daaruit voortvloeien voor de
werknemersverzekeringen.
In het vervolg daarop
heeft het toenmalige kabinet in 1997 een adviesaanvraag verzonden aan het
Lisv
met betrekking tot de vereenvoudiging van wet- en
regelgeving.
De belangrijkste punten in deze adviesaanvrage sloten in hoge mate aan
bij de adviesaanvrage aan de SVr, te weten de invoering van het
historisch dagloon en de equivalentie tussen het premieloon en
uitkeringsloon. Het advies van het Lisv ten slotte onderschreef de voorstellen in
belangrijke mate.
rblz.|11|
Implementatie van de
voorstellen heeft echter tot op heden niet plaatsgevonden. De belangrijkste reden
hiervoor was dat de voormalige uitvoeringsinstellingen gedurende de jaren
negentig met andere dusdanig ingrijpende wijzigingen
ten aanzien van de werknemersverzekeringen werden geconfronteerd dat
wijzigingen met betrekking tot de loonbegrippen en de dagloonsystematiek
te belastend voor de uitvoering zouden worden.
2.2. Rapport van de
werkgroep Loonbegrip
In 1999 bracht de
Commissie Administratieve Lasten (commissie-Slechte) een tweetal adviezen uit
met betrekking tot de vermindering van administratieve lasten voor werkgevers.
Een aantal van de voorstellen hadden betrekking op de
werknemersverzekeringen. In het verlengde van deze commissie is vervolgens
de werkgroep Loonbegrip (werkgroep-De Boer) ingesteld. Deze werkgroep
heeft op 18 april 2000 het rapport "Het loont de moeite" uitgebracht.
De werkgroep Loonbegrip
heeft bij haar voorstellen de vermindering van de administratieve lasten
vooropgesteld, voor zover die worden veroorzaakt door de discoördinatie
van de loonbegrippen.
Kort samengevat zijn de
voorstellen de volgende:
• breng meer eenheid in
de heffingssystematiek voor premieloon en fiscaal loon;
• neem de grondslag van
het uitkeringsloon als uitgangspunt voor zowel het premieloon als het
fiscaal loon;
• vereenvoudig de
grondslag voor de loonbestanddelen die zowel tot het uitkeringsloon,
premieloon als fiscaal loon behoren zoveel
mogelijk;
• orden helder de
overige loonbestanddelen die uitsluitend tot de grondslag fiscaal loon behoren.
De werkgroep kiest in de
voorstellen voor een tweetrapsbenadering. De eerste fase betreft de
vereenvoudiging binnen de werknemersverzekeringen. Daarbij gaat het in de
eerste plaats om de vereenvoudiging en uniformering van het
premieloon en het uitkeringsloon, de invoering van het historisch
dagloon, de vereenvoudiging en uniformering van de dagloonbepalingen en het
hanteren van volledige salarisperioden. Daarop aansluitend stelt de
werkgroep voor om voor de premieheffing werknemersverzekeringen over te gaan
op een
afdrachtsystematiek op aangifte achteraf. Ten slotte doet de werkgroep aanbevelingen ten aanzien van het gegevensverkeer.
De tweede fase betreft
met name voorstellen om de heffingssystematiek voor het (nieuwe)
premieloon en het fiscale loon zoveel mogelijk te uniformeren. In de eerste
plaats wordt voorgesteld om die loonbestanddelen die wél tot het fiscaal
loon behoren, maar niet langer tot het premieloon, te
verplaatsen naar de eindheffing. Het gaat dan om loonbestanddelen die qua
omvang beperkt zijn dan wel die incidenteel worden verstrekt, met andere woorden
loonbestanddelen waarop een
werknemer niet zijn
normale uitgavenpatroon baseert, maar die wel administratief-technisch
en uitvoeringstechnisch zeer bewerkelijk en complex zijn.
In de tweede plaats wordt
voorgesteld om de heffingssystematiek over die loonbestanddelen
waarover zowel premies werknemersverzekeringen als loonbelasting is
verschuldigd zoveel mogelijk te uniformeren.
Aspecten die in dat kader
van belang zijn, zijn bijvoorbeeld de aftrekbaarheid van de WW-premie voor de
heffing loonbelasting, de franchise in de WW (de AWf-franchise) en
de werkgeverspremie voor de Ziekenfondswet (Zfw), die wel tot het
fiscaal loon, maar niet tot het premieloon behoort.
rblz.|12|
Het kabinet heeft in zijn
reactie van 14 juli 2000 de aanbevelingen van het rapport-De Boer
onderschreven (Kamerstukken II 1999-2000, 24 036, nr. 168).
2.3. Adviezen van
Lisv, Ctsv, CVZ en Actal
Het voorliggende
wetsvoorstel is voorgelegd aan het Lisv, het
Ctsv en het College voor
zorgverzekeringen (CVZ).
Het Lisv heeft op 31
januari 2001 zijn uitvoeringstechnisch commentaar toegezonden. Het Ctsv
heeft op 25 januari 2001 de rechtmatigheidstoets doen toekomen. Het CVZ
heeft eveneens op 25 januari 2001 zijn uitvoeringstechnisch
commentaar uitgebracht.
Het wetsvoorstel is op 7
juni 2001 aan het Adviescollege toetsing administratieve lasten (Actal)
voorgelegd. Op 3 juli 2001 heeft het College zijn advies uitgebracht.
Het commentaar van het
Lisv
Het
Lisv constateert dat
het wetsvoorstel beoogt vier deelterreinen, te weten het loonbegrip, de dagloonsystematiek, de polisadministratie en de
premieafdrachtsystematiek,
in hun samenhang te vereenvoudigen. Naar het oordeel van het Lisv
zal met name deze samenhang leiden tot een aanzienlijke vereenvoudiging van de
socialeverzekeringswetten. Als voorbeeld
hiervoor noemt het Lisv
de uniformering van de loonbegrippen. Zonder aanpassing van de
polisadministratie en het integraal invoeren van de
premieafdrachtsystematiek op nominatieve aangifte achteraf zal
nog steeds extra
gegevensuitvraag moeten plaatsvinden.
Het wetsvoorstel zal naar
het oordeel van het Lisv pas volledig tot zijn recht komen op het moment
dat het geheel is ingevoerd.
Wel plaatst het
Lisv een
aantal belangrijke kanttekeningen. Deze kanttekeningen zijn enerzijds
inhoudelijk van aard en betreffen opmerkingen dan wel voorstellen op de
verschillende specifieke onderdelen van het wetsvoorstel en anderzijds procesmatig
van aard waar het gaat om de wijze van en termijn voor de implementatie van de voorstellen.
In de desbetreffende
onderdelen van dit wetsvoorstel zal uitvoeriger op de specifieke kanttekeningen
van het Lisv worden ingegaan.
Het commentaar van het
Ctsv
Het
Ctsv stelt met
instemming vast dat met het onderhavige wetsvoorstel invulling wordt gegeven
aan reeds jarenlang uitgesproken wensen om te komen tot vereenvoudiging
van de uitvoering van de werknemersverzekeringen, gepaard gaande met
administratieve lastenverlichting voor werkgevers.
Het Ctsv constateert dat
de doelstellingen die met het onderhavige wetsvoorstel worden beoogt voldoende
helder zijn. Voor wat betreft de inzichtelijkheid stelt het Ctsv dat met
name de voorstellen ten aanzien van de gelijkschakeling van
premieloon en uitkeringsloon daaraan een belangrijke bijdrage kunnen leveren.
Ten aanzien van de rechtmatigheid stelt het Ctsv dat de
vereenvoudiging zeker zal leiden tot minder fouten, maar tekent hierbij wel aan
dat de dagloonvaststelling weliswaar getalsmatig een dominante foutenbron
is, maar wegens de beperkte financiële omvang daarvan op de
totale rechtmatigheidsscore een beperkter effect heeft. Met betrekking tot
de handhaving ten slotte verwacht het Ctsv dat de voorstellen een
positieve invloed zullen hebben.
Ook het Ctsv benadrukt
dat de implementatie van de voorstellen zorgvuldig dient te geschieden en
dat zowel werkgevers als uitvoering voldoende tijd moeten
hebben om zich te kunnen voorbereiden en in te stellen op de nieuwe
situatie. Ook het Ctsv heeft daarnaast een aantal rblz.|13|
kanttekeningen op de
specifieke onderdelen van dit wetsvoorstel; hierop zal verderop in deze
memorie nader worden ingegaan als deze onderdelen aan de orde komen.
Het commentaar van het
CVZ
Het
CVZ heeft geen
bezwaren tegen de voorgestelde definiëring van het loonbegrip en constateert
dat dit loonbegrip nauwer aansluit bij het loonbegrip dat in de Zfw is
opgenomen.
Het CVZ heeft daarentegen gemengde gevoelens bij het voornemen tot
wijziging van de
procedure voor meldingen van dienstverbanden.
Op beide aspecten zal
verderop in deze memorie worden ingegaan.
Het advies van het Actal
Het Actal heeft opgemerkt
dat dit het eerste wetsvoorstel is dat aan het College is voorgelegd
dat specifiek gericht is op de vermindering van administratieve lasten.
In zijn advies komt het Actal tot het eindoordeel dat de wisselwerking
tussen de vier componenten van het wetsvoorstel belangrijk is voor de
vermindering van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven.
Het Actal adviseert ook
om bij de uitwerking van de lagere regelgeving de gevolgen voor
administratieve lasten in beeld te brengen en deze regelgeving aan het College voor te
leggen. De regering zal deze lagere regelgeving aan het Actal voorleggen.
Verder merkt het Actal op
dat het loonbegrip ook doorwerkt voor de bedrijfspensioenfondsen
en andere bedrijfstakeigen regelingen. Sociale partners hebben, voor wat
het loonbegrip betreft, aansluiting gezocht bij de CSV. Nu het loonbegrip wijzigt,
zouden deze fondsen en regelingen aangepast moeten gaan worden. Het
Actal ziet graag in kaart gebracht wat de administratieve lasten daarvan zijn en of
deze kunnen worden beperkt.
De regering is van mening
dat de sociale partners in deze vrij zijn om te bepalen wat zij als
grondslag nemen voor hun bedrijfspensioen of bedrijfstakeigen
regeling. Ook het opnemen van extra gegevens op de Periodieke Loonopgave is
aan partijen. De vraag is evenwel in hoeverre sprake zal zijn van
administratieve lasten. Sociale partners kunnen immers een afweging maken tussen
het te behalen voordeel van uniformering en de eventuele (als regel
eenmalige) administratieve lasten die dat met zich meebrengt.
Het College heeft verder
een aantal andere opmerkingen gemaakt. In de desbetreffende onderdelen
van dit wetsvoorstel zal uitvoeriger op deze opmerkingen worden
ingegaan.
Het Actal adviseert om
het wetsvoorstel in te dienen nadat met zijn opmerkingen rekening is
gehouden.
3.
De huidige situatie
3.1. Inleiding
De complexiteit van de
wet- en regelgeving komt in de eerste plaats tot uitdrukking in de
veelheid van regelingen en regels die zijn gesteld ten aanzien van de uitvoering
van de werknemersverzekeringen. Dit geldt zowel ten aanzien van de
verschillende loonbegrippen (premieloon en uitkeringsloon), de
vaststelling van de uitkeringen (dagloonsystematiek) als de voorschriften met
betrekking tot de gegevensaanlevering en de premieafdrachtsystematiek.
In de tweede plaats
vereist met name toepassing van de regels voor de rblz.|14|
dagloonsystematiek een
groot aantal min of meer subjectieve beoordelingen door het UWV
en de
werkgever.
Om de voorstellen van het
onderhavige wetsvoorstel goed te kunnen beoordelen, is het noodzakelijk om
een beschrijving te geven van de huidige situatie ten aanzien van
de genoemde deelterreinen. Direct hieraan gekoppeld komen de gevolgen van de
huidige regelgeving voor zowel het UWV als werkgevers aan de
orde.
3.2. Het loonbegrip
3.2.1. Geschiedenis
Anders dan het beginsel
van draagkracht, welke ten grondslag ligt aan de heffing van
loonbelasting, is het stelsel van werknemersverzekeringen gebaseerd op de
verzekeringsgedachte. Bij een werknemersverzekering wordt de verzekerde
ingedekt tegen het risico van loonderving. De verzekerde betaalt hiervoor een
verzekeringspremie die is gebaseerd op de waarde van het verzekerde
object, het loon. Ook de schadeloosstelling in het geval het risico zich
voordoet, derhalve de hoogte van de uitkering, is afhankelijk van het
verdiende loon.
Bovenstaande betekent dat
een werknemersverzekering per definitie individueel bepaald is.
Iedere werknemer kan namelijk, anders dan bij de loonbelasting,
individuele rechten ontlenen aan de verzekering. Het individuele karakter van de sociale
verzekering stelt dus specifieke eisen aan de definiëring van het verzekerde object, het loon.
De verzekeringsgedachte
betekent tevens dat er sprake moet zijn van een redelijke mate van
equivalentie tussen het loon waarover premie is verschuldigd en het loon
op basis waarvan de uitkering wordt verstrekt.
Geschiedenis van het sv-premieloon
Tot 1954 was er geen
coördinatie op het gebied van de loonbelasting en de premies voor de
verschillende sociale verzekeringen. Dit leidde ertoe dat in de diverse wetten
en besluiten (de loonbelasting werd toen nog geheven krachtens het
Besluit op de Loonbelasting 1940) er verschillende grondslagen voor de
heffing van belastingen en premies werknemersverzekeringen waren.
Zo werden de verschillen
in de socialeverzekeringswetten veroorzaakt
doordat "het tijdstip van
totstandkoming van de wettelijke regelingen vaak ver uiteen ligt en dat
herhaaldelijk in de latere wetten nieuwere inzichten ten aanzien van bepaalde
onderwerpen zijn verwerkt, zonder dat daarmede een aanpassing van de
oudere wetten gepaard ging".¹
De verschillen tussen de
socialeverzekeringswetten enerzijds en de verschillen tussen de
loonbelasting en de socialeverzekeringswetten anderzijds werden nog
groter aangezien de rechterlijke macht in zijn jurisprudentie een grote
verscheidenheid aan interpretatie gaf van de diverse regelgeving. Dit
werd versterkt doordat "de colleges die kennis
nemen van de geschillen inzake de sociale verzekering andere zijn dan
die
welke met de rechtspraak inzake de fiscale heffing zijn belast (...)".¹
1. Kamerstukken 1952-1953,
3034, MvT blz. 5, linker kolom.
Deze verscheidenheid aan
regelgeving werd als zeer lastig en moeizaam ervaren. Daarom gaf het
toenmalige kabinet in 1950 de commissie-Van de Tempel opdracht om te
onderzoeken op welke wijze de loonbelasting en de premieheffing sociale
verzekeringen gecoördineerd konden worden. Dit heeft in 1954 geleid
tot de inwerkingtreding van de CSV.
rblz.|15|
In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel stelden de bewindspersonen van het
ministerie van
Sociale Zaken en het ministerie van Financiën destijds
dat "sommige van deze
verschillen geen zin hebben en dat andere niet zo essentieel zijn dat de
daardoor veroorzaakte moeite en kosten gerechtvaardigd zouden zijn".¹
1. Kamerstukken 1952-1953,
3034, MvT blz. 5, linker kolom.
Zij stelden zich op het
standpunt dat meer coördinatie van de belastingheffing en de premieheffing voor
de verschillende sociale verzekeringen van een zodanig
maatschappelijk belang is dat er een geüniformeerde regeling moest komen.
Met de op 1 januari 1954
ingevoerde CSV is gestreefd naar een zo groot mogelijke vereenvoudiging
van de heffing van de loonbelasting en de premies sociale
verzekering. Niet alleen de wetgeving moest gecoördineerd worden, maar ook de
uitvoering en de eenheid van rechtspraak moesten zo eenvormig
mogelijk zijn. Daarnaast zou er tussen de uitvoerende organen samenwerking tot
stand moeten komen als het gaat om controle en inning.
De grondslag voor de
heffing van premies voor de diverse werknemersverzekeringen, het premieloon, werd
neergelegd in artikel 4 van de CSV, waarin werd bepaald dat
loon al hetgeen is dat uit een dienstbetrekking wordt genoten. Deze
definitie sloot bijna geheel aan bij artikel 10 van de Wet
op de loonbelasting 1964 (het Besluit op de Loonbelasting 1940 werd per 1 januari 1964 vervangen
door de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB)). In de artikelen 6
(vrijstellingen e.d.) en 8 (loon in natura) van de
CSV werd bepaald welke
loonbestanddelen wel en niet tot het premieloon moet worden gerekend en,
in geval van loon in natura, tegen welke waarde.
Destijds werd het doel
ingegeven door economische toestand van Nederland. Na de oorlog was men
begonnen met de wederopbouw. Maatschappelijke lasten moesten tot een
minimum worden teruggebracht, of zoals de bewindslieden het
destijds formuleerden: "Aldus kan, nu het om
verrichtingen gaat waarvan de aantallen in de miljoenen lopen,
allereerst voor de bedrijven, doch tevens voor de gehele gemeenschap, een
belangrijke bezuiniging worden bereikt".¹
1. Kamerstukken 1952-1953,
3034, MvT blz. 5, rechter kolom.
Het effect van de
invoering van de CSV kon destijds niet gekwantificeerd worden, maar in
kwalitatieve zin verwachtte het toenmalige kabinet dat het zoveel mogelijk
beperken van de druk als gevolg van het voortdurend moeten nakomen van
omvangrijke administratieve verplichtingen meer tijd vrijmaakte voor de
eigenlijke ondernemersactiviteit.
Hoewel er coördinatie
beoogd werd, is in de loop der tijd toch weer enige discoördinatie ontstaan.
Eén van de oorzaken hiervoor is het fundamentele verschil tussen de
heffing van loonbelasting (gebaseerd op het beginsel van draagkracht)
en de heffing van premies werknemersverzekeringen (gebaseerd op de verzekeringsgedachte).
3.2.2. Het huidige sv-premieloon
Zoals hiervoor is
beschreven, vormt het loonbegrip zoals gedefinieerd in de Wet
LB het
uitgangspunt voor de CSV. Dit uitgangspunt is te vinden in
artikel 4, eerste lid, van de CSV. Dit artikel bepaalt dat loon al hetgeen is dat uit een
dienstbetrekking wordt genoten. In artikel 10 van de Wet
LB is nagenoeg dezelfde
definitie van loon opgenomen. Anders dan de Wet LB kent de CSV niet
het begrip "loon uit vroegere dienstbetrekking"; dit betekent dat er geen
premieheffing plaatsvindt over dergelijk loon. Het gaat dan bijvoorbeeld om
pensioen- en VUT-uitkeringen.
rblz.|16|
Overigens betekent dit
niet dat alle vormen van loon uit vroegere dienstbetrekking buiten de premieheffing
zijn gebracht. Op grond van artikel 3a, tweede lid, van de
CSV wordt een fictieve dienstbetrekking
verondersteld indien een ex-werknemer
een uitkering ontvangt ingevolge de ZW, de WAO en de
WW. Daardoor
wordt er over dit loon uit vroegere dienstbetrekking wel premie geheven.
Echter, de definiëring
van het loon zoals in artikel 4 van de CSV
is geformuleerd, is dusdanig ruim dat
alles wat uit de dienstbetrekking wordt verkregen onder het
premieloon zou vallen. De wetgever vond en vindt het echter niet zinvol
alle loonbestanddelen tot het loon te rekenen. In artikel 6 van de
CSV, de
evenknie van artikel 11 van Wet
LB, is een limitatieve opsomming opgenomen van
loonbestanddelen die niet tot het premieloon worden
gerekend. Daarnaast vergt de waardering van loon in natura en de hierna
genoemde aanspraken nadere definiëring. In artikel 8 van de
CSV worden
hieromtrent regels gesteld. Deze regels zijn verder uitgewerkt in de Regeling
waardering aanspraken ex artikel 8 van de CSV
[Regeling vaststelling geldswaarde
aanspraak op uitkeringen, red.] en de Regeling vergoeding gemengde kosten en waardering loon in
natura, vergoedingen en
verstrekkingen 2002.
Loon in geld
Hetgeen uit de
dienstbetrekking wordt verkregen en niet op grond van artikel 6 van de
CSV buiten de premieheffing wordt gebracht, behoort dus tot het premieloon. De
belangrijkste component is uiteraard het loon in geld dat de werknemer en
werkgever zijn overeengekomen in de arbeidsovereenkomst. Naast dit tijdvakloon
(bijvoorbeeld maandloon) worden, onder andere, ook de
dertiende maand, de eindejaarsuitkering en de vakantietoeslag tot het
premieloon gerekend. Ook overwerkvergoedingen en gratificaties worden
conform artikel 4 van de CSV
tot het premieloon gerekend.
Loon in natura
Een beloning hoeft niet
altijd in de vorm van geld te worden gegeven; het kan ook als loon in
natura worden verstrekt. Dergelijke verstrekkingen worden, eveneens volgens
artikel 4 van de CSV, tot de premiegrondslag gerekend. Daartoe moet
eerst bepaald worden wat de geldswaarde van dergelijke
loonbestanddelen is. In en op basis van artikel 8 van de
CSV wordt de waardebepaling
van loon in natura bestanddelen geregeld. De waarde wordt in beginsel
op de waarde in het economische verkeer gesteld; daarbij is de
waarde van bijvoorbeeld een maaltijd de prijs die een restauranthouder voor
zijn product in rekening brengt aan zijn klant. Dit is anders indien het
loon in natura verstrekt wordt ten behoeve van de vervulling van de
dienstbetrekking. In dat geval is de waarde van deze loonbestanddelen gelijk
aan de besparingswaarde van de werknemer. In het genoemde voorbeeld is
dit het bedrag dat de werknemer uitspaart omdat hij zelf geen
kosten maakt voor een lunch.
Op grond van dit artikel
is de Regeling vergoeding gemengde kosten en waardering loon in
natura, vergoedingen en
verstrekkingen 2002 getroffen. In deze
regeling wordt de waardebepaling van loon in natura nader uitgewerkt. In veel
gevallen wordt om praktische redenen de waarde forfaitair
vastgesteld. De behandeling van verstrekkingen is nagenoeg gelijk als die van
onkostenvergoedingen (zie hierna).
Naast maaltijden wordt in
de regeling onder andere ook de waarde bepaald van inwoning,
producten uit eigen bedrijf, verstrekte OV-jaarkaarten,
bedrijfsfitness, kinderopvang, inrichting van een werkruimte thuis en dienstfietsen.
rblz.|17|
Loonbestanddelen die niet
tot het premieloon worden gerekend
Zoals hiervoor
geschreven, wordt niet over alle loonbestanddelen premies geheven. In artikel 6 van
de CSV is limitatief bepaald welke loonbestanddelen niet tot het premieloon
behoren. Op basis van artikel 6 van de CSV
is een aantal
ministeriële regelingen getroffen die nadere regels stellen in hoeverre de
betreffende loonbestanddelen buiten de heffing blijven.
Voorbeelden van
loonbestanddelen die buiten de heffing blijven zijn:
a. diverse aanspraken;
b. bepaalde uitkeringen;
c. spaarloonregeling;
d. onkostenvergoedingen voor zover er kosten ter verwerving van het loon tegenover staan.
Aanspraken
Op grond van
artikel 4, tweede lid, van de CSV worden aanspraken op toekomstige uitkeringen en
verstrekkingen tot het loon gerekend. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om
voorzieningen die door de werkgever worden getroffen op basis waarvan de
werknemer of zijn nabestaanden recht hebben op een uitkering. Ook
rechten op uitkeringen die voortvloeien uit de dienstbetrekking waar de werknemer zonder
tussenkomst van de werkgever een beroep op kan doen,
vallen onder deze bepaling. Als een aanspraak op deze wijze in de
premieheffing wordt betrokken, dan worden de uitkeringen en verstrekkingen die uit
deze aanspraak voortkomen, vrijgesteld van premieheffing.
Op grond van artikel 6
van de CSV is echter bepaald dat een aantal aanspraken niet tot het
premieloon wordt gerekend. Onder meer gezien het streven naar
coördinatie tussen de socialeverzekeringswetten en de fiscale
wetgeving is ervoor gekozen om op de hiervoor beschreven bepaling in artikel
4, tweede lid, van
de CSV (aanspraken belast, uitkeringen onbelast) een aantal uitzonderingen
aan te brengen. Voor de fiscale heffing zijn deze aanspraken niet
belast, maar is de uitkering belast. Dit is de zogenoemde "omkeerregeling".
Anders dan bij de loonbelasting komt dit er in de praktijk op neer dat
de facto geen premieheffing meer plaatsvindt. Een aantal uitkeringen blijft
buiten de premieheffing omdat er op het moment van uitkeren geen sprake
meer is van een dienstbetrekking. Voorbeelden hiervan zijn de
uitkeringen ingevolge een pensioenregeling of een regeling voor vervroegde
uittreding.
Een bijkomend aspect is
dat de waardering van aanspraken in de praktijk lastig blijkt. Op grond
van artikel 8 van de CSV
is bepaald dat de waarde in het economische verkeer
tot het loon moet worden gerekend. Ook om praktische redenen heeft
de wetgever er daarom voor gekozen de meeste aanspraken buiten de
premieheffing te houden.
Voorbeelden van
aanspraken die buiten de grondslag voor de premieheffing blijven zijn:
• aanspraken ingevolge
een pensioenregeling (artikel 6, eerste lid,
onderdeel a, van de CSV);
• aanspraken ingevolge
een VUT-regeling (artikel 6, eerste lid,
onderdeel b, van de CSV);
• aanspraken ingevolge
socialeverzekeringswetten (WAO, WW,
Zfw) of aanspraken die naar aard
en strekking hiermee overeenkomen (artikel 6,
eerste lid, onderdeel c en d, van
de CSV);
• aanspraken op
periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon (onder
voorwaarden) (artikel 6, eerste lid,
onderdeel e, van de CSV);
• aanspraken op
uitkeringen wegens overlijden of invaliditeit tengevolge van een ongeval
(artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de
CSV).
rblz.|18|
Uitkeringen
Naast de bepalingen
omtrent aanspraken regelt artikel 6 van de CSV
ook welke uitkeringen buiten
het premieloon blijven. Niet limitatief, moet daarbij worden gedacht
aan bijvoorbeeld uitkeringen ter vergoeding van door de werknemer geleden
schade of verlies van persoonlijke zaken welke verband houden met
de dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid,
onderdeel l, van de
CSV). Ook een
uitkering voor studie van de werknemer (artikel 6,
eerste lid, onderdeel m, van de
CSV) en een
uitkering tot dekking van kosten van ziekte, invaliditeit en bevalling (artikel
6, eerste lid, onderdeel n, van de CSV),
voor zover de kosten voor rekening van
de werknemer komen, blijven beide buiten het premieloon.
Spaarloonregeling
Ook de deelname aan een
spaarloonregeling en/of een premiespaarregeling is tot een bepaald bedrag
buiten de premieheffing gebracht (artikel 6,
eerste lid, onderdeel i,
van de CSV). Dergelijke regelingen moeten wel aan een aantal voorwaarden
voldoen, zoals bijvoorbeeld het vereiste dat het spaarbedrag op een
geblokkeerde spaarrekening moet worden gestort en de bedragen pas vier jaar
na storting vrijvallen, tenzij er zich bijzondere situaties voordoen
(bijvoorbeeld de aanschaf van een eigen woning).
Onkostenvergoedingen
De werkgever kan
besluiten de werknemer een onkostenvergoeding te geven ter bestrijding van
de door de werknemer gemaakte kosten. Als deze onkostenvergoedingen
strekken ter bestrijding van kosten ter verwerving van het loon,
dan blijven ze, binnen bepaalde grenzen, buiten de premieheffing. Eén en
ander wordt bepaald in artikel 6, eerste
lid, onderdeel k, van de
CSV en de op
artikel 6, achtste lid, van de CSV gebaseerde regeling. In deze regeling worden
bijvoorbeeld regels gesteld ten aanzien van maaltijden.
Naast maaltijden wordt in
de regeling bepaald welke vergoedingen tot het premieloon worden
gerekend (bijvoorbeeld een volledige vergoeding van een OV-jaarkaart 2e
klasse: €|54,- wordt tot het premieloon gerekend, het meerdere is onbelast) of
welke vergoedingen buiten het premieloon blijven (bijvoorbeeld een vergoeding voor bedrijfsfitness).
(Dis)coördinatie
In beginsel geldt dat de
vastgestelde waarde van loon in natura bestanddelen of de bovenmatige onkostenvergoeding tot de grondslag van de
premieheffing moeten
worden gerekend. De werkgever moet dit per werknemer vaststellen, immers de
premieheffing is gestoeld op de verzekeringsgedachte (zie
hierna).
Aanvankelijk werd de
loonbelasting ook op individueel niveau geheven. De uitvoeringspraktijk
leerde echter dat veel belastinginspecteurs hiervan gingen afwijken. Het ging
vaak om kleine bedragen (zie bijvoorbeeld de besparingswaarde van
maaltijden) die alleen met grote administratieve inspanning te
individualiseren waren. Belastinginspecteurs stonden daarom toe dat de
loonbelasting over dergelijke loonbestanddelen collectief mocht worden afgedragen
in plaats van per individu.
In 1997 werd deze
praktijk geformaliseerd met de introductie van de zogenoemde eindheffing in de
Wet LB
(artikel 31 van de Wet
LB). Er zijn grofweg twee categorieën
te onderscheiden. De eerste categorie is de zogenoemde facultatieve
eindheffing. Deze is van toepassing op ernstige knelpunten van tijdelijke
aard (bijvoorbeeld ingeval de loonadministratie is gestolen of verloren
gegaan door brand) of loonbestanddelen die bezwaarlijk kunnen worden
geïndividualiseerd. Voor dergelijke bestanddelen rblz.|19|
heeft de werkgever
de vrijheid om de eindheffing toe te passen. De tweede categorie bestaat
uit de aangewezen eindheffingsbestanddelen. Deze is van toepassing op
loonbestanddelen met een bestemmingskarakter, zoals bijvoorbeeld
bovenmatige reiskostenvergoedingen. De werkgever is verplicht voor
dergelijke loonbestanddelen de eindheffing toe te passen.
Indien de eindheffing van
toepassing is, dan rekent de werkgever de loonbelasting over bepaalde loonbestanddelen lumpsum af met de fiscus,
zonder dat het
belastingbedrag geïndividualiseerd hoeft te worden.
Aldus ontstond er een
discoördinatie ten aanzien van een aantal loonbestanddelen. In de praktijk betekende
dit dat de werkgever werd geconfronteerd met het feit dat hij
enerzijds verplicht is de eindheffing toe te passen (en dus collectief
moest afrekenen) en anderzijds voor de premieheffing werknemersverzekeringen
toch per individu te moeten vaststellen wat tot het premieloon
gerekend moet worden. Dit leidde tot extra administratieve lasten voor de
werkgevers. Daarom is in de Regeling uitzondering eindheffingsbestanddelen
loonbelasting voor de premieheffing werknemersverzekeringen 2001, vooruitlopend op
dit wetsvoorstel, bepaald dat de meeste
loonbestanddelen met een bestemmingskarakter buiten de heffing van de werknemersverzekeringen, en dus het premieloon, worden
gebracht.
De eindheffing is een
belangrijk element in de huidige discoördinatie tussen de premieheffing
en de loonbelasting. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door het
verschil in uitgangspunt tussen beide heffingen. Kenmerkt de loonbelasting
zich door het draagkrachtbeginsel, zoals hiervoor al is opgemerkt, wordt de
premieheffing werknemersverzekeringen gekenmerkt door de
verzekeringsgedachte. De werknemer verzekert zich, zij het verplicht, tegen
het risico van het verlies van inkomen als gevolg van bijvoorbeeld arbeidsongeschiktheid of werkloosheid. Dit verschil in
uitgangspunt brengt met
zich mee dat de premieheffing per definitie individueel moet worden
vastgesteld om zodoende tot een juiste individuele uitkering te kunnen komen. Voor de heffing van de loonbelasting
speelt dit nauwelijks een
rol. Tegenover de betaling van de loonbelasting staat immers geen
individuele tegenprestatie. Een groot deel van de opbrengsten worden aangewend voor de financiering van collectieve
goederen. Om ervoor zorg
te dragen dat de uitvoeringspraktijk niet te veel met deze verschillen
wordt belast, is geregeld dat een aantal loonbestanddelen buiten de premieheffing
blijven.
Een andere oorzaak is het
verschil in de uitvoering van beide heffingen. Zo zijn inspecteurs der rijksbelastingen op grond van de
Algemene
wet inzake rijksbelastingen autonoom
in hun beslissingen en kent de Staatssecretaris van Financiën de
bevoegdheid van het geven van aanwijzingen aan de uitvoering, de zogenoemde
pseudo-wetgeving. Zoals hiervoor is opgemerkt,
is de eindheffing een
voortvloeisel van deze opzet. Het UWV, die de premieheffing uitvoert,
kent daarentegen dergelijke vrijheidsgraden niet. Dit betekent dat voor de
werknemersverzekeringen alles moet worden vertaald in regelgeving.
Hierdoor ontstaan zeer complexe en uitgebreide regels.
3.2.3. Het huidige
uitkeringsloon
Treedt een verzekerd
risico in, dan heeft de (ex-)werknemer op grond van de ZW,
WW en de WAO, mits
aan de daarin gestelde voorwaarden is voldaan, recht op een
uitkering. De grondslag voor een dergelijke uitkering is te vinden in de op de
onderscheidenlijke wetten gebaseerde dagloonregels en
bijzondere dagloonregels. Het betreft de dagloonregels rblz.|20|
voor de ZW, de IWS (in
deze regeling zijn de dagloonregels voor de WW opgenomen) en de WAO [zie
Algemene dagloonregelen Ziektewet, Dagloonregels
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid en Dagloonregelen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, red.].
In hoofdstuk I van deze
dagloonregels wordt bepaald welke loonbestanddelen wel of niet tot de
grondslag van het uitkeringsloon wordt gerekend. Het
uitgangspunt is telkens het loon zoals dat voor de CSV
is geformuleerd. Per
dagloonregel is vervolgens een aantal uitzonderingen op het bepaalde in de CSV
opgenomen. Bepaalde loonbestanddelen worden voor de
uitkeringsgrondslag wel of niet meegerekend. Deze uitzonderingen zijn niet
gelijk aan die van het sv-premieloon; dit betekent dat er dus een verschil
is tussen het premieloon en het uitkeringsloon. Als gevolg hiervan is er geen
sprake van volledige equivalentie.
Tot 1995 stelde de SVr de
dagloonregels vast onder goedkeuring van de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid. De SVr heeft destijds gemotiveerd dat een
equivalentie tussen het premieloon en uitkeringsloon niet ten aanzien van alle
loonbestanddelen gewenst was. Zo vond de SVr dat het wenselijk was om zoveel
mogelijk elementen tot het sv-premieloon te rekenen,
maar dat het niet wenselijk was dat incidentele loonbestanddelen, zoals
bijvoorbeeld gratificaties, structureel werden meegenomen voor de bepaling van de hoogte van een uitkering.
Over het algemeen kan
gesteld worden dat de grondslag voor de premieheffing van de werknemersverzekeringen ruimer is dan de grondslag
waarop de betreffende
uitkering wordt gebaseerd. Zo is in artikel
1, derde lid, onderdeel g, van de Dagloonregels
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid bepaald dat bedragen betaald voor overwerk in beginsel niet
tot de
grondslag van de WW-uitkering behoren. In de (bijzondere)
dagloonregels van de ZW en de WAO
is eenzelfde bepaling opgenomen.
Ook gratificaties,
tantièmes en/of winstdelingen vallen buiten de uitkeringsgrondslag (zie
bijvoorbeeld artikel 1, derde lid,
onderdeel d, van de Dagloonregelen Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering), maar worden op
grond van artikel 4 van de CSV
wel tot de grondslag voor de premieheffing
gerekend.
In een uitzonderlijke
situatie komt het overigens voor dat de uitkeringsgrondslag breder is dan de
premiegrondslag. In artikel 1, tweede
lid, onderdeel a, van de Dagloonregels
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid is
bijvoorbeeld bepaald dat het werknemersaandeel in de pensioenpremie wel tot
de uitkeringsgrondslag van de WW behoort. Op grond van artikel
6, eerste lid, onderdeel j, van de CSV is bepaald dat er over dergelijke
loonbestanddelen geen premie werknemersverzekeringen wordt geheven.
3.2.4. Samenvatting
sv-premieloon en sv-uitkeringsloon
Samenvattend kan worden
gesteld dat het sv-premieloon ruimer is dan het sv-uitkeringsloon. In
onderstaande tabel is ten aanzien van de belangrijkste loonbestanddelen
aangegeven of deze al dan niet tot het sv-premieloon
respectievelijk het sv-uitkeringsloon behoren.
Tabel 1. Huidige situatie
met betrekking tot het sv-premieloon respectievelijk het
sv-uitkeringsloon:
| Loonelementxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Premieloon |
Uitkeringsloon |
| xWWx |
WAO |
ZW |
| Functieloon |
+ |
+ |
+ |
+ |
| Toelage |
+ |
+ |
+ |
+ |
| Provisie |
+ |
+ |
+ |
+ |
| Ploegentoeslag |
+ |
+ |
+ |
+ |
| Inconveniënten |
+ |
+ |
+ |
+ |
| Loon in natura |
+ |
+ |
+ |
+ |
| Overwerk |
+ |
– |
+/- |
– |
| Eenmalige
uitkering CAO |
+ |
+ |
– |
+ |
| Winstuitkering |
+ |
– |
– |
– |
| Extra uitkering
(13e, 14e maand) |
+ |
-/+ |
+ |
– |
| Pensioenpremie |
– |
+ |
– |
+/- |
| VUT-premie |
– |
– |
– |
– |
| Overige premies |
– |
+ |
+ |
+ |
| Bijdrage ziektekosten |
– |
+/- |
+/- |
+/- |
rblz.|21|
+ = wel in premie- c.q.
uitkeringsloon
– = niet in premie- c.q.
uitkeringsloon
+/- = in principe wel in
premie- c.q. uitkeringsloon met uitzonderingen
-/+ = in principe niet in
premie- c.q. uitkeringsloon met uitzonderingen
3.3. De
dagloonsystematiek
3.3.1. Dagloonregels
De (loongerelateerde)
uitkeringen ingevolge de WW, de ZW (uitsluitend voor zogenaamde
vangnetgevallen) en de WAO worden vastgesteld op het voor de werknemer op
grond van die wetten geldende uitkeringspercentage van het dagloon. De wijze
waarop het dagloon precies moet worden vastgesteld, is neergelegd in lagere regelgeving. Tot de invoering
van de Organisatiewet sociale verzekeringen (Osv) 1995 stelde de SVr de algemene regels vast aan
de hand waarvan de hoogte van het dagloon wordt berekend (de zogenaamde dagloonregels). Vanaf 1995 tot de invoering
van de Osv 1997 was het
toenmalige Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming (Tica)
verantwoordelijk voor de dagloonregels. De dagloonregels van zowel
de SVr als het Tica behoefden ministeriële goedkeuring. Sinds 1997 zijn de
dagloonregels ministeriële regelingen. De teksten van de thans
geldende dagloonregels stemmen nog grotendeels overeen met de eertijds
door de SVr ontworpen regelgeving.
Er is geen geïntegreerde
dagloonsystematiek op grond waarvan de hoogte van de uitkeringen
ingevolge de ZW, de WW en de
WAO wordt vastgesteld. Elke wet
kent zijn eigen dagloonregels en de inhoud van die dagloonregels verschilt
per wet. De dagloonregels voor de ZW en WAO zijn getroffen op grond
van deze wetten. Voor de WW zijn de dagloonregels gebaseerd op de
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (IWS) [zie
Algemene dagloonregelen Ziektewet, Dagloonregels
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid en Dagloonregelen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, red.].
Binnen elke afzonderlijke
dagloonregeling zijn tal van uitzonderingen gecreëerd, die eveneens
weer verschillen per regeling. Er is derhalve ook per wet geen sprake van
een uniforme berekening van het dagloon.
Ten slotte heeft het
UWV op grond van de verschillende wetten de bevoegdheid om, zo nodig
in afwijking van de dagloonregels, regels vast te stellen met betrekking
tot de vaststelling van het dagloon voor één of meer categorieën van
werknemers. Deze bevoegdheid kwam voor de Wet SUWI, de
Osv 1997 en de Osv
1995 toe aan respectievelijk het Lisv, Tica en de bedrijfsverenigingen. Met
name de voormalige bedrijfsverenigingen hebben in het verleden
veelvuldig gebruik gemaakt van deze bevoegdheid en tal van uitzonderingen
op de dagloonregels in het leven geroepen die op werknemers in
specifieke sectoren van het bedrijfsleven zijn toegespitst (de bijzondere
dagloonbesluiten). De door de bedrijfsverenigingen tot stand gebrachte
regelingen moesten worden goedgekeurd door de SVr.
rblz.|22|
De
bepaling van de hoogte
van de uitkering volgens deze dagloonregels vereist een aantal
(subjectieve) beoordelingen door het UWV. Deze beoordelingen vormen een deel van de
verklaring voor de slechte rechtmatigheidsscores van
de uitkeringsinstellingen op het vlak van de dagloonvaststelling.
Hieronder worden de
belangrijkste kenmerken en beoordelingsmomenten van de huidige (algemene)
dagloonregels geschetst.
3.3.2. Dervingsbeginsel
De wettelijke bepalingen
in de ZW, de WAO en de
IWS (voor de
WW) gaan voor de berekening van
het dagloon uit van hetgeen de werknemer bij een vijfdaagse werkweek
in de toekomst gemiddeld per dag had kunnen verdienen. Dit
uitgangspunt wordt wel het "dervingsbeginsel" genoemd, omdat het dagloon wordt
omschreven als het inkomen per dag dat de werknemer in de toekomst zal derven. Omdat het loon dat in de toekomst zou zijn verdiend
maatstaf voor het dagloon is, wordt ook wel gesproken van het prospectieve
karakter van het dagloon.
Het dagloon heeft volgens
de ZW, de IWS (WW) en de
WAO in de huidige systematiek derhalve een
prospectiefkarakter. Niettemin wordt het dagloon feitelijk
vastgesteld met behulp van gegevens die betrekking hebben op een periode die
aan de ziekte, werkloosheid of arbeidsongeschiktheid van de werknemer voorafgaat (de zogenaamde referteperiode).
Om uitdrukking te geven
aan het wettelijk vereiste prospectieve karakter van het dagloon,
wordt dit inkomen uit het verleden op grond van de dagloonregels
gecorrigeerd. Zo wordt bijvoorbeeld rekening gehouden met
loonontwikkelingen die zich tijdens de referteperiode hebben voorgedaan.
Ondanks deze correcties
heeft het dagloon zoals dat volgens de huidige dagloonsystematiek wordt
vastgesteld feitelijk een retrospectiefkarakter: het loon dat de werknemer
in de toekomst wordt geacht te derven, is het in de referteperiode
verdiende loon dat op basis van rekenregels zo goed mogelijk in
overeenstemming is gebracht met het inkomensniveau op het moment waarop hij ziek
(ZW) of werkloos (WW) is geworden dan wel met het loonniveau op de dag
waarop de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingaat (WAO).
De huidige systematiek
maakt onderscheid tussen werknemers die werkzaam waren tegen een wisselend
loon en werknemers die werkzaam waren tegen een vast
loon. De uitkering van de werknemer met een wisselend loon wordt
volgens de hoofdregel voor de vaststelling van het dagloon berekend. Voor de
werknemer met een vast loon geldt een vereenvoudigde
berekeningswijze.
In de praktijk betekent
het vorenstaande dat de uitkering van de werknemer die werkzaam was tegen
een vast loon is gebaseerd op hetgeen de werknemer laatstelijk
voordat het risico intrad aan vast loon verdiende; als uitgangspunt voor de
berekening van het dagloon wordt simpelweg zijn laatste loon per maand,
week, dag of jaar genomen.
Bij de werknemer die
werkzaam was tegen een wisselend loon wordt de uitkering gebaseerd op
hetgeen in een periode voorafgaand aan het intreden van het risico
(de referteperiode) gemiddeld per dag aan loon is genoten; bij een
wisselend loon is met andere woorden een berekening volgens de meer
ingewikkelde hoofdregel voor de vaststelling van het dagloon noodzakelijk.
Hierbij werken loonontwikkelingen tijdens de referteperiode geheel in
de uitkering door. Wanneer een werknemer in de laatste maand voordat hij
werkloos werd bijvoorbeeld een substantiële loonsverhoging krijgt,
wordt die verhoging op grond van de dagloonregels geacht al op de eerste
dag van de referteperiode te zijn ingegaan.
rblz.|23|
Aldus
wordt het dagloon
min of meer gebaseerd op het loon dat de werknemer laatstelijk vóór het
intreden van het arbeidsurenverlies ontving. Het UWV
moet in verband
hiermee bij de werkgever(s) navragen of er zich in de referteperiode
relevante loonontwikkelingen hebben voorgedaan en wat daarvan de omvang is.
Op die manier wordt de uitkering - net als bij de werknemer die werkzaam
was tegen een vast loon - feitelijk herberekend tot datgene
wat de verzekerde zou hebben verdiend.
Bij de bepaling van de
hoogte van de WAO-uitkering vindt nog een nadere actualisering plaats,
omdat tot de eerste uitkeringsdag het wachtjaar voor de WAO (Ziektewetjaar)
moet worden overbrugd. Ook de in dit verband van belang zijnde
gegevens met betrekking tot voorkomende algemene en individuele
loonontwikkelingen moeten bij de werkgever(s) worden opgevraagd.
Het prospectieve karakter
van het dagloon komt vooral tot uitdrukking door zo nauw mogelijk aan
te sluiten bij het niveau van het laatstelijk vóór de aanvang van de
uitkering genoten loon. Dat neemt natuurlijk niet weg dat het aldus
vastgestelde dagloon feitelijk in hoge mate is gebaseerd op historische loongegevens
en dus eigenlijk een retrospectief karakter heeft. Alleen als op het
moment
van dagloonvaststelling reeds vast staat dat zich in de toekomst een
bepaalde loonontwikkeling zal voordoen, kan daarmee rekening worden
gehouden. Over het algemeen zal slechts zeer incidenteel (vaak pas in
het kader van door de werknemer ingesteld bezwaar of beroep) voor
de bepaling van het dagloon werkelijk naar de toekomst worden gekeken.
Dat gebeurt bijvoorbeeld wanneer de werknemer aannemelijk maakt dat een
loonelement dat in de referteperiode niet is genoten, wel zou
zijn genoten als het risico niet was ingetreden. Als de werknemer erin slaagt
dat aannemelijk te maken, kan het loonelement bij de vaststelling van
het dagloon worden betrokken. Indien bijvoorbeeld een werknemer in de
referteperiode feitelijk niet in het genot is geweest van een door de werkgever
ter beschikking gestelde woning (en ter zake dus ook geen premie heeft
betaald), maar aannemelijk maakt dat dit in de toekomst wel het geval
zou zijn geweest, kan er op grond van het dervingsbeginsel aanleiding zijn hiermee bij de berekening van het
dagloon rekening te
houden. Aangezien toekomstige gebeurtenissen altijd onzeker zijn, brengt het
prospectieve karakter van het dagloon een speculatief en tot op zekere hoogte
arbitrair element in de berekening van de hoogte van de uitkering.
Conclusie
Op grond van het
vorenstaande kan worden vastgesteld dat het dervingsbeginsel ertoe kan leiden dat
loonbestanddelen die nimmer zijn genoten (en ter zake waarvan dus
nooit premie is betaald) mede bepalend kunnen zijn voor de hoogte van
de uitkering. Doorgaans heeft het dagloon evenwel in hoge mate een retrospectief karakter. De voor het vaststellen
van het dagloon relevante
loongegevens moeten door het UWV bij de
werkgever(s) worden
opgevraagd. Voor personen met een vast loon wordt gekeken naar het laatstgenoten loon. Het prospectieve karakter van
het dagloon heeft tot
gevolg dat het UWV voor personen met wisselend loon of voor personen met
wisselende dienstverbanden bij de vaststelling van de hoogte van de uitkering rekening moet houden met de algemene
(CAO) en individuele
loonsverhogingen die zich in de referteperiode hebben voorgedaan in de
verschillende functies van deze personen. Ook deze gegevens moeten door
het UWV bij de werkgever(s) worden opgevraagd. Vervolgens moet, op grond
van die gegevens, in verband met het prospectieve karakter van
het dagloon, worden beoordeeld of zich in de toekomst ontwikkelingen
zullen voordoen die in het dagloon tot uitdrukking moeten komen.
rblz.|24|
Voor de vaststelling van
het WAO-dagloon moeten - naast gegevens over de referteperiode
- bij
de werkgevers ook gegevens worden uitgevraagd met betrekking tot
algemene en individuele loonontwikkelingen tijdens het wachtjaar.
3.3.3. Het beroep
Het beroep dat de
werknemer uitoefende, is in de huidige systematiek van invloed op de
dagloonvaststelling. De ZW, de WW
en de WAO verzekeren elk hetzelfde risico van
inkomensverlies. Het verzekerde loon, dat tevens premiegrondslag is, is in
alle gevallen daarom gelijk. Toch is het niet zo dat ook de
uitkeringsgrondslag voor de ZW, de WW en de WAO dezelfde is. Eén van de oorzaken
hiervoor is dat niet altijd het inkomen uit hetzelfde beroep maatgevend is voor
de hoogte van de uitkering.
Op grond van de
ZW is het
inkomen genoten in het laatstelijk uitgeoefende beroep de grondslag voor
het dagloon. Inkomsten die niet zijn genoten uit het
laatstelijk uitgeoefende beroep worden in beginsel niet bij de berekening van het
dagloon betrokken, tenzij het aantal voor de dagloonberekening in
aanmerking te nemen gewerkte dagen in dat laatstelijk uitgeoefende beroep in de
referteperiode minder dan 20 is. In dat geval worden loon en
gewerkte dagen van alle dienstbetrekkingen in de referteperiode bij de
vaststelling van het dagloon betrokken.
Op grond van de
WAO en de IWS (WW) is het
gewoonlijk uitgeoefende beroep de grondslag voor
het dagloon. Dat hoeft dus - in tegenstelling tot bij de ZW
- niet het laatstelijk uitgeoefende beroep te zijn. Inkomsten die niet zijn genoten uit het
gewoonlijk uitgeoefende beroep worden niet bij de berekening van het
dagloon betrokken. De beoordeling wat iemands gewoonlijk uitgeoefend
beroep is, kan een ingewikkelde en bewerkelijke aangelegenheid zijn. Uit
de (zeer casuïstische) jurisprudentie op dit vlak blijkt namelijk dat bij
die beoordeling zowel het verleden als de toekomst in ogenschouw genomen
moeten worden. Hierbij kan het gebeuren dat een beroep dat in het
geheel niet binnen de dagloonreferteperiode is uitgeoefend (maar in de
periode daaraan voorafgaand), wordt aangemerkt als het gewoonlijk
uitgeoefend beroep. Voorts kan de (medische) geschiktheid van de werknemer voor een
beroep een rol spelen, of het niveau van dat beroep in relatie tot
de genoten opleiding. Tevens moet er sprake zijn van een zekere
bestendigheid in de beroepsuitoefening. Wordt een beroep nog maar kort
uitgeoefend, dan kan het niettemin als gewoonlijk uitgeoefend beroep worden
aangemerkt
als de omstandigheden de verwachting wettigen dat het nieuwe
beroep in de toekomst geruime tijd het beroep van de werknemer zou zijn
gebleven. De uitkomst van de beoordeling is het resultaat van een weging van alle van belang zijnde factoren, waarbij
zelden slechts één
factor de doorslag geeft.
Beantwoording van de
vraag wat iemands gewoonlijk uitgeoefend beroep is, vergt een subjectieve
beoordeling van het UWV. Deze beoordeling vindt plaats op basis van
een combinatie van door de werknemer en de werkgever(s) geleverde
gegevens.
Indien er sprake is van
meerdere gewoonlijk uitgeoefende beroepen of geen gewoonlijk
uitgeoefend beroep, dan wordt het WAO-dagloon berekend op basis van het loon in
de referteperiode uit die meerdere gewoonlijk uitgeoefende beroepen,
respectievelijk op basis van het loon uit alle dienstbetrekkingen in de
referteperiode. Het WW-dagloon wordt, indien er geen gewoonlijk
uitgeoefend beroep is, gebaseerd op het loon uit alle dienstbetrekkingen in de
referteperiode. De Dagloonregels
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid
(WW) kennen geen regeling voor
de situatie waarin sprake is van meerdere gewoonlijk uitgeoefende
beroepen.
rblz.|25|
Als
gevolg van de
uiteenlopende beroepsbegrippen in de verschillende dagloonregels kan het dus
gebeuren dat de verzekerde die laatstelijk voordat hij ziek werd
werkzaam was in een beroep dat niet kan worden aangemerkt als zijn
gewoonlijk uitgeoefend beroep, bijvoorbeeld als chauffeur, maar daaraan
voorafgaand altijd als vertegenwoordiger heeft gewerkt - hetgeen
derhalve zijn gewoonlijk uitgeoefend beroep is - tijdens het wachtjaar een
ZW-uitkering krijgt gebaseerd op uitsluitend zijn inkomen als chauffeur,
maar daarna een WAO-uitkering ontvangt die is gebaseerd op alleen zijn
inkomsten als vertegenwoordiger. De regels die gelden als sprake is van
meerdere gewoonlijk uitgeoefende beroepen zijn op deze situatie niet van
toepassing.
Het feit dat in beginsel
slechts de inkomsten genoten in een bepaald beroep maatgevend zijn
voor het dagloon kan ertoe leiden dat bepaalde in de referteperiode voor
de dagloonvaststelling uitgeoefende werkzaamheden niet van invloed zijn op
de hoogte van de uitkering. Gedacht kan worden aan de verzekerde wiens gewoonlijk uitgeoefende beroep gedurende
drie dagen per week
koerier was, terwijl hij op de resterende twee dagen in de week in de
loop van de tijd verschillende werkzaamheden heeft verricht. Toepassing van de dagloonregels betekent dat
in geval van
arbeidsongeschiktheid of
werkloosheid de uitkering van deze verzekerde uitsluitend wordt
gebaseerd op het loon dat hij als koerier verdiende. Een deel van de door deze
werknemer in de referteperiode genoten inkomsten wordt derhalve niet in de
uitkeringsgrondslag opgenomen. De uitkeringsgrondslag weerspiegelt als gevolg
daarvan niet de feitelijke inkomensderving.
Bijzondere beroepsgroepen
In de
Algemene dagloonregelen Ziektewet en de Dagloonregels
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (WW) zijn bepalingen opgenomen ingevolge welke het dagloon voor de beroepsgroepen musici
en artiesten met
wisselende
dienstverbanden en handelsvertegenwoordigers, die niet tegen een vast loon
werkzaam zijn, op een afwijkende wijze wordt bepaald. Deze bijzondere
dagloonregels betekenen feitelijk dat deze beroepsgroepen een
beschermde positie hebben.
In de Algemene dagloonregelen Ziektewet
komt dit bij musici en artiesten tot uitdrukking door de in de
referteperiode genoten WW-uitkering mee te tellen als in de referteperiode genoten
loon en niet evenredig te verminderen. Voorts worden toevallige hoge of
lage verdiensten gecompenseerd door een langere referteperiode
(52 weken) in aanmerking te nemen. Al deze bepalingen resulteren in een hoger
dan het volgens de hoofdregel berekende dagloon.
In de dagloonregels WW [Dagloonregels
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid. red.] komt de beschermde positie voor musici
en artiesten tot uitdrukking
door het loon van de musicus of artiest die in de referteperiode minder dan
130 dagen heeft gewerkt te delen door een gefixeerd lager aantal
dagen en het berekende dagloon vervolgens niet (verder) evenredig te
verlagen. Aldus wordt in de Dagloonregels
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (WW) de evenredige
vermindering die normaal zou worden toegepast, gehalveerd, hetgeen resulteert in een dagloon dat (veelal beduidend)
hoger is dan het volgens
de hoofdregel berekende dagloon. Verder wordt ook hier een
referteperiode van 52 weken gehanteerd.
De bescherming van de
handelsvertegenwoordiger bestaat vooral hieruit dat door toepassing van
een langere referteperiode (52 weken) pieken en dalen in het inkomen
worden ondervangen.
Overweging om tot een
bijzondere regeling te komen, was destijds dat met behulp van deze
afwijkende berekeningsmethode toevallige hoge of lage verdiensten in de
referteperiode worden genivelleerd. Ten aanzien van musici en artiesten met wisselende dienstverbanden zij er nog op
rblz.|26|
gewezen dat bij de
introductie van deze bijzondere wijze van dagloon vaststellen ook het maatschappelijk
belang een rol heeft gespeeld: vanuit culturele overwegingen
werd het wenselijk geacht dat personen zich in ieder geval niet op grond
van de socialeverzekeringswetgeving zouden laten weerhouden om
musicus of artiest te worden c.q. te blijven. Musici en artiesten die niet
in vaste dienst werken, kennen immers veelal een wisselend
inkomenspatroon; de regelgeving diende te bewerkstelligen dat dit wisselende patroon
niet van invloed zou zijn op de uitkering van deze personen.
Seizoenwerkers
Hoewel het strikt genomen
niet om een specifieke beroepsgroep gaat, verdient ook de positie
van de seizoenwerkers nadere aandacht. Voor deze categorie werknemers is
in de Dagloonregels
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (WW) namelijk een met bovenvermelde
beroepsgroepen vergelijkbare uitzonderingspositie gecreëerd. Deze
uitzondering komt kort samengevat hierop neer.
Het dagloon van de
seizoenwerker wordt over in het seizoen gelegen dagen op de normale wijze
vastgesteld, zij het dat geen evenredige verlaging wordt toegepast. Het
dagloon is hierdoor meestal hoger dan bij integrale toepassing van
de algemene systematiek van de Dagloonregels
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (WW).
Over buiten het seizoen
gelegen dagen wordt het dagloon van de seizoenwerker wél evenredig verlaagd.
Deze evenredige verlaging leidt evenwel tot een hoger dagloon dan
volgens de normale methodiek, omdat bij de seizoenwerker aan de dagen waarop hij in de dienstbetrekkingen die in de
berekening worden
betrokken buiten zijn wil niet heeft gewerkt, een fictief loon wordt
toegerekend, ter hoogte van het gemiddelde van het loon over dagen waarop
hij wel werkzaam was. De teller van de breuk waarmee het dagloon wordt
berekend, wordt derhalve hoger vastgesteld dan bij een normale
dagloonvaststelling het geval zou zijn. Dit betekent dat ook het dagloon van
de seizoenwerker die buiten het seizoenwerkloos wordt hoger uitkomt dan
het volgens de algemene regels berekende dagloon, zij het dat het
dagloon weer lager is dan wanneer de seizoenwerker in het seizoen werkloos
is geworden.
De reden voor deze
uitzonderingspositie voor seizoenwerkers is gelegen in de bijzondere positie
die in het verleden werd toebedacht aan seizoenwerkers en het maatschappelijke
belang dat werd gehecht aan de beschikbaarheid van werknemers voor deze
soort werkzaamheden.
Conclusie
Het bovenstaande betekent
dat het UWV voor de vaststelling van een ZW-, de
WW- en WAO-uitkering in eerste instantie
geen rekening houdt met alle verzekerde
dienstverbanden in de referteperiode: inkomen dat is genoten uit een
beroep
waarin betrokkene niet laatstelijk dan wel niet gewoonlijk werkzaam was,
dient in beginsel buiten beschouwing te blijven. Eerst wanneer in
het laatstelijk uitgeoefende beroep op minder dan 20 dagen is gewerkt
dan wel wanneer geen gewoonlijk uitgeoefend beroep is aan te wijzen,
worden verdiensten uit andere beroepen in de berekening betrokken. De
toepassing van de regels omtrent het beroep vergt een subjectieve
beoordeling door het UWV en leidt tot extra gegevensuitvraag bij de
werkgever.
Daarnaast zijn er
bijzondere regelingen voor enkele beroepsgroepen en seizoenwerkers. Deze
regelingen leiden tot een gunstiger dagloonvaststelling voor deze groepen. De
toepassing van deze bijzondere regelingen vergt specifieke
gegevensuitvraag door en besluitvorming van het UWV.
rblz.|27|
3.3.4. Referteperiode
Het dagloon wordt
berekend met behulp van de loongegevens van de werknemer uit een in het
verleden gelegen periode: de dagloonreferteperiode. Deze
dagloonreferteperiode - die nadrukkelijk moet worden onderscheiden van de
referteperiode die van belang is voor het vaststellen van het recht op WW-uitkering
- speelt bij de dagloonberekening een centrale rol.
Uitgegaan wordt van wat betrokkene in zijn gewoonlijk uitgeoefende beroep
(WAO
en WW) dan wel in zijn laatstelijk uitgeoefende dienstbetrekking (ZW)
gemiddeld per dag verdiende in de salarisbetalingsperioden die volledig binnen de
referteperiode vallen.
Dat wordt gekeken naar de
volledige salarisbetalingsperioden, gelegen in de dagloonreferteperiode,
geldt vanaf 1 januari 2001 (Regeling van de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid van 18 augustus 2000, nr. SV/AVF/00/49741, tot
wijziging van de dagloonregels WAO, ZW en Invoeringswet
stelselherziening sociale zekerheid (Stcrt. 2000, 164)). Daarvóór gold de volledige
referteperiode als meetperiode. De reden voor deze wijziging is gelegen in
het volgende.
In de praktijk valt het
intreden van ziekte of van een arbeidsurenverlies zelden samen met het
einde van een salarisbetalingsperiode. Dat betekende dat in zeer veel gevallen
waarin geen sprake was van een vast loon de werkgevers ten behoeve
van de dagloonvaststelling loongegevens moesten leveren die
betrekking hadden op gedeelten van salarisbetalingsperioden. Deze deels wel en deels
niet binnen de referteperiode vallende salarisbetalingsperioden ("gebroken
salarisbetalingsperioden") konden zowel aan het einde als
aan het begin van de referteperiode liggen. De voor de
dagloonvaststelling relevante loongegevens uit zo’n "gebroken
salarisbetalingsperiode"
moesten met behulp van de in de salarisadministratie van de werkgevers
aanwezige informatie handmatig worden berekend. Dit betekende
met name voor bedrijfstakken waarin veel flexibele arbeidskrachten werken
een aanmerkelijke administratieve last. Door sinds 1 januari 2001 uit
te gaan van de salarisbetalingsperioden die geheel binnen de referteperiode
vallen, wordt werkgevers deze administratieve last bespaard.
De dagloonreferteperiode
eindigt op de dag voorafgaand aan die waarop de werknemer ziek is
geworden (ZW en WAO), dan wel op de dag voorafgaand aan
die waarop een
relevant arbeidsurenverlies is opgetreden (IWS/WW). De omvang van
de referteperiode verschilt in de huidige systematiek per wet. De lengte van de
dagloonreferteperiode voor de ZW is dertien weken. De referteperiode
voor de berekening van het WW-dagloon is 26 weken. De referteperiode
voor de WAO is één jaar. Bij de vaststelling van de lengte van de
verschillende referteperioden lijkt de maximale uitkeringsduur een rol te
hebben gespeeld. Hiervoor is in de toelichtingen bij de diverse
dagloonregels evenwel geen bevestiging gevonden.
De ZW, zoals deze luidde
vóór 1967, kende een uitkeringsduur van zes maanden, terwijl de WW,
zoals deze luidde vóór 1987, een uitkeringsduur van 26 weken per
uitkeringsjaar kende. Voor beide uitkeringstypen, zijnde kortdurende uitkeringen,
werd door de toenmalige bewindslieden, mét de toenmalige SVr, een dagloonreferteperiode van
dertien weken kennelijk
voldoende geacht. Bij de
invoering van de WAO in 1967 werd de uitkeringsduur van de ZW
opgetrokken naar één jaar. Hierin werd kennelijk geen aanleiding gezien om
de lengte van de dagloonreferteperiode voor de ZW te wijzigen.
Bij de herziening van de
WW per 1 januari 1987 werd voor die wet een nieuwe
uitkeringssystematiek geïntroduceerd. Bij deze nieuwe systematiek ging de gemiddelde
arbeidsomvang in de laatste 26 weken vóór het intreden van de
werkloosheid een rol spelen. Tot de stelselherziening gold voor het recht op
WW-uitkering dat men in het aan de werkloosheid voorafgaande jaar op ten
minste 130
dagen als werknemer gewerkt moest rblz.|28|
hebben. Deze referte-eis
werd vervangen door de eis dat men in de voorafgaande 52 weken in ten
minste 26 weken gewerkt moest hebben. De toenmalige
bewindspersonen hebben er, mét de toenmalige SVr, de voorkeur aan gegeven om ten
aanzien van de duur van de dagloonreferteperiode aan te sluiten bij deze
wijziging in de systematiek van de WW. Voor de WAO is van meet
af aan gekozen voor een dagloonreferteperiode van één jaar omdat men
blijkbaar voor die wet, op grond waarvan uitkeringen van lange duur worden
verstrekt, díé periode voldoende basis vond bieden om te komen
tot een goede afspiegeling van het gederfde loon.
De
ZW en de WW kennen de
mogelijkheid om het dagloon op basis van het inkomen over de salarisbetalingsperioden die volledig binnen de
voorafgaande 52 weken
vallen vast te stellen. Dit kan echter alleen als het dagloon berekend met
behulp van het loon over de salarisbetalingsperioden die geheel binnen de
voorafgaande dertien c.q. 26 weken vallen kennelijk geen juist dagloon
is. Of dit zo is, vereist uiteraard een
beoordeling door het UWV. Met name
moet zo’n beoordeling ook plaatsvinden als de uitkeringsgerechtigde
aangeeft dat het op basis van de normale
referteperiode
vastgestelde dagloon, gezien hetgeen hij normaal verdiende, niet juist is.
De verschillen tussen de
onderscheidenlijke dagloonsystematieken leiden ertoe dat, hoewel het
object van de verzekering voor alle wetten gelijk is (het verloren inkomen),
het dagloon niet voor alle wetten op gelijke wijze wordt bepaald. Dit kan in
overigens gelijke situaties aanleiding geven tot verschillen in de hoogte
van daglonen.
Het meest simpele
voorbeeld hiervan is het geval van iemand die jarenlang in dezelfde baan werkt
tegen een vast loon, aangevuld met onregelmatig verstrekte toeslagen. Als
die persoon tijdens ziekte zijn baan verliest (bijvoorbeeld door
faillissement van de werkgever) en tot de categorie werknemers behoort die in
het zogenaamde ZW-vangnet valt, ontstaat recht op ZW-uitkering.
Het UWV kan, na onderzoek, tot de slotsom
komen dat de toeslagen die
betrokkene vóór de referteperiode van dertien weken ontving weliswaar meer bedroegen dan tijdens de referteperiode, maar
dat toch niet van een
kennelijk onjuist dagloon kan worden gesproken. Als betrokkene vervolgens
doorstroomt naar de WAO, wordt zijn WAO-dagloon gebaseerd op
een dagloonreferteperiode van één jaar voorafgaand aan het
moment waarop hij ziek werd. De toepassing van verschillende
dagloonreferteperioden maakt dat er een zeer reële kans bestaat dat er
verschillen optreden tussen het ZW-dagloon en het WAO-dagloon. Deze
verschillen zijn natuurlijk groter naarmate er sprake is van een meer wisselend
arbeids- c.q. inkomenspatroon.
Een ander voorbeeld is
het geval van iemand die jarenlang in dezelfde baan in een onregelmatig arbeidspatroon werkzaam is, maar in de laatste
26 weken voorafgaand aan
ziekte of werkloosheid, met handhaving van het geldende uurloon,
méér heeft gewerkt dan hij normaal gewend was. In zo’n geval kan het
ZW- c.q. WW-dagloon hoger komen te liggen dan het
WAO-dagloon.
Dergelijke verschillen
doen geen recht aan de verzekeringsgedachte. De basis voor de
loongerelateerde werknemersverzekeringen is immers het verzekerde loon, met in
alle gevallen een gelijk dekkingspercentage (70%). Het dagloon waarvan de
uitkering wordt afgeleid, zou daarom, of het nu om ziekte, arbeidsongeschiktheid of werkloosheid gaat, in alle gevallen
hetzelfde moeten zijn.
Het verschil in de
referteperiode tussen de ZW en de WAO
heeft voorts tot gevolg dat wanneer iemand
recht op ZW-uitkering krijgt en vervolgens doorstroomt naar de WAO,
tweemaal een dagloonvaststelling moet plaatsvinden. Er wordt immers gekeken
naar dagloonreferteperioden van rblz.|29|
verschillende omvang. Als
gevolg hiervan zijn voor de vaststelling van het WAO-dagloon meer
loongegevens nodig dan door de werkgever ten behoeve van de
ZW-dagloonvaststelling zijn geleverd. In het kader van de vaststelling van het
ZW-dagloon zijn immers de loongegevens over een referteperiode van
dertien weken bij de werkgever opgevraagd. Wanneer een WAO-dagloon moet worden
vastgesteld, moet het UWV evenwel beschikken over de
loongegevens over een referteperiode van één jaar. Daarom moet bij een op
het Ziektewetjaar volgend recht op WAO-uitkering ten tweeden male aan de
werkgever gevraagd worden loongegevens te leveren ten behoeve van
de dagloonvaststelling, doch ditmaal over een langere periode.
3.3.5. Berekeningsmethode
Dagloonberekening
Het vorenstaande
resulteert in de volgende in de dagloonregels opgenomen definitie van het
dagloon: het loon dat de werknemer in de referteperiode in zijn beroep gemiddeld
heeft genoten over de dagen gelegen in de in de referteperiode
liggende volledige salarisbetalingsperioden. Het moet daarbij wel gaan om
de dagen waarop hij gedurende ten minste de voor hem normale
werktijdwerkzaam was. Dagen waarop de werknemer gedurende minder dan de
normale werktijd werkzaam was, en het loon over die dagen, worden bij de dagloonberekening buiten aanmerking
gelaten. Hierbij kan
worden gedacht aan de verzekerde wiens normale werktijd 8 uur per dag is
en die gedurende een periode halve dagen werkt. De periode waarin hij halve dagen werkte en het loon over die dagen
blijven buiten de
berekening van het dagloon, terwijl over het over die dagen genoten loon wel
premie wordt betaald.
Het dagloon wordt dus
(vanaf 1 januari 2001) berekend volgens onderstaande breuk: loon
over de normaal
gewerkte dagen in salarisperioden die geheel binnen de
referteperiode vallen gedeeld door de normaal gewerkte dagen
in de salarisperioden die geheel binnen de referteperiode
vallen.
Dit betekent dat de
werkgever wiens werknemer ziek, werkloos of arbeidsongeschikt wordt, ten behoeve van
de
dagloonvaststelling aan het UWV moet melden welk loon de
werknemer in de bedoelde salarisbetalingsperioden in zijn
laatstelijk/gewoonlijk uitgeoefend beroep over normaal gewerkte dagen heeft
genoten en op hoeveel normaal gewerkte dagen dat loon betrekking
heeft. Naast de gegevensuitvraag met betrekking tot de eerder genoemde zaken
vergt deze berekeningswijze dus een gegevensuitvraag bij de werkgever over het aantal normaal gewerkte
dagen. Bovendien vergt de
bepaling van het aantal normaal gewerkte dagen een beoordeling
door de werkgever en verificatie van de juistheid van de opgave van de werkgever door het UWV.
Hierboven wordt telkens
gesproken van dé werkgever. Indien de werknemer in de referteperiode
evenwel meer dan één werkgever heeft gehad, moeten bij elk van die
werkgevers de voor de dagloonvaststelling relevante gegevens worden
opgevraagd. Gegevens derhalve met betrekking tot het beroep, de normaal
gewerkte dagen, eventuele loonontwikkelingen, etc..
In de verschillende
dagloonregels is voor werknemers die laatstelijk voordat zij ziek werden
of een arbeidsurenverlies leden een vast loon rblz.|30|
genoten een andere,
eenvoudigere berekeningsmethode voorgeschreven. De hiervoor beschreven
hoofdregel voor de dagloonberekening geldt derhalve uitsluitend voor
verzekerden zonder vast loon, de zogenaamde "wisselendloners".
Vast loon
Was de werknemer
laatstelijk in zijn beroep werkzaam tegen een loon dat was vastgesteld op een
vast bedrag per jaar, maand, week of dag, dan wordt het dagloon op een
vereenvoudigde wijze vastgesteld, waarbij wordt geabstraheerd van
de referteperiode. Bij de berekening van het dagloon wordt dan
feitelijk uitgegaan van het laatstgenoten loon. Het voordeel hierbij is met
name dat de gegevensuitvraag beperkt kan blijven; de werkgever kan volstaan
met het leveren van gegevens met betrekking tot dit laatstelijk
genoten loon. Wel moet de werkgever beoordelen of zijn werknemer een vast dan
wel een wisselend loon genoot en moet het UWV
dit (kunnen)
verifiëren, hetgeen weer met de nodige gegevensuitwisseling gepaard gaat. Deze
administratieve belasting is met name bij het vaststellen van de WW-uitkering in de loop der tijd toegenomen als gevolg van de
flexibilisering van de arbeidsmarkt. Het UWV wordt hierdoor geconfronteerd met meer
wisselende dienstverbanden en dus met meer werkgevers.
3.3.6. Evenredige
verlaging
In
paragraaf 3.3.5 is
de hoofdlijn van de dagloonvaststelling volgens de vastloon- en de wisselendloonmethode beschreven. Die berekening
levert het bedrag op dat
betrokkene ontving over de dagen binnen de referteperiode waarop
hij in de voor hem normale omvang werkte. Dat bedrag is echter niet altijd geschikt om als uiteindelijke basis voor de
uitkering te dienen. Het
kan bijvoorbeeld zo zijn dat betrokkene gewend was om slechts op enkele
dagen per week te werken. De uitkering wordt echter over vijf dagen
per week verstrekt, waardoor zonder een nadere correctie een te hoog
dagloon zou resulteren.
Een voorbeeld moge dit
verduidelijken.
Het kan zijn dat iemand
gewend was om op maandag en woensdag te werken tegen €|45,- per
dag. Als dit bedrag niet zou worden gecorrigeerd, bedraagt het dagloon
€|45,-. Dan zou de uitkering op weekbasis 70% van
€|225,- of wel €|157,50
bedragen, terwijl betrokkene normaal slechts €|90,- per week
verdiende.
Bij iedere
dagloonberekening moet derhalve worden nagegaan of effecten als deze zich voordoen.
Indien dat het geval is, is er aanleiding het volgens bovenstaande
formule berekende dagloon evenredig te verlagen. Evenredige verlaging kan
aan de orde zijn bij vastloners en bij wisselendloners.
In de dagloonregels wordt
aangegeven wanneer er evenredig verlaagd moet worden. Deze
evenredige verlagingsgronden zijn in de Algemene dagloonregelen Ziektewet
en de Dagloonregelen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering iets
anders geformuleerd dan in de Dagloonregels
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid
(WW).
In de
Algemene dagloonregelen Ziektewet en
de Dagloonregelen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering worden de volgende gronden voor evenredige
verlaging genoemd:
• de werknemer placht een geringer dan het normale aantal uren per week werkzaam te zijn
(anders dan wegens arbeidsduurverkorting of onbetaald verlof);
• de werknemer placht
uit eigen verkiezing afwisselend wel en niet werkzaam te zijn (anders dan op
grond van onbetaald verlof);
• de werknemer placht afwisselend wel en niet arbeid te verrichten ter
rblz.|31|
zake waarvan een
verzekering ingevolge de ZW dan wel de WAO bestaat;
• de werknemer heeft
aanspraak op ziekengeld uit hoofde van meer dan één verzekering.
De laatstgenoemde grond
geldt alleen voor de Algemene dagloonregelen Ziektewet.
De evenredige
verlagingsgronden in de Dagloonregels
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (WW) komen in grote lijnen overeen
met de eerste drie gronden voor de Algemene dagloonregelen Ziektewet en
de Dagloonregelen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, zij het dat die
gronden in de Dagloonregels
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (WW) zijn geobjectiveerd. Er hoeft derhalve geen
beoordeling te worden gemaakt van het "plegen te werken" c.q.
het al dan niet "uit eigen verkiezing afwisselend wel en niet werkzaam
zijn", zoals dat in de Algemene dagloonregelen Ziektewet en
de Dagloonregelen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering het geval is. In
de Dagloonregels
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid
(WW) worden de volgende gronden voor evenredige verlaging genoemd:
• de werknemer was
gemiddeld een geringer dan het normale aantal uren per week werkzaam
(anders dan wegens arbeidsduurverkorting of onbetaald verlof);
• de werknemer was
afwisselend wel en niet werkzaam (anders dan op grond van onbetaald
verlof);
• de werknemer
verrichtte afwisselend wel en niet arbeid ter zake waarvan een verzekering
ingevolge de WW bestaat.
De bovenomschreven
regelingen, met name voor de ZW en de WAO, bevatten diverse
onderzoeksmomenten. Om te bepalen of van een "plegen" sprake is, is
veelal een onderzoek nodig dat zich over een langere periode
uitstrekt. Soms zal dit onderzoek zich verder in het verleden moeten
uitstrekken dan de periode van 52 weken voorafgaand aan het intreden van
ziekte. Om te bepalen of van een eigen verkiezing sprake is, is het nodig
dat alle relevante omstandigheden van het geval worden onderzocht en
gewogen, zodat bijvoorbeeld duidelijk wordt of betrokkene nu wél of
juist níét noodgedwongen in deeltijd ging werken. De bepaling of inmiddels
weer sprake is van een voltijds arbeidspatroon vereist weer een
toekomstgericht onderzoek. Het is duidelijk dat aan deze onderzoeken evenzovele
subjectieve oordelen moeten worden verbonden. De voor de WW
geldende
regeling is heel wat strikter. Weliswaar is ook in dat kader onderzoek
nodig, maar dat onderzoek beperkt zich tot de tijdspanne die gehanteerd is voor de
vaststelling van het arbeidsurenverlies. In de regel gaat het
daarbij om 26 weken.
Er moet evenredig verlaagd
worden als betrokkene niet gedurende die hele periode voltijd
heeft gewerkt. Dit, ongeacht of betrokkene nu wel of niet gewend was om in
deeltijd te werken, ongeacht of wel of niet sprake was van een eigen vrije
wil daartoe en ongeacht ook of betrokkene nu wel of niet inmiddels
weer kennelijk duurzaam voltijd werkt. Hier vindt met andere woorden - anders dan bij de ZW en de WAO
- een beoordeling plaats die is ontdaan van
subjectieve elementen: de constatering van een feitelijke situatie
is voldoende voor de beoordeling of al dan niet evenredige verlaging moet
plaatsvinden.
Conclusie
Bij elke
dagloonvaststelling moet beoordeeld worden of er aanleiding is om evenredige verlaging
toe te passen. Vervolgens moet worden bepaald op welke manier dat moet
gebeuren. De huidige regelgeving kent daar geen bepalingen voor. Met
name in het kader van de ZW en de WAO
- bij de beslissing over
evenredige verlaging moet in het kader van díé regelingen immers met meer factoren
rekening worden gehouden dan in het kader van de WW
geldt - moet met allerlei omstandigheden van het geval rekening worden gehouden
bij de bepaling van wat in het betreffende geval de meest juiste
formule voor evenredige verlaging is.
rblz.|32|
3.3.7. Indexering
In de
WAO en de WW is een
regeling opgenomen op grond waarvan eenmaal vastgestelde WAO-
en WW-daglonen halfjaarlijks worden herzien overeenkomstig de
ontwikkeling van het minimumloon. Hoewel de ZW in beginsel hetzelfde
inkomensverlies verzekert, wordt het ZW-dagloon op grond van de Algemene dagloonregelen Ziektewet
aangepast als het loonpeil in het beroep van de werknemer tijdens
het ontvangen van de uitkering afwijkt van het loonpeil waarop het
dagloon is gebaseerd. Het ZW-dagloon wordt dus aangepast aan de algemene
loonontwikkeling in het beroep van de werknemer
(bijvoorbeeld stijging
van het loonpeil in het beroep van de werknemer als gevolg een wijziging
van de CAO). Het ZW-dagloon wordt niet aangepast in verband met
individuele loonstijgingen (bijvoorbeeld loonsverhoging in verband met een
promotie).
Het
WAO-dagloon is
gebaseerd op loongegevens die betrekking hebben op het jaar voorafgaand
aan het moment waarop de werknemer ziek is geworden. Tussen het
moment waarop dat jaar eindigt en het moment waarop de WAO-uitkering
ingaat, ligt derhalve één jaar (het wachtjaar voor de WAO). Als het loonpeil
in het beroep van de werknemer op de dag waarop de WAO-uitkering
ingaat, afwijkt van het loonpeil in dat beroep dat aan het dagloon per
aanvang van het wachtjaar voor de WAO ten grondslag ligt, wordt het dagloon
in verband hiermee aangepast. Algemene loonontwikkelingen in het
beroep van de werknemer tijdens het wachtjaar werken volledig door in
het WAO-dagloon. Maar ook wanneer er zich in het wachtjaar individuele loonontwikkelingen voordoen, werken deze
volledig door in het WAO-dagloon. Gevolg hiervan is - verschillen in het gehanteerde dagloonbegrip
en de referteperiode nog daargelaten - dat het WAO-dagloon bij einde wachttijd meer uit de pas gaat lopen met het
ZW-dagloon. Een voorbeeld
van zo’n individuele loonontwikkeling die wel doorwerkt in het
WAO-dagloon, maar niet het ZW-dagloon, is de jaarlijkse periodiek. Als gevolg van
deze verschillen kan bij overgang van een ZW-uitkering naar een
WAO-uitkering derhalve een wijziging van het uitkeringsniveau
optreden.
Conclusie
Om het
ZW-dagloon in
overeenstemming te kunnen brengen met loonontwikkelingen in het beroep van de
werknemer moet het UWV gegevens uitvragen bij de
werkgever. Het UWV moet, om een WAO-dagloon te kunnen vaststellen, bij
de werkgever tevens navraag doen naar algemene en individuele
loonontwikkelingen in het wachtjaar.
3.3.8. Maatmanloon
Het recht op een
WAO-uitkering is onder andere afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid
van de werknemer. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt bepaald door het
loon van de aan de verzekerde soortgelijke gezonde
werknemer (het maatmanloon) te vergelijken met het loon dat de
verzekerde nog kan verdienen. Het verschil tussen deze twee bedragen levert de
mate van arbeidsongeschiktheid op. Met behulp van het Claimbeoordelings- en borgingssyteem
(CBBS) wordt bezien welk werk de verzekerde nog
zou kunnen verrichten en wat het loon is dat verzekerde theoretisch
gezien nog zou kunnen verdienen met zijn resterende arbeidscapaciteit (CBBS-loon).
Op dit moment zijn de
loonbegrippen voor de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid
(het maatmanloon en het CBBS-loon) niet aan elkaar gelijk. Door
jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep zijn aan het maatmanloon
namelijk (extra) loonbestanddelen toegevoegd, rblz.|33|
terwijl dit voor het
CBBS-loon niet is gebeurd. Hierdoor worden bij de vaststelling van de mate
van arbeidsongeschiktheid twee verschillende loonbegrippen met elkaar
vergeleken.
Op het moment dat het UWV
een WAO-uitkering moet vaststellen, moeten bij de werkgever van de
verzekerde gegevens worden opgevraagd over de verschillende
loonbestanddelen. Dit brengt voor een werkgever uiteraard administratieve lasten
met zich mee. Daar komt nog bij dat het maatmanloon en het CBBS-loon ook
afwijken van het huidige premieloon. Het huidige premieloon kan
hierdoor niet worden gebruikt voor de vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid van de verzekerde.
3.4.
Premieafdrachtsystematiek en verzekerdenadministratie
3.4.1. De premieafdrachtsystematiek
Op grond van de
CSV is
het UWV formeel verantwoordelijk voor de vaststelling en de invordering van de
door de werkgever verschuldigde premie. In de huidige
wet- en regelgeving ligt op hoofdlijnen vast op welke wijze de
premievaststelling en invordering moet plaatsvinden.
Het proces van
premieheffing betreft de wijze waarop de door de werkgever verschuldigde premies
worden vastgesteld (premievaststelling) en worden geïnd door het UWV
(premie-invordering). Omdat het bij de premieheffing gaat om de
methodiek om de verschuldigde premies bij het UWV te doen belanden,
wordt ook wel gesproken van premieafdracht of premie-inning. Hierna zal
de term premieafdracht worden gebruikt om de premieheffing aan te
duiden.
Naast de premieafdracht
kan de premie-inhouding worden onderscheiden. Bij de premie-inhouding
wordt bepaald welk bedrag aan premies de werknemer is
verschuldigd. Het gaat derhalve om de wijze waarop de werkgever de
premies werknemersverzekeringen inhoudt op het loon van de
werknemer. De sv-dag, een dag waarover loon wordt genoten (gewerkte dag),
vormt voor de inhouding het criterium. Uitzondering hierop vormen de
overheidswerkgevers. Deze werkgevers houden in op basis van een
maandbedrag en passen een deeltijdfactor toe.
Van oudsher worden de
premies werknemersverzekeringen bij wijze van voorschot geheven. De voorschotsystematiek is echter niet verplicht. In de
praktijk komen naast de
voorschotsystematiek ook systemen van premieafdracht op aangifte achteraf
voor. De voorschotsystematiek wordt nog steeds toegepast door het UWV
(voor werkgevers die waren aangesloten
bij het voormalige GAK en Cadans). Voor werkgevers die waren aangesloten bij het voormalige
SFB, GUO en USZO werkt het UWV met een vorm van
premieafdracht op aangifte achteraf. Hieronder worden de kenmerken van de
verschillende premieafdrachtsystemen besproken.
Kenmerken van de
voorschotsystematiek
Het voormalige
GAK of Cadans, thans het UWV, stelt een voorschotpremie vast op basis van het
vermoedelijke bedrag dat door de werkgever in het komende kalenderjaar zal
worden verloond. Bij de schatting van het loonbedrag wordt rekening gehouden
met de reeds bekende loongegevens van de werkgever over het
vorige of betrokken jaar, de aard, de omvang en de ontwikkeling van
het bedrijf van de werkgever en andere omstandigheden welke op dit loonbedrag
van invloed kunnen zijn.
De wijze waarop en de
termijn waarbinnen de voorschotpremie door de werkgever moet worden
betaald, wordt door het UWV bepaald. In de praktijk wordt door het
UWV in het algemeen nog steeds de termijnen die in het verleden door de
toenmalige bedrijfsverenigingen zijn vastgesteld, rblz.|34|
gehanteerd. Binnen het
UWV kunnen dus verschillende termijnen worden toegepast.
De voorschotpremie kan
per maand of per kwartaal (vooraf) worden betaald. De voorschotnota
wordt dus in twaalf of vier termijnen opgedeeld. De voorschotpremie dient
uiterlijk op de eerste van de maand te worden betaald. Voor de maand
januari wordt in de meeste gevallen de vervaldatum twee weken opgeschoven.
Indien de werkgever ná de vervaldatum betaalt, kan het UWV
wettelijke rente in rekening brengen. Indien de werkgever een betalingsachterstand
heeft, wordt de gehele voorschotnota opeisbaar.
Na afloop van het
kalenderjaar moet de werkgever aan het UWV voor iedere werknemer in
januari een jaaropgave doen van het genoten loon. Vervolgens wordt door het
UWV een definitieve nota vastgesteld. Als de voorschotpremie te laag
is vastgesteld, wordt alsnog het verschuldigde bedrag door het UWV
vastgesteld en geïnd. De te veel betaalde premie wordt verrekend of aan de
werkgever terugbetaald.
Idealiter hebben
werkgevers weinig (administratieve) last van de voorschotsystematiek. Is
de voorschotnota eenmaal vastgesteld, dan ontvangt de werkgever
iedere maand deze nota en kan hij onmiddellijk tot betaling overgaan (of een
automatische incasso laten verrichten).
Binnen de
voorschotsystematiek kan de zogenaamde 5%-regeling echter tot een verstoring van
het proces van premieafdracht leiden. De werkgever is namelijk verplicht om
die veranderingen in de loonsom aan het UWV te
melden die ertoe
leiden dat het feitelijk verloonde bedrag meer dan 5%, doch ten minste
een bedrag van €|2269,- hoger is dan het bedrag waarop de voorschotnota
is gebaseerd. Als de werkgever de wijziging niet binnen drie maanden
meldt, wordt door het UWV een administratieve boete opgelegd. De
5%-regeling leidt dus (regelmatig) tot correctieaanvragen van werkgevers en hebben
correctienota’s (aanpassingen van de voorschotnota’s)
door het UWV tot gevolg, hetgeen uiteraard wél gepaard gaat met
administratieve lasten.
De mate waarin werkgevers
contact hebben met het UWV over de (hoogte van de) voorschotnota
varieert. In het algemeen zullen kleine werkgevers met een stabiel
personeelsbestand weinig contact hebben met het UWV over de hoogte van de
voorschotnota. Een dergelijke kleine werkgever heeft namelijk
betrekkelijk weinig mutaties in zijn premiegrondslag. Hij zal in december moeten nagaan
of het geschatte loonbedrag klopt. De werkgever betaalt vervolgens
maandelijks of per kwartaal de voorschotnota. Tevens doet hij na afloop
van het kalenderjaar opgave van het feitelijk verloonde bedrag per
werknemer. In een dergelijk geval zijn de correcties tot het minimum beperkt.
Daarentegen zal een
werkgever met een wisselend personeelsbestand en/of een werkgever met
veel tijdelijke dienstbetrekkingen en/of seizoenswerk meer contact met het
UWV (moeten) hebben. Dergelijke dienstbetrekkingen kunnen er (eerder) toe
leiden dat de voorschotnota te hoog of te laag is. Verder is de verplichting voor een werkgever om na te gaan of
er sprake is van een
verschil van meer 5% (en ten minste €|2269,-) administratief bewerkelijk. Naleving van
de 5%-regeling brengt voor deze werkgevers verzoeken tot correctie
en het vaststellen van correctienota’s met zich. Bij fluctuerende
verloning, dus veel mutaties in de premiegrondslag, is de
voorschotsystematiek derhalve bewerkelijk.
rblz.|35|
Gevolgen van de
voorschotsystematiek
De
premieafdracht op
voorschotbasis betekent per definitie dat het UWV
niet beschikt over de
meest actuele (loon)gegevens van de werkgever. De voorschotnota wordt
immers opgesteld op basis van een schatting van het personeelsbestand en
de loonsom van de werkgever. Zolang deze totale loonsom vervolgens
binnen de 5%-marge blijft, hoeft een werkgever niets te melden. Alleen
nieuwe en beëindigde dienstverbanden moeten worden doorgegeven.
Het UWV beschikt derhalve
bij een systematiek van premieafdracht op voorschotbasis gedurende
een premiejaar niet over de daadwerkelijk (gerealiseerde) verloonde
en dus premieplichtige som van de werkgever. Laat staan dat het UWV
beschikt over het daadwerkelijk verloonde bedrag per werknemer. Pas bij de
opstelling van de jaaropgave, na afloop van het kalenderjaar, moet de
werkgever de daadwerkelijk verloonde bedragen per werknemer opgeven.
Kenmerken van een
premieafdracht op nominatieve aangifte achteraf
Het
UWV kent voor
werkgevers die waren aangesloten bij het voormalige SFB,
GUO en USZO een
systeem van premieafdracht op aangifte achteraf. Gezien de bijzondere
positie van de voormalige USZO, wordt het afdrachtsysteem van deze voormalige
uitvoeringsinstelling afzonderlijk besproken.
Bij een systeem van
premieafdracht op nominatieve aangifte achteraf geeft de werkgever na
afloop van een salarisbetalingsperiode het bedrag dat per werknemer is
verloond op aan het UWV. Binnen het VIP-systeem (Vaststellen en Innen van
Premies) van het voormalige SFB moet de werkgever per maand, per vier-weken
of per week een loonopgave doen. Het Prinssysteem (Premievaststellings-
en invorderingssysteem) van het voormalige GUO kent geen wekelijkse
loonopgave. Dit betekent dat de werkgever bij wekelijkse betaling
per vier weken loonopgave moet doen.
Na ontvangst van de
loongegevens berekent het UWV de verschuldigde premies. Vervolgens
verstuurt het UWV de werkgever een premienota. Steeds vaker wordt deze
nota door middel van automatische incasso geïnd. Hoewel het UWV te
allen tijde formeel verantwoordelijk blijft voor de vaststelling van de
premies, biedt het UWV de werkgever een mogelijkheid om zelf te berekenen hoe
hoog het verschuldigde premiebedrag is. Het voormalige SFB
heeft
hiervoor een diskette ontwikkeld. Naast de periodieke loonopgave kan
de werkgever deze diskette ook gebruiken voor de melding sociale
verzekeringen en het opmaken van een vorstverletdeclaratie.
Het UWV baseert de
premievaststelling op de gegevens van de laatste loonbetalingsperiode. Dit
betekent dat de feitelijk verloonde bedragen en het feitelijke aantal sv-dagen bepalend zijn. Er is echter wel een belangrijk verschil tussen beide
systemen. Het systeem van het voormalige SFB houdt geen rekening met voorliggende
loonbetalingstijdvakken. Dit maakt het noodzakelijk dat na
afloop van het kalenderjaar nog wordt bezien of over een geheel jaar (het
premiebetalingstijdvak) het maximumpremieloon voor de ZW,
WW, WAO en Zfw
niet wordt overschreden en de AWf-franchise op
correcte wijze zijn toegepast. Het UWV vraagt van de werkgever een
jaarloonopgave per werknemer (conform het Loonadministratiebesluit).
Het systeem van het voormalige GUO
houdt wél rekening met
voorliggende tijdvakken. Dit betekent dat de loonbedragen en de sv-dagen per
werknemer tot en met de laatste loonbetalingsperiode bij elkaar worden
opgeteld. Vervolgens wordt de premie berekend. Hierna wordt
hetgeen reeds bij de werkgever in rekening is gebracht hierop in
mindering gebracht. Het UWV vraagt van de werkgever rblz.|36|
geen jaarloonopgave per
werknemer, maar stelt de definitieve jaaropgave samen op basis voor de
periodieke loonopgaven.
De werkgevers die zowel
bij het voormalige SFB als het voormalige GUO waren aangesloten, moeten
naast de periodieke loonopgave bij aanvang of beëindiging van een
dienstbetrekking een melding sociale verzekeringen insturen.
Het voormalige USZO
Zoals hierboven reeds is
opgemerkt neemt het voormalige USZO een bijzondere positie in.
Overheidspersoneel is op 1 januari 1998 onder de WAO
gebracht. Dit
betekent dat pas vanaf deze datum de voormalige USZO voor de aangesloten
werkgevers de verschuldigde WAO-premie vaststelt. Vanaf 1
januari 2001 is de ZW en de WW
ook van toepassing op het overheidspersoneel.
De overheidswerkgevers zullen voor de WW eigenrisicodrager blijven. Het voormalige USZO heeft het destijds
bestaande (ABP-)systeem [ABP: Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, red.]
voortgezet. De werkgevers verstrekken maandelijks alle loongegevens én
persoonsgegevens in de vorm van een gecombineerde stroom van meldingen sociale
verzekeringen (MSV) en loongegevens aan het UWV. De werkgever
berekent (zelf, zijn salarisadministratie of het rekencentrum/CASO [CASO:
Commissie automatisering salarisadministratie onderwijs, red.])
de door hem verschuldigde premie en draagt deze vervolgens af
aan het UWV. Voor ongeveer 300 000 verzekerden verzorgt een groot
rekencentrum de premiebetaling aan het UWV. Het UWV verstuurt geen
premienota’s naar de werkgever. Op basis van de door de werkgever verstrekte gegevens berekent het UWV wél hoeveel
premie de werkgever
verschuldigd is en vergelijkt deze premie met de door de werkgever
berekende en betaalde premie. Een verschil wordt in overleg met de werkgever
opgelost. De betaling vindt in principe per ultimo van de maand
plaats. Eens per jaar vindt er een definitieve afrekening plaats tussen de
werkgever en het UWV.
Gevolgen van de premieafdrachtsystematiek op aangifte
Premieafdracht op
nominatieve aangifte achteraf betekent dat het UWV
beschikt over de meest
actuele (loon)gegevens van de werkgever. De werkgever moet hiervoor
periodiek loonopgave doen van de bij hem in dienst zijnde werknemers.
Het UWV kan op basis van de beschikbare, geadministreerde
loongegevens echter geen uitkering ZW, WW
of WAO vaststellen. Om tot een
correct uitkeringsdagloon te komen, moet het UWV gegevens uitvragen
bij de werkgever. De voordelen bij de premieafdrachtsystematiek op aangifte achteraf van
het voormalige SFB en het voormalige GUO worden
thans vooral behaald door de koppeling met de bedrijfstakeigen
regelingen
en het vakantiebonsysteem (vakantierechtenopbouw). Een
premieafdrachtsysteem op aangifte achteraf sluit beter aan bij de administratie van
de werkgever en het feitelijk verloonde bedrag.
3.4.2. De verzekerdenadministratie
In 1984 heeft de
toenmalige Staatssecretaris van Sociale Zaken aan de
SVr een aanwijzing gegeven om
te komen tot de inrichting van een verzekerdenadministratie (VZA). Tot dat moment hanteerden de bedrijfsverenigingen alleen
gevalsadministraties, waarin de gegevens werden vastgelegd over personen
die een uitkering genoten. Gegevens over verzekerden en hun
arbeidsverleden werden niet systematisch geregistreerd. Met de stelselherziening
van 1987 is een eerste aanzet gegeven om het recht op en de
hoogte van een uitkering afhankelijk te stellen van het arbeidsverleden. Een
voorwaarde hiervoor was de totstandkoming van een volledige en
betrouwbare verzekerdenadministratie. Ook ten behoeve van de beleidsinformatie was de inrichting van een VZA
rblz.|37|
gewenst. Op 1 januari
1989 heeft de VZA een wettelijke basis gekregen met de Wet invoering
sociaal-fiscaal nummer. De toenmalige bedrijfsverenigingen werden verplicht
om een
administratie te voeren waarin aantekening werd gehouden van
verzekerden, uitkeringsgerechtigden en werkgevers. Tevens werden procedures
voor aan- en afmelding van dienstverbanden door
werkgevers en voor het berichtenverkeer met werknemers vastgelegd, die thans nog
steeds worden toegepast.
Sinds de introductie van
de VZA is er veel energie gestoken in het verbeteren van de kwaliteit en het
gebruik van de VZA. Een belangrijke stap in deze ontwikkeling was de
inrichting van de Gemeenschappelijke Verwijsindex (GVI) in 1994. De GVI was
nodig om de afzonderlijke verzekerdenadministraties van de bedrijfsverenigingen (later de
uitvoerinstellingen)
aan elkaar te kunnen
koppelen. Daardoor kon het arbeidsverleden van verzekerden worden
vastgesteld en kon eventuele onterechte samenloop van twee of meer
uitkeringen of van een uitkering met een dienstverband worden gesignaleerd. Ook
maakte de GVI het mogelijk dat de VZA’s van de voormalige vijf
uitvoeringsinstellingen door andere organisaties kon worden geraadpleegd als
ware zij een gemeenschappelijke databank. De introductie van de GVI is
dan ook een belangrijke stimulans geweest voor de ontwikkeling van een
intensieve (elektronische) gegevensuitwisseling tussen de voormalige
uitvoeringsinstellingen en tal van andere overheidsdiensten en/of zelfstandige
bestuursorganen (bijvoorbeeld gemeentelijke sociale diensten (GSD’s),
ziekenfondsen, de Sociale verzekeringsbank).
In het midden van de
jaren negentig bleek dat de VZA ondanks alle inspanningen nog niet
optimaal functioneerde. In de toelichting bij het wetsvoorstel
Osv 1997 is
geconstateerd dat de VZA nog te veel als een afzonderlijke
administratie naast de al langer bestaande gevalsadministraties werd bijgehouden. De VZA
was nog geen intrinsiek onderdeel van de
uitvoeringsprocessen. De VZA was als het ware een ledenadministratie zonder consequentie voor
het lidmaatschap. Mede hierdoor was de aanleverdiscipline
van werkgevers niet optimaal, hetgeen tot gevolg had dat de
kwaliteit van de VZA met name op het punt van de dienstverbandenregistratie
tekortschoot. Verder bleken er de nodige verschillen te bestaan
tussen de voormalige uitvoeringsinstellingen onderling wat betreft de
opzet en de inhoud van de VZA, de gebruikte standaards en de
gehanteerde procedures. In de Osv 1997 is de beleidsdoelstelling geformuleerd dat de VZA
zou uitgroeien tot een kwalitatief hoogwaardige en
betrouwbare bron voor gegevens over dienstverbanden en uitkeringsverhoudingen. Verder dienden de gegevensbestanden van de
voormalige
uitvoeringsinstellingen en het berichtenverkeer met werkgevers en werknemers
gestandaardiseerd te worden.
Met het oog op deze
doelstellingen heeft het toenmalige Lisv de Stuurgroep VZA geformeerd. Naast het
Lisv en de uitvoeringsinstellingen waren het
ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en (als waarnemer) het Ctsv
daarin vertegenwoordigd. In de afgelopen jaren heeft de Stuurgroep een
groot aantal zaken gerealiseerd. Zo is er een uniform concept voor de
VZA ontwikkeld. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen:
• de kern-VZA, waarin
is vastgelegd wie op grond waarvan verzekerd is;
• de
uitbreidingsmodulen, waarin de algemene gegevens over werknemers, werkgevers,
arbeidsverhoudingen en lonen worden vastgelegd;
• overige gegevens
(bijvoorbeeld de uitkeringsgegevens).
De kern-VZA en de
uitbreidingsmodulen vormen het hart van de informatiehuishouding van
het UWV. Voor het gehele UWV gelden voor deze gegevens dezelfde
prestatie-eisen. Het VZA-concept heeft aan de basis gestaan van de
Regeling voorschriften verzekerdenadministratie. In deze regeling wordt de
VZA gedefinieerd als een systeem, dan wel een rblz.|38|
geheel van systemen of
delen daarvan, door middel waarvan de in de regeling gedefinieerde
gegevens van verzekerden op systematische wijze kunnen worden vastgelegd
om te kunnen worden geraadpleegd, te kunnen worden
uitgewisseld en samengevoegd en in onderling verband te kunnen worden
gebracht. In de regeling is voorgeschreven welke gegevens in de VZA dienen te zijn
opgenomen en hoe de gegevens worden verzameld en geverifieerd
(kwaliteitswaarborgen). Het VZA-voorschrift heeft alleen betrekking
op de kern van de informatiehuishouding van het UWV. De overige gegevens
vallen niet onder deze ministeriële regeling. Overigens heeft het Lisv
destijds wel een nagenoeg uitputtende inventarisatie gemaakt van de gegevens
die het UWV nodig heeft voor de uitvoering van de socialeverzekeringswetten. Deze gegevenssets zijn door het Lisv in
uitvoeringsvoorschriften vastgelegd. Hiermee zijn ook de delen van de informatiehuishouding,
die nu niet tot de VZA worden gerekend maar wel van belang zijn voor
het uitvoeringsproces, gestandaardiseerd.
Terugkijkend kan worden
gesteld dat de VZA in de tweede helft van het vorige decennium is
uitgegroeid tot een belangrijk hulpmiddel voor de uitvoering van de
werknemersverzekeringen. Deze ontwikkeling wordt in het onderhavige
wetsvoorstel verankerd en doorgetrokken. Voortbouwend op de ideeën en de
producten van de Stuurgroep VZA wordt in dit voorstel de VZA
uitgebouwd tot een volwaardige polisadministratie die het hart vormt van de
uitvoeringsprocessen van het UWV. Hierop wordt in
hoofdstuk 4 nader
ingegaan.
3.5. Gevolgen van de
huidige situatie voor werkgevers en UWV
3.5.1. Inleiding
De complexiteit van de
wet- en regelgeving heeft zijn neerslag op de uitvoering van de werknemersverzekeringen. Dit betreft uiteraard het
UWV. Maar ook werkgevers
ondervinden de gevolgen van deze complexiteit. In deze paragraaf
wordt nader ingegaan op de gevolgen voor de uitvoering van de werknemersverzekeringen. Daarbij komt ook de rechtmatigheid
van de
uitkeringsvaststelling aan de orde.
3.5.2. Gevolgen voor
werkgevers
De toepassing van
wet- en
regelgeving vergt op een aantal terreinen een forse inspanning voor
werkgevers. Deze inspanning vertaalt zich in hoge administratieve lasten.
In de eerste plaats
vereist het premieloonbegrip de nodige handelingen van werkgevers.
Werkgevers moeten in het kader van de premieafdracht allereerst vaststellen
over welke loonbestanddelen al dan niet premies werknemersverzekeringen
zijn verschuldigd. Ten aanzien van een aantal loonbestanddelen is dit
eenvoudig. Voor andere loonbestanddelen ligt dit veel lastiger. Als
voorbeeld moge dienen het loon in natura. Vastgelegd is in welke gevallen loon in
natura wel en in welke gevallen dit niet relevant is voor de werknemersverzekeringen. Het vergt derhalve in de eerste
plaats een beoordeling
óf loon in natura moet worden meegenomen. Als dat het geval is, moet
dit loon worden gewaardeerd op geld. Deze waardering is neergelegd in
regels,
die zeer uitgebreid en zeer gedetailleerd zijn; toepassing van deze
waarderingsregels vereist derhalve grote kennis én nauwkeurigheid van de
werkgevers. Het loon in natura is slechts één voorbeeld. De huidige
maatschappelijke diversiteit in beloningsvormen kent tal van dit soort
voorbeelden, waarbij steeds beoordelingen moeten worden gemaakt en regels
moeten worden toegepast.
De werkgevers moeten
vervolgens alle gegevens aanleveren ten aanzien van de loonbestanddelen
waarover premies werknemersverzekeringen zijn verschuldigd. Dit
moet op het niveau van de individuele werknemer.
rblz.|39|
De
afdracht van de
premies werknemersverzekeringen vereist derhalve een gedetailleerde
registratie én aanlevering van alle noodzakelijke gegevens.
In de tweede plaats
betekent het uitkeringsloonbegrip een administratieve belasting voor
werkgevers. Aangezien premieloon en uitkeringsloon thans niet aan elkaar gelijk
zijn, moeten werkgevers bij het vaststellen van de hoogte van de uitkering
alle relevante loongegevens (opnieuw) aanleveren aan het UWV. Het is daarbij ook mogelijk dat de werkgever
gegevens moet verstrekken
(en beoordelingen moet maken) ten aanzien van loonbestanddelen die
niet relevant waren voor de premieheffing.
In de derde plaats moeten
werkgevers, naast de loongegevens, een groot aantal andere gegevens
aanleveren ten behoeve van de uitkeringsvaststelling. Deze gegevens kunnen
betrekking hebben op alle in paragraaf 3.3 genoemde punten. Het
gaat er dan met andere woorden om of de werknemer al dan niet
in vaste dienst was, welke algemene loonsverhogingen aan de werknemer dan wel
aan de werknemers in de sector van de werknemer zijn
toegekend, eventueel (in geval van de WAO) welke individuele
loonsverhogingen de werknemer zou hebben genoten, in welk beroep de werknemer
werkzaam was, hoeveel dagen de werknemer normaal heeft gewerkt, etc. Al deze punten vereisen beoordelingen,
registratie én
aanlevering door de werkgever.
Ten slotte stelt de
systematiek van de premieafdracht een aantal eisen aan de administratie van
werkgevers. Zo moeten werkgevers die de premies afdragen op
voorschotbasis bijvoorbeeld bij wisselingen in het personeelsbestand steeds beoordelen of de
5%-norm wordt overschreden.
Al deze handelingen
leiden tot administratieve lasten voor werkgevers. Administratieve lasten
zijn daarbij gedefinieerd als de kosten voor werkgevers om te voldoen aan
informatieverplichtingen die voortvloeien uit wet- en
regelgeving. Deze
definitie is derhalve veel breder dan alleen de kosten die gepaard gaan
met de feitelijke aanlevering van gegevens. Ook de tijd die is gemoeid
met het zich eigen maken van de regelgeving, alsmede alle interne
administratie- en controlehandelingen ten aanzien van de
werknemersverzekeringen behoren tot de administratieve lasten. In hoofdstuk 6 wordt
nader ingegaan op de administratieve lasten voor werkgevers.
3.5.3. Gevolgen voor het
UWV
Alle administratieve
handelingen die werkgevers moeten verrichten in het kader van de werknemersverzekeringen kennen zijn tegenhanger bij het
UWV. Van belang daarbij
is dat het collecterende proces op dit moment nog gescheiden wordt
uitgevoerd van het distribuerende proces.
Voor het collecterende
proces, de premie-inning, moet het UWV per individuele werknemer controleren of
de loongegevens die de werkgever heeft aangeleverd
correct zijn. Ook voor het UWV geldt met andere woorden dat steeds moet
worden nagegaan óf loonbestanddelen premieplichtig zijn, en
zo ja, of deze elementen op de juiste wijze zijn gewaardeerd. Deze
beoordelingen vinden in eerste instantie plaats op basis van de door de werkgevers geleverde gegevens. Controle vindt
plaats op basis van
plausibiliteit en vervolgens aan de hand van de jaaropgaven. Tevens worden deze
gegevens steekproefsgewijs door middel van looncontroles geverifieerd.
Ten behoeve van het
distribuerende proces, de uitkeringsverstrekking, kan het UWV
echter geen
gebruik maken van de gegevens die in het kader van het collecterende proces
worden geadministreerd. In de eerste plaats rblz.|40|
wordt dit veroorzaakt
door de huidige verschillen tussen het premieloonbegrip en het
uitkeringsloonbegrip. In de tweede plaats beschikken twee van de vijf voormalige
uitvoeringsinstellingen sowieso niet, ook voor wat betreft de collecterende
functie, over de meest actuele gegevens. Dit vindt zijn oorzaak in het feit
dat deze uitvoeringsinstellingen de premies innen op basis van de
voorschotsystematiek.
Bovenstaande betekent dat
het UWV voor het distribuerende proces opnieuw alle loongegevens
bij de werkgevers moet uitvragen en beoordelen.
Naast de uitvraag van de
loongegevens moet het UWV een groot aantal andere gegevens
uitvragen die van belang zijn in het kader van de uitkeringsvaststelling.
De uiteindelijke vaststelling vereist een groot aantal, min of meer
subjectieve beoordelingen door het UWV. Deze beoordelingen vinden plaats op basis
van de zeer uitgebreide regelgeving ten aanzien van de
dagloonvaststelling en vergen dus kennis van alle bepalingen, waarbij evenwel van geval
tot geval moet worden beoordeeld of en hoe de regels moeten
worden toegepast.
De uitvoering van de
werknemersverzekeringen vereisen derhalve een zeer groot aantal
administratieve handelingen door het UWV. Al deze administratieve
handelingen komen tot uitdrukking in de uitvoeringskosten van het UWV. Ook hierop
wordt in hoofdstuk 6 nader ingegaan.
3.5.4.
Rechtmatigheidsbeoordeling dagloonvaststelling
Naast de
uitvoeringskosten ondervindt de uitvoering nog op een ander terrein de gevolgen van
de complexiteit van de wet- en regelgeving, namelijk op het gebied
van de rechtmatigheid van de uitkeringsverstrekking.
De eis die ten aanzien
van de rechtmatigheid van de uitvoering van de werknemersverzekeringen
wordt gesteld, is dat minimaal 99% van de uitgaven en ontvangsten
rechtmatig dient te zijn. Vanaf 1995 is de rechtmatigheid van de
werknemersverzekeringen onderzocht. Wat betreft de premiekant is het beeld
steeds gunstig geweest.
Anders ligt dit ten
aanzien van de uitkeringsverstrekking. De uitvoering heeft op dit terrein in
geen van de onderzochte jaren aan de - hoge - eis van 99% kunnen voldoen.
Het voormalige
Ctsv noemt
hiervoor twee hoofdoorzaken. Enerzijds ziet het voormalige Ctsv de
onvoldoende accuratesse in de wetsuitvoering, ook in relatie tot de
werkdruk, als oorzaak. Anderzijds leidt de complexiteit van de wet- en
regelgeving tot fouten in de uitvoering.
In de diverse rapporten
van het voormalige Ctsv wordt een overzicht geboden van de foutscores
van de voormalige uitvoeringsinstellingen
op het terrein van de
dagloonvaststelling. Een analyse van de oorzaken van de geconstateerde
onrechtmatigheden op het vlak van de uitkeringsverstrekking leidt het Ctsv tot de
conclusie dat de fouten weliswaar divers van aard zijn, maar dat
met name fouten in de dagloonvaststelling een groot aandeel hebben in
de onrechtmatigheidsscores van de voormalige uitvoeringsinstellingen.
Voor de WW, de WAO
en de ZW
geldt dat de dagloonvaststelling gemeten in aantallen fouten een
dominante foutsoort is. De met de onjuiste dagloonvaststelling
gemoeide foutbedragen zijn per fout weliswaar beperkt van omvang, maar
de dagloonfouten hebben door de hoge frequentie een belangrijk
effect op het foutpercentage. Tevens heeft de complexiteit van de
dagloonregels tot gevolg dat veel tijd en energie moet worden gestoken in de
toetsing van deze regels, hetgeen ten koste gaat van andere
rechtmatigheidstoetsen.
rblz.|41|
De
fouten inzake de
dagloonvaststelling betreffen een breed scala van soorten onvolkomenheden.
Voorbeelden van veel voorkomende fouten zijn:
• onjuiste verwerking
in de dagloonberekening van bijvoorbeeld relevante loonbestanddelen, CAO-wijzigingen en indexeringen;
• onjuiste hantering
van de dagloonartikelen (bijvoorbeeld vastloon-/wisselendloonbepalingen);
• toepassen van een
onjuiste referteperiode;
• rekenfouten.
Uit het feit dat fouten
in de dagloonvaststelling grote invloed hebben op de
onrechtmatigheidsscores van het UWV en dat de oorzaak hiervan mede is gelegen in de
complexiteit van de wet- en regelgeving op dit punt, mag worden afgeleid
dat vereenvoudiging van die wet- en regelgeving dringend gewenst is. Te
meer daar is gebleken dat de maatregelen die door de uitvoeringsinstellingen
tot op heden zijn getroffen om de rechtmatigheid van de
uitkeringsverstrekking te verbeteren niet tot de gewenste resultaten
hebben geleid. Deze maatregelen, hoe noodzakelijk en wenselijk ook, grepen
namelijk niet aan op één van de kernproblemen met betrekking
rechtmatigheid, te weten de complexiteit van wet- en regelgeving. Een substantiële verbetering van de rechtmatigheid kan
nauwelijks worden
verwacht zonder een drastische vereenvoudiging van deze wet- en regelgeving.
Het voormalige Ctsv
vermeldt onvoldoende accuratesse in de uitvoering als belangrijke andere
oorzaak van de hoge foutscores. Een relatie tussen dit gebrek aan
zorgvuldigheid in de uitvoering en de complexiteit van de dagloonregels ligt voor
de hand: de ingewikkelde dagloonsystematiek vereist een zeer hoge
mate van accuratesse bij de uitvoering. Verondersteld mag worden dat met een
vereenvoudiging van de systematiek ook op dit punt winst wordt
behaald. Daarbij moet worden opgemerkt dat een vereenvoudiging van de dagloonsystematiek uiteraard niet alle fouten in
de dagloonvaststelling
zal wegnemen.
4.
Voorstellen
4.1. Inleiding
In het voorgaande
hoofdstuk is de huidige situatie beschreven ten aanzien van het
sv-loonbegrip, de dagloonsystematiek, alsmede de systematiek voor de
premieafdracht
en de verzekerdenadministratie. Tevens is in dat hoofdstuk aangegeven
welke de gevolgen zijn van de huidige situatie voor werkgevers en het UWV.
In dit hoofdstuk komen de
voorstellen met betrekking tot de genoemde terreinen aan bod. Voorts
wordt de doorwerking van het nieuwe sv-loonbegrip naar het
fiscale loonbegrip in beeld gebracht. De gevolgen voor werkgevers, het UWV
en werknemers, zowel in kwalitatieve als kwantitatieve zin, worden
in de hoofdstukken 5 respectievelijk 6 gepresenteerd.
4.2. Het loonbegrip
4.2.1. Inleiding
In
paragraaf 3.2 is
beschreven wat op dit moment als grondslag geldt voor de premieheffing werknemersverzekeringen
(sv-premieloon). Tevens is beschreven welke
grondslag er als basis voor de hoogte van de uitkering in ogenschouw wordt
genomen (sv-uitkeringsloon). Beide grondslagen verschillen van elkaar;
sommige loonbestanddelen worden wel in de grondslag voor de
premieheffing betrokken, maar worden niet meegenomen rblz.|42|
in het
uitkeringsloon, en omgekeerd. In paragraaf 3.5 is beschreven welke gevolgen
dit met zich heeft gebracht. Zoals in hoofdstuk 2 is beschreven, is in het
verleden meerdere malen gepleit voor uniformering van het
premieloon en uitkeringsloon. Laatstelijk heeft de werkgroep Loonbegrip geadviseerd om de beide grondslagen te uniformeren.
In
het voorliggende
wetsvoorstel is het advies van de werkgroep overgenomen en verwerkt. Als
uitgangspunt van het uniformeren van het sv-premieloon en het sv-uitkeringsloon is het huidige uitkeringsloon als basis genomen. Voor wat
de grondslag voor de bepaling van een uitkering betreft, treden daarom zo
min mogelijk wijzigingen op ten opzichte van de huidige bepalingen
daaromtrent.
In de hierna volgende
paragrafen wordt nader ingegaan op de voorgestelde wijzigingen. Eerst wordt
ingegaan op de randvoorwaarden en uitgangspunten die de
regering heeft gehanteerd om tot het geüniformeerde loonbegrip te komen.
Daarna wordt het nieuwe sv-loonbegrip op hoofdlijnen behandeld.
Vervolgens zullen de belangrijkste wijzigingen ten aanzien van de
behandeling van bepaalde loonbestanddelen aan de orde komen. Ten slotte zal de
doorwerking naar de fiscaliteit worden geschetst.
4.2.2. Randvoorwaarden en
uitgangspunten
Bij de afweging en de
keuze voor het geüniformeerde loonbegrip voor de sociale verzekeringen
(het sv-loonbegrip) is een aantal randvoorwaarden gehanteerd, te weten:
a. het uitkeringsloon is
gelijk aan het premieloon;
b. de uitkeringsgrondslag
dient een voldoende inkomensbescherming te blijven bieden;
c. het nieuwe loonbegrip
moet zo eenvoudig mogelijk zijn;
d. het nieuwe loonbegrip
moet bruikbaar zijn als basis voor het fiscaal loon.
Deze randvoorwaarden zijn
niet steeds onverkort gelijktijdig toepasbaar. De keuze voor een
eenvoudig sv-loonbegrip betekent het volgende.
In de eerste plaats wordt
uiteraard gestreefd naar zoveel mogelijk coördinatie met het fiscale loon.
Toch kan ten aanzien van een aantal loonbestanddelen in eerste instantie
discoördinatie met het fiscale loon optreden. Dit is ook
expliciet onderkend en erkend in de werkgroep Loonbegrip.
Hierbij dient echter het
volgende te worden bedacht:
- coördinatie is geen
doel op zich, maar een middel om de administratieve lasten en de
uitvoeringskosten te verminderen. Als coördinatie echter tot het omgekeerde
leidt, moet het middel niet de voorrang krijgen boven het doel;
- de belangrijkste
verschillen tussen het premieloon en het fiscale loon betreffen
loonbestanddelen die juist níet leiden tot administratieve lasten; deze verschillen
worden thans al volledig geautomatiseerd verwerkt (aftrekbaarheid
voor het fiscale loon van WW-premie, bijtelling bij het fiscale loon van
de werkgeversbijdrage Zfw-premie). Discoördinatie is hier
wat betreft de administratieve lasten minder een probleem;
- de loonbestanddelen
die thans voor de meeste administratieve lasten zorgen zijn de
incidentele, bijzondere elementen. Ten aanzien van deze elementen bestaat thans
ogenschijnlijk coördinatie. Echter in de fiscale heffing kan voor een
aantal van deze loonbestanddelen de administratief bewerkelijke waardering
en registratie worden voorkomen, namelijk door de eindheffing. De
premieheffing werknemersverzekeringen kent een dergelijke
mogelijkheid niet. Voor de premieheffing vormt namelijk de
verzekeringsgedachte het uitgangspunt. Dit betekent dat rblz.|43|
per individuele werknemer
in de polisadministratie moet vastliggen dat hij is verzekerd en
wat er is verloond. Een systeem van collectieve premieheffing voor
bepaalde loonbestanddelen verdraagt zich niet met individuele aanspraken
van werknemers.
In het rapport van de
werkgroep Loonbegrip is gesteld dat als tweede fase bezien dient te worden in
hoeverre en op welke wijze coördinatie tussen het nieuwe sv-loonbegrip
en het fiscale loonbegrip gerealiseerd kan worden.
In de tweede plaats
betekent de keuze voor een eenvoudig sv-loonbegrip dat bij de beoordeling
welke loonbestanddelen in het loonbegrip zullen worden meegenomen, in een
aantal gevallen een afweging moet worden gemaakt tussen
individuele gerechtvaardigde uitzonderingen en eenvoud. Deze individuele
rechtvaardigheid is immers meestal de oorzaak van de complexiteit van de
regelgeving.
Bij de vormgeving van de
definitie voor het nieuwe sv-loonbegrip is rekening gehouden met de bewijslastverdeling. Door de voorgestelde definitie
ligt het op de weg van de
werkgever aan te tonen dat een bepaalde beloning niet tot het loon
behoort, bijvoorbeeld omdat de vergoeding aan de werknemer niet een overeengekomen vaste, naar tijdsruimte vastgestelde
uitkering is.
Naast de hierboven
beschreven randvoorwaarden is er een drietal uitgangspunten in
ogenschouw genomen om te voorkomen dat het nieuwe sv-loonbegrip te
veel gaat afwijken van het huidige uitkerings- en premieloon. De
uitgangspunten zijn:
a. De uitkeringsgrondslag
blijft op macroniveau zoveel mogelijk intact
Het uitgangspunt van de
werkgroep Loonbegrip was dat het nieuwe sv-loon op macroniveau
gelijk is aan het uitkeringsloon. Dat betekent - ervan uitgaande dat de
uitkeringslasten niet mogen stijgen - dat na alle voorgestelde wijzigingen
de uitkeringsgrondslag conform het nieuwe sv-loonbegrip ongeveer
gelijk is aan de huidige uitkeringsgrondslag. Er mogen derhalve als gevolg
van het nieuwe sv-loonbegrip geen grote afwijkingen naar boven
(een hogere grondslag) of naar beneden (een lagere grondslag)
ontstaan. Op individueel niveau kunnen uiteraard wel verschillen optreden.
b. Premiemutaties worden zoveel mogelijk vermeden
Het wetsvoorstel heeft
grotere gevolgen voor de premiegrondslag dan voor de
uitkeringsgrondslag. Immers het uitgangspunt is dat premieloon gelijk is aan
uitkeringsloon. Nu het uitkeringsloon niet ingrijpend verandert, betekent dat de
uniformering en vereenvoudiging wel gevolgen heeft voor het
premieloon. Het is echter niet wenselijk om als gevolg van de verandering in de
premiegrondslag de tariefstelling voor de diverse werknemersverzekeringen
in belangrijke mate te moeten wijzigen. Een belangrijke toets op de
voorstellen is dan ook of deze niet leiden tot aanzienlijke
premiemutaties.
c. Bestaande
uitkeringsrechten worden gerespecteerd
De wijzigingen gelden
derhalve alleen voor werknemers van wie het verzekerde risico
intreedt na de inwerkingstredingsdatum van het
wetsvoorstel.
rblz.|44|
4.2.3. Het nieuwe sv-loonbegrip
De hoofdlijn bij de keuze
voor het nieuwe sv-loonbegrip is het garanderen van een voldoende inkomensbescherming voor een werknemer ingeval
het verzekerde risico
intreedt. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat het sv-loon die
loonbestanddelen dient te bevatten die een werknemer tot zijn normale welvaartsniveau rekent.
Uitgangspunt is dat al
hetgeen in geld uit tegenwoordige dienstbetrekking wordt genoten loon is.
Deze ruime definitie wordt in de situatie dat sprake is van een
privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking vervolgens ingeperkt door
een tweetal criteria. De werkgever is degene die aannemelijk moet
maken dat niet voldaan is aan deze criteria en dat er derhalve geen sprake is
van loon.
De volgende criteria
worden onderscheiden:
a. loon is een
overeengekomen vaste, naar tijdsruimte vastgestelde uitkering;
b. tot het loon behoren
ook de loonbestanddelen die in de wet als zodanig zijn aangewezen.
Hieronder wordt eerst
ingegaan op de hoofdregel en vervolgens worden criteria beschreven die
leiden tot een uitzondering op deze regel. Ten slotte komt een aantal
specifieke onderwerpen aan de orde.
Al hetgeen in geld uit
tegenwoordige dienstbetrekking wordt genoten
Evenals bij de huidige
definitie is voor een ruim loonbegrip gekozen. Voor de duidelijkheid is
toegevoegd dat het gaat om loon dat uit tegenwoordige dienstbetrekking wordt
genoten. Met de toevoeging van het begrip "tegenwoordige" wordt
beoogd aan te sluiten bij de door de Hoge Raad gewezen jurisprudentie in
deze dat loon hetgeen is dat de werknemer als rechtstreekse beloning
voor zijn arbeid ontvangt (zie ook de toelichting op artikel I, onderdeel
A).
Nieuw is wel het voorstel
om tot het nieuwe loonbegrip alleen loon in geld te rekenen. Eén van
de meest in het oog springende wijzigingen in het nieuwe sv-loonbegrip
ten opzichte van de oude loonbegrippen is daarom de behandeling van
loon in natura. Voor de bepaling van het oude sv-premieloon en het
oude sv-uitkeringsloon behoorde loon in natura tot de grondslag.
In de nieuwe situatie niet meer. De motivering hiervoor is tweeledig.
Ten eerste gaat het bij
loon in natura in veel gevallen om zeer specifieke en vaak incidentele
verstrekkingen die personen niet tot hun normale welvaartsniveau uit
hoofde van hun inkomen rekenen (bijvoorbeeld maaltijden in bedrijfskantines,
branche-eigen producten, kleding).
Ten tweede betekent het
uitsluiten van loon in natura een forse vereenvoudiging voor werkgevers.
Werkgevers moeten nu bepalen of loon in natura in de
premieheffing moet worden betrokken. Is dit het geval, dan moeten ze ook nog eens de
geldswaarde bepalen.
Dit is een zeer complexe
en tijdrovende bezigheid. Dit geldt volgens het Lisv
met name voor die loon-in-naturabestanddelen waarvoor geen forfaitaire
waarderingsregeling is getroffen. Weliswaar behoort loon in natura ook tot het
fiscale loon, maar een werkgever kan ten aanzien van een aantal van deze
loonbestanddelen de eindheffing toepassen. Voor de fiscale heffing hoeft de
werkgever dan niet per werknemer te registreren of en tot welk bedrag
loon in natura is verstrekt, maar kan hierover algemene afspraken maken met de
inspecteur.
Door loon in natura niet
tot het nieuwe sv-loonbegrip te rekenen, wordt dus voorkomen dat
werkgevers deze loonbestanddelen wel voor de heffing van de
werknemerspremies individueel moeten gaan waarderen.
rblz.|45|
Loon is een
overeengekomen vaste, naar tijdsruimte vastgestelde uitkering
Als de werkgever aantoont
dat er geen sprake is van een vaste, naar tijdsruimte vastgestelde uitkering,
is er geen sprake van loon. Deze bepaling komt voor een belangrijk
deel overeen met hetgeen in de Zfw voor de bepaling van de loongrens
is opgenomen. Onder een overeengekomen vaste, naar tijdsruimte
vastgestelde uitkering moet in ieder geval het loon in geld per loontijdvak
(bijvoorbeeld maandloon) worden verstaan. Ook loonbestanddelen in geld
met een lagere (bijvoorbeeld eenmaal per jaar) of hogere (bijvoorbeeld
eenmaal per week) frequentie kunnen aan dit criterium voldoen, zoals
bijvoorbeeld de vakantietoeslag en een dertiende maand. Voorwaarde is wel
dat deze loonbestanddelen een vast karakter moeten hebben, dat wil zeggen dat de uitbetaling en de hoogte van de
loonbestanddelen van
tevoren vaststaat. Loonbestanddelen waarvan de hoogte en/of uitbetaling
onzeker is, worden niet tot het nieuwe sv-loon gerekend. Hierbij kan worden gedacht aan een jaarlijkse winstdeling. Een
winstdeling is weliswaar
een overeengekomen en naar tijdsruimte vastgestelde uitkering, maar de hoogte
van de uitbetaling is afhankelijk van het feit of, en zo ja, hoeveel winst is gemaakt.
Ook de vergoeding voor
overwerk behoort niet tot het voorgestelde sv-loon; een dergelijke
vergoeding is immers niet een overeengekomen vaste en naar tijdsruimte
vastgestelde beloning. Dit is een wijziging ten opzichte van de huidige
situatie. Nu wordt over de vergoeding voor overwerk altijd sv-premies
geheven. De vergoeding wordt echter slechts in beperkte mate bij de
berekening van het uitkeringsdagloon betrokken. In de nieuwe situatie wordt
uitsluitend sv-premie geheven over de vergoeding die ook onderdeel
uitmaakt van de uitkeringsgrondslag.
Tot het loon behoren ook
de loonbestanddelen die in de wet als zodanig zijn aangewezen
In
de wet is een aantal
loonbestanddelen opgesomd die niet onder de voorgestelde definitie
van het nieuwe sv-loonbegrip vallen, maar die redelijkerwijs toch tot
het sv-loonbegrip moeten worden gerekend. Zo behoren vakantiebonnen en
daarmee overeenkomende aanspraken, ondanks het feit dat er
geen sprake is van loon in geld, toch tot het loon. Ook prestatie- en
productiepremies, voor zover deze geen incidenteel of uitzonderlijk karakter
dragen, behoren tot het loon. Dergelijke premies zijn weliswaar niet aan te
merken als een overeengekomen vaste, naar tijdsruimte vastgestelde uitkering,
maar maken wel een substantieel onderdeel uit van het inkomen van
de werknemer en zijn als zodanig in het algemeen ook expliciet opgenomen als vorm van beloning in het arbeidscontract.
De hoogte van een
dergelijk loonbestanddeel wordt direct beïnvloed door de individuele
arbeidsprestatie van de werknemer. Vorenstaande maakt het noodzakelijk om
voor die premies te bepalen dat ze tot het nieuwe sv-loon
behoren.
Specifieke onderwerpen
In vergelijking met de
huidige definitie kan worden gesteld dat de formulering het nieuwe sv-loonbegrip
normatiever van aard zal zijn. De formulering zal zo min mogelijk een
opsomming bevatten van elementen die wel of niet tot het sv-loon behoren. Iedere limitatieve opsomming betekent immers dat de wet
bij een
nieuwe situatie beoordeeld en eventueel herzien zal moeten
worden. Mede naar aanleiding van het uitvoeringstechnisch commentaar van het
Lisv is de voorgestelde definitie van het
sv-loonbegrip aangepast
en zijn de gehanteerde (normatieve) begrippen rblz.|46|
in de wet nader ingevuld.
Hierdoor worden interpretatieverschillen zoveel mogelijk voorkomen.
Hoewel het nieuwe
sv-loonbegrip voor een belangrijk deel overeenkomt met het loonbegrip dat in
de Zfw wordt gehanteerd voor het vaststellen van de loongrens
(artikel 3, vierde lid, onderdeel a, van de
Zfw), zijn deze begrippen niet identiek.
Het ligt voor de hand om deze begrippen te uniformeren. In de zorg
wordt thans gewerkt aan een stelselwijziging. Daarna is mogelijk in het
geheel geen loongrens meer noodzakelijk. Mocht uit de discussies
rond het stelsel blijken dat er alsdan nog gedurende de nodige jaren een
loongrens blijft bestaan, dan is het streven erop gericht te bezien of
harmonisatie van de verschillende loonbegrippen mogelijk is.
Het nieuwe loonbegrip
beoogt geen wijziging te brengen in de premieheffing over uitkeringen. Artikel
3a, tweede lid, van de CSV bepaalt dat de werknemer die een
uitkering ontvangt op grond van de ZW, WAO
en WW, al dan niet vermeerderd
met een toeslag op grond van de Toeslagenwet, gedurende de duur van de uitkering in dienstbetrekking staat. In het voorgestelde
artikel 5, onderdeel b,
van de CSV wordt vervolgens bepaald dat de uitkering loon vormt.
Ook is opgenomen dat het loon genoten op grond van de artikelen
628, 628a en 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede de op
grond van een collectieve of individuele arbeidsovereenkomst genoten verhoging
daarvan, tot het sv-loon behoort (voorgesteld artikel
5, onderdeel a, van de CSV). Hiermee wordt bereikt dat in
situaties waarin de
werknemer geen arbeid verricht, maar de werkgever de verplichting heeft om
loon door te betalen, ook sv-premies verschuldigd zijn over dit loon.
Het
Lisv geeft in zijn
uitvoeringstechnisch commentaar aan dat het onduidelijk is of er sv-premies
verschuldigd zijn over de aanvulling op een ZW-,
WAO- en WW-uitkering. In
de huidige situatie wordt er over deze aanvullingen premies geheven indien de
dienstbetrekking nog niet is beëindigd. In het algemeen zal er nu over een aanvulling op een ZW- en
WAO-uitkering wel premies
worden geheven en niet over een aanvulling op een WW-uitkering. In
het laatste geval zal er immers geen sprake meer zijn van een
dienstbetrekking. Het ligt geheel in de lijn met (de uitgangspunten van) het nieuwe
sv-loonbegrip om in de nieuwe situatie geen sv-premies (meer) te
heffen over aanvullingen op ZW-, WAO- en WW-uitkeringen. Een
aanvulling op een uitkering zal immers niet leiden tot een hogere
uitkeringsgrondslag (equivalentiegedachte). Omdat een aanvulling op een
ZW-,
WAO- en WW-uitkering geen rechtstreekse vergoeding is die de
werknemer voor zijn arbeid van de werkgever ontvangt noch anderszins
loon is in de zin van het voorgestelde artikel 4 van de
CSV, behoort een
dergelijke aanvulling in de nieuwe definitie niet tot het loon.
In het
uitvoeringstechnisch commentaar heeft het Lisv
tevens aandacht gevraagd voor de betaling
van loon van derden. De nieuwe definitie van het loonbegrip beoogt
niet om wijzigingen aan te brengen in de wijze waarop wordt omgegaan met
betalingen van derden. Aan de hand van de omstandigheden van het
individuele geval moet het UWV beoordelen of er sprake is van loon uit
dienstbetrekking. Hiervan zal bijvoorbeeld sprake zijn als de beloning
wordt verstrekt in opdracht van de werkgever. Ook als er loon door een derde
wordt betaald, zal de werkgever degene zijn die de socialeverzekeringspremies
is verschuldigd.
rblz.|47|
4.2.4. Inventarisatie van
de loonbestanddelen
Bij de bepaling van het
nieuwe sv-loonbegrip zijn alle loonbestanddelen, die thans al dan niet tot
het premieloon en/of het uitkeringsloon behoren, langsgelopen. De
loonbestanddelen zijn in de volgende categorieën onder te verdelen:
1. loon in geld;
2. aanspraken en
onkostenvergoedingen;
3. loon in natura.
Binnen deze categorieën
is een clustering aangebracht. Per cluster wordt aangegeven of deze loonbestanddelen tot het nieuwe loonbegrip
behoren. In bijlage 1
worden alle elementen ter illustratie opgesomd.
4.2.4.1. Loon in geld
Tot
"beloning in geld"
behoren achtereenvolgens de volgende loonbestanddelen:
a. loon als
overeengekomen vaste en naar tijdsruimte vastgestelde uitkering;
b. incidentele
beloningen;
c. werknemerspremies
pensioen- en VUT-regelingen;
d.
werkgeverspremies/-bijdragen aan particuliere verzekeringen;
e. premiespaarregelingen
en spaarloonregelingen;
f. diversen.
In het vervolg zullen
deze bestanddelen aan de orde komen. Telkens wordt aangegeven of het
desbetreffende bestanddeel tot het nieuwe sv-loonbegrip wordt
gerekend.
Ad a. loon als
overeengekomen vaste, naar tijdsruimte vastgestelde uitkering
Zoals in
paragraaf 4.2.3
al is opgemerkt, gaat het hier om het overeengekomen vaste loon in geld. Deze
loonbestanddelen maken thans ook al onderdeel uit van het
huidige premieloon en uitkeringsloon. Er treedt derhalve ten aanzien van
deze elementen geen wijziging op in de grondslag.
Het kan in bepaalde
situaties voorkomen dat loon wel vorderbaar is, maar niet inbaar, bijvoorbeeld
door insolvabiliteit van de werkgevers. Evenals in de huidige situatie wordt
bij de berekening van het uitkeringsdagloon met dit niet of niet geheel
door de werkgever uitbetaalde loon wel rekening gehouden.
Ad b. Incidentele
beloningen
Een incidentele beloning
kan niet worden aangemerkt als een overeengekomen vaste, naar tijdsruimte
vastgestelde uitkering. Een dergelijke beloning wordt dan ook niet tot
het nieuwe sv-loon gerekend. Het belangrijkste voorbeeld van een
incidentele beloning is de overwerkvergoeding (zie paragraaf
4.2.3, onderdeel b). Andere voorbeelden zijn gratificaties, feestdagentoeslagen en
uitkeringen bij dienstjubilea.
Incidentele beloningen
behoren thans wel tot het premieloon, maar in de meeste gevallen niet tot
het uitkeringsloon. Voorgesteld wordt dan ook om dergelijke
vergoedingen niet tot het nieuwe sv-loonbegrip te rekenen. Voor het nieuwe
sv-loonbegrip is het huidige uitkeringsloon namelijk als uitgangspunt genomen.
Incidentele vergoedingen,
waaronder de vergoeding voor overwerk, behoren geen deel uit te
maken van het uitkeringsloon. Vanwege het rblz.|48|
(mogelijke) langlopende
karakter van een uitkering is het niet wenselijk dat dergelijke
vergoedingen de hoogte van het dagloon beïnvloeden.
Ten slotte is het voor
werkgevers eenvoudiger als over deze elementen geen premie meer hoeft te
worden geheven; zij hoeven voor de sv-regelgeving geen
administratieve handelingen op individueel werknemersniveau meer te
verrichten.
Een feestdagtoeslag die
wordt verstrekt omdat er op een (nationale) feestdag wordt gewerkt,
behoort in beginsel niet tot het nieuwe sv-loon. Dit is anders indien
onder normale omstandigheden in een bedrijfstak wordt gewerkt op
feestdagen. In dat geval is er immers geen sprake van een incidentele beloning,
maar van een overeengekomen vaste, naar tijdsruimte vastgestelde
uitkering. Een jubileumuitkering wordt ook niet gezien als een
overeengekomen vaste, naar tijdsruimte vastgestelde uitkering. Uit de nieuwe formulering
van het loonbegrip volgt dat gratificaties niet langer tot het
premieloon worden gerekend. Een gratificatie heeft immers geen vast karakter
(de betaling en/of de hoogte staat niet vast).
In
het onderhavige
wetsvoorstel worden incidentele loonbestanddelen niet tot het nieuwe
sv-loonbegrip gerekend. Het niet langer rekenen van de incidentele beloningen
tot het premieloon betekent een grondslagversmalling ten opzichte van de
huidige premiegrondslag.
Ad c. Werknemerspremies
pensioen- en VUT-regelingen
Het werknemersdeel van
zuivere pensioen- en VUT-premies, alsmede premies voor sv-achtige
regelingen (Algemene nabestaandenwet en WAO-hiaatverzekeringen)
zijn thans aftrekbaar voor de premieheffing werknemersverzekeringen
en behoren derhalve niet tot het huidige premieloon. De ratio
hiervoor is mede gelegen in de coördinatie met het fiscale loon. Daarnaast
gold destijds de faciliëring van pensioenen. Voor de grondslagbepaling van
het fiscale loon geldt ook dat pensioen- en VUT-premies aftrekbaar
zijn van het brutoloon en derhalve niet belast zijn. In het onderhavige
wetsvoorstel wordt hierin geen wijziging voorgesteld ten aanzien van het
huidige premieloon. Op deze wijze wordt aangesloten bij het
sv-uitkeringsloon:
op dit moment worden ingehouden pensioenen VUT-premies meestal ook
niet meegenomen in het sv-uitkeringsloon. Daarnaast geldt dat er op
dit punt geen discoördinatie met de fiscale wetgeving ontstaat.
Ad d.
Werkgeverspremies/-bijdragen aan particuliere verzekeringen
Werkgeversbijdragen aan
een particuliere of publiekrechtelijke ziektekostenverzekering worden thans niet tot
het
premieloon gerekend. Anders is dit voor bijdragen in
premies voor particuliere verzekeringen, niet zijnde ziektekostenverzekeringen.
Daarvoor geldt dat deze momenteel wel tot het premieloon worden
gerekend, maar niet tot het uitkeringsloon.
In enkele gevallen
behoren deze bijdragen (met name de bijdrage aan een particuliere ziektekostenverzekering) thans wel tot het uitkeringsloon. Dat
is het geval indien:
• een
uitkeringsgerechtigde niet Zfw-verzekerd is, bijvoorbeeld omdat hij de periode
voorafgaande aan de uitkeringssituatie particulier verzekerd was;
• de werkgever na het
moment dat de werknemer recht heeft op een uitkering niet langer de
bijdrage verstrekt; en
• er geen vrijstelling
van de betaling van de premie voor de particuliere verzekering bestaat.
Het Lisv
merkt in zijn
uitvoeringstechnisch commentaar op dat met name rblz.|49|
in de sector overheid en
onderwijs de meeste uitkeringsgerechtigden particulier verzekerd
zijn.
In
dit wetsvoorstel
worden geen van de hiervoor genoemde werkgeversbijdragen tot het sv-loon gerekend.
In veel gevallen zal deze bijdrage berusten op een aanspraak
van de werknemer en is er geen sprake van loon in geld. De
aanspraak ingevolge de Zfw (werkgeversbijdrage in de ziekenfondspremie)
behoort niet tot het loon. In het verlengde hiervan worden ook aanspraken die
naar aard en strekking hiermee overeenkomen niet tot het loon
gerekend. Om elke onduidelijkheid weg te nemen of werkgeversbijdragen in
een particuliere ziektekostenverzekering als een dergelijke aanspraak kan
worden aangemerkt, is expliciet - net als in de huidige situatie - bepaald dat dergelijke bijdragen niet tot het loon behoren.
Dit kan in bepaalde
gevallen gevolgen hebben voor de grondslag van de uitkering. Hoewel deze
gevolgen op macroniveau zeer beperkt zullen zijn, omdat de omvang van deze
groep personen gering is, wordt voorgesteld de gevolgen voor de
individuele uitkeringsgerechtigde op de volgende wijze te voorkomen. Het
UWV betaalt als opslag op de uitkering van
niet-Zfw-verzekerden een
bedrag dat gelijk is aan het werkgeversdeel van de Zfw-premie aan de
uitkeringsgerechtigde. Hierdoor worden uitkeringsgerechtigden die particulier verzekerd
zijn op dezelfde wijze behandeld als uitkeringsgerechtigden
die ziekenfonds verzekerd zijn. Immers bij een uitkeringsgerechtigde die
ziekenfonds verzekerd is, is het UWV het werkgeversdeel van de
ziekenfondspremie verschuldigd. Hierdoor wordt geen inbreuk gemaakt op
het equivalentiebeginsel; over de werkgeversbijdrage wordt geen sv-premie
geheven en deze bijdrage maakt ook geen onderdeel uit van het
uitkeringsdagloon.
Ad e.
Premiespaarregelingen en spaarloonregelingen
Bij een
premiespaarregeling spaart de werknemer van zijn nettosalaris. De werkgever verstrekt over
het (geblokkeerde) spaarbedrag een premie. Mede naar aanleiding van
het uitvoeringstechnisch commentaar van het Lisv
is ten aanzien van
de premiespaarregeling in de wet opgenomen dat de (werkgevers)uitkering
ingevolge deze regeling tot het loon behoort tenzij deze niet meer
bedraagt dan €|526,-.
Bij een spaarloonregeling
wordt gespaard vanuit het brutosalaris. Deze reguliere betaling wordt
uiteraard wel tot het loon gerekend. Dit maakt het noodzakelijk om het
spaarloon specifiek uit te zonderen.
In het
uitvoeringstechnisch commentaar merkt het Lisv
op dat door het deelnemen aan een
spaarloonregeling de werknemer de hoogte van het premieloon kan
beïnvloeden. Dit is ook reeds mogelijk op grond van de huidige regeling. De
deelname aan een spaarloonregeling beïnvloedt niet alleen de hoogte van het
premieloon, maar kan ook een dagloonverlagend effect hebben. Het bedrag
dat door de werknemer in het kader van een spaarloonregeling
op een geblokkeerde rekening wordt gespaard, behoort namelijk niet tot
het loon. Hieruit volgt dat deze bedragen ook niet behoren tot het loon
waarop een mogelijke ZW-, WW- of
WAO-uitkering is
gebaseerd. Dit is in de voorgestelde situatie niet anders.
Ad f. Diversen
Ten slotte resteert nog
een categorie loonbestanddelen die op dit moment geen onderdeel uitmaken
van het uitkeringsloon en die slechts in een enkel geval in de
premieheffing worden betrokken. Het gaat dan om een diversiteit van
vergoedingen, uitkeringen en voordelen (bijvoorbeeld kindertoeslagen,
bijdragen van de werkgever in de hypotheekrente en laagrentende leningen).
Omdat het huidige uitkeringsloon het uitgangspunt rblz.|50|
vormt voor het
nieuwe sv-loonbegrip, wordt voorgesteld deze loonbestanddelen niet tot het nieuwe
sv-loon te rekenen.
Omdat deze
loonbestanddelen in een aantal situaties wel als overeengekomen vaste, naar tijdsruimte
vastgestelde uitkeringen kunnen worden aangemerkt, wordt
voorgesteld de betreffende bestanddelen via een algemene maatregel van bestuur buiten de premieheffing en daarmee ook buiten het
uitkeringsdagloon te brengen. Noch voor de premiegrondslag, noch voor de
uitkeringsgrondslag heeft dit gevolgen van enigerlei omvang.
4.2.4.2. Aanspraken en
onkostenvergoedingen
Aanspraken
Aanspraken zijn rechten
van de werknemer om na verloop van tijd of onder een voorwaarde
één of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen. Een voorbeeld
van een aanspraak is het toekomstige pensioen. In de huidige
situatie (artikel 4, tweede lid, van de CSV) wordt de systematiek gevolgd
dat de aanspraak voor de premieheffing in principe tot het premieloon
behoort. De aanspraak wordt daarbij gewaardeerd op de werkgeversbijdrage.
Echter, in bijna alle gevallen zijn de aanspraken op grond van artikel 6
van de CSV vervolgens weer uitgezonderd van het premieloon. Ook voor het
uitkeringsloon geldt dat deze zijn uitgezonderd.
In
dit wetsvoorstel
worden aanspraken niet tot het nieuwe sv-loon gerekend. Formeel (in de zin van
de wet) betekent dit dat de aanspraken (de werkgeversbijdragen) niet
langer tot het premieloon worden gerekend. Materieel betekent dit
dat er geen wijziging wordt voorgesteld ten opzichte van de huidige
situatie, aangezien aanspraken in de wet weer zijn uitgesloten van het loon.
Er treedt derhalve geen wijziging op voor de premiegrondslag en de
uitkeringsgrondslag.
Hierop worden echter twee
uitzonderingen gemaakt. De vakantiebon (vakantietoeslagbonnen of
daarmee overeenkomende aanspraken) is een aanspraak op loon over
vakantiedagen en een vakantietoeslag. Voor het verzilveren (de
uitbetaling) van de vakantiebon moeten de werknemers zich tot een fonds
wenden. Als in dit geval zou gelden dat niet de aanspraak, maar het
uitbetaalde loon over vakantiedagen tot het premieloon wordt gerekend, leidt dit
tot een aantal uitvoeringstechnische problemen.
Dit wordt onder andere
veroorzaakt doordat in sectoren waar gewerkt wordt met vakantiebonnen
werknemers veel van werkgever wisselen of bij meerdere werkgevers
tegelijkertijd werken. Hierdoor komt het voor dat ten tijde van de
verzilvering van de vakantiebonnen geen dienstbetrekking meer bestaat met
één van
de vroegere werkgevers. Zou er voor deze vorm van aanspraak niets
geregeld worden, dan zou het fonds als werkgever moeten wordt beschouwd
als de werknemer zijn vakantiebonnen verzilvert. Het fonds is
dan premies werknemersverzekeringen verschuldigd.
Dit wordt door de
regering niet als wenselijk ervaren. Daarom wordt voorgesteld om de huidige systematiek
omtrent de vakantiebon ongewijzigd te laten.
De tweede uitzondering
die wordt gemaakt, betreft de rechten in het kader van verlof. Hiermee wordt
eveneens de huidige regeling voortgezet. Rechten op geheel of
gedeeltelijk betaald verlof moeten dus wel worden gewaardeerd voor de
premieheffing werknemersverzekeringen.
Het is derhalve
noodzakelijk om in de wet een bepaling op te nemen op grond waarvan nadere
regels kunnen worden gesteld met betrekking tot rblz.|51|
de waardering van
vakantiebonnen en de waardering van aanspraken in het kader van
verlofspaarregelingen. Dit geschiedt in het voorgestelde artikel 8 van de
CSV.
Onkostenvergoedingen
Onkostenvergoedingen, dit
zijn vergoedingen tot bestrijding van kosten ter behoorlijke
vervulling van de dienstbetrekking, behoren thans in de regel niet tot het
premieloon en het uitkeringsloon. In een aantal gevallen zijn wel nadere regels
gesteld:
a. bovenmatige
onkostenvergoedingen behoren (voor wat betreft het bovenmatige deel) wel tot
het premieloon en het uitkeringsloon;
b. ten aanzien van de
onkostenvergoeding die in het kader van het woon-werkverkeer wordt verstrekt, geldt een
bijzondere regeling;
c. ten aanzien van een
aantal vergoedingen is expliciet bepaald dat deze geen onkostenvergoedingen
zijn en dus tot het premieloon behoren. Het gaat dan bijvoorbeeld
om vergoedingen voor de werkruimte, het (eerste) telefoonabonnement, etc.
Het vaststellen of een
(deel van de) onkostenvergoeding al dan niet tot het premieloon behoort, is
voor werkgevers een bewerkelijke handeling. Onkostenvergoedingen
behoren geen beloning als tegenprestatie voor geleverde arbeid te zijn.
Daarom worden
onkostenvergoedingen niet langer tot het sv-loon gerekend. Dit betekent dat naast de
reële onkostenvergoedingen ook bovenmatige onkostenvergoedingen niet
tot het premieloon zullen gaan behoren. Voor de
duidelijkheid is expliciet in de wet opgenomen dat een tussen de werkgever en
werknemer schriftelijk overeengekomen onkostenvergoeding niet tot het sv-loon
behoort. Deze overeengekomen onkostenvergoeding wordt geacht een
vergoeding te zijn voor gemaakte onkosten. Dit betekent
dat de werkgever geen nadere onderbouwing van de gemaakte kosten hoeft
te kunnen geven. Het kan dus voorkomen dat tegenover de vergoeding
geen feitelijk gemaakte kosten staan. In tegenstelling tot de huidige situatie
heeft dit echter niet het gevolg dat alsnog premieheffing over deze
"bovenmatige" onkostenvergoedingen plaatsvindt. Het feit dat de werkgever
met de werknemer heeft afgesproken dat een onkostenvergoeding
wordt betaald, is voldoende om deze vergoeding niet tot het sv-loon te
rekenen. Het gevolg is wél dat deze vergoeding ook geen onderdeel uitmaakt
van het uitkeringsloon en het eventuele uitkeringsniveau derhalve wordt verlaagd. Vanuit het handhavingsoogpunt
is wel bepaald dat een
dergelijke onkostenvergoeding schriftelijk moet worden
overeengekomen. Hiermee wordt aan een bezwaar van het Lisv
op dat punt tegemoet
gekomen.
De kans bestaat dat
werkgevers en werknemers vast loon in geld gaan omzetten in
onkostenvergoedingen om op deze wijze premiebetaling te ontlopen. Er bestaat
evenwel een aantal mechanismen dat dit risico in de praktijk beperkt:
1. een omzetting van vast
loon in geld in onkostenvergoedingen betekent dat een werknemer ook
direct zijn eventuele toekomstige uitkering verlaagt;
2. het financiële
voordeel voor een werknemer is beperkt; een werknemer is thans slechts zijn
deel in de Zfw-premie (in 2002 1,70%) en de AWf-premie (in 2002 4,95%
boven de franchise) verschuldigd. Een verlaging van het vaste
loon met €|450,- per maand betekent maximaal een bruto voordeel van
circa €|30,- per maand. Na rekening te hebben gehouden met de
bijtelling van de werkgeversbijdrage in de premie Zfw voor de
loonbelasting, resteert een netto voordeel van circa
€|32,-.
Tegenover dit lage
voordeel staat het gegeven van een lagere eventuele rblz.|52|
uitkering. In dit
voorbeeld bedraagt de verlaging van de uitkering €|315,- bruto per
maand; ¹
3. een dergelijke
omzetting van loon in een onkostenvergoeding geldt alleen voor de
premieheffing; de fiscale heffing zal in dergelijke gevallen uit blijven gaan
van het belasten van een bovenmatige onkostenvergoeding.
Indien vast loon wordt
omgezet in een onkostenvergoeding, zal dit - uitzonderingen
daargelaten - voor de fiscale regelgeving als een bovenmatige
onkostenvergoeding worden beschouwd. Er zal dan belasting worden geheven.
De werkgever dient dan de fiscale heffing in beginsel individueel
toe te passen ten laste van de werknemer. Dit is administratief
bewerkelijker voor de werkgever. In een aantal gevallen wordt bij het constateren
van een bovenmatige onkostenvergoeding de eindheffing ten laste
van de werkgever toegepast. Eindheffing is thans formeel alleen
mogelijk bij naheffingsaanslagen, tijdelijke knelpunten van ernstige
aard
en
bepaalde kostenvergoedingen met betrekking tot
maaltijden, parkeer-, veer- en tolgelden en reiskostenvergoedingen die achteraf gezien
bovenmatig zijn omdat de 40-dagenregeling van
toepassing is.
Tegenover het voordeel
voor de werkgever van het vervallen van het werkgeversdeel van de
premies werknemersverzekeringen staat dan echter het nadeel van een
hogere fiscale heffing; de eindheffing komt immers ten laste van de
werkgever. In het andere geval moet de werkgever meer administratieve
handelingen verrichten.
1. Ervan uitgaande dat er
sprake is van Zfw-verzekering, dat het
loon boven de AWf-franchise ligt en dat
het loon niet meer bedraagt dan het maximumpremieloon. Ten slotte is van de
veronderstelling uitgegaan dat het belastingtarief
van 42% van toepassing is.
Het financiële voordeel
van een omzetting van loon in geld in een onkostenvergoeding slaat vooral neer bij de
werkgever indien geen eindheffing wordt toegepast; de
meeste premies werknemersverzekeringen komen namelijk ten laste van de
werkgever. Werkgevers zouden derhalve werknemers onder druk kunnen zetten
om akkoord te gaan met een dergelijke omzetting, aannemend dat
werknemers niet bij machte zijn om deze omzetting (met de daarmee
gepaard gaande gevolgen op het uitkeringsloon) te pareren.
Dit zou er in dat geval
voor pleiten om bovenmatige onkostenvergoedingen toch tot het sv-loon te
rekenen. Het opnemen van bovenmatige onkostenvergoedingen in
het sv-loon zou de eenvoud echter weer doorbreken.
Alles afwegende wordt
voorgesteld om onkostenvergoedingen niet langer tot het premieloon te
rekenen.
4.2.4.3. Loon in natura
Zoals reeds in
paragraaf 4.2.3 is beschreven, wordt voorgesteld loon in natura niet tot het
nieuwe sv-loonbegrip te rekenen. Dit betekent dat over loon in natura geen
sv-premies meer worden geheven en dat deze loonbestanddelen ook niet langer deel
uitmaken van het uitkeringsdagloon. In die gevallen waarin werkgevers en werknemers dit ongewenst achten,
kunnen zij het loon in
natura omzetten in loon in geld. Indien gewenst kunnen partijen in dat
geval tevens afspreken dat de werknemer weer een bijdrage verstrekt aan de
werkgever (bijvoorbeeld betaalt voor een verstrekte maaltijd).
Het Lisv maakt in zijn
commentaar melding van het feit dat een reder op grond van het Wetboek
van Koophandel de verplichting heeft om aan boord (gratis) voedsel te
verstrekken. Inderdaad is de zeewerkgever op grond van het Wetboek van
Koophandel verplicht maaltijden te verstrekken aan de
werknemers aan boord. De zeewerkgever mag echter ook een vergoeding
verstrekken indien niet of niet ten volle de maaltijden worden verstrekt. De
maaltijden behoren als loon in natura thans tot het premieloon. Uitsluiting
van loon in natura van het premieloon betekent dat dit ook niet langer
tot het uitkeringsloon behoort. Indien dit niet rblz.|53|
wenselijk wordt gevonden,
kunnen partijen op grond van het Wetboek van Koophandel afspreken dat
het loon wordt verhoogd (met de waarde van de maaltijden) en dat de
werknemer betaalt voor de maaltijden.
Loon-in-naturabestanddelen zijn in het nieuwe sv-loonbegrip niet meer opgenomen. Dit betekent
in de eerste plaats een grondslagversmalling voor de premieheffing.
Deze is echter zeer marginaal.
In de tweede plaats
betekent het voorstel een verlaging van de uitkeringsgrondslag. Ook deze is op
macroniveau zeer marginaal (zie hoofdstuk 6). Op microniveau kan in een
enkel geval wel een substantiëler effect optreden, namelijk in het
geval loon in natura een fors onderdeel van het totale loon uitmaakt.
Alleen bij vrije inwoning in een dienstwoning zou dit het geval kunnen zijn. In
deze gevallen kunnen werkgever en werknemer deze vrije inwoning
echter eenvoudig omzetten in een hoger loon in geld met daar tegenover een
vergoeding voor de inwoning (huur). Voor het overgrote deel
van alle werknemers is dit niet het geval.
Het voorstel om loon in
natura uit te sluiten van het premieloon en het uitkeringsloon heeft ook
gevolgen voor werknemers die het minimumloon ontvangen dat deels in
natura wordt verstrekt.
Voltijd werkende
minimumloners met een niet-werkende partner of voltijd werkende minimumloners met
kinderen, maar zonder partner, ontvangen bij werkloosheid of
arbeidsongeschiktheid een sv-uitkering ter hoogte van 70% van het minimumloon.
Het sociaal minimum ligt voor deze personen op 100%
respectievelijk 90% van het minimumloon. Deze personen krijgen thans
een aanvulling uit hoofde
van de Toeslagenwet. Voor voltijd werkende alleenstaanden zonder
kinderen bedraagt het sociaal minimum 70% van het minimumloon; zij hoeven derhalve geen beroep te doen op de
Toeslagenwet.
In de
Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag is thans geregeld dat een werkgever een deel van het
minimumloon
ook in natura mag verstrekken. Het uitsluiten van loon in natura van
het premieloon betekent dat als een deel van het minimumloon in natura
wordt verstrekt, het premieloon lager komt te liggen dan het
minimumloon. Dit betekent voor alle voltijd werkende minimumloners dat zij in het geval van
een uitkering altijd een beroep op de bijstand moeten doen.
Een voorbeeld moge dit
verduidelijken. Stel dat een minimumloner met een niet-werkende partner
10% van zijn loon in natura ontvangt. Zijn toekomstige premieloon en
dus uitkeringsloon bedraagt dan 90% van het minimumloon. In geval van
een uitkering bedraagt deze dan 63% van het minimumloon (70% van
90%). Zijn toeslag uit hoofde van de Toeslagenwet is in dat
geval 27% van het minimumloon (30% van de uitkeringsgrondslag,
zijnde 90% van het minimumloon). In totaal ontvangt deze persoon dan 90%,
terwijl het sociaal minimum 100% van het minimumloon bedraagt. Deze persoon
moet dan voor 10% een beroep doen op de bijstand.
Hetzelfde geldt voor
alleenstaande ouders en alleenstaanden.
Daarom wordt voorgesteld
om de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag te wijzigen, in de zin dat een werkgever
altijd minimaal het minimumloon in geld moet betalen. Op deze wijze
wordt bewerkstelligd dat een uitkering, tezamen met een toeslag uit
hoofde van de Toeslagenwet (bij een voltijdbaan), altijd minstens het
sociaal
minimum bedraagt.
De bepaling dat het
minimumloon deels in natura kan worden verstrekt, dateert uit 1968.
Destijds werd loon in natura in allerlei vormen verstrekt (bijvoorbeeld gas of
kolen). Thans zal slechts in zeer specifieke gevallen nog sprake zijn van loon
in natura als onderdeel van het minimumloon. Gedacht moet dan met name
worden aan vrije inwoning.
rblz.|54|
Loon in natura maakt
thans nog slechts een zeer gering onderdeel uit van de totale premiegrondslag
(circa 0,03%). Daarvan heeft het overgrote deel betrekking op personen
met hogere inkomens. Werknemers met een loon tot 120% van het minimumloon
ontvangen nagenoeg nooit loon in natura; op basis van een
steekproef van de Arbeidsinspectie betreft dit nog slechts
circa 2000
personen. Het aantal personen hiervan dat het minimumloon ontvangt, is nog
geringer.
Het aantal
personen op
wie de wijziging betrekking heeft, is dus zeer gering. Daarnaast past
een bepaling dat het minimumloon deels in natura mag worden verstrekt niet
meer in het huidige tijdsgewricht. De vormgeving van een nieuw stelsel
voor het sv-loonbegrip is derhalve een goede aanleiding om deze
verouderde bepaling te schrappen.
Daarbij dient wel
aangetekend te worden dat sommige sectoren deze optie eerder hebben
afgewezen als een inbreuk op hun vrijheid van beloning.
4.2.5. Het loonbegrip bij
fictieve dienstbetrekkingen
In de
artikelen 4 en 5
van de ZW, de WAO en de
WW wordt de arbeidsverhouding van een aantal
categorieën van personen die maatschappelijk gezien met werknemers
gelijk te stellen zijn, als dienstbetrekking aangemerkt, de zogenoemde fictieve
dienstbetrekkingen. De beloning die in het kader van deze arbeidsverhoudingen wordt betaald, zal veelal niet aan te
merken zijn als een
overeengekomen vaste, naar tijdsruimte vastgestelde uitkering. Een voorbeeld
hiervan is het aandeel in de besomming die deelvissers ontvangen. In
de meeste gevallen zal het aandeel een vaste afgeleide zijn van de
totale besomming, maar de feitelijke hoogte van het bedrag dat aan de
deelvisser wordt betaald, staat niet van tevoren vast. Dit bedrag is onder
andere afhankelijk van de opbrengst van de vis en de lengte van de periode dat
de vissers van huis zijn geweest.
Voor fictieve
dienstbetrekkingen is het derhalve noodzakelijk een uitzondering te creëren op het
vereiste dat loon een overeengekomen vaste, naar tijdruimte vastgestelde
uitkering moet zijn. In beginsel geldt voor deze dienstbetrekkingen (bij
fictie) dat al hetgeen in geld uit de dienstbetrekking ter vergoeding van zijn
arbeid wordt genoten loon is.
Voor fictieve
dienstbetrekkingen wordt derhalve niet in artikel 4 van de
CSV een uitzondering
gecreëerd op het beginsel dat al hetgeen in geld uit tegenwoordige
dienstbetrekking wordt genoten loon is.
4.2.6. De toekomst van
het loonbegrip
In de huidige
maatschappelijke ontwikkelingen is in toenemende mate sprake van
flexibilisering in de wijze waarop werknemers worden beloond. In plaats van
een beloning die uitsluitend bestaat uit geld kan een gevarieerd
beloningspakket worden overeengekomen tussen de werkgever en werknemer. Naast
beloningen in geld kan het pakket bestaan uit allerlei beloningen in
natura (bijvoorbeeld kinderopvang, een computer of een fiets). Het kan zowel
gaan om belaste als onbelaste beloningen. Deze wijze van belonen wordt
ook wel aangeduid als het cafetariasysteem.
Op grond van de huidige
wettelijke bepalingen is het voor de werknemer en werkgever reeds
mogelijk om belaste loonbestanddelen uit te ruilen tegen onbelaste
loonbestanddelen. De consequenties van een omzetting zijn voor de betrokken
werknemer echter lang niet altijd even duidelijk. Zo heeft de omzetting van
een deel van het brutoloon (feitelijke een verlaging van het brutoloon) in
bijvoorbeeld een onbelaste computer een verlagend effect voor onder
andere het
uitkeringsdagloon, het vakantiegeld en de pensioengrondslag.
rblz.|55|
Ook
met het nieuwe sv-loonbegrip staat de (individuele) contractsvrijheid van de werknemer en
werkgever voorop. Binnen de wettelijke kaders zijn zij nog steeds volledig
vrij een bepaalde samenstelling van de beloning in het kader van de
dienstbetrekking overeen te komen. In tegenstelling tot de huidige situatie
zullen de consequenties van een bepaalde keuze in de toekomst duidelijk zijn.
Het nieuwe loonbegrip is immers eenvoudiger. Zo worden in de nieuwe
situatie uitsluitend nog die loonbestanddelen in de berekening van het uitkeringsdagloon betrokken waarover
sv-premies zijn
betaald. De voorgestelde
definitie van het loonbegrip sluit dan ook goed aan bij een toenemende
flexibilisering van de beloningsvormen.
4.2.7. Samenvatting
nieuwe sv-loonbegrip
In onderstaande tabel is
ten aanzien van de belangrijkste loonbestanddelen aangegeven of deze in de
nieuwe situatie al dan niet tot het sv-loonbegrip behoren.
Tabel 2. Nieuwe situatie
met betrekking tot het sv-loonbegrip:
| Loonelementxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Premieloon |
Uitkeringsloon |
| Functieloon |
+ |
+ |
| Toelage |
+ |
+ |
| Provisie |
+ |
+ |
| Ploegentoeslag |
+ |
+ |
| Inconveniënten |
+ |
+ |
| Loon in natura |
– |
– |
| Overwerk* |
– |
– |
| Eenmalige uitkering
CAO |
+ |
+ |
| Winstuitkering |
– |
– |
| Extra uitkering
(13e, 14e
maand) |
+ |
+ |
| Pensioenpremie |
– |
– |
| VUT-premie |
– |
– |
| Overige premies |
– |
– |
| Bijdrage ziektekosten |
– |
– |
+ = wel in premie- c.q.
uitkeringsloon
– = niet in premie- c.q.
uitkeringsloon
* Voor zover dit niet is
aan te merken als een beloning voor werkzaamheden die de werknemer altijd verplicht
is te
verrichten en die niet in redelijkheid door middel van organisatorische aanpassingen kunnen
worden voorkomen.
In
bijlage 1 is een
uitgebreid overzicht gepresenteerd van de gevolgen van de definiëring van het
nieuwe sv-loonbegrip ten aanzien van allerlei loonbestanddelen.
4.2.8. Doorwerking naar
het fiscale loonbegrip
4.2.8.1. Inleiding
In deze paragraaf wordt
een doorkijk gegeven naar het fiscale loonbegrip. Daarmee wordt een
totaalbeeld geschetst van het nieuwe sv-loonbegrip en de gevolgen daarvan
voor werkgevers, werknemers en het UWV. Dit sluit ook aan bij het
advies van de in deze memorie eerder genoemde werkgroep Loonbegrip.
Uitgangspunt van deze
werkgroep is om het sv-loon tevens te hanteren als grondslag voor een
heffing op individueel niveau voor het fiscale loon. Het sv-loon wordt dus
tevens (een deel van het) fiscaal loon. Omdat de grondslag voor de
loonbelasting/premies volksverzekeringen breder is, heeft de werkgroep
voorgesteld alle beloningen die uitsluitend voor de heffing van
loonbelasting/premies volksverzekeringen van belang zijn als rblz.|56|
overige
beloningsbestanddelen te definiëren. De werkgroep geeft drie alternatieven voor de
heffing over de overige beloningsbestanddelen, te weten: lumpsumheffing bij
de werkgever, individuele eindheffing in de loonbelasting bij de
werknemer of heffing in de inkomstenbelasting.
De grondslag voor het
sv-loon is, zoals hiervoor uiteengezet, beperkter dan de huidige grondslag
voor het premieloon en dus ook beperkter dan het huidige fiscale loon.
Dat betekent dat er over de overige beloningsbestanddelen alternatief geheven moet
worden. Uitgangspunt is verder dat twee zeer belangrijke verschillen tussen het premieloon en het fiscale
loon, namelijk de
aftrekbaarheid van de WW-premie en de bijtelling van de werkgeversbijdrage in
de Zfw-premie, voor het fiscale loon gehandhaafd blijven. Deze verschillen
zijn vrijwel niet zonder grote koopkrachteffecten en budgettaire effecten
weg te werken, terwijl alternatieve heffing zoals verwerking in
loonbelastingtabellen nauwelijks administratieve lastenverlichting
meebrengt en wellicht zelfs lastenverzwaring.
Ten aanzien van de
administratieve lasten kan nog het volgende worden opgemerkt.
In paragraaf 6.4.2 is
aangegeven dat de Minister van Financiën binnen afzienbare tijd met
voorstellen voor uitwerking van dit fiscale traject zal komen. In deze paragraaf
wordt deze uitwerking reeds in grote lijnen aangegeven. De gevolgen
van deze systematiek voor de administratieve lasten zijn, omdat één en
ander nog nadere uitwerking behoeft, niet precies in te schatten.
Op dit moment wordt indicatief een lastenverzwaring van circa €|59
miljoen
berekend. De administratieve lasten op het gebied van de loonbelasting en
de sociale verzekeringen zullen derhalve in totaal met een bedrag van circa
€|186 miljoen verminderen. Er wordt nog nader onderzoek naar gedaan.
Over het fiscale loon,
dat is dus het sv-loon minus werknemersdeel van de WW-premie, plus het werkgeversdeel van de
Zfw-premie, zal op individuele basis naar het normale
(dat wil zeggen progressieve) tarief worden geheven. Dit loon
zal ook op gelijke basis in de inkomstenbelasting worden betrokken.
Hiervan uitgaande zullen
globaal de volgende groepen beloningsbestanddelen tot de overige beloningsbestanddelen gaan behoren:
1. loon in geld in de
vorm van:
a. incidentele beloningen
zoals overwerk, vergoeding voor gewerkte vakantiedagen, tantièmes
en andere dergelijke uitkeringen, gratificaties en andere incidentele
toeslagen;
b. werknemersbijdragen
ingevolge een regeling voor verlofsparen (deze zijn fiscaal
aftrekbaar). Het werknemersdeel van de WW-premie blijft
aftrekbaar, maar wordt bij het fiscale loon in aanmerking genomen (zie
hiervoor);
c.
werkgeverspremies/bijdragen voor een particuliere
ziektekostenverzekering of een andere
particuliere verzekeringen. Het werkgeversdeel van de Zfw-premie wordt
bij het fiscale loon geteld (zie hiervoor);
d. diverse
beloningsvormen, zoals een bijdrage in hypotheekrente of een kindertoeslag;
2. loon uit vroegere
dienstbetrekking (ZW, WW en WAO-uitkeringen worden bij fictie tot het
sv-loon gerekend);
3. fiscaal niet vrijgestelde aanspraken;
4. loon in natura;
5. bovenmatige
kostenvergoedingen.
rblz.|57|
4.2.8.2. Varianten
Hierna worden
verschillende heffingsalternatieven geschetst voor de beloningsbestanddelen die
niet tot het sv-loon, tevens fiscaal loon, worden gerekend, maar
waarover wel loonbelasting/premieheffing volksverzekeringen moeten worden geheven, de
zogenaamde overige beloningsbestanddelen. In
de slotconclusie wordt de definitieve keuze weergegeven. Bij de
heffingsalternatieven worden de verschillende aspecten die bij de keuze
een rol spelen, aangegeven. De leidende uitgangspunten daarbij
zijn het draagkrachtbeginsel, de doorwerking naar inkomensafhankelijke
regelingen, de eenvoud en de vermindering van administratieve lasten
voor de werkgevers, de gevolgen voor werknemers en de gevolgen voor de belastingdienst.
a. Alleen heffen in de
inkomstenbelasting
In de eerste variant
worden de overige beloningsbestanddelen slechts in de inkomstenbelasting
betrokken. Het voordeel van deze aanpak is dat een individuele,
progressieve heffing naar draagkracht behouden blijft. Een ander voordeel is dat
er geen verandering optreedt voor de inkomensafhankelijke regelingen.
Voor werkgevers zal geen
vermindering van de administratieve lasten optreden. Tegenover het
feit dat zij over de overige beloningsbestanddelen geen loonbelasting meer
hoeven in te houden, staat namelijk dat zij de overige
beloningsbestanddelen apart moeten registreren en renseigneren aan de belastingdienst.
Werknemers die overige
beloningsbestanddelen ontvangen, moeten aangifte voor de
inkomstenbelasting doen. Hierdoor worden veel meer werknemers dan nu het
geval is in de inkomstenbelastingheffing betrokken.
Voor wat de
uitvoeringskosten betreft, geldt dat de belastingdienst meer inkomstenbelastingaangiften
zal moeten beoordelen en aanslagen zal moeten vaststellen.
b. Een voorheffing in de
loonbelasting
In deze variant worden de
overige beloningsbestanddelen voor een deel op vergelijkbare wijze
als nu het geval is progressief belast in de loonbelasting. Op deze wijze zou er dus
inhouding plaatsvinden over het sv-loon en het loon voor de
heffing van loonbelasting enerzijds en de overige
beloningsbestanddelen anderzijds. Overigens zou het restant van deze overige
beloningsbestanddelen, net als thans, worden afgerekend volgens de regels van de
eindheffing.
Net als bij de eerste variant heeft een dergelijke aanpak het voordeel dat een individuele,
progressieve heffing naar draagkracht behouden blijft. Ook heeft deze variant
geen andere doorwerking naar inkomensafhankelijke regelingen.
Ten opzichte van de
eerste variant kent deze variant geen grote gevolgen voor de uitvoering. Het
is de verwachting dat er voor de belastingdienst
niet veel zal veranderen
ten opzichte van de huidige situatie. Immers, tegenover iets meer te
verwerken loonbelastingdocumenten staat een vermoedelijk lagere
inspanning in de controle, aangezien er meer consensus bestaat over
het sv-loonbegrip en het fiscale loonbegrip.
Ook voor de werknemers is
deze variant te prefereren boven de eerste variant; voor hen wijzigt
er immers niets ten opzichte van de huidige situatie.
Tegenover deze voordelen
staat echter dat er voor de werkgevers voor dit deel minder
administratieve lastenverlichting wordt bereikt. Immers zij moeten dan een
uitsplitsing gaan maken tussen sv-loon en loon voor de rblz.|58|
heffing van loonbelasting
enerzijds en overige beloningsbestanddelen, die niet onder de eindheffing
worden gebracht, anderzijds.
c. Een individuele
eindheffing loonbelasting bij de werknemer
In deze variant zou de
loonbelasting bij wijze van eindheffing direct van de werknemer worden geheven.
De loonbelasting is een eindheffing en de beloningsbestanddelen
waarover deze eindheffing plaatsvindt, worden derhalve voor de heffing
van inkomstenbelasting niet als inkomen aangemerkt.
Een nadeel is dat er voor
de overige beloningsbestanddelen geen sprake is van een heffing naar
draagkracht. Bovendien vormen de overige beloningsbestanddelen
waarover de eindheffing van de werknemer wordt toegepast geen inkomen
voor inkomensafhankelijke regelingen.
Voor de werkgevers geldt
dat zij slechts loonbelasting inhouden over het nieuwe sv-loon, tevens
loon voor de loonbelastingheffing en dat zij ten behoeve van de heffing
van loonbelasting over de overige beloningsbestanddelen een individuele
toerekening moeten maken. Dat leidt niet tot een administratieve lastenverlichting voor
werkgevers.
Werknemers die overige
beloningsbestanddelen genieten, zullen in dit systeem te maken krijgen
met een loonbelastingaanslag. Dit laatste is voor de meeste werknemers
een nieuw fenomeen.
De belastingdienst zal
haar systemen moeten aanpassen, aangezien de systematiek van loonbelastingaanslagen opgelegd aan de werknemer een
novum is. Dit betekent
dat de uitvoeringskosten hoger zullen zijn dan bij de andere varianten.
d. Een eindheffing
loonbelasting bij de werkgever (lumpsumheffing)
Deze variant kenmerkt
zich door het feit dat de overige beloningsbestanddelen niet worden afgerekend
tegen het progressieve tarief, maar dat de bestanddelen
worden betrokken in de eindheffing. De werkgever draagt de belasting af,
niet meer per werknemer, maar collectief. De belasting wordt dus niet geheven
van de werknemer, noch in de loonbelasting, noch in de
inkomstenbelasting.
Het grote voordeel van
deze variant is dat er een aanzienlijke administratieve lastenverlichting
optreedt voor de werkgevers. Immers de tarifering is niet moeilijk (er
geldt één tarief), er is geen registratie per werknemer nodig. Wel kan een
dergelijke aanpak leiden tot hogere loonkosten. Voor de werknemer geldt
dat de overige beloningsbestanddelen een nettobeloningskarakter
krijgen. Zij zullen rechtstreeks niets van de heffing van loonbelasting merken.
Ook voor de belastingdienst
zal deze variant geen grote gevolgen hebben. De eindheffing is een
bestaande heffingssystematiek.
Het belangrijkste nadeel
van deze systematiek is dat een collectieve heffing niet ziet op de
individuele draagkracht van de werknemer; het draagkrachtbeginsel wordt
doorbroken. Ook heeft deze variant, net als variant c, gevolgen voor
de inkomensafhankelijke regelingen. Immers doordat bepaalde
loonbestanddelen niet meer in aanmerking worden genomen, kan het voorkomen
dat werknemers voor inkomensafhankelijke regelingen in aanmerking
komen, terwijl dat eerst niet het geval zou zijn geweest. Dit leidt ertoe
dat deze heffingstechniek niet voor elk loonbestanddeel geschikt is.
4.2.8.3. Slotbeschouwing
Met betrekking tot de
overige beloningsbestanddelen dient een keuze te worden gemaakt uit de
hiervoor aangegeven heffingsvarianten. Hierbij speelt ook de aard van de
beloningsbestanddelen een rol. Beloningsbestanddelen die draagkrachtverhogend
of eenvoudig te individualiseren rblz.|59|
zijn, leiden eerder tot
een keuze voor een individuele heffingsvariant (alternatief a of b),
terwijl andere overige beloningsbestanddelen weer veel meer voor de
eindheffing kwalificeren. Bij deze laatste groep moet bijvoorbeeld worden
gedacht aan beloningsbestanddelen die niet of nauwelijks
draagkrachtverhogend zijn, moeilijk te individualiseren of moeilijk te waarderen
zijn. Daarnaast kan het gaan om beloningsbestanddelen die in het algemeen veel
administratieve lasten opleveren, dan wel waarvan het, uit
een oogpunt van eenvoud, voordelig is deze niet rechtstreeks te belasten.
De veelheid en
verscheidenheid van de overige beloningsbestanddelen maakt de keuze voor één
heffingsvariant moeilijk. De variabele beloningen die een normaal
inkomenskarakter hebben, zoals gratificaties, overwerkloon en feestdagentoeslag,
kunnen eigenlijk niet anders dan individueel worden belast, willen de
uitgangspunten met betrekking tot draagkracht en inkomensafhankelijke
uitkeringen tot hun recht komen. Aan de andere kant zijn daar de
beloningen die moeilijk te individualiseren of te waarderen zijn zoals bepaalde
vormen van beloningen in natura of bovenmatige kostenvergoedingen en
waarvoor de eindheffing meer geschikt zou zijn.
Voor de overige
beloningsbestanddelen is een keuze gemaakt voor een combinatie van
loonbelastingheffing van de werknemer (in te houden en af te dragen door de
werkgever) en eindheffing van loonbelasting van de werkgever voor bepaalde,
benoemde beloningsbestanddelen. Anderzijds wordt getracht de extra administratieve lasten in het fiscale domein als
gevolg van dit
wetsvoorstel tot een minimum te beperken.
De belastingheffing over
sv-loon, tevens fiscaal loon, en de overige beloningsbestanddelen zal
dan als volgt verlopen:
• over het sv-loon
wordt van de werknemer loonbelasting geheven;
• over de overige
beloningsbestanddelen wordt van de werknemer loonbelasting geheven als
voorheffing op de inkomstenbelasting. Belangrijke uitzondering
hierop is dat geen loonbelastingheffing van de werknemer plaatsvindt
indien is bepaald dat een eindheffing van de werkgever wordt
toegepast. Hierbij zal het uitgangspunt zijn dat zoveel
mogelijk overige
beloningsbestanddelen (bijvoorbeeld bestanddelen die moeilijk zijn toe te
rekenen aan individuele werknemers of waarover een progressieve heffing
niet noodzakelijk is) als eindheffingsbestanddelen worden aangemerkt. Bij de
heffing van loonbelasting van de werknemer wordt onderscheid gemaakt tussen beloningen die
niet onder het sv-loon
vallen omdat de werknemer niet verzekerd is (bijvoorbeeld een
pensioengerechtigde of een directeur-grootaandeelhouder) en beloningen die om
andere redenen niet onder het sv-loon vallen (bijvoorbeeld
incidenteel loon). Ter zake van de eerstgenoemde beloning zal het
tabeltarief worden toegepast; de andere beloningen zullen tegen een
marginaal tarief (vergelijkbaar met huidige tabel bijzondere beloningen)
worden belast. Eén en ander laat overigens onverlet beloningsbestanddelen in het geheel niet in de heffing van
loonbelasting te
betrekken, maar alleen in de heffing van inkomstenbelasting, zoals het geval is met de
auto van de zaak.
De volgende categorieën
van beloningsbestanddelen zouden dan onder de eindheffing van de
werkgever gebracht moeten worden:
1. beloningsbestanddelen
die collectief worden verstrekt dan wel moeilijk zijn toe te rekenen aan
individuele werknemers;
2. beloningsbestanddelen
die als bestemmingsloon kunnen worden aangemerkt;
3. beloningsbestanddelen
die per loontijdvak en/of kalenderjaar gering zijn in omvang.
rblz.|60|
In
een apart fiscaal
wetsvoorstel zullen deze gedachten nader worden uitgewerkt.
4.3. De
dagloonsystematiek
4.3.1. Algemeen
De in deze paragraaf te
bespreken voorstellen beogen de dagloonsystematiek te vereenvoudigen.
Hierbij gelden de volgende hoofddoelstellingen:
1. integratie van de
dagloonregels voor de vaststelling van de ZW-, de
WW- en de WAO-uitkering.
Dit betekent dat de thans bestaande onderlinge verschillen - zoveel als mogelijk - zullen verdwijnen;
2. uniformering van de
regels op het vlak van de dagloonvaststelling: op de hoofdregel worden zo
min mogelijk uitzonderingen toegelaten;
3. terugdringing van het
aantal (subjectieve) beoordelingsmomenten.
Alvorens de voorstellen
te presenteren, dient vooraf - nogmaals - het volgende te worden
benadrukt.
In de eerste plaats
hebben alle voorstellen alleen betrekking op nieuwe uitkeringen; bestaande
uitkeringsrechten worden derhalve gerespecteerd. In enkele specifieke
situaties is overgangsrecht noodzakelijk. Dit overgangsrecht wordt in paragraaf 4.5 en
de artikelsgewijze toelichting bij de relevante bepalingen
toegelicht.
In de tweede plaats moet
worden gewezen op het volgende. De bestaande dagloonregels zijn
complex aangezien in het verleden getracht is voor alle denkbare situaties iets
te regelen. Vereenvoudiging van de dagloonsystematiek betekent dat de regels
algemener worden. Ten opzichte van de huidige systematiek
zullen derhalve gevolgen voor de hoogte van de (nieuwe) uitkeringen
optreden. Het streven is wel deze gevolgen zo gering mogelijk te houden, maar
het is onmogelijk om de dagloonsystematiek te vereenvoudigen zonder dat dit gevolgen zal hebben voor (de hoogte van)
de uitkeringen in
vergelijking met de huidige situatie. Deze gevolgen kunnen zowel positief als
negatief ten opzichte van ongewijzigd beleid uitpakken. De uitkeringen hoeven derhalve niet per se lager te worden. Zij
kunnen ook hoger worden
of gelijk blijven.
Ten aanzien van alle
voorstellen zullen de gevolgen per voorstel worden beschreven; daar waar dit
mogelijk is, zal tevens worden aangegeven op welke groepen werknemers
deze gevolgen betrekking kunnen hebben. Een inschatting van het
aantal personen dat gevolgen ondervindt van de wijzigingen, alsmede de
mate waarin zij een wijziging ondervinden, is niet te geven. De enige manier
om hier enig inzicht in te krijgen, zou zijn om gedurende minimaal één
jaar het dagloon van alle nieuwe uitkeringen zowel volgens de huidige
als volgens de nieuwe systematiek te laten berekenen door het UWV.
Een dergelijke steekproef geeft echter alleen de gevolgen voor nieuwe
uitkeringen in de onderzochte periode. Het is zeer de vraag of deze
gevolgen, gezien de mutaties in de instroom in de regelingen van jaar op jaar,
representatief zijn. Daarnaast betekent het uitvoeren van een
representatieve steekproef een dusdanige belasting van zowel het UWV als de
werkgevers dat dit als niet reëel moet worden beschouwd.
Hieronder zullen
allereerst de doelstellingen van de vereenvoudiging van de dagloonsystematiek
worden toegelicht. Daarna worden de hoofdlijnen van een vereenvoudigde
dagloonsystematiek geschetst.
rblz.|61|
4.3.2. Doelstellingen
voor de vereenvoudiging van de dagloonsystematiek
Bij de voorstellen voor
de nieuwe dagloonsystematiek zullen zoveel mogelijk de volgende
doelstellingen worden gehanteerd.
Integratie van de drie
huidige dagloonregelingen
Eén van de factoren die
de dagloonsystematiek ingewikkeld maakt, is dat de dagloonregels voor de
vaststelling van de ZW-, WW- en
WAO-uitkering niet gelijkluidend zijn,
maar onderling vele grote en kleine verschillen vertonen [zie
Algemene dagloonregelen Ziektewet, Dagloonregels
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid en Dagloonregelen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, red.]. Dit brengt het
risico van beoordelingsfouten en onjuiste toepassing van de regelgeving met
zich. Ook komt dit de inzichtelijkheid van de systematiek niet ten
goede.
Daarom is het streven de
drie thans bestaande en onderling verschillende dagloonregels te
integreren tot één dagloonregeling voor de ZW, de WW en de WAO. Van de
hoofdlijn afwijkende regels die zich specifiek richten op de vaststelling van de
ZW-, WW- of WAO-uitkering zullen tot een minimum moeten worden
beperkt. Eenduidigheid van de systematiek vermindert de kans op
fouten en bevordert de gelijke behandeling van werknemers. Praktisch
voordeel is dat de vaststelling van het recht op hetzij ZW-, dan wel WW-
of WAO-uitkering, kan plaatsvinden op grond van dezelfde door de
werkgever ten behoeve van de premieheffing reeds verstrekte gegevens. Dat
betekent dus minder gegevensverstrekking door de werkgever en minder gegevensverwerking door het
UWV.
Uniforme
dagloonsystematiek
Naast de onderlinge
verschillen tussen de diverse dagloonregels is ook de systematiek die de
afzonderlijke dagloonregels hanteren niet uniform. Binnen de dagloonregels
voor elke wet zijn hoofdregels geformuleerd, waarop vervolgens weer
diverse uitzonderingen mogelijk zijn. Daarnaast heeft het UWV
de
bevoegdheid om voor categorieën werknemers uitzonderingen op de algemeen geldende
dagloonsystematiek vast te stellen; deze uitzonderingen zijn
neergelegd in de bijzondere dagloonbesluiten. De
redenen voor het
treffen van de bijzondere dagloonbesluiten zijn zeer divers van aard geweest
en in een aantal gevallen ook niet meer te achterhalen. In sommige gevallen
betreft het uitzonderingen ten gunste van bepaalde groepen
werknemers; in andere gevallen ging het juist om beperkingen in
vergelijking met de algemene dagloonregels.
De nieuwe
dagloonsystematiek moet niet alleen zorgen voor integratie van de thans
verschillende dagloonregels, maar ook voor een uniforme systematiek, waarbinnen
geen, althans zo min mogelijk, uitzonderingen op de hoofdregel zijn
toegestaan. Integratie en een verregaande uniformering van de dagloonsystematiek
bewerkstelligen eenduidigheid en overzichtelijkheid van de
dagloonsystematiek. De toepassing van bijzondere regels vergt immers
veelal specifieke informatie. Wanneer de regelgeving zich zoveel als mogelijk
beperkt tot één hoofdregel, is minder specifieke gegevensuitvraag bij de
werkgever noodzakelijk. Tevens wordt voorkomen dat in overigens gelijke
situaties, al naargelang de sector waarbinnen de werknemer werkzaam is,
een verschillend dagloon wordt berekend. Mede met het oog hierop
wordt de bevoegdheid van het UWV om voor categorieën
werknemers uitzonderingen te maken op de algemene systematiek ingetrokken.
Terugdringing
(subjectieve) beoordelingsmomenten
Om een dagloon vast te
kunnen stellen, moet in de huidige dagloonsystematiek op tal van momenten door
de werkgever dan wel het UWV een (subjectieve)
beoordeling worden gemaakt. Zo’n beoordelingsmoment rblz.|62|
is een kwetsbare
schakel in het proces van de dagloonvaststelling. Hoe groter het aantal
noodzakelijke (subjectieve) beoordelingen, des te groter is de kans
dat er fouten worden gemaakt. Bovendien vergt een (subjectieve) beoordeling een grotere administratieve inspanning
dan de toepassing van een
objectief criterium. Wanneer een beoordeling ook nog een subjectief
karakter heeft, dan is voorts het risico aanwezig dat de uitkomst
in gelijke situaties van geval tot geval verschilt. Het terugdringen van het
aantal (subjectieve) beoordelingsmomenten leidt derhalve tot een
geringere kans op fouten, minder administratieve lasten en een objectievere dagloonvaststelling.
Coördinatie premieloon
en uitkeringsloon
Naast deze doelstellingen
zal gaan gelden dat het uitkeringsloon altijd gelijk is aan het
premieloon. Dit versterkt het verzekeringskarakter van de werknemersverzekeringen.
In de huidige dagloonsystematiek kan het, zoals eerder aangegeven,
voorkomen dat loonbestanddelen wel tot het premieloon behoren, doch
niet tot het uitkeringsloon, en omgekeerd. Dit vindt in belangrijke mate
zijn oorzaak in het feit dat er voor premievaststelling en uitkeringsverstrekking
verschillende loonbegrippen worden gehanteerd. Een
andere oorzaak is het prospectieve karakter van het dagloon. Dat kan
ertoe leiden dat loonbestanddelen die op zich wel tot het premieloon behoren,
maar die in de referteperiode niet zijn genoten en waarover dus geen
premie is betaald, wel tot de grondslag voor de uitkering gaan behoren,
omdat aannemelijk is dat de werknemer het betreffende loonelement
wel zou hebben genoten als hij niet ziek, werkloos of arbeidsongeschikt zou
zijn geworden. Gedacht kan worden aan een loonsverhoging die de
werknemer in het vooruitzicht is gesteld. Ten slotte heeft het UWV
de mogelijkheid om bij bijzonder dagloonbesluit voor specifieke
categorieën werknemers loonbestanddelen aan het uitkeringsloon toe te
voegen waarover nimmer premie is betaald.
Gevolg van dit alles is
een belangrijke mate van discoördinatie niet alleen tussen het
premieloonbegrip en het loonbegrip dat van belang is voor de uitkeringsverstrekking,
maar tevens een discoördinatie tussen het feitelijke premieloon en
uitkeringsloon. Dit komt de inzichtelijkheid en de eenvoud van de
systematiek voor de premieheffing en uitkeringsvaststelling niet ten goede. De
werkgever dient bovendien ten behoeve van de premieheffing
alsmede - in voorkomende gevallen - ten behoeve van de
uitkeringsvaststelling aan het UWV afzonderlijk van elkaar verschillende
loongegevens te leveren.
In een vereenvoudigde
dagloonsystematiek zullen de verschillende loonbegrippen worden gecoördineerd.
Hiertoe zullen de voor de premievaststelling en de bepaling van de
hoogte van de uitkering van belang zijnde loonbegrippen
worden geüniformeerd. Tevens zal - zoals eerder opgemerkt - de
bevoegdheid van het UWV om voor specifieke categorieën werknemers bijzondere
dagloonbesluiten te treffen, komen te vervallen. Voorts zal ook
het feitelijke loon dat aan de uitkering ten grondslag ligt overeen moeten
stemmen met het daadwerkelijk genoten loon in de referteperiode
waarover premie is betaald. Het gelijkstellen van het sv-premieloon aan het
sv-uitkeringsloon (equivalentie) betekent op zich al een belangrijke
vereenvoudiging en betekent derhalve een administratieve lastenverlichting voor
werkgevers en een daling van de uitvoeringskosten van het UWV. Om met deze
vereenvoudiging een optimaal effect op de administratieve lasten en uitvoeringskosten te bewerkstelligen, is
het daarnaast
noodzakelijk een aantal kenmerken van de huidige dagloonsystematiek te wijzigen.
rblz.|63|
4.3.3. Voorstellen voor
een vereenvoudigde dagloonsystematiek
4.3.3.1. Historisch
dagloon
Gelet op de keuze voor
het uitgangspunt dat het premieloon gelijk is aan het uitkeringsloon
(equivalentie), is het logisch dat het dagloon niet langer zal worden gebaseerd op
toekomstig loon, maar op hetgeen in een periode in het verleden
is genoten (historisch dagloon). De verschuldigde premie wordt immers
betaald over het feitelijk door de werknemer genoten loon. Wanneer,
bij het intreden van ziekte, werkloosheid of arbeidsongeschiktheid, de
uitkering moet worden gebaseerd op het genoten loon waarover
premie is betaald, komt slechts het in een periode in het verleden ontvangen
loon in aanmerking als uitkeringsgrondslag.
Als het uitgangspunt is
dat de grondslag voor de uitkering gelijk is aan de grondslag voor de
premieheffing, is het logisch om het dagloon te baseren op hetzelfde loon
als dat waarover in de periode voorafgaand aan het risico premie is
betaald.
Daarnaast is er ook een
praktische overweging om voor een historisch dagloon te kiezen: het
verleden biedt concretere aanknopingspunten voor de vaststelling van een
dagloon dan de toekomst. Eerder is gewezen op het enigszins
speculatieve karakter van het prospectieve dagloon. Door uit te gaan van het
historisch dagloon kan het UWV bij de vaststelling van de uitkering gebruik maken
van de gegevens met betrekking tot het loon waarover premie is
betaald. Deze gegevens heeft het UWV in de toekomstige situatie in de eigen
administratie beschikbaar. Gegevensuitvraag bij de werkgever,
bijvoorbeeld over CAO-loonontwikkelingen, is niet langer noodzakelijk.
Bovendien sluit de keuze
voor een historisch dagloon aan bij hetgeen sedert jaren bij de
dagloonvaststelling praktijk is: feitelijk wordt bij de vaststelling van het
dagloon immers reeds in belangrijke mate uitgegaan van hetgeen in een
periode voorafgaand aan het intreden van het verzekerde risico daadwerkelijk aan
loon is genoten.
Daarbij dient nog
opgemerkt te worden dat bij de stelselherziening sociale zekerheid (1987) voor de
ZW, de WW en de WAO
feitelijk al is gekozen voor invoering van een
historisch dagloon. In de WW is destijds al een daartoe strekkend artikel
opgenomen (artikel 45). Deze bepaling is echter nimmer in werking
getreden. De belangrijkste reden hiervoor was dat de uitvoering in de jaren
negentig al met zoveel andere wetswijzigingen werd geconfronteerd dat
de invoering van omvangrijke wijzigingen van de regelgeving op het
vlak van de dagloonvaststelling te belastend werd geacht voor de
uitvoering.
In het onderhavige
wetsvoorstel wordt voorgesteld het dagloon te berekenen op basis van het
feitelijke genoten loon in de referteperiode en niet langer op basis van het
loon dat in de toekomst verdiend zou zijn.
Het uitgangspunt van het
historisch dagloon heeft de volgende consequenties.
In de huidige systematiek
zijn mechanismen opgenomen die ervoor zorgen dat
loonwijzigingen in de loop van de referteperiode volledig doorwerken in het dagloon. Indien
bijvoorbeeld daags voordat de werknemer ziek of werkloos werd een CAO-loonsverhoging is toegekend, wordt deze verhoging volledig
doorberekend in de uitkering. In feite wordt de loonsverhoging op deze wijze vanaf de
eerste dag van de referteperiode geacht te zijn genoten.
Deze mechanismen hebben
tot doel om ervoor te zorgen dat het dagloon op de eerste
uitkeringsdag zoveel mogelijk het toekomstig gederfde loon weerspiegelt.
rblz.|64|
Gelet op de
uitgangspunten "historisch dagloon" en "premieloon is gelijk aan
uitkeringsloon" ligt
het voor de hand slechts rekening te houden met (algemene en individuele)
loonontwikkelingen vanaf het moment dat zij daadwerkelijk optreden.
Dat betekent dus niet, zoals het Lisv in het uitvoeringstechnisch
commentaar heeft opgemerkt, dat (CAO-)loonsverhogingen tijdens de referteperiode
niet meer doorwerken in het dagloon. Het betekent wel dat
loonontwikkelingen niet langer aan de gehele referteperiode worden toegerekend, maar
slechts worden meegenomen vanaf het moment dat de
loonwijziging is ingegaan. Op deze manier komt er een duidelijke relatie te
liggen tussen het loon in de referteperiode waarover daadwerkelijk premie is
betaald en de grondslag voor de uitkering. Verder werkt op deze
wijze de mate van gewenning aan opgetreden loonmutaties in het dagloon door:
naarmate het hogere loon in de referteperiode langer is genoten, werkt
dit ook sterker door in het dagloon. Aldus wordt ook recht gedaan
aan het uitgangspunt dat het dagloon een redelijke weerspiegeling moet geven
van het welvaartsniveau van de betrokkene. In de bijlagen bij het Lisv-commentaar wordt daarom terecht opgemerkt
dat deze benadering van
loonwijzigingen tijdens de referteperiode voortvloeit uit de keuze
voor het historisch dagloon.
Een dergelijk zuiver
historisch dagloon is het gemiddelde van het feitelijk in de referteperiode
verdiende loon. Consequentie van de invoering van een historisch dagloon is
dus dat dit ten opzichte van de huidige situatie een verlagend effect op
de uitkeringsgrondslag kan hebben.
Een voorbeeld moge dit
verduidelijken. Stel dat de referteperiode één jaar bedraagt. Gedurende dit
jaar heeft iemand de eerste zes maanden een loon ontvangen van €|1500,- per maand. Vanaf de zevende maand ontvangt hij als gevolg
van een CAO-loonsverhoging €|1550,- per maand. In de huidige
systematiek bedraagt zijn uitkering 70% van €|1550,-, ofwel
€|1085,- per maand. In de nieuwe situatie telt de loonsverhoging maar voor
de helft mee in de uitkering; de loonsverhoging is immers slechts
gedurende de helft van de referteperiode genoten. De uitkering in de nieuwe
situatie bedraagt dan €|1067,50 per maand. Het omgekeerde, een
verhogend effect op de uitkeringsgrondslag, kan ook voorkomen.
Aangezien het feitelijk
in de referteperiode genoten loon, waarover premie is betaald, de maatstaf
is voor het dagloon, doet een middeling van de feitelijke verdiensten in
de referteperiode het meest recht aan het principe van het historisch
dagloon. Zoals gezegd, heeft dit wel tot gevolg dat de uitkeringsgrondslag voor
alle nieuwe uitkeringen wordt verlaagd. Voordeel ten opzichte van de
huidige situatie is dat het UWV niet meer in elk individueel geval hoeft
na te gaan welke algemene en individuele loonontwikkelingen voor de vaststelling
van
het dagloon relevant zijn. Dat is voor zowel de werkgever als
het UWV een administratief belastende procedure.
Invoering van het
historisch dagloon betekent voorts dat het mechanisme in de huidige
dagloonsystematiek dat ervoor zorgt dat het dagloon van jeugdige
uitkeringsgerechtigden wordt herzien als zij een leeftijd bereiken die recht geeft op een
hoger (minimum)loon, komt te vervallen.
4.3.3.2. Beroep
Thans wordt alleen het
loon uit het gewoonlijk (WAO, WW) dan wel het
laatstelijk uitgeoefende
beroep (ZW) meegenomen in het dagloon. Het loon uit andere in de
referteperiode uitgeoefende beroepen wordt - in beginsel -
niet
meegenomen in het dagloon (zie paragraaf 3.3.3). Dit is vreemd omdat de uitkering
immers een redelijke weerspiegeling moet zijn van het welvaartsniveau
waaraan de betrokken werknemer gewend was. Dit wordt afgemeten aan
een bepaalde referteperiode. Het welvaartsniveau rblz.|65|
in die
referteperiode wordt in zijn algemeenheid niet slechts bepaald door het loon in
een bepaald beroep, maar door het inkomen uit alle verzekerde
arbeidsverhoudingen in die periode. Bovendien betaalt de verzekerde ten aanzien
van alle in de referteperiode gelegen verzekeringsplichtige arbeidsverhoudingen
premie.
Het loslaten van het
(laatstelijk dan wel gewoonlijk) beroep als criterium voor de bepaling van de
hoogte van de uitkering is, zoals het Lisv
terecht heeft opgemerkt, een
logisch gevolg van de keuze voor een historisch dagloon. Uitgangspunt
daarbij is immers dat premieloon en uitkeringsloon aan elkaar gelijk zijn.
Gelet hierop is het dan ook logisch dat het feitelijk genoten loon de
grondslag is voor de uitkering, ongeacht het beroep waarin dit loon is
genoten. Daarom wordt voorgesteld het beroep in de nieuwe systematiek
niet meer van invloed te laten zijn op het dagloon. Het dagloon
wordt gebaseerd op het in de referteperiode genoten loon, ongeacht
het beroep. Het laten vervallen van het beroep als criterium bij het
vaststellen van het dagloon versterkt ook het verzekeringskarakter van de
werknemersverzekeringen: er komt een duidelijke relatie te liggen tussen het loon
waarover in de referteperiode premie is betaald en het loon dat ten
grondslag ligt aan de uitkering.
Daarnaast zijn er
praktische overwegingen om de invloed van het beroep uit te sluiten: dit
criterium brengt een aantal complexe beoordelingen met zich. Wanneer het beroep
als criterium bij de vaststelling van het dagloon wordt losgelaten, wordt
het aantal beoordelingsmomenten bij de dagloonvaststelling beperkt, wordt de kans op
fouten gereduceerd en is minder gegevensuitvraag bij
werkgevers noodzakelijk.
De regering deelt niet de
opvatting van het Lisv dat de toevallige situatie in het refertejaar niet
per se een betere afspiegeling behoeft te zijn van het welvaartsniveau dan het
geheel van factoren dat het gewoonlijk uitgeoefend beroep (en de daarbij
behorende verdiensten) bepaalt. In bepaalde meer uitzonderlijke
situaties moge dit zo zijn. De regering meent evenwel dat in zijn algemeenheid
de totale verdiensten in de referteperiode een betere weerspiegeling
zijn van het daadwerkelijke welvaartsniveau van de werknemer in het
refertejaar dan slechts een deel van zijn inkomen in die periode. De regering
onderschrijft dan ook wél de opmerking van het Lisv dat het loslaten van het
beroep als criterium als gevolg van het uitgangspunt "historisch
dagloon"
een logische stap is.
Wanneer het uitgeoefende
beroep niet langer van invloed is op de dagloonvaststelling, kan
het dagloon ten opzichte van de huidige situatie zowel hoger als lager
zijn. Dit is het geval als iemand meerdere beroepen in de referteperiode
heeft gehad. Indien het inkomen in het beroep c.q. de beroepen, die thans niet
van invloed zijn op de hoogte van de uitkering, hoger is dan het inkomen
in het beroep waarop de uitkering thans wordt vastgesteld, zal de
uitkering in de nieuwe situatie hoger uitvallen. In het omgekeerde geval zal de
uitkering lager uitvallen.
Het
Lisv heeft in zijn
commentaar aangegeven dat het loslaten van het beroep tot gevolg kan
hebben dat een werknemer die uit zijn gewoonlijk uitgeoefend beroep
werkloos wordt minder geneigd zal zijn vervolgens lager betaalde arbeid te
aanvaarden, omdat hij daarmee het risico loopt in een toekomstige
uitkeringssituatie een lager dagloon te krijgen. De regering wijst erop dat deze
mogelijkheid in het verleden reeds is onderkend. Met het oog daarop zijn
diverse dagloongarantiebepalingen in het leven geroepen die in een
aantal gevallen ongewenste effecten ondervangen. Deze dagloongaranties
worden door de nieuwe regelgeving niet aangetast.
rblz.|66|
Bijzondere groepen
In de
Algemene dagloonregelen Ziektewet en de Dagloonregels
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (WW) zijn thans bijzondere berekeningswijzen van het
dagloon opgenomen
voor de beroepsgroepen musici en artiesten met wisselende
dienstverbanden en handelsvertegenwoordigers. Deze bijzondere
dagloonregels betekenen feitelijk dat deze beroepsgroepen een beschermde positie
hebben. Op grond van de Dagloonregels
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (WW) hebben ook
seizoenwerkers - strikt genomen geen beroepsgroep - een beschermde
positie. Verwezen zij naar paragraaf 3.3.3.
In het huidige
tijdsgewricht is het niet langer wenselijk om
socialeverzekeringswetgeving voor dergelijke doelen te
gebruiken. Daarnaast, en wellicht belangrijker,
kent de huidige arbeidsmarkt veel flexibele arbeidskrachten, die, net als de hier
bedoelde musici en artiesten, seizoenswerkers en ook handelsvertegenwoordigers, wisselende inkomsten en arbeidspatronen
hebben. Ook deze groep
werknemers verricht vele werkzaamheden die een groot
maatschappelijk belang vertegenwoordigen. De groep flexibele arbeidskrachten is vele
malen groter dan de groep musici en artiesten met wisselende
dienstverbanden, seizoenwerkers en handelsvertegenwoordigers. Moeilijk valt in te zien
waarom nu juist deze bijzondere groepen nog langer een
beschermde positie zouden moeten hebben. Bovendien wordt de
nivellerende werking van de bijzondere bepalingen voor musici en artiesten, seizoenwerkers en handelsvertegenwoordigers, waar het Lisv
in zijn
commentaar op wijst, in de voorstellen van de regering bereikt door vaststelling
van de duur van de referteperiode op één jaar.
Voorgesteld wordt dan ook
het dagloon van musici en artiesten, seizoenwerkers en
handelsvertegenwoordigers in de nieuwe dagloonsystematiek vast te stellen volgens
de algemeen geldende hoofdregels. Gevolg hiervan is dat de
uitkeringsgrondslag voor musici en artiesten en seizoenwerkers op wie de huidige
uitzonderingsbepalingen van toepassing waren lager kan zijn dan thans
het geval is. Voor handelsvertegenwoordigers zullen geringe
wijzigingen optreden. De bescherming van handelsvertegenwoordigers bestaat vooral uit de
toepassing van een langere dan de normale
referteperiode, namelijk 52 weken in plaats van dertien (ZW) respectievelijk 26 weken
(IWS/WW). Uit de volgende paragraaf blijkt dat in
het onderhavige
wetsvoorstel een in alle situaties toe te passen uniforme referteperiode van één
jaar wordt voorgesteld. Derhalve mag worden aangenomen dat de
gevolgen van het vervallen van de bijzondere bepalingen voor
handelsvertegenwoordigers beperkt zullen zijn.
4.3.3.3. De
dagloonreferteperiode
In
hoofdstuk 3 is
aangegeven dat er thans verschillende dagloonreferteperioden worden gehanteerd in het
kader van de ZW, de WAO
en de WW. Een uniformering van de
dagloonreferteperioden vergroot de inzichtelijkheid van het stelsel.
Daarnaast heeft het hanteren van een uniforme referteperiode het grote voordeel dat de hoogte van het dagloon voor de
verschillende regelingen
in het overgrote deel van de gevallen beduidend minder van elkaar
afwijkt. Dit betekent, in samenhang met de overige voorstellen ten aanzien
van de dagloonsystematiek, dat bijvoorbeeld het ZW-dagloon aan het einde
van de wachttijd veelal gelijk zal zijn aan het WAO-dagloon. Tevens geldt
dat bij samenloop van een WAO- en een WW-uitkering vaker kan
worden uitgegaan van hetzelfde dagloon. Met name herzieningen van
uitkeringen in dergelijke gevallen van samenloop, bijvoorbeeld bij een
herziening van de mate van arbeidsongeschiktheid, zijn thans administratief
zeer bewerkelijk. Voor de volledigheid zij erop gewezen dat daglonen voor
de ZW, de WW en de WAO, die zijn gebaseerd op gelijkluidende
loongegevens uit dezelfde referteperiode en aan de rblz.|67|
hand van dezelfde
dagloonsystematiek zijn berekend, als gevolg van de inhoud van de diverse
materiewetten onderling nog steeds verschillen kunnen vertonen. Het
voorliggende wetsvoorstel en de uitwerking daarvan in lagere
regelgeving beogen de verschillen die voortvloeien uit
de dagloonsystematiek - zoals per wet verschillende referteperioden - zoveel
als mogelijk te
beperken.
Voorgesteld wordt voor
alle werknemersverzekeringen een dagloonreferteperiode van één jaar te
hanteren.
Het eerste argument
daarvoor is dat met name de WW en de WAO
qua karakter, omschreven in
termen als "kortdurende" of "langdurende" uitkering, in de loop van
de jaren naar elkaar zijn toegegroeid. In het begin (1967) was de WAO een
loongerelateerde uitkering waarvan de duur, bij voortduren van de arbeidsongeschiktheid, slechts beperkt werd door het
bereiken van de 65-jarige
leeftijd. De WW daarentegen begon in 1952 als een loongerelateerde
uitkering die maximaal zes maanden genoten kon worden. Kenmerk van een
loongerelateerde uitkering is dat de hoogte ervan wordt bepaald door
toepassing van een uitkeringspercentage over het, in het dagloon
vertaalde, gederfde loon. De loongerelateerde WAO- en WW-uitkering zijn in de
loop van de jaren geëvolueerd tot uitkeringen waarvan de maximale duur
van het loongerelateerde deel, afhankelijk van de leeftijd waarop de
arbeidsongeschiktheidsuitkering ingaat (WAO), dan wel van de leeftijd en de
lengte van het arbeidsverleden (WW), varieert van zes maanden tot zes jaar
(WAO) dan wel vijf jaar (WW). Overigens is het zo dat als het recht op
WAO-uitkering ontstaat als men nog geen 33 jaar is, geen aanspraak bestaat op
een loongerelateerde uitkering, maar op een vervolguitkering. Deze
wijzigingen vloeiden voort uit de stelselherziening per 1 januari 1987 (WW)
en de inwerkingtreding van de Wet terugdringing beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen per 1 augustus 1993 (WAO).
Gesteld zou kunnen worden dat het karakter van deze uitkeringen, voor wat betreft het
loongerelateerde deel, niet langer beschreven kan worden in termen als
"kortdurend" of "langdurend", maar dat het thans gaat om een gemengd karakter,
waarbij zowel kortdurende als langer durende loongerelateerde
uitkeringen mogelijk zijn. In paragraaf 4.3.3.2 is aangegeven dat wordt voorgesteld om
bij de bepaling van het dagloon niet langer het beroep
maatgevend te laten zijn. Het is vanuit deze universalisering-op-karakterniveau
in combinatie met het verlaten van het beroep als centraal
íjkpunt dat de regering meent dat gekomen moet worden tot een voor beide
wetten gelijke dagloonreferteperiode. Die referteperiode moet lang
genoeg zijn om in het merendeel van de gevallen een goed beeld
te krijgen van het inkomenspatroon van de betrokken werknemer. Tegelijkertijd zal deze referteperiode niet zó lang
mogen zijn dat te ver in
het verleden moet worden teruggegaan. Juist omdat in de WW bij de
stelselherziening sociale zekerheid per 1 januari 1987 de langer durende
loongerelateerde uitkering zijn intrede heeft gedaan en bij de
dagloonberekening voor de WW ook nu al (zie paragraaf
3.3.4) een
dagloonreferteperiode van 52 weken geen onbekend verschijnsel is, terwijl
voor de WAO een referteperiode van één jaar van meet af aan een periode
van voldoende lengte is gevonden, acht de regering het meer voor de hand
liggend om ook voor de WW van één jaar uit te gaan dan van een
kortere of langere periode.
Hoewel de ZW nog wel het
karakter van een kortdurende uitkering draagt, acht de regering ook voor
die uitkering een goed argument aanwezig om de referteperiode langer
te stellen dan de huidige basisperiode van dertien weken. Waar de ZW thans
nog tot uitbetaling komt, leidt het voorstel om niet langer het beroep
maatgevend te doen zijn voor de dagloonbepaling ertoe dat, anders dan nu,
niet langer het loon in de laatste dienstbetrekking (zie paragraaf
3.3.3)
bepalend is voor het dagloon. De ZW komt thans nog tot uitbetaling indien
artikel 29b ZW
van toepassing is en in de rblz.|68|
zogenaamde "vangnetsituaties" waarin geen loondoorbetaling door de werkgever plaatsvindt.
Dat niet langer uitgegaan wordt van het beroep maakt het ook voor de dagloonberekening in het kader van de ZW, ook al
gaat het om een
kortdurende uitkering, daarom nodig dat het dagloon een zo goed mogelijke
afspiegeling vormt van het inkomenspatroon van betrokkene. Omdat dit aldus voor alle drie de hier besproken wetten geldt,
is er geen reden de
referteperiode voor de ZW af te laten wijken van de referteperiode die voor
de WAO en de WW wordt voorgesteld.
Een bijkomend argument om
voor een referteperiode van één jaar te kiezen, is dat bij díé
referteperiode seizoenspatronen zonder nadere regelgeving in het dagloon kunnen
worden meegenomen. De periode van één jaar omvat immers ieder
seizoenspatroon. Als gevolg hiervan is niet langer een bijzondere
regeling voor seizoensarbeiders noodzakelijk. Bij een kortere periode zou
dat wel het geval blijven. In dat geval zou het namelijk voor de hoogte
van het dagloon veel kunnen uitmaken op welk moment iemand ziek of
werkloos wordt. Bij hantering van een historisch dagloon is dat niet
wenselijk. Een referteperiode van één jaar bewerkstelligt dat het moment waarop
iemand ziek of werkloos wordt geen invloed meer heeft op de hoogte van het dagloon.
Een ander argument is dat
bij een referteperiode van één jaar alle verzekerde loonbestanddelen in de
meeste gevallen minimaal één keer tot uitbetaling zullen zijn
gekomen. Bij een kortere periode zou het kunnen voorkomen dat
loonbestanddelen die slechts eenmaal per jaar worden toegekend, zoals de
vakantietoeslag of de eindejaarsuitkering, niet binnen de referteperiode vallen.
Deze loonbestanddelen behoren echter wel deel uit te maken van het
uitkeringsloon. Door uit te gaan van een referteperiode van één jaar wordt de
kans dat de uitbetaling van zulke loonbestanddelen buiten de referteperiode
plaatsvindt, gereduceerd ten opzichte van de situatie
die nu ten aanzien van de WW en de ZW geldt, waarin in beginsel een
kortere referteperiode wordt gehanteerd. De regering is hier voorstander van,
omdat dan ook het aantal gevallen waarin verder in het verleden
moet worden gezocht naar uitbetaling van zulke loonbestanddelen zo klein
mogelijk wordt. Het Lisv merkt in zijn uitvoeringstechnisch
commentaar op dat het ook in deze systematiek niet helemaal kan worden
uitgesloten dat evenredige toerekening moet
plaatsvinden. Dit is
juist. In dit verband zij opgemerkt dat het ten aanzien van
loonbestanddelen die
slechts eenmaal of enkele malen per jaar worden verstrekt altijd
nodig zal zijn dat evenredige toerekening plaatsvindt. Zo kan het
voorkomen dat
iemand in mei 2001 vakantietoeslag krijgt uitbetaald en per
1 september 2001 werkloos wordt, waarbij de opgebouwde
vakantietoeslag wordt afgerekend. In dat geval zal een evenredig deel van de
vakantietoeslag die in mei werd betaald, moeten worden toegerekend aan de
maanden september 2000 tot en met mei 2001, terwijl de per 1 september 2001
afgerekende vakantietoeslag moet worden toegerekend aan de
maanden juni tot en met augustus 2001.
Ten slotte is het zo dat
bij een referteperiode van één jaar op een meer evenwichtige manier dan
bij een kortere periode rekening wordt gehouden met wisselende
arbeidspatronen. Min of meer toevallige perioden van inactiviteit
worden op deze wijze gemitigeerd.
Een referteperiode van
één jaar betekent voor de ZW en WW
een wijziging ten opzichte van de
huidige situatie. Voor de WAO treden geen gevolgen op. De referteperiode
voor het vaststellen van het dagloon is voor de WAO immers thans al één
jaar.
rblz.|69|
De gevolgen van een
dagloonreferteperiode van één jaar voor de ZW
Een verlenging van de
referteperiode van dertien weken naar één jaar kan ertoe leiden dat de
hoogte van het dagloon verschilt ten opzichte van de huidige situatie. Het
ZW-dagloon kan door de verlenging zowel hoger
als lager worden in
vergelijking met de huidige situatie.
Hierbij zij - wellicht
ten overvloede - aangetekend dat dit niet geldt voor mensen die tijdens ziekte
recht hebben op loondoorbetaling. In dat geval bestaat immers geen recht
op ziekengeld. De bedoelde gevolgen kunnen dus alleen optreden voor
de zogenaamde "vangnet-ZW-uitkeringen". Hierbij gaat het
bijvoorbeeld om mensen met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.
Indien iemand met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd ziek wordt,
heeft deze persoon voor de resterende duur van de arbeidsovereenkomst
recht op loondoorbetaling door de werkgever. Met de afloop van het
dienstverband eindigt ook het recht op loondoorbetaling. Op dat moment ontstaat
recht op een vangnet-ZW-uitkering. Op dat moment wordt derhalve ook het ZW-dagloon vastgesteld.
Het gaat bij de
vangnet-ZW-uitkeringen weliswaar om een omvangrijke groep (jaarlijks
circa 500
000 personen), maar de desbetreffende uitkeringen zijn van relatief korte
duur.
De hiervoor genoemde
gevolgen voor de hoogte van de uitkering kunnen ook optreden ten aanzien
van uitkeringen op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf
1, van de
Wet arbeid en zorg (de zwangerschaps- en bevallingsuitkering en de
adoptie-uitkering). Bij de bepaling van de hoogte van deze
uitkeringen zijn de
Algemene dagloonregelen Ziektewet
namelijk van overeenkomstige toepassing.
Een
wijziging van de
hoogte van het dagloon ten opzichte van de huidige situatie treedt alleen op
in het geval iemand in de laatste dertien weken vóór het intreden van de
ziekte een afwijkend loon heeft genoten in vergelijking met de periode vóór
deze dertien weken. Dit kan het geval zijn bij wisselende arbeidspatronen
c.q.
dienstverbanden.
Een voorbeeld moge dit
verduidelijken. Stel dat iemand werkt tot 1 juli 1999 in een voltijdbaan
tegen een loon van €|100,- per dag. Vanaf 1 juli 1999 werkte deze persoon
in een ander dienstverband deeltijd tegen een loon van €|50,- per dag.
Op 1 januari 2000 werd betrokkene ziek.
In de huidige situatie
wordt het dagloon berekend op basis van de laatste dertien weken. Het dagloon is
dus €|50,-, terwijl de uitkering (70%)
€|35,- per dag bedraagt. Bij een
referteperiode van één jaar bedraagt het dagloon het gemiddelde
loon per dag in die periode, dus €|75,-. De uitkering bedraagt dan
€|52,50 per dag.
De omgekeerde situatie is uiteraard ook mogelijk.
Het niet langer rekening
houden met het beroep kan er, zoals eerder aangegeven, toe leiden
dat het ZW-dagloon hoger of lager uitvalt dan in de huidige situatie. De
uitkering kan om die reden alleen al afwijken van de uitkering op basis van
het laatstverdiende loon. De kans dat dit het geval is, is evenwel bij
een referteperiode van één jaar - uiteraard - groter dan bij een kortere
referteperiode.
Stel dat iemand in een
jaar veel wisselende dienstverbanden heeft en in iedere dienstbetrekking
een loon ontvangt dat varieert van €|80,- per dag tot
€|130,- per dag.
Stel vervolgens dat deze persoon in de laatste dienstbetrekking
gedurende zes weken €|80,- per dag ontving. In de huidige situatie wordt
het dagloon in dat geval berekend op basis van deze laatste
dienstbetrekking. Het niet langer meenemen van het beroep betekent dat het dagloon
bij de huidige referteperiode zou worden berekend op basis van het
gemiddelde loon van de laatste dertien weken. Indien het loon in de
zeven weken vóór de laatste dienstbetrekking afweek van het loon in die laatste
dienstbetrekking, resulteert een ander dagloon dan het laatstgenoten loon. Bij
een referteperiode van één jaar is de kans dat rblz.|70|
wisselingen in het loon
bij wisselende dienstverbanden zijn opgetreden uiteraard groter dan bij
een periode van dertien weken.
De geschetste gevolgen
komen, zoals gezegd, voor bij een ZW-uitkering. Indien sprake is van een
loondoorbetalingsverplichting, wordt uiteraard het loon doorbetaald
conform de CAO-afspraken. De gevolgen zullen zich daarom alleen voordoen
voor de volgende personen:
• personen met een
contract voor bepaalde tijd. De geschetste gevolgen van een referteperiode
van één jaar zullen alleen optreden indien iemand gedurende dat jaar
meerdere contracten heeft gehad met een fors afwijkend loon;
• uitzendkrachten. De
gevolgen voor uitzendkrachten zullen evenwel in de meeste gevallen niet
groot zijn. Indien iemand gedurende de gehele referteperiode als
uitzendkracht heeft gewerkt, speelt het laatstelijk uitgeoefend beroep thans
al geen rol; in die gevallen wordt namelijk aangenomen dat het beroep
"uitzendkracht" is. Voor deze uitzendkrachten
wordt bij ziekte in de
praktijk derhalve thans al steeds het gemiddelde loon van de
laatste dertien weken genomen, ongeacht of ze in die periode meerdere
uitzendbanen hebben gehad. In de nieuwe situatie zal alleen als
een uitzendkracht in de laatste dertien weken een fors ander loon had dan in de
periode daaraan voorafgaand, een referteperiode van één jaar invloed
hebben op de ZW-uitkering.
De geschetste gevolgen
kunnen zich ook voordoen indien artikel 29b
ZW wordt toegepast. Dit
artikel bepaalt dat een arbeidsgehandicapte die binnen vijf jaar na
indiensttreding ziek wordt recht heeft op een ZW-uitkering. Indien de
werkgever het loon doorbetaalt, ontvangt de werkgever de ZW-uitkering.
Hierboven is al uiteengezet dat door de verlenging van de huidige
referteperiode van dertien weken naar één jaar het ZW-dagloon en daarmee de
ZW-uitkering in de toekomst hoger of lager kan uitvallen dan nu het geval is. Als
de werkgever het loon doorbetaalt, zal één en ander bij de toepassing
van artikel 29b ZW
ertoe leiden dat in vergelijking met de huidige situatie
de werkgever in het ene geval meer en in het andere geval minder aan
ZW-uitkering "terugontvangt".
De gevolgen van een
dagloonreferteperiode van één jaar voor de WW
Ook voor de
WW treden
gevolgen op. Ook hier geldt dat de uitkering zowel hoger als lager kan
worden dan in de huidige situatie. Dit geldt met name voor personen met
wisselende lonen. Veelal gaat het hierbij om personen met een
wisselend dienstverband. Voor personen met een vast dienstverband zal de
verlenging veelal geen gevolgen hebben. Het enkele alinea’s hierboven
beschreven voorbeeld laat evenwel zien dat als, hoewel sprake is van een vast
dienstverband, tijdens de referteperiode de omvang van het
dienstverband wijzigt, gevolgen optreden voor de hoogte van het dagloon.
De groep personen voor
wie in het kader van de WW de verlenging van de dagloonreferteperiode
gevolgen kan hebben, zal voornamelijk jongere werknemers (<35 jaar)
betreffen. Deze vormen immers de belangrijkste groep personen met een
wisselend arbeidspatroon (flexwerkers). Het merendeel van de oudere
werknemers heeft een vast dienstverband met een vaststaand aantal
uren.
De verlenging heeft
voornamelijk gevolgen voor de nieuwe loongerelateerde WW-uitkeringen. In 1998
bedroeg de instroom in de WW van personen jonger dan 35
jaar met een loongerelateerde uitkering (de duur van de loongerelateerde
uitkering bedraagt voor hen maximaal 1,5 jaar) bijna 125 000 personen.
Voor een deel van deze groep kan de verlenging van de referteperiode
gevolgen hebben op de hoogte van de uitkering.
rblz.|71|
De
gevolgen voor de
hoogte van het dagloon zijn vergelijkbaar met de eerder geschetste
gevolgen voor de ZW. Een verlenging van de referteperiode kan derhalve zowel tot
een hoger als tot een lager dagloon leiden in vergelijking met de
huidige situatie, afhankelijk van het inkomen in de periode waarmee de
huidige WW-dagloonreferteperiode van 26 weken wordt verlengd tot één
jaar. Is dit inkomen hoger, dan zal het dagloon ook hoger uitvallen; is dit
lager, dan zal het dagloon lager uitvallen.
De verlenging van de
referteperiode naar één jaar heeft geen gevolgen voor personen die in de
laatste 39 weken in minder dan 26 weken hebben gewerkt. Zij hebben
immers geen recht op WW-uitkering.
Ten aanzien van de
personen die recht hebben op een kortdurende uitkering zal eveneens meestal geen
wijziging optreden. De kortdurende uitkering wordt immers meestal
bepaald op basis van het minimumloon. Alleen in het geval
iemand in het laatste jaar gedurende een periode minder heeft verdiend dan
het minimumloon (bijvoorbeeld omdat in deeltijd werd gewerkt)
kunnen er wijzigingen optreden. In het geval iemand in de laatste 26
weken minder heeft verdiend dan het minimumloon, maar in de periode daarvoor (meer dan) het minimumloon ontving, zal het dagloon als
gevolg van de verlenging hoger uitvallen dan in de huidige situatie, echter
met die restrictie dat de feitelijke berekeningsbasis voor de uitkering nooit
meer zal kunnen bedragen dan het minimumloon. Is het omgekeerde het
geval, dan zal het dagloon lager uitvallen.
Voor personen die recht
hebben op een loongerelateerde uitkering treden dezelfde gevolgen op als
beschreven bij de ZW. Als in de laatste 26 weken voorafgaand aan het
arbeidsurenverlies minder dan wel meer werd verdiend dan in de
daaraan voorafgaande periode, zal het dagloon hoger dan wel lager zijn dan in
de huidige situatie. Dit zal het geval zijn bij wisselende arbeidspatronen
c.q.
inkomenspatronen. Indien iemand immers het gehele jaar een vast
dienstverband heeft gehad, zullen zich geen wijzigingen voordoen. Wisselende
arbeidspatronen zullen zich vooral voordoen bij jongere werknemers.
Voor deze groep werknemers geldt dat de duur van de
loongerelateerde uitkering korter is dan voor oudere werknemers. Voor iemand van 35 jaar
bijvoorbeeld geldt dat de duur van de loongerelateerde
uitkering maximaal 1,5 jaar bedraagt.
In
het wetsvoorstel dat
ter advisering aan het Lisv werd aangeboden, werd
aangenomen dat het
noodzakelijk was om ook de meetperiode voor de vaststelling van het
gemiddeld aantal arbeidsuren (GAA) te verlengen tot 52 weken. Het GAA speelt
bij de toepassing van de WW een rol bij de bepaling of sprake is van
een relevant arbeidsurenverlies en - daarmee - van werkloosheid. Thans
is die meetperiode 26 weken. Gemeend werd dat handhaving van die
duur in sommige gevallen een belemmerende werking op de
reïntegratie zou kunnen hebben. Uit het advies van het Lisv bleek
echter dat dit een
misvatting was. De regering ziet daarom bij nader inzien geen aanleiding om
de duur van de GAA-meetperiode te verlengen.
De positionering van de
referteperiode
De dagloonreferteperiode
eindigt thans op de dag onmiddellijk voorafgaand aan het moment waarop de
verzekerde ziek is geworden of een arbeidsurenverlies heeft
geleden. Wordt de verzekerde ziek op 11 oktober 2000, dan is bijvoorbeeld
de dagloonreferteperiode voor de WAO thans
één jaar, beginnend op 11
oktober 1999 en eindigend op 10 oktober 2000. De werkgever moet in de
huidige situatie aan het UWV loongegevens over de volledig binnen
die periode gelegen salarisbetalingsperioden aanleveren, omdat het
dagloon thans wordt gebaseerd op het loon over díé
salarisbetalingsperioden.
Dat wordt gekeken naar de
volledige salarisbetalingsperioden, gelegen in rblz.|72|
de dagloonreferteperiode,
geldt vanaf 1 januari 2001 (Regeling van de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid van 18 augustus 2000, nr. SV/AVF/00/49741, tot
wijziging van de dagloonregels WAO, ZW en Invoeringswet
stelselherziening sociale zekerheid (Stcrt. 2000, 164)). Verwezen zij in dit verband naar
paragraaf 3.3.4.
In de toekomst zal de
werkgever kunnen volstaan met het ten behoeve van de premieheffing
aanleveren van loongegevens die betrekking hebben op het bij die
werkgever gebruikelijke premiebetalingstijdvak. Aangezien deze gegevens
ook voor de uitkeringsvaststelling zullen worden gebruikt, is
aanlevering van extra gegevens door de werkgever ten behoeve van die
vaststelling in beginsel niet meer nodig. De werkgever kan de door hem betaalde
lonen per maand of per periode van vier weken verantwoorden. Om die
reden wordt voorgesteld de referteperiode voor de dagloonvaststelling te
doen aansluiten bij de relevante premiebetalingstijdvakken.
Concreet betekent dit dat
wordt voorgesteld om in de nieuwe dagloonregels te bepalen dat de dagloonreferteperiode van
één jaar eindigt op de
laatste dag van het
laatste volledige premiebetalingstijdvak voorafgaand aan het intreden van het
arbeidsurenverlies/de arbeidsongeschiktheid. Het UWV
kan aldus het dagloon
berekenen aan de hand van de in de eigen administratie aanwezige
loongegevens, zonder dat nadere uitvraag bij de werkgever noodzakelijk
is.
4.3.3.4. Berekeningswijze
dagloon
Eerder is
aangegeven
dat het wenselijk is om de dagloonsystematiek te vereenvoudigen, onder
meer door een grotere eenvoud en eenduidigheid in de systematiek te
bewerkstelligen en door het aantal beslis- en beoordelingsmomenten
terug te dringen. Daarnaast is het wenselijk om de met de
dagloonvaststelling verbonden administratieve lasten voor werkgevers terug te
dringen. Naast de hierboven genoemde voorstellen zal ook een gewijzigde
berekeningsmethode voor het dagloon hieraan een bijdrage leveren.
Het dagloon wordt in de
huidige systematiek niet op eenduidige wijze berekend. Allereerst
wordt er een onderscheid gemaakt tussen werknemers met een vast loon en
werknemers met een wisselend loon. Voor elk van deze categorieën
geldt een afzonderlijke berekeningsmethode voor het dagloon. Voorts wordt
het dagloon uitsluitend gebaseerd op (het loon verdiend op) normaal
gewerkte dagen. Vervolgens moet bij elke dagloonberekening worden beoordeeld of, en
zo ja, op welke wijze het dagloon evenredig moet worden verlaagd. Voorgesteld wordt een berekeningsmethode
voor het dagloon waarbij
geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen werknemers
met een vast loon en werknemers met een wisselend loon. Voorts
zal het aantal normaal gewerkte dagen niet meer relevant zijn voor de
berekening van het dagloon. Verder vindt - behoudens in een aantal limitatief
opgesomde uitzonderingen - geen afzonderlijke evenredige correctie meer
plaats.
Vervallen onderscheid
vast loon en wisselend loon
In de huidige
dagloonregels wordt een onderscheid gemaakt tussen werknemers die laatstelijk
vóór het
intreden van het verzekerde risico werkzaam waren tegen een vast loon
en werknemers die werkzaam waren tegen een wisselend loon.
Voor de dagloonberekening wordt thans steeds bezien of de zogenaamde vastloonbepaling kan worden toegepast. Indien
dit het geval is, is bij
de vastloner het vaste loon van de laatste salarisbetalingsperiode voorafgaand aan het ziek
of werkloos worden van de werknemer grondslag voor
de berekening van het dagloon; op deze wijze rblz.|73|
kan de
dagloonvaststelling op een eenvoudiger wijze plaatsvinden dan wanneer de hoofdregel
voor de berekening van het dagloon zou worden toegepast. De vraag of de vastloonbepaling mag worden toegepast, vergt
een (subjectieve)
beoordeling van het UWV; deze beoordeling hangt in belangrijke mate af van
hetgeen de werkgever heeft aangeleverd. Bij de wisselendloner wordt het dagloon berekend volgens de hoofdregel. Op
grond daarvan is het
dagloon het loon dat in de referteperiode gemiddeld op normaal gewerkte dagen
is verdiend; voor wisselendloners worden de dagloonregels dus wel onverkort toegepast.
Voorgesteld wordt het
onderscheid tussen vast loon en wisselend loon te laten vervallen. Er is
een principiële reden om afstand te doen van het onderscheid tussen
wisselendloners en vastloners: bij een dagloonsystematiek gebaseerd op een
historisch dagloon kan het niet zo zijn dat een deel van de uitkeringsgerechtigden een uitkering ontvangt op basis
van het loon dat de
werknemer over het laatste premiebetalingstijdvak voorafgaand aan de ziekte
dan wel het arbeidsurenverlies heeft genoten (vastloners), terwijl een
ander deel een uitkering ontvangt gebaseerd op een gemiddelde van
hetgeen hij in de referteperiode heeft verdiend (wisselendloners). In het
uitvoeringstechnisch commentaar merkt het Lisv
dan ook terecht op dat
het vervallen van het onderscheid tussen vast loon en wisselend loon
inherent is aan de keuze voor een historisch dagloon. Aan de handhaving van het
onderscheid tussen vastloners en wisselendloners kleeft voorts het nadeel
dat de werkgever in verband hiermee gegevens zal moeten verstrekken
ter zake van het patroon van inkomensverwerving alsmede met betrekking
tot het arbeidspatroon. In voorkomende gevallen kan
het noodzakelijk zijn om deze gegevens bij meerdere werkgevers op te
vragen. Als het onderscheid tussen vastloners en wisselendloners
vervalt, hoeft de werkgever een beoordeling minder te plegen en minder gegevens
te leveren. Voor het UWV komt een
beoordelings- en
controlemoment te vervallen. Voorts wordt het dagloon in alle gevallen -
behoudens indien één van de hierna genoemde uitzonderingen van toepassing is
- door het UWV op eenduidige wijze berekend. Wanneer de polisadministratie operationeel is, beschikt het UWV over alle
relevante loongegevens om
een dagloon te kunnen vaststellen. Met behulp van een
geautomatiseerd dagloonsysteem is het voor het UWV net zo eenvoudig voor een
vastloner een dagloon te berekenen op basis van de loongegevens met
betrekking tot de gehele referteperiode als op grond van de gegevens van
de laatste salarisbetalingsperiode voorafgaand aan het intreden van het
risico. Er is derhalve ook vanuit een praktisch oogpunt niet langer
behoefte aan een vastloonsystematiek.
Wijziging
berekeningsmethode
ZW-,
WW- en WAO-uitkeringen worden niet verstrekt over zaterdagen en zondagen. Er wordt dus
over ten hoogste vijf dagen per kalenderweek (namelijk de maandag tot
en met de vrijdag) uitkering verstrekt. Het maximale aantal dagen waarover in
één jaar uitkering wordt verstrekt, is als gevolg daarvan 261. Bij
de berekening van het dagloon wordt het in de referteperiode genoten
loon omgerekend naar een uitkeringsloon per dag. Het dagloon wordt
derhalve berekend door het in de referteperiode genoten loon te delen
door ten hoogste het maximale aantal dagen waarover in die periode uitkering
kan worden verstrekt. Ook bij de dagloonberekening wordt derhalve uitgegaan
van ten hoogste vijf dagen per kalenderweek (maandag tot
en met vrijdag) waarover uitkering kan worden verstrekt. Deze
dagen worden hierna aangeduid als dagloondagen.
In het merendeel van de
gevallen waarin thans een dagloon moet worden vastgesteld, zijn de vastloonbepalingen van toepassing. In een belangrijk
rblz.|74|
deel van de overige
situaties dient het dagloon evenredig te worden verlaagd (overigens is
ook bij de toepassing van de vastloonbepalingen in diverse gevallen
evenredige verlaging nodig). Als gevolg hiervan wordt in de huidige
berekeningsmethodiek het dagloon veelal feitelijk berekend door het loon in de
referteperiode te delen door het maximale aantal dagloondagen in die
periode (zij het dat het dagloon nu nog wordt geëxtrapoleerd naar het loonniveau per
einde referteperiode, het zogenaamde eindloonsysteem). Binnen een referteperiode
van één jaar spreken wij dan over een aantal van maximaal
261 dagloondagen. Met het oog hierop ligt het voor de hand bij de
berekening van het dagloon in de toekomst de hoofdregel te hanteren die het
dagloon direct op het in het refertejaar gemiddeld per dag verdiende loon
vaststelt. Het dagloon wordt in beginsel altijd op dezelfde wijze
berekend, ongeacht het arbeidspatroon (bijvoorbeeld voltijds of deeltijds
werken) van de werknemer. De formule voor de berekening van het dagloon komt er
dan als volgt uit te zien:
dagloon = in de referteperiode
genoten loon dagloon : 261 dagloondagen.
Bij het in de
referteperiode genoten loon gaat het niet alleen om loon over dagen waarop
daadwerkelijk arbeid is verricht, maar tevens om loon over vakantiedagen, erkende
feestdagen, ATV-dagen en bijzondere verlofdagen. Het op deze dagen genoten
loon wordt in de dagloonberekening betrokken, omdat het loon betreft waarover
sv-premies zijn betaald. Gelet
op het uitgangspunt
equivalentie tussen premieloon en uitkeringsloon ligt het voor de hand het loon
over deze dagen in de berekening van het dagloon te betrekken. Voorts zou uitzondering van het loon over deze
dagen - zoals dat in de
huidige situatie gebeurt - leiden tot (extra) gegevensuitvraag bij
werkgevers.
Het bij ziekte volledig doorbetaalde loon behoort eveneens tot het loon dat de grondslag vormt
voor de uitkering. Het meenemen van dit loon bij de dagloonberekening
heeft immers geen effect op de hoogte van de uitkering. Voordeel voor
de werkgever is dat deze het over ziektedagen volledig doorbetaalde
loon - anders dan thans het geval is - desgevraagd niet meer afzonderlijk
aan het UWV hoeft op te geven: het UWV kan gebruik maken van de in
het kader van de premieheffing aangeleverde gegevens. Dat is anders
wanneer tijdens ziekte minder dan 100% van het loon wordt doorbetaald.
Wanneer bij de dagloonvaststelling het tijdens ziekte minder dan
volledig doorbetaalde loon in aanmerking zou worden genomen, zou ten aanzien
van de betrokken werknemers, in vergelijking met werknemers wier loon
tijdens ziekte wel volledig wordt doorbetaald, een ongewenst negatief
verschil optreden. Om dit zoveel
mogelijk te voorkomen, wordt bij de dagloonvaststelling niet uitgegaan van het tijdens
ziekte gedeeltelijk
doorbetaalde loon, maar van het loon dat in het premiebetalingstijdvak voorafgaand aan het
tijdvak waarin de werknemer ziek is geworden, is genoten (zie
ook hierna onder Uitzonderingen).
Gebroken
premiebetalingstijdvak
In
paragraaf 4.3.3.3 is
aangegeven dat de referteperiode één jaar is en dat dat jaar eindigt op
de laatste dag van het laatste premiebetalingstijdvak voorafgaand aan het
intreden van de arbeidsongeschiktheid/het arbeidsurenverlies.
Eerder is tevens aangegeven dat het UWV het dagloon vaststelt met behulp van
de door de werkgever ten behoeve van de premieheffing
aangeleverde loongegevens. Deze loongegevens zullen per maand of periode van vier
weken aangeleverd kunnen worden. Omdat de referteperiode altijd
één jaar is, kan het gebeuren dat aan het begin van het refertejaar door de
werknemer loon is genoten in een premiebetalingstijdvak dat voor een deel wel en
voor een deel niet binnen de referteperiode valt (een zogenaamd "gebroken"
premiebetalingstijdvak). rblz.|75|
Dat
kan het geval zijn
als de werkgever het gedurende het gehele refertejaar genoten loon heeft
verantwoord over perioden van vier weken (één jaar is immers niet
gelijk aan dertien perioden van vier weken = 52 weken) of als er in het refertejaar
sprake is van premiebetalingstijdvakken van verschillende omvang. Het loon genoten
in een premiebetalingstijdvak dat voor een deel wel en voor een
deel niet binnen de referteperiode valt, is slechts voor een deel genoten in
de referteperiode en kan derhalve niet in zijn geheel bij de
vaststelling van het dagloon worden betrokken. De noemer van de breuk voor de
berekening van het dagloon is immers altijd 261 dagen. Om extra
gegevensuitvraag bij de werkgever te voorkomen, wordt van het loon genoten in
een premiebetalingstijdvak dat voor een deel wel en voor een deel niet
binnen de referteperiode valt, met behulp van een herleidingsfactor bepaald
welk deel aan de referteperiode wordt toegerekend. Met behulp van deze herleidingsfactor kan het
UWV het dagloon
berekenen aan de hand van
de in de eigen administratie aanwezige gegevens, dus zonder dat nadere
gegevensuitvraag bij de werkgever nodig is. Deze benadering verdient
naar het oordeel van de regering veruit de voorkeur boven een
systematiek waarbij extra uitvraag van gegevens bij de werkgever wél nodig
is. Er is een alternatief om extra gegevensuitvraag bij de werkgever te voorkomen.
Het wetsvoorstel, zoals dat ter
becommentariëring aan
het Lisv werd voorgelegd, ging ervan uit dat het in een "gebroken"
premiebetalingstijdvak aan het begin van de referteperiode genoten loon bij de
berekening van het dagloon buiten beschouwing zou blijven. Op het
maximale aantal dagloondagen in de noemer van de breuk voor de
berekening van het dagloon zouden het aantal dagloondagen in het "gebroken" premiebetalingstijdvak binnen de referteperiode in
mindering moeten worden gebracht. De regering heeft evenwel niet voor deze
benadering gekozen. Het voorstel van de regering (toepassing
herleidingsfactor) leidt namelijk tot een grotere uniformiteit in de systematiek: er wordt
gekeken naar het loon dat is genoten in een referteperiode die altijd
dezelfde omvang heeft, namelijk één jaar, terwijl ook altijd wordt gedeeld
door hetzelfde aantal dagen, namelijk 261. In de benadering waarbij
"gebroken" premiebetalingstijdvakken buiten beschouwing worden
gelaten, wordt het refertejaar, voor wat betreft zowel het genoten loon
als het aantal dagloondagen waardoor dit wordt gedeeld, afhankelijk van
de omvang van het "gebroken" premiebetalingstijdvak, in voor elk geval (waarin
van een "gebroken" premiebetalingstijdvak sprake is) verschillende
mate verkort. Het feit dat daglonen in het voorstel van de regering
op uniforme wijze worden berekend, maakt het bovendien eenvoudiger om
in gevallen van samenloop van verschillende WW- of ZW-rechten en in
situaties waarbij in het refertejaar sprake is van meerdere gelijktijdige
werkgevers, een dagloon vast te stellen. In het commentaar van het Lisv
werd terecht opgemerkt dat, door het buiten beschouwing laten van "gebroken"
premiebetalingstijdvakken, niet alle seizoenspatronen in een
jaar in het dagloon worden verdisconteerd. Het voorstel van de regering,
dat in alle gevallen uitgaat van een referteperiode van één volledig jaar,
ondervangt dit bezwaar.
Vervallen subjectieve
beoordelingen als gevolg van geïncorporeerde evenredige correctie
Bij deze
berekeningsmethode is de evenredige verlaging in feite in de rekenregel voor het
dagloon geïncorporeerd. In gevallen waarin thans geen evenredige verlaging
nodig is, wordt het dagloon met behulp van deze formule - net als
nu feitelijk het geval is - direct vastgesteld op het loon dat in de
referteperiode gemiddeld per dag is verdiend.
Hetzelfde gebeurt met
gevallen waarin het dagloon in de huidige situatie evenredig moet worden
verlaagd. In de voorgestelde situatie is geen afzonderlijke evenredige
verlaging van het dagloon meer nodig.
In een aantal gevallen
zal volgens de voorgestelde berekeningsmethode rblz.|76|
in feite wel evenredige
verlaging van het dagloon plaatsvinden, waar dat thans niet het geval is.
Dat is het gevolg van het feit dat de evenredige verlagingsgronden in de
ZW
en de WAO een aantal subjectieve beoordelingsmomenten
(plegen, uit eigen vrije verkiezing) bevatten. Het kan voorkomen dat op
grond van die subjectieve beoordelingen thans geen evenredige verlaging
wordt toegepast.
Het achterwege laten van
deze subjectieve beoordelingen in de voorgestelde berekeningsmethode
vloeit voort uit de keuze voor een historisch dagloon. De noodzakelijke
subjectieve beoordelingen zijn een gevolg van het huidige prospectieve
karakter van het dagloon. Het dagloon is gebaseerd op hetgeen de werknemer
in de toekomst zou kunnen verdienen. Afwijkingen van het
normale arbeidspatroon, waarvan niet vast staat dat deze zich ook in de
toekomst zullen voordoen, kan men daarom niet laten meewegen in de maatstaf
voor het dagloon (het loon dat in de toekomst zou kunnen worden
verdiend). In dit wetsvoorstel wordt de keus gemaakt voor equivalentie tussen
premieloon en uitkeringsloon, alsmede voor een historisch dagloon. Als
gevolg daarvan wordt het dagloon in de nieuwe systematiek gebaseerd op
het loon dat in een periode in het verleden (de referteperiode) feitelijk
is verdiend en waarover tevens premie is betaald. In die context is geen
plaats meer voor de subjectieve beoordelingen die thans deel uitmaken van
de evenredige verlagingsgronden. Het achterwege laten van de subjectieve
beoordelingen leidt voorts tot een eenvoudiger en eenduidiger systematiek, waarbij de kans op fouten afneemt.
Bovendien hoeft het UWV
bij de toepassing van de voorgestelde berekeningsmethode niet
de voor het verrichten van de genoemde subjectieve beoordelingen noodzakelijke gegevens uit te vragen bij de
werkgever. In de huidige Dagloonregels
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (WW) komen de hiervoor bedoelde subjectieve
beoordelingen niet voor: in die regels is geen sprake van "plegen" of
"uit
eigen verkiezing". De beoordeling van de gronden voor evenredige verlaging
is daardoor objectiever. De voorgestelde berekeningsmethode heeft
daarom geen gevolgen voor de WW. De gevolgen voor de uitkeringsgrondslag voor de ZW en WAO zijn moeilijk in
te schatten. In die
gevallen waarin thans in verband met genoemde subjectieve beoordelingen
geen evenredige verlaging plaats zou vinden, gebeurt dat in de
voorgestelde berekeningswijze de facto wel, hetgeen
voor bedoelde gevallen
tot een lager dagloon leidt. In een aantal gevallen wordt een lager dagloon
ongewenst geacht. Hiervoor zal een limitatief aantal uitzonderingen
worden gemaakt. Naar verwachting beslaan deze uitzonderingen het
grootste deel van de gevallen, waarin thans op grond van de subjectieve
beoordelingen van evenredige verlaging wordt afgezien. Op deze uitzonderingen
wordt hieronder teruggekomen.
Vervallen van het
criterium "normaal gewerkte dagen"
In de huidige
berekeningsmethode wordt het dagloon gebaseerd op het loon verdiend op normaal
gewerkte dagen. Dit criterium beoogde het dagloonverlagende effect
van het minder (of het verhogende effect van meer) dan normaal werken
op het dagloon uit te schakelen. Dat werd, gelet op het prospectieve
karakter van het dagloon, nodig geacht: er mag niet van worden uitgegaan
dat factoren die hebben veroorzaakt dat er minder (of meer) is
gewerkt dan normaal zich in de toekomst ook zullen voordoen. Uit de keuze
voor het historisch dagloon/equivalentie tussen premieloon en
uitkeringsloon volgt dat dit criterium vervalt en het dagloon wordt gebaseerd
op al het loon dat in de referteperiode is genoten: maatstaf voor de
berekening van de uitkering is het in de referteperiode feitelijk genoten loon,
waarover tevens premie is betaald. Het is ook overigens niet onredelijk rekening te houden met al het in de referteperiode
verdiende loon, omdat
over dagen waarop minder dan de normale werktijd is
gewerkt ook minder loon is genoten en daarom dus minder premie is betaald
dan over het loon over dagen waarop wel de rblz.|77|
normale werktijd is
gewerkt. Bovendien geldt dat met de aanpassing van de dagloonsystematiek
lastenverlichting bij de werkgever wordt beoogd. Met het oog hierop moet
de gegevensuitvraag bij de werkgever beperkt van omvang blijven.
Wanneer de werkgever in het kader van de dagloonvaststelling geen gegevens over het
aantal normaal gewerkte dagen meer aan het UWV
hoeft te leveren, levert dit een belangrijke administratieve
lastenverlichting op.
Het feit dat ook (het
loon over) niet normaal gewerkte dagen bij de berekening van het dagloon in
aanmerking worden genomen, kan in een aantal gevallen tot een lager
dagloon leiden. Doordat bij de nieuwe berekeningsmethode voor het dagloon de
mogelijkheid wordt geschapen om in een aantal situaties uitzonderingen te maken, wordt dit effect evenwel goeddeels
ondervangen. Het aantal
mogelijke uitzonderingen wordt limitatief in de lagere regelgeving
opgesomd. Op deze wijze wordt het subjectieve criterium normaal
gewerkte dagen vervangen door objectief geformuleerde uitzonderingssituaties.
De ruimte om (het loon over) bepaalde dagen buiten de
berekening van het dagloon te laten, wordt hierdoor wel beperkter, maar de
belangrijkste effecten van het vervallen van het criterium "normaal gewerkte
dagen" worden door de uitzonderingen weggenomen.
Voorverlenging
Bij de berekening van het
dagloon wordt het in het refertejaar genoten loon in beginsel altijd
gedeeld door 261 dagen. Wanneer in het refertejaar maar weinig is gewerkt,
kan dit leiden tot erg lage daglonen. Met het oog hierop wordt voorgesteld
het dagloon in principe te baseren op het loon genoten in ten minste drie
premiebetalingstijdvakken. Als binnen de referteperiode niet ten minste drie volledige premiebetalingstijdvakken waarin loon is genoten,
worden gevonden, wordt de referteperiode voorverlengd tot het moment waarop
voor het eerst drie premiebetalingstijdvakken zijn gevonden. Omdat premiebetalingstijdvakken van zowel
één
maand als vier weken
mogelijk zijn, kunnen de gevonden tijdvakken qua omvang verschillend zijn.
De referteperiode wordt met ten hoogste één jaar voorverlengd. Indien
het dagloon na voorverlenging niet kan worden gebaseerd op het loon
genoten in drie premiebetalingstijdvakken, wordt het dagloon berekend op
basis van het in het voorverlengde refertejaar wel gevonden loon. Dit
betekent dat als aan het begin van het jaar van voorverlenging een
gebroken premiebetalingstijdvak ligt, moet worden berekend welk loon over
dat tijdvak moet worden meegenomen in de berekening.
De voorverlenging heeft
gevolgen voor de teller van de breuk voor de berekening van het
dagloon. Het na voorverlenging van de referteperiode gevonden totale loon
wordt gedeeld door 261 dagloondagen.
Voor de goede orde wordt erop gewezen dat het er bij de voorverlenging niet om gaat het dagloon
op drie volledig gewerkte premiebetalingstijdvakken te baseren. Van belang is
dat er drie premiebetalingstijdvakken worden gevonden waarin
enig loon is genoten.
Met voorverlenging wordt
beoogd de kans dat het dagloon als gevolg van een grondslag van minder
dan drie premiebetalingstijdvakken erg laag uitvalt te verkleinen.
Het Lisv merkt in zijn commentaar op dat bezien moet worden of een
minimum aantal gewerkte dagen als grondslag voor het dagloon, zoals dat in
de huidige dagloonsystematiek bestaat, moet worden gehandhaafd.
Hiertegen zijn twee bezwaren. Het wetsvoorstel, zoals dat aan het Lisv is
voorgelegd, ging uit van een berekeningsmethode voor het dagloon waarbij
het loon in de referteperiode werd gedeeld door gewerkte
dagen. Thans wordt een andere benadering voorgesteld, waarbij gewerkte dagen
geen rol meer spelen. Ten behoeve van de dagloonvaststelling
hoeft de werkgever derhalve geen gewerkte dagen rblz.|78|
meer te registreren. Het
hanteren van een minimaal aantal gewerkte dagen zou dus betekenen
dat werkgevers ten behoeve van de dagloonvaststelling, uitsluitend met het oog
op de mogelijkheid van voorverlenging, gewerkte dagen zouden
moeten registreren. Een tweede bezwaar is dat voor de beoordeling of op
het vereiste minimum aantal
dagen is gewerkt, extra
gegevensuitvraag bij de werkgever(s) noodzakelijk is. Het is derhalve niet
gewenst het dagloon ten minste te baseren op een minimum aantal gewerkte
dagen.
Wanneer
- in de huidige
systematiek - niet op het minimum aantal dagen is gewerkt, wordt het
dagloon gebaseerd op hetgeen de gelijksoortige werknemer zou hebben
verdiend. Het hanteren van de gelijksoortige werknemer acht de regering
in het kader van de voorliggende voorstellen geen alternatief. Nog
afgezien van de strijdigheid met de uitgangspunten "historisch
dagloon" en "equivalentie tussen premieloon en uitkeringsloon" wordt de
werknemer
wiens dagloon niet kan worden gebaseerd op het loon genoten in ten
minste drie premiebetalingstijdvakken in de voorverlengde referteperiode daardoor
onevenredig bevoordeeld boven de werknemer die in
de referteperiode in bijvoorbeeld vier premiebetalingstijdvakken loon heeft
genoten, welk
loon wordt gedeeld door 261 dagen.
Verschuiving
referteperiode
Het
Lisv wijst er in zijn
technisch commentaar op het wetsvoorstel op dat het kan
gebeuren dat een
werknemer bij een werkgever in dienst treedt en arbeidsongeschikt
wordt, terwijl er nog geen premiebetalingstijdvak is verstreken. Als de
werknemer voorts in de voorverlengde referteperiode geen loon heeft genoten,
kan geen dagloon worden vastgesteld. In die situatie is het de
bedoeling het refertejaar te verschuiven, zodat deze periode eindigt op de
laatste dag van het premiebetalingstijdvak waarin (dus niet voorafgaand
aan) de werknemer arbeidsongeschikt werd. Ter zake van de WW
zal
deze verschuiving in de praktijk niet nodig zijn, omdat in een situatie
waarbij in een periode van twee jaar geen loon is genoten betrokkene niet
aan de referte-eis voor de WW zal voldoen, zodat geen recht op
WW-uitkering ontstaat. Het feit dat doorbetaald loon na de eerste ziektedag bij de
dagloonvaststelling moet worden meegenomen, is, anders dan het Lisv
meent, geen bezwaar: indien minder dan 100% van het loon door de
werkgever is doorbetaald, wordt bij de dagloonvaststelling uitgegaan van het
overeengekomen loon dat de werknemer ware hij niet ziek
geworden in het laatste premiebetalingstijdvak van de (verschoven)
referteperiode zou hebben genoten.
Uitzonderingen
In een aantal situaties
kunnen de omstandigheden waarin de werknemer zich in de referteperiode
bevond een negatieve invloed uitoefenen op de hoogte van het dagloon.
Om ongewenste effecten te voorkomen, is het in een (limitatief) aantal
van deze situaties wenselijk om bij de berekening van het dagloon met deze
omstandigheden rekening te houden. Deze uitzonderingen krijgen
(evenals andere afwijkingen van de hoofdregel voor de berekening van
het dagloon) een wettelijke grondslag in de ZW, de
WW en de WAO. Nadere
uitwerking vindt plaats in de lagere regelgeving. Bij de behandeling van
elk van de uitzonderingen wordt hieronder aangegeven op welke wijze
daarmee bij de berekening van het dagloon rekening wordt gehouden.
Het gaat om de volgende
situaties:
a. genot van een ZW-, WW-
of WAO-uitkering of minder dan volledige loondoorbetaling tijdens
ziekte dan wel een uitkering op grond van rblz.|79|
hoofdstuk 3, afdeling 2,
paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg in de loop van de referteperiode;
b. opname van betaald of
onbetaald verlof tijdens de referteperiode;
c. werktijdverkorting
tijdens de referteperiode;
d. starten of
(her)intreden als werknemer tijdens de referteperiode.
Er zij in dit verband op
gewezen dat de beschreven situaties ook in de huidige
dagloonsystematiek doorgaans geen negatieve invloed hebben op de hoogte van het
dagloon.
Ad
a. In de
referteperiode liggen perioden waarin niet is gewerkt, omdat betrokkene ziek, werkloos
of arbeidsongeschikt was en een ZW-, WW- of
WAO-uitkering genoot, dan
wel wegens ziekte het loon niet volledig kreeg doorbetaald, of op grond
van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de
Wet arbeid en zorg een
uitkering in verband met zwangerschap en bevalling of adoptie genoot. Dit
kan het dagloon berekend volgens de hoofdregel ongunstig beïnvloeden.
In de referteperiode voorkomende uitkeringsdagen/loondoorbetalingsdagen
worden dan immers in de berekening van het dagloon betrokken
(er wordt gedeeld door 261 dagen ). Het feit dat iemand tijdens
de referteperiode niet heeft gewerkt, zou niet van invloed moeten zijn op de
hoogte van de uitkering wanneer dit het gevolg is van het intreden van
één van de ingevolge de werknemersverzekeringswetten verzekerde risico’s
(ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid). De betrokken werknemer is
op grond van deze wetten immers wel verzekerd. De Wet arbeid
en zorg regelt dat de werknemer in de zin van de ZW die
zwangerschaps- en
bevallingsverlof respectievelijk verlof in verband met adoptie
geniet tijdens dat verlof een uitkering ontvangt. Ook degenen die niet werkzaam
zijn in een privaat- of publiekrechtelijke dienstbetrekking, maar wel verzekerd zijn
op grond van de ZW, krijgen op grond van de Wet arbeid en zorg
een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling of adoptie. De uitkering in verband met zwangerschap en bevalling
werd tot de
inwerkingtreding van de Wet arbeid en zorg verstrekt op grond van de ZW. Bij de
bepaling van de hoogte van de zwangerschaps- en bevallingsuitkering en de
adoptie-uitkering zijn de
Algemene dagloonregelen Ziektewet
van overeenkomstige
toepassing. Hierboven is reeds aangegeven dat het genot van verlof tijdens
de referteperiode aanleiding is tot het maken van een uitzondering op de
toepassing van de hoofdregel voor de berekening van het dagloon. Omdat
het hier gaat om een uitkering waarvan de hoogte op dezelfde wijze
wordt bepaald als bij de ZW-uitkering, is besloten om met een
tijdens het refertejaar genoten zwangerschaps- en bevallingsuitkering
respectievelijk adoptie-uitkering op dezelfde manier om te gaan als met een
tijdens de referteperiode genoten ZW-, WW- of WAO-uitkering. Om een
nadelig effect van het genot van een ZW-, WW- of WAO-uitkering dan wel een
zwangerschap- en bevallingsuitkering of adoptie-uitkering tijdens
de referteperiode op de hoogte van het dagloon zoveel mogelijk te
voorkomen, wordt het gemaximeerde dagloon waarop die uitkering is
gebaseerd, vermenigvuldigd met het aantal in de referteperiode gelegen dagen waarover
die uitkering is genoten. De uitkomst hiervan wordt vervolgens
in de teller voor de berekening van het dagloon opgeteld bij het loon dat
betrokkene in de referteperiode heeft genoten. Het UWV
kent dit dagloon
reeds, zodat nadere gegevensuitvraag bij de werkgever niet nodig is.
Indien tijdens ziekte minder dan het volledige loon is doorbetaald,
wordt bij de berekening van het dagloon uitgegaan van het loon dat in het
premiebetalingstijdvak voorafgaand aan het tijdvak waarin de werknemer ziek
is geworden, werd genoten.
Ad
b. In de
referteperiode liggen perioden waarin niet is gewerkt, omdat onbetaald of betaald
rblz.|80|
verlof is opgenomen. Als het loon tijdens het verlof niet of slechts ten dele
werd doorbetaald, heeft het opnemen van verlof een negatieve invloed op
de hoogte van het dagloon. De dagen waarover verlof is opgenomen,
tellen bij de berekening van het dagloon immers volledig mee, terwijl op
die dagen doorgaans minder of zelfs geen loon zal zijn genoten. Gezien
het (immer toenemende) maatschappelijk belang van verschillende
(onbetaalde en betaalde) verlofvormen ligt het voor de hand dat zoveel mogelijk
wordt voorkomen dat het opnemen van verlof negatieve invloed heeft
op de hoogte van de uitkering. Dit gebeurt op de volgende wijze:
• bij onbetaald verlof
over de volledige werktijd wordt de werknemer in de
premiebetalingstijdvakken waarin het verlof valt, geacht hetzelfde loon te hebben genoten
dat hij in het laatste premiebetalingstijdvak voorafgaand aan de
aanvang van het verlof volgens de polisadministratie heeft genoten;
• bij gedeeltelijk
betaald verlof over de gehele werktijd of over een deel van de werktijd, dan wel
van onbetaald verlof over een deel van de werktijd, wordt het loon
dat de werknemer in de premiebetalingstijdvakken waarin het verlof valt,
geacht wordt te hebben genoten, herleid met behulp van
het feitelijk tijdens de verlofperiode verantwoorde loon en de gegevens
omtrent de verhouding tussen de normale werktijd en de
werktijd tijdens het verlof. De werkgever dient hiertoe aan het UWV
gegevens te leveren;
• bij verlof dat volledig
wordt doorbetaald, wordt uitgegaan van het tijdens de verlofperiode
verantwoorde premieloon.
Ad
c. Wanneer de
werknemer niet de gehele referteperiode heeft gewerkt, omdat aan het bedrijf
waar hij werkte verkorting van de werktijd is toegestaan, is het niet wenselijk dat
dit negatief doorwerkt in de hoogte van de uitkering. In geval van
werktijdverkorting wordt een negatief effect op de hoogte van de uitkering
zoveel mogelijk voorkomen. Hiertoe wordt in de teller van de breuk
voor de berekening van het dagloon uitgegaan van het loon dat de werknemer
tijdens de werktijdverkorting heeft genoten. Bij dit loon wordt opgeteld
het aantal dagen waarover in die periode WW-uitkering is genoten
vermenigvuldigd met het aan die uitkering ten grondslag liggende
gemaximeerde dagloon.
Ad
d. De betrokken
werknemer is in de loop van de referteperiode gestart of (her)ingetreden in het
arbeidsproces. Hoewel niet het gehele jaar in een verzekerde
arbeidsverhouding is gewerkt, wordt het loon genoten in de referteperiode toch
volgens de hoofdregel gedeeld door 261 dagen. Dit kan leiden tot erg lage
daglonen. Voorbeeld: wanneer een (her)intreder, die na een aantal jaren
weer aan het arbeidsproces gaat deelnemen, €|450,- per maand
verdient, na drie maanden werken ziek wordt en na een jaar in de WAO
terecht komt, is zijn dagloon €|1350,- : 261 dagen =
€|5,17. Wanneer geen
uitzondering wordt gemaakt voor starters/(her)intreders, leidt ook
het onderscheid tussen zieke werknemers die enerzijds recht hebben op loondoorbetaling en anderzijds recht hebben
op ziekengeld tot
ongewenste verschillen. In het geval van de werknemer die tijdens ziekte zijn
loon doorbetaald krijgt, wordt ten minste 70% van het loon doorbetaald. De
werknemer die recht heeft op ziekengeld krijgt 70% van zijn dagloon.
Voorbeeld: wanneer een schoolverlater nog niet zo lang werkt (bijvoorbeeld drie maanden
à €|450,-) en recht heeft op ziekengeld, wordt zijn dagloon bepaald op
het loon in het refertejaar, gedeeld door 261 dagen, terwijl de
uitkering op 70% van dat dagloon uitkomt. Het dagloon bedraagt derhalve:
€|1350,- : 261 dagen = €|5,17. De uitkering bedraagt:
€|5,17 x 70% = €|3,62
per dag. Dit is per maand: €|3,62 x 21,75 dagen =
€|78,74. Deze
schoolverlater ontvangt bij ziekte derhalve veel minder dan de schoolverlater in
exact dezelfde omstandigheden wiens loon tijdens ziekte wordt doorbetaald.
Deze ontvangt immers ten minste 70% x €|450,- =
€|315,- per
maand. De startende of herintredende werknemer die de pech heeft in het
eerste jaar van zijn (her)intrede op de arbeidsmarkt arbeidsongeschikt te
worden of arbeidsuren te verliezen, krijgt op rblz.|81|
basis van de
basisberekening dus een relatief laag dagloon. De regering acht dit niet redelijk.
Hierbij moet mede in aanmerking worden genomen dat de regering de
deelname aan het arbeidsproces van genoemde categorieën werknemers wil
stimuleren. Met het oog hierop wordt voorgesteld voor starters en (her)intreders
een aangepaste berekening van het dagloon te hanteren, om
te voorkomen dat het feit dat deze werknemers eerst in de loop van de
referteperiode voor de ZW, de WW
of de WAO verzekerd zijn geworden
een negatieve invloed heeft op de hoogte van de uitkering. Om negatieve
gevolgen van het starten/(her)intreden in de loop van het refertejaar zoveel
mogelijk te voorkomen, wordt voorgesteld het in het refertejaar
genoten (premie)loon te delen door het maximale aantal dagloondagen dat ligt
tussen het moment van aanvang verzekering en het einde van de
referteperiode. De nadere invulling van de begrippen starter en (her)intreder vindt
plaats in de lagere regelgeving.
Met behulp van
uitzonderingen op de algemene berekeningsformule voor het dagloon wordt een
aantal onwenselijke effecten voorkomen. Gelet op de doelstellingen van dit
wetsvoorstel - onder meer eenvoud en eenduidigheid in de systematiek
- heeft het creëren van uitzonderingen in beginsel niet de
voorkeur. Eén van de problemen van de huidige dagloonsystematiek is nu juist dat er vele
uitzonderingen op de hoofdregel voor de berekening van het
dagloon zijn. De uitzonderingsmogelijkheden zoals die thans bestaan - onder meer vervat in de criteria normaal gewerkte dagen, alsmede het plegen
en uit eigen verkiezing in de evenredige verlagingsgronden –
zijn te open geformuleerd en leiden bovendien tot te veel subjectieve
beoordelingen. Het maken van een aantal uitzonderingen is, ongeacht de
berekeningsmethode waarvoor men kiest, naar het oordeel van de regering
evenwel onontkoombaar. Daarom is er nadrukkelijk voor gekozen de situaties
waarin een uitzondering mogelijk is expliciet te benoemen en in aantal
te beperken.
Voordelen
De voorgestelde
berekeningsmethode heeft ten opzichte van de huidige berekeningsmethode de
volgende voordelen:
• een grotere
eenduidigheid dan de huidige berekeningsmethode: voor alle
dagloonberekeningen geldt dezelfde rekenregel. Slechts in een aantal, limitatief
opgesomde uitzonderingsgevallen wordt deze rekenregel aangepast. De
basisberekening blijft in alle gevallen dezelfde. Er wordt geen
onderscheid meer gemaakt tussen werknemers met een vast loon en
werknemers met een wisselend loon. Bovendien hoeft niet per individueel geval een andere berekening te
worden toegepast. Bij de
huidige berekeningsmethode moet in vele gevallen een van de
individuele omstandigheden afhankelijke evenredige verlagingsfactor worden
bepaald, die bovendien kan verschillen in overigens gelijke
situaties. Bij de voorgestelde berekeningsmethode is de evenredige
correctie in de rekenregel geïncorporeerd;
• een grotere eenvoud
dan de huidige berekeningsmethode: het vervallen van de
afzonderlijke evenredige correctie leidt tot een eenvoudiger en meer
overzichtelijke systematiek. Bovendien hoeven bij de voorgestelde berekeningsmethode diverse (subjectieve) beoordelingen,
die in de huidige
systematiek noodzakelijk zijn, niet meer te worden gemaakt. Niet
langer is immers relevant of iemand een vastloner of een wisselendloner
was, wat zijn normaal uitgeoefend beroep was en op hoeveel dagen
hij in de referteperiode heeft gewerkt. Nu de afzonderlijke evenredige
verlaging komt te vervallen, hoeft niet meer te worden beoordeeld of de
betrokkene minder werkte dan het voor hem normale aantal uren en of
hij afwisselend wel en niet werkzaam was. In dat kader hoeft ook
niet langer het plegen en uit eigen verkiezing te worden beoordeeld. De
uitvoering heeft slechts met een limitatief rblz.|82|
aantal uitzonderingen te
maken, die met behulp van de polisadministratie kunnen worden
geconstateerd;
• minder
administratieve lasten dan de huidige berekeningsmethode: de werkgever hoeft geen
gegevens meer te leveren over het vast- of wisselendloner
zijn van zijn werknemer, het normaal uitgeoefend beroep, het normaal
aantal werkuren, afwisselend wel en niet werkzaam zijn.
Conclusie
Het vorenstaande
overziend kan worden geconcludeerd dat de voorgestelde berekeningswijze
eenvoudiger, eenduidiger en administratief beduidend minder
belastend is dan de huidige berekeningsmethode voor het dagloon.
Vanzelfsprekend is nadere (technische) uitwerking van de berekeningsmethode
noodzakelijk. Dit zal zijn neerslag krijgen in de lagere regelgeving (AMvB) waarin
de dagloonsystematiek wordt opgenomen.
4.3.3.5. Indexering
Eenmaal vastgestelde
WW-
en WAO-daglonen volgen vanaf de eerste uitkeringsdag de
ontwikkeling van het wettelijk minimumloon. Bij de ZW
werken thans
algemene loonontwikkelingen in het beroep van de verzekerde tijdens de
duur van de uitkering door in de hoogte van het dagloon. Wanneer dit
ongewijzigd zou blijven, moet het UWV op dit punt bij de werkgever gegevens
blijven uitvragen. Met het oog hierop, doch ook omwille van de
eenduidigheid van de systematiek, wordt voorgesteld het eenmaal vastgestelde
ZW-dagloon, net als het WW- en WAO-dagloon, de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon
te laten volgen.
Het gevolg van dit
voorstel is dat het ZW-dagloon enigszins hoger of lager kan uitkomen dan thans
het geval is. Indien de ontwikkeling van het minimumloon láger is dan de algemene
loonontwikkeling in een sector, dan zal het ZW-dagloon in de
voorgestelde systematiek lager worden dan thans het geval is.
Indien de ontwikkeling van het minimumloon hóger is, is het omgekeerde het
geval.
Met betrekking tot de
vaststelling van het WAO-dagloon geldt in de huidige situatie het
volgende. De referteperiode voor de WAO is het jaar vóór de eerste
ziektedag. Dit betekent dat bij het vaststellen van een WAO-uitkering eerst
één
jaar moet worden overbrugd, namelijk de periode tussen het einde
van de referteperiode voor de dagloonvaststelling en de eerste
uitkeringsdag (het wachtjaar voor de WAO). In de huidige situatie werken
alle algemene loonontwikkelingen in het beroep van de verzekerde en
eventuele individuele loonwijzigingen in dat wachtjaar door in het
WAO-dagloon.
Dit om de tijdspanne tussen het einde van de referteperiode en de
eerste uitkeringsdag te overbruggen en om aan te sluiten bij het
prospectieve karakter van het dagloon.
Dit betekent dat het
huidige dagloon voor de WAO voor personen die vóór de eerste ziektedag een
gelijk loon genoten tóch kan verschillen. Dit kan verschillende oorzaken
hebben. Zo treedt in het ene geval wel, in het andere geen individuele
loonontwikkeling op: hoe meer individuele loonontwikkelingen, hoe hoger het
WAO-dagloon.
Ook valt een deel van de werknemers in het geheel
niet onder een CAO, zodat van algemene loonontwikkelingen die doorwerken in het
WAO-dagloon in het geheel geen sprake is.
Aldus kunnen diverse
ontwikkelingen en omstandigheden het op historische gegevens en op basis van
de equivalentiegedachte per einde referteperiode vastgestelde dagloon in
het wachtjaar op uiteenlopende wijze beïnvloeden. Het
uiteindelijk aan de WAO-uitkering ten grondslag
rblz.|83|
liggende dagloon is
daardoor niet meer in alle gevallen in gelijke mate historisch. Hetzelfde
geldt ten aanzien van de beoogde equivalentie. Verder moet ook hier weer
worden vastgesteld dat het rekening houden met algemene en
individuele loonontwikkelingen de werkgever en het UWV
administratief
belasten.
Met het oog hierop wordt
voorgesteld het WAO-dagloon te baseren op het loon dat in het
refertejaar, zoals dat nu wordt voorgesteld, is verdiend en dit dagloon tijdens de
periode vanaf het einde van het refertejaar tot de ingang van de
WAO-uitkering (het wachtjaar valt in deze periode) in alle gevallen op gelijke wijze
te indexeren. Ter zake wordt voorgesteld indexering te doen plaatsvinden
conform de indexering van het wettelijk minimumloon
en op de data waarop de
laatstbedoelde indexering plaatsvindt, te weten: 1 januari en 1 juli. Dit voorstel
heeft gevolgen voor de hoogte van het WAO-dagloon. Het toepassen van de
ontwikkeling van het minimumloon in plaats van de algemene
loonontwikkeling heeft dezelfde gevolgen als hierboven aangegeven bij het
ZW-dagloon. Het WAO-dagloon kan derhalve zowel lager als hoger uitkomen
dan bij toepassing van de huidige systematiek. Daarnaast heeft het niet
langer meenemen van individuele loonontwikkelingen een verlagend effect op
het WAO-dagloon.
Ten slotte zal het zich
kunnen voordoen dat zich tussen het einde van de referteperiode en het
intreden van ziekte of werkloosheid een algemene of individuele
loontwikkeling voordoet. Ook deze ontwikkeling zal, gezien de nieuwe systematiek voor
wat betreft de referteperiode, niet meer in het uitkeringsdagloon worden
meegenomen. Wel zal, indien tussen het einde van de referteperiode en
het intreden van het arbeidsurenverlies/de arbeidsongeschiktheid een
indexeringsdatum voor het wettelijk minimumloon
is gelegen, per die datum indexering
conform de indexering van het wettelijk minimumloon
plaatsvinden.
In de bijlage bij het
Lisv-advies wordt ten aanzien van de gestandaardiseerde indexering tijdens het
wachtjaar opgemerkt dat uit uitvoeringstechnisch oogpunt indexering valt
te verkiezen boven actualisering aan de individuele
loonontwikkeling.
4.3.3.6. Uniformering
maatmanloon en CBBS-loon aan het nieuwe sv-loonbegrip
Het
Lisv heeft in zijn
uitvoeringstechnisch commentaar aangegeven dat het zeer wenselijk lijkt
dat voor de vaststelling van het maatmanloon gebruik gemaakt kan
worden van de voor de premieheffing en dagloonvaststelling beschikbare gegevens. Als
dat niet zou gebeuren, dan zal meer dan in de huidige
situatie het geval is de definitie van het maatmanloon gaan afwijken van het
uitkeringsdagloon en zal er nog steeds een aanzienlijke
gegevensuitvraag bij de werkgever moeten plaatsvinden. Daarom wordt thans
voorgesteld de loonbegrippen die worden gehanteerd bij het vaststellen van
de mate van arbeidsongeschiktheid (het maatmanloon en het CBBS-loon) te
harmoniseren met het nieuwe sv-loonbegrip. Hierdoor
kan ook bij de vaststelling van het maatmanloon gebruik worden gemaakt
van de reeds beschikbare gegevens. Er hoeven door het UWV
dan geen
afzonderlijke loongegevens meer bij de werkgever te worden uitgevraagd.
Hierdoor worden de administratieve lasten voor werkgevers verlicht.
De harmonisatie van de
loonbegrippen (maatmanloon en CBBS-loon) zal plaatsvinden door middel
van een wijziging van het Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten.
rblz.|84|
4.3.3.7. Overige
voorstellen
Hierboven is een aantal
wijzigingen in de dagloonsystematiek geschetst die tot een
vereenvoudiging van de vaststelling van de uitkeringshoogte moet leiden. Naast de
voorgestelde wijzigingen zijn er nog tal van kleinere aanpassingen van de
dagloonsystematiek wenselijk. Op basis van de hier beschreven hoofdlijnen
zal een nieuwe dagloonregeling worden gemaakt; deze regeling zal in een
algemene maatregel van bestuur worden vastgelegd. In deze nieuwe regeling
zullen deze kleinere aanpassingen worden meegenomen. Het aldus resulterende
concept-Besluit dagloonvaststelling
werknemersverzekeringen
zal de Kamer ter kennisname worden toegezonden.
In de nieuwe
dagloonregeling zullen de thans op diverse plaatsen in de huidige dagloonregels
voorkomende anachronistische bepalingen worden geschrapt of moeten
worden aangepast.
Zo bevatten de Algemene dagloonregelen Ziektewet
bijvoorbeeld een regeling op grond waarvan verhogingen van
het loon op grond van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag die hebben plaatsgehad in
de wachttijd voor de ZW, doorwerken in het dagloon. Deze regeling is
destijds getroffen met het oog op de met de Wet terugdringing
ziekteverzuim (Wet TZ, 1993) ingevoerde wachttijd van twee of zes weken voor de ZW
(waarin de werkgever het loon moest doorbetalen). Met de inwerkingtreding
van de Wulbz (1996) is de Wet TZ ingetrokken
¹, waardoor bedoelde bepaling overbodig is geworden.
Een ander voorbeeld is de
regeling voor de vaststelling van het dagloon van stagiairs in de
dagloonregels WAO. Deze regeling kan vervallen: stagiairs zijn vanaf 1
januari 1999 niet meer verzekerd op grond van de WAO, maar op grond van de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).
1. Volgens de redactie
is de Wet TZ niet ingetrokken.
4.4.
Premieafdrachtsystematiek en polisadministratie
4.4.1. Premieafdrachtsystematiek
4.4.1.1. Hoofdlijnen premieafdracht op nominatieve aangifte achteraf
Voorgesteld wordt in de
toekomst over te gaan op één uniforme systematiek van premieafdracht. De
huidige systemen van premieafdracht komen daarmee te vervallen.
Vanuit het oogpunt van doelmatigheid is het immers niet wenselijk om
verschillende premieafdrachtsystemen naast elkaar te hanteren.
Het
UWV moet in beginsel
op basis van de gegevens uit de polisadministratie de hoogte van het uitkeringsdagloon kunnen berekenen. Het
uiteindelijke streven is
om binnen het UWV een gesloten bedrijfsvoering te bereiken. Dit houdt in
dat het UWV zowel voor de premieafdracht (collecterende functie)
als voor de uitkeringsverstrekking (distribuerende functie) van dezelfde
(loon)gegevens gebruik maakt. Hierdoor wordt de gegevensuitvraag bij de
werkgever ten behoeve van de uitkeringsverstrekking tot het minimum beperkt.
Gesloten bedrijfsvoering
kan alleen worden bereikt door een premieafdrachtsysteem op nominatieve aangifte
achteraf (PANA) in te voeren. Met PANA beschikt het UWV
namelijk over de meest actuele (loon)gegevens per werknemer.
In de volgende paragraaf worden de kenmerken van PANA
omschreven.
De bestaande
voorschotsystematiek (zie paragraaf 3.4.1) is niet geschikt aangezien het
UWV lopende
het premiejaar niet beschikt over actuele gegevens per werknemer.
Bij een uitkeringsverstrekking zou het UWV in alle gevallen gegevens
moeten uitvragen bij de werkgever. Er is uiteraard rblz.|85|
gekeken naar reeds
bestaande premieafdrachtsystemen die op aangifte achteraf werken. Deze
systemen zijn echter nog niet zodanig ingericht dat een gesloten
bedrijfsvoering wordt bereikt en daar komt bij dat zij ook niet volledig uniform zijn.
In combinatie met de
vereenvoudiging van de dagloonsystematiek en de introductie van de
polisadministratie leidt PANA tot:
• een verbetering van
de kwaliteit, actualiteit en betrouwbaarheid van de gegevens bij het UWV.
Omdat de uitkeringsverstrekking kan plaatsvinden op basis van de gegevens
in de administratie van het UWV, zullen werkgevers in de
toekomst aanmerkelijk minder vaak worden geconfronteerd met
incidentele gegevensuitvraag door het UWV; hierdoor zullen de
administratieve lasten en de uitvoeringskosten dalen;
• een premieafdracht
die beter aansluit op feitelijk bedrijfsactiviteiten en de betaalde loonsommen;
• het vervallen van de
5%-regeling van de voorschotsystematiek. Bij PANA rekent de werkgever
af over een afgesloten periode; daarin lopen schommelingen in de
loonsom automatisch mee. Het aantal correctienota’s zal
hierdoor afnemen;
• een betere
fraudebestrijding. Het UWV heeft meer zicht op actuele loongegevens op
werknemersniveau. Hierdoor wordt snellere en betere controle en dus
efficiëntere handhaving mogelijk.
De premieafdracht en de
berekening van de premie zal op een uniforme wijze geschieden. In
paragraaf 4.4.2.3 wordt beschreven op welke wijze werkgevers periodieke
loonopgaven aan het UWV moeten doen.
4.4.1.2. Kenmerken PANA
PANA sluit aan bij de
salarisbetalingscyclus van de werkgever. Bij een salarisbetalingsperiode
van één maand of vier weken zal de premieafdracht in dezelfde regelmaat
meelopen. Op basis van de (loon)gegevens over één maand dan wel
vier weken berekent het UWV de door de werkgever verschuldigde premies.
Indien de werkgever een salarisbetalingsperiode van één week kent, moet
hij de (loon)gegevens over één week aan het UWV leveren. Het
UWV stelt echter in deze situatie de verschuldigde premie per vier weken
vast. Hiermee worden de extra uitvoeringskosten die met een
premievaststelling per week gemoeid zouden zijn, voorkomen.
Het met de
premievaststelling gepaard gaande periodieke berichtenverkeer tussen de werkgever en
het UWV wordt in paragraaf 4.4.2.3 besproken.
Na de vaststelling van de
verschuldigde premies stuurt het UWV de werkgever een premienota, die hij
binnen een bepaalde termijn dient te betalen. Het is overigens
wenselijk dat de premie-invordering zoveel mogelijk plaatsvindt door
middel van automatische incasso. Dit is veel goedkoper. Daarnaast
bevordert dit de tijdige en snellere betaling van werkgevers.
Wijze van
premieberekening; voortschrijdend cumulatief rekenen
Voorgesteld wordt binnen
PANA de systematiek van voortschrijdend cumulatief rekenen te
hanteren. Deze berekeningswijze betekent dat na afloop van een
loonbetalingstijdvak de verschuldigde sv-premie wordt vastgesteld op basis van
het verschil tussen de cumulatieve loongrondslag per werknemer en het
cumulatief aantal gewerkte dagen (het totale feitelijk
verloonde bedrag én de gewerkte dagen in het jaar tot en met het laatste
loontijdvak) enerzijds en de gecumuleerde gegevens voor rblz.|86|
die werknemer op basis
waarvan de premie in de voorafgaande loonbetalingstijdvakken (dus tot het laatste
loontijdvak) is vastgesteld anderzijds.
Deze berekeningswijze
heeft als voordeel dat de gecumuleerde grondslag aan het einde van het
kalenderjaar per definitie gelijk is aan de totale grondslag. Dit betekent
dat de definitieve eindnota en correcties tot het minimum kunnen worden
teruggebracht, hetgeen een forse administratieve lastenverlichting zal
betekenen.
Nadeel van deze
berekeningswijze is dat deze systematiek behoorlijk complex is voor
werkgevers die handmatig hun loon-/salarisadministratie doen. De werkgever moet
immers steeds de gegevens van voorliggende loonbetalingstijdvakken
handmatig cumuleren en vergelijken. Deze wijze van premieberekening zal
derhalve een extra stimulans voor werkgevers vormen om over te gaan
naar een geautomatiseerde loon-/salarisadministratie én elektronische
gegevensaanlevering aan het UWV.
Het
UWV is formeel
verantwoordelijk voor de vaststelling van de door de werkgever verschuldigde
premies. Aan dit uitgangspunt wordt niet getornd. Wel zal nog
worden bezien of aan werkgevers de mogelijkheid zal worden geboden zelf
de hoogte van de premies te berekenen. Overwogen wordt aan werkgevers een
door het UWV ontwikkeld of gecertificeerd softwarepakket ter
beschikking te stellen. In dat geval levert de werkgever niet alleen de
loongegevens aan, maar ook informatie over het premiebedrag per
werknemer, per wet. Het UWV kan dan gelijk overgaan op de incasso. In een
geautomatiseerd salarissysteem worden de bruto-nettoberekeningen sowieso
uitgevoerd. De premievaststelling kan hierin direct meelopen.
Het Actal wil inzicht
hebben in de gevolgen voor de administratieve lasten voor het bedrijfsleven
indien aan werkgevers de mogelijkheid wordt geboden zelf de hoogte
van de premies te berekenen. Eveneens verzoekt het College aandacht te
besteden aan mogelijke alternatieven. Bij de overweging om aan werkgevers de
mogelijkheid te bieden zelf de hoogte van de premies te berekenen
zal het commentaar van het Actal worden meegenomen.
4.4.1.3. Financiële
gevolgen bij invoering PANA
Bij de overgang van een
voorschotsystematiek naar een premieafdrachtsysteem op aangifte achteraf
ontvangen de fondsen in het jaar van invoering hun
premiebaten op een later tijdstip dan nu het geval is. Waar de voormalig
uitvoeringsinstellingen die thans op voorschotbasis werken de premiebaten
over januari bij aanvang van deze maand afdragen, zullen ze dit
in een systeem op afdracht achteraf pas in de loop van februari doen. Zonder
nadere maatregelen leidt dit in het jaar van invoering derhalve tot
een verminderde liquiditeit bij de fondsen. Bij de invoering van één
uniform premieafdrachtsysteem op aangifte achteraf dient te worden bezien op
welke wijze het liquiditeitstekort kan worden opgelost. Insteek daarbij
is dat eventuele lasten zoveel mogelijk gelegd moeten worden op de
plaats waar ook de voordelen ontstaan. Aangezien het financiële voordeel
van het verschuiven van het betalingsmoment bij de werkgever ligt, is het
in principe niet de bedoeling dat de werknemer meebetaalt aan de
financiering van het liquiditeitstekort. Verder moet rekening worden gehouden
met het feit dat drie van de vijf voormalige uitvoeringsinstellingen
reeds in het verleden een premieafdrachtsysteem op aangifte achteraf
hebben ingevoerd. Bezien moet worden op welke wijze deze
uitvoeringsinstellingen dienen bij te dragen aan de oplossing van het
liquiditeitstekort. Op het kwantitatieve aspect van de liquiditeit van de fondsen wordt in
hoofdstuk 6 nader ingegaan.
rblz.|87|
Op
verzoek van het
ministerie van SZW heeft het Lisv eerder een aantal oplossingen aangedragen
ter dekking van de verminderde liquiditeit. Het is daarbij de bedoeling
het kaspatroon van de fondsen zodanig te herstellen dat de
gemiddelde kasstand van een fonds in een jaar niet wijzigt als gevolg van de
implementatie van een premieafdrachtsysteem op aangifte achteraf.
Volgens het toenmalige
Lisv kan dit worden bereikt door een eenmalige premieverhoging. Een
tweede oplossing is het heffen van extra voorschotten bij de werkgevers. Beide
oplossingen zijn mogelijk binnen de huidige wettelijke
kaders.
Een derde optie, die niet
door het Lisv is aangedragen, is dit punt te betrekken bij het
wegwerken van de vermogensoverschotten.
Het
Lisv geeft de
voorkeur aan een eenmalige premieverhoging. Dit is volgens het Lisv
administratief eenvoudiger en goedkoper te realiseren dan het heffen van extra
voorschotten.
Nadeel van deze oplossing
is wel dat geen rekening wordt gehouden met de mate waarin de
desbetreffende werkgevers (de rentelasten van) het liquiditeitsgat
veroorzaken. Een algemene premieverhoging heeft ook consequenties voor de
werkgevers die reeds premies afdragen op aangifte achteraf. Het is
volgens het Lisv niet meer dan redelijk dat deze werkgevers meebetalen; de
verminderde liquiditeit van de fondsen (als gevolg van toekomstige
extra rentelasten) wordt immers ook door hen veroorzaakt.
Voordat overgegaan wordt
tot implementatie van PANA, zal een definitieve oplossing voor de
verminderde liquiditeit van de fondsen worden getroffen.
4.4.1.4. Gevolgen van
PANA voor werkgevers
De voorgestelde
premieafdrachtsystematiek betekent voor het merendeel van de werkgevers een
administratieve lastenverlichting. Het gaat daarbij vooral om werkgevers met
een groot aantal werknemers (>50-100), die veel handelingen moeten
verrichten in het kader van de voorschotsystematiek. In de eerste plaats sluit
PANA aan bij de cyclus van de salarisadministratie van
de werkgever. In de tweede plaats vindt er premieafdracht plaats
over de feitelijk verloonde bedragen van de werkgever. Voor werkgevers die op
voorschotbasis premies betalen, sluit PANA veel nauwer aan bij
de verschuldigde premies over het in een bepaalde periode
verloonde bedrag. Verder hebben werkgevers die thans met de
voorschotsystematiek worden geconfronteerd geen last meer van de 5%-regeling. Zij
hoeven niet meer te beoordelen of de voorschotnota nog moet worden
aangepast. In combinatie met de herziening van de dagloonsystematiek en de
polisadministratie wordt de gegevensuitvraag bij de werkgever ten
behoeve van de uitkeringsverstrekking tot een minimum beperkt. PANA
bewerkstelligt immers dat de benodigde gegevens zoveel mogelijk reeds bij
het UWV bekend zijn.
Wel moet worden opgemerkt
dat de administratieve lastenverlichting van PANA voor kleine
werkgevers met een betrekkelijk stabiel personeelsbestand geringer is. Deze
werkgevers hebben bij de voorschotsystematiek in het algemeen zeer weinig
berichtenverkeer met het UWV. In het kader van PANA wordt de frequentie
van contacten met het UWV juist verhoogd; waar een kleine
loonmutatie thans geen invloed heeft op zijn voorschotnota, moet deze wijziging
(tezamen met de overige periodieke (loon)gegevens) straks wel
worden gemeld aan het UWV. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat ook
de kleine werkgever de voor de loonopgaven noodzakelijke gegevens
zal hebben opgenomen in de salarisadministratie en hij deze gegevens ook
nodig heeft voor de loonstroken die de werkgever aan zijn werknemers
verstrekt.
rblz.|88|
4.4.2. De
polisadministratie
4.4.2.1. Doel en
kenmerken van de polisadministratie
De polisadministratie zal
het centrale deel van informatiehuishouding van het UWV
worden, waarin is
vastgelegd wie gedurende welke periode voor welke wet verzekerd is,
op welk dienstverband of uitkeringsverhouding deze verzekering berust
en hoe hoog het verzekerde loon is. Het belangrijkste verschil tussen de
polisadministratie en VZA schuilt in de positie van de administratie bij
de uitvoering van de werknemersverzekeringen. Het UWV zal de
polisadministratie, meer dan thans de VZA, dienen te gebruiken bij de
uitvoering van zijn wettelijke taken en de andere taken waarvoor de Minister van
SZW toestemming heeft verleend. De geregistreerde gegevens zullen in
beginsel leidend zijn voor het vaststellen van de af te dragen premies
en voor het vaststellen van recht, duur en hoogte van de uitkeringen.
Hierdoor wordt het belang van werkgevers en werknemers bij een juiste
registratie in de polisadministratie vergroot. Dit zal de kwaliteit van de gegevens
en van de uitvoeringsprocessen ten goede komen.
De polisadministratie
heeft drie nauw met elkaar samenhangende functionaliteiten:
• registratie van de
cliëntenpopulatie (werkgevers, verzekerden en uitkeringsgerechtigden);
• registratie van
verzekeringsplichtige dienstverbanden en het daarbij behorende loon;
• registratie van
toegekende sv-uitkeringen.
De regering acht het van
belang dat deze onderdelen van de informatiehuishouding van het UWV
met waarborgen omkleed zijn. Daarom zal op
basis van dit
wetsvoorstel nadere uitwerking worden gegeven aan de inhoud, de herkomst, de
kwaliteitswaarborgen, de beschikbaarheid en het gebruik van deze
gegevens. De polisadministratie omvat echter niet alle gegevens die voor de
uitvoering van de werknemersverzekeringen nodig zijn. Voor de delen die
buiten de polisadministratie vallen, is het UWV vrij in het bepalen van de
inhoud en inrichting van de informatiehuishouding, uiteraard met
inachtneming van algemene wettelijke voorschriften zoals de Wet
bescherming persoonsgegevens.
De polisadministratie zal
het scharnierpunt vormen tussen de collecterende en de distribuerende
functie van het UWV. Uitgangspunt is dat de gegevens die in het kader
van de premieheffing worden verzameld ook gebruikt kunnen worden
voor het vaststellen van recht, duur en hoogte van de uitkeringen. Het
streven is erop gericht om bij uitkeringsaanvragen geen gegevens meer bij
werkgevers op te vragen die reeds in het kader van de collecterend
functie zijn aangeleverd (gegevens over de verzekerden, het dienstverband of het
verdiende loon). Dit betekent niet dat er in het geheel geen
informatie meer zal worden opgevraagd bij werkgevers. Een werkgever kan kiezen
of hij deze gegevens structureel wil aanleveren met behulp van
de periodiek loonopgaven of incidenteel als hij geconfronteerd wordt
met een geval van werkloosheid of arbeidsongeschiktheid in zijn bedrijf. Verder
zal een werkgever in bepaalde gevallen aanvullende
informatie moeten verstrekken over bijvoorbeeld de verwijtbaarheid van de
werkloosheid of over zijn reïntegratie-inspanningen in het geval van ziekte
en arbeidsongeschiktheid. Maar gegevens over dienstverbanden en lonen zal de werkgever maar
eenmaal
hoeven te verstrekken via
de periodieke loonopgave. Hierop zal nader worden ingegaan in
paragraaf 4.4.2.3.
rblz.|89|
4.4.2.2. Het externe
gebruik van de polisadministratie
Het belang van de
polisadministratie gaat verder dan de interne informatiehuishouding van
het UWV. Er zijn vele publieke instanties die behoefte hebben aan
betrouwbare en actuele registratie van gegevens over dienstverbanden,
loongegevens en sv-uitkeringen. De polisadministratie kan voor deze onderwerpen
een "authentieke registratie" gaan vormen. Dit betekent
dat de polisadministratie van het UWV in dat geval niet alleen ten
dienste staat van de uitvoering van de socialeverzekeringswetten en de andere taken van
het UWV, maar ook van (wettelijke) taken van
andere (publieke) instanties.
De polisadministratie zal
om te beginnen voor de Centra voor werk en inkomen (CWI's) en de GSD’s
als authentieke bron beschikbaar zijn. De CWI [Centrale
organisatie werk en inkomen, red.], het UWV
en de GSD’s
zijn schakels in de SUWI-keten en zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor een
klantvriendelijke en effectieve dienstverlening aan werkzoekenden en uitkeringsgerechtigden. Dit vereist onder
andere dat de
organisaties waar nodig en waar mogelijk gebruik moeten kunnen maken van gegevens
die reeds bij één van de andere organisaties in het SUWI-veld beschikbaar zijn.
Naast de
SUWI-organisaties zijn er andere, externe gebruikers van de gegevens uit de
polisadministratie aan te wijzen. Een goed voorbeeld is het gebruik van de
gegevens door ziekenfondsen. Op dit moment zijn werkgevers nog verplicht
om begin en einde van dienstverbanden zowel bij het UWV
(door middel
van de MSV) als bij het ziekenfonds (door middel van de verzekeringsverklaring
werkgever (VVW)) te melden. De VVW bevat grotendeels
dezelfde gegevens die de werkgever ook aan het UWV moet melden. In 1999
is een proef uitgevoerd waarbij de ziekenfondsen de aanmelding van nieuwe
dienstverbanden via de VZA van de voormalige
uitvoeringsinstellingen verkregen. De uitvoeringsinstellingen stuurden de gegevens over
aanvang en einde van dienstverbanden in elektronische vorm door
aan de ziekenfondsen. Deze proef is succesvol gebleken en is aanleiding
geweest voort te gaan op de weg van elektronische gegevensuitwisseling. Het
streven is erop gericht dat alle ziekenfondsen in de toekomst gebruik
zullen maken van deze gegevensuitwisseling.
Integratie van de
meldingen leidt tot een aanzienlijke reductie van de administratieve lasten
voor werkgevers en tot een bezuiniging op uitvoeringskosten bij
ziekenfondsen. Deze opbrengst valt op dit ogenblik nog niet te becijferen.
De implementatie van de gegevensuitwisseling kan ertoe leiden dat de aan-
en afmelding van dienstverbanden door werkgevers in de toekomst nog maar
bij één instantie, het UWV, hoeft te gebeuren. Het UWV levert
dan vervolgens deze gegevens door aan de ziekenfondsen. Indien de
gegevensuitwisseling in deze zin geoptimaliseerd kan worden en integraal
gebruik wordt gemaakt van deze mogelijkheid, kan te zijner tijd de
afzonderlijke meldingsplicht voor werkgevers uit de Zfw
worden geschrapt.
Hoewel de
polisadministratie hiermee voor de ziekenfondsen de facto gaat fungeren als
"authentieke registratie" van dienstverbandgegevens, is het nu nog te vroeg om
dit begrip wettelijk vast te leggen. Dit zal te zijner tijd gebeuren in het
kader van het interdepartementale programma Stroomlijning
Basisgegevens dat de gehele overheidsinformatievoorziening omvat. Op dit moment kan
worden volstaan met het benoemen van de ambitie
om uit te groeien tot "authentieke registratie". Wat in ieder geval wel
geregeld zal worden, is de beschikbaarheid van de gegevens in de
polisadministratie voor extern gebruik. Het UWV
zal verplicht dan wel bevoegd
zijn om de gegevens aan bepaalde instanties, rblz.|90|
voor bepaalde doeleinden
te verstrekken. Deze algemene regels zijn in de Wet
SUWI opgenomen.
Het Actal constateert dat
de polisadministratie sterk wordt ingezet op hergebruik van gegevens.
Het College is van mening dat dit hergebruik van gegevens zoveel mogelijk geïntensiveerd moet worden. De regering deelt deze zienswijze en
zal bezien op welke wijze dit eventueel vormgegeven zal worden.
4.4.2.3. Het
berichtenverkeer met werkgevers
De polisadministratie
wordt voornamelijk gevoed door de gegevens die werkgevers in het kader
van de premieheffing aan het UWV verstrekken. In deze
subparagraaf
wordt nader ingegaan op de opzet van het berichtenverkeer met
werkgevers.
Periodieke loonopgave
In de nieuwe
premieafdrachtsystematiek dragen alle werkgevers, afhankelijk van de salariscyclus per
maand of per vier weken, premies af. Dit betekent dat het UWV
na
afloop van deze salarisperiode moet weten welke werknemers er in
die periode verzekerd zijn geweest en hoeveel loon iedere werknemer
heeft genoten om te kunnen vaststellen hoeveel premies er moeten worden
afgedragen. De werkgevers dienen hiertoe alle noodzakelijke gegevens
aan te leveren aan het UWV.
Het
UWV stelt na afloop
van de salarisperiode de premies vast. Werkgevers dienen binnen een termijn
van twee weken een loonopgave te verstrekken. Uiterlijk na
afloop van deze twee weken (of zoveel eerder als een nieuwe loonopgave is
verstrekt) stelt het UWV de verschuldigde premies vast. Daarna
kunnen de premies worden geïnd, al dan niet via een automatische incasso.
Het gehele proces van gegevensaanlevering, premievaststelling en
premie-inning dient binnen een salarisperiode te zijn voltooid.
Bij de voorbereiding van
het wetsvoorstel zijn de mogelijkheden van een systeem van
mutatieberichtgeving onderzocht door de stuurgroep VZA van het toenmalige
Lisv.
Een werkgever zou in zo’n systematiek alleen gegevens verstrekken als
er iets veranderd is in zijn personeelsbestand of in de loongegevens. Als
een werkgever op een bepaald moment na het einde van de
salarisperiode geen mutaties heeft gemeld, zou het UWV
bij het vaststellen van de
premies uit kunnen gaan van de in de polisadministratie voorkomende gegevens.
Naar aanleiding van het commentaar van het Lisv en de
uitvoeringsinstellingen is echter besloten om deze mogelijkheid niet in het
wetsvoorstel op te nemen. Zij hebben erop gewezen dat een systeem
van mutatieberichtgeving complex, arbeidsintensief en foutgevoelig is.
Het
UWV zal worden
gevraagd om te onderzoeken of het mogelijk is om de lastendruk van
werkgevers als gevolg van de periodieke loonopgave (PLO) zo laag mogelijk te
houden door hen op basis van reeds bekende gegevens een
vooringevulde loonopgave toe te sturen. Een werkgever kan dan volstaan met het
aangeven van eventuele mutaties in die opgave. Indien er ten opzichte
van de vorige salarisperiode niets is gewijzigd, hoeft de werkgever de
vooringevulde PLO slechts te ondertekenen en te retourneren. Deze optie
is met name interessant voor werkgevers die geen geautomatiseerde
salarisadministratie (laten) voeren. Een belangrijke voorwaarde is wel dat het
gehele proces van aanmaken, opsturen, controleren en
retourneren van de PLO binnen twee weken kan worden afgewikkeld.
rblz.|91|
Het
Actal ziet meer
mogelijkheden in een internetvariant met een vooringevulde aangifte. De regering
deelt deze mening, maar zoals hierna zal worden opgemerkt, kan dit
niet verplicht worden gesteld. Het UWV zal worden gevraagd bij het
genoemde onderzoek rekening te houden met de opmerking van het
College.
Eerstedagsmelding
dienstverbanden
Op dit moment moeten
werkgevers naast de (periodieke) loonopgave het UWV
binnen vier weken op
de hoogte stellen van begin, einde en wijziging van de dienstverbanden in
hun onderneming. Dit gebeurt via de MSV. In het wetsontwerp
dat voor uitvoeringstechnisch commentaar aan het Lisv
en het CVZ is
voorgelegd, is het voorstel opgenomen om de afzonderlijke MSV te
laten vervallen. Werkgevers moeten mutaties in het personeelsbestand melden
via de PLO, met uitzondering van bepaalde - bij ministeriële
regeling aan te wijzen - groepen van werkgevers waar een handhavingsrisico
aanwezig is en die dan verplicht worden om nieuwe dienstverbanden eerder te
melden.
Mede naar aanleiding van
de ontvangen (uitvoeringstechnische) commentaren zal nog worden bezien of
vanuit het oogpunt van het voorkomen en bestrijden van premie- en
belastingontduiking, zwart werk en illegale arbeid het wenselijk is
om een systeem te introduceren waarmee het UWV niet later, zoals
thans voorgesteld, maar juist eerder inzicht krijgt in nieuwe dienstverbanden.
In dit kader overweegt de
regering een eerstedagsmelding dienstverbanden te introduceren. Deze eerstedagsmelding zou inhouden dat alle
werkgevers verplicht zijn
om op de eerste werkdag aan het UWV door te geven dat er iemand in
dienst is getreden. Om de administratieve lasten van deze handeling zo
beperkt mogelijk te houden, zal de vooraanmelding slechts een drietal
gegevens bevatten: aansluitingsnummer van de werkgever, het sofinummer van de
werknemer en de indicatie of een werknemer al dan niet verplicht verzekerd is op grond van de
Zfw. De werkgevers
staan verschillende,
eenvoudig te hanteren media ter beschikking om deze verkorte
eerstedagsmelding aan het UWV door te geven.
Het Actal heeft in zijn
advies aangegeven dat een dergelijke vooraanmelding tot nieuwe
administratieve lasten zal leiden. Het College wil inzicht hebben of de
administratieve lastenverzwaring opweegt tegen de voordelen die een
dergelijke aanmelding oplevert. De regering zal bij de overweging om een
vooraanmelding te introduceren deze opmerking van het Actal meenemen.
Uitbreiding PLO
Een werkgever kan ervoor
kiezen om de PLO uit te breiden met andere gegevens, mits dit niet
ten koste gaat van de kwaliteit en betrouwbaarheid van de
gegevensverstrekking. In de eerste plaats mag een werkgever ervoor kiezen om via de PLO
per werknemer per salarisperiode opgave te doen van het aantal
ziektedagen en aantal bijzondere verlofdagen. Als een werkgever dit consequent
doet, zal het UWV ook deze gegevens niet meer hoeven op te vragen als
een (ex-)werknemer later een beroep doet op de WW, ZW
of de WAO. Als een
werkgever volstaat met het aanleveren van de loongegevens zonder
daarbij aan te geven in hoeveel dagen dit loon is verdiend, dan zal het UWV
om deze gegevens (moeten) vragen als er een uitkering wordt
aangevraagd. Een werkgever zal zelf de afweging moeten maken wat in zijn geval
gunstiger is.
In de tweede plaats kan
een werkgever in overleg met het UWV ervoor kiezen om de PLO uit te
breiden met gegevens die nodig zijn voor de rblz.|92|
premieheffing van de
bedrijfstakeigen regelingen. In de Wet SUWI is de mogelijkheid gecreëerd voor het UWV
om deze werkzaamheden als andere taak uit te voeren. De
gecombineerde uitvoering van wettelijke regelingen en bedrijfstakeigen
regelingen
is immers gunstig voor de administratieve lastendruk van
werkgevers. Ook hier geldt de eis dat de uitbreiding van de PLO niet ten koste mag
gaan van de kwaliteit en betrouwbaarheid van de gegevensaanlevering.
In beide gevallen geldt
wél dat, áls een werkgever ervoor kiest om meer gegevens aan te leveren,
de werkgever verplicht is deze gegevens niet alleen correct en tijdig,
maar ook altijd aan te leveren. Het kan met andere woorden niet zo zijn dat
de werkgever de ene keer wel en de andere keer niet deze gegevens aanlevert. De bedoeling is immers dat het
UWV zonder nadere
gegevensuitvraag het recht op en de hoogte van de uitkering kan vaststellen. Daartoe
dient het UWV - vanzelfsprekend -
over alle relevante gegevens te beschikken. Dit betekent ook dat indien een werkgever
ervoor kiest om meer dan
de verplichte gegevens aan te leveren en bij een controle blijkt
dat de extra aangeleverde gegevens niet correct zijn, de werkgever een boete
zal worden opgelegd.
Werkgevers moeten dus van
tevoren zeer goed afwegen of het voor hen lonend is om meer
gegevens aan te leveren.
Verstrekken of
beschikbaar houden
De werkgevers zijn
verplicht om alle benodigde gegevens aan het UWV
te verstrekken. Uit hetgeen
hierboven is beschreven, moge duidelijk zijn dat dit op een voor de
werkgevers zo eenvoudig mogelijke manier vorm zal krijgen, hetgeen vanuit
het oogpunt van lastenverlichting van belang is. Er is onderzocht of er een
nog verdergaand systeem mogelijk en wenselijk is, dat inhoudt dat
werkgevers de gegevens niet aanleveren, maar op afroep in hun eigen
administratie beschikbaar houden. Een dergelijk systeem is om de volgende redenen
niet wenselijk.
In de eerste plaats heeft
het UWV in dat geval geen inzicht of werkgevers hun administratie op orde
houden. Het risico bestaat derhalve dat de gegevens op het moment
dat het UWV om de gegevens verzoekt (om welke reden dan ook) niet
of niet in de juiste vorm beschikbaar zijn. In de tweede plaats kan er
onduidelijkheid ontstaan over de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de werkgevers en
het UWV als het UWV niet zelf de gegevens beheert en
opslaat.
In de derde plaats moet
de polisadministratie uitgroeien tot een betrouwbare, authentieke registratie
van dienstverbandgegevens, die niet alleen ten dienste staat van de
eigen taken van het UWV, maar ook van andere publieke instanties. Het
doel hiervan is om de gegevensuitvraag bij werkgevers zoveel mogelijk terug
te
dringen. Dit vereist dat het UWV zelf de gegevens beheert en
daardoor beschikbaar kan stellen aan derden.
Het Actal adviseert om de
gevolgen voor de administratieve lasten voor het bedrijfsleven in
kaart te brengen, nu niet voor een dergelijk systeem gekozen wordt. De
regering is van mening dat de reeds uit anderen hoofde bestaande bezwaren tegen
een dergelijk systeem dermate groot zijn dat een eventuele
administratieve lastenverlichting daar niet tegen opweegt. In deze context is
inzicht in een eventuele lastenverlichting niet van belang.
Elektronische
gegevensaanlevering
Idealiter leveren
zoveel mogelijk werkgevers de berichten in elektronische vorm aan (op flop, tape
of via internet). De regering is van mening dat dit echter niet verplicht kan
worden gesteld. De werkgever moet de vrijheid houden om ook op papier
gegevens aan te leveren. Het UWV zal zowel rblz.|93|
voor elektronische als
papieren gegevensverstrekking voorzieningen moeten treffen. Voor de
elektronische gegevensaanlevering zal worden aangesloten bij generieke
concepten zoals ontwikkeld in het kader van het project Elektronische
Heerendiensten.
In zijn advies meent het
Actal dat elektronische gegevensaanlevering gestimuleerd moet worden.
De elektronische gegevensaanlevering dient verder uitgewerkt te
worden, waarbij aangesloten wordt bij bestaande initiatieven.
De regering is het met
het College eens. Inmiddels zijn er diverse trajecten waarin ICT-toepassingen
worden gestimuleerd, dan wel onderzocht. De elektronische
gegevensaanlevering in dit kader zal daarin worden meegenomen.
4.4.2.4. De
verantwoordelijkheid van de werknemer
Het
UWV zal bij het
afhandelen van uitkeringsaanvragen in eerste instantie uitgaan van de
gegevens die in polisadministratie zijn vastgelegd. Dit is ook in het belang
van de uitkeringsgerechtigden. Zij zullen in de toekomst niet meer
allerlei gegevens en inlichtingen hoeven te verstrekken die het UWV
al kent; er kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt van voorgedrukte
aanvraag- c.q. intakeformulieren. Dit geldt ook voor de
uitkeringsaanvragen die met de inwerkingtreding van de Wet
SUWI door de CWI’s zullen worden
uitgevoerd. Zoals gezegd, zal ervoor gezorgd worden dat de CWI’s
kunnen beschikken over de gegevens die bij het UWV reeds bekend zijn.
Om een extra controle in
te bouwen dat de gegevens in de polisadministratie actueel en betrouwbaar
zijn, krijgen de verzekerden (werknemers) met dit voorstel een
directer belang bij de juistheid en volledigheid van de gegevens in de
polisadministratie. Om deze controle mogelijk te maken, wordt het
berichtenverkeer tussen het UWV en werknemers aangepast en krijgen de
laatstgenoemden een actievere rol bij de registratie van hun gegevens door het
UWV.
Op dit moment hebben
werknemers slechts een beperkte rol bij de aan- en afmelding van hun
dienstverbanden bij het UWV. De werkgever is verplicht om aanvang,
einde en wijziging van de dienstverbanden te melden bij het UWV. Als
de gegevens in de VZA zijn opgenomen, ontvangt de werknemer van
het UWV een registratiebericht. Daarnaast krijgen werknemers
jaarlijks het zogeheten statusoverzicht. Hierop wordt vermeld hoeveel sv-dagen
het UWV in het voorgaande jaar heeft geregistreerd. Dit is onder meer van
belang voor het vaststellen het recht op WW. De verzekerde is
verplicht om de gegevens op de berichten te controleren en onjuistheden bij het UWV te melden. Idealiter zouden het
registratiebericht en het
statusoverzicht een controlemechanisme moeten vormen. In de praktijk
reageert echter slechts een klein percentage van de verzekerden op een
registratiebericht of een statusoverzicht. De geringe respons wordt onder meer
veroorzaakt door het ontbreken van een aantoonbaar belang. Als
controlemiddel voldoen het registratiebericht en het statusoverzicht
daarnaast niet, aangezien er geen gegevens op vermeld staan over het
loon dat de werkgever heeft opgegeven. Met de beoogde equivalentie
tussen premieloon en uitkeringsloon wordt het belang van de werknemer
vergroot om inzage te krijgen in de loongegevens die de werkgever bij het
UWV meldt.
Voorgesteld wordt daarom
om het registratiebericht en het statusoverzicht te vervangen door een verzekeringsbericht. Hierop vermeldt het
UWV alle gegevens die van
belang zijn voor recht, duur en hoogte van de uitkering. De verzekerde
is verplicht om de gegevens te controleren en rblz.|94|
onjuistheden of onvolledigheden te melden bij het UWV. Het UWV stelt in
het laatste geval een
nader onderzoek in, waarbij het noodzakelijk kan zijn om de werkgevers om
aanvullende informatie te vragen.
Er zou gekozen kunnen
worden voor een systeem dat een werknemer zich moet richten tot de
werkgever als hij constateert dat de gegevens niet kloppen. Dit is echter
niet wenselijk omdat bij conflictsituaties de gezagsverhoudingen tussen werkgever en
werknemers tot problemen kunnen leiden.
Het systeem van een
verzekeringsbericht met correctieplicht vereist meer van het UWV, maar geeft
meer zekerheid dat het controlemechanisme van de grond komt. Het
systeem geeft de drie partijen die betrokken zijn bij de uitvoering van de
werknemersverzekeringen een eigen en evenwichtige verantwoordelijkheid voor
een juiste registratie in de polisadministratie. Met een dergelijk systeem
worden derhalve de rechten van de werknemer uitgebreid. Waar hij nu
geen invloed heeft op de juiste gegevensverstrekking door zijn werkgever
(met
name loongegevens), krijgt hij in de toekomst wel een
controlemiddel.
In beginsel was het
voornemen om de werknemer bij iedere wijziging in zijn verzekeringspositie
een verzekeringsbericht te sturen. Een dergelijke wijziging kan
bijvoorbeeld een loonsverhoging zijn. Voorkomen moet echter worden dat dit
leidt tot te veel berichten. Dit zou niet alleen een (te) forse administratieve
belasting voor het UWV betekenen, maar, belangrijker, zou tevens het risico in
zich bergen dat werknemers het bericht niet of onvoldoende
controleren. Daarom wordt nu voorgesteld om de verzekerden in ieder geval aan het
begin van ieder nieuw dienstverband een initieel
verzekeringsbericht en daarmee tevens een bewijs van inschrijving te sturen. Als het
dienstverband eenmaal loopt, kan volstaan worden met een verzekeringsbericht
om de drie maanden. Op het verzekeringsbericht worden de actuele
gegevens over de laatste drie maanden en een cumulatief overzicht over de gehele
referteperiode vermeld. Het UWV zal een landelijke standaard ontwikkelen voor de berichtgeving aan de verzekerden.
Hierbij zal er uiteraard
voor gezorgd worden dat de formulieren duidelijk en
overzichtelijk zijn en voorzien van een voor iedereen begrijpelijke toelichting.
Indien een werknemer
verzuimd heeft om te reageren op onjuiste of onvolledige gegevens op
de verzekeringsberichten van het UWV, kan dit gevolgen hebben op het
moment dat hij een uitkering aanvraagt. Dit is de consequentie van de
uitbreiding van de rechten van de werknemer. Het UWV zal immers in eerste
instantie uitgaan van de gegevens in de polisadministratie en op basis daarvan
recht, hoogte en duur van de uitkering vaststellen. Als echter
de gegevens volgens de verzekerde niet juist zijn en er wordt volgens hem ten
onrechte geen of een te lage uitkering toegekend, heeft de verzekerde de
gelegenheid om de in de polisadministratie aanwezige gegevens aan te
vullen of te corrigeren. Het kan immers niet zo zijn dat de administratieve werkelijkheid van het UWV de echte werkelijkheid
opzij kan zetten. De
verzekerde zal dan wel aan de hand van betrouwbare bewijsstukken en
brondocumenten moeten aantonen dat het UWV niet over de juiste of
volledige gegevens beschikt. Hierbij kan worden gedacht aan
aanstellingsbrief, loonstroken, arbeidscontracten en bank- en giroafschriften. Indien
een werknemer aannemelijk kan maken dat het UWV niet over de juiste
gegevens beschikt, zal het UWV een onderzoek instellen. Hierbij is het
onvermijdelijk dat navraag wordt gedaan bij de (ex-)werkgevers. Zij
zullen de onjuiste gegevens moeten corrigeren en ontbrekende gegevens
moeten aanvullen. Tijdens dit onderzoek kan het UWV aan de verzekerde een
voorschot betalen op basis van de op dat moment beschikbare
gegevens. Als het onderzoek van het UWV is afgerond, zal de definitieve
uitkering worden vastgesteld en worden verrekend rblz.|95|
met het voorschot. Indien
blijkt dat de werkgever nalatig is geweest, kan dit leiden tot een
naheffing van niet-betaalde premies.
Het principe dat men van
rechtswege verzekerd is, wordt derhalve niet losgelaten.
4.5. Overgangsrecht
De voorstellen inzake het
loonbegrip (zie paragraaf 4.2) en de voorstellen inzake de
premieafdrachtsystematiek en polisadministratie (zie
paragraaf 4.4) krijgen na de
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel onmiddellijke werking. Op deze
voorstellen acht de regering geen noodzaak aanwezig tot het formuleren van overgangsrecht. Dit ligt anders bij de
voorstellen inzake de
dagloonsystematiek (zie paragraaf 4.3). Indien de herziening van de
dagloonsystematiek geconfronteerd wordt met onmiddellijke werking, betekent dit dat
het dagloon voor elke uitkeringsgerechtigde herzien zou moet worden
op basis van de nieuwe systematiek. Afgezien van de uitvoeringslasten
die deze operatie met zich mee zou brengen, acht de regering het
onwenselijk dat betrokkenen geconfronteerd worden met wijzigingen in de
hoogte (positief dan wel negatief) van hun uitkering als gevolg van dit
wetsvoorstel. De herziening van de dagloonsystematiek zal uitsluitend
"gevolgen" hebben voor diegenen van wie na de inwerkingtreding het verzekerd risico is
ingetreden. Voor een nadere toelichting op dit overgangsrecht
wordt verwezen naar het artikelsgewijze deel van deze
toelichting.
Op diverse plaatsen zijn
in de werknemersverzekeringen regelingen opgenomen die erop neerkomen dat,
onder nadere voorwaarden, een dagloon niet lager mag worden
vastgesteld dan een reeds eerder vastgesteld dagloon. Het kan
uiteraard in het kader van de toepassing van zo’n dagloongarantieregeling
voorkomen dat vóór de inwerkingtreding van deze
wet, onder
toepassing van de voorheen geldende regels, een dagloon is vastgesteld en
ná de inwerkingtreding van de nieuwe regels opnieuw een dagloon moet
worden vastgesteld, dat met het eerste dagloon moet worden
vergeleken. De regering is van mening dat voor deze situaties geen overgangsrecht dient te worden gecreëerd. Het gaat
hier om gevallen waarin,
onder toepassing van de voorheen geldende dagloonregels, het
beschermingsniveau reeds is vastgelegd. Bovendien kennen de onderscheidenlijke dagloongarantieregelingen elk een maximale
geldingsduur. Zo kent de dagloongarantieregeling die in het kader van de
WW
geldt een
maximale beschermingsduur van 7,5 jaar. De creatie van
overgangsrecht, waarbij het "tweede" dagloon nog volgens de vroegere regels zou
moeten worden berekend, zou betekenen dat het UWV
nog jarenlang na de
invoering van de nieuwe dagloonsystematiek ook de vroegere
dagloonregels zou moeten toepassen.
5.
Gevolgen
5.1. Inleiding
In hoofdstuk 1 van deze
memorie is aangegeven dat met onderhavig wetsvoorstel de volgende
doelen worden nagestreefd:
a. verlaging van de
administratieve lasten voor werkgevers;
b. verlaging van de
uitvoeringskosten van het UWV;
c. verhoging van de
rechtmatigheid van de uitkeringsvaststelling;
d. verbetering van de
handhaving;
e. vergroting van de
inzichtelijkheid van het stelsel.
In dit hoofdstuk wordt
aangegeven op welke wijze de eerder gepresenteerde voorstellen bijdragen aan
de realisatie van deze doelen. Dit betreft de gevolgen van de
wijzigingen die optreden in het gehele (administratieve) rblz.|96|
proces met
betrekking tot de uitvoering van de werknemersverzekeringen. Daarbij zal onderscheid
worden gemaakt voor de gevolgen voor werkgevers,
uitvoering en werknemers. Deels zijn deze gevolgen al bij de diverse
voorstellen aan de orde geweest. In dit hoofdstuk wordt een overzicht van deze
gevolgen op hoofdlijnen gepresenteerd. De gevolgen in kwantitatieve zin
zullen in hoofdstuk 6 aan de orde komen.
5.2. Gevolgen voor
werkgevers
5.2.1. Gevolgen van het
nieuwe sv-loonbegrip
De vereenvoudiging en
uniformering van het sv-loonbegrip betekent voor werkgevers op een aantal
punten een administratieve lastenverlichting.
In de eerste plaats
hoeven werkgevers allerlei incidentele beloningen niet langer te betrekken in de
premieheffing werknemersverzekeringen. Ook loon in natura valt niet
langer onder de premieheffing werknemersverzekeringen. Dit betekent dat een
werkgever ten aanzien van deze loonbestanddelen niet langer hoeft te
beoordelen óf deze aan premieheffing onderhevig zijn, en zo ja,
hoe deze elementen gewaardeerd moeten worden.
Ten aanzien van de
premieheffing werknemersverzekeringen kan de werkgever derhalve in het merendeel
van de salarisperioden uitgaan van het reguliere loon. Deze
reguliere verwerking gaat voor de meeste werkgevers thans al geautomatiseerd.
In de tweede plaats
betekent de uniformering van het sv-premieloon en het sv-uitkeringsloon dat
er bij het vaststellen van een uitkering niet langer gegevensuitvraag
bij werkgevers hoeft plaats te vinden ten aanzien van de verstrekte
loonbestanddelen. Het UWV heeft deze gegevens immers in de eigen
administratie beschikbaar; in het kader van de premieheffing leveren werkgevers immers
alle gegevens met betrekking tot de loonbestanddelen aan.
5.2.2. Gevolgen van de
nieuwe dagloonsystematiek
De administratieve
lastenverlichting voor werkgevers als gevolg van de nieuwe dagloonsystematiek
volgt vooral uit een sterke reductie van het aantal benodigde gegevens
dat een werkgever moet leveren bij het vaststellen van een uitkering.
Gegevens met betrekking tot bijvoorbeeld het beroep, het aantal
normaal gewerkte dagen en het "plegen" te werken, maar ook met betrekking
tot de algemene en individuele loonontwikkelingen, zijn niet langer
noodzakelijk voor het vaststellen van een uitkering.
Het Actal stelt in zijn
commentaar op dit wetsvoorstel vast dat de voorstellen ten aanzien van de
dagloonsystematiek leiden tot een omvangrijke vermindering van de
administratieve lastendruk. Ook het Lisv komt in zijn commentaar tot die
conclusie.
Het Actal adviseert
overigens te bezien of er in het kader van de dagloonsystematiek mogelijkheden gevonden
kunnen worden die, door meervoudig gebruik van loongegevens,
tot een verdere administratieve lastenreductie kunnen leiden. In dat
kader noemt hij als voorbeeld het recht op WW-uitkering, dat
gebaseerd is op een arbeidsurenverlies en niet op een inkomensverlies. Hij
vraagt of op dit onderdeel voor het bedrijfsleven een vermindering van
administratieve lasten gerealiseerd kan worden. In dit verband zij erop gewezen
dat bij de totstandkoming van de huidige WW voor de invulling van het
werkloosheidsbegrip is aangesloten bij de jurisprudentie van de Centrale Raad van
Beroep over het begrip werkloosheid in de vóór 1987
geldende WW. Het werkloosheidsbegrip is van essentiële betekenis voor de
inrichting en de uitvoering van de WW. Een heroverweging rblz.|97|
van het begrip valt
daarmee buiten de kaders van dit wetsvoorstel en wordt overigens door de
regering thans niet overwogen.
5.2.3. Gevolgen van de
premieafdrachtsystematiek en polisadministratie
De voordelen voor
werkgevers van een uniforme systematiek van premieafdracht op aangifte achteraf, in
combinatie met de invoering van de polisadministratie, zijn
gelegen in het feit dat deze systematiek garandeert dat de eerder
genoemde
gegevensuitvraag bij het vaststellen van een uitkering daadwerkelijk
achterwege kan blijven. Iedere andere vorm van premieafdracht kan deze
garantie niet bieden.
De introductie van een
uniforme systematiek van premieafdracht op aangifte achteraf
betekent dat werkgevers per salarisperiode de premies gaan afdragen. Voor die
werkgevers die dit thans al doen, heeft dit nauwelijks gevolgen. Voor die
werkgevers die thans de premies op voorschotbasis afdragen en beschikken
over een geautomatiseerde salarisadministratie (bij hen zelf dan wel via
een administratiekantoor) betekent de overgang een eenmalige
aanpassing van de systemen.
Alleen voor die werkgevers die thans op voorschotbasis werken en de salarisadministratie nog
handmatig uitvoeren, heeft de overgang grotere gevolgen. Dit betreft
nagenoeg altijd kleinere werkgevers met een stabiel personeelsbestand. Zij
dragen thans periodiek hetzelfde bedrag aan premies af en ondervinden
geen last van de eerder genoemde 5%-regeling. Na afloop
van het jaar wordt voor deze werkgevers het feitelijk verschuldigde bedrag
vastgesteld.
In de nieuwe systematiek
zullen deze werkgevers periodiek de gerealiseerde loongegevens moeten
doorgeven. Bij een stabiel personeelsbestand is dit evenwel geen
aanzienlijke lastenverzwaring, zeker niet als wordt overgegaan op
geautomatiseerde aanlevering.
De invoering van de
polisadministratie heeft voor werkgevers gevolgen voor wat betreft het
berichtenverkeer. Ook hier treedt een administratieve verlichting op voor
werkgevers. In de eerste plaats zal het merendeel van de werkgevers niet langer
een afzonderlijke aanmelding van een dienstverband hoeven in te sturen. Deze
kan samengaan met de eerste PLO. In de tweede plaats is het
streven om ook de VVW in het kader van de Zfw te laten vervallen.
5.3. Gevolgen voor het
UWV
Voor het UWV
betekenen de
voorstellen een forse vereenvoudiging wat betreft de
administratieve belasting met betrekking tot de uitkeringsvaststelling. In de eerste plaats kan
de noodzakelijke gegevensuitvraag bij werkgevers fors worden
gereduceerd. In de tweede plaats betekent de vereenvoudiging van de
dagloonsystematiek uiteraard een aanzienlijke reductie van de werklast
bij het vaststellen van de hoogte van de uitkering.
Ook de vereenvoudiging
van het loonbegrip betekent een administratieve verlichting voor het UWV.
Ten aanzien van een groot aantal loonbestanddelen hoeft immers niet meer te
worden bepaald en gecontroleerd of deze al dan niet
onderhevig zijn aan premieheffing werknemersverzekeringen.
Daarnaast treedt nog een
tweetal andere voordelen voor het UWV op. Ten eerste zal invoering
van de in hoofdstuk 4 besproken voorstellen, zoals het
Lisv in zijn
uitvoeringstechnisch commentaar opmerkt, de rechtmatigheid van de
uitkeringsvaststelling toenemen. De belangrijkste bron voor de onrechtmatigheid
van een vaststelling, de complexiteit van de rblz.|98|
dagloonregels, komt
immers te vervallen. Ook het Ctsv merkt in zijn commentaar op dat de
voorgestelde vereenvoudigingen de rechtmatigheid van de
uitkeringsvaststelling zeker ten goede zal komen. Het Ctsv plaatst hierbij wel de
kanttekening dat de dagloonvaststelling getalsmatig weliswaar een dominante
foutenbron is, maar dat het effect daarvan op de totale
rechtmatigheidsscore beperkt is als gevolg van de beperkte financiële omvang per
fout.
In de tweede plaats
zullen de handhavingsmogelijkheden toenemen. De administratie van het UWV
zal als gevolg van het systeem van premieafdracht achteraf altijd actueel
zijn. Dat betekent dat het UWV eerder kan signaleren of een
werkgever steeds de juiste gegevens heeft doorgegeven (en dus ook het juiste
bedrag aan verschuldigde premies heeft afgedragen).
5.4. Gevolgen voor
werknemers
Het belangrijkste gevolg
voor werknemers is dat het stelsel van werknemersverzekeringen inzichtelijker wordt. Met
name de vaststelling van de hoogte van de
uitkering, thans een voor niet-ingewijden nauwelijks te doorgronden systematiek,
zal inzichtelijker en begrijpelijker worden.
Een
tweede gevolg voor
werknemers is dat geen premieheffing meer plaatsvindt over
loonbestanddelen waarover geen uitkering wordt verstrekt. Dit bevordert
eveneens de inzichtelijkheid van het stelsel en versterkt het
verzekeringskarakter van de werknemersverzekeringen. Werknemers krijgen
ten slotte als gevolg van het verzekeringsbericht een beter inzicht in hun
verzekeringspositie.
6.
Financiële gevolgen
6.1. Inleiding
De voorstellen in het
onderhavige wetsvoorstel hebben ook financiële consequenties. Deze
financiële gevolgen kunnen worden onderscheiden in een drietal
categorieën.
In de eerste plaats
treden wijzigingen op in de macropremiegrondslag en de uitkeringslasten. Voor
zover deze zich vertalen in wijzigingen in de premiepercentages, zullen
zich ook mutaties in koopkracht en loonkosten voordoen. Daarnaast
betekenen de wijzigingen in het sv-premieloon dat op microniveau,
bijvoorbeeld in sectoren waar sommige loonelementen meer of minder dan
gemiddeld worden verstrekt, specifieke mutaties in koopkracht en loonkosten
kunnen optreden.
In de tweede plaats
zullen de uitvoeringskosten voor het UWV dalen. Deze gevolgen zijn in
kwalitatieve zin in het voorgaande hoofdstuk beschreven.
In de
derde, maar zeker
niet in de minste plaats ten slotte zullen de administratieve lasten voor werkgevers
dalen. Ook deze gevolgen zijn in kwalitatieve zin hiervoor beschreven.
Per categorie zal worden
aangegeven welke effecten optreden en zo mogelijk zal een
kwantitatieve indicatie worden gegeven van de omvang van de effecten. Hierbij
wordt afzonderlijk de invloed weergegeven van de diverse onderdelen van
het onderhavige wetsvoorstel:
• definiëring van sv-premieloon en sv-uitkeringsloon;
• vereenvoudiging en
uniformering van de dagloonsystematiek;
• aanpassing van
systematiek van premieafdracht;
• introductie
polisadministratie en berichtenverkeer.
rblz.|99|
6.2. Premieopbrengsten en
uitkeringslasten
6.2.1. Definiëring van
sv-premieloon en sv-uitkeringsloon
Als gevolg van de
voorstellen voor het nieuwe sv-premieloon en sv-uitkeringsloon kunnen,
zoals aangegeven, zich in de eerste plaats wijzigingen in de
macropremiegrondslag en de macro-uitkeringsgrondslag voordoen. In de tweede
plaats kunnen gevolgen voor de inkomens en loonkosten optreden.
Dit
wetsvoorstel heeft in
algemene zin tot gevolg dat de uitkeringslasten, alsmede de premielasten
op macroniveau, iets kunnen dalen. Dit is gunstig voor de
ontwikkeling van de loonkosten en het beschikbaar looninkomen. Op microniveau kan er
echter sprake zijn van hogere loonkosten en een (licht) negatief
koopkrachteffect. Dit vindt zijn oorzaak in iets hogere premies vanwege de
grondslagversmalling. De cijfers in de tabellen 4 en
5 moeten in
dat licht worden bezien.
Voorts is het nog de
vraag hoe deze operatie uitwerkt op de microlastenontwikkeling (MLO). In zowel de
huidige MLO-systematiek als in de MLO-systematiek zoals
voorgesteld door de Studiegroep Begrotingsruimte wordt met de
grondslagmutatie geen rekening en met de stijgende tarieven (indien zij zo
worden vastgesteld) wel rekening gehouden. Hierdoor zal de MLO een
lastenverzwaring aangeven terwijl dit niet als zodanig door werkgevers
en werknemers zal worden ervaren. Het ligt daarom in de reden om
deze operatie vooralsnog als niet-MLO-relevant aan te merken.
De financiële gevolgen
zijn berekend met behulp van gegevens uit het Arbeidsvoorwaardenonderzoek
(AVO) dat periodiek door de Arbeidsinspectie wordt uitgevoerd.
Gevolgen voor de premie-
en uitkeringsgrondslag
In hoofdstuk 4 is
aangegeven dat sommige loonelementen, die thans wel in de premiegrondslag
zitten, straks niet meer tot het premieloon worden gerekend. Voor de
uitkeringsgrondslag geldt dat er loonelementen zijn die thans niet tot het
uitkeringsloon behoren, maar straks wel, en omgekeerd. Er zullen dus wijzigingen
in deze grondslagen optreden.
Op basis van de
voorstellen zal de macropremiegrondslag per saldo versmallen, omdat een
aantal loonelementen niet meer tot de premiegrondslag worden gerekend. In
onderstaande tabel is de huidige premiegrondslag voor de WAO,
WW (wachtgeldfondsen en Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf))
en Zfw gepresenteerd, alsmede de nieuwe premiegrondslag. De
uitkeringslasten van de ZW-vangnetuitkeringen worden door middel van
een opslag op de wachtgeld- respectievelijk de AWf-premie gefinancierd.
Tabel 3. Gevolgen van de
definiëring van het nieuwe sv-loonbegrip voor de macropremiegrondslag (2001, miljard
euro's):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Zfw
|
Aof
|
AWf
|
wgf
|
|
Grondslag 2001
|
101,2xxxx |
162,9xxxx |
58,4xxxx |
132,4xxxx |
|
Effect mutatie
loonelementen
|
–2,5xxxx |
–4,1xxxx |
–1,5xxxx |
–3,3xxxx |
| Nieuwe
grondslag 2001
|
98,7xxxx |
158,8xxxx |
56,9xxxx |
129,1xxxx |
Per saldo bedraagt de
grondslagversmalling voor Zfw, het Arbeidsongeschiktheidsfonds
(Aof), het AWf respectievelijk de wachtgeldfondsen derhalve circa 2,5%.
rblz.|100|
De
wijziging van de
macro-uitkeringsgrondslag verschilt van de wijziging van de premiegrondslag.
Zoals in hoofdstuk 3 is aangegeven, behoren sommige loonelementen
thans niet tot het sv-premieloon, maar wel tot het sv-uitkeringsloon, en
omgekeerd. De definiëring van het sv-uitkeringsloon, zoals
gepresenteerd in hoofdstuk 4, heeft per saldo voor de WW
een verlagend
effect op de uitkeringslasten, zij het dat deze geringer is dan de daling
van de premiegrondslag. Macro gezien daalt de uitkeringsgrondslag voor
de WW door het vervallen van de pensioenpremie in het uitkeringsloon;
deels wordt dit echter weer geneutraliseerd door de loonelementen die
in de nieuwe situatie wel worden meegeteld in de grondslag waar dit
thans niet het geval is (bijvoorbeeld 13e-maanduitkering). Per saldo resulteert een
versmalling van de uitkeringsgrondslag voor de WW van 0 à 0,5%.
Voor de WAO en de ZW blijft de macrogrondslag ongeveer
gelijk, omdat de effecten van toevoeging en verwijdering van
loonelementen uit de grondslag elkaar opheffen.
De wijziging in de
uitkeringsgrondslag treedt zeer geleidelijk op; de voorstellen gelden immers alleen voor
nieuwe uitkeringen. In het eerste jaar na invoering van de
voorstellen zal er geen invloed uitgaan van de wijziging van de
uitkeringsgrondslag op de hoogte van de premies.
Er dient te worden bedacht dat de voorstellen met betrekking tot de wijze van berekening van het
uitkeringsloon (dagloonsystematiek) ook invloed hebben op de
uitkeringsgrondslag. Deze komen in paragraaf 6.2.2 aan de orde. De raming van de
totale gevolgen voor de uitkeringsgrondslag zal om deze redenen
kunnen worden gemaakt als beide effecten in beeld worden gebracht.
Inkomensgevolgen
In het eerste jaar na
inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel zullen de gevolgen voor
de premiegrondslag zich direct voordoen. Deze wijzigingen zullen worden
meegenomen in de premiestelling voor het jaar na inwerkingtreding.
De gevolgen voor de
uitkeringsgrondslag treden, zoals aangegeven, zeer geleidelijk op. In het
eerste jaar na inwerkingtreding zal van de wijziging in de uitkeringsgrondslag om
die reden geen effect uitgaan op de premiepercentages.
De gevolgen voor de
inkomens en loonkosten zullen hieronder alleen voor het eerste jaar na
inwerkingtreding worden gepresenteerd. In hoeverre de wijzigingen in de
premiegrondslag daadwerkelijk tot aanpassing van de premiepercentages leiden,
is onder meer afhankelijk van de vermogensposities van de desbetreffende
fondsen. Gezien de ruime overschotten van de sociale fondsen in
de huidige situatie kan het effect op de premiegrondslag ook worden opgevangen via
de vermogensoverschotten en zou premiestijging niet aan
de orde hoeven zijn.
Uitgaande van de
veronderstelling dat de daling van de premiegrondslag volledig wordt
doorvertaald, zullen de premiepercentages moeten worden verhoogd. De effecten
voor de premiepercentages zijn gepresenteerd op basis van de vastgestelde
percentages voor het jaar 2001. De WAO-premie zal dan stijgen met
0,2 procentpunt. Het werkgeversdeel van de AWf-premie stijgt met 0,1
procentpunt en het
werknemersdeel van de AWf-premie 0,15%. Voor de gemiddelde
wachtgeldpremie bedraagt de stijging 0,02 procentpunt; deze geringe stijging is het
gevolg van het zeer lage niveau van de gemiddelde wachtgeldpremie voor het
jaar 2001. De effecten voor de Zfw-premie bedragen voor werkgevers
0,15% en werknemers 0,05%.
Indien de
premiepercentages stijgen zoals hierboven aangegeven, treden gevolgen op voor de
netto-inkomens van werknemers. In onderstaande tabel zijn deze gevolgen
gepresenteerd. Daarbij is verondersteld dat de werknemers in de
gepresenteerde inkomenscategorieën geen loonelementen rblz.|101|
ontvangen die
thans wel tot het sv-premieloon behoren, maar in de nieuwe situatie
niet meer tot het sv-premieloon worden gerekend. De gepresenteerde
inkomensgevolgen betreffen derhalve de meest ongunstige situatie.
Tabel 4. Inkomensgevolgen
op basis van volledige doorwerking van de versmalling van de premiegrondslag in
de premiepercentages:
| Werknemers alleenstaand:
|
|
minimumloonxxxxxxxxxxxxx |
–0,1%xxxxxxxx
|
| modaal
|
0,2%xxxxxxxx |
| 1,5 * modaal
|
–0,1%xxxxxxxx |
| 2 * modaal
|
–0,1%xxxxxxxx |
| 3 * modaal
|
0,0%xxxxxxxx |
| Werknemers
alleenverdiener:
|
| minimumloon
|
–0,1%xxxxxxxx |
| modaal
|
–0,2%xxxxxxxx |
| 1,5 * modaal
|
–0,1%xxxxxxxx |
| 2 * modaal
|
–0,1%xxxxxxxx |
| 3 * modaal
|
0,0%xxxxxxxx |
Uit bovenstaande tabel
blijkt, uitgaande van de gehanteerde veronderstellingen, dat voor alle
inkomensniveaus een lichte inkomensachteruitgang resulteert. De
inkomensachteruitgang is het grootst voor de inkomensniveaus modaal en
anderhalf maal
modaal. Inkomens boven anderhalf maal modaal ondervinden
relatief gezien een geringere achteruitgang. Dit is het gevolg van het
feit dat de premies worden ingehouden tot het maximumpremieloon.
Bovenstaande gevolgen
betreffen voor iedereen geldende mutaties. In individuele gevallen
kunnen daarnaast positieve mutaties optreden. Dit is het geval indien
werknemers loonelementen genieten die thans wel premieplichtig zijn, maar
in de nieuwe situatie niet langer premieplichtig zijn. Van het aantal
personen dat dit betreft, alsmede de mate waarin zij een voordeel ondervinden,
kan geen inschatting worden gemaakt.
Gevolgen voor de
loonkosten
Indien de versmalling van
de premiegrondslag volledig wordt doorberekend in de premiepercentages,
zal voor categorieën werkgevers een loonkostenwijziging
optreden.
In onderstaande tabel
zijn de gevolgen voor de loonkosten voor verschillende inkomensniveaus
gepresenteerd. Ook hier geldt de kanttekening dat is uitgegaan van de
maximale effecten in relatie tot de premieverhoging voor werkgevers die niet
het voordeel ondervinden van loonelementen waarover geen premie meer
hoeft te worden afgedragen.
Tabel 5. Gevolgen voor de
loonkosten op basis van volledige doorwerking van de versmalling van de
premiegrondslag in de premiepercentages:
| Werknemers alleenstaand: |
|
minimumloonxxxxxxxxxxxxx |
0,4%xxxxxxxx |
| modaal |
0,3%xxxxxxxx |
| 2 * modaal |
0,2%xxxxxxxx |
| Werknemers
alleenverdiener: |
| minimumloon |
0,4%xxxxxxxx |
| modaal |
0,3%xxxxxxxx |
| 2 * modaal |
0,2%xxxxxxxx |
rblz.|102|
Ook ten aanzien van de
loonkosten geldt dat zich op microniveau positieve effecten kunnen voordoen.
Dit is het geval als loonelementen worden verstrekt die
thans wel en straks niet premieplichtig zijn.
6.2.2. Vereenvoudiging en
uniformering van de dagloonsystematiek
De premiegrondslag
ondervindt geen gevolgen van de wijziging van de dagloonsystematiek. Wel
zijn effecten te verwachten met betrekking tot de hoogte van de uitkeringen
en dus de uitkeringslasten. Ook hiervoor geldt dat deze effecten zich
geleidelijk in de tijd zullen voordoen. De gevolgen treden immers alleen op
voor nieuwe uitkeringen.
De wijzigingen in de
totale uitkeringslasten vallen uiteen in twee hoofdcategorieën.
De eerste hoofdcategorie
betreft de wijzigingen die zijn voorgesteld in de regels ten aanzien van
het vaststellen van het dagloon. Het gaat daarbij om de volgende
wijzigingen:
• het vervallen van het
beroep bij de vaststelling van het dagloon;
• incorporatie en
objectivering van de evenredige correctie;
• uniformering van de
wijze van indexering van de daglonen;
• uniformering van de
referteperiode;
• uniformering van de
berekeningswijze van de daglonen;
• het vervallen van
bijzondere dagloonbesluiten.
Zoals in hoofdstuk 4 is
aangegeven, kunnen de uitkeringen als gevolg van deze wijzigingen zowel
hoger als lager uitvallen in vergelijking met de huidige situatie. Zoals
in hoofdstuk 4 eveneens is aangegeven, is een inschatting van het
aantal personen dat gevolgen ondervindt van de wijzigingen, alsmede de mate waarin
zij een wijziging ondervinden, niet te geven. Wel kan worden
gesteld dat er geen aanleiding is te veronderstellen dat een verlaging van de
uitkeringen in vergelijking met de huidige situatie zich vaker zal
voordoen dan een verhoging. Ook het omgekeerde is het geval. Derhalve
mag worden aangenomen dat per saldo geen wijziging van de totale
uitkeringslasten zal optreden als gevolg van de hierboven gepresenteerde
wijzigingen.
Een tweede hoofdcategorie
met betrekking tot de voorgestelde dagloonsystematiek betreft de overgang op
het historisch dagloon.
Zoals in hoofdstuk 4 al
is aangegeven, zal de invoering van het historisch dagloon een verlagend
effect op de uitkeringslasten hebben. Algemene loonsverhogingen in de
referteperiode worden immers niet langer volledig meegenomen in de
hoogte van het dagloon, maar slechts vanaf het moment dat deze zijn
genoten.
Ten aanzien van het WAO-dagloon geldt daarnaast dat, in tegenstelling tot de huidige situatie, ook
individuele loonsverhogingen in de referteperiode, alsmede het wachtjaar
voor de WAO, niet langer worden meegenomen in de hoogte van het
dagloon. Wél wordt, anders dan in de huidige situatie, het
vastgestelde dagloon gedurende het wachtjaar voor de WAO geïndexeerd met
de WKA-index (Wet koppeling met afwijkingsmogelijkheid).
De gevolgen voor de
WAO-uitkeringslasten als gevolg van de invoering van het historisch
dagloon zullen derhalve het grootst zijn. Uitgaande van de gemiddelde
loongegevens en de WKA-index 2000 (gegevens Macro Eeconomische Verkenning)
zal op de
lange termijn een verlaging van de uitkeringsgrondslag van circa 1% à 2% resulteren. In de eerste jaren na inwerkingtreding van
het
onderhavige wetsvoorstel zullen deze gevolgen uiteraard veel geringer
zijn.
Voor de WW en de ZW zullen de effecten, ook op de lange termijn, beperkter zijn.
rblz.|103|
6.2.3.
Premieafdrachtsystematiek
In hoofdstuk 4 is
aangegeven dat een uniforme premieafdrachtsystematiek gebaseerd op nominatieve
afdracht achteraf zal worden geïntroduceerd. In de huidige situatie
hanteert het UWV meerdere systemen.
Op zich zullen als gevolg
van deze wijziging geen mutaties in de omvang van de premieopbrengsten
optreden. Wel zal de zorgvuldigheid van de premieafdrachten kunnen
toenemen. Ook op de uitkeringsgrondslag heeft de voorgestelde overgang
geen gevolgen.
Ten aanzien van de
premieopbrengsten ontstaat wel een incidenteel vraagstuk. Door de
overgang van de voormalige uitvoeringsinstellingen die thans nog de
voorschotsystematiek hanteren (het voormalige Cadans en
GAK) naar een
premieafdrachtsysteem op aangifte achteraf zal, zoals in hoofdstuk 4 al is
aangegeven, eenmalig een premiederving ontstaan. Door het Lisv
is deze
premiederving geschat op circa €|1,4 miljard.
6.2.4. Polisadministratie
Als gevolg van een
verbeterde polisadministratie zullen zowel de premie-inning als de
uitkeringsverzorging meer zorgvuldig kunnen worden verricht. Op macroniveau
wordt echter geen rekening gehouden met een effect op de uitkerings-
of premiegrondslag.
6.3. Uitvoeringskosten
Het UWV
heeft thans hoge
uitvoeringskosten als gevolg van de huidige situatie. Allereerst moet
het UWV bij het vaststellen van het recht op een uitkering in de meeste
gevallen gegevens uitvragen bij de werkgevers. Daarnaast zijn de
dagloonregels zeer complex. Zoals gezegd, bestaan er per wet verschillende
algemene dagloonregels; daarnaast kennen de verschillende wetten nog
een groot aantal bijzondere dagloonbesluiten voor allerlei groepen
werknemers en allerlei bijzondere loonelementen.
Onder invloed van de
voorgestelde wijzigingen kunnen de uitvoeringskosten bij het UWV
structureel
dalen. Naar verwachting zullen echter wel incidentele
aanpassingskosten noodzakelijk zijn, met name in relatie tot aanpassing van de
automatiseringssystemen.
Het UWV zal het recht op
en de hoogte van een uitkering straks rechtstreeks kunnen afleiden uit hun
eigen administratie. Uitvraag bij de werkgever wordt - indien al
noodzakelijk - op deze wijze tot een minimum beperkt. Het vaststellen
van de hoogte van de uitkering zal als gevolg van de aanpassing van de
dagloonregels ook veel eenvoudiger worden.
De kostenvoordelen zullen
zich voordoen bij de activiteiten in het kader van de claimafhandeling
(totale kosten €|795 miljoen), premie-inning (kosten
€|125 miljoen) en
basisregistratie (kosten €|72,5 miljoen). De omvang van de daling van de
uitvoeringskosten is thans moeilijk in te schatten. Indien een kostenreductie van 5% bij
de claimafhandeling en 10% bij de overige kostencategorieën zou
optreden, zou een besparing van €|45 à
€|67,5 miljoen worden gerealiseerd
(hierbij is ook gekeken naar berekeningen die medio jaren negentig zijn
uitgevoerd ten aanzien van vergelijkbare voorstellen).
6.4. Gevolgen voor
werkgevers
6.4.1. Administratieve
lasten huidige situatie
Het Economisch Instituut
Midden- en kleinbedrijf (EIM) heeft voor het ministerie van SZW een
meetmodel ontwikkeld met behulp waarvan de administratieve lasten
uit hoofde van de werknemersverzekeringen rblz.|104|
kunnen worden berekend.
Het model stelt SZW in staat om beleidsvoorstellen op het terrein van de
werknemersverzekeringen door te rekenen voor wat betreft
de gevolgen op de administratieve lasten. Tevens is met behulp van
het model een nulmeting gemaakt voor de administratieve lasten
uit hoofde van de werknemersverzekeringen.
Op basis van deze
nulmeting bedragen de administratieve lasten voor werkgevers uit hoofde van
de werknemersverzekeringen ruim €|850 miljoen. In tabel 6 worden deze
lasten onderverdeeld naar een aantal categorieën:
Tabel 6. Administratieve
lasten voor werkgevers uit hoofde van de werknemersverzekeringen (in miljoen euro's):
| Omschrijving
|
Bedrag
|
| Loonbegrippen
|
462
|
| Premieafdracht
|
108
|
| Uitkeringsverzorging
|
258
|
| Overig
|
v50
|
| Totaal
|
878
|
Uit tabel 6 wordt
duidelijk dat veruit het grootste deel van de administratieve lasten op dit moment
voortvloeit uit de handelingen ten aanzien van de loonbegrippen.
Administratieve handelingen met betrekking tot incidentele en/of bijzondere
beloningen en vergoedingen, zoals reiskostenvergoedingen en loon in
natura, hebben
hier een groot aandeel in.
Ook met
uitkeringsverzorging gaat een behoorlijk bedrag gepaard. Grote posten hierin zijn de
arbocontracten en ziekenhersteldmeldingen. Lasten die direct samenhangen
met uitkeringsaanvragen (de gegevensuitvraag bij werkgevers) zijn
relatief beperkt. Voor WAO, WW
en vangnet-ZW bedragen deze lasten nu circa €|65
miljoen. In totaal maken de administratieve lasten uit hoofde van de
gegevensuitvraag bij een nieuwe uitkering derhalve slechts 7,5% uit
van de totale administratieve lasten. Dit laat onverlet dat als gevolg
van de voorstellen in onderhavig wetsvoorstel in absolute zin een fors
bedrag op dit totaal van €|65 miljoen kan worden bespaard.
6.4.2. Gevolgen van
Walvis
De administratieve lasten
voor werkgevers met betrekking tot de werknemersverzekeringen zullen op basis van het
door het EIM ontwikkelde meetmodel naar
verwachting als gevolg van dit wetsvoorstel met per saldo
€|245 miljoen dalen.
Hierbij dient wel de kanttekening te worden geplaatst dat een deel
van deze administratieve lasten wordt verschoven naar de fiscale heffing.
Thans geldt voor nagenoeg alle loonelementen waarover zowel
premieheffing werknemersverzekeringen als fiscale heffing van toepassing
is dat de administratieve lasten die hieruit voortvloeien evenredig worden verdeeld
over beide terreinen. In het onderhavige wetsvoorstel wordt een
aantal loonelementen niet langer tot het nieuwe sv-loonbegrip
gerekend, wat een afname in het aantal handelingen in het kader van de
wettelijke informatieverplichting tot gevolg heeft voor de werkgevers.
Voor deze loonelementen zal echter wel een vorm van fiscale heffing
van toepassing blijven. Indien de procedure in het fiscale domein
ongewijzigd zou blijven, zou derhalve geen sprake zijn van een lastenverlichting
voor werkgevers. Ook in het fiscale domein zullen echter
vereenvoudigingen worden doorgevoerd. Vanwege deze fiscale verplichtingen
zal het effect van beide voorstellen (Walvis en fiscale aanpassing) ongeveer
€|186 miljoen bedragen, in plaats van €|245
miljoen.
Zoals uitvoerig
aangegeven, betreft het voorliggende wetsvoorstel de uitwerking van de eerste
fase van de voorstellen van de werkgroep Loonbegrip. rblz.|105|
De vormgeving van
de fiscale heffing voor die loonelementen die niet langer tot het
nieuwe sv-loonbegrip zullen behoren, betreft de tweede fase van deze
voorstellen. De Minister van Financiën heeft inmiddels voorstellen op het
fiscale traject uitgewerkt; deze zijn inmiddels voorgelegd aan de Raad van
State. In
paragraaf 4.2.8 is aangegeven op welke wijze het fiscale domein
kan worden aangepast.
Ook Actal wijst op de
sterke samenhang tussen de voornemens in de fiscaliteit en het
huidige wetsvoorstel. De intentie van de regering is dan ook beide voorstellen op
hetzelfde moment in werking te laten treden.
De daling van de
administratieve lasten op het terrein van de werknemersverzekeringen is het gevolg van een
aantal factoren.
De belangrijkste factor
in neerwaartse zin is het nieuwe loonbegrip. Doordat incidentele en/of
bijzondere beloningen hiervan geen deel meer uitmaken, zullen de
administratieve lasten die hiermee samenhangen op het terrein van de
werknemersverzekeringen komen te vervallen.
In totaal gaat het om €|265
miljoen. De loonelementen die een bijdrage leveren aan deze
besparing zijn de reiskostenvergoeding (- €|145
miljoen), feestgeschenkenregeling (- €|30
miljoen), loon in natura (- €|25 miljoen), overwerk (-
€|25 miljoen),
kinderopvang (- €|15 miljoen) en overige loonelementen (-
€|25 miljoen). Deze
lastenverlichting zal bij alle werkgevers neerslaan.
Ook de vereenvoudigde
dagloonsystematiek heeft een neerwaarts effect op de administratieve
lasten. Doordat de gegevensuitvraag bij het vaststellen van de hoogte van het
dagloon niet meer noodzakelijk is, neemt het berichtenverkeer
tussen werkgevers en UWV af. Dit levert een besparing op van
€|36 miljoen op de
administratieve lasten voor alle werkgevers. Afgezet tegen de
administratieve lasten die nu nog gepaard gaan met uitkeringsaanvragen is
dat een besparing van ruim 55%.
De nieuwe premieafdracht
(PANA) zorgt voor meer administratieve lasten
bij werkgevers die nu nog
hun premies afdragen op voorschotbasis. Dit zijn de werkgevers die
waren aangesloten bij het voormalige GAK en Cadans, zo’n 80% van
alle werkgevers. Deze werkgevers moeten straks per
premiebetalingstijdvak de loongegevens van de individuele werknemers doorgeven aan het
UWV.
Tot nu toe hoefde dat voor die werkgevers met een stabiel
personeelsbestand en geringe loonmutaties maar eens per jaar.
De extra kosten die
gepaard gaan met de overgang van de voorschotsystematiek naar een
premieafdracht
op aangifte achteraf bedragen op basis van een
voorzichtige inschatting ongeveer €|54,5 miljoen. Deze raming is een behoedzame
raming. Bij deze raming is namelijk de systematiek van het voormalige SFB en
het voormalige GUO als uitgangspunt genomen;
voorzichtigheidshalve is ten opzichte van deze systematiek slechts een beperkte
vereenvoudiging verondersteld. Deze systematiek is vervolgens vertaald naar
de voormalige GAK- en Cadans-werkgevers.
De vorming van één UWV,
alsmede de sterk verbeterde ICT-mogelijkheden én de vereenvoudigingen
die worden voorgesteld met betrekking tot het berichtenverkeer, de
premieberekening en de automatische incasso moeten in de (nabije)
toekomst leiden tot een grotere vereenvoudiging van de premieafdracht op
aangifte achteraf. In dat geval zal de stijging van de administratieve
lasten als gevolg van de premieafdrachtsystematiek aanzienlijk geringer
kunnen uitvallen dan de geraamde €|54,5 miljoen.
Naast de eerder genoemde
administratieve lastenverlichting van €|245
miljoen zou de invoering van
een vereenvoudigde vooraanmelding SV additioneel voor een besparing van
ongeveer €|18 miljoen kunnen zorgen. Naast de bovenvermelde
opbrengsten zal zich nog een beperking van de administratieve lasten voordoen in de sfeer van de uitvoering van de Zfw, in verband met de
verdergaande implementatie van elektronische rblz.|106|
gegevensuitwisseling.
Deze opbrengst valt op dit ogenblik nog niet te becijferen.
De werkgevers zullen
uiteraard eenmalig extra kosten moeten maken om hun administratie zodanig
aan te passen dat ze aan de nieuwe systematiek kunnen voldoen. Het is
niet mogelijk om op voorhand een uitspraak te doen over de hoogte van
deze kosten. Wel wordt verwacht dat werkgevers die waren aangesloten bij
het voormalige GAK en Cadans
(± 80% van de werkgevers) meer kosten
zullen maken dan de werkgevers die waren aangesloten bij het
voormalige GUO en SFB. Dit komt doordat de eerstgenoemde hun administratie niet
alleen moeten aanpassen aan het nieuwe loonbegrip, maar ook aan
het (voor hen) nieuwe systeem van premieafdracht.
Daarnaast is het mogelijk
dat werkgevers die hun administratie nu nog met de hand doen, overgaan
op geautomatiseerde administratie, om de premieafdracht vlot te
kunnen laten verlopen. Dit vergt een eenmalige investering in
automatisering voor deze werkgevers.
Overigens moet opgemerkt
worden dat 80% van de werkgevers hun administratie heeft uitbesteed aan een
administratiekantoor. De invoeringskosten zullen derhalve voor een
groot deel neerslaan bij deze administratiekantoren. Deze kantoren werken wel
veelal in een geautomatiseerde omgeving. De omvang van
de aanpassing van de automatisering is sterk afhankelijk van de wijze
waarop de automatiseringssystemen zijn opgebouwd. Naar mate deze systemen
meer modulair zijn opgebouwd, zullen ook de aanpassingskosten
geringer zijn.
7.
Overheid
Met ingang van 1 januari
1998 is de WAO van toepassing geworden voor overheidswerknemers. Met
ingang van 1 januari 2001 zal dit wat betreft de uitkeringskant tevens
gelden voor de ZW en WW voor wat betreft nieuwe
uitkeringsgerechtigden. Vanaf 1 januari 2003 zullen de ZW en WW ook van toepassing worden
voor de vóór 1 januari 2001 al bestaande uitkeringsgerechtigden.
De voorgestelde systematiek voor de dagloonberekening is dan derhalve onverkort
van toepassing voor overheidswerknemers.
Het
sv-loonbegrip voor
overheidswerknemers is thans al in overeenstemming met het loonbegrip voor
werknemers in de marktsector. Ook ten aanzien van het
loonbegrip geldt derhalve dat de voorgestelde wijzigingen voor overheidswerknemers
zullen gelden.
Op één punt wijkt de
overheid evenwel af van de marktsector. Dit betreft de systematiek van de
premie-inhouding. De premie-inhouding betreft de wijze waarop de
verschuldigde sv-premies worden berekend. Voor de marktsector geldt dat de
basis voor deze berekening de sv-dag is. Als rekeneenheid voor het
bedrag dat aan sv-premies verschuldigd is, geldt derhalve de gewerkte dag.
Dit is met name van belang voor de toepassing van de AWf-franchise en
de maximumpremiegrens. Beiden worden toegepast op het premieplichtige
loon per dag.
De overheid werkt evenwel
voor wat betreft de premie-inhouding niet met sv-dagen. De
verschuldigde premies worden berekend over het premieplichtige loon per
loontijdvak (meestal per maand). Ook de AWf-franchise en de
maximumpremiegrens worden per loontijdvak toegepast. Voor personen die in
deeltijd werken, geldt de zogenaamde deeltijdfactor. Dit betekent dat de
AWf-franchise en de maximumpremiegrens naar evenredigheid worden
toegepast.
rblz.|107|
In
het verleden is
aangegeven dat zou worden bezien op welke wijze de systematiek van de
premie-inhouding zou kunnen worden geüniformeerd. Dit is ook in het
wetgevingstraject met betrekking tot de Wet overheidspersoneel onder de
werknemersverzekeringen (OOW) aangegeven.
Een overgang voor de
overheid op de systematiek van de marktsector zou op dit moment een te
zware belasting vormen voor de overheidswerkgevers. Daar komt bij dat de
systematiek van de sv-dagen als zodanig later zal worden
bezien, als onderdeel van de tweede fase, zoals weergegeven in het
rapport van de werkgroep Loonbegrip.
Om deze redenen wordt in
het onderhavige wetsvoorstel de systematiek van de premie-inhouding
voor de overheid voorlopig gecontinueerd.
Het Actal merkt in zijn
advies op dat uit vorenstaande zou blijken dat er twee systemen van
premie-inhouding voor het bedrijfsleven zou (gaan) gelden. Dit is niet het
geval. Tot het moment van een eventuele systeemwijziging worden de huidige
systemen van premie-inhouding voortgezet. Voor het bedrijfsleven
geldt dus één systematiek van premie-inhouding. Dit is de systematiek die
gebaseerd is op de sv-dag.
Artikelsgewijs
Hoofdstuk I. Wijzigingen
inzake de vaststelling van het premieloon en van de
invordering van de premie
Artikel
I. Wijziging van
de Coördinatiewet Sociale Verzekering
Onderdeel A
¹
1. Artikel
I, onderdeel A, van de Walvis is
ingrijpend gewijzigd tijdens de parlementaire behandeling. Thans is in
het nieuwe artikel 4 van de CSV
aansluiting gezocht bij overeenkomstige bepalingen van de Wet
op de loonbelasting 1964, waarbij de vervanging van de artikelen
5 tot en met 8 van de CSV is geschrapt.
Deze artikelen komen thans ingevolge artikel I,
onderdeel J, te vervallen, red.
Artikel 4, eerste lid
Kern van het voorgestelde
loonbegrip vormt het voorgestelde artikel 4 van de
CSV. Uitgangspunt
is dat in de situatie van een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke
dienstbetrekking het loon is de overeengekomen vaste, naar tijdsruimte en in
geld vastgestelde uitkering als rechtstreekse beloning van de door de werknemer
verrichte arbeid. Een dergelijke positieve formulering zou evenwel
met zich meebrengen dat de uitvoerder van de werknemersverzekeringen,
in het kader van de premieheffing, de bewijslast zou krijgen dat voldaan
is aan die voorwaarden. Om die reden is ervoor gekozen om in eerste
instantie als loon te duiden al hetgeen in geld uit tegenwoordige
dienstbetrekking wordt genoten, waarvan - in geval van een privaatrechtelijke of
publiekrechtelijke dienstbetrekking - vervolgens wordt uitgezonderd
hetgeen niet voldoet aan de hierboven gegeven voorwaarden. Het is in het kader van
de premieheffing derhalve aan de werkgever om aannemelijk te maken
dat in geld gedane uitkeringen aan de werknemer geen loon
vormen. Indien het gaat om de vaststelling van het dagloon, mag het UWV
uitgaan van het bedrag waarover feitelijk premie is betaald. Indien dat naar
het oordeel van de uitkeringsgerechtigde een te laag bedrag is, is het
aan hem om te bewijzen dat voor de vaststelling van het dagloon een hoger
bedrag moet worden genomen. Daar staat tegenover dat, als naar het oordeel
van het UWV het bedrag waarover de premie is betaald een te
hoog bedrag is geweest, de bewijslast dat het een lager bedrag moet
zijn bij het UWV ligt.
In de situatie dat er
sprake is van een dienstbetrekking op grond van artikel 4 of
5 van de WW,
ZW
of WAO is in beginsel het loon al hetgeen in geld uit die
dienstbetrekking wordt genoten. Wel geldt dat in die situatie geen loon is de uitkering
die geen rechtstreekse beloning is voor de door de werknemer verrichte
arbeid. Ook in die situatie is het derhalve de werkgever die in het kader van de
premieheffing aannemelijk dient te maken dat een in geld gedane
uitkering aan de werknemer geen loon is. Hetgeen hiervoor is aangegeven
omtrent de bewijslast met betrekking tot het rblz.|108|
dagloon in de situatie
van een uitkering uit hoofde van een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke
dienstbetrekking geldt evenzeer in de situatie van een uitkering uit
hoofde van een dienstbetrekking op grond van artikel 4 of
5 van de WW,
ZW
of WAO.
In het voorgestelde
artikel 4 van de CSV
staat een viertal begrippen centraal, welke begrippen
hieronder afzonderlijk zullen worden toegelicht. Het betreft de volgende
begrippen: in geld, uit tegenwoordige dienstbetrekking, vast, naar tijdsruimte
vastgesteld.
In geld
Het loon wordt in geld
genoten. Andere, op grond van artikel 617 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek vastgestelde vormen van loon, zoals loon in
natura, diensten,
voorzieningen, effecten, vorderingen en andere aanspraken, vallen
derhalve buiten het socialeverzekeringsrechtelijke loonbegrip (met
uitzondering van de aanspraken genoemd in het voorgestelde artikel 5, onderdeel
c [vervallen, red.]).
De voldoening van in geld genoten loon geschiedt in Nederlands
of buitenlands wettig betaalmiddel of door girale betaling overeenkomstig
artikel 114 van Boek
6 van het Burgerlijk Wetboek. Zie ook
paragraaf 4.2.3 en paragraaf 4.2.4.1 van het algemeen deel van deze
toelichting.
Uit tegenwoordige
dienstbetrekking
Het begrip
dienstbetrekking is omschreven in artikel 3a van de
CSV. Hierin wordt geen wijziging
beoogd ten aanzien van het huidige begrip.
Anders dan artikel 10 van
de Wet LB
kent de huidige tekst van artikel 4 van de
CSV niet de
nevenschikking van loon uit een dienstbetrekking en loon uit vroegere
dienstbetrekking. Dit betreft het onderscheid tussen enerzijds ontvangsten die ten
nauwste verband plegen te houden met bepaalde verrichte arbeid,
waarvoor zij de rechtstreekse beloning vormen, en anderzijds ontvangsten die niet de
onmiddellijke tegenprestatie vormen voor bepaalde arbeid, doch meer
algemeen hun oorzaak vinden in het voorheen verricht zijn van arbeid
(zie onder meer HR 21 juni 1950, B. 8829; HR 23 november 1955, BNB 1956/9; HR 31
mei 1961, RSV 1961/133; HR 26 juni 1968, BNB 1968/169 en HR 21 juni
2000, BNB 2000/271). Dit onderscheid wordt vaak aangeduid als het
onderscheid tussen loon uit een tegenwoordige dienstbetrekking en loon uit een vroegere
dienstbetrekking. Met de toevoeging van het begrip "tegenwoordige" in
artikel 4 van de CSV
wordt beoogd aan te sluiten bij het
door de Hoge Raad gemaakte onderscheid. Slechts
voor zover het loon een
rechtstreekse beloning voor bepaalde verrichte arbeid of in een bepaald tijdvak
verrichte arbeid betreft, maakt het loon onderdeel uit van het voorgestelde
socialeverzekeringsrechtelijke loonbegrip. Er dient sprake te zijn van een
nauwe band tussen (het ontstaan van) de aanspraak en het (feitelijk)
verrichten van bepaalde arbeid. Door, of in opdracht van en voor rekening
van, de
werkgever dienen er voordelen aan de werknemer verstrekt te worden.
Daarvan is ook sprake wanneer de werkgever voordelen aan zijn
werknemers laat als beloning voor uit hoofde van een dienstbetrekking verrichte werkzaamheden.
Anders dan de Centrale
Raad van Beroep besliste in zijn uitspraak van 8 januari 1996, RSV
1996/197, zullen, gelet op het vorenstaande, aanvullingen op uitkeringen op grond
van de werknemersverzekeringswetten geen loon in de zin van
artikel 4 van de CSV meer vormen.
Vast
In geval van een
privaatrechtelijke of een publiekrechtelijke dienstbetrekking behoort tot het loon
slechts de overeengekomen vaste uitkering. Elementen die niet vast
overeengekomen zijn, dat wil zeggen waarvan de hoogte en/of de
uitbetalingen onzeker zijn, vallen hier niet onder.
rblz.|109|
Hierbij kan worden
gedacht aan de jaarlijkse winstdeling. De winstdeling op zich is weliswaar
overeengekomen, maar de hoogte van de eventuele uitbetaling hang af van
de vraag of, en zo ja, hoeveel winst er is gemaakt zodat de winstdeling geen
onderdeel uitmaakt van het loonbegrip als omschreven in artikel 4
van de CSV. De vergoeding bij het einde van een dienstverband voor
niet-genoten vakantiedagen kan daarentegen wel worden gezien als een
vorm van overeengekomen vast inkomen. Het betreft immers een rechtstreekse beloning voor
arbeid verricht op dagen
waarop de werknemer in
beginsel vakantie had kunnen genieten, maar in feite arbeid heeft
verricht. Zie ook paragraaf 4.2.3 en paragraaf
4.2.4.1 van het algemeen
deel van
deze toelichting.
Naar tijdsruimte
vastgesteld
Hieronder worden
loonelementen in geld verstaan die over telkens terugkerende, van te voren
vastgestelde, tijdsperioden worden uitbetaald. De tijdsperioden kunnen
hierbij afhankelijk van het loonelement zijn vastgesteld op één week of
één maand,
maar ook op perioden van één jaar of langer. In tijdsperioden wisselende uitbetalingen vallen niet onder dit
loonbegrip. Zie ook
paragraaf 4.2.3 en paragraaf 4.2.4.1 van het algemeen deel van deze
toelichting.
Artikel 5 [vervallen,
red.]
In artikel 5
worden
enkele elementen genoemd die, in aanvulling op artikel
4, eveneens tot
het loon behoren. Gelet op de beperking van het loonbegrip in
artikel 4 tot hetgeen uit tegenwoordige dienstbetrekking wordt genoten, zijn de
onderdelen a en b opgenomen. De daarin genoemde elementen vormen
immers geen rechtstreekse beloning voor bepaalde verrichte arbeid
of in een bepaald tijdvak verrichte arbeid. Als uitzondering op de
hoofdregel dat aanspraken niet tot het loon behoren, is in onderdeel c bepaald
dat vakantiebonnen en daarmee overeenkomende aanspraken onderdeel van
het loon vormen. Daaronder worden mede verstaan rechten op
geheel of gedeeltelijk betaald verlof, zij het dat artikel 6, eerste lid,
onderdeel g [vervallen, red.], daar weer beperkingen op aanbrengt. Zie ook paragraaf
4.2.4.2
van het algemeen deel van de toelichting.
Artikel 6 [vervallen,
red.]
In
artikel 6 worden
enkele elementen genoemd die in elk geval niet tot het loonbegrip
behoren.
Uitkeringen waarvan tussen werkgever en werknemer schriftelijk is
overeengekomen dat het vergoedingen zijn voor op de werknemer drukkende
kosten, lasten en afschrijvingen ter behoorlijke vervulling van de
dienstbetrekking, behoren niet tot het loon. Dat geldt dus ongeacht of er voor
de werknemer daadwerkelijk onkosten zijn geweest. Zolang tussen
werkgever en werknemer is overeengekomen dat een bedrag geldt als onkostenvergoeding, vormt dat bedrag geen onderdeel
van het loon.
Werkgeversbijdragen in kosten ter zake van particuliere verzekeringen of
publiekrechtelijke ziektekostenverzekeringen worden eveneens uitgezonderd
van het loonbegrip. Zie ook paragraaf 4.2.4.1, onderdeel
d, van het
algemeen deel van de toelichting. Voorts zullen niet tot het loon behoren
uitkeringen ter gelegenheid van een bij algemene maatregel van bestuur aan
te wijzen gebeurtenis of ten behoeve van een bij algemene maatregel
van bestuur aan te wijzen doel. Het gaat hier om uitkeringen die thans al
zijn uitgezonderd van het loonbegrip zoals vergoedingen voor door de werknemer in verband met zijn dienstbetrekking
geleden schade aan of
verlies van persoonlijke zaken, vergoedingen voor opleiding of studie
voor een beroep en vergoedingen tot dekking van op de werknemer drukkende
kosten ter zake van ziekte of kinderopvang. Ook werknemerspremie op
grond van een pensioenregeling of een rblz.|110|
VUT-regeling alsmede
inhouding op het loon voor aanspraken die naar aard en strekking
overeenkomen met aanspraken op grond van socialeverzekeringswetten en voor aanspraken op
uitkeringen bij invaliditeit of overlijden tengevolge
van een ongeval vormen geen onderdeel van het loon. Zie ook paragraaf
4.2.4.1, onderdeel c, van het algemeen deel van de toelichting.
Waar fooien en dergelijke
prestaties van derden in de situatie dat sprake is van een
privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking al geen loon vormen omdat ze niet
vast zijn, worden ze in het hier voorgestelde artikel 6, eerste lid,
onderdeel h, nog eens expliciet uitgesloten van het loonbegrip omdat ze anders wel loon zouden vormen in de situatie van
een dienstbetrekking op
grond van artikel 4 of 5 van de
WW, ZW of WAO. De definities van
premiespaarregeling en spaarloonregeling in artikel 6 van de
CSV worden vervangen door verwijzingen naar de Wet
LB, daar
deze definities
overeenkomen met de definities in de artikelen 31a en 32 van die
wet. Gelet op het
belang voor de premieheffing blijven wel de al bestaande mogelijkheden
voor het treffen van een ministeriële regeling op grond van artikel 6 van
de CSV gehandhaafd.
Voor alle duidelijkheid
zij opgemerkt dat het niet terugkeren van hetgeen thans in artikel
6,
eerste lid, onderdeel h, van de CSV is geregeld
- namelijk dat niet tot het loon behoren
uitkeringen en verstrekkingen ingevolge een aanspraak die tot het
loon behoort - niet betekent dat dergelijke uitkeringen (op grond van de
aanspraken, genoemd in artikel 5, onderdeel c [vervallen, red.]) in de toekomst wel tot het
loon behoren. Ingevolge de Brede Herwaardering II is het tot en met 1994
geldende - en met het huidige artikel 6, eerste lid, onderdeel
h, van de CSV
overeenkomende - artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet
LB vervallen. De
achtergrond daarvan was dat als de aanspraak belast is, de
aanspraak het loon vormt uit de tegenwoordige dienstbetrekking en de
uit die aanspraak voortvloeiende uitkering per definitie niet. Genoemd
onderdeel g was derhalve overbodig en kon derhalve vervallen. Gelet
hierop kan het huidige artikel 6, eerste lid, onderdeel
h, van de CSV
eveneens
vervallen.
Artikel 7 [vervallen,
red.]
Het hierbij voorgestelde
artikel 7 komt inhoudelijk overeen met het huidige artikel 5 van de
CSV.
Artikel 8 [vervallen,
red.]
Gelet op het feit dat tot
het loon alleen behoort hetgeen in geld wordt genoten, met uitzondering
van de aanspraken, bedoeld in artikel 5, onderdeel c, kan het huidige
artikel 8 worden beperkt tot die aanspraken. Het onderhavige onderdeel
voorziet daarin.
Onderdeel B
In
artikel 9, eerste lid,
tweede zin, staat nu nog de bepaling inzake het maximumdagloon.
Voorgesteld wordt deze bepaling hier te laten vervallen en deze
vervolgens op te nemen in die artikelen van de materiewetten (ZW,
WAO en WW) die de
basis vormen voor de dagloonberekening.
Onderdelen C tot en met I
In deze onderdelen worden
diverse artikelen van de CSV aangepast op de gewijzigde
afdrachtsystematiek. Na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel komt immers een
"voorschotpremie" niet meer voor. Zie ook paragraaf
4.4.1.1 van het algemeen
deel van de toelichting. Voorts komt met onderdeel
C, onder 2, het
tweede lid van artikel 11 van de CSV
te rblz.|111|
vervallen. Gelet op het
belang van actualiteit van de loongegevens op werknemersniveau bij het UWV
is het ongewenst als de vaststelling en invordering van de
verschuldigde premie niet zou geschieden door dat instituut.
Onderdeel J
Hetgeen geregeld is in
het bestaande artikel 16e van de CSV
past niet meer bij het in dit
wetsvoorstel geïntroduceerde nieuwe premieloon en kan derhalve vervallen.
Hiermee vervalt ook de basis voor het op grond van dit artikel getroffen
algemene maatregel van bestuur (Besluit van 9 oktober 1990, houdende vaststelling van een algemene maatregel van
bestuur als bedoeld in
artikel 16e, eerste lid, van de
CSV (inzake afrekening autokostenvergoedingen voor
niet-woon-werkverkeer)). Hetgeen geregeld is in de artikelen
18d en 18e inzake
pensioenaanspraken en
aanspraken op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven
loon kan tevens vervallen.
Artikelen II en
III.
Wijziging van de Werkloosheidswet en van de Ziekenfondswet
In deze artikelen wordt
de WW en de Zfw
aangepast op de gewijzigde
afdrachtsystematiek. Na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel verdwijnt
de mogelijkheid "voorschotpremie" te heffen. Zie ook paragraaf
4.4.1.1 van het algemeen deel van
de toelichting.
Hoofdstuk II. Wijzigingen
inzake de vaststelling van het uitkeringsloon
Artikel
IV. Wijziging van
de Ziektewet
Onderdeel A
Artikel 15, eerste lid
In het voorgestelde
artikel 15, eerste lid, van de ZW wordt de gedachte tot uitdrukking gebracht dat
de uitkering gebaseerd dient te worden op basis van verdiensten in het
verleden.
Zie hiertoe de
formulering "in één jaar voorafgaande aan het intreden van zijn
arbeidsongeschiktheid tot werken, verdiende". Het dagloon is de grondslag voor de
berekening van het ziekengeld. Dit dagloon wordt berekend door het loon
dat de werknemer in één jaar voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid verdiende te vertalen naar het loon
dat gemiddeld per dag
werd verdiend. In artikel 15 wordt daarmee de hoofdregel vastgelegd van
de dagloonberekening. In de tweede zin van het eerste lid wordt geregeld dat indien er minder dan
drie premiebetalingstijdvakken waarin loon is genoten,
zijn gelegen in de referteperiode van een jaar, die
referteperiode wordt voorverlengd met ten hoogste één jaar. Als uitgangspunt
voor het
begrip loon wordt nu en na de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel het
loon gehanteerd zoals dat in de CSV is en wordt opgenomen. Het
huidige artikel 14 van de ZW
(loon is het loon in de zin van de CSV) kan
als gevolg hiervan ongewijzigd blijven. Zie ook paragraaf
4.3.3.1 van
het algemeen deel van deze toelichting.
Voor de vaststelling van
het dagloon, inclusief de vaststelling van begrippen als "één jaar" en
"het loon" zullen nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld bij
algemene maatregel van bestuur (zie ook hierna; artikel
15,
tweede lid, van de ZW).
rblz.|112|
Artikel 15, tweede lid
Het tweede lid
introduceert de delegatie van regelgevende bevoegdheid aan de regering voor het
treffen van een algemene maatregel van bestuur. Dit betreft de
bevoegdheid tot het stellen van nadere en zo nodig afwijkende regels inzake de
vaststelling van het dagloon. De huidige regels van de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid (Regeling van 20 april 1967, nr. 61525, Stcrt.
1967, 162 (hierna:
Algemene dagloonregelen Ziektewet) inzake de vaststelling van het dagloon zullen
daartoe worden vervangen door regels afkomstig van de regering (dit
geldt tevens voor de regels van deze minister van 20 april 1967, nr. 61524,
Stcrt. 1967, 126 (hierna: Dagloonregelen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering) en de Dagloonregels
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid).
De bevoegdheid tot het
stellen van nadere regels wordt gegeven omdat de technische uitwerking
van de wettelijke regels voor de vaststelling van het dagloon naar het
oordeel van de regering niet in de wet zelf, maar in de lagere regelgeving
thuis horen. De mogelijkheid om afwijkende regels vast te stellen, is
gegeven omdat de toepassing van de hoofdregel voor de berekening van het
dagloon tot onredelijke en ongewenste uitkomsten kan leiden. Het betreft
hier zowel de verschuiving van de referteperiode voor de situatie, bedoeld
in onderdeel a, onder 1º, als - in onderdeel a, onder 2º tot en met
5º - de uitzonderingen die zijn genoemd in het algemeen deel van de memorie van
toelichting (zie paragraaf 4.3.3.4, onder Uitzonderingen).
Daarnaast is een afwijking noodzakelijk in de situatie dat in de referteperiode meer
dienstbetrekkingen naast elkaar hebben bestaan en de betrokkene ziek
wordt voor één van die dienstbetrekkingen (het dagloon wordt immers
bepaald op het loon in alle dienstbetrekkingen in de referteperiode)
alsmede voor de situatie dat het recht op ziekengeld berust op artikel 46 van
de ZW. In dat laatste geval bestaat er immers een
"gat" tussen de laatste
dag waarop gewerkt is - en waarover dus loon is genoten - en de dag van
het intreden van de ongeschiktheid tot werken. Deze bevoegdheid is - zij het
voor zover noodzakelijk - aangepast aan de desbetreffende materiewet
ook opgenomen in het voorgestelde artikel 14, tweede lid, van de
WAO
en
het voorgestelde artikel 45, tweede lid, van de
WW. Het vorenstaande
geldt derhalve ook voor de genoemde artikelonderdelen. Daarnaast zijn in die
artikelen de mogelijkheden opgenomen om - middels het
stellen van afwijkende regels - de huidige dagloongarantieregels van artikel
15a van de Dagloonregelen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
en artikel 16a en 17 van de
Dagloonregels
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid
te handhaven.
Het gevolg van dit tweede
lid is tevens dat hiermee impliciet wordt voorgesteld de bevoegdheid van het
UWV te laten vervallen inzake het vaststellen van regels met betrekking
tot de vaststelling van het dagloon voor één of meer
categorieën van werknemers. Dit past immers niet meer in het streven naar eenvoud,
duidelijkheid en uniformiteit inzake de systematiek van de
dagloonvaststelling. Zie ook paragraaf 4.3.2 van het algemeen deel van deze
toelichting.
Onderdeel B
Zie voor een toelichting
op dit artikel paragraaf 4.3.3.5 van het algemeen deel van de toelichting.
De redactie van dit artikel komt overeen met artikel 15 van de
WAO en artikel 46 van de
WW.
Onderdeel C
Voor een toelichting op
dit onderdeel wordt verwezen naar paragraaf 4.2.4.1, onderdeel
d, van het
algemeen deel van deze toelichting.
rblz.|113|
Artikel
V. Wijziging van
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Onderdeel A
Dit artikel komt vrijwel
geheel overeen met het voorgestelde artikel 15 van de
ZW als bedoeld onder
artikel IV. Voor een toelichting wordt naar de toelichting op dat
artikelonderdeel verwezen.
Onderdeel B
Voor een toelichting op
dit onderdeel wordt verwezen naar paragraaf 4.2.4.1, onderdeel
d, van het
algemeen deel van deze toelichting.
Onderdeel C
Als gevolg van de
herziening van de dagloonsystematiek, te weten het onderdeel "invoering
historisch dagloon" en het voorstel met betrekking tot de indexering van het
WAO-dagloon tijdens het wachtjaar, dient artikel
40, tweede lid, van de WAO op de voorgestelde wijze te worden aangepast.
Artikel
VI. Wijziging van
de Werkloosheidswet
Onderdelen A en
D
Als gevolg van een
herziene redactie in dit wetsvoorstel van het huidige artikel
45, vierde lid,
van de WW in onderdeel B dienen in een tweetal artikelen de verwijzing
naar dat artikellid aangepast te worden.
Onderdeel B
Dit artikel komt vrijwel
geheel overeen met het voorgestelde artikel 15 van de
ZW als bedoeld onder
artikel IV, onderdeel A. Voor een toelichting wordt naar de toelichting
op dat artikelonderdeel verwezen.
Onderdeel
C, onder a
De uitkeringssystematiek
in de WW is gelijk aan die in de ZW en de
WAO, te weten: de uitkering
wordt uitbetaald over vijf dagen (de maandag tot en met de vrijdag). Over de
zaterdag en de zondag vindt geen uitbetaling plaats. Een verschil in
redactie tussen de artikelen 47, eerste lid, van de
WW enerzijds en 21, tweede lid, van de
WAO en
29, tweede lid, van de ZW
anderzijds, zou een
onduidelijkheid op dit punt kunnen oproepen. Met de voorgestelde wijziging
wordt dit voorkomen.
Onderdeel
C, onder b
Voor een toelichting op
dit onderdeel wordt verwezen naar paragraaf 4.2.4.1, onderdeel
d, van het
algemeen deel van deze toelichting.
Artikel
VII. Wijziging
van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid
Als gevolg van het
voorgestelde in artikel VI, onderdeel B (het nieuwe artikel 45 van de
WW; de
herziening van de dagloonsystematiek) dient artikel 34 van de
IWS te
vervallen. Tevens vervalt de op grond van dit artikel getroffen
regelgeving van rechtswege. Zie echter het overgangsrecht zoals geformuleerd in
artikel XXVI.
rblz.|114|
Artikel
VIII. Wijziging
van de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen
arbeidsongeschiktheidscriteria
In
artikel 9, negende
lid, van de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria
is de mogelijkheid opgenomen voor de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid om regels te stellen inzake de
vaststelling van het dagloon. Na invoering van de nieuwe
dagloonberekeningssystematiek is dit niet langer opportuun. Dit lid kan derhalve
vervallen. De noodzaak van introductie van regelgevende bevoegdheid aan de
regering doet zich hier tevens niet voor.
Hoofdstuk III. Overige
wijzigingen die verband houden met het voorgestelde in de
hoofdstukken I en II
Inleiding
De
voorstellen in dit
hoofdstuk zien op noodzakelijke aanpassingen van andere wetten als gevolg
van de keuzen die hun beslag in hoofdstuk I en
II hebben gekregen.
Kortheidshalve wordt hier
een opsomming gegeven van deze aanpassingen:
a. verwijzingen naar het
in het huidige artikel 9, eerste lid, van de
CSV opgenomen maximumdagloon
dienen te worden omgezet in verwijzingen naar uitsluitend het daar
genoemde bedrag. Het maximumdagloon wordt met dit
wetsvoorstel immers opgenomen in de materiewetten
zelf;
b. wetsbepalingen inzake
loon in natura zijn tevens bezien op relevantie na inwerkingtreding van
de hoofdstukken I en
II, aangezien loon in natura geen loon meer is
in de zin van de CSV en derhalve ook niet meer gewaardeerd behoeft
te worden;
c. overgangsrechtelijke
bepalingen inzake daglonen die uitgewerkt zijn na inwerkingtreding van
dit voorstel.
Nadere toelichting vergt
echter het volgende.
In het huidige artikel 6
van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag (zie artikel
XII) is
geregeld dat een werkgever een deel van het minimumloon ook in natura
mag verstrekken. Het uitsluiten van loon in natura van het loonbegrip
betekent dat als een deel van het minimumloon in natura wordt
verstrekt, het premie- en uitkeringsloon lager komt te liggen dan het
minimumloon. Dat betekent voor alle voltijd werkende minimumloners dat zij in
het geval van een uitkering altijd een beroep op de bijstand moeten doen.
Teneinde dit gevolg te voorkomen, komt in het voorgestelde artikel 6 de
mogelijkheid te vervallen een deel van het minimumloon in natura uit te betalen.
Zie ook paragraaf 4.2.4.3 van het algemeen deel van deze
toelichting.
Op grond van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (zie artikel
XXI) zijn nu
regels getroffen inzake de dagloonvaststelling. Het is wenselijk dat deze
regels, nu nog regels van de Minister van
Defensie, omgezet worden in regels
van de regering, te weten een algemene maatregel van bestuur. Een
voorgestelde wijziging van artikel 10 van
die wet voorziet daarin.
Hoofdstuk IV.
Overgangs-
en slotbepalingen
In dit hoofdstuk is een
aantal overgangsrechtelijke bepalingen opgenomen. Dit ter voorkoming dat de
inwerkingtreding van deze wet onmiddellijke werking tot gevolg
heeft
daar waar dit - naar de mening van de regering - ongewenst
is.
rblz.|115|
Artikel
XXIII.
Overgangsbepaling in verband met artikel I (Coördinatiewet Sociale
Verzekering)
De berekening van het
premieloon zal tot aan het moment van inwerkingtreding van deze wet plaatsvinden
aan de hand van de artikelen 4, 5,
6, 7 en 8 van de
CSV zoals
die luidden op de dag voorafgaand aan de dag van inwerkingtreding van deze
wet. Vanaf het moment van inwerkingtreding van deze wet zal de
berekening van het premieloon plaatsvinden aan de hand van de voorgestelde
artikelen 4, 5, 6,
7 en 8 van de CSV. De wijzigingen hebben derhalve
onmiddellijke werking. Op dit uitgangspunt geldt één uitzondering. In
gevallen waarin het loon door de werkgever aan de werknemer na
inwerkingtreding van deze wet wordt uitbetaald over tijdvakken gelegen vóór
inwerkingtreding van deze wet zal nog gedurende één jaar het oude premieloonbegrip gelden. Dit om te voorkomen dat
werkgevers de betaling
van loonbestanddelen waarover niet langer premie is verschuldigd,
gaan uitstellen tot vlak na inwerkingtreding van deze wet.
Overigens zal op grond
van het eerste lid van het hier voorgestelde artikel
18g van de CSV de
afwikkeling van de premievaststelling en -invordering met betrekking tot loon
genoten vóór de inwerkingtreding van deze wet plaatsvinden aan de hand
van de artikelen van de CSV zoals die luidden vóór die
inwerkingtreding. Aldus wordt voorkomen dat een werkgever die de ten laste van hem
vastgestelde voorschotpremie niet of niet geheel binnen de daarvoor
geldende termijn betaalt geen interest verschuldigd zou zijn gelet op de
wijziging van artikel 14 van de CSV. Ook wordt aldus de hoofdelijke
aansprakelijkheid voor voorschotpremie op grond van de artikelen
16a tot en met
artikel 16d van de CSV gesauveerd.
Artikel XXIV en de daar
direct op volgende artikelen: Overgangsbepalingen in
verband met de artikelen IV, V, VI, VII, VIII en XXI
De algemene en bijzondere
dagloonregels zoals deze regels luiden voorafgaand aan de inwerkingtreding
van deze wet dienen van toepassing te blijven ten aanzien van
diegenen die reeds recht hadden op een uitkering voorafgaand aan de datum
van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. De nieuwe, met dit voorstel geïntroduceerde, wijze van dagloonberekening
dient tevens niet plaats
te vinden in situaties waarin de uitkering heropend dan wel herzien wordt
indien er sprake is van een oud recht op een uitkering. Daar het gaat om de herziening van een reeds toegekende uitkering,
moet de daarmee gepaard
gaande dagloonwijziging plaatsvinden op basis van de
dagloonsystematiek die gold op het moment van toekenning van de uitkering.
Een uitzondering hierop
vormt echter hetgeen is opgenomen in artikel XXV
(overgangsbepaling in
verband met de WAO), het voorgestelde artikel 98d, tweede zin. De "oude"
Dagloonregelen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering dienen naar de mening van de regering geen
toepassing te vinden indien het dagloon opnieuw vastgesteld moet worden
op grond van de artikelen 40, eerste lid, 43c
of 48, derde lid, van de WAO. Hernieuwde vaststelling van het dagloon op grond van de dan "oude"
Dagloonregelen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zou betekenen dat het UWV
tot in lengte van
dagen met twee verschillende dagloonberekeningsmethodieken geconfronteerd zou
(kunnen) blijven. Die situatie acht de regering niet gewenst.
rblz.|116|
Artikel
XXVIII.
Slotbepaling inhoudende wijziging van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering in verband met een ander bij de Tweede Kamer ingediend
wetsvoorstel
In dit artikel
worden de in hoofdstuk I voorgestelde wijzigingen op het terrein van de
premie-invordering tevens doorgevoerd in een op dit moment bij de Tweede
Kamer aanhangig zijnde wetsvoorstel. Dit laatste voorstel wijzigt immers
tevens de CSV door artikelen op te nemen van vergelijkbare aard als
die door artikelen in hoofdstuk I worden gewijzigd.
Artikel
XXX. Citeertitel
Hoewel
deze wet
voornamelijk wijzigingen aanbrengt in bestaande wetgeving, is gezien het verwachte
veelvuldig citeren van deze wet ervoor gekozen de wet een
citeertitel mee te geven.
Een aanbeveling voor een
te gebruiken afkorting van deze wet is "Walvis".
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst
rblz.|117|
BIJLAGE
1
1. Loon in geld
a. Beloningen voor
verrichte arbeid
Voorgesteld wordt de
volgende loonbestanddelen in geld wel tot het nieuwe loon SV te
rekenen:
• vakantietoeslag;
• loon bestemd voor
vakantiedagen (inclusief deel vakantiebon), vergoeding niet-genoten vakantie;
• vakantiebonnen;
• dertiende maand of
eindejaarsuitkering;
• bedragen die de
hoogte van het rechtens geldende loon te boven gaan;
• toeslagen;
• prestatie- en
productiepremies (vast onderdeel van het loon);
• vergoedingen voor
reisuren boven normale arbeidsduur (structureel).
b. Incidentele beloningen
Voorgesteld wordt om de
volgende loonbestanddelen niet tot het nieuwe loon SV te rekenen:
• overwerk;
• feestdagentoeslag,
andere incidentele toeslagen;
• gratificaties,
tantièmes, uitkeringen ingevolge winstdeling, uitkeringen in de vorm van aandelen
en andere dergelijke uitkeringen;
• eenmalige uitkeringen/verstrekkingen ter zake van overlijden werknemer, echtgenoot, kind;
• dienstjubileum 25
jaar of 40 jaar;
• fooien.
c. Werknemerspremies
Voorgesteld wordt de
volgende loonbestanddelen in geld niet tot het nieuwe loon SV te
rekenen:
• werknemerspremie
ingevolge een pensioenregeling;
• werknemerspremie
ingevolge een VUT-regeling;
• inhoudingen op het
loon voor sv-achtige aanspraken en invaliditeit/overlijden tengevolge
van een ongeval (WAO-gatpremie).
d. Werkgevers
premies/bijdragen
Voorgesteld wordt om de
volgende loonbestanddelen niet tot het nieuwe loon SV te rekenen:
• werkgeversbijdragen
aan een particuliere of publiekrechtelijke ziektekostenverzekering;
• bijdragen in premies
voor particuliere verzekeringen (niet zijnde ziektekostenverzekeringen).
e. Diversen
Voorgesteld wordt om de
volgende loonbestanddelen niet tot het nieuwe loon SV te rekenen:
• bijdrage in
hypotheekrente op woonhuis werknemer;
• kindertoeslagen;
• laagrentende lening;
• aankoopkortingen voor
zover normale hoeveelheid en tegen kostprijs;
• geblokkeerd loon op grond van spaarloonregeling;
• uitkeringen en
verstrekkingen ingevolge een premiespaarregeling maximaal €|526,- per
kalenderjaar;
• uitkeringen op grond
van pensioenregeling;
• uitkering op grond
van VUT-regeling;
rblz.|118|
• uitkeringen en
verstrekkingen uit fondsen andere dan ter zake van adoptie of overlijden
(bijvoorbeeld vakantiefondsen, personeelsfondsen en studiefondsen);
• financiële
tegemoetkoming Wet financiering loopbaanonderbreking;
• uitkeringen over
tijdvakken waarin geen arbeid is verricht indien minder dan de helft van
het loon wordt genoten.
2. Aanspraken
Voorgesteld wordt om de
volgende loonbestanddelen niet tot het nieuwe loon SV te rekenen:
• aanspraken ingevolge
een pensioenregeling;
• aanspraken ingevolge
een VUT-regeling;
• aanspraken ingevolge
socialeverzekeringswetten;
• aanspraken die naar
aard en strekking overeenkomen met aanspraken ingevolge socialeverzekeringswetten;
• aanspraken op
periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd loon of te derven loon;
• aanspraken op
uitkeringen wegens overlijden of invaliditeit tengevolge van een ongeval;
• aanspraken op de in onderdelen i, m en p [artikel
6, onderdeel i, m en p, red.] van de CSV
bedoelde uitkeringen en verstrekkingen
(uitkeringen en verstrekkingen ingevolge een premiespaarregeling,
uitkeringen tot dekking van op de werknemer drukkende kosten van zijn
opleiding of studie voor een beroep, eenmalige uitkeringen en
verstrekkingen ter zake van overlijden van de werknemer, zijn echtgenoot,
etc.).
3. Loon in natura
Voorgesteld wordt loon in
natura niet tot het loon SV te rekenen.
De (bijzondere)
waarderingsregels van loon in natura zullen dan ook worden geschrapt. Voor de
volgende loon-in-natura-elementen zijn dergelijke waarderingsregels
getroffen;
• kost en inwoning,
volle kost, warme maaltijden, koffiemaaltijd en ontbijt, genot van een
woning, huisvesting aan boord van schepen en baggermaterieel, op
boorplatform en in pakwagens van kermisexploitanten;
• bewassing, energie en
water;
• vrije uniform en
andere kleding;
• voordeel gebruik privédoeleinden van auto en/of telefoon waarvan de kosten geheel of
gedeeltelijk door de werkgever worden gedragen;
• aandelenoptierechten;
• therapeutisch
mee-eten;
• producten uit het
bedrijf van de werkgever;
• vrij reizen openbaar
vervoer;
• kinderopvang
(vergelijking vergoeding voor de kosten van kinderopvang);
• gratis
dagbladabonnementen werknemers dagbladuitgeversbedrijf;
• geschenken
feestdagen, Sinterklaas, jubileum werkgever, verjaardag maximaal €|136,- per jaar;
• verstrekking met
ideële waarde ter gelegenheid van een dienstjubileum van de werknemer bij het
beëindigen van zijn dienstbetrekking of bij de gelegenheden,
bedoeld in onderdeel v van artikel 6 van de
CSV
(erkende
feestdagen, Sinterklaas e.d.);
• verstrekkingen van
consumpties tijdens werktijd niet zijnde maaltijden;
• computers maximaal €|2269,- gedurende drie jaar, mede dienen tot verwerving van loon;
• inrichting werkruimte
thuis (en vergoeding kosten) maximaal €|1815,- gedurende vijf jaar en
mede dienen tot verwerving van het loon plus administratieve
voorwaarden;
rblz.|119|
• dienstfiets;
• personeelsreizen, personeelsfestiviteiten en dergelijke incidentele personeelsvoorzieningen;
• outplacement;
• bedrijfsfitness;
• verstrekkingen met
een beperkte waarde in het economische verkeer als bedoeld in artikel
36, eerste lid, onderdeel e, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990;
• indien-plaats-beschikbaartickets;
• vrij vlees.
4. Onkostenvergoedingen
Voorgesteld wordt
onkostenvergoedingen niet tot het nieuwe loon SV te rekenen.
Het voorstel brengt geen
wijziging ten aanzien van de volgende vergoedingen.
• uitkeringen en
verstrekkingen ter vergoeding van door de werknemer in verband met zijn
dienstbetrekking geleden schade aan of verlies van persoonlijke zaken;
• uitkeringen tot
dekking van op de werknemer drukkende kosten van opleiding of studie voor
een beroep, alsmede verstrekkingen met betrekking tot zodanige
opleiding of studie;
• uitkeringen en
verstrekkingen tot dekking van op de werknemer drukkende kosten ter zake van
ziekte, invaliditeit en bevalling.
Er zullen geen bijzondere
regels voor de premieheffing werknemersverzekeringen meer worden gesteld ten
aanzien van de vergoeding van kosten die in het kader
van het woon-werkverkeer worden vergoed. De volgende regeling zal
derhalve worden ingetrokken:
• Regeling vergoeding kosten
woon-werkverkeer 2002 [zie Regeling
vergoedingen en verstrekkingen zakelijk vervoer 2004, red.].
Verder betekent
het
voorstel dat de in de Regeling
vergoeding gemengde kosten en waardering loon in natura, vergoedingen en
verstrekkingen 2002 opgenomen regels worden ingetrokken.
Het gaat hier om de
volgende vergoedingen
• de werkruimte;
• 1º indien de
werknemer tevens soortgelijke werkruimte buiten de woning ter beschikking
heeft en hij het inkomen niet hoofdzakelijk in de werkruimte thuis
verwerft;
• 2º indien de
werknemer geen soortgelijke werkruimte buiten de woning ter beschikking
heeft en zijn inkomen niet hoofdzakelijk in de werkruimte thuis verwerft;
• telefoonabonnementen;
• kleding met uitzondering van werkkleding;
• persoonlijke
verzorging van de werknemer, tenzij artiest, presentator of sportbeoefenaar;
•
personeelsverenigingen e.d.;
• aktetassen;
• geldboeten;
• vervoer per auto niet
behorend tot woon-werkverkeer en anders dan per taxi: €|0,28 per
kilometer;
• verhuiskosten; de
kosten met van het overbrengen van de inboedel, vermeerderd met de
overige kosten, doch ten hoogste met een bedrag van 12% van het jaarloon,
doch maximaal een bedrag van €|5445,- (bij de vaststelling van het
jaarloon wordt niet meegenomen uitkeringen en verstrekkingen op
grond van een premiespaarregeling, tantièmes, bijzondere beloningen
alsmede tot het loon behorende aanspraken);
• huisvesting van de
werknemer buiten zijn woonplaats: het werkelijke bedrag gedurende ten
hoogste twee jaren;
rblz.|120|
• de werkruimte, de
inrichting daaronder begrepen, 20% van de huur(waarde) van de woning;
• vervoer voor zakelijk
verkeer per eigen al dan niet door de werkgever beschikbaar gestelde
fiets.
|