|
De Minister van Defensie
en de Staatssecretaris van Sociale Zaken;
Gelet op
artikel 10 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen;
Besluiten:
HOOFDSTUK
I
Algemene bepaling
Art. 1.
-1. Voor de
berekening van het dagloon overeenkomstig de artikelen
2 tot en met 11 van deze beschikking wordt de
arbeidsongeschiktheid die tijdens of na verblijf in
militaire dienst is ontstaan, geacht te zijn ingetreden op
de datum van opkomst in militaire dienst.
-2. Voor de
toepassing van deze beschikking wordt als werknemer in de
zin van de Ziektewet
en de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering aangemerkt
degene wiens arbeidsverhouding ingevolge het bepaalde bij
artikel 6, eerste lid, aanhef
en onder a, van de Ziektewet en de
Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering niet als
dienstbetrekking wordt beschouwd.
HOOFDSTUK
II
Dagloonvaststelling
§
1. Dagloonvaststelling voor de toepassing van hoofdstuk II van de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen ten aanzien
van degenen die vóór de datum van opkomst in militaire
dienst arbeid hebben verricht als werknemer in de zin van de
Ziektewet
Art.
2.
Indien de
uitkeringsgerechtigde in het jaar onmiddellijk
voorafgaande aan de datum van opkomst in militaire dienst
arbeid heeft verricht als werknemer in de zin van de Ziektewet,
vinden voor de vaststelling van het dagloon de krachtens artikel
15, eerste lid, onderscheidenlijk het tweede lid, van de
Ziektewet gestelde dagloonregelen overeenkomstige
toepassing, zulks met inachtneming van de artikelen
3 tot en met 5 van deze beschikking.
Art.
3.
Bij toepassing
van artikel
2 wordt, in afwijking van het bepaalde in het derde
lid, onder 6 ¹, van artikel 1 van de
Algemene dagloonregelen Ziektewet, de vakantietoeslag geacht tot
het loon te behoren.
1. Volgens de redactie
dient "onder 6" te worden vervangen door:
onderdeel e.
Art.
4.
-1. Het bepaalde
in de artikelen 7, 12
en 13
van de Algemene dagloonregelen Ziektewet blijft buiten
toepassing.
-2. Het bepaalde
in de artikel
8 van de Algemene dagloonregelen Ziektewet blijft
buiten toepassing, tenzij zulks tot de vaststelling van
een kennelijk onjuist dagloon zou leiden.
Art.
5.
Voor het geval
het loonpeil in het beroep van de uitkeringsgerechtigde op
de dag van ingang van de uitkering afwijkt van dat hetwelk
medebepalend was voor het loon waarmede bij de toepassing
van de vorige artikelen rekening werd gehouden, wordt dit
loon in overeenstemming met eerstbedoeld loonpeil herzien.
Art.
5a.
Voor het geval
tijdens de duur der uitkering ten aanzien van het
burgerlijk personeel in dienst van de rijksoverheid een
algemene salarismaatregel wordt genomen, wordt het loon
waarmede bij de toepassing van de vorige artikelen
rekening is gehouden, in overeenstemming met bedoelde
algemene salarismaatregel herzien.
§
2. Dagloonvaststelling voor de toepassing van hoofdstuk III van
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen ten
aanzien van degenen die vóór de datum van opkomst in
militaire dienst arbeid hebben verricht als werknemer in de
zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Art.
6.
Indien de
uitkeringsgerechtigde in het jaar onmiddellijk
voorafgaande aan de datum van opkomst in militaire dienst
arbeid heeft verricht als werknemer in de zin van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, vinden voor de
vaststelling van het dagloon de krachtens artikel
14, eerste lid, onderscheidenlijk het tweede lid, van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering gestelde
dagloonregelen overeenkomstige toepassing met inachtneming
van artikel
7 van deze beschikking.
Art.
7.
-1. Het bepaalde
in artikel
12 van de Dagloonregelen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering blijft buiten
toepassing.
-2. Het bepaalde
in artikel
14 van de Dagloonregelen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering blijft buiten
toepassing, tenzij zulks tot de vaststelling van een
kennelijk onjuist dagloon zou leiden.
§
3. Dagloonvaststelling voor de toepassing van de hoofdstukken II
en III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen
ten aanzien van degenen die niet als werknemer in de zin van
de Ziektewet of van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering arbeid hebben verricht
Art.
8.
-1. Indien de
uitkeringsgerechtigde in het jaar onmiddellijk
voorafgaande aan de datum van opkomst in militaire
dienst wegens de zelfstandige uitoefening van een
bedrijf of beroep of anderszins niet als werknemer in
de zin van de Ziektewet
of van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering arbeid
heeft verricht, wordt het dagloon te zijnen aanzien
vastgesteld op het bedrag van de inkomsten die een
gelijksoortig persoon in hetzelfde of een
gelijksoortig bedrijf of beroep in dezelfde of een
gelijksoortige gemeente gemiddeld per dag heeft
genoten over de in dat jaar gelegen dagen waarop hij
gedurende ten minste de voor de uitkeringsgerechtigde
normale werktijd in dat bedrijf of beroep werkzaam is
geweest.
De artikelen
5 en 5a
van deze beschikking zijn van overeenkomstige
toepassing.
-2. Indien de
uitkeringsgerechtigde geen arbeid in dienstbetrekking
heeft verricht als gevolg van de omstandigheid dat
zijn arbeidsverhouding in overwegende mate werd
beheerst door een familieverhouding, wordt in
afwijking van het bepaalde in het eerste lid het
dagloon vastgesteld op het loon dat degenen die
overeenkomstige arbeid wel in bedoelde hoedanigheid
hebben verricht in hetzelfde of in een gelijksoortig
bedrijf in dezelfde of een gelijksoortige gemeente in
het jaar onmiddellijk voorafgaande aan de datum van
opkomst van de uitkeringsgerechtigde in militaire
dienst in diens beroep gemiddeld hebben genoten over
de in dat jaar gelegen dagen waarop zij gedurende de
voor die werknemers gebruikelijke werktijd in het
beroep van de uitkeringsgerechtigde werkzaam waren.
De
artikelen
1 en 4
van de Dagloonregelen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de
artikelen 3, 5
en 5a
van deze beschikking zijn van overeenkomstige
toepassing.
Art.
9.
-1. Indien de in artikel
8, eerste lid, bedoelde uitkeringsgerechtigde
tijdens of na verblijf in militaire dienst wegens
herhalingsoefeningen arbeidsongeschikt is geworden,
wordt in afwijking van het bepaalde in dat artikel
8,
eerste lid, het dagloon gesteld op het bedrag per dag
dat als grondslag heeft gediend voor de berekening van
de vergoeding ingevolge het Inkomsten-vergoedingsbesluit-militairen
(Stb. 1958, 149), zoals dit besluit
sedert de totstandkoming is herzien, of ingevolge een
daarvoor in de plaats getreden besluit.
-2. Indien de
arbeidsongeschiktheid van de in het voorgaande lid
bedoelde uitkeringsgerechtigde langer dan één maand
heeft geduurd, wordt het overeenkomstig het vorige lid
berekende dagloon met terugwerkende kracht met
inachtneming van het bepaalde in artikel
8, eerste lid, van deze beschikking herzien.
§
4. Bijzondere bepalingen inzake dagloonvaststelling voor de
toepassing van de hoofdstukken II en III van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen
Art.
10.
Indien de
uitkeringsgerechtigde in het jaar onmiddellijk
voorafgaande aan de datum van opkomst in militaire dienst
zowel de in de paragraaf
1 of in paragraaf
2 als de in paragraaf
3 van deze beschikking bedoelde arbeid heeft verricht,
wordt het dagloon als volgt vastgesteld:
a. vastgesteld
wordt gedurende welke tijdvakken in het in de aanhef
van dit artikel bedoelde jaar hij de in de aanhef van
dit artikel bedoelde arbeid heeft verricht;
b. vastgesteld
worden de daglonen die zouden zijn berekend op grond
van paragraaf
1 of 2 en op grond van paragraaf
3, indien welk van de onder a bedoelde tijdvakken
afzonderlijk zouden worden beschouwd;
c. de onder
b bedoelde daglonen worden vermenigvuldigd met het
aantal dagen in het betrokken tijdvak waarop die
arbeid is verricht. De uitkomsten van deze
vermenigvuldigingen worden bij elkaar geteld;
d. het
onder c verkregen resultaat wordt gedeeld door het
totaal aantal dagen waarop arbeid is verricht in het
in de aanhef van dit artikel bedoelde jaar. De aldus
verkregen uitkomst wordt als dagloon van de
uitkeringsgerechtigde aangemerkt.
Art.
11.
-1. Indien de
uitkeringsgerechtigde in het jaar onmiddellijk
voorafgaande aan de datum van opkomst in militaire
dienst geen arbeid heeft verricht, wordt het dagloon
vastgesteld op het bedrag van de bezoldiging die hij
met ingang van de dag waarop hij aanspraak op
uitkering kan doen gelden, in dienst van de rijksoverheid in de aan zijn opleiding verbonden rang
of functie gemiddeld per gewerkte dag zou hebben
genoten.
-2. Onder het
bedrag van de bezoldiging als bedoeld in het eerste
lid wordt mede begrepen de vakantietoeslag.
-3. Het bepaalde
in het eerste en tweede lid is, in afwijking van het
bepaalde in de vorige artikelen, van overeenkomstige
toepassing ten aanzien van degene die in bedoeld jaar
andere arbeid heeft verricht dan in het beroep
waarvoor hij is opgeleid.
-4. Bij de
vaststelling van het dagloon voor de toepassing van hoofdstuk
II van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen vindt artikel 5a van deze beschikking overeenkomstige
toepassing.
-5. Bij de
vaststelling van het dagloon voor de toepassing van hoofdstuk
III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen is artikel
11 van de Dagloonregelen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering van overeenkomstige
toepassing.
-6. Indien het
dagloon vastgesteld overeenkomstig paragraaf
1, 2 of 3 hoger is dan het
dagloon vastgesteld
overeenkomstig het derde, vierde en vijfde lid van dit
artikel, wordt ten aanzien van de
uitkeringsgerechtigde het eerstbedoelde dagloon in
aanmerking genomen.
Art.
12.
Indien de
uitkeringsgerechtigde tijdens het verblijf in militaire
dienst nieuwe bekwaamheden heeft verkregen, wordt - in
zoverre in afwijking van de voorgaande artikelen - het
dagloon vastgesteld op het loon dat werknemers die
werkzaam zijn in een beroep waarvoor de nieuw verworven
bekwaamheden een vereiste zijn en die wonen in dezelfde of
een gelijksoortige gemeente als de uitkeringsgerechtigde
en ook overigens gelijksoortig zijn, in dertien kalender- of
loonweken onmiddellijk voorafgaande aan de datum met
ingang waarvan de uitkeringsgerechtigde aanspraak op
uitkering kan doen gelden gemiddeld hebben genoten over
dagen waarop zij gedurende ten minste de normale werktijd
in dit beroep werkzaam waren.
Artikel
1 van de Algemene dagloonregelen Ziektewet en de
artikelen
1 en 4
van de Dagloonregelen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de
artikelen 3, 5
en 5a
van deze beschikking zijn van overeenkomstige toepassing.
Art.
13.
Het dagloon
berekend overeenkomstig de voorgaande artikelen wordt ten
hoogste gesteld op het bedrag dat over de periode
waarover de uitkering wordt verstrekt, wordt bepaald door
het alsdan geldende artikel 9 juncto
artikel 9a van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering.
HOOFDSTUK
III
Overgangsbepalingen
Art. 14.
Voor degenen die in
verband met het bepaalde in artikel
20, aanhef
en onder a, van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen met terugwerkende kracht recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering aan deze wet ontlenen, is,
indien het dagloon wordt vastgesteld overeenkomstig artikel
11 van deze beschikking, het bepaalde in
artikel
5 van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK
IV
Slotbepalingen
Art. 15.
Deze beschikking kan
worden aangehaald als: Beschikking Dagloonregelen Wamil
1972.
Art. 16.
-1. Deze beschikking werkt, behoudens het bepaalde in het
volgende lid, terug tot ¹ 1 september 1972.
-2. Voor de toepassing van hoofdstuk
III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen werkt deze beschikking terug tot ¹ 1 juli
1966.
1. Volgens de redactie
dient "tot" telkens te worden vervangen door: tot en
met.
's-Gravenhage, 14 december 1972.
De Minister
van Defensie,
H.J. de
Koster.
De Staatssecretaris
van Sociale Zaken,
Rietkerk.
|