|
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken;
Gelet op
artikel 56 van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en artikel
59e van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
Besluit:
Art. 1.
Voor zoveel nodig in
afwijking van het bepaalde in artikel 59b
van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
of in artikel 68 van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen vindt, ingeval de arbeidsongeschiktheidsuitkering
of werkhervattingsuitkering
gedeeltelijk arbeidsgeschikten wordt beëindigd
en het niet aannemelijk is dat binnen korte tijd wederom
aanspraak op een dergelijke uitkering zal ontstaan, uitbetaling
van de vakantie-uitkering plaats gelijktijdig met de uitbetaling
van de laatste termijn van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of
werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten of
zo spoedig mogelijk daarna.
Art. 2.
Indien na de toepassing
van het voorgaande artikel wederom aanspraak op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat en dientengevolge het
voorgaande artikel of artikel 59b van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
of artikel 68 van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen moet
worden toegepast, wordt daarbij rekening gehouden met hetgeen met
toepassing van artikel
1 van deze beschikking reeds werd uitbetaald.
Art. 3.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling afwijkende regels
omtrent de uitbetaling van de vakantie-uitkering op grond van de
WAO en de Wet WIA.¹
1. Volgens de redactie
dient na artikel 3 een artikel te worden ingevoegd, luidende:
Art. 4.
Deze regeling treedt
in werking met ingang van 1 oktober 1976.
's-Gravenhage, 16 september 1976.
De Staatssecretaris
voornoemd,
P.J.J.
Mertens.
|