|
REGELING van de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 december 2005, Directie
Sociale Verzekeringen, nr. SV/R&S/2005/102050, houdende regels met
betrekking tot reïntegratie (Reïntegratieregeling)
De Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen
5, vierde lid, en 15,
eerste lid, van het Reïntegratiebesluit,
artikel 65h van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel
65 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, artikel 59i van de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en
artikel 2.8 van de Wet invoering en financiering Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen;
Besluit:
§ 1.
Diversen
Art. 1.
Begrippen
-1. In deze regeling wordt verstaan onder:
a. UWV: het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de
Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen;
b. WAO: Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
c.
Wet Wajong: Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten;
d. WAZ: Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
e. Wet WIA: Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen.
-2. Voor de toepassing van
deze regeling wordt gelijkgesteld met:
a. echtgenoot: de
geregistreerde partner alsmede de ongehuwde
meerderjarige die met een andere ongehuwde
meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert als bedoeld in artikel
1, vierde en vijfde lid, van de Toeslagenwet, tenzij
het betreft een bloedverwant
in de eerste graad;
b. ongehuwd: de persoon die
duurzaam gescheiden leeft van de
persoon met wie hij gehuwd is.
-3. Onder bloedverwant in de eerste graad
als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, wordt mede verstaan
een meerderjarig aangehuwd kind of een meerderjarig voormalig pleegkind
van de ongehuwde meerderjarige.
-4. Onder voormalig pleegkind als bedoeld
in het derde lid wordt verstaan een pleegkind waarvoor de ongehuwde
meerderjarige een pleegvergoeding ontving of ontvangt op grond van de Wet
op de jeugdzorg of kinderbijslag ontving
op grond van de Algemene Kinderbijslagwet.
Art. 2.
Aanvraagtermijnen
loon- en inkomenssuppletie
-1. Een aanvraag voor
loonsuppletie als bedoeld in artikel 65c
van
de WAO, artikel 67a
van de WAZ en artikel
2:25 of 3:67 van de
Wet Wajong wordt
ingediend binnen twee maanden na aanvang van
het werk in dienstbetrekking,
dan wel bij aanvang van de werkzaamheden
voordat een besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid is genomen, binnen twee
maanden nadat dat besluit is
genomen.
-2. Een aanvraag voor
inkomenssuppletie als bedoeld in artikel 65d
van de WAO, artikel 67b
van de WAZ en artikel
2:26 of 3:68 van de
Wet Wajong wordt
ingediend binnen zes maanden na afloop van
het boekjaar waarin de uitoefening van het bedrijf of beroep is
voortgezet of waarin de persoon die recht heeft
op een uitkering op grond van één van de
hiervoor genoemde wetten
werkzaamheden als zelfstandige is gaan
verrichten.
-3. Bij overschrijding van de termijnen,
bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt geen loonsuppletie verstrekt
over een periode die gelegen is meer dan twee maanden vóór de
aanvraag, respectievelijk geen inkomenssuppletie verstrekt over het
boekjaar of de boekjaren gelegen vóór de aanvraag.
Art. 3.
Maximaal bedrag
starterskrediet
Het bedrag, bedoeld in
artikel 15, eerste lid, van het Reïntegratiebesluit, wordt
vastgesteld op €|34 134,00.
§ 2.
Inkomenstoets
vervoersvoorzieningen
Art. 4.
Inkomen
Voor de toepassing van
artikel 5, eerste lid, van het Reïntegratiebesluit
wordt onder inkomen verstaan hetgeen op grond van artikel 2
van het
Inkomensbesluit Wet WIA onder inkomen wordt verstaan.
Art. 5.
Inkomen
echtgenoot
Bij de vaststelling van het
inkomen van de persoon die de
vervoersvoorziening aanvraagt of aan wie de vervoersvoorziening is toegekend, wordt mede in
aanmerking genomen het
inkomen van zijn echtgenoot.
Art. 6.
Aftrekbare kosten
Op het inkomen worden in
mindering gebracht kosten ter zake van
ziekte of arbeidsongeschiktheid van de persoon die de vervoersvoorziening
aanvraagt of aan wie de
vervoersvoorziening is toegekend, alsmede van zijn echtgenoot
of van zijn gezinsleden indien
zij voor hun levensonderhoud mede
afhankelijk zijn van zijn inkomen, voor zover
die kosten niet uit anderen hoofde
kunnen worden vergoed en naar het oordeel
van het UWV als buitengewone lasten
zijn aan te merken.
Art. 7.
Buiten
beschouwing blijvende bedragen bij
inkomensvaststelling
Bij het vaststellen van het
inkomen blijft buiten beschouwing het
bedrag waarmee de uitkering of inkomensvoorziening op grond van de WAO, de
Wet WIA, de WAZ
of
de
Wet Wajong, of een combinatie hiervan, is verhoogd op grond van artikel 22 van de
WAO, de
artikelen 53 of 63 van de Wet
WIA,
artikel 10 van de WAZ of
artikel 2:51 of 3:9
van de
Wet Wajong, of een combinatie van deze
artikelen.
Art. 8.
Vaststelling
inkomen van personen die de leeftijd van 18 jaar
nog niet hebben bereikt
-1. Bij de vaststelling van
het inkomen van de persoon die de
vervoersvoorziening aanvraagt of aan wie de vervoersvoorziening is toegekend en die de
leeftijd van 18 jaar nog
niet heeft bereikt, wordt in aanmerking genomen
het gezamenlijk inkomen van de
ouders van die persoon dan wel, indien
het een pleegkind betreft, het
gezamenlijk inkomen van de pleegouders indien
laatstgenoemden het pleegkind als eigen kind opvoeden en onderhouden.
-2. Indien de ouders
respectievelijk pleegouders van de in het
eerste lid bedoelde persoon geen echtgenoten zijn van elkaar en hij:
a. bij één van beide ouders
verblijft, wordt bij de toepassing van
het eerste lid als inkomen van de ouder respectievelijk pleegouder die krachtens
overeenkomst of rechterlijke uitspraak
een bijdrage is verschuldigd voor het levensonderhoud ten behoeve van die
persoon,
slechts die bijdrage in
aanmerking genomen;
b. afwisselend bij één van
beide ouders respectievelijk pleegouders
verblijft, wordt alvorens het gezamenlijk inkomen als bedoeld in het eerste
lid wordt vastgesteld, het inkomen van
de ouder respectievelijk pleegouder
met het hoogste inkomen verminderd met 30 procent.
Art. 9.
Vaststelling van
het inkomen in het jaar van het bereiken
van de leeftijd van 18 jaar
Indien een persoon in het
kalenderjaar waarin hij een
vervoersvoorziening heeft of aanvraagt de
leeftijd van 18 jaar bereikt, wordt:
a. tot de datum waarop hij
18 jaar wordt het inkomen in aanmerking
genomen dat in aanmerking zou zijn genomen indien hij gedurende het
gehele kalenderjaar nog niet de leeftijd van 18
jaar had bereikt;
b. vanaf de datum waarop hij
18 jaar wordt het inkomen in
aanmerking genomen dat in aanmerking
zou zijn genomen indien hij gedurende
het gehele kalenderjaar reeds de
leeftijd van 18 jaar had bereikt.
Art. 10.
Vaststelling van
het inkomen in het jaar van het bereiken
van de leeftijd van 65 jaar
-1. Indien een persoon aan
wie een vervoersvoorziening is toegekend de leeftijd van 65 jaar bereikt, wordt
voor de toepassing van artikel 5,
eerste lid, van het Reïntegratiebesluit
onder inkomen verstaan het inkomen dat
deze persoon over dat kalenderjaar zou
hebben genoten indien hij in dat jaar niet
de 65-jarige leeftijd had bereikt.
-2. Indien de echtgenoot van
de persoon, bedoeld in het eerste lid,
in hetzelfde jaar als het jaar, bedoeld
in het eerste lid, de leeftijd van 65 jaar
bereikt, wordt voor de toepassing van
artikel 3 van deze regeling onder inkomen
van zijn echtgenoot verstaan het
inkomen dat de echtgenoot over dat
kalenderjaar zou hebben genoten indien de
echtgenoot in dat jaar niet de 65-jarige
leeftijd had bereikt.
Art. 11.
Afwijking
inkomensgrens
-1.
Indien de echtgenoot of een ander gezinslid van de persoon die een
vervoersvoorziening aanvraagt of aan wie een vervoersvoorziening is
toegekend, aanspraak heeft op een vervoersvoorziening of om een andere
reden dan ziekte of gebrek is aangewezen op het gebruik van een
vervoermiddel, wordt voor de verlening of beëindiging van de tweede in
het gezin benodigde vervoersvoorziening het percentage, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het
Reïntegratiebesluit,
vastgesteld op 105%.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing
indien één van de in het gezin benodigde vervoersvoorzieningen of het
naast de vervoersvoorziening benodigde vervoermiddel niet voor ten
minste driekwart wordt bekostigd uit het gezinsinkomen.
Art. 12.
Buiten
toepassing blijven van inkomensgrens
Artikel 5, eerste lid, van
het Reïntegratiebesluit
is niet van toepassing bij
de toekenning van een vervoersvoorziening die betreft:
1º. een vergoeding van de
kosten van aanpassing van een
vervoermiddel of een vergoeding van een in
een vervoermiddel aangebrachte faciliteit, voor zover de aanpassing of de
faciliteit noodzakelijk is in verband met ziekte of gebrek;
2º. een vergoeding voor de aanschaf of een
verstrekking van een
vervoermiddel voor het vervoer buitenshuis
dat is bestemd voor het gebruik
door een persoon met een ziekte of gebrek;
3º. een vergoeding van de
meerkosten van de aanschaf en het
gebruik van een bijzonder type auto die samenhangt met ziekte of gebrek,
voor zover
deze meerkosten niet meer bedragen dan het verschil tussen de kosten
van de aanschaf en het gebruik van een auto
die door het UWV wordt beschouwd
als een referentieauto en de kosten
van de aanschaf en het gebruik van een auto
die door het UWV zou zijn toegekend indien er sprake zou zijn
geweest van een bruikleensituatie;
4º. de vergoeding van het
gebruik van een rolstoeltaxi die strekt tot verbetering van de
leefomstandigheden en die vergoeding niet meer bedraagt dan het verschil tussen het door het UWV
vastgestelde normbedrag voor de vergoeding van het
gebruik van een rolstoeltaxi en het
door het UWV
vastgestelde normbedrag voor de
vergoeding van het gebruik van een
taxi;
5º. de vergoeding van het
gebruik van een taxi of rolstoeltaxi om de werkplek te
kunnen bereiken en die vergoeding
niet meer bedraagt dan het verschil tussen
de kosten van het gebruik van een taxi of rolstoeltaxi en het door het UWV vastgestelde normbedrag voor het gebruik van een eigen
auto;
6º. een vergoeding van de
kosten die iemand moet maken voor het
kunnen volgen van rijlessen in een aangepaste auto en die vergoeding niet
meer bedraagt dan het verschil
tussen de kosten van het volgen van
autorijlessen in een niet-aangepaste auto en
het volgen van autorijlessen in een
aangepaste auto;
7º. een vergoeding van
vervoerskosten in verband met het volgen
van scholing.
§
2A. Inkomenstoets voorzieningen bij inschakeling in en ondersteuning bij
arbeid als zelfstandige
Art.
12a. Inkomen
Voor de toepassing van artikel 15b,
eerste lid, van het Reïntegratiebesluit
wordt onder inkomen verstaan hetgeen
op grond van artikel 2 van het Inkomensbesluit
Wet WIA onder inkomen wordt verstaan.
Art.
12b. Aftrekbare kosten
Artikel 6 is van overeenkomstige toepassing op het
inkomen, bedoeld in artikel 12a.
§ 3.
Fondsbelasting ten
behoeve van het Reïntegratiefonds
Art. 13.
Verdeling
werkloosheidsfondsen/arbeidsongeschiktheidsfondsen
-1. De middelen ter dekking
van de uitgaven ten laste van het
Reïntegratiefonds, bedoeld in artikel 2.8,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet invoering en
financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, worden voor
50 procent verkregen uit de
werkloosheidsfondsen en voor 50 procent uit de arbeidsongeschiktheidsfondsen
gezamenlijk.
-2. Onder
arbeidsongeschiktheidsfondsen, bedoeld in het eerste lid,
worden verstaan het Arbeidsongeschiktheidsfonds, genoemd in artikel 112 van
de Wet financiering sociale verzekeringen, en het
Arbeidsondersteuningsfonds jonggehandicapten, genoemd
in artikel 5:1 van de Wet
Wajong.
-3. Onder de
werkloosheidsfondsen, bedoeld in het eerste lid,
worden verstaan het Algemeen Werkloosheidsfonds en het Uitvoeringsfonds voor
de overheid.
Art. 14.
Onderlinge
verdeling arbeidsongeschiktheidsfondsen
De ten laste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds en het Arbeidsondersteuningsfonds jonggehandicapten komende bijdrage aan het
Reïntegratiefonds in een bepaald kalenderjaar
wordt voor elk van deze fondsen bepaald
aan de hand van de volgende
formule:
Bf t = (Uf t-2 : U t-2)
× B t
waarbij:
1. Bf t het bedrag is van de
bijdrage uit een
arbeidsongeschiktheidsfonds of arbeidsondersteuningsfonds
tot dekking van de uitgaven in
een bepaald kalenderjaar ten laste van
het Reïntegratiefonds;
2. Uf t-2 het bedrag is
van de uitkeringsuitgaven die in het tweede
kalenderjaar voorafgaand aan genoemd bepaald kalenderjaar ten
laste zijn gekomen van het
desbetreffende arbeidsongeschiktheidsfonds of arbeidsondersteuningsfonds;
3. U t-2 het totaalbedrag is
van de uitkeringsuitgaven die in het tweede
kalenderjaar voorafgaand aan genoemd bepaald kalenderjaar ten laste zijn
gekomen van de arbeidsongeschiktheidsfondsen of het arbeidsondersteuningsfonds
gezamenlijk;
4. B t 50 procent is van de
benodigde middelen tot dekking van de
uitgaven in genoemd bepaald kalenderjaar
ten laste van het Reïntegratiefonds.
Art. 15.
Onderlinge
verdeling werkloosheidsfondsen
De ten laste van de
werkloosheidsfondsen komende bijdrage aan het
Reïntegratiefonds in een bepaald kalenderjaar wordt voor elk van deze
fondsen bepaald aan de hand van de
volgende formule:
Bf t = (Uf t-2 : U t-2)
× B t
waarbij:
1. Bf t het bedrag is van de
bijdrage uit een werkloosheidsfonds tot
dekking van de uitgaven in een
bepaald kalenderjaar ten laste van het
Reïntegratiefonds;
2. Uf t-2 het bedrag is
van de uitkeringsuitgaven die in het tweede
kalenderjaar voorafgaand aan genoemd bepaald kalenderjaar ten laste zijn
gekomen van het desbetreffende
werkloosheidsfonds;
3. U t-2 het totaalbedrag
is van de uitkeringsuitgaven die in het tweede
kalenderjaar voorafgaand aan genoemd
bepaald kalenderjaar ten laste zijn
gekomen van de werkloosheidsfondsen
gezamenlijk;
4. B t 50 procent is van de
benodigde middelen tot dekking van de
uitgaven in genoemd bepaald kalenderjaar
ten laste van het Reïntegratiefonds.
Art. 16.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in
werking met ingang van 29 december 2005.
Art. 17.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Reïntegratieregeling.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
Den Haag, 16 december
2005.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.
TOELICHTING
[16 december 2005]
Algemeen
In
deze regeling worden nadere regels gesteld ter uitvoering van enkele
bepalingen met betrekking tot reïntegratie in de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), het Reïntegratiebesluit
en de Wet invoering en
financiering Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen (IWIA). Het betreft de
aanvraag van loon- en inkomenssuppletie,
het maximale bedrag starterskrediet, de
inkomenstoets voor de aanvraag van vervoersvoorzieningen en bijdragen van
fondsen aan het
Reïntegratiefonds en van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten (Afj) aan
het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) en
het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof).
De aanvraagtermijnen loon-
en inkomenssuppletie
Op grond van
artikel 65c van
de WAO, artikel 67a
van de WAZ en
artikel 59f van de
Wajong kan een verzekerde die recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering en die arbeid in dienstbetrekking aanvaardt
of verricht, bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV) een aanvraag loonsuppletie indienen
indien zijn loon lager is dan zijn resterende
verdiencapaciteit.
Op grond van artikel
65d van
de WAO, artikel 67b
van de WAZ en artikel
59g van de
Wajong kan een verzekerde die recht heeft
op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en die arbeid als zelfstandige
verricht of gaat verrichten, bij het UWV een
aanvraag inkomenssuppletie indienen indien zijn inkomen uit het bedrijf of
beroep lager is dan zijn resterende
verdiencapaciteit.
Op grond van artikel
65h WAO, artikel
65 WAZ en artikel
59i Wajong
worden in deze regeling
nadere regels gesteld voor de maximale
aanvraagtermijn van loon- en
inkomenssuppletie.
Het maximale bedrag
starterskrediet
Artikel
15, eerste lid, Reïntegratiebesluit
geeft nadere regels met
betrekking tot voorzieningen ter ondersteuning van toeleiding naar arbeid als
zelfstandige als bedoeld in artikel 52d
ZW, artikel 34, tweede
lid, Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), artikel
65e WAO, artikel
59b Wajong
of artikel 67c WAZ. De daar
genoemde personen kunnen een aanvraag
bij het UWV indienen voor een verlening
van krediet of borgtocht ter voorziening
in de behoefte aan
bedrijfskapitaal, het zogenaamde starterskrediet. In deze
regeling wordt de maximale hoogte van
dit starterskrediet vastgesteld. Het bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd.
De inkomenstoets
vervoersvoorzieningen
Op grond van
artikel 35 van
de Wet WIA kunnen verschillende
voorzieningen worden verstrekt aan de daar genoemde personen. In
artikel 5 van het Reïntegratiebesluit
zijn
nadere regels gesteld met betrekking tot
de verstrekking van vervoersvoorzieningen.
Om in aanmerking te komen voor de
verstrekking van een vervoersvoorziening
mag het inkomen van een persoon
niet hoger zijn dan de inkomensgrens
van 261 maal 70% van het loon,
bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet
financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot het
loontijdvak van een dag.
Op grond van artikel
5,
vierde lid, Reïntegratiebesluit
bepaalt
deze regeling welke inkomenscomponenten meetellen voor de vaststelling van de
hoogte van het inkomen voor de aanvraag
van vervoersvoorzieningen. De bepalingen zijn merendeels overgenomen van
de voormalige Regeling inkomenstoets
vervoersvoorzieningen Rea, die gebaseerd was op het Reïntegratie-instrumentenbesluit
Wet Rea. Het inkomensbegrip is echter
niet overgenomen van deze regeling. Omwille
van deregulering en vereenvoudiging van de uitvoering is gekozen voor
een zoveel mogelijk eenduidig
inkomensbegrip in de Wet WIA
en gerelateerde
regelgeving. Voor het inkomensbegrip voor
de aanvraag van vervoersvoorzieningen wordt daarom verwezen naar het
inkomensbegrip zoals genoemd in het
Inkomensbesluit Wet WIA.
Overigens kunnen degenen die
extra vervoerskosten hebben
vanwege ziekte of gebrek ook gebruik maken van de faciliteiten in de fiscale
wetgeving. Wanneer echter al aanspraak
wordt gemaakt op vergoedingen in het kader van de Wet WIA, waaronder
deze Reïntegratieregeling, kan
niet daarnaast voor dezelfde voorzieningen
ook nog eens een beroep worden
gedaan op de fiscale regelgeving.
Bijdragen van fondsen aan
het Reïntegratiefonds
Op grond van artikel 2.8,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet WIA
[artikel 2.8,
eerste lid, onderdeel a, van de IWIA, red.]
worden de middelen tot dekking van
de uitgaven ten laste van het
Reïntegratiefonds verkregen uit bijdragen uit het Aof,
het arbeidsongeschiktheidsfonds
jonggehandicapten, het AWf en het
Uitvoeringsfonds voor de overheid. In paragraaf 3 van deze regeling wordt
de verdeling gegeven van de bijdragen uit
de verschillende fondsen.
Artikelsgewijs
Paragraaf
1.
Diversen
Artikel 1. Begrippen
Het eerste lid van dit
artikel bevat de aanduiding van de in deze
regeling gebruikte afkortingen. De definities van de in het tweede lid van dit
artikel genoemde begrippen komen
overeen met of sluiten aan bij de
definitiebepalingen van deze begrippen in de
socialeverzekeringswetgeving en daarop gebaseerde regelgeving.
Artikel
2. Aanvraagtermijnen
loon- en inkomenssuppletie
In dit artikel zijn de
termijnen opgenomen waarbinnen een aanvraag voor loon- of inkomenssuppletie
moet worden ingediend. Deze termijnen
zijn overgenomen uit de, destijds
door het Landelijk instituut sociale verzekeringen opgestelde en reeds
vervallen, Regeling aanvraagtermijnen Wet
op de (re)integratie arbeidsgehandicapten 2001.
Artikel
3. Maximaal bedrag
starterskrediet
In dit artikel wordt de
maximale hoogte bepaald van het bedrag,
bedoeld in artikel 15, eerste lid, van het
Reïntegratiebesluit.
Vóór de inwerkingtreding van
de onderhavige regeling was de
hoogte van dit bedrag opgenomen in het,
op artikel 30 van de vervallen Wet op
de (re)integratie
arbeidsgehandicapten (Wet Rea) gebaseerde, Besluit
starterskrediet arbeidsgehandicapten.
Paragraaf 2. Inkomenstoets
vervoersvoorzieningen
Artikel 4. Inkomen
Voor het bepalen van de
inkomensgrens voor vervoersvoorzieningen,
bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het
Reïntegratiebesluit,
wordt het inkomen in
aanmerking genomen zoals dat geldt op
grond van artikel 2 van het
Inkomensbesluit Wet WIA. Dit inkomensbegrip
is inhoudelijk in principe gelijk aan het inkomensbegrip dat werd gehanteerd in de
Regeling inkomenstoets vervoersvoorzieningen
Rea.
Artikel
5. Inkomen
echtgenoot
Bij de vaststelling van het
inkomen van de persoon die de
vervoersvoorziening aanvraagt of aan wie de vervoersvoorziening is toegekend, wordt het
inkomen van de echtgenoot mede in
aanmerking genomen.
Artikel
6. Aftrekbare kosten
Bij de vaststelling van het
inkomen kan het UWV aftrekposten in
aanmerking nemen. Kosten in verband met ziekte en gebrek zijn aftrekbaar van
het inkomen als wordt voldaan aan de
volgende voorwaarden:
- de kosten moeten verband
houden met ziekte of gebrek van de
betrokkene zelf of van gezinsleden die voor
hun levensonderhoud van het inkomen van de betrokkene afhankelijk zijn;
- de kosten worden niet uit
anderen hoofde vergoed;
- de kosten moeten als
buitengewone lasten kunnen worden
aangemerkt; en
- de kosten moeten niet als
algemeen gebruikelijk zijn aan te
merken.
Kosten die in het kader van
deze regeling als algemeen gebruikelijk
worden aangemerkt (bijvoorbeeld
een huisapotheek), komen bij de vaststelling
van het inkomen dan ook niet voor
aftrek in aanmerking, ook al worden
zij door de fiscus aangemerkt als een
buitengewone last. Het feit dat het moet
gaan om kosten die niet algemeen
gebruikelijk zijn, vloeit reeds voort uit
artikel 2 van het Reïntegratiebesluit.
Er is bewust gekozen voor
het niet nader omschrijven van
hetgeen onder buitengewone lasten moet
worden verstaan. De praktijk in deze is zo
divers dat het oordeel daarover aan
de uitvoering moet worden gelaten. Er
wordt geen minimumbedrag
gehanteerd alvorens aftrek van kosten in verband
met ziekte of invaliditeit mogelijk is. Als betrokkenen voor een
aftrekpost in aanmerking willen komen, moeten zij de kosten wel kunnen aantonen.
Artikel
7. Buiten
beschouwing blijvende bedragen bij de inkomensvaststelling
Bij de vaststelling van het
inkomen wordt buiten beschouwing
gelaten het bedrag waarmee de uitkering
op grond van de WAO, de Wet
WIA, de
WAZ of de
Wajong, of een combinatie
van deze uitkeringen, is verhoogd. Deze ophoging is immers bedoeld
ter bestrijding van de extra kosten die
samenhangen met een blijvende situatie
van hulpbehoevendheid die
geregelde oppas en verzorging noodzakelijk
maakt. Het ligt daarom niet in de rede
dit bedrag bij de inkomensvaststelling mee
te nemen.
Artikel
8. Vaststelling van
het inkomen van personen die de leeftijd
van 18 jaar nog niet hebben bereikt
Voor een persoon die een
vervoersvoorziening aanvraagt en de leeftijd van
18 jaar nog niet heeft bereikt, telt het gezamenlijk inkomen van de ouders of
pleegouders mee als inkomen.
Het tweede lid bepaalt wat
als gezamenlijk inkomen geldt wanneer de ouders respectievelijk
pleegouders van de jongere geen echtgenoten
(meer) van elkaar zijn.
Onderdeel a ziet op de
situatie waarin één van beide (pleeg)ouders
krachtens overeenkomst of rechterlijke uitspraak alimentatie verschuldigd is
voor het levensonderhoud van genoemde
jongere. In dat geval telt niet het
gehele inkomen van deze ouder mee,
maar alleen het
alimentatiebedrag.
Het tweede lid, onderdeel b,
doelt op de situatie van het
zogenaamde co-ouderschap waarbij geen sprake is van een alimentatieverplichting.
Van het inkomen van de (pleeg)ouder
met het hoogste inkomen wordt eerst 30% afgetrokken. Vervolgens geldt dit
verlaagde inkomen bij de vaststelling
van het gezamenlijke inkomen. De
achtergrond hiervan is dat bij
co-ouderschap zoals hier bedoeld er sprake is
van twee gescheiden huishoudens en
daaruit voortvloeiende dubbele vaste
lasten. Hierbij is ervan uitgegaan
dat het gedeelte van het inkomen dat
men geacht wordt aan huur te
besteden oploopt van circa 15% op
minimumniveau tot circa 25% bij een
belastbaar inkomen van €|25 000,-. Omdat er bij
twee huishoudens veelal ook sprake is van andere dubbele vaste lasten, is het
percentage forfaitair op 30% gesteld.
Artikel
9. Vaststelling van
het inkomen in het jaar van het bereiken
van de leeftijd van 18 jaar
Dit artikel bepaalt hoe het
inkomen wordt vastgesteld in het
kalenderjaar waarin een persoon 18 jaar
wordt. Tot de datum waarop een persoon
de leeftijd van 18 jaar bereikt, wordt
het inkomen vastgesteld alsof de persoon
het hele kalenderjaar jonger dan 18
jaar is. Vanaf de datum waarop een persoon
de leeftijd van 18 jaar bereikt, wordt
het inkomen vastgesteld alsof de persoon
het hele jaar 18 jaar of ouder is
geweest.
De bedoeling van deze
bepaling is dat op deze manier het
gezinsinkomen en de arbeidsongeschiktheidsuitkering
die de jongere naar verwachting
vanaf 18 jaar zal ontvangen niet bij
elkaar worden geteld. In sommige gevallen
voorkomt dit een tijdelijke
intrekking van de vervoersvoorziening. Zou namelijk de arbeidsongeschiktheidsuitkering
in dat kalenderjaar bij het
gezinsinkomen worden geteld, dan zou dat inkomen
boven de inkomensgrens kunnen
komen te liggen en zou de
vervoersvoorziening in principe moeten worden
ingetrokken. Vervolgens zou in het daaropvolgende kalenderjaar, wanneer niet meer van het gezamenlijke inkomen van
(pleeg)ouders en (pleeg)kind
wordt uitgegaan en het inkomen in veel
situaties weer beneden de
inkomensgrens zal komen te liggen, weer tot
verstrekking moeten worden overgegaan.
Daarnaast leidt deze
bepaling ertoe dat vanaf het bereiken van de
leeftijd van 18 jaar bij het toepassen van de inkomenstoets uitsluitend kan worden
uitgegaan van het inkomen van de
betrokkene en het inkomen van de ouders
niet meer van invloed is op de
toekenning van de vervoersvoorziening.
Artikel
10. Vaststelling van
het inkomen in het jaar van het bereiken
van de leeftijd van 65 jaar
In dit artikel is bepaald
dat als een persoon aan wie een voorziening is
toegekend, of diens partner, de leeftijd van 65 jaar bereikt, bij de
vaststelling van het inkomen uitgegaan wordt van
het inkomen dat deze persoon over dat
kalenderjaar genoten zou hebben als hij
of zijn partner in dat jaar niet de
65-jarige leeftijd zouden hebben bereikt. Het
gaat hier om een fictieve
inkomensvaststelling. Deze bepaling beoogt te voorkomen dat in het jaar dat een
belanghebbende, en eventueel diens partner, 65
jaar wordt, uitvoeringstechnisch een
ingewikkelde situatie zou ontstaan.
Artikel
11. Afwijking van de
inkomensgrens
In artikel
5, eerste lid,
van het Reïntegratiebesluit
wordt de inkomensgrens bepaald op grond van 70% van het maximale dagloon.
Artikel 5,
vierde lid, onderdeel b, van het Reïntegratiebesluit
biedt de mogelijkheid om het
in het eerste lid bedoelde percentage van
70% te verhogen voor bepaalde
categorieën van personen. In artikel 11 van
de Reïntegratieregeling wordt van die mogelijkheid gebruik gemaakt. Voor de
personen, genoemd in deze bepaling,
wordt het percentage verhoogd tot 105%
van het maximale dagloon, waardoor
de inkomensgrens anderhalf keer hoger wordt dan gewoonlijk. Deze
zogenaamde tweede inkomensgrens ziet op
situaties waarin binnen een gezin niet
kan worden volstaan met één auto. Zo
kan de toepassing van deze grens
aan de orde zijn als er twee gezinsleden
vanwege een handicap zijn aangewezen
op een vervoersvoorziening. Ook is
het mogelijk dat er in een gezin één
persoon vanwege een handicap op een
vervoersvoorziening is aangewezen en een ander gezinslid om een andere
reden dan een handicap. Hierbij kan worden
gedacht aan de situatie dat het
gebruik van een auto door het andere gezinslid noodzakelijk is voor zijn werk. Overigens
is het wel zo dat er in dergelijke
situaties door het UWV van uit kan worden
gegaan dat voor activiteiten in de
leefsfeer - die met name plaatsvinden in de avonduren en weekends - de
gezinsleden gezamenlijk gebruik maken van één
vervoermiddel. Dit kan dan betekenen dat er
ten behoeve van de leefsfeer
geen volledige vervoersvoorziening zal
worden toegekend.
Artikel
12. Buiten
toepassing blijven van inkomensgrens
Dit artikel bepaalt dat de
in artikel 5, eerste lid, van het Reïntegratiebesluit
neergelegde inkomensgrens, ten aanzien van een aantal
vervoersvoorzieningen niet van toepassing is.
Globaal gesteld gaat het om vervoersvoorzieningen die gezien de aard van die
voorziening, ongeacht het inkomen, niet
algemeen gebruikelijk zijn. Van de
desbetreffende voorzieningen wordt over het
algemeen alleen gebruik gemaakt in de
situatie dat de betrokkene een handicap
heeft.
Het eerste onderdeel bepaalt
dat de inkomensgrens niet van
toepassing is op de kosten van aanpassingen en faciliteiten van een vervoermiddel
voor zover die samenhangen met ziekte
of gebrek.
Bij aanpassingen gaat het om
voorzieningen die alleen voor mensen met
een handicap worden getroffen, variërend van standaardaanpassingen
als een opklapbaar rempedaal tot
speciale op het individu toegesneden
aanpassingen. Voor standaardaanpassingen
geldt een door het UWV vastgesteld maximumtarief, speciale aanpassingen worden
volledig vergoed.
Faciliteiten zijn zaken die
reeds bij fabricage van de auto zijn
aangebracht of die door een autodealer
aan een auto worden of zijn aangebracht.
De inkomensgrens kan buiten toepassing
blijven bij reguliere faciliteiten
die voor niet-gehandicapten slechts het comfort en gebruiksgemak verhogen, maar
die voor gehandicapten onmisbaar
kunnen zijn om de auto te gebruiken.
Indien dat het geval is, zal het UWV de kosten alleen vergoeden indien een auto
met de betreffende faciliteit niet verkrijgbaar
is beneden de door het UWV
vastgestelde prijs van de referentieauto.
De referentieauto bestaat uit een beschrijving
van alle personenauto’s
inclusief de daarin aanwezige faciliteiten, die
verkrijgbaar zijn voor een bepaald
bedrag. Dit bedrag is gelijk aan dat van
nieuwe, door particulieren gekochte personenauto’s.
Door de snelle technische ontwikkelingen in de auto-industrie zijn de
vergoedingsmogelijkheden van faciliteiten aan een voortdurende verandering
onderhevig.
Het tweede onderdeel bepaalt
dat de inkomensgrens evenmin van
toepassing is op vervoersvoorzieningen die zijn bestemd voor mensen met een
ziekte of een gebrek. Hierbij kan
onder meer worden gedacht aan de zogenaamde motorinvalidewagen.
In het derde onderdeel is aangeven dat de meerkosten van de
aanschaf en het gebruik van een
bijzonder type auto ten opzichte van de aanschaf
en het gebruik van een auto die
door het UWV als een referentieauto wordt
beschouwd, eveneens zonder in
achtneming van de inkomensgrens vergoed kunnen worden. De aanschaf en het gebruik
van de auto moeten wel samenhangen met
ziekte of gebrek. Hierbij kan
bijvoorbeeld worden gedacht aan een auto in een
bestelbusuitvoering waarin iemand zittend in een rolstoel kan worden
vervoerd. De meerkosten worden slechts vergoed tot
ten hoogste het verschil tussen
de prijs van de referentieauto en de
catalogusprijs van het bijzondere type auto
die in bruikleen beschikbaar zou zijn
gesteld. Dat betekent dat wanneer de
belanghebbende voor een duurder type
uitvoering kiest dan in bruikleen
beschikbaar zou zijn, de meerkosten die de
door hem gekozen auto heeft ten
opzichte van de meerkosten van bedoelde bruikleenauto niet worden vergoed.
Het vierde onderdeel heeft
betrekking op de situatie dat een
betrokkene is aangewezen op het vervoer per rolstoeltaxi. De inkomensgrens is niet van
toepassing op het verschil tussen het
door het UWV vastgestelde normbedrag voor
de vergoeding van het gebruik van een
rolstoeltaxi en het door het UWV
vastgestelde normbedrag voor de
vergoeding van het gebruik van een gewone taxi.
Het vijfde onderdeel is
aangegeven dat de inkomensgrens geen
toepassing vindt ten aanzien van
taxikosten die samenhangen met het kunnen
bereiken van de werkplek. De
taxikosten voor het werkvervoer kunnen worden
vergoed voor zover ze de kosten van
het door het UWV vastgestelde normbedrag
voor het gebruik van een eigen auto
overschrijden.
Vervolgens is in het zesde
onderdeel bepaald dat de inkomensgrens
evenmin toepassing vindt ten aanzien van de extra kosten die iemand moet
maken voor het kunnen volgen van
rijlessen in een aangepaste auto. Die
situatie kan zich voordoen indien iemand
als gevolg van het moeten volgen van
autorijlessen in een aangepaste auto extra
kosten moet maken in vergelijking
met iemand die rijlessen volgt in een niet-aangepaste auto. Deze extra kosten
kunnen bestaan uit de meerkosten van het
lestarief per uur. Ook kan het gaan om
extra reiskosten die de rijschoolhouder van
de aangepaste auto heeft omdat hij een
grotere afstand moet afleggen om
zijn cliënt te bereiken dan in de situatie
dat er sprake is van rijles in een niet-aangepaste auto. Er zijn immers minder
rijscholen die les kunnen geven in een
aangepaste auto dan rijscholen die rijlessen
verzorgen in een niet-aangepaste auto.
Dit betekent dat de afstanden tussen de rijschool en de cliënt die rijlessen in
een aangepaste auto volgt veelal groter
zullen zijn dan in de situatie dat er
rijlessen in een niet-aangepaste auto worden
gevolgd.
In het zevende onderdeel is
bepaald dat de inkomensgrens niet
van toepassing is op de vervoerskosten die samenhangen met het volgen van een
scholing. Evenals bij de voorgaande
leden is de reden dat ook personen met
een inkomen boven deze inkomensgrens
voor een vergoeding van
dergelijke kosten in aanmerking kunnen komen, dat
dergelijke kosten ongeacht het inkomen
niet algemeen gebruikelijk zijn.
Paragraaf 3. Fondsbelasting ten
behoeve van het reïntegratiefonds
De bepalingen in deze
paragraaf komen grotendeels overeen met de
bepalingen uit de voorheen geldende Regeling
fondsbelasting Wet Rea.
Artikel
13. Verdeling
Algemeen Werkloosheidsfonds/arbeidsongeschiktheidsfondsen
Dit artikel geeft de
verhouding aan tussen het AWf en het
Uitvoeringsfonds voor de overheid enerzijds
en de arbeidsongeschiktheidsfondsen (Aof, Afj) anderzijds met
betrekking tot de bijdragen aan het Reïntegratiefonds ter dekking van de uitgaven ten
laste van dat fonds. Deze verhouding
is bepaald op 50:50. De bijdragen uit
de onderscheiden arbeidsongeschiktheidsfondsen worden vastgesteld aan de
hand van de formule neergelegd in
artikel 14, terwijl de onderlinge bijdragen uit
het AWf en het Uitvoeringsfonds voor de
overheid worden vastgesteld aan de
hand van de formule neergelegd in
artikel 15.
Artikel
14. Onderlinge
verdeling arbeidsongeschiktheidsfondsen
In dit artikel wordt de mate
geregeld waarin de onderscheiden
arbeidsongeschiktheidsfondsen, het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof) en het
Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten (Afj) bijdragen aan het
Reïntegratiefonds ter
dekking van de lasten uit dat fonds. Aan de
hand van de in dit artikel neergelegde
formule, waarmee de bijdrage uit elk
onderscheiden fonds wordt berekend, komt
jaarlijks de onderlinge verhouding
tussen de bijdragen uit de
verschillende arbeidsongeschiktheidsfondsen naar voren. Aan de hand van de formule stelt
het UWV vervolgens voor elk fonds de
bijdrage vast. De bijdrage uit de arbeidsongeschiktheidsfondsen afzonderlijk in een
bepaald kalenderjaar (jaar t)
wordt bepaald door de uitkeringsuitgaven van elk onderscheiden fonds (Uf
t-2) af te zetten tegen het totaal van
de uitkeringsuitgaven van de
arbeidsongeschiktheidsfondsen gezamenlijk (U t-2). Het
gaat daarbij om de uitkeringsuitgaven in het tweede kalenderjaar daaraan
voorafgaand (jaar t-2), oftewel het
tweede kalenderjaar voorafgaande
aan het jaar waarin de bijdragen moeten
worden verleend. Onder uitkeringsuitgaven
worden uitdrukkelijk alleen de
uitgaven verstaan in de vorm van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Hieronder worden ook
begrepen
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die in verband met de Wsw worden uitbetaald aan het
Rijk. Andere uitgaven ten laste van de
fondsen, zoals uitgaven ter zake van de
uitvoering van de arbeidsongeschiktheidswetten, blijven
hierbij buiten beschouwing.
De deling Uf t-2 : U t-2
levert de mate op waarin uit het
desbetreffende arbeidsongeschiktheidsfonds
wordt bijgedragen aan de dekking van de lasten uit het Reïntegratiefonds.
Deze factor wordt vervolgens vermenigvuldigd met 50% van de middelen
tot dekking van de uitgaven in jaar t
ten laste van het Reïntegratiefonds.
In de voorheen geldende Regeling
fondsbelasting Wet Rea was
een extra bijdrage van €|11,5
miljoen gereserveerd uit het Afj ten behoeve van
het Reïntegratiefonds. Dat
bedrag was bestemd om de arbeidsmogelijkheden van
Wajong-gerechtigden te
vergroten. Deze middelen worden benut
voor de reïntegratie van deze
doelgroep. Ook thans worden deze middelen
volledig benut ten behoeve van deze doelgroep. Daartoe is het niet nodig
dat in de onderhavige regeling expliciet een
reservering wordt opgenomen.
Het betreft hier met name
uitgaven voor de uitbreiding van de no-riskpolis voor
Wajong-gerechtigden,
die wordt betaald uit het AWf. In de
begroting 2006 is de uitgave opgenomen
en met ingang van 2007 zal een structurele overboeking worden gedaan
via de begroting. Voor het overige
betreft het reïntegratieactiviteiten
die worden betaald uit het Afj en het Aof. Over de besteding van die middelen
wordt, overeenkomstig de daartoe door de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid met het UWV gemaakte
afspraken, door het UWV ieder kwartaal
verantwoording afgelegd in het
kwartaalverslag.
Artikel
15. Onderlinge
verdeling werkloosheidsfondsen
Het Reïntegratiefonds wordt
voor 50% gevoed uit de
arbeidsongeschiktheidsfondsen enerzijds en voor 50% uit
het AWf en het Uitvoeringsfonds
voor de overheid anderzijds.
Structureel zal de onderlinge verdeling tussen
het AWf en het Uitvoeringsfonds voor de
overheid plaatsvinden op basis van de
uitkeringsuitgaven van de fondsen twee jaar vóór
het jaar waarop de bijdrage
betrekking heeft (dit komt overeen met de
regeling voor de onderlinge verdeling van
de arbeidsongeschiktheidsfondsen opgenomen in artikel 14, eerste lid).
Artikel
16. Inwerkingtreding
Voor de
inwerkingtredingsdatum is aangesloten bij de inwerkingtreding van
de Wet WIA en de IWIA.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
A.J. de Geus.
|