|
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelezen de
adviezen van de Sociale Verzekeringsraad van 4 juni 1992, nr.
922639, van 18 maart 1993, nr. 931476, en van 21 oktober 1993, nr.
935086;
Gelet op
artikel 33, vijfde en zesde lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en artikel 44, vijfde en zesde lid, van
de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
Besluit:
Art. 1.
In deze regeling wordt
verstaan onder:
a. WAO: Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
b. WAZ: Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
c.
Wet Wajong: Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten;
d. ZW: Ziektewet;
e. WW: Werkloosheidswet;
f. verlof: een tussen de werkgever
en de werknemer voor een gedeelte of het geheel van de arbeidstijd
overeengekomen periode waarin de werknemer geen arbeid jegens de
werkgever verricht;
g.
prepensioen of prepensioen: een uit een dienstbetrekking voortvloeiende
periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening, dan wel een
uitkering die voorafgaat aan die uitkering of het bereiken van de
leeftijd van 65 jaar.
Art. 2.
-1. Onder inkomen als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de WAO,
artikel 58, eerste lid, van de WAZ en
artikel 3:48, eerste lid, van de Wet
Wajong worden mede verstaan de
volgende uitkeringen, indien deze ter zake van die arbeid worden
verleend:
a. een uitkering
krachtens de ZW,
waaronder begrepen een uitkering op grond van artikel 46 van
die wet;
b. een uitkering
bij ziekte krachtens een regeling welke geldt voor personen
die op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel a of b, van de
ZW niet ingevolge
die wet verzekerd zijn;
c. een uitkering
bij ziekte krachtens de sociale wetgeving van een ander land;
d. een uitkering
krachtens de WW;
e. een uitkering
bij werkloosheid krachtens een regeling welke geldt voor
personen die op grond van artikel 6, onderdeel a of b, van de
WW niet ingevolge die wet
verzekerd zijn;
f. een uitkering
bij werkloosheid krachtens de sociale wetgeving van een ander
land;
g. een uitkering als bedoeld in de artikelen 6, 51 en
131 van de Algemene
pensioenwet politieke ambtsdragers;
h. een uitkering op
grond van hoofdstuk
3, afdeling 2, van de Wet arbeid en zorg;
i. een uitkering
bij zwangerschap, bevalling, adoptie of pleegzorg krachtens de
sociale wetgeving van een ander land.
-2. Ingeval recht ontstaat op doorbetaling
van loon als bedoeld in artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek
of van bezoldiging als bedoeld in artikel 76a
van de ZW,
wordt tevens onder inkomen verstaan het inkomen dat werd genoten in het
aangiftetijdvak vóór het aangiftetijdvak waarin recht ontstond op die
doorbetaling van loon of bezoldiging.
Art.
3.
-1. Indien de uitkering, bedoeld in artikel
2, door toedoen van de betrokkene of in verband met het
doormaken van een wachtperiode niet wordt uitbetaald, wordt voor
de toepassing van artikel
44, eerste lid, van de WAO, artikel
58, eerste lid, van
de WAZ en artikel
3:48, eerste lid, van de Wet Wajong
gehandeld alsof die uitkering wel is uitbetaald.
-2. Indien degene op wie artikel 44
van de WAO, artikel 58 van de WAZ
of artikel 3:48 van de Wet
Wajong van toepassing is recht heeft op een uitkering als
bedoeld in artikel
2, eerste lid, onderdeel a, d of h, wordt
voor de toepassing van genoemde artikelen 44, 58 en
3:48 gehandeld alsof hij een
uitkering krachtens de ZW,
onderscheidenlijk de WW,
onderscheidenlijk hoofdstuk
3, afdeling 2, van de Wet arbeid en
zorg, ontvangt, gelijk aan het inkomen waarmee laatstelijk
vóór de aanvang van de ongeschiktheid tot werken,
onderscheidenlijk de werkloosheid, onderscheidenlijk het ontstaan
van het recht op uitkering op grond van hoofdstuk
3, afdeling 2, van de Wet arbeid en zorg,
bij de toepassing van laatstgenoemde artikelen rekening is
gehouden.
-3. Het aan de persoon, bedoeld in
het eerste, tweede, vijfde of zesde lid, uit te betalen bedrag aan
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt niet verder beperkt dan tot
het volle bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering,
verminderd met het bedrag van de in artikel
2, eerste lid, onderdeel a, d of h,
bedoelde uitkering dan wel het op grond van artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek ontvangen loon.
-4. Indien degene op wie artikel 44
van de WAO, artikel 58 van de WAZ
of artikel
3:48 van de Wet Wajong van
toepassing is met verlof is dan wel pensioen of prepensioen
ontvangt, wordt voor de toepassing van genoemde artikelen 44, 58 en
3:48 gehandeld alsof hij tijdens
dat verlof dan wel tijdens het ontvangen van dat pensioen of
prepensioen een inkomen heeft dat gelijk is aan het inkomen
waarmee laatstelijk vóór de aanvang van het verlof dan wel het
ontvangen van pensioen of prepensioen bij de toepassing van die
artikelen rekening is gehouden.
-5. Indien geen recht op doorbetaling
van loon of bezoldiging bestaat door toepassing van artikel 629,
derde of negende lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek of een algemeen verbindend
voorschrift als bedoeld in artikel 76b,
eerste tot en met derde lid, van de ZW,
wordt voor de toepassing van artikel 44,
eerste lid, van de WAO, artikel 58,
eerste lid, van de WAZ
en artikel
3:48, eerste lid, van de Wet Wajong
het loon of bezoldiging in aanmerking genomen als ware er wel
recht op doorbetaling.
-6. Indien geen recht bestaat op
doorbetaling van loon of bezoldiging die naar aard en strekking
overeenkomt met loon als bedoeld in artikel 629 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek of bezoldiging als bedoeld in artikel
76a van de ZW, op gronden die
naar aard en strekking overeenkomen met artikel 629, derde of
negende lid, van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek of artikel
76b, eerste tot en met derde lid, van de ZW,
wordt voor de toepassing van artikel 44,
eerste lid, van de WAO, artikel 58,
eerste lid, van de WAZ
en artikel
3:48, eerste lid, van de Wet Wajong
het loon of bezoldiging in aanmerking genomen als ware er wel
recht op doorbetaling.
-7. Voor de toepassing van artikel
2, tweede lid, het tweede, vierde, vijfde of zesde lid wordt
bij een per aangiftetijdvak wisselend inkomen in afwijking van het
tweede, vierde, vijfde of zesde lid als inkomen aangemerkt het
gemiddelde van het inkomen in de drie aangiftetijdvakken vóór
het aangiftetijdvak waarin recht ontstond op loondoorbetaling,
bedoeld in artikel
2, tweede lid, het vijfde of zesde lid, recht ontstond op
uitkering, bedoeld in het tweede lid, dan wel waarin het pensioen,
prepensioen of verlof, bedoeld in het vierde lid, aanving.
Art.
4.
-1. Ten aanzien van de persoon:
a. op wie
artikel 44, eerste lid, van de WAO,
artikel 58, eerste
lid, van de WAZ of artikel
3:48, eerste lid, van de Wet Wajong
van toepassing is;
b. voor wie
loondispensatie is verkregen als bedoeld in artikel
7, tweede lid, van de Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten zoals dat artikellid luidde op de dag
voordat het op grond van artikel 2.10
van de Wet invoering en financiering Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen is vervallen of als
bedoeld in artikel 3:63 van
de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten; en
c. die
noodzakelijke persoonlijke ondersteuning geniet:
1º. als
bedoeld in artikel 31, tweede lid, van de
Wet op de
(re)integratie arbeidsgehandicapten zoals
dat artikellid luidde op de dag voordat het op grond van artikel
2.10 van de Wet invoering en
financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is
vervallen of als bedoeld in artikel 35
van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen; dan wel
2º. die
voldoet aan dezelfde voorwaarden op grond waarvan
persoonlijke ondersteuning genoten zou kunnen worden
als bedoeld in artikel 31, tweede lid, van de
Wet op de (re)integratie
arbeidsgehandicapten zoals dat artikellid luidde op de dag
voordat het op grond van artikel 2.10
van de Wet invoering en financiering Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen is vervallen of als
bedoeld in artikel 35 van de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen, maar hiervoor niet in
aanmerking komt, aangezien deze persoon reeds op grond
van een andere regeling deze ondersteuning geniet;
is het
tweede lid van toepassing.
-2. Indien de som van het per dag
tot uitbetaling komende bedrag aan
arbeidsongeschiktheidsuitkering van de in het eerste lid
bedoelde persoon en het door die persoon per dag genoten
bedrag aan inkomen minder bedraagt dan het bij de verrichte arbeid behorende rechtens geldende loon, wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering verhoogd totdat deze som
gelijk is aan dat rechtens geldende loon, doch ten hoogste tot
120% van het minimumloon.
-3. Het tweede lid is eveneens van
toepassing ten aanzien van de persoon die:
a. geen
begeleiding meer op zijn werkplek heeft als bedoeld in artikel
7, eerste lid, onderdeel b, van de Wet sociale
werkvoorziening, maar die wel voldoet aan de
voorwaarden van het eerste lid, onderdeel a en b, zolang
hij werkzaam blijft in de dienstbetrekking waarvoor die
begeleiding was verkregen; of
b. geen
noodzakelijke persoonlijke ondersteuning meer geniet als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, maar die wel
voldoet aan de voorwaarden van het eerste lid, onderdeel a
en b, zolang hij werkzaam blijft in de dienstbetrekking
waarvoor die persoonlijke ondersteuning was verkregen.
-4. Aan de in het eerste lid
bedoelde persoon wordt geen hoger bedrag aan
arbeidsongeschiktheidsuitkering uitbetaald dan het bedrag aan
arbeidsongeschiktheidsuitkering dat tot uitbetaling zou zijn
gekomen als artikel 44 van de WAO,
artikel 58 van
de WAZ of artikel
3:48 van de Wet Wajong op die persoon niet van toepassing zouden
zijn geweest.
Art.
5.
Indien artikel 4, eerste of derde lid, van toepassing
is, is artikel 44, eerste lid, van de WAO,
artikel 58, eerste lid, van de WAZ
of artikel 3:48, eerste lid, van de Wet Wajong
voor onbeperkte duur van toepassing.
Art.
6.
Artikel 3, vierde lid, is niet van toepassing op
uitkeringen die zijn verleend vóór de datum van inwerkingtreding
van de Regeling van de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 6 april 2009, nr. IVV/I/09/5652,
tot wijziging van de Regeling samenloop
arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid in
verband met de bepaling van inkomsten uit arbeid tijdens een
verlofperiode (Stcrt. 2009, 81) als degene die recht
heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering met verlof is dan wel
pensioen of prepensioen ontvangt, met dien verstande dat in geval
van verlof artikel 4, vierde lid, buiten
toepassing blijft tot het einde van die verlofperiode.
Art.
7.
Artikel 3, vierde lid, is niet van toepassing op de werknemer die een arbeidsovereenkomst als bedoeld in de
hoofdstukken 2 of 3 van de
Wet sociale werkvoorziening is aangegaan en die:
a. in de periode van 1 mei 2009 tot 1 juli 2012 prepensioen is gaan ontvangen; of
b. in de periode van 1 mei 2009 tot 1 juli 2012 de normpensioenleeftijd, bedoeld in artikel 1.1, onderdeel B, van het Pensioenreglement SW (in werking getreden op 1 januari 2006 en laatstelijk gewijzigd op 7 maart 2008) bereikt en op of na 1 juli 2012 prepensioen gaat
ontvangen.
Art.
8.
-1.
Deze regeling zoals die luidde op de dag vóór inwerkingtreding
van de Regeling van de Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 december 2011, nr
IVV/I/2011/22179, blijft van toepassing op de persoon op wie artikel 44 van de WAO,
artikel 58 van
de WAZ of artikel
3:48 van de Wet Wajong van
toepassing was op die dag tot het moment dat dat artikel niet meer
van toepassing is.
-2. Ten aanzien van de persoon,
bedoeld in het eerste lid, wordt tot het tijdstip, bedoeld in het
eerste lid, voor "inkomsten uit arbeid" gelezen:
inkomen.
Art.
9.
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering
met inkomen.
Art.
10.
Deze regeling treedt in
werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de
Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met
1 augustus 1993.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
's-Gravenhage, 15 februari 1994.
De Staatssecretaris voornoemd,
J. Wallage.
|
|