|
De Minister van Sociale
Zaken en Volksgezondheid;
Gelet op de
artikelen 7, onderdeel e, 8, onderdeel b,
11 en 55, tweede lid, van de
Ziektewet en de artikelen 7, onderdeel g,
7a, onderdeel
b, en 66, tweede
lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
Besluit:
Art. 1.
-1. Voor de toepassing van de Ziektewet,
de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen wordt als
werknemer beschouwd degene die wegens ziekte niet werkt, doch aan
wie geen ziekengeld ingevolge de verplichte verzekering wordt
verleend:
a. over de zaterdagen en de zondagen, bedoeld in artikel
29,
tweede lid, dan wel op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel
32 of 32a van de Ziektewet;
b. op grond van artikel
44, eerste lid, van de Ziektewet, mits de
periode
waarover op grond van dit artikel geen ziekengeld wordt verleend,
voorafgaat aan of een onderbreking vormt van een periode waarover
wel ziekengeld wordt verleend, dan wel volgt op een periode
waarover ziekengeld wordt verleend, en onmiddellijk voorafgaat aan
een tijdvak waarover recht bestaat op
arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar
een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, of waarover recht
bestaat op een arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in hoofdstuk
6 van de Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen of een werkhervattingsuitkering gedeeltelijk
arbeidsgeschikten als bedoeld in hoofdstuk
7 van die wet voor zover de
verzekerde in staat is met arbeid ten hoogste 55% te verdienen van
het maatmaninkomen per uur.
-2. Voor de toepassing van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet werk en
inkomen naar arbeidsvermogen is het bepaalde
in het vorige lid niet van toepassing indien de betrokkene de
leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.
Art. 2.
-1. Voor de toepassing
van de Ziektewet, de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen wordt als
werknemer beschouwd degene die wegens werkloosheid niet
werkt, doch aan wie geen uitkering wordt verleend:
a. op grond van
het bepaalde in artikel 19, eerste lid,
onderdeel j en k, en derde lid, van de
Werkloosheidswet (Stb. 1986, 566);
b. op grond van
het bepaalde in de artikelen 19, eerste lid, onderdeel
e, 24,
eerste lid, onderdeel b, 25,
26,
eerste lid, en 27
van de Werkloosheidswet, mits de
periode waarover op
grond van laatstbedoelde bepalingen geen uitkeringen worden
verleend, voorafgaand aan, dan wel een onderbreking vormt
van ¹ een periode waarover wel uitkering wordt verleend;
c. over de
zaterdagen en zondagen.
-1a. Voor de toepassing
van de Ziektewet
wordt in de gevallen, bedoeld in het vorige lid, aangewezen
als werkgever de bedrijfsvereniging bij welke degene die
ingevolge het bepaalde in het vorige lid als werknemer wordt
beschouwd, verzekerd zou zijn ² indien hem de in dat lid
bedoelde uitkering zou zijn verleend.
1. Volgens de redactie dient
"voorafgaand aan, dan wel een onderbreking vormt
van" te worden vervangen door: voorafgaat aan, dan wel een onderbreking vormt
van,.
2. Volgens de redactie dient
"de bedrijfsvereniging bij welke degene die
ingevolge het bepaalde in het vorige lid als werknemer wordt
beschouwd, verzekerd zou zijn" te worden vervangen door:
het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
Art. 3.
Voor de toepassing van
de Ziektewet, de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen wordt als werknemer
beschouwd degene wiens dienstbetrekking is geëindigd anders dan
door opzegging met inachtneming van de rechtens geldende termijn,
doch aan wie geen uitkering op grond van de Werkloosheidswet
wordt verleend, aangezien hij in verband met die beëindiging
recht heeft op inkomsten die worden gelijkgesteld met het recht op
onverminderde doorbetaling van zijn loon als bedoeld in artikel
16, derde lid, van de Werkloosheidswet.
Art. 4.
Deze beschikking werkt
terug tot 1 juli 1967.
's-Gravenhage, 20 maart 1968.
De Minister voornoemd,
B. Roolvink.
|
|