St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             


vorige

Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Nadere regelgeving
Bijgewerkt naar laatste editie Staatsblad/Staatscourant

 

REGELING  VORDERING  CONTANTE  WAARDE  VAN  PERIODIEKE  VERSTREKKINGEN  WAO  EN  WET  WIA ¹
 
 

14 juli 2000, Stcrt. 2000, 137
Inwerkingtreding: 21 juli 2000
(T.a.v. artt. 99:2 Wet WIA en 90:2 WAO)

 

1. Redactie: ingevolge artikel XXII, onderdeel D, van de Regeling van 16 december 2005, Stcrt. 2005, 249, is de citeertitel van de Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO vervangen door: Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA.

 

  
 

 

 
14 juli 2000/nr. SV/AVF/2000/39949
Directie Sociale Verzekeringen

     De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst;
     Gelet op artikel 90, tweede lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

     Besluit:

 

 

Art. 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
b. Wet WIA: de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
c. de contante waarde: de contante waarde van de periodieke verstrekkingen, bedoeld in artikel 90, tweede lid, van de WAO en artikel 99, tweede lid, van de Wet WIA;
d. de loondervingsuitkering: de loondervingsuitkering, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de WAO, de arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wet WIA, en de loongerelateerde uitkering van de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten, bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet WIA;
e. de vervolguitkering: de vervolguitkering, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de WAO, en de loonaanvullingsuitkering, bedoeld in artikel 61, vierde lid, van de Wet WIA;
f. de uitkering: de loondervingsuitkering en de vervolguitkering tezamen.

 

Art. 2. Geconsolideerde toestand van de arbeidsongeschiktheid
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan in overeenstemming met de tot schadevergoeding verplichte derde eerst tot vordering van de contante waarde overgaan indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van oordeel is dat ten aanzien van de verzekerde met betrekking tot de mate van zijn arbeidsongeschiktheid een geconsolideerde toestand is ingetreden.

 

Art. 3. Berekening contante waarde
De contante waarde wordt berekend op basis van de formule:

óf, indien de factor L gelijk is aan de factor r:

A = 1,02 * (UV * (1-c) * m + (UL - UV) * (1 - cL) * mL)

waarbij:
A = de contante waarde;
m = het aantal maanden waarover de uitkering maximaal zal kunnen worden verstrekt;
mL = het aantal maanden waarover de loondervingsuitkering maximaal zal kunnen worden verstrekt;
c = een correctie op de periode waarover de uitkering wordt verstrekt, op grond van de kans op overlijden en op grond van zogenoemde individuele omstandigheden;
cL = een correctie op de periode waarover de loondervingsuitkering wordt verstrekt, op grond van de kans op overlijden en op grond van zogenoemde individuele omstandigheden;
UV = het bedrag van de vervolguitkering per maand en de daarover aan de verzekerde toekomende vakantie-uitkering, met dien verstand dat bij de bepaling van de contante waarde van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in hoofdstuk 6 van de WAO, deze factor op 0 wordt gesteld;
UL = het bedrag van de loondervingsuitkering per maand en de daarover aan de verzekerde toekomende vakantie-uitkering;
L = het gemiddeld stijgingspercentage van het dagloon, bedoeld in artikel 14 van WAO of artikel 13 van de Wet WIA, over een periode van één maand;
r = het interestpercentage per maand.

 

Art. 4. Berekening factoren
-1. De factor UV, bedoeld in artikel 3, wordt als volgt berekend:
a. de som van de vervolguitkering per dag wordt verhoogd met de daarover aan de verzekerde toekomende vakantie-uitkering op de dag voorafgaande aan het tijdstip van de vaststelling van de contante waarde;
b. het onder a verkregen bedrag wordt voor de herleiding op maandbasis vermenigvuldigd met de factor 21,75.
-2. De factor UL, bedoeld in artikel 3, wordt als volgt berekend:
a. de som van de loondervingsuitkering per dag wordt verhoogd met de daarover aan de verzekerde toekomende vakantie-uitkering op de dag voorafgaande aan het tijdstip van de vaststelling van de contante waarde;
b. het onder a verkregen bedrag wordt voor de herleiding op maandbasis vermenigvuldigd met de factor 21,75.
-3. De factor m, bedoeld in artikel 3, is gelijk aan het aantal maanden gelegen tussen het tijdstip waarop de vervolguitkering van de verzekerde zou worden beëindigd wegens het bereiken van de 65-jarige leeftijd en het begin van de periode waarover wordt afgekocht.
-4. De factor mL, bedoeld in artikel 3, is gelijk aan het aantal maanden gelegen tussen het tijdstip waarop de loondervingsuitkering van de verzekerde zou worden beëindigd wegens de afloop van de in artikel 21a van WAO of artikel 59 of 127, eerste lid, van de Wet WIA bedoelde periode en het begin van de periode waarover wordt afgekocht.
-5. De factor c en de factor cL, bedoeld in artikel 3, worden per geval door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de tot schadevergoeding verplichte derde in onderling overleg vastgesteld, onverminderd de bevoegdheid van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen om met assuradeuren of groepen van assuradeuren hieromtrent gezamenlijke regelingen te treffen.
-6. De factor L, bedoeld in artikel 3, wordt jaarlijks in de maand december vastgesteld door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voor de duur van het volgende boekjaar, waarbij het gemiddelde stijgingspercentage per maand wordt berekend over de aan de maand december voorafgaande periode van vier jaar. [BvfLrb02] [BvfLrb03] [BvfLrb04] [BvfLrb05] [BvfLrb06] [BvfLrb07] [BvfLrb08] [BvfLrb09] [BvfLrb10] [BvfLrb11]
[BvfLrb12]
-7. De factor r, bedoeld in artikel 3, wordt jaarlijks in de maand december vastgesteld door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voor de duur van het volgende boekjaar en is gelijk aan het gemiddeld effectief rendement over de voorafgaande maand november van de vijf staatsleningen met de langste gemiddeld resterende looptijd waarvan publicatie geschiedt door het Centraal Bureau voor de Statistiek. De factor r wordt voor deze formule herleid naar maanden. [BvfLrb02] [BvfLrb03] [BvfLrb04] [BvfLrb05] [BvfLrb06] [BvfLrb07] [BvfLrb08] [BvfLrb09] [BvfLrb10] [BvfLrb11] [BvfLrb12]

 

Art. 5. Afronding
Bij de toepassing van deze regeling worden de factor (1-c)m en de factor (1-cL)mL afgerond op één decimaal achter de komma en wel zodanig dat bij een tweede decimaal van vijf of meer een afronding naar boven plaatsvindt en dat overige tweede decimalen niet in aanmerking worden genomen.

 

Art. 6. Afronding
De factor

1 + L
1 + r

wordt afgerond op zes decimalen achter de komma en wel zodanig dat bij een zevende decimaal van vijf of meer een afronding naar boven plaatsvindt en dat overige zevende decimalen niet in aanmerking worden genomen.

 

Art. 7. Intrekking Regeling van 29 december 1980
De Regeling van de Minister van Sociale Zaken van 29 december 1980, nr. 56453, houdende regels met betrekking tot vordering van de contante waarde van de periodieke uitkeringen (Stcrt. 1980, 253) wordt ingetrokken.

 

Art. 8. Overgangsrecht
Op vorderingen als bedoeld in artikel 2 waartoe vóór de dag van inwerkingtreding van deze regeling voor het eerst is overgegaan, is de Regeling van de Minister van Sociale Zaken van 29 december 1980, nr. 56453, houdende regels met betrekking tot vordering van de contante waarde van de periodieke uitkeringen (Stcrt. 1980, 253), zoals die luidde vóór de dag van inwerkingtreding van deze regeling, van toepassing.

 

Art. 9. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

 

Art. 10. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vordering contante waarde van periodieke verstrekkingen WAO en Wet WIA.

 

 

     Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

‘s-Gravenhage, 14 juli 2000.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.

 

 

 

TOELICHTING
[14 juli 2000]

 

     Op grond van artikel 90, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) [zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, red.] voor de op grond van de WAO gemaakte kosten een verhaalsrecht op degene die in verband met het veroorzaken van ongeschiktheid tot werken jegens de verzekerde naar burgerlijke recht tot schadevergoeding verplicht is. Het Lisv kan op grond van het tweede lid van artikel 90 WAO, overeenkomstig door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te stellen regels, in plaats van het bedrag van periodieke verstrekkingen de contante waarde daarvan vorderen.
     Die regels waren gegeven in de Regeling van de Minister van Sociale Zaken van 29 december 1980, nr. 56453, houdende regels met betrekking tot vordering van de contante waarde van de periodieke uitkeringen (Stcrt. 1980, 253).
     In die regeling werd een formule gegeven teneinde de contante waarde van de periodieke verstrekkingen (de afkoopsom) te bepalen.
     De formule afkoopsom WAO voldeed niet meer, nu met betrekking tot het gebruik hiervan een aantal problemen bestond. Ten eerste voorzag de formule niet in de situatie dat de uitkeringshoogte tijdens de loondervingsuitkering afwijkt van de uitkeringshoogte tijdens de vervolguitkering. Ten tweede wordt er voor de berekening van de contante waarde van uitgegaan dat de WAO-uitkering in zijn geheel aan het begin van het jaar aan de begunstigde wordt uitbetaald. Feitelijk wordt de uitkering echter maandelijks aan de begunstigde overgemaakt. En ten derde kan de bestaande formule alleen gebruikt worden voor gehele perioden van één jaar.
     Om de genoemde problemen op te lossen, is de formule op een aantal punten aangepast.
     Ten eerste is de formule gesplitst in een gedeelte dat betrekking heeft op de loongerelateerde uitkering en een gedeelte dat betrekking heeft op het verschil tussen de loongerelateerde uitkering en de vervolguitkering. Het eerste en tweede stuk hebben een verschillende resterende duur (variabele m in de formule) en een verschillende correctiefactor voor voortijdige beëindiging (variabele c). Ten tweede luidt de formule niet meer in jaren maar in maanden. Daarnaast bevat de formule een correctie voor het feit dat niet aan het begin van de maand, maar rond de 20e van de maand wordt betaald.
     Om reden van overzichtelijkheid is ervoor gekozen de Regeling van de Minister van Sociale Zaken van 29 december 1980, nr. 56453, houdende regels met betrekking tot vordering van de contante waarde van de periodieke uitkeringen (Stcrt. 1980, 253) in zijn geheel te vervangen door deze nieuwe regeling.
     De in de onderhavige regeling opgenomen formule voor de berekening van de contante waarde is alleen van toepassing op die vorderingen van de contante waarde waartoe voor het eerst wordt overgegaan na de datum van inwerkingtreding van de onderhavige regeling. Op vorderingen van de contante waarde waartoe al is overgegaan vóór de datum van inwerkingtreding van de onderhavige regeling, blijft de Regeling van de Minister van Sociale Zaken van 29 december 1980, nr. 56453, houdende regels met betrekking tot vordering van de contante waarde van de periodieke uitkeringen (Stcrt. 1980, 253) van toepassing.

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x