|
14 juli 2000/nr. SV/AVF/2000/39949
Directie Sociale
Verzekeringen
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst;
Gelet op artikel 90, tweede
lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
Besluit:
Art. 1.
Begripsbepalingen
In deze regeling wordt
verstaan onder:
a.
WAO: de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
b. Wet WIA: de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen;
c. de contante waarde: de contante
waarde van de periodieke verstrekkingen, bedoeld in artikel
90, tweede lid, van de WAO en artikel
99, tweede lid, van de Wet WIA;
d. de loondervingsuitkering: de
loondervingsuitkering, bedoeld in artikel 21,
eerste lid, van de WAO, de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in hoofdstuk
6 van de Wet WIA, en de loongerelateerde
uitkering van de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten,
bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet
WIA;
e. de vervolguitkering: de
vervolguitkering, bedoeld in artikel 21,
eerste lid, van de WAO, en de
loonaanvullingsuitkering, bedoeld in artikel 61,
vierde lid, van de Wet WIA;
f. de uitkering: de
loondervingsuitkering en de vervolguitkering tezamen.
Art. 2.
Geconsolideerde
toestand van de arbeidsongeschiktheid
Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen kan in overeenstemming met de tot schadevergoeding
verplichte derde eerst tot vordering
van de contante waarde overgaan indien het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen van oordeel is dat ten
aanzien van de verzekerde met
betrekking tot de mate van zijn arbeidsongeschiktheid een geconsolideerde toestand
is ingetreden.
Art. 3.
Berekening
contante waarde
De contante waarde wordt
berekend op basis van de formule:

óf, indien de factor L gelijk is aan de factor
r:
A = 1,02 * (UV * (1-c) * m +
(UL - UV) * (1 - cL) * mL)
waarbij:
A = de contante waarde;
m = het aantal maanden
waarover de uitkering maximaal zal
kunnen worden verstrekt;
mL = het aantal maanden
waarover de loondervingsuitkering
maximaal zal kunnen worden verstrekt;
c = een correctie op de
periode waarover de uitkering wordt
verstrekt, op grond van de kans op
overlijden en op grond van zogenoemde
individuele omstandigheden;
cL = een correctie op de
periode waarover de
loondervingsuitkering wordt verstrekt, op grond
van de kans op overlijden en op
grond van zogenoemde individuele
omstandigheden;
UV = het bedrag van de
vervolguitkering per maand en de daarover aan de verzekerde toekomende
vakantie-uitkering, met dien verstand dat bij de bepaling van de
contante waarde van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in hoofdstuk
6 van de WAO, deze factor op 0 wordt
gesteld;
UL = het bedrag van de
loondervingsuitkering per maand en de daarover aan de verzekerde toekomende
vakantie-uitkering;
L = het gemiddeld
stijgingspercentage van het dagloon, bedoeld in
artikel 14 van WAO of artikel
13 van de Wet WIA, over een
periode van één maand;
r = het interestpercentage
per maand.
Art. 4.
Berekening
factoren
-1. De factor UV, bedoeld in
artikel 3, wordt als volgt berekend:
a. de som van de vervolguitkering
per dag wordt verhoogd met de daarover aan de verzekerde toekomende
vakantie-uitkering op de dag voorafgaande aan het tijdstip van de
vaststelling van de contante waarde;
b. het onder a verkregen
bedrag wordt voor de herleiding op
maandbasis vermenigvuldigd met de
factor 21,75.
-2. De factor UL, bedoeld in
artikel 3, wordt als volgt berekend:
a. de som van de
loondervingsuitkering per dag wordt verhoogd met de daarover aan de
verzekerde toekomende vakantie-uitkering op de dag voorafgaande aan het
tijdstip van de vaststelling van de contante waarde;
b. het onder a verkregen
bedrag wordt voor de herleiding op
maandbasis vermenigvuldigd met de
factor 21,75.
-3. De factor m, bedoeld in
artikel 3, is gelijk aan het aantal
maanden gelegen tussen het tijdstip waarop
de vervolguitkering van de verzekerde zou worden beëindigd wegens het
bereiken van de 65-jarige leeftijd en
het begin van de periode
waarover wordt afgekocht.
-4. De factor mL, bedoeld in
artikel 3, is gelijk aan het aantal
maanden gelegen tussen het tijdstip waarop
de loondervingsuitkering van de
verzekerde zou worden beëindigd wegens de afloop van de in artikel 21a
van WAO of artikel 59
of 127, eerste lid, van de Wet
WIA
bedoelde periode en het begin van de periode waarover
wordt afgekocht.
-5. De factor c en de factor cL, bedoeld in artikel 3, worden
per geval door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen en de tot schadevergoeding
verplichte derde in
onderling overleg vastgesteld,
onverminderd de bevoegdheid van het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen om met assuradeuren of groepen van
assuradeuren hieromtrent gezamenlijke regelingen te treffen.
-6. De factor L, bedoeld in
artikel 3, wordt jaarlijks in de maand
december vastgesteld door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voor de duur van het volgende
boekjaar, waarbij het gemiddelde
stijgingspercentage per maand wordt berekend over de aan de maand
december voorafgaande periode van
vier jaar. [BvfLrb02] [BvfLrb03]
[BvfLrb04] [BvfLrb05]
[BvfLrb06]
[BvfLrb07] [BvfLrb08]
[BvfLrb09] [BvfLrb10]
[BvfLrb11]
[BvfLrb12]
-7. De factor r, bedoeld in
artikel 3, wordt jaarlijks in de maand
december vastgesteld door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voor de duur van het volgende
boekjaar en is gelijk aan het gemiddeld
effectief rendement over de voorafgaande maand november van de vijf
staatsleningen met de langste gemiddeld resterende looptijd waarvan publicatie
geschiedt door het Centraal Bureau
voor de Statistiek. De factor r
wordt voor deze formule herleid naar
maanden. [BvfLrb02] [BvfLrb03]
[BvfLrb04] [BvfLrb05]
[BvfLrb06]
[BvfLrb07]
[BvfLrb08]
[BvfLrb09]
[BvfLrb10]
[BvfLrb11]
[BvfLrb12]
Art. 5.
Afronding
Bij de toepassing van deze
regeling worden de factor (1-c)m en
de factor (1-cL)mL afgerond op één
decimaal achter de komma en wel zodanig dat bij een tweede decimaal van
vijf of meer een afronding naar
boven plaatsvindt en dat overige tweede decimalen niet in aanmerking
worden genomen.
Art. 6.
Afronding
De factor
1 + L
1 + r
wordt afgerond op zes
decimalen achter de komma en wel zodanig dat
bij een zevende decimaal van
vijf of meer een afronding naar boven
plaatsvindt en dat overige zevende
decimalen niet in aanmerking worden
genomen.
Art. 7.
Intrekking Regeling van 29 december 1980
De Regeling van de Minister
van Sociale Zaken van 29
december 1980, nr. 56453, houdende regels
met betrekking tot vordering van
de contante waarde van de periodieke
uitkeringen (Stcrt. 1980, 253) wordt
ingetrokken.
Art. 8.
Overgangsrecht
Op vorderingen als bedoeld
in artikel 2 waartoe vóór de dag van
inwerkingtreding van deze regeling voor het eerst is overgegaan, is
de Regeling van de Minister van Sociale
Zaken van 29 december 1980, nr.
56453, houdende regels met
betrekking tot vordering van de contante
waarde van de periodieke
uitkeringen (Stcrt. 1980, 253), zoals die luidde vóór
de dag van inwerkingtreding van
deze regeling, van toepassing.
Art. 9.
Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in
werking met ingang van de tweede dag na
de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Art. 10.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Regeling vordering contante
waarde van periodieke
verstrekkingen WAO en Wet WIA.
Deze regeling zal met de
toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
‘s-Gravenhage, 14 juli
2000.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.
TOELICHTING
[14 juli 2000]
Op grond van
artikel 90,
eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft het
Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) [zie
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, red.] voor de op
grond van de WAO gemaakte kosten een
verhaalsrecht op degene die in verband
met het veroorzaken van
ongeschiktheid tot werken jegens de
verzekerde naar burgerlijke recht tot
schadevergoeding verplicht is. Het Lisv kan
op grond van het tweede lid van
artikel 90 WAO, overeenkomstig door de Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid te stellen
regels, in plaats van het bedrag van
periodieke verstrekkingen de contante
waarde daarvan vorderen.
Die regels waren gegeven in
de Regeling van de Minister van
Sociale Zaken van 29 december 1980,
nr. 56453, houdende regels met
betrekking tot vordering van de contante waarde van de periodieke
uitkeringen (Stcrt. 1980, 253).
In die regeling werd een
formule gegeven teneinde de contante
waarde van de periodieke
verstrekkingen (de afkoopsom) te bepalen.
De formule afkoopsom WAO
voldeed niet meer, nu met betrekking
tot het gebruik hiervan een
aantal problemen bestond. Ten eerste voorzag de formule niet in de situatie dat de
uitkeringshoogte tijdens de
loondervingsuitkering afwijkt van de uitkeringshoogte tijdens de vervolguitkering.
Ten tweede wordt er voor de berekening van de contante
waarde van uitgegaan dat de
WAO-uitkering in zijn geheel aan het begin
van het jaar aan de begunstigde
wordt uitbetaald. Feitelijk wordt de uitkering echter maandelijks aan de
begunstigde overgemaakt. En ten derde
kan de bestaande formule alleen
gebruikt worden voor gehele perioden
van één jaar.
Om de genoemde problemen op
te lossen, is de formule op een
aantal punten aangepast.
Ten eerste is de formule
gesplitst in een gedeelte dat betrekking
heeft op de loongerelateerde
uitkering en een gedeelte dat betrekking
heeft op het verschil tussen de
loongerelateerde uitkering en de
vervolguitkering. Het eerste en tweede stuk hebben
een verschillende resterende duur (variabele m in de formule) en een verschillende
correctiefactor voor
voortijdige beëindiging (variabele c). Ten tweede luidt de formule niet meer in
jaren maar in maanden. Daarnaast bevat de
formule een correctie voor het feit
dat niet aan het begin van de maand,
maar rond de 20e van de maand
wordt betaald.
Om reden van
overzichtelijkheid is ervoor gekozen de Regeling van
de Minister van Sociale Zaken
van 29 december 1980, nr. 56453,
houdende regels met betrekking tot vordering van de contante waarde van
de periodieke uitkeringen (Stcrt. 1980, 253) in zijn geheel te vervangen
door deze nieuwe regeling.
De in de onderhavige
regeling opgenomen formule voor de
berekening van de contante waarde is
alleen van toepassing op die
vorderingen van de contante waarde
waartoe voor het eerst wordt
overgegaan na de datum van inwerkingtreding van de onderhavige regeling. Op
vorderingen van de contante waarde
waartoe al is overgegaan vóór de
datum van inwerkingtreding van de onderhavige regeling, blijft de Regeling
van de Minister van Sociale Zaken
van 29 december 1980, nr. 56453,
houdende regels met betrekking tot
vordering van de contante waarde van
de periodieke uitkeringen (Stcrt. 1980, 253) van toepassing.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.F. Hoogervorst.
|
|