|
REGELING van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid van 18 februari 2008, nr. SV/R&S/08/4677, tot
het verstrekken van loonkostensubsidie bij het in dienst nemen van
niet-uitkeringsgerechtigde
herbeoordeelden (Tijdelijke regeling brugbanen niet-uitkeringsgerechtigde
herbeoordeelden)
De Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op de artikelen 3, eerste lid, en 8 van
de Kaderwet
SZW-subsidies en de artikelen 30,
eerste lid, onderdeel i, en 77 van
de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
inkomen;
Besluit:
Art. 1.
Definities
In deze regeling wordt verstaan onder:
- minister: de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
- niet-uitkeringsgerechtigde
herbeoordeelde: de persoon:
a. wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken als gevolg
van de toepassing van artikel 34,
vierde lid, van de WAO, artikel
35, vijfde
lid, van de WAZ of artikel
28, vijfde
lid, van de Wajong alsmede de persoon,
bedoeld in artikel 2, tweede lid,
van het Besluit eenmalige herbeoordelingen
arbeidsongeschiktheidswetten,
wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken;
b. die op de dag voorafgaand
aan de eerste dag van de
dienstbetrekking met betrekking waartoe
loonkostensubsidie wordt aangevraagd geen
uitkering ontvangt op grond van een wet waaraan uitvoering wordt gegeven
door het UWV of de Wet werk en
bijstand; en
c. die op de dag voorafgaand
aan de eerste dag van de dienstbetrekking
met betrekking waartoe
loonkostensubsidie wordt aangevraagd geen
tegemoetkoming ontvangt op grond van de Tijdelijke
regeling inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten;
- UWV: het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen;
- valutadag: de op de rekening-courantafschriften aangegeven dag van betaling;
- WAO: Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
- WAZ: Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
- Wajong: Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.
Art. 2.
Loonkostensubsidie
-1. Het UWV kan op aanvraag aan
de werkgever die met een niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelde die een indicatiebeschikking
heeft als bedoeld in het derde lid,
een dienstbetrekking, niet zijnde een
dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk 2
of 3 van de Wet sociale
werkvoorziening, aangaat of is aangegaan na de inwerkingtreding van deze regeling, subsidie
voor loonkosten verlenen indien
de dienstbetrekking een duur van ten minste
twaalf maanden heeft.
-2. Indien de dienstbetrekking,
bedoeld in het eerste lid, een
uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 690
van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek betreft, verstrekt het UWV
slechts subsidie indien de derde in wiens
opdracht de
niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelde ter beschikking wordt
gesteld om arbeid te verrichten zich
jegens de werkgever verplicht de niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelde
ten minste twaalf maanden
arbeid te laten verrichten.
-3. Het UWV kan van de niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelde vaststellen dat hij in
aanmerking komt voor toepassing van het
eerste lid indien het UWV van oordeel
is dat met het oog op de inschakeling
in de arbeid geen andere voorziening of
instrument meer geschikt is. De
vaststelling, bedoeld in de eerste zin, geschiedt bij indicatiebeschikking.
-4. Het UWV verstrekt de
subsidie slechts:
a. indien naar het oordeel van
het UWV reële behoefte bestaat aan
de arbeid die op grond van de
dienstbetrekking, bedoeld in het eerste lid,
zal worden verricht en die arbeid geen
additionele arbeid betreft;
b. indien er naar het oordeel
van het UWV een reëel uitzicht is
op continuering van de dienstbetrekking voor
ten minste zes maanden na afloop
van de periode waarover de
loonkostensubsidie wordt verstrekt, dan wel op
een op die dienstbetrekking
aansluitende dienstbetrekking van dezelfde of grotere
omvang voor ten minste zes maanden;
en
c. indien ten behoeve van de niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelde in de vijf jaar voorafgaand aan
de indicatiebeschikking, bedoeld in het derde lid, niet eerder loonkostensubsidie op grond
van deze regeling of het
Tijdelijk besluit brugbanen herbeoordeelden is
verstrekt en hij in die periode niet
eerder werkzaamheden op een proefplaats als bedoeld in artikel
65g van
de WAO, artikel 67e
van de WAZ,
artikel 59h van de Wajong of artikel
76a van
de WW heeft verricht.
-5. Onder additionele arbeid als
bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, wordt verstaan primair op de
arbeidsinschakeling gerichte arbeid of het naast
of in aanvulling op reguliere arbeid
verrichten van werkzaamheden die niet
leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.
-6. De subsidie bedraagt ten
hoogste 50% van het wettelijk minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid,
van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag of, indien het een werknemer
jonger dan 23 jaar betreft, het voor
zijn leeftijd geldende minimumloon, bedoeld in
artikel 7, derde lid, en artikel 8,
derde lid, van laatstgenoemde
wet. Het
bedrag, bedoeld in de eerste zin,
wordt naar evenredigheid verminderd
indien de overeengekomen arbeidsduur
korter is dan de normale arbeidsduur,
bedoeld in artikel 12 van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag.
-7. De subsidie kan voor
maximaal twaalf maanden worden
verstrekt.
Art. 3.
Samenloop
loonkostensubsidie met ziekengeld
Indien de
niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelde, bedoeld in
artikel 2, ziekengeld ontvangt op grond
van de Ziektewet, wordt het, naar
werkdagen herleide, aan de werkgever
verstrekte subsidiebedrag, bedoeld in
artikel 2, verminderd met dit
ziekengeld.
Art. 4.
Subsidieplafond
Het maximaal beschikbare
bedrag voor het verlenen van subsidie
bedraagt voor de periode 1 februari 2008
tot en met 31 december 2010 €|3,8
miljoen.
Art. 5.
Aanvraag indien
dienstbetrekking reeds is aangevangen
Indien de dienstbetrekking,
bedoeld in artikel 2, eerste lid, is
aangegaan alvorens een aanvraag om subsidie
voor loonkosten met betrekking
tot die dienstbetrekking wordt
ingediend, wordt de aanvraag om subsidie
uiterlijk binnen drie maanden na de eerste
dag van het verrichten van arbeid
ingediend.
Art. 6.
Uitvoering
In de uitvoering van deze
regeling wordt voorzien door het UWV.
Art. 7.
Financiering
-1. In de middelen tot dekking
van de uitgaven verbonden aan deze
regeling wordt voorzien door het
Rijk.
-2. De middelen worden ter
beschikking gesteld aan het UWV via de
rekening-courant bij de Minister van Financiën, die het UWV op grond van
artikel 120, eerste lid, van de Wet
financiering sociale verzekeringen aanhoudt.
-3. Artikel 49 van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen en artikel 120, derde lid, van
de Wet financiering sociale verzekeringen zijn
van overeenkomstige toepassing
bij de uitvoering van deze regeling.
-4. Het UWV beheert en
administreert afzonderlijk de middelen,
bedoeld in het eerste lid.
-5. Met inachtneming van het
zesde lid brengt het UWV de uitgaven
voor de subsidies en de
uitvoeringskosten in rekening bij de minister.
-6. Uiterlijk op de vijftiende
dag van de eerste maand van een
kwartaal verstrekt het UWV aan de minister een
opgave van de gerealiseerde
uitgaven verbonden aan de uitvoering van deze
regeling over het afgelopen kwartaal.
In deze opgave worden afzonderlijk
vermeld:
a. het totaalbedrag aan
uitbetaalde subsidies op grond van deze regeling
inclusief de uitgaven en ontvangsten
die betrekking hebben op
wettelijke rente, proceskosten en rentelasten;
en
b. het totaalbedrag aan
gerealiseerde uitvoeringskosten op grond
van deze regeling.
-7. Met als valutadag de
vijftiende dag van de eerste maand van een
kwartaal draagt de minister de
gerealiseerde uitgaven, bedoeld in het zesde lid, af
aan het UWV. De minister kan, na
overleg met het UWV, van het bedrag
aan gerealiseerde uitgaven afwijken.
-8. Uiterlijk op 1 juni en gelijktijdig met
de afrekening, bedoeld in artikel 5.34
van de Regeling Wfsv, van het Wajong-fonds,
bedoeld in artikel 5.23, onderdeel d,
van de Regeling Wfsv, dient
het UWV de afrekening over het
afgelopen kalenderjaar bij de minister in.
-9. In de afrekening maakt
het UWV, op basis van de jaarrekening,
bedoeld in artikel 49 van de Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de kasstroom inzichtelijk aan
de minister, met afzonderlijke vermelding
van de subsidies op grond van deze
regeling en de kosten verbonden aan de
uitvoering van deze regeling.
-10. Op grond van de afrekening, bedoeld in het negende lid,
vindt vóór 15 juli een betaling plaats
ten gunste of ten laste van het UWV.
Art. 8.
Algemene Regeling SZW-subsidies
De Algemene
Regeling SZW-subsidies is niet van toepassing.
Art. 9.
Inwerkingtreding
en beëindiging regeling
-1. Deze regeling treedt in
werking op het tijdstip waarop het Tijdelijk
besluit brugbanen herbeoordeelden in
werking treedt en vervalt met ingang
van 31 december 2010.¹
-2. De regeling, zoals die vóór
de datum waarop deze vervalt geldt,
blijft van toepassing op de financiële
afwikkeling van deze regeling.
1. Ingevolge artikel
5 van dat besluit is het Tijdelijk
besluit brugbanen herbeoordeelden in werking getreden met ingang
van 29 februari 2008, red.
Art. 10.
Citeertitel
Deze regeling wordt
aangehaald als: Tijdelijke regeling
brugbanen niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelden.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden
geplaatst.
Den Haag, 18 februari
2008.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner.
TOELICHTING
[18 februari 2008]
Algemeen
1. Inleiding
Het Tijdelijk
besluit brugbanen herbeoordeelden (hierna: het besluit)
voorziet in de bevoegdheid voor het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV) om een
tijdelijke loonkostensubsidie toe te kennen aan werkgevers die arbeidsongeschikten die
herbeoordeeld zijn in het
kader van de zogenoemde eenmalige
herbeoordelingsoperatie in dienst nemen. Doel van dat besluit is voor
herbeoordeelden brugbanen mogelijk te maken,
als opstap naar duurzaam, regulier werk. Het gaat in het besluit om
personen die na herbeoordeling nog een
uitkering ontvangen van het UWV. Het
gaat om een subsidie van maximaal
50% van het wettelijk minimumloon voor
maximaal een jaar. De financiering
van genoemd besluit vindt plaats op
grond van premies.
Deze regeling, die is
gebaseerd op de Kaderwet
SZW-subsidies, voorziet in eenzelfde bevoegdheid voor
het UWV ten aanzien van
herbeoordeelden die geen uitkering ontvangen op
grond van een wet die door het UWV
wordt uitgevoerd of de Wet werk en bijstand (hierna: niet-uitkeringsgerechtigde
herbeoordeelde). De financiering van deze regeling vindt, gelet op de
grondslag van de regeling, plaats op
grond van de begroting.
In het kader van het
Coalitieakkoord van 7 februari 2007 heeft de
regering zich bereid verklaard deze
kabinetsperiode 10 000 brugbanen voor
herbeoordeelden mogelijk te maken. Dit voornemen is eveneens
opgenomen in de gezamenlijke beleidsinzet
van de participatietop van 27 juni
2007. Dit voornemen is voor herbeoordeelden die nog een uitkering van het
UWV ontvangen, uitgewerkt in het
besluit en wordt in de onderhavige regeling
uitgewerkt voor de kleinere groep niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelden.
Deze regeling is
noodzakelijk omdat het onderbrengen van niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelden in het besluit, in verband
met de financiering van loonkostensubsidie voor deze groep, in strijd zou
komen met de Wet financiering sociale
verzekeringen.
Het is niettemin gewenst dat
het UWV ook ten aanzien van
herbeoordeelden die al of niet na verloop
van tijd geen uitkering meer ontvangen de
bevoegdheid krijgt het instrument van
loonkostensubsidie in te zetten. Door deze bevoegdheid blijft voor hen
één loket gelden. Uitgangspunt van de
herbeoordelingsoperatie is immers dat het UWV herbeoordeelden actief
re-integreert in het kader van een sluitende re-integratieaanpak van herbeoordeelden. Op grond van deze regeling
kan daarom een loonkostensubsidie ten
behoeve van deze personen door het UWV
worden verstrekt. Zo ontstaat ook wat de
loonkostensubsidie betreft een sluitende
aanpak. Gemeenten zijn
verantwoordelijk ten aanzien van herbeoordeelden
die inmiddels een uitkering op grond van
de Wet werk en bijstand (hierna: Wwb) ontvangen; deze personen vallen
derhalve buiten de reikwijdte van het
besluit en deze regeling.
Deze regeling, die (mede) is
gebaseerd op artikel 3 van de Kaderwet
SZW-subsidies, heeft naar zijn aard een
tijdelijk karakter, omdat het alleen
geldt voor personen die zijn
herbeoordeeld in het kader van de eenmalige herbeoordelingsoperatie, die naar verwachting in
2009 wordt afgerond, en die
geen uitkering meer ontvangen van het UWV of de Wwb [lees: of op grond
van de Wwb, red.]. Het is dringend gewenst
dat de werkhervattingskansen van niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelden zonder werk worden bevorderd
door de spoedige invoering van de
mogelijkheid om via loonkostensubsidie
brugbanen mogelijk te maken.
Doel van deze regeling is de
kansen op regulier werk voor niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelden te bevorderen. Met de
bevoegdheid loonkostensubsidie toe te kennen, heeft het UWV een extra instrument
om de re-integratie van deze groep mogelijk te maken. De inzet van
loonkostensubsidie is hierbij geen doel op
zich, maar een opstap naar regulier,
duurzaam werk van ten minste zes maanden.
Uitgangspunt is derhalve dat degenen die
met behulp van een subsidie aan
het werk komen na afloop daarvan aan
het werk blijven. Dit zal niet in
alle gevallen mogelijk zal zijn. Het is
daarom de bedoeling dat dit instrument
zodanig wordt ingezet dat ten minste
50% van de betrokkenen duurzaam
regulier werk blijft verrichten.
Veel herbeoordeelden slagen
erin met het reguliere re-integratie-instrumentarium aan het werk te komen. Een deel van de
herbeoordeelden heeft echter een grotere afstand
tot de arbeidsmarkt en heeft nog
geen werk gevonden. Hierdoor blijven
talenten van mensen onbenut; zij blijven
aan de kant staan, terwijl werkgevers
juist behoefte hebben aan personeel om
knelpunten in de personeelsvoorziening op
te lossen. Door dit extra instrument
van tijdelijke loonkostensubsidie kunnen bestaande belemmeringen worden
weggenomen en wordt een brug geslagen naar
duurzaam en regulier werk.
Met de invoering van
loonkostensubsidie op grond van deze regeling
krijgt het UWV voor de herbeoordeelden
een instrument waarover
gemeenten nu reeds beschikken. Dit
bevordert de samenwerking in de
uitvoering van de SUWI-keten. Van belang is
dat verschillende uitvoerders (UWV en
gemeenten) over het instrument
loonkostensubsidie beschikken dat zij via
maatwerk gericht kunnen inzetten bij een
grote afstand tot de arbeidsmarkt. In deze
regeling wordt zoveel mogelijk ruimte aan
de uitvoeringsorganisatie gelaten. Hierdoor wordt ook de samenwerking met
gemeenten en de Centrale organisatie werk
en inkomen (CWI) op regionaal niveau
bevorderd.
Van groot belang is voorts
dat het UWV het gebruik en effect
van het instrument
loonkostensubsidie monitort.
Met deze regeling ontstaat
voor werkgevers een aantrekkelijk
perspectief om te voorzien in knelpunten in
de personeelsvoorziening en in potentiële werknemers te investeren met het oog op
een steeds krapper wordend
arbeidspotentieel. De loonkostensubsidie op
grond van deze regeling stelt de
werkgever in de gelegenheid om niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelden met een grote afstand tot de
arbeidsmarkt in dienst te nemen. Het is
ook in het belang van de werkgever
dat daarbij het perspectief op regulier,
duurzaam werk steeds in het oog wordt
gehouden.
Thans ervaren werkgevers
veelal nog een zekere schroom om
herbeoordeelden in dienst te nemen. Bij veel
werkgevers bestaat het beeld dat zij
een hoger ziekteverzuim hebben, dan
wel hogere financiële risico’s of
een lagere productiviteit met zich mee brengen. Dit
beeld is in het algemeen niet
juist, maar hardnekkig. Daarom wordt via de
beeldvormingscampagne "Geknipt voor de juiste baan" ingezet op
bijstelling van het beeld. Dit gebeurt door het
verspreiden van goede voorbeelden en het
wijzen op bestaande faciliterende
regelingen, zoals de no-riskpolis bij ziekte
van gedeeltelijk arbeidsgeschikten en fiscale
regelingen bij in dienst nemen of
houden van gedeeltelijk
arbeidsgeschikten en oudere werknemers.¹ De
loonkostensubsidie maakt het nu mogelijk om
mensen die langere tijd buiten het
arbeidsproces hebben gestaan te laten
groeien in een nieuwe baan.
De mogelijkheid van
loonkostensubsidie biedt
niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelden zonder werk
aantrekkelijke kansen. Allereerst ontstaat
perspectief op een duurzame reguliere
baan waarmee zelfstandig in het
bestaan kan worden voorzien. Daarmee
verbonden zijn andere aspecten van
werk, zoals het opnieuw opdoen van
arbeidsritme en werkervaring, verdere
persoonlijke ontwikkeling en aanleren van vaardigheden, en het opbouwen van
netwerken. Voorts is van groot belang
dat het zelfvertrouwen en vertrouwen in de eigen mogelijkheden toeneemt.
In de tweede plaats is het
perspectief van inkomensvooruitgang voor
deze groep heel sterk. Dit geldt
reeds voor de periode waarin betrokkene
met subsidie aan de slag gaat tegen het
geldende CAO-loon en vervolgens
indien werkgever en werknemer erin slagen om deze baan om te zetten in
een duurzame plaatsing erna.
In de derde plaats is van
belang dat de niet-uitkeringsgerechtigde
herbeoordeelde zo nodig voorafgaand aan en
gedurende indiensttreding adequate
begeleiding ontvangt.
Uiteraard is het van
cruciaal belang dat werknemers gemotiveerd
zijn en dat het proces rondom de
werkhervatting goed wordt begeleid, waar
nodig ook door versterking van
vaardigheden. Het UWV is met name
verantwoordelijk om het proces tot aan
werkaanvaarding te begeleiden. De mate waarin
hierbij begeleiding nodig is, wordt met maatwerk afgestemd op de
omstandigheden. Het UWV dient maximaal te
bevorderen dat zoveel mogelijk uitstroom
naar regulier werk plaatsvindt.
De werkgever is vervolgens,
na werkaanvaarding, verantwoordelijk voor begeleiding en zo nodig
vergroting van vaardigheden. Uiteindelijk
doel is immers dat de werknemer zich
steeds verder ontwikkelt en zich
kan bewijzen, zodat hij duurzaam in het
arbeidsproces blijft ingeschakeld zonder
dat subsidie aan de orde is.
Tot slot is van belang dat
de administratieve lasten voor werkgevers
maximaal worden beperkt. Daartoe is noodzakelijk dat de matching
van werkzoekenden en werkgevers snel en soepel verloopt; hetzelfde geldt
voor de afwikkeling van de loonkostensubsidie.
Bij de vormgeving van de
regeling is een aantal uitgangspunten
gehanteerd.
De regeling is allereerst zo
regelluw mogelijk vormgegeven om
ruimte voor maatwerk op decentraal
niveau te bieden en de administratieve lasten
voor bedrijven tot het uiterste
te beperken. Dit is nodig omdat zowel aan
de kant van de werkgever als aan de
kant van de werknemer de omstandigheden
kunnen verschillen.
In de tweede plaats is
gekozen voor een bevoegdheid voor het UWV
om gericht een
loonkostensubsidie toe te kennen indien het UWV van
oordeel is dat dit het meest geschikte
instrument naar werk vormt en zal
bijdragen als opstap naar regulier en
duurzaam werk. Het gaat dus, net als bij
gemeenten thans al het geval is, om
een bevoegdheid voor het UWV, niet om een
recht voor de werknemer of
werkgever.
In de derde plaats gaat het
om een instrument - loonkostensubsidie - dat tijdelijke ondersteuning
biedt naar regulier, duurzaam werk.
De beoordeling of
loonkostensubsidie is aangewezen, de
verstrekking van de subsidie en de monitoring
vinden plaats door het UWV, de matching
(bemiddeling naar werkgevers) zoveel
mogelijk via het CWI. Dit wordt
verduidelijkt door onderstaande figuur.
1. No-riskpolis: de
werkgever wordt tegemoetgekomen in de kosten van loondoorbetaling,
mocht een gedeeltelijk arbeidsgeschikte binnen vijf jaar na aanvang
dienstverband ziek worden. Premiekorting: bij in dienst nemen van een
gedeeltelijk arbeidsgeschikte ontvangt de werkgever drie jaar korting van €|2042,- op premies WW en
arbeidsongeschiktheid; bij in dienst houden één
jaar; premievrijstellingsregeling: de werkgever die ouderen in dienst
neemt/heeft profiteert van vrijstelling van de Aof-premie (maximaal circa €| 2300,-).

Doel en strekking van deze
regeling is dezelfde als het besluit.
Vanwege de leesbaarheid bevat deze
regeling een zelfstandig leesbare
toelichting.
2.
Hoofdlijnen regeling
In deze paragraaf
komt een aantal hoofdlijnen van de regeling aan de orde.
A. Basis
van deze regeling
Deze regeling is
gebaseerd op artikel 3 van de Kaderwet
SZW-subsidies. In verband met de uitvoering
van deze regeling door het UWV is deze
regeling tevens gebaseerd op artikel
8 van de Kaderwet
SZW-subsidies en de
artikelen 30, eerste lid, onderdeel i,
en 77 van de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen.
B. Doel en karakter: extra
re-integratie-instrument, als opstap naar regulier
werk
De bevoegdheid een
loonkostensubsidie toe te kennen, is een nieuw
instrument voor het UWV om de
re-integratie van niet-uitkeringsgerechtigde
herbeoordeelden naar regulier werk te
bevorderen. Het UWV heeft thans geen
mogelijkheid het instrument
loonkostensubsidie toe te passen;
gemeenten wel. Na inwerkingtreding van deze regeling kunnen dus personen met
vergelijkbare afstand tot de arbeidsmarkt van
dezelfde mogelijkheden van
re-integratieondersteuning worden voorzien, ongeacht of zij tot de
UWV-populatie of gemeentelijke populatie
behoren.
De loonkostensubsidie is een
extra instrument ten opzichte van
het reguliere re-integratie-instrumentarium
van het UWV. Kern van het reguliere re-integratiebeleid is dat personen die op eigen kracht aan de slag
kunnen komen geen ondersteuning nodig
hebben; degenen die, gelet op de afstand tot
de arbeidsmarkt, ondersteuning
nodig hebben, kunnen een beroep doen op
het reguliere instrumentarium.
Dit kan diverse vormen aannemen: het
bieden van begeleiding, de inzet
van een regulier traject of een IRO-traject
(individuele re-integratieovereenkomst),
de inzet van een proefplaatsing bij
een werkgever (voor maximaal drie
maanden). Een eerder gevolgd
re-integratietraject is echter geen voorwaarde om
voor loonkostensubsidie in aanmerking te komen.
De bevoegdheid van het UWV
een loonkostensubsidie toe te
kennen, is bedoeld voor
niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelden met een
grotere afstand tot de arbeidsmarkt voor wie
het huidige instrumentarium onvoldoende
mogelijkheden biedt. Het UWV dient na te
gaan voor welke personen binnen
de doelgroep, gelet op de afstand tot de arbeidsmarkt, het instrument
is aangewezen.
Doel van de
loonkostensubsidie is een brug te vormen naar regulier
werk (duurzame plaatsing) voor degene voor
wie het UWV vaststelt dat dit
het meest geschikte instrument naar
regulier en duurzaam werk is. De
subsidie is gerechtvaardigd om werknemer
en werkgever een zekere periode
te geven aan elkaar te wennen en om
de werknemer die vanuit een zwakkere
arbeidsmarktpositie in dienst treedt te
integreren in het arbeidsproces. De
subsidie kan worden verstrekt aan een werkgever die bereid is een niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelde met loonkostensubsidie in
dienst te nemen voor tenminste één
jaar. De baan zelf is een concrete functie
bij een werkgever (markt- of collectieve
sector) en blijkt uit een
arbeidsovereenkomst.
C. Doelgroep
De doelgroep wordt gevormd
door personen uit de eenmalige
herbeoordelingsoperatie WAO,
WAZ,
Wajong. Het betreft de personen met een
WAO-, WAZ- of Wajong-uitkering
die op 1 juli 2004 jonger dan 50
jaar waren en uit hoofde daarvan zijn of
nog worden herbeoordeeld. Van deze
personen behoren alleen degenen die geen
uitkering ontvangen op grond van een
wet die door het UWV wordt
uitgevoerd en die geen uitkering ontvangen op
grond van de Wwb tot de doelgroep van dit
besluit [lees: deze regeling, red.].
Wat betreft de
herbeoordeelden met een uitkering op grond van
de Wwb beschikken
gemeenten over
een adequaat re-integratie-instrumentarium, waaronder loonkostensubsidies.
Gemeenten hebben ook een
financiële prikkel om deze groep te re-integreren. Daarom komen herbeoordeelden
die recht hebben op een uitkering op grond van de Wwb niet in
aanmerking voor een loonkostensubsidie op
grond van deze regeling; zij kunnen
voor adequate re-integratieondersteuning bij hun gemeente terecht.
D. Beoordeling door het UWV
Deze regeling bevat een
bevoegdheid voor het UWV om
loonkostensubsidies toe te kennen aan werkgevers die niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelden zonder werk in dienst nemen.
Het behoren tot de doelgroep niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelden betekent niet dat betrokkene
zonder meer voor loonkostensubsidie in aanmerking komt. Het gaat bij de
subsidieverstrekking, net als bij
gemeenten, om een bevoegdheid voor het
UWV, niet om een recht voor een
werknemer of werkgever.
Cruciaal is dat het UWV
vooraf nagaat welke niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelden naar zijn
oordeel via het instrument aan het werk
kunnen worden geholpen. Hierbij
worden deze personen uiteraard
betrokken. Bij de beoordeling is van belang
dat naar het oordeel van het UWV de
loonkostensubsidie het meest geschikte instrument naar werk is om aan de slag
te komen. Het UWV heeft hierin
beoordelingsruimte. Voorkomen moet worden dat
het instrument wordt gebruikt
voor niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelden die zonder deze
loonkostensubsidie erin slagen zelf aan de slag te
komen. Het UWV moet daarom vaststellen
of de inzet van het instrument
loonkostensubsidie voor betrokkene het meest
geschikte instrument is en dat
re-integratie zonder dit instrument niet
mogelijk is.
Na matching met een
werkgever kan de werkgever een aanvraag om
loonkostensubsidie bij het UWV indienen. Het UWV kan hierbij faciliteren.
De beoordeling van de aanvraag kan dan
betrekkelijk eenvoudig plaatsvinden,
omdat dit de afsluiting is van het
voorliggende matchingsproces. Gegeven de
bereidheid van een werkgever betrokkene
met subsidie in dienst te nemen,
dient het UWV nog te beoordelen of voldaan
wordt aan de voorwaarde dat er sprake
is van een dienstverband van ten minste
twaalf maanden. In het geval de
werkgever die subsidie ontvangt een
uitzendbureau is, moet de werkgever waarbij de niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelde daadwerkelijk gaat werken
(de inlener), zich jegens het
uitzendbureau verplichten de herbeoordeelde ten minste
twaalf maanden arbeid te laten verrichten. Dit volgt uit het uitgangspunt
dat sprake is van een dienstverband van ten minste twaalf maanden.
Uiteraard kan alleen
subsidie worden toegekend bij
dienstverbanden die na inwerkingtreding van dit
besluit [lees: deze regeling, red.] zijn aangegaan. Doel is immers
dat werkgevers over de streep worden
getrokken om
niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelden in dienst te nemen. Het is mogelijk dat een aanvraag om
subsidie wordt ingediend nadat de
dienstbetrekking reeds is aangegaan. Dit
blijkt uit de zinsnede "of is aangegaan"
in artikel 2, eerste lid, aanhef. De
aanvraag zal echter wel binnen een redelijke termijn van drie maanden na aanvang van
de dienstbetrekking moeten worden ingediend.
Gelet op de doelstelling dat
zoveel mogelijk perspectief
ontstaat op reguliere arbeid beoordeelt het UWV
voorts of er sprake is van een reële
arbeidsplaats; het mag dus niet gaan om een gecreëerde, additionele arbeidsplaats.
Dit kan bijvoorbeeld blijken uit een vacature die
is gemeld bij het CWI of uit de arbeidsovereenkomst. Daarnaast dient het
UWV te beoordelen of er
reëel uitzicht bestaat op regulier werk van
ten minste zes maanden na afloop van de loonkostensubsidie. Het UWV kan hierbij
bijvoorbeeld afgaan op een
intentieverklaring van de werkgever om het
dienstverband na één jaar voort zetten.
Ook eventuele afspraken inzake
de begeleiding van de werknemer door de
werkgever kunnen hierbij van belang
zijn.
De subsidieduur is maximaal
twaalf maanden. Dit is een termijn
waarbinnen doorgaans in redelijkheid
moet kunnen worden vastgesteld of betrokkene geschikt is de
desbetreffende functie te vervullen. Deze termijn
dient te voorkomen dat betrokkene langdurig
afhankelijk wordt van een subsidie.
Vanwege het tijdelijke karakter kan
voor elke niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelde het instrument ten hoogste
eenmaal worden ingezet. Het
instrument loonkostensubsidie kan voorts niet cumuleren met het instrument
proefplaatsing en met een loonkostensubsidie
op grond van het besluit.
De hoogte van de subsidie is
maximaal 50% van het wettelijk minimumloon. Er is derhalve gekozen voor
een vast, wettelijk ijkpunt voor
het toekennen van de subsidie; partijen
zijn uiteraard vrij een hogere beloning
overeen te komen, maar de overheid is
daaraan niet gebonden. De grens van 50%
geeft voorts duidelijkheid naar
betrokkenen en komt de werkgever
aanzienlijk tegemoet. Het maximum betekent dat het UWV de ruimte heeft om in
voorkomende gevallen benedenwaarts af te wijken van 50% van het wettelijk
minimumloon.
Voor de goede orde wordt
opgemerkt dat de vaststelling of een
herbeoordeelde voor het instrument
loonkostensubsidie op grond van deze regeling
in aanmerking komt en de
beslissing door het UWV op een aanvraag van een
werkgever om loonkostensubsidie voor
een bepaalde werknemer een
besluit betreft waartegen de mogelijkheid
van bezwaar en beroep openstaat.
E. Samenloop
Er kan sprake zijn van
samenloop met de loonkostensubsidie en de
bestaande premievrijstellingsregeling
voor het in dienst hebben (dit zal zich
gelet op de doelgroep weinig voordoen)
of nemen van oudere werknemers en de
premiekortingsregeling voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten [zie Wet
van 19 december 2003, houdende premievrijstelling bij in dienst nemen en
in dienst houden van oudere werknemers (Stb. 2003, 557), red.]. Het
relatieve voordeel van ouderen en gedeeltelijk arbeidsgeschikten dat is
gecreëerd om hun arbeidsmarktpositie te
verbeteren, blijft daarmee in stand.
Het is ook mogelijk dat
iemand die werkt in een baan met
loonkostensubsidie recht krijgt op een ZW-uitkering. Dit is met name mogelijk in de
situatie waarin de werknemer die
herbeoordeeld is ziek wordt en een beroep kan
worden gedaan op de no-riskpolis
die is opgenomen in de Ziektewet (ZW). De
werkgever van de zieke werknemer kan
in dat geval het loon
verrekenen met het ziekengeld, waarop op grond
van de no-riskpolis
aanspraak
bestaat.
Daarnaast is denkbaar dat
gebruik gemaakt wordt van een
uitzendovereenkomst (met uitzendbeding) als
bedoeld in artikel 690 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek. In dat geval
behoeft de (uitzend)werkgever bij
ziekte van de werknemer op grond van de
CAO geen loon door te betalen (omdat
de uitzendovereenkomst automatisch eindigt), maar kan de zieke werknemer
aanspraak maken op ziekengeld op grond
van de ZW.
Samenloop van ZW-uitkering
en loonkostensubsidie is in beide situaties niet beoogd. Daarom wordt de
subsidie in dit besluit [lees: deze regeling, red.] verminderd met het
bedrag aan ziekengeld.
3. Budgettaire
beheersbaarheid en financiering
De vormgeving van de
loonkostensubsidie is gebaseerd op maatwerk in
de uitvoering en ruime
bevoegdheden voor de uitvoerder. Om de kosten
beheersbaar te houden, wordt in deze
regeling een maximumbedrag
(subsidieplafond) voor de toekenning van
loonkostensubsidie gesteld.
Het UWV zal op de
gebruikelijke weg via de tertaal- en
jaarverslagen en fondsennota's rapporteren over het gebruik en de uitgaven van de
loonkostensubsidie en de bijbehorende
uitvoeringskosten.
In de financiering van deze
regeling wordt voorzien door het
Rijk. Hiertoe wordt een rijksbijdrage
verstrekt aan het UWV. De op grond van
deze regeling te verstrekken subsidies en
de daaraan verbonden
uitvoeringkosten komen ten laste van het
ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid (beleidsartikel 47).
4. Uitvoering
De doelgroep omvat personen
die herbeoordeeld zijn door het UWV en nadien geen uitkering meer
hebben.
Zij zijn vanwege de
herbeoordelingsoperatie bij het UWV bekend. Om deze redenen
wordt het UWV belast met de
uitvoering van deze loonkostensubsidie. Het
betreft met name de beoordeling of
loonkostensubsidie voor betrokkene is
aangewezen, de verstrekking van de subsidie
en de monitoring.
Het toezicht hierop vindt
plaats door de
Inspectie Werk en Inkomen [IWI, red.]
conform de
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
en inkomen.
5. Financiële gevolgen
In de onderstaande tabel
worden de gevolgen over de komende
kabinetsperiode weergegeven die voortvloeien
uit de doelstelling om 1000
herbeoordeelden zonder uitkering aan het
werk te helpen
[bedragen in miljoen euro, red.]. De raming gaat uit van
één
jaar loonkostensubsidie ter hoogte van de helft van het wettelijke minimumloon.
De totale kosten voor de
loonkostensubsidies aan werkgevers bedragen naar
verwachting bijna €|4 miljoen. Indien
de werknemer ziek wordt, kan hij een
uitkering uitvangen vanuit het vangnet ZW. De
uitkeringslasten ZW worden geraamd op iets minder dan €|1 miljoen.
Herbeoordeelden zullen deels andere
uitkeringsgerechtigden verdringen die bij
afwezigheid van de subsidie anders deze
baan zouden hebben ingenomen. De extra
uitkeringslasten WW als gevolg van
verdringing zijn geraamd op bijna €|4
miljoen. Dit is een relatief fors bedrag
in verhouding tot de verstrekte
loonkostensubsidies, omdat bij de herbeoordeelden
zonder uitkering wel verdringing
plaatsvindt, maar geen uitkeringen in de
WW vrijvallen. De uitvoeringskosten UWV worden voorlopig geraamd op bijna
€ 2 miljoen, inclusief de extra
uitvoeringskosten voor de ZW en de WW.
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx
|
2008
|
2009
|
2010
|
Totaal
|
| Loonkostensubsidies UWV
|
1,6 |
2,0 |
0,3 |
x3,8 |
| Uitkeringslasten vangnet ZW
|
0,3 |
0,4 |
0,1 |
x0,8 |
| Uitkeringslasten WW
|
1,6 |
2,0 |
0,3 |
x3,9 |
| Uitvoeringskosten
loonkostensubsidies UWV
|
0,8 |
0,1 |
0,1 |
x0,9 |
| Uitvoeringskosten vangnet ZW en
WW |
0,3 |
0,4 |
0,1 |
x0,7 |
|
Totaal |
4,6 |
4,9 |
0,7 |
10,2 |
Uitvoeringskosten en
implementatiekosten
Het
UWV speelt bij de
uitwerking van de voornemens een cruciale
rol. Uit de uitvoeringstoets van het UWV
over het Tijdelijk
besluit brugbanen herbeoordeelden, waarin aanvankelijk ook
niet-uitkeringsrechtigden waren opgenomen, blijkt dat de uitvoering van
dit besluit [lees: deze regeling, red.] kosten met zich meebrengt
voor de indicatiestelling voor de beoordeling van de inzet van het instrument
loonkostensubsidie, de subsidieverstrekking,
inclusief de toets op het bestaan van
een reële arbeidsplaats en reëel uitzicht op continuering van de dienstbetrekking na
afloop van de periode met
loonkostensubsidie, en implementatiekosten. De kosten hiervan worden in
totaal geraamd op €|9,0 miljoen. De
uitvoeringskosten voor de ZW en de
uitvoeringskosten WW als gevolg van de
verdringingseffecten worden geraamd op €|4,0
miljoen. Hiervan wordt €|11 miljoen toegerekend aan de
9000
herbeoordeelden met een arbeidsonegeschiktheids- en/of
WW-uitkering en €|2 miljoen aan de 1000 herbeoordeelden zonder uitkering. Voor de
kosten van re-integratie van
herbeoordeelden is voorzien in de UWV-budgetten, inclusief de aanpassingen
daarop als gevolg van het Coalitieakkoord.
Bij de vormgeving zijn de
administratieve lasten een aandachtspunt.
Het streven is deze zo beperkt
mogelijk te houden. Het UWV heeft
hiervoor een systematiek uitgewerkt
waarbij de subsidie deels vooraf wordt
toegekend, deels achteraf bij de
definitieve vaststelling van de subsidie. De
administratieve lasten voor deze systematiek
worden in totaal geraamd op circa €|0,6 miljoen. Het aandeel van de
herbeoordeelden zonder uitkering hierin is
kleiner dan €|0,1 miljoen.
6. Commentaren
Aan UWV
en CWI, IWI en Actal
[Adviescollege toetsing administratieve lasten, red.] is verzocht commentaar uit te brengen
over het ontwerp-besluit, waarin
aanvankelijk ook niet-uitkeringsrechtigde
herbeoordeelden onderdeel van uitmaakten. Hierop is ingegaan in de
toelichting op het besluit.
Artikelsgewijs
Artikelen 1 en
2
In artikel 2 wordt een
bevoegdheid voor het UWV geregeld een
loonkostensubsidie te verstrekken aan de
werkgever die een
niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelde in dienst neemt. In artikel
1 wordt het begrip niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelde gedefinieerd. Deze doelgroep
omvat de personen die, in het kader
van de "eenmalige herbeoordelingsoperatie"
zijn herbeoordeeld op grond van
artikel 34, vierde lid, van de WAO,
artikel 35, vijfde lid, van de WAZ
of artikel 28, vijfde lid, van de Wajong
en die
niet volledig arbeidsongeschikt zijn. Dit
laatste blijkt uit de zinsnede "en
die niet in de hoogste
arbeidsongeschiktheidsklasse is ingedeeld". Maar ook de
persoon, bedoeld in artikel 2, tweede
lid, van het Besluit eenmalige
herbeoordelingen arbeidsongeschiktheidswetten, valt onder het begrip herbeoordeelde.
Ook ten aanzien van hem geldt dat hij niet
moet zijn ingedeeld in de hoogste
arbeidsongeschiktheidsklasse. Van deze personen behoren slechts degenen die
geen uitkering ontvangen op grond van een
wet die door het UWV wordt
uitgevoerd of op grond van de Wet werk en bijstand
tot de doelgroep. Het moment
waarop aan deze voorwaarde moet
zijn voldaan, is de dag voorafgaand aan de
eerste dag van de dienstbetrekking met
betrekking waartoe loonkostensubsidie
wordt aangevraagd.
Opgemerkt wordt dat de
personen die recht hebben op een
tegemoetkoming op grond van de Tijdelijke
regeling inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten (Triha) niet tot de doelgroep
van deze regeling behoren.
Dit blijkt uit onderdeel c. Het is nodig
dit te regelen omdat een tegemoetkoming op grond van de Triha, gelet op artikel
2, negende lid, van de Triha en het feit
dat de Triha is gebaseerd op de Kaderwet
SZW-subsidies, niet als uitkering op grond van een wet die wordt uitgevoerd
door het UWV kan worden beschouwd.
Ten behoeve van deze personen
kan loonkostensubsidie worden aangevraagd op grond van het Tijdelijk
besluit brugbanen herbeoordeelden.
Uit artikel 2, eerste lid,
blijkt dat de overeengekomen arbeid geen
dienstbetrekking als bedoeld in hoofdstuk 2
of 3 van de Wsw mag betreffen en
dat die dienstbetrekking voor ten
minste twaalf maanden moet worden of zijn
aangegaan. Hierbij wordt opgemerkt dat derhalve ook een
dienstbetrekking die een langere duur kent dan
twaalf maanden kan worden gesubsidieerd.
Aan de subsidieperiode is in het
zevende lid een maximum gesteld.
Het tweede lid regelt dat in
de situatie waarin de werknemer op grond
van een uitzendovereenkomst als
bedoeld in artikel 690 van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek arbeid verricht, de
inlener zich jegens het uitzendbureau
dient te verplichten om gedurende één jaar de desbetreffende werknemer
(uitzendkracht) te werk te stellen. Hierbij
wordt opgemerkt dat wanneer de
werknemer ziek wordt, hem ziekengeld
op grond van de Ziektewet (ZW) wordt
betaald. In die situatie wordt overigens op grond van artikel 3 het ziekengeld
in mindering gebracht op de subsidie.
Hiertoe wordt verder verwezen naar
de toelichting op artikel 3.
Wellicht ten overvloede
wordt opgemerkt dat de subsidievoorwaarden, bedoeld in het derde lid, en
de overige leden van artikel 2 ook op
het uitzendbureau van toepassing zijn.
Als voorwaarde voor de
subsidie geldt dat de werknemer beschikt
over een indicatiebeschikking. Een
dergelijke indicatiebeschikking geeft
het UWV slechts af indien naar het
oordeel van het UWV met het oog op de
inschakeling in de arbeid de
loonkostensubsidie het meest geschikte
instrument is (artikel 2, derde lid).
Opgemerkt wordt dat ook
loonkostensubsidie kan worden verstrekt als de dienstbetrekking reeds is
aangevangen. Dit blijkt uit de zinsnede "of is aangegaan" in artikel 2, eerste lid.
Hierdoor hoeven werkgevers niet te
wachten op de toekenning van de
loonkostensubsidie met het in dienst nemen van
de werknemer. Hierbij wordt
opgemerkt dat in artikel 5 een termijn
wordt gesteld waarbinnen in die situatie
een aanvraag om loonkostensubsidie moet
zijn ingediend.
De mogelijkheid van
subsidieverstrekking geldt, blijkens artikel 2,
eerste lid, alleen voor
dienstbetrekkingen die zijn aangegaan na de
inwerkingtreding van deze regeling. Wanneer de
dienstbetrekking vóór het tijdstip van
inwerkingtreding van deze regeling is
aangegaan, komt de werkgever niet in
aanmerking voor loonkostensubsidie. De
loonkostensubsidie is immers niet bedoeld voor werknemers die al een tijd
in dienst zijn, maar heeft tot doel dat de
werkgever nieuwe werknemers in dienst
neemt.
In het vierde lid zijn extra
subsidievoorwaarden geformuleerd.
Ten eerste dient er reële
behoefte te bestaan aan de arbeid die op
grond van de dienstbetrekking zal
worden verricht (vierde lid, onderdeel a).
Het is aan het UWV om dit te beoordelen.
Dat er reële behoefte bestaat aan die
arbeid kan bijvoorbeeld blijken uit het feit dat het
een vacature betreft die is
geregistreerd bij de CWI. Het UWV dient er in
ieder geval van te zijn overtuigd
dat het geen arbeid betreft die enkel en
alleen is gecreëerd om
loonkostensubsidie te ontvangen.
Tevens mag in de
dienstbetrekking geen additionele arbeid
worden verricht. In het zesde lid wordt het
begrip additionele arbeid gedefinieerd. Deze
voorwaarde houdt in dat de
werkzaamheden van de werknemer primair op
het realiseren van het bedrijfsdoel van
degene voor wie hij deze
werkzaamheden verricht, moeten zijn gericht en dat
die werkzaamheden niet primair
mogen zijn gericht op het bevorderen
van de inschakeling in de arbeid - re-integratie - van betrokkene. De activiteiten
moeten het karakter hebben van gewone
productieve arbeid.
De subsidie wordt niet
verleend voor additioneel werk.
Additionaliteit houdt in dat het een speciaal
gecreëerde functie betreft of een reeds
bestaande functie die een uitkeringsgerechtigde alleen met speciale begeleiding kan
verrichten. Hij zal minder productief zijn
dan zijn collega’s op een reguliere
arbeidsplaats.
Ten tweede dient er naar het
oordeel van het UWV na de
dienstbetrekking waarvoor subsidie wordt
verleend op afzienbare termijn zicht te
zijn op regulier en duurzaam werk (vierde
lid, onderdeel b). Daarbij geldt
dat de dienstbetrekking voor ten minste zes maanden na afloop van de
periode waarover de loonkostensubsidie wordt verstrekt, dient te worden
gecontinueerd. Ook is toegestaan dat,
aansluitend op de te subsidiëren
dienstbetrekking, een nieuwe dienstbetrekking
wordt aangegaan. Een dergelijke nieuwe
dienstbetrekking hoeft niet met dezelfde werkgever te worden
aangegaan, maar mag ook een dienstbetrekking
met een andere werkgever betreffen.
Dit blijkt uit het tweede zinsdeel van
artikel 2, vierde lid, onderdeel b. Ook
hiervoor geldt dat deze voor ten minste zes maanden moet worden aangegaan.
Hierbij zij opgemerkt dat
een intentieverklaring van de werkgever om de niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelde na de subsidieperiode bij
gebleken geschiktheid in dienst te nemen een aanwijzing kan zijn voor het
voldoen aan deze voorwaarde. Ook de
wijze waarop de werkgever de niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelde in zijn werk begeleidt, kan een
aanwijzing daarvoor zijn.
Ten derde (vierde lid,
onderdeel c) mag in de vijf jaar
voorafgaand aan de indicatiebeschikking,
bedoeld in het derde lid, niet eerder ten
behoeve van dezelfde werknemer
loonkostensubsidie op grond van dit besluit [lees: deze regeling, red.]
zijn verstrekt. Of het dezelfde werkgever is bij wie de werknemer arbeid gaat
verrichten die eerder subsidie heeft
ontvangen of niet, is daarbij niet van belang.
Als werkgever A loonkostensubsidie heeft
ontvangen voor de dienstbetrekking met werknemer X, kan werkgever B die
daarna een dienstbetrekking
aangaat met werknemer X niet ook
loonkostensubsidie ontvangen. Maar werkgever A
kan ook niet tweemaal loonkostensubsidie ontvangen voor een volgende
dienstbetrekking met werknemer X.
Deze anticumulatie geldt
ook, met betrekking tot dezelfde
periode, ten aanzien van de loonkostensubsidie op
grond van deze regeling en het
verrichten van werkzaamheden op een
proefplaats als bedoeld in de artikelen 65g
van de WAO,
67e van de WAZ,
59h van
de Wajong
of 76a van de WW. Ook
hierbij is de vraag of de werknemer
bij dezelfde werkgever (met
loonkostensubsidie) arbeid gaat verrichten als
bij wie hij werkzaamheden op een
proefplaats heeft verricht, niet van
belang; als die werknemer op een proefplaats
werkzaam is geweest, wordt ten
behoeve van hem geen loonkostensubsidie
op grond van deze regeling verstrekt.
Hierbij zij opgemerkt dat in
het vierde lid, onderdeel c, tevens de
proefplaats, bedoeld in artikel 76a van
de WW, wordt genoemd, omdat het
mogelijk is dat de niet-uitkeringsgerechtigde herbeoordeelde vanuit een situatie waarin
hij een WW-uitkering ontving
arbeid is gaan verrichten en nu ten
behoeve van hem loonkostensubsidie op
grond van deze regeling wordt
aangevraagd.
Ten slotte geldt de
anticumulatie ook ten aanzien van
loonkostensubsidie op grond van deze regeling en
loonkostensubsidie op grond van het Tijdelijk
besluit brugbanen herbeoordeelden. Het is immers mogelijk dat
iemand na intrekking van zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering in het kader van de eenmalige herbeoordelingsoperatie tijdelijk
een WW-uitkering of een Triha-uitkering heeft ontvangen en ten
behoeve van hem in die periode
loonkostensubsidie op grond van genoemd besluit is verstrekt. Als de
dienstbetrekking in het kader waarvan die subsidie
is verstrekt, is geëindigd en hij ook
niet langer zijn - aan zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering aansluitende
- WW-uitkering ontvangt, zou zijn nieuwe
werkgever een subsidie op grond van
dit besluit [lees: deze regeling, red.] kunnen aanvragen. Dit is niet gewenst en wordt derhalve
uitgesloten in het vierde lid, onderdeel c.
Op grond van het zesde lid
bedraagt de subsidie maximaal 50% van
het wettelijk minimumloon. De tweede zin
van het zesde lid bepaalt hoe
hoog de subsidie is voor de werkgever wiens
werknemer in deeltijd werkt.
In het zevende lid is de
maximale duur van de subsidie geregeld. De
subsidie kan voor een duur van
maximaal één jaar worden verstrekt.
Wellicht ten overvloede
wordt opgemerkt dat in dit artikel een
bevoegdheid tot subsidiëring voor het UWV wordt geregeld. Het UWV dient op
iedere subsidieaanvraag een individuele
beslissing te nemen. Er bestaat dus
geen automatisch recht op
subsidie.
Ten slotte wordt opgemerkt
dat op de subsidiëring door het UWV
uiteraard hoofdstuk 4, titel 4.2 ("Subsidies"),
van de Awb van toepassing is.
Artikel 3.
Samenloop
loonkostensubsidie met ziekengeld
Zoals aangegeven in het
algemeen deel van deze toelichting is het
niet gewenst dat de loonkostensubsidie en
het ziekengeld dat op grond van de ZW wordt betaald, cumuleren. Cumulatie
van loonkostensubsidie en ziekengeld kan
bijvoorbeeld voorkomen bij de no-riskpolis ZW (artikel
29b ZW). In
artikel 3 wordt geregeld dat de
loonkostensubsidie wordt verminderd met het
door de werknemer te ontvangen
ziekengeld.
Artikel 4.
Subsidieplafond
In artikel 4 is het
subsidieplafond voor de gehele subsidieperiode
vastgelegd. Hierbij wordt opgemerkt dat
op grond van artikel 4:25 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen
subsidie kan worden verstrekt en een
aanvraag daartoe moet worden geweigerd voor
zover door verstrekking van de
subsidie het subsidieplafond zou worden
overschreden.
Artikel 5.
Aanvraag
Op grond van
artikel 2,
eerste lid, kan loonkostensubsidie ook
worden verstrekt als de dienstbetrekking
reeds is aangevangen. Dit blijkt uit
de zinsnede "of is aangegaan" in
genoemd artikellid. Hierdoor hoeven werkgevers
niet te wachten op de toekenning van
de loonkostensubsidie met het in dienst nemen van de werknemer. Artikel 5
voorziet in een termijn waarbinnen een
aanvraag om subsidie in die situatie
moet zijn ingediend. Deze termijn
bedraagt drie maanden na de eerste dag van
het verrichten van arbeid. Dit moet als een redelijke termijn worden
beschouwd waarbinnen een werkgever een
aanvraag moet kunnen hebben ingediend
bij het UWV.
Artikel
6. Uitvoering
Deze regeling wordt
uitgevoerd door het UWV. Het UWV beoordeelt of
een werkgever in aanmerking komt
voor een subsidie op grond van deze
regeling, bepaalt de hoogte hiervan en
draagt zorg voor de betaling van de
subsidie aan de werkgever. Ook stelt het UWV
de subsidie vast.
Artikel 7.
Financiering
In dit artikel worden regels
gesteld met betrekking tot de
financiering van deze regeling. De financiering
geschiedt door het Rijk, in het bijzonder
de minister. De minister stelt aan het UWV
de middelen ter dekking van de uitgaven verbonden aan deze regeling,
te weten de uitgaven voor de
subsidies en de uitvoeringskosten van het UWV, ter beschikking. Dit geschiedt
door het verstrekken van een rijksbijdrage aan
het UWV. De middelen worden ter
beschikking gesteld aan het UWV via de rekening-courant bij de Minister van
Financiën.
Het UWV beheert en
administreert de middelen. Het UWV brengt de
uitgaven voor de subsidies en de
uitvoeringskosten van het UWV in rekening bij
de minister op de in artikel 7 beschreven geregelde wijze.
Artikel 8.
Algemene Regeling SZW-subsidies
De bepalingen van de
Algemene
Regeling SZW-subsidies zijn niet goed toepasbaar op de hier aan de
orde zijnde loonkostensubsidie. Als
voorbeeld kan worden genoemd artikel 5 van
die regeling, op grond waarvan een
begroting en een projectplan door de
subsidieaanvrager moet worden ingediend. Het ligt voor de hand dat dit
niet hoeft te gelden voor de werkgever die
een aanvraag om loonkostensubsidie doet.
Derhalve wordt de Algemene
Regeling SZW-subsidie hier buiten
toepassing verklaard.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
J.P.H. Donner.
|
|