|
Het
Landelijk instituut
sociale verzekeringen;
Gelet op artikel 30 van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), artikel 11 van de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
(WAZ) en artikel 10 van de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong);
Besluit:
Art. 1.
Het Lisv hanteert ten
aanzien van de wettelijke bevoegdheid om arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking te laten
het in de bijlage weergeven
beleid.
Art. 2.
Per datum ingang van dit
besluit vervalt de FBV-circulaire d.d. 31 januari 1990 en wordt het beleid van
de voormalige bedrijfsverenigingen voor de Bouwnijverheid (BV Bouw), de Bakkers,
Detam, de Overheid
en de Nieuwe Industriële Bedrijfsvereniging ten aanzien van artikel 30
WAO en artikel 21 van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en het beleid van de BV Bouw met
betrekking tot artikel 7b en 37
WAO
ingetrokken.
Art. 3.
Dit besluit treedt in
werking twee maanden na de bekendmaking van dit besluit in de Staatscourant.
Art. 4.
Dit besluit wordt aangehaald
als: Besluit buiten aanmerking
laten van arbeidsongeschiktheid (WAO,
WAZ en Wajong).
Amsterdam, 8 juli 1998.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
BIJLAGE
Zakelijke weergave
besluit
1. Inleiding
De WAO,
WAZ en Wajong kennen
bepalingen waarbij toekennen
van een arbeidsongeschiktheidsuitkering
geheel of gedeeltelijk geweigerd
kan worden wanneer de verzekerde reeds
geheel of gedeeltelijk
arbeidsongeschikt is bij aanvang verzekering/ingezetenschap/studie of wanneer zijn
gezondheidstoestand bij aanvang verzekering/ingezetenschap/studie arbeidsongeschiktheid
binnen een halfjaar
kennelijk moest doen verwachten.
Doel van de bepalingen is
het weren van misbruik en oneigenlijk
gebruik. Vóór 1 januari 1998 stonden
dergelijke bepalingen ook in artikel 30 WAO en artikel 21
AAW.
2. WAO en WAZ
2.1. Artikel 30, eerste lid, onderdeel a en
b, WAO en artikel 11, eerste lid, en 2 WAZ
Het Lisv (gemandateerd aan
de uitvoeringsinstelling) [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] is op grond van artikel
30,
eerste en tweede lid, WAO en artikel
11, eerste
en tweede lid, WAZ bevoegd met betrekking
tot aanspraken op grond van de WAO en de WAZ
geheel of ten dele,
tijdelijk of blijvend, buiten aanmerking
te laten:
a. gehele arbeidsongeschiktheid welke bestond op het tijdstip dat
de verzekering een aanvang nam;
b. arbeidsongeschiktheid
welke binnen een halfjaar na het tijdstip dat de verzekering een aanvang nam, is
ingetreden, terwijl de
gezondheidstoestand van de betrokkene ten tijde van
de aanvang van zijn verzekering het
intreden van arbeidsongeschiktheid binnen een halfjaar kennelijk moest doen
verwachten.
De onder b aangegeven
bevoegdheid geldt ook voor toeneming van
de arbeidsongeschiktheid, voor
zover deze toeneming kennelijk is
voortgekomen uit dezelfde oorzaak als de
arbeidsongeschiktheid die binnen een halfjaar na de aanvang van de
verzekering is ingetreden (artikel 30, tweede lid, WAO
en artikel 11, tweede lid, WAZ).
De onder b aangegeven
bevoegdheid bestaat niet indien
betrokkene onmiddellijk vóór aanvang van de
verzekering voor de WAO ambtenaar was (artikel
30, derde lid, WAO).
2.2. Aanvang van de
verzekering
De WAO-verzekering vangt aan
op de eerste werkdag om 00.00 uur.
Voor uitzendkrachten vangt de verzekering aan op het moment van aanvang
van de werkzaamheden. Bij
aaneensluitende verzekeringen is voor de
toepassing van artikel 30 WAO bepalend de dag
waarop de eerste verzekering
inging. Een vrijwillige WAO-verzekering aansluitend aan een verplichte
WAO-verzekering wordt als één verzekering beschouwd. Bij WAO-verzekering in
Nederland aansluitend aan een in de EU/EER bestaande buitenlandse
arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt als aanvang van de verzekering beschouwd
de aanvang van die buitenlandse
verzekering.
De WAZ-verzekering vangt aan
op het moment waarop betrokkene als
zelfstandige, beroepsbeoefenaar of
meewerkend echtgenoot inkomsten uit
arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven is gaan verwerven
2.3. Bevoegdheid op grond van
de wet
De bevoegdheid tot weigeren
bestaat bij a. "gehele
arbeidsongeschiktheid bij aanvang" bij elke uitval
ongeacht de periode gedurende welke
betrokkene heeft gewerkt. Naarmate hij langer heeft gewerkt, is het wel
minder waarschijnlijk dat hij inderdaad al arbeidsongeschikt was bij aanvang van de
verzekering. De bevoegdheid tot weigeren bij b. "op grond van de
gezondheidstoestand arbeidsongeschiktheid binnen
een halfjaar kennelijk te
verwachten" bestaat alleen als de
arbeidsongeschiktheid binnen een halfjaar na
aanvang van de verzekering is
ingetreden.
De artikelen 30, eerste lid, WAO
en 11, eerste lid, WAZ behandelen twee
situaties die elkaar uitsluiten. Bij a. is
betrokkene geheel arbeidsongeschikt bij
aanvang van de verzekering, bij b.
is hij nog niet arbeidsongeschikt, maar doet
zijn gezondheidstoestand het
intreden van arbeidsongeschiktheid binnen
een halfjaar kennelijk verwachten.
Achteraf is vaak wel te beoordelen dat één van beide situaties zich
voordoet, maar niet altijd met voldoende zekerheid welke. De uitvoeringsinstelling mag
zich primair beroepen op de ene grond en subsidiair op de andere grond.
2.4. Dezelfde oorzaak
De bevoegdheid tot weigering
bestaat alleen indien betrokkene
arbeidsongeschikt is wegens dezelfde oorzaak
als de oorzaak van de
arbeidsongeschiktheid die bestond bij aanvang van
de verzekering, respectievelijk van de
gezondheidstoestand op grond waarvan de stellige verwachting bestond
van het intreden van
arbeidsongeschiktheid binnen een halfjaar na aanvang
verzekering.
2.5. Beoordeling achteraf
Nadat de betrokkene is
uitgevallen, wordt de gezondheidstoestand
bij aanvang van de verzekering
beoordeeld. De uitvoeringsinstelling
moet bij toepassing van a. "gehele arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de
verzekering" beoordelen of hij de arbeidsongeschiktheid bij
aanvang had kunnen vaststellen indien
betrokkene bij aanvang van de
verzekering medisch onderzocht zou zijn. Bij
toepassing van b. "arbeidsongeschiktheid
binnen een halfjaar kennelijk te
verwachten" moet de uitvoeringsinstelling
beoordelen of na een onderzoek bij aanvang
van de verzekering de stellige
verwachting, een grote mate van zekerheid,
zou hebben bestaan dat de gezondheidstoestand binnen een halfjaar tot
arbeidsongeschiktheid zou leiden. Een stellige
verwachting vereist niet dat absolute zekerheid bestaat dat
betrokkene arbeidsongeschikt zal
worden. Als slechts een verhoogde kans
bestaat op arbeidsongeschiktheid is er
echter nog geen stellige verwachting.
2.6. Gebruik van de
bevoegdheid
Niet in alle gevallen waarin
de uitvoeringsinstelling op grond van de wet de bevoegdheid heeft tot
weigering, maakt zij daarvan gebruik. De
uitvoeringsinstelling hanteert bij het gebruik van
de bevoegdheid van artikel 30, eerste en tweede lid, WAO
en artikel 11, eerste en tweede lid, WAZ de volgende richtlijnen:
1. Als de verzekerde de
uitval bij aanvang van de verzekering had
kunnen verwachten - zulks ter
beoordeling van de verzekeringsarts -, is
weigering als regel gerechtvaardigd.
2. Als de verzekerde bij
aanvang van de verzekering de uitval niet
had kunnen verwachten - zulks ter
beoordeling van de verzekeringsarts -, wordt arbeidsongeschiktheidsuitkering niet geweigerd als de verzekerde gedurende
zes maanden normaal arbeid heeft
verricht.
3. Als de verzekerde bij
aanvang van de verzekering
arbeidsongeschiktheid niet had kunnen verwachten - zulks ter beoordeling van de
verzekeringsarts - en nog geen zes maanden
normaal arbeid heeft verricht, wordt in
beginsel arbeidsongeschiktheidsuitkering
niet geweigerd, als:
- de verzekerde te goeder
trouw een arbeidsverhouding is
aangegaan maar nog vóór de dag waarop de
arbeid zou beginnen arbeidsongeschikt
wordt door een niet voorzienbare, plotseling aan de dag tredende ziekte
(bijvoorbeeld door een ongeval);
- wanneer de verzekerde vóór aanvang van de verzekering is
gekeurd en goedgekeurd en hij daarbij alle
relevante gegevens heeft verstrekt.
Er bestaat meer aanleiding
tot weigering wanneer de verzekerde voor
het eerst aan het arbeidsleven
is gaan deelnemen.
Er bestaat minder aanleiding
tot weigeren naarmate er sinds de aanvang
van de verzekering meer tijd is
verstreken. Er is minder aanleiding te
weigeren naarmate voor toepassing van
de bevoegdheid langer uitkering
is verstrekt. Ook indien de uitvoeringsinstelling aanvankelijk wel ziekengeld
en eventueel arbeidsongeschiktheidsuitkering verstrekt, maar later tot de
conclusie komt dat zij bevoegd is tot
weigeren, kan in beginsel namelijk
doorgaans nog van de bevoegdheid om uitkering te weigeren gebruik worden
gemaakt.
4. Van de bevoegdheid tot
weigeren wordt geen gebruik gemaakt
bij arbeidsongeschiktheid na een
periode van ouderschapsverlof waarin
geen verzekering bestond.¹
De uitvoeringsinstelling is
in beginsel bevoegd gebruik te maken van
haar bevoegdheid op grond van artikel 30 WAO en
artikel 11 WAZ nadat hij
eerder ten onrechte een beroep gedaan heeft op artikel
18, tweede lid, WAO
respectievelijk artikel 2, tweede lid, WAZ.
1. Als de Wet onbetaald
zorgverlof in werking treedt (vermoedelijk per 1 oktober 1998),
is dit ook wettelijk geregeld.
3. Wajong
3.1. Artikel 10, eerste lid, Wajong
Op grond van artikel
10,
eerste lid, Wajong is het Lisv
(gemandateerd aan
de uitvoeringsinstelling) bevoegd met betrekking tot aanspraken op grond van
de Wajong geheel of ten dele, tijdelijk of blijvend, buiten aanmerking
te laten:
a. gehele
arbeidsongeschiktheid die bestond op de dag dat een
persoon ingezetene werd;
b. arbeidsongeschiktheid die
is ingetreden binnen een halfjaar na het
tijdstip waarop een persoon
ingezetene werd, terwijl de
gezondheidstoestand van die persoon op dat tijdstip het
intreden van de arbeidsongeschiktheid
binnen een halfjaar kennelijk moest
doen verwachten;
c. arbeidsongeschiktheid die
bestond op de eerste dag dat een
persoon studerende was als bedoeld in artikel
5, tweede lid, Wajong;
d. arbeidsongeschiktheid
die is ingetreden binnen een halfjaar na het
tijdstip waarop een persoon
studerende werd, terwijl de
gezondheidstoestand van die persoon op dat tijdstip het
intreden van arbeidsongeschiktheid binnen
een halfjaar kennelijk moest doen verwachten. De onder b en d aangegeven
bevoegdheid geldt ook voor toeneming van
de arbeidsongeschiktheid, voor
zover deze toeneming kennelijk is
voortgekomen uit dezelfde oorzaak als de
arbeidsongeschiktheid die binnen een halfjaar na de aanvang van het
ingezetenschap of na aanvang van de studie is
ingetreden (artikel 10, tweede lid, Wajong).
De bevoegdheid bestaat niet
ten aanzien van de jonggehandicapte die
op de dag dat hij ingezetene werd
(in Nederland ging wonen) jonger
dan 17 jaar was en die gedurende de zes jaar onmiddellijk voor zijn 17e
jaar in Nederland heeft gewoond (artikel 10, derde lid, Wajong). Bij deze
jonggehandicapten wordt dus geen
arbeidsongeschiktheid buiten aanmerking gelaten.
Voor de zesjareneis en voor de eis dat
de jonggehandicapte op zijn 17e jaar in Nederland moet wonen, moeten
de tijdvakken van wonen in een andere EU/EER-lidstaat worden
gelijkgesteld aan tijdvakken van wonen in Nederland. Dit geldt uitsluitend voor
betrokkenen in de situaties
waarop de Verordening 1408/71 van toepassing is (Mededeling M 97.81).¹
Vroeggehandicapte kinderen
en studerenden op wie de Verordening
1408/71 van toepassing is en die op
hun 17e verjaardag en daarna in een andere EU/EER-lidstaat wonen,
kunnen dus in aanmerking worden
gebracht voor een Wajong-uitkering. Bij een eventuele verhuizing naar het
buitenland is de Wajong-uitkering echter niet exporteerbaar.
1. Daar waar in het vervolg
wonen in Nederland staat, dient gelezen te worden:
wonen in Nederland en/of een ander EU/EER-lidstaat.
Zoals vermeld, geldt dit uitsluitend voor betrokkenen in de
situaties waarop de Verordening 1408/71 van
toepassing is.
3.2. Aanvang ingezetenschap
en studerend
Op de dag waarop de
jonggehandicapte arbeidsongeschikt wordt, moet
deze in Nederland wonen (ingezetene
zijn). Jonggehandicapten kunnen
onderscheiden worden in:
- degenen die op de dag
waarop hij 17 jaar wordt arbeidsongeschikt
is;
- degenen die na het 17e
jaar arbeidsongeschikt zijn geworden en
in het jaar onmiddellijk voorafgaande
aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag ten minste zes maanden hebben gestudeerd.
3.3. Dezelfde oorzaak
De bevoegdheid tot weigering
bestaat alleen indien betrokkene
arbeidsongeschikt is wegens dezelfde oorzaak
als de oorzaak van de
arbeidsongeschiktheid die bestond bij aanvang van
het ingezetenschap of aanvang van de studie, respectievelijk van de gezondheidstoestand
op grond waarvan de stellige
verwachting bestond van het intreden van arbeidsongeschiktheid binnen
een halfjaar na aanvang
ingezetenschap of aanvang studie.
3.4. Beoordeling achteraf
Nadat de betrokkene is
uitgevallen, wordt de gezondheidstoestand
bij aanvang van het ingezetenschap
respectievelijk aanvang van de studie
beoordeeld. De uitvoeringsinstelling
moet bij toepassing van a. "gehele
arbeidsongeschiktheid bij aanvang van het
ingezetenschap" en c. "arbeidsongeschiktheid die bestond op de eerste
dag
dat een persoon studerende was"
beoordelen of hij de arbeidsongeschiktheid
bij aanvang had kunnen vaststellen
indien betrokkene bij aanvang van
het ingezetenschap/de studie medisch zou zijn onderzocht. Bij toepassing
van b. en d. "arbeidsongeschiktheid
binnen een halfjaar kennelijk te verwachten"
moet de uitvoeringsinstelling
beoordelen of na een onderzoek bij aanvang
van het ingezetenschap/de studie de
stellige verwachting, een grote mate van
zekerheid, zou hebben bestaan dat de gezondheidstoestand binnen
een halfjaar tot arbeidsongeschiktheid zou leiden. Een stellige verwachting
vereist niet dat absolute zekerheid
bestaat dat betrokkene arbeidsongeschikt
zal worden. Als slechts een verhoogde
kans bestaat op
arbeidsongeschiktheid, is er echter nog geen stellige verwachting.
3.5. Gebruik van de
bevoegdheid
Niet in alle gevallen waarin
de uitvoeringsinstelling op grond van de wet de bevoegdheid heeft tot
weigering, maakt zij daarvan gebruik. De
uitvoeringsinstelling hanteert bij het gebruik van
de bevoegdheid van artikel 10, eerste en tweede lid, Wajong
de volgende
richtlijnen ten aanzien van de onder 3.2
vermelde twee categorieën
jonggehandicapten:
3.5.1. Jonggehandicapten (die
op de dag waarop zij 17 jaar zijn
geworden arbeidsongeschikt zijn)
Geen bevoegdheid om te
weigeren bestaat ten aanzien van
jonggehandicapten die in de zes jaar
onmiddellijk vóór het 17e jaar in
Nederland hebben gewoond (zie onder 3.1).
Van de weigeringsbevoegdheid
wordt verder in de volgende
situaties geen blijvend gebruik gemaakt en
wordt Wajong-uitkering verstrekt
nadat de jonggehandicapte die bij aanvang ingezetenschap reeds arbeidsongeschikt
was, zes jaar onafgebroken in
Nederland heeft gewoond:
1. De jonggehandicapte die
in verband met gezinshereniging naar
Nederland komt.
Voldaan dient te worden aan
de volgende voorwaarden:
- de jonggehandicapte moet
op zijn 17e verjaardag en daarna in
Nederland wonen;
- één van zijn ouders
heeft voor hem kinderbijslag genoten;
- de reden van vestiging
in Nederland van de jonggehandicapte moet
gezinshereniging zijn;
- de kostwinner van het
gezin waartoe de jonggehandicapte behoort,
moet minstens drie jaar aaneengesloten in Nederland hebben gewerkt;
- de jonggehandicapte en
het gezin waartoe hij behoort, moeten
de intentie hebben blijvend deel uit te
maken van de Nederlandse samenleving;
2a. de jonggehandicapte is een vluchteling met de zogenaamde A-status
(de uitgenodigde vluchteling);
2b. de jonggehandicapte
heeft Nederland verlaten hetzij
wegens gezondheidsredenen, hetzij
wegens redenen gelegen in de
inkomensverwerving in het buitenland (door ouders/verzorgers) en heeft gedurende het
verblijf in het buitenland een band met Nederland gehouden;
2c. de jonggehandicapte
heeft Nederland verlaten om andere
redenen dan onder 2b genoemd,
verbleef slechts zeer kort in het buitenland
(korter dan twee jaar) en heeft gedurende
het verblijf in het buitenland een sterke
band met Nederland gehouden.
In deze drie gevallen dient aan
de volgende voorwaarden te zijn voldaan:
- de jonggehandicapte moet
op zijn 17e verjaardag en daarna in
Nederland wonen;
- de jonggehandicapte moet
de bedoeling hebben blijvend deel uit te
maken van de Nederlandse
samenleving.
Dit is een continuering van
het beleid dat de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging hanteerde.
3.5.2. Jonggehandicapte
studerenden (die na hun 17e jaar
arbeidsongeschikt zijn geworden en in het jaar
onmiddellijk voorafgaand aan de dag
waarop zij arbeidsongeschikt zijn
geworden gedurende ten minste zes maanden hebben gestudeerd).
1. Als de jonggehandicapte
studerende de uitval bij aanvang van de
studie (als bedoeld in artikel 5, tweede lid) had
kunnen verwachten - zulks ter beoordeling
van de verzekeringsarts -, is weigering als regel gerechtvaardigd. Indien aan
dit studeren ander studeren/leren is voorafgegaan, wordt van de bevoegdheid
echter geen gebruik gemaakt.
2. Als de jonggehandicapte
studerende bij aanvang van de studie de
uitval niet had kunnen verwachten - zulks ter beoordeling van de
verzekeringsarts -, wordt arbeidsongeschiktheidsuitkering niet geweigerd. Wel moet
voldaan zijn aan de wettelijke voorwaarde
dat hij reeds zes maanden ¹ studerende was in het jaar voorafgaand aan de uitval
(eerste arbeidsongeschiktheidsdag).
De uitvoeringsinstelling is
in beginsel bevoegd gebruik te maken van
haar bevoegdheid op grond van artikel 10, eerste lid, Wajong
nadat de jonggehandicapte eerder ten
onrechte een beroep gedaan heeft op artikel 2, tweede lid, Wajong.
1. Tijdvakken van studie in
een andere EU/EER-lidstaat tellen mee in de
situaties waarop de EG-verordening 1408/71 van
toepassing is.
Amsterdam, 8 juli 1998.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
|