|
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Gelet op de artikelen 34a, eerste lid,
en 71a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de
Regeling procesgang eerste ziektejaar;
Besluit:
Art. 1.
Het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen hanteert bij de
beoordeling van de door werkgever en werknemer geleverde re-integratie-inspanningen
als bedoeld in artikel 65 van de Wet werk en inkomen
naar arbeidsvermogen, artikel 34a, eerste
lid, van de
Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en artikel
38, tweede lid, van de Ziektewet het
beoordelingskader zoals vastgelegd in de bijlage
bij dit besluit.
Art.
1a. Vervallen.
Art. 2.
Dit besluit treedt in
werking met ingang van de tweede dag na
de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Dit besluit zal met de
toelichting en de bijlage in de
Staatscourant worden geplaatst.
Amsterdam, 3 december 2002.
T.H.J. Joustra, voorzitter
Raad van bestuur UWV.
TOELICHTING
[3 december 2002]
Totstandkoming
beoordelingskader
Op grond van de Wet
verbetering poortwachter (Stb. 2001,
628) moeten werkgever en werknemer
beiden de nodige
reïntegratie-inspanningen leveren met als doel hervatting in
eigen of passende arbeid binnen het
bedrijf. Het UWV [Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, red.]
toetst of werkgever
en werknemer in redelijkheid
hebben kunnen komen tot de reïntegratie-inspanningen die zijn verricht
(artikel
34a, eerste lid, van de WAO). Dit komt neer op een beoordeling
van de vraag of werkgever en
werknemer voldoende hebben gedaan om
passende arbeid beschikbaar te
stellen respectievelijk te accepteren.
Eén van de redenen voor het
falen van het oude
poortwachtersmodel was het ontbreken van een
breed gedragen normering van de
door werkgever en werknemer te
leveren reïntegratie-inspanningen.
Hiermee ontbeerden de
uitvoeringsinstellingen een meetlat om die reïntegratie-inspanningen als poortwachter op een uniforme en transparante
wijze te kunnen toetsen.
Daarom is alsnog een
zogenaamd kader voor de beoordeling
van reïntegratie-inspanningen
(beoordelingskader) ontwikkeld en vastgesteld in
de Stuurgroep verbetering
poortwachter. Deze stuurgroep heeft als
taak de uitwerking, implementatie en
zo nodig bijsturing van de
Regeling procesgang eerste ziektejaar. In deze Stuurgroep zijn alle bij de
poortwachter betrokken organisaties vertegenwoordigd, te weten werkgevers- en
werknemersorganisaties, de CG-Raad [Chronisch zieken
en Gehandicapten Raad Nederland, red.], arbodiensten, de
beroepsverenigingen van bedrijfsartsen,
verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen, de ministeries van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de
particuliere verzekeraars en het UWV. Het aldus breed gedragen
beoordelingskader is voor werkgever en werknemer richtsnoer voor de te leveren
reïntegratie-inspanningen en geldt voor UWV als uitgangspunt bij de toetsing
daarvan. Het beoordelingskader is als bijlage bij dit besluit opgenomen.
Het is ook te vinden op de internetsite
van het UWV (www.uwv.nl).
Het beoordelingskader is
gebaseerd op wet- en regelgeving,
jurisprudentie en professionele
richtlijnen. Het beoordelingskader bevat dus
geen nieuw UWV-beleid en bevat
dus ook geen UWV-voorschriften, maar
geeft een door alle partijen onderschreven interpretatie en nadere
uitwerking weer van de bovengenoemde elementen.
Inhoud beoordelingskader
In het beoordelingskader
wordt aan de hand van de bovengenoemde
elementen een beschrijving gegeven van de door werkgever en
werknemer te zetten processtappen en
wordt aangegeven volgens welke lijnen sociaal-medische en arbeidskundige interventies moeten worden ingezet.
Vervolgens wordt een aantal
weegfactoren opgesomd voor de reïntegratie-inspanningen die in redelijkheid van
werkgever en werknemer mogen worden verwacht en wordt een
omschrijving gegeven van het begrip
passende arbeid.
Het beoordelingskader ziet
dus zowel op:
- de te ondernemen
procesmatige stappen (ontleend aan
artikel 71a WAO en de
Regeling procesgang eerste ziektejaar);
- de sociaal-medische en
arbeidskundige activiteiten (respectievelijk ontleend
aan ontleend aan Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten, professionele richtlijnen en
jurisprudentie);
- het resultaat (de
wettelijke bepalingen rond het aanbieden en
aanvaarden van passende arbeid en
jurisprudentie).
Tot slot beschrijft het
beoordelingskader de beoordelingswijze van het UWV. Bij die beoordeling
staat het resultaat voorop. Als dat
resultaat er bevredigend uitziet, is de weg waarlangs dat resultaat tot stand is
gekomen, dus de verrichte reïntegratieactiviteiten, minder relevant.
Wie hanteert
beoordelingskader?
Het beoordelingskader heeft
in de eerste plaats het oog op de reïntegratie-inspanningen die werkgever
en werknemer in redelijkheid
van elkaar mogen verwachten. Werkgever
en werknemer mogen van elkaar
verwachten dat zij reïntegratie-inspanningen leveren volgens de in het beoordelingskader vermelde
normen en dat zij elkaar daarop
kunnen aanspreken, zo nodig via tussenkomst van de rechter. Uitgangspunt
van de Wet
verbetering poortwachter is immers dat werkgever en
werknemer samen verantwoordelijk zijn voor reïntegratie en elkaar op hun rechten
en plichten moeten aanspreken.
Het beoordelingskader geeft
voorts een richtsnoer voor de reïntegratie-inspanningen die het UWV
van werkgever en werknemer mag verwachten
en voor de beoordeling daarvan. De inhoud van de te leveren
reïntegratie-inspanningen in het kader
van de arbeidsrechtelijke
verhouding tussen werkgever en werknemer
enerzijds en de bestuursrechtelijke
verhouding tussen werkgever/werknemer en UWV anderzijds liggen in elkaars
verlengde. Beide vallen onder de
gemeenschappelijke noemer van de redelijkheid. Uitgangspunt in
arbeidsrechtelijke jurisprudentie is dat
werkgever en werknemer van elkaar niet
meer kunnen verwachten dan redelijk is.
Het UWV toetst aan de hand van
de vraag of werkgever en
werknemer in redelijkheid hebben kunnen komen tot de
reïntegratie-inspanningen die zijn verricht (artikel 34a,
eerste lid, van de WAO).
Beoordelingskader in
UWV-besluit
Het UWV
hanteert dit kader
uit hoofde van zijn wettelijke
taak om bij een WAO-aanvraag reïntegratie-inspanningen te toetsen. Aan de hantering van het beoordelingskader
door het UWV kunnen voor
werkgever of werknemer bestuursrechtelijke consequenties verbonden zijn
in de vorm van sancties. Het UWV acht het daarom noodzakelijk om
zich formeel aan het beoordelingskader te binden door vastlegging
daarvan in een beleidsregel. Daarom is
in dit besluit vastgelegd dat de
beoordeling van de door werkgever en
werknemer geleverde reïntegratie-inspanningen zal plaatsvinden op basis
van het beoordelingskader in de bijlage bij dit besluit. Bij de motivering
van eventuele besluiten tot sanctieoplegging zal naar het beoordelingskader
verwezen worden.
Amsterdam, 3 december 2002.
T.H.J. Joustra, voorzitter
Raad van bestuur UWV.
BIJLAGE
Kader voor
inzet en beoordeling van re-integratie-inspanningen
Welke
inspanningen worden van werkgever en werknemer verwacht? Hoe toetst het
UWV?
1.
Inleiding
Op 29 december 2005 is de
WAO ¹ opgevolgd door de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet WIA. Bij de Wet WIA staat
"werken
naar vermogen" centraal. Het gaat er niet langer om wat mensen niet
meer kunnen, maar vooral om wat mensen nog wel kunnen ondanks hun
functionele beperkingen. Uitgangspunt is dat een ieder die
arbeidsongeschikt is geworden zijn of haar resterende
arbeidsmogelijkheden zo volledig mogelijk benut. Bij de beoordeling van
het recht op uitkering dient het UWV
daarom te kijken naar wat de aanvrager met zijn of haar beperkingen door
ziekte of handicap nog wél kan en wat hij of zij daarmee kan verdienen.
Voorafgaande aan de beoordeling van het recht
op uitkering verricht het UWV eerst de poortwachterstoets.² In dit
kader beoordeelt het UWV allereerst of er voldoende
re-integratieresultaat is bereikt, en als dat niet zo is, of werkgever
en werknemer samen gedurende de eerste twee jaar van ziekte ³ voldoende
inspanningen hebben verricht om de functionele mogelijkheden zoveel
mogelijk te vergroten en de bestaande arbeidsmogelijkheden zo goed
mogelijk te kunnen benutten in het eigen bedrijf of bij een ander
bedrijf. Na een positief oordeel over de geleverde inspanningen wordt
het recht op uitkering beoordeeld; na een negatief oordeel wordt de
beoordeling van het recht op uitkering opgeschort en loopt de
loondoorbetalingsplicht van de werkgever maximaal 52 weken door totdat
de vereiste re-integratie-inspanningen hebben plaatsgevonden.
Met het oog op een uniforme en transparante
beoordeling van de re-integratie-inspanningen in het kader van de
poortwachterstoets hanteert het UWV het hierna volgende kader.
Werkgevers, werknemers en degenen die hen ondersteunen, kunnen op basis
hiervan kennis nemen van de wijze waarop het UWV
re-integratieactiviteiten beoordeelt. Dit kader biedt niet alleen
inzicht in de wijze waarop het UWV de geleverde re-integratie-inspanningen
beoordeelt, maar biedt tevens aan werkgever en werknemer een richtsnoer
voor de aanpak van de re-integratie. Aangegeven wordt wat van partijen
in de praktijk in redelijkheid wordt verwacht in de eerste twee
ziektejaren. Doel is immers om bij ziekte te voorzien in een tijdige en
adequate verzuim- en re-integratieaanpak, waardoor het functioneren van
de werknemer in de arbeid zo snel en volledig mogelijk wordt hersteld en
langdurig verzuim en instroom in de Wet WIA wordt voorkomen. Werkgever en
werknemer hebben daarom in de eerste twee ziektejaren het primaat van
verzuimbegeleiding en re-integratie, waarbij zij zich laten ondersteunen
door een arbodienst of bedrijfsarts en eventueel door andere
deskundigen.
Het kader is als volgt opgebouwd. Eerst wordt
ingegaan op de juridische grondslag van het beoordelingkader (paragraaf 2). Paragraaf 3
geeft de uitgangspunten van het beoordelingskader weer en paragraaf 4
de aspecten waarop het UWV de beoordeling van re-integratie-inspanningen
uitvoert. Paragraaf 5 gaat in op de rol van de
dienstverleners die werkgever en werknemer bij het verrichten van hun
re-integratie-inspanningen ondersteunen. In paragraaf
6 komen de voorschriften van de Regeling
procesgang eerste en tweede ziektejaar aan de orde. Vervolgens
worden de medische aspecten respectievelijk de arbeidskundige aspecten
besproken (in paragraaf 7 respectievelijk
8). De re-integratieverplichtingen van werkgever en
werknemer komen aan de orde in paragraaf 9.
Het beoordelingskader wordt afgesloten met twee
specifieke situaties. Paragraaf 10 gaat in op de
situatie waarin het UWV een deskundigenoordeel moet geven over de
re-integratie-inspanningen van werkgever of werknemer of over de
aanwezigheid van passende
arbeid in het bedrijf. Paragraaf 11
gaat in op de situatie waarin een dienstverband in de eerste twee
ziektejaren eindigt waarna de werknemer aanspraak maakt op ziekengeld.
1. De WAO
blijft bestaan voor werknemers die vóór 1 januari 2004 ziek zijn
geworden. In enkele situaties kan ook later nog een WAO-uitkering worden
toegekend, zoals bijvoorbeeld bij toegenomen arbeidsongeschiktheid uit
dezelfde oorzaak binnen vijf jaar (artikel 43a
WAO).
2. Als reeds tijdens de wachttijd sprake is van volledige en duurzame
arbeidsongeschiktheid, kan de werknemer vervroegd een WIA-aanvraag
doen en kan de wachttijd dus worden verkort wanneer aan bepaalde
voorwaarden wordt voldaan (zie artikel 23,
zesde lid, Wet WIA). De verkorte wachttijd bedraagt
ten minste dertien weken en ten hoogste 78 weken. Als de werknemer
inderdaad volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, heeft hij op grond
van de Wet WIA recht op een IVA-uitkering (inkomensverzekering voor volledig
en duurzaam arbeidsongeschikten). In dergelijke situaties geeft het UWV
geen oordeel over de geleverde re-integratie-inspanningen. Re-integratie
is dan immers niet aan de orde.
3. Plus - in voorkomende gevallen - de periode waarin werkgever en
werknemer vrijwillig, in onderlinge overeenstemming, de
loondoorbetalingsperiode bij ziekte hebben verlengd.
2.
Juridische grondslag
Het kader bevat
geen nieuwe criteria, maar is gebaseerd op de geldende wet- en
regelgeving alsmede op de jurisprudentie met betrekking tot de
verplichtingen van werkgever en werknemer in het kader van ziekteverzuim
en arbeidsongeschiktheid. De bepalingen uit het Burgerlijk
Wetboek inzake het arbeidsovereenkomstenrecht, de Arbeidsomstandighedenwet
1998 en de Wet WIA zijn hiervoor belangrijke
bronnen.
In deze wetten is onder meer vastgelegd:
- De verplichting van de werkgever en werknemer tot goed werkgever- en
werknemerschap in het kader van de arbeidsovereenkomst op grond van het
Burgerlijk Wetboek.
- De verplichting voor de werkgever om passende arbeid aan te bieden en
de wettelijke plicht voor de werknemer om aan zijn re-integratie mee te
werken. Deze plichten zijn neergelegd in de artikelen 658a en
660a van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek en zijn eveneens terug te vinden in de plichten gericht op
het vergroten van mogelijkheden tot het verrichten van arbeid (artikel 29 Wet
WIA)
en op inschakeling in de arbeid (artikel 30 Wet
WIA).
- De verplichting voor de werkgever tot het aanpassen van de
arbeidsplaats, de werkmethoden en de inrichting van het bedrijf in
verband met het realiseren van resterend arbeidsvermogen en diens
verplichting om ziekte van werknemers zoveel mogelijk te voorkomen of te
beperken alsmede het begeleiden van werknemers die door ziekte niet in
staat zijn hun werk te verrichten (artikel 3a en 4 Arbeidsomstandighedenwet
1998).
- De wettelijke verplichting van de werkgever om zich bij de
verzuimbegeleiding te laten bijstaan door een arbodienst, of door andere
deskundige personen, als bedoeld in de artikelen 13 en 14 van de Arbeidsomstandighedenwet
1998.
- De plichten van de werknemer ter voorkoming van ontstaan en bestaan
van recht op uitkering op grond van de Wet WIA (artikel 28
Wet WIA).
- De in artikel 25 Wet
WIA
neergelegde verplichtingen van werkgever en werknemer ten aanzien van
het re-integratiedossier en het re-integratieverslag en de nadere
uitwerking daarvan in de Regeling
procesgang eerste en tweede ziektejaar.¹
- Professionele standaarden, richtlijnen en protocollen, waaronder de
protocollen die gebaseerd zijn op artikel 6,
zesde lid,
Wet WIA.
1. Oorspronkelijk Regeling
procesgang eerste ziektejaar, Stcrt. 2002, 60; laatste
wijziging Stcrt. 2005, 123.
Het beoordelingskader is geen statisch document, omdat het mede berust
op bronnen die steeds verder worden ontwikkeld. Hierbij moet met name
worden gedacht aan arbeidsrechtelijke jurisprudentie, professionele
standaarden, richtlijnen en protocollen. Deze bronnen ondersteunen (de
adviseurs van) de werkgever en werknemer bij de invulling van een
effectieve verzuim- en re-integratieaanpak.
3.
Uitgangspunten beoordeling
Redelijkheid
Van werkgever en werknemer wordt verwacht dat zij al het mogelijke doen
met het oog op de re-integratie. Dit uiteraard binnen de grenzen van de
redelijkheid.
Artikel 65 Wet WIA bepaalt dat het UWV
achteraf beoordeelt of werkgever en werknemer in redelijkheid hebben
kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. De
redelijkheid is ook het belangrijkste uitgangspunt in de bovengenoemde
artikelen 7:658a en 7:660a
BW en in de
arbeidsrechtelijke jurisprudentie.
Het resultaat staat voorop
Bij de beoordeling door het UWV van de
geleverde re-integratie-inspanningen staat het bereikte resultaat
voorop. Dat resultaat hoeft niet optimaal te zijn. Een bevredigend
resultaat is voldoende. Er is dan immers voldaan aan de wettelijke eis
dat werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de
re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Indien er sprake is van
een bevredigend resultaat, is de weg waarlangs dit resultaat tot stand
is gekomen niet relevant. In die gevallen gaat het UWV over tot
beoordeling van de aanvraag voor een WIA-uitkering.
Indien het resultaat niet bevredigend is, wordt ingezoomd op het
re-integratieproces van de eerste twee ziektejaren en de daarbij
verrichte re-integratie-inspanningen. De beoordeling van het UWV is dan
dus uitgebreider.
Bevredigend resultaat
Bij de
UWV-beoordeling van de geleverde
re-integratie-inspanningen is sprake van een bevredigend resultaat
wanneer gekomen is tot een (gedeeltelijke) werkhervatting, die min of
meer aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de
werknemer. De betreffende hervatting moet een structureel karakter
hebben, dat wil zeggen: het moet aannemelijk zijn dat de werknemer ook
na afloop van de verplichte loondoorbetalingsperiode in deze arbeid kan
blijven werken. Uiteraard dienen werkgever en werknemer al het mogelijke
te doen om te komen tot een werkhervatting die aansluit bij de
resterende functionele mogelijkheden. Het is mogelijk dat ondanks
daartoe ondernomen inspanningen een dergelijk resultaat niet haalbaar
is. Bij de UWV-beoordeling is in die situatie dan ook sprake van een
bevredigend resultaat wanneer betrokkene tegen het einde van de
verplichte loondoorbetalingsperiode is ingeschakeld in arbeid met een
loonwaarde van ten minste 65% van het loon vóór de ziekte.
Vanzelfsprekend geldt ook hier dat de hervatting een structureel
karakter moet hebben. Voorts moeten werkgever en werknemer het erover
eens zijn dat er redelijkerwijs niet meer van de werkgever kon worden
verwacht. Een werkhervatting waarbij de functionele mogelijkheden van de
werknemer niet voldoende worden benut kan voor de werknemer na afloop
van de verplichte loondoorbetalingsperiode een inkomensachteruitgang tot
gevolg hebben. Een werknemer hoeft een dergelijk aanbod niet te
accepteren als hij binnen het eigen bedrijf of daarbuiten concrete
herplaatsingsmogelijkheden heeft gesignaleerd die beter aansluiten bij
zijn functionele mogelijkheden en als van de werkgever in redelijkheid
kan worden gevraagd om die aan te bieden. Mocht het UWV constateren dat
de werknemer weliswaar arbeid met een loonwaarde van ten minste 65% van
het oude loon heeft geaccepteerd, maar dat hij de werkgever tevens heeft
gewezen op hervattingsmogelijkheden waarin hij zijn functionele
mogelijkheden beter kan benutten, zal de gerealiseerde hervatting niet
op voorhand als bevredigend re-integratieresultaat kunnen worden
geaccepteerd.
Voor de goede orde zij opgemerkt dat arbeid
tegen een loonwaarde van ten minste 65% van het oude loon aan het einde
van de eerste twee jaar van ziekte onder omstandigheden kan worden
aangemerkt als passende arbeid. In paragraaf 8 wordt
uitgebreider ingegaan op dit begrip. Hier is relevant dat het begrip
passende arbeid betekent dat meer van de werknemer mag worden gevergd
naarmate het verzuim, ondanks redelijke re-integratie-inspanningen,
langer duurt. Het 65%-criterium betreft dus nadrukkelijk geen
streefsituatie aan het begin van het re-integratieproces, maar kan in
het algemeen tegen het einde van de verplichte loondoorbetalingsperiode
in aanmerking komen wanneer de ervaring met re-integratie-inspanningen
uitwijst dat meer niet haalbaar is.
Wanneer werkgever en werknemer uiteindelijk van
mening verschillen over de gewenste re-integratie-inspanningen of
daarover meer duidelijkheid wensen, kunnen zij een deskundigenoordeel
vragen (zie paragraaf 10).
Is geen bevredigend resultaat behaald, dan zal
het UWV beoordelen of er door werkgever en door werknemer in de eerste
twee ziektejaren voldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht.
Geen bevredigend resultaat, maar wel voldoende
re-integratie-inspanningen of een deugdelijke grond
Indien er geen bevredigend re-integratieresultaat bereikt is, maar het UWV
de inspanningen van de werkgever op basis van dit beoordelingskader wel
voldoende acht, wordt geen loonsanctie opgelegd. Dat is evenmin het
geval als het UWV de re-integratie-inspanningen weliswaar onvoldoende
acht, maar tot het oordeel komt dat de werkgever daarvoor een
deugdelijke grond heeft.
Geen bevredigend resultaat en onvoldoende
re-integratie-inspanningen
Is
de werkgever naar het oordeel van het UWV
in zijn re-integratie-inspanningen in gebreke gebleven en heeft hij
daarvoor geen deugdelijke grond, dan wordt de WIA-aanvraag
van de werknemer opgeschort. De werkgever moet dan loon blijven
doorbetalen. Dit is de zgn. loonsanctie. Doel daarvan is dat de
werkgever alsnog de nodige re-integratie-inspanningen levert. De sanctie
beoogt herstel van wat eerder nagelaten is. In de loonsanctiebeslissing
geeft het UWV aan wat er schort aan de geleverde
re-integratie-inspanningen en dat (en op welke wijze) de werkgever dit
moet herstellen (bijvoorbeeld door het inschakelen van deskundigen). De
feitelijke duur van de loonsanctie is afhankelijk van de periode die de
werkgever nodig heeft om alsnog de benodigde re-integratie-inspanningen
te leveren. Loonsancties kunnen derhalve worden bekort door meteen na
ontvangst van de loonsanctiebeslissing alsnog te starten met het leveren
van de juiste re-integratie-inspanningen. De duur van de loonsanctie
bedraagt maximaal 52 weken. Pas nadat de nodige inspanningen zijn
geleverd, kan de werknemer (als het nog nodig is) in aanmerking komen
voor een WIA-uitkering.
Is de werknemer in de periode van de verplichte
loondoorbetaling in zijn re-integratie-inspanningen in gebreke gebleven,
dan ligt het op de weg van de werkgever om de werknemer op zijn gedrag
aan te spreken, bijvoorbeeld door het vragen van een deskundigenoordeel
dan wel door (dreiging met) inhouding van loon of in het uiterste geval
(dreiging met) ontslag. Blijft de werknemer ook dan nog in gebreke en is
hem dat aan te rekenen, dan past het UWV op diens eventuele WIA- of WW-uitkering
een maatregel toe. Bij de motivering van eventuele besluiten tot
sanctieoplegging op grond van de Wet WIA (of WW) verwijst het UWV naar dit
kader.
Geen re-integratie-inspanningen vereist indien er geen
arbeidsmogelijkheden zijn
Van
werkgever en werknemer worden geen re-integratie-inspanningen meer
verlangd wanneer de werknemer geen mogelijkheden meer heeft tot het
verrichten van arbeid in het eigen bedrijf of bij een andere werkgever.
Wel beoordeelt het UWV
in die situatie of in redelijkheid tot dit oordeel over het ontbreken
van arbeidsmogelijkheden kon worden gekomen. Zie hiervoor paragraaf
7.
Kon de werkgever niet in redelijkheid tot dit
oordeel komen en zijn daardoor re-integratiekansen gemist, dan zal de
behandeling van de WIA-aanvraag worden
opgeschort. In dat geval loopt de loondoorbetalingsplicht van de
werkgever door, totdat alsnog de benodigde re-integratieactiviteiten
hebben plaatsgevonden.
4.
De aspecten waarop het UWV de beoordeling uitvoert
Indien het UWV
het resultaat niet bevredigend acht, zal bij de beoordeling worden
ingezoomd op datgene wat door de werkgever en werknemer daadwerkelijk
ondernomen is. Het UWV beoordeelt dan het re-integratieresultaat in
relatie tot de oorzaak van het verzuim en de ondernomen stappen. Het UWV
verricht deze beoordeling aan de hand van het re-integratieverslag, dat
de werknemer bij de aanvraag voor een WIA-uitkering
moet indienen op grond van
artikel
25 Wet WIA. Op basis van de inhoud van het
re-integratieverslag beziet het UWV of werkgever en werknemer in
redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die
zijn verricht. Uiteraard zal het UWV in voorkomende gevallen zo nodig
nadere informatie opvragen bij de werkgever, de werknemer of de
arbodienst/bedrijfsarts.
Het UWV zal bij zijn beoordeling aan de
volgende aspecten aandacht besteden:
a. Voorschriften uit de Wet verbetering poortwachter
en de
Regeling procesgang eerste en tweede
ziektejaar:
- Heeft de arbodienst/bedrijfsarts een adequate probleemanalyse
opgesteld en een oordeel gegeven, waarbij wordt ingegaan op de aspecten
die in de regeling zijn benoemd? Zijn deze zo nodig, en zeker in geval
van stagnatie van de re-integratie, bijgesteld?
- Is er een adequaat plan van aanpak opgesteld waarin - indien
geïndiceerd - voldoende sociaal-medische interventies en/of
activiteiten gericht op werkhervatting zijn opgenomen en is er een
casemanager aangewezen?
- Is het plan van aanpak ook daadwerkelijk uitgevoerd, tussentijds
geëvalueerd en, indien nodig, bijgesteld?
- Heeft aan het eind van het eerste ziektejaar de meer uitgebreide
evaluatie (opschudmoment) plaatsgevonden?
b. Medische aspecten:
- Heeft de werknemer een naar algemeen medische maatstaven adequate
behandeling voor zijn ziekte of gebrek ondergaan?
- Is nagegaan of door behandeling, training of revalidatie de
functionele mogelijkheden kunnen worden vergroot?
- Is voorzien in adequate begeleiding op weg naar vergroting van de
functionele mogelijkheden?
- Is de beoordeling van de bedrijfsarts met betrekking tot de
functionele mogelijkheden van de werknemer ten aanzien van eigen arbeid
en eventuele passende, andere arbeid plausibel?
- Is rekening gehouden met de stand van de wetenschap en de eisen van
professionele dienstverlening, zoals die onder meer tot uitdrukking komt
in protocollen en richtlijnen of instructies?
c. Arbeidsdeskundige aspecten en werkinpassing:
- Zijn de mogelijkheden tot werkhervatting,
gegeven de functionele mogelijkheden van de werknemer, in voldoende mate
in beeld gebracht?
- Is voldoende rekening gehouden met de opleiding, ervaring en
persoonlijke eigenschappen van de werknemer en de mogelijkheden tot
aanvullende opleiding en training?
- Zijn de mogelijkheden tot herplaatsing in de eigen functie, zo nodig
met aanpassingen, onderzocht?
- Zijn de mogelijkheden tot een andere functie bij de eigen werkgever,
zo nodig met aanpassingen en scholing, in voldoende mate verkend?
- Zijn er activiteiten ondernomen voor het vinden van passend werk bij
een andere werkgever, zo nodig door middel van scholing?
Bij de beoordeling van re-integratieinspanningen acht het UWV
het opvolgen van de voorschriften op grond van de Regeling procesgang eerste
en tweede ziektejaar secundair ten opzichte van de feitelijke
re-integratie-inspanningen. Dit komt overeen met het uitgangspunt dat
het UWV primair beziet of het resultaat bevredigend is. Als bijvoorbeeld
veel te laat een onvolledige probleemanalyse en plan van aanpak zijn
opgesteld, is dat alleen relevant als tengevolge daarvan onvoldoende of
verkeerde re-integratie-inspanningen zijn verricht.
5.
Beoordeling re-integratieverslag
De Regeling
procesgang eerste en tweede ziektejaar schrijft voor welke stukken het
re-integratieverslag dient te bevatten. Bij de beoordeling van de verschillende
stukken in het re-integratieverslag let het UWV
vooral op de volgende aspecten.
Volledigheid re-integratieverslag
Het
UWV controleert allereerst of de
voorgeschreven stukken in het re-integratieverslag aanwezig zijn.¹ Die
stukken vormen de basis voor de beoordeling van de re-integratie-inspanningen.
Is het verslag niet volledig, dan is sprake van een administratieve
tekortkoming die de werkgever moet herstellen. Als de tekortkoming aan
de werkgever ligt, stelt het UWV de werkgever eerst in staat de
ontbrekende gegevens binnen één week aan te vullen. In veel gevallen
zal het re-integratieverslag dan wel compleet zijn en kan de
inhoudelijke beoordeling plaatsvinden. Het is echter ook mogelijk dat de
werkgever de gevraagde gegevens niet levert. In dat geval legt het UWV
de werkgever een loonsanctie op. In de loonsanctiebeslissing wordt
duidelijk aangegeven welke stukken ontbreken. De werkgever heeft daarbij
zelf in de hand hoelang de loonsanctie feitelijk duurt. Meestal zal de
werkgever de ontbrekende stukken snel kunnen aanleveren en daarmee de
periode van de loonsanctie kunnen beperken. Bovendien krijgen de
werkgever (en de werknemer) uiterlijk zes weken vóór het einde van de
loondoorbetalingsperiode bericht dat de behandeling van de WIA-aanvraag
wordt opgeschort, waardoor zij ruim vóór einde wachttijd kunnen
starten met de completering van het re-integratieverslag. Van belang
hierbij is dat herstel van administratieve tekortkomingen altijd
mogelijk is, ook al zou er destijds bijvoorbeeld geen schriftelijk plan
van aanpak zijn opgesteld. Een alsnog opgestelde rapportage over hetgeen
destijds is gebeurd, voldoet dan ook.
1. Dit omvat op basis van de Regeling procesgang eerste en tweede
ziektejaar:
a. de noodzakelijke administratieve gegevens van de werknemer, werkgever
en bedrijfsarts of arbodienst;
b. gegevens omtrent de aard van het bedrijf van de werkgever;
d. gegevens omtrent de bekwaamheden van de werknemer;
c. gegevens omtrent de functie van de werknemer;
e. vermelding van de eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten
van arbeid wegens ziekte;
f. het oordeel en het advies van de bedrijfsarts of de arbodienst,
bedoeld in artikel
2, tweede en derde lid, respectievelijk artikel 4,
vierde lid;
g. het door de werkgever en de werknemer overeengekomen plan van aanpak
en de bijstellingen, bedoeld in artikel 4, vijfde lid;
h. de evaluatie aan het einde van het eerste ziektejaar, bedoeld in artikel 4,
tweede lid, onderdeel b, alsmede de meest recente evaluatie van
de voortgang en de uitvoering van de in het plan van aanpak gemaakte
afspraken;
i. een actueel oordeel over de kwaliteit van de arbeidsrelatie door de
werkgever en de bedrijfsarts of de arbodienst;
j. een actueel oordeel van de bedrijfsarts of de arbodienst over het
verloop van de ongeschiktheid tot werken, de functionele beperkingen en
de mogelijkheden van de werknemer tot het verrichten van arbeid;
k. een actueel oordeel van de bedrijfsarts of de arbodienst en de
werkgever over de aanwezigheid van passende arbeid bij de werkgever; en
l. een oordeel van de werknemer omtrent de op grond van de onderdelen a
tot en met k opgenomen gegevens en oordelen. Voor de verstrekking van
deze informatie heeft het UWV formats
beschikbaar gesteld; er kan ook een eigen format worden gebruikt mits
wordt voldaan aan de door het UWV gestelde vorm- en
herkenbaarheidsvereisten. (Beleidsregels
vorm- en herkenbaarheidsvereisten reïntegratieverslagen, Stcrt.
23 juni 2003, 117 en Wijziging Beleidsregels vormen
herkenbaarheidsvereisten reïntegratieverslagen, Stcrt. 12
augustus 2005, 155).
Probleemanalyse en advies ¹
Het
doel van de probleemanalyse is werkgever en werknemer te ondersteunen
bij een succesvolle aanpak van de re-integratie. Ten onrechte wordt
nogal eens verondersteld dat het hierbij gaat om een verantwoording
jegens het UWV en dat de inhoud van de
beschrijving zodanig moet zijn dat te zijner tijd bij de WIA-aanvraag
geen frictie kan optreden met het oordeel van het UWV. Vermeden moet
worden dat de bedrijfsarts over het hoofd van de werkgever en werknemer
heen richting UWV schrijft.
De probleemanalyse wordt opgesteld door de
arbodienst/bedrijfsarts en is bedoeld om werkgever en werknemer inzicht
te geven in de relevante aspecten van het verzuim en om duidelijk te
maken wat kan worden gedaan om het verzuim te bekorten en de
inzetbaarheid nu en in de toekomst te vergroten. Bij de probleemanalyse
gaat het daarom niet alleen om het in beeld brengen van medische
factoren, maar ook om in het in kaart brengen van andere factoren die
het verzuim beïnvloeden, zoals persoonlijke eigenschappen, privé- en
sociale omstandigheden en factoren die met het werk te maken hebben. Als
de reikwijdte van - een deel van - het probleem nog niet geheel is te
overzien, bijvoorbeeld omdat er nog medische onderzoeken lopen, moet de
arbodienst of bedrijfsarts dat duidelijk omschrijven. In zo’n situatie
kan al worden nagedacht over het benutten van de bestaande
mogelijkheden. De probleemanalyse dient tevens een advies te bevatten
over de wijze waarop de mogelijkheden tot herstel en werkhervatting
kunnen worden benut of vergroot. Het advies kan bijvoorbeeld betrekking
hebben op een aanpassing van het werk, een specifieke interventie of een
specifieke behandeling. Ook kan advies worden gegeven over de
wenselijkheid van mediation.
Bij de beoordeling van de probleemanalyse
bekijkt het UWV vooral of zowel de analyse als het advies zodanig zijn
dat de werkgever en werknemer zich een goed oordeel hebben kunnen vormen
over de verzuimproblematiek, de daaraan ten grondslag liggende oorzaken
en de mogelijkheden tot werkhervatting. Dat geldt zowel ten aanzien van
de eerste probleemanalyse bij zes weken ziekteverzuim, of eerder als er
sprake is van dreigend langdurig verzuim, alsook bij latere
bijstellingen van de probleemanalyse. Voldoet de (bijgestelde)
probleemanalyse hier niet aan, dan kan het UWV verlangen dat alsnog een
deugdelijke probleemanalyse wordt opgesteld en dat werkgever en
werknemer op basis daarvan een nieuw plan van aanpak maken en uitvoeren.
Uiteraard zal dit alleen geschieden indien naar het oordeel van het UWV
door de tekortschietende kwaliteit van de probleemanalyse kansen op
werkhervatting zijn gemist. Het achteraf opstellen van een betere
probleemanalyse, terwijl daarvan geen wezenlijk ander resultaat voor de
re-integratie-inspanningen wordt verwacht, heeft geen nut.
1. Voor probleemanalyse,
plan van aanpak en evaluatie daarvan zijn in de Regeling
procesgang eerste en tweede ziektejaar termijnen opgenomen. Hiervan
kan echter gemotiveerd worden afgeweken.
Plan van aanpak
Op basis van het bovenbeschreven advies van de arbodienst/bedrijfsarts
moeten werkgever en werknemer in onderlinge overeenstemming een plan van
aanpak maken, waarin ze afspraken vastleggen over de te ondernemen
acties om de mogelijkheden tot werken te vergroten. Te denken valt
hierbij aan een aangewezen behandeling, cursus of training en aan
activiteiten om de werknemer in staat te stellen met die mogelijkheden
aan het werk te gaan. Bij dit laatste kan worden gedacht aan
(tijdelijke) aanpassing van de werkplek, de werkorganisatie of de
arbeidstijden.
Het ligt daarbij voor de hand dat werkgever en
werknemer zich in eerste instantie inspannen om de werknemer - eventueel
met aanpassingen - zijn eigen functie te laten oppakken. Mocht dit niet
mogelijk zijn, dan ligt het in de lijn om te zoeken naar ander passend
werk binnen het bedrijf. Hervattingmogelijkheden bij een andere
werkgever komen pas aan de orde als hervatting in eigen of passend werk
binnen het bedrijf niet meer mogelijk is. Deze volgorde van prioriteiten
vloeit voort uit het feit dat hervatting in het eigen bedrijf, liefst in
eigen werk, het meest duurzaam en succesvol blijkt.
Dit laat echter onverlet dat als werkgever en
werknemer in onderlinge overeenstemming al meteen willen inzetten op
re-integratie in een ander bedrijf, omdat dit mogelijk meer perspectief
biedt tot re-integratie in beter passende arbeid, zij er vrij in zijn om
ook in te zetten op plaatsing elders. Daarnaast geldt evenwel dat bij
langdurig verzuim, zeker ter gelegenheid van de evaluatie aan het einde
van het eerste ziektejaar (opschudmoment), van werkgever en werknemer
mag worden verwacht dat zij - naast de eventueel nog lopende
re-integratieactiviteiten gericht op herplaatsing in het eigen bedrijf -
uitdrukkelijk de mogelijkheden van werkhervatting bij een andere
werkgever bezien indien op dat moment nog niet tot gedeeltelijke
werkhervatting in het eigen bedrijf is gekomen en er ook geen uitzicht
is dat dit op korte termijn zal gebeuren.
Als blijkt dat aan het einde van de wachttijd
voor de Wet WIA de mogelijkheden tot
werkhervatting bij een andere werkgever niet of onvoldoende onderzocht
zijn, zal het UWV de werkgever opdragen
eerst dat traject uit te voeren en de WIA-aanvraag pas na afronding van
het re-integratietraject weer in behandeling nemen.
Evaluatie en bijstelling plan van aanpak
Blijkt bij de uitvoering van het plan van aanpak dat het gestelde doel
niet wordt gehaald, dan zullen werkgever en werknemer een (bijgestelde
of geheel) andere aanpak moeten volgen. Om dit soort problemen tijdig te
onderkennen, moeten werkgever en werknemer regelmatig overleggen over de
voortgang van het re-integratieproces. Het is daarbij van belang dat zij
ervoor zorgen dat de bedrijfsarts zich regelmatig op de hoogte stelt van
het verloop van de arbeidsongeschiktheid van de werknemer en zo nodig de
werkgever en de werknemer adviseert over aanpassing van het plan van
aanpak of de medische behandeling. Indien bij de beoordeling door het UWV
blijkt dat niet of niet tijdig is voorzien in een bijgesteld plan van
aanpak, dan zullen werkgever en werknemer alsnog voor evaluatie van hun
inspanningen moeten zorgen en op basis daarvan een gewijzigd plan van
aanpak moeten opstellen. Werkgever en werknemer dienen dit plan eerst
uit te voeren en dit aan het UWV te melden, alvorens het UWV de WIA-aanvraag
verder in behandeling neemt.
Eerstejaarsevaluatie (opschudmoment)
Aan het eind van het eerste ziektejaar is een speciaal evaluatiemoment
ingebouwd.
Doel daarvan is dat werkgever en werknemer terugblikken
op de re-integratieactiviteiten in het eerste ziektejaar en expliciet de
vraag onder ogen zien of de re-integratie nog op de goede koers zit. Zo
nodig kunnen zij de gevolgde re-integratiekoers voor de komende periode
bijstellen. Hoewel het plan van aanpak periodiek moet worden
geëvalueerd, heeft de eerstejaarsevaluatie een extra dimensie. Dit
omdat de uitkomst moet worden vastgelegd in het te zijner tijd op te
stellen re-integratieverslag. Met name tijdens deze eerstejaarsevaluatie
kunnen basale keuzes worden gemaakt, bijvoorbeeld wat betreft
re-integratie-inspanningen in het eigen bedrijf of bij een andere
werkgever. Mocht bijvoorbeeld blijken dat de re-integratie in het eigen
bedrijf nog geen resultaten heeft opgeleverd, dan mag worden verwacht
dat werkgever en werknemer dan - naast de wellicht nog lopende
activiteiten voor re-integratie in het eigen bedrijf - tevens
voorbereidingen starten met het oog op re-integratie bij een andere
werkgever. Re-integratieactiviteiten met het oog op werk bij een andere
werkgever kunnen slechts achterwege blijven als er nog concreet
perspectief bestaat op hervatting in het eigen bedrijf.
Hieronder wordt een aantal situaties genoemd
waarin bijstelling van de re-integratie aan het eind van het eerste
ziektejaar nodig kan zijn:
- de mate van werkhervatting loopt achter op het gestelde doel;
- er is geen plan van aanpak dan wel in het plan van aanpak is geen
helder doel gesteld;
- de werkhervatting is niet stabiel;
- er is stagnatie in medische behandeling;
- het deskundigenoordeel heeft de gestagneerde re-integratie niet vlot
getrokken;
- periodes van werk en uitval wisselen elkaar af;
- er is te lang gewerkt op arbeidstherapeutische basis zonder
loonwaarde;
- hervatting op te laag niveau, of voor te weinig uren, zonder
perspectief op eigen werk of ander passend werk.
Weten werkgever en werknemer niet zeker of ze met de re-integratie nog
wel op de goede weg zitten of is de re-integratie gestagneerd, dan
kunnen zij nader advies vragen aan deskundigen. Ook kan een
deskundigenoordeel worden gevraagd aan het UWV.
6.
Rol van ondersteunende dienstverleners
Het UWV
beoordeelt de inspanningen van de werkgever en de werknemer en van de
dienstverleners die hen ondersteunen.
Verzuimbegeleiding
De werkgever is verantwoordelijk voor de verzuimbegeleiding en
re-integratie van zijn zieke werknemers. De werkgever is op grond van de Arbeidsomstandighedenwet
1998 onder meer verplicht zich voor de uitoefening van zijn
verplichtingen inzake de verzuimbegeleiding te laten bijstaan door een
gecertificeerde arbodienst (vangnetregeling) of bevoegde bedrijfsarts
(maatwerkregeling), dit om adequate professionele ondersteuning van de
verzuimbegeleiding te bevorderen. Met het oog op een adequate
verzuimbegeleiding dient de werkgever de adviezen van deze bevoegde
professionals dus te betrekken bij de verzuimaanpak.
Ook het UWV
beoordeelt in het kader van de poortwachterstoets of de medische
informatie in het re-integratieverslag en in het bijzonder de informatie
over de vaststelling van de functionele mogelijkheden zoals opgenomen in
de (bijgestelde) probleemanalyses en het actuele oordeel, is verstrekt
door of onder verantwoordelijkheid van een bevoegde bedrijfsarts. Indien
de medische informatie niet door of onder de verantwoordelijkheid van
een bevoegde bedrijfsarts is verstrekt, kunnen noch de werkgever, noch
het UWV daar in redelijkheid op afgaan. Het UWV zal de werkgever dan
verzoeken zich alsnog te laten voorzien van een adequate medische
beoordeling van de functionele mogelijkheden.
Van een bevoegde arbodienst/bedrijfsarts mag
worden verwacht dat deze zijn adviserende en ondersteunende taak
adequaat uitvoert. Het inschakelen van een gecertificeerde arbodienst of
bevoegde bedrijfsarts betekent niet dat de werkgever zich zonder meer
achter de medische beoordeling kan verschuilen. De werkgever blijft
eindverantwoordelijke voor de verzuimbegeleiding en de re-integratie.
Dat impliceert onder meer dat hij de vinger aan de pols houdt en dat hij
door middel van interactie met de werknemer en de bedrijfsarts nagaat
welke actie noodzakelijk is voor een optimaal re-integratieresultaat.
Aldus kan de werkgever de aanpak van de verzuimbegeleiding beïnvloeden.
De werkgever heeft daarvoor een aantal aanknopingspunten tijdens het
re-integratieproces. Zo mag de werkgever van zijn arbodienst of
bedrijfsarts verlangen dat hij een probleemanalyse ontvangt die hem
voldoende inzicht biedt in de relevante aspecten van het verzuim en in
de te ondernemen re-integratieactiviteiten (zie paragraaf 5).
Is dat niet het geval, kan de werkgever om een nieuwe probleemanalyse
vragen. Als de probleemanalyse hem wél voldoende de weg wijst bij de
re-integratie, is er een gerede kans dat het daarin opgenomen advies ook
inhoudelijk adequaat is. En in geval van vragen over de adequaatheid van
de op basis van dat advies geleverde re-integratie-inspanningen kan een
deskundigenoordeel van het UWV uitkomst bieden.
Mocht de bevoegde arbodienst of bedrijfsarts in
de probleemanalyse aangeven dat er geen re-integratie-inspanningen aan
de orde zijn, in verband met de blijvende afwezigheid van
arbeidsmogelijkheden (zie subparagraaf
7.4), moet dit zorgvuldig worden
onderbouwd. En wel in die mate dat zowel voor werkgever als voor
werknemer voldoende aannemelijk is gemaakt dat
re-integratie-inspanningen zinloos zijn. Zijn werkgever of werknemer nog
niet van de plausibiliteit van het oordeel van arbodienst of
bedrijfsarts overtuigd, zal de werkgever net zolang door moeten vragen
tot dat wel het geval is. Het kan overigens noodzakelijk zijn zowel voor
medisch-functioneel herstel als voor aanpassing van de arbeid andere
dienstverleners dan de bedrijfsarts in te schakelen, zeker bij stagnatie
in de re-integratie, of om na te gaan of het werk is aan te passen aan
de door ziekte bepaalde veranderingen in de persoonlijke eigenschappen
van de werknemer. Daarvoor geldt uiteraard hetzelfde als hiervoor
aangegeven.
In het kader van de poortwachterstoets
beoordeelt het UWV de verzuimbegeleiding en re-integratie-inspanningen
van de werkgever. Dit is uiteraard alleen aan de orde wanneer het
re-integratieresultaat onbevredigend is. Ook hier geldt immers dat het
resultaat van de re-integratie vooropstaat. Pas als geen bevredigend
re-integratieresultaat is bereikt, wordt ingezoomd op de door werkgever
en de door hem ingeschakelde deskundigen geleverde
re-integratieinspanningen. De werkgever is daarbij verantwoordelijk
wanneer de re-integratie-inspanningen onvoldoende zijn geweest en kan
daarop worden aangesproken. Uiteraard dient deze beoordeling zorgvuldig
te geschieden.
Casemanager
Het
UWV is niet belast met de controle op de
verplichting op grond van de Regeling procesgang eerste en
tweede ziektejaar tot aanwijzing van een casemanager bij de
uitvoering van het plan van aanpak. Het enkele feit dat werkgever en
werknemer geen casemanager hebben aangewezen, leidt dus op zichzelf niet
tot een sanctie. Is het resultaat van de re-integratie-inspanningen niet
bevredigend, dan let het UWV er wel op of in het plan van aanpak een
casemanager is aangewezen en of wellicht door het ontbreken daarvan de
re-integratie onvoldoende op de rails is gezet. Werkgever en werknemer
zijn zelf volledig verantwoordelijk voor de activiteiten die ter
uitvoering van het plan van aanpak worden ondernomen, en dus ook voor de
activiteiten van de casemanager. Een eventueel tekortschieten van de
casemanager wordt hen aangerekend.
Re-integratiebedrijf
Als re-integratie in het eigen bedrijf niet lukt, dan moet de werkgever
op zoek naar passende arbeid bij een andere werkgever. De werkgever kan
hiervoor of voor specifieke arbeidsrelevante interventies ook een
re-integratiebedrijf inschakelen, al is dat niet verplicht. Het UWV
beoordeelt dus niet of zo’n re-integratiebedrijf is ingeschakeld. Dat
is aan de werkgever, in overleg met zijn werknemer. Het UWV beziet
alleen of de ondernomen re-integratie-activiteiten adequaat zijn, en zo
niet, of er daardoor re-integratiekansen zijn gemist. Daarbij kan het
niet inschakelen van een re-integratiebedrijf alleen een indirecte rol
spelen. Als de werkgever wel een re-integratiebedrijf heeft
ingeschakeld, maar dit re-integratiebedrijf opereert inadequaat,
waardoor re-integratiekansen zijn gemist, komt dit voor rekening van de
werkgever. De werkgever mag de re-integratie niet geheel overlaten aan
het re-integratiebedrijf, maar moet de vinger aan de pols houden. Dit
houdt in dat hij afspreekt dat hij periodiek wordt geïnformeerd of zelf
naar de vorderingen informeert. Mocht blijken dat de werknemer
onvoldoende meewerkt, dan dient de werkgever hem daarop aan te spreken.
Mocht hij van de werknemer horen dat het re-integratiebedrijf te weinig
onderneemt, dan dient hij het re-integratiebedrijf daarop aan te spreken
en zo nodig een ander re-integratiebedrijf in te schakelen. De werkgever
beoordeelt immers het re-integratiebedrijf op een redelijk resultaat,
zoals hij ook doet met andere zakelijke dienstverleners. Zijn die acties
achterwege gebleven, dan zal het UWV de behandeling van de WIA-aanvraag
opschorten, totdat alsnog de benodigde actie is ondernomen.
7.
Medische aspecten bij re-integratie
7.1. Inleiding
De medische aspecten bij
re-integratie betreffen de vaststelling van de mogelijkheden die de
werknemer nog heeft ten aanzien van eigen werk en eventuele andere
passende arbeid. Deze medische beoordeling dient als uitgangspunt voor
de vaststelling van mogelijkheden om de belastbaarheid te vergroten
(herstel) en van de re-integratie-inspanningen. De medische aspecten bij
re-integratie behoren tot het domein van bedrijfs- en verzekeringsarts.
De rollen van bedrijfs- en verzekeringsarts zijn weliswaar verschillend,
inhoudelijk gaat het om in wezen dezelfde zaken.
De bedrijfsarts begeleidt de werknemer tijdens
ziekte, beoordeelt diens mogelijkheden om te functioneren en adviseert
van daaruit over de re-integratie. Het UWV
toetst aan het eind van de eerste twee ziektejaren of voldoende
re-integratie-inspanningen zijn verricht en of het resultaat daarvan
plausibel is, in aanmerking genomen de functionele mogelijkheden van de
werknemer; zo nodig wordt de verzekeringsarts daarbij ingeschakeld. Het
is van groot belang dat hierbij voor zover mogelijk dezelfde criteria en
standaarden worden gehanteerd en men zich van een gemeenschappelijke
taal bedient. De re-integratie van de zieke werknemer staat immers
centraal.
In dit onderdeel wordt allereerst beschreven
welke aspecten bij de medische beoordeling van belang zijn (subparagraaf
7.2). Vervolgens wordt ingegaan op het gebruik van protocollen en
richtlijnen door bedrijfs- en verzekeringsartsen (subparagraaf
7.3). Tot slot wordt uiteengezet wat de relatie is tussen de
beoordeling van de functionele mogelijkheden en de re-integratie-inspanningen
(subparagraaf 7.4).
7.2.
Aspecten medische beoordeling
Startpunt is de medische
beoordeling door de bedrijfsarts in het kader van de verzuimbegeleiding.
Hierbij dient hij allereerst, aan de hand van de klachten van de
cliënt, vast te stellen of sprake is van beperkingen tengevolge van
ziekte respectievelijk gebrek en of die beperkingen zodanig zijn dat ze
de mogelijkheid om te werken beperken. Beperkingen die terug te voeren
zijn op normale veranderingen, zoals veroudering, zijn niet als ziekte
aan te merken. Datzelfde geldt voor beperkingen die voortkomen uit
veranderingen van werk of spanningen in de arbeidsverhoudingen. Het is
de taak van de bedrijfsarts om een goede analyse te maken van medische
en niet-medische aspecten.
De bedrijfsarts stelt de uit ziekte of gebrek
voortvloeiende beperkingen vast en adviseert ook over de resterende
mogelijkheden, dat wil zeggen de mogelijkheden die de werknemer nog wél
heeft om arbeid te verrichten. Ook beoordeelt de bedrijfsarts in
hoeverre deze resterende mogelijkheden bestendig of beïnvloedbaar zijn
of beter te benutten, bijvoorbeeld door werkaanpassingen. Dit is van
belang om vast te stellen of er nog mogelijkheden zijn tot herstel en
re-integratie die van werkgever en werknemer kunnen worden gevergd (zie
ook subparagraaf 7.4). De bedrijfsarts dient na te
gaan wat de resultaten zijn van de onderzoeken en behandelingen door de
curatieve sector en of daarin voldoende voortgang wordt betracht, en of
daar voldoende aandacht wordt besteed aan de mogelijkheden voor arbeid.
Zo nodig neemt hij contact op met de behandelend arts(en) of verwijst
hij de werknemer zelf naar een specialist.
Het is de taak van de bedrijfsarts om de
hiervoor geschetste medische beoordeling te verrichten en de werkgever
en werknemer te ondersteunen en te adviseren ten behoeve van de
verzuimbegeleiding en re-integratie. De bedrijfsarts verricht zijn
beoordelende en begeleidende taak aan de hand van de voorgeschreven
processtappen tijdens de ziekteperiode. De bedrijfsarts stelt
bijvoorbeeld bij dreigende langdurige ziekte een probleemanalyse op en
adviseert daarin werkgever en werknemer inzake mogelijke interventies en
maatregelen. Voorts verantwoordt de bedrijfarts het medische handelen en
zijn actueel medische oordeel aan het eind van de eerste twee
ziektejaren in het medische deel van het re-integratieverslag. Op basis
hiervan is de verzekeringsarts in staat om zijn beoordeling van de
medische aspecten in het kader van de poortwachterstoets en
claimbeoordeling voor de Wet WIA te verrichten.
7.3.
Gebruik professionele standaarden en verzekeringsgeneeskundige
protocollen
Het hanteren van professionele
standaarden, richtlijnen en dergelijke (zoals de door STECR ontwikkelde
werkwijzers en de richtlijnen van de NVAB [Nederlandse Vereniging voor
Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde, red.]) behoort tot de
professionaliteit van bedrijfsartsen en verzekeringsartsen. Zowel de
bedrijfsartsen als de verzekeringsartsen maken bij de uitoefening van
hun taak gebruik van professionele richtlijnen en standaarden die in de
loop der jaren zijn ontwikkeld. Deze dienen ertoe de professionele
dienstverlening op basis van actuele wetenschappelijke kennis en
ervaringsinzichten te optimaliseren, zoveel als mogelijk op één lijn
te brengen en transparant te maken. Bedrijfsartsen en verzekeringsartsen
worden immers geacht om de richtlijnen en standaarden te volgen. Deze
richtlijnen en standaarden zijn geen wettelijke norm, maar een
richtsnoer voor het handelen in individuele gevallen. De richtlijnen
zijn een gemeenschappelijk referentiekader, waarbinnen op een
transparante manier de ondernomen acties kunnen worden verantwoord en
beoordeeld. De richtlijnen en standaarden vormen geen statisch gegeven,
maar volgen de ontwikkeling van de wetenschap ter zake.
Met de inwerkingtreding van de Wet
WIA
is een nieuwe ontwikkeling ingezet, namelijk de ontwikkeling van
verzekeringsgeneeskundige protocollen met betrekking tot een bepaalde
diagnose. De protocollen behandelen de beoordeling van de mogelijkheden
tot functioneren van werknemers en de beoordeling van de prognose, met
het oog op het bepalen van de duurzaamheid van de eventuele
arbeidsongeschiktheid. De protocollen verschaffen ook aanknopingspunten
voor een evaluatie, vanuit een medisch perspectief, van de
re-integratie-inspanningen in de eerste twee ziektejaren. Bij de
ontwikkeling van deze protocollen worden zowel verzekeringsartsen als
ook bedrijfsartsen nauw betrokken. De protocollen sluiten bovendien aan
bij bestaande richtlijnen en standaarden, waaronder die van
bedrijfsartsen. Het streven is om er op deze manier voor te zorgen dat
het inhoudelijke instrumentarium van bedrijfsartsen en
verzekeringsartsen meer op elkaar aansluit. In de toekomst zullen de
werkwijzen in de verschillende professies nog beter op elkaar aansluiten
door de ontwikkeling van overkoepelende richtlijnen per diagnose of
diagnosegroep waarvan protocollen voor de afzonderlijke beroepsgroepen
worden afgeleid.¹ Van bedrijfsartsen mag dus worden verwacht dat zij in
de eerste twee jaar van ziekte eveneens gebruik zullen maken van de in
het kader van de Wet WIA ontwikkelde verzekeringsgeneeskundige protocollen,
voor zover deze aanknopingspunten bieden voor de beoordeling van
mogelijkheden tot functioneren en van daaruit voor de mogelijkheden tot
re-integratie, al dan niet bij de eigen werkgever.
Van de werkgever mag worden verwacht dat hij de
bedrijfsarts in de gelegenheid stelt om conform de geldende standaarden,
richtlijnen en protocollen te handelen. Van de werknemer mag worden
verwacht dat hij aan een begeleiding en behandeling conform de geldende
standaarden en protocollen meewerkt. Voor alle geldende standaarden,
richtlijnen en protocollen geldt dat daarvan kan worden afgeweken indien
de specifieke omstandigheden van het individuele geval dit vereisen.
Wanneer dit het geval is, zal de bedrijfsarts bij de verantwoording van
de re-integratie-inspanningen expliciet moeten onderbouwen op grond van
welke overwegingen is afgeweken.
1. Zie ook het
kabinetsstandpunt van 30 maart 2006 naar aanleiding van het advies van
de Gezondheidsraad.
7.4.
Relatie beoordeling functionele mogelijkheden en re-integratie-inspanningen
De medische beoordeling van de
functionele mogelijkheden moet gericht zijn op datgene wat betrokkene
nog wél kan. Daaruit dient te worden afgeleid welke
re-integratiemogelijkheden er in de eerste twee ziektejaren nog zijn en
welke re-integratie-inspanningen dienen te worden verricht. De relatie
tussen de beoordeling van functionele mogelijkheden en
re-integratie-inspanningen kan als volgt worden geschetst.
De bedrijfsarts beoordeelt, waar mogelijk in
wisselwerking met de werknemer en werkgever, welke mogelijkheden de
werknemer nog heeft tot het verrichten van betaalde arbeid en hoe die
mogelijkheden in of zo nodig buiten het bedrijf kunnen worden benut. Er
zijn dan verschillende situaties mogelijk:
1. Wanneer de werknemer nog arbeidsmogelijkheden heeft, ook al is de
omvang beperkt, gelden de in wet- en regelgeving neergelegde
re-integratieverplichtingen. Er zijn dan immers mogelijkheden voor
re-integratie. Dit betreft alle situaties waarin de werknemer niet
volledig geschikt is voor zijn "eigen werk", maar nog wel
mogelijkheden heeft ten aanzien van het verrichten van arbeid. De
bedrijfsarts brengt in de probleemanalyse (en zo nodig later in een
bijgestelde probleemanalyse) de beperkingen, de mogelijkheden om te
functioneren en het te verwachten herstel in kaart en adviseert de
werknemer en werkgever inzake te ondernemen re-integratie-inspanningen.
2. Wanneer de werknemer naar verwachting geen arbeidsmogelijkheden heeft,
zal de bedrijfsarts periodiek moeten beoordelen of herstel
respectievelijk verbetering van de arbeidsmogelijkheden binnen een
redelijke termijn is te verwachten of kan worden bewerkstelligd,
waardoor er alsnog een mogelijkheid tot re-integratie ontstaat. Is nog
herstel te verwachten c.q. te beïnvloeden, dan geeft de bedrijfsarts
hierover een advies aan de werknemer en werkgever. Het ligt in de rede
dat in dat geval binnen een bepaalde periode opnieuw naar de situatie
wordt gekeken en dat de bedrijfsarts dit ook aangeeft.
3. Is er geen herstel meer te verwachten c.q. te beïnvloeden, dan zijn
er dus geen re-integratiemogelijkheden meer en kan worden volstaan met
het opmaken van een beperkte probleemanalyse, dat wil zeggen zonder
advies voor een plan van aanpak. Omdat geen re-integratie meer mogelijk
is, zal het UWV dan aan het einde van de
wachttijd geen sanctie kunnen opleggen. Van zo’n situatie zal in ieder
geval sprake zijn bij een stabiel of progressief ziektebeeld waarbij er
(nagenoeg) geen mogelijkheden om te functioneren en geen verdere
behandelingsmogelijkheden meer zijn.
Indien er volgens de bedrijfsarts geen arbeidsmogelijkheden zijn en ook
geen herstel meer te verwachten c.q. te beïnvloeden is, kan de
werknemer onder de Wet WIA eenmalig een aanvraag
voor een verkorte wachttijd indienen bij volledige en duurzame
arbeidsongeschiktheid zonder geringe kans op herstel. Deze aanvraag
dient vergezeld te gaan van een verklaring door de bedrijfsarts, mede
gebaseerd op verkregen informatie van de behandelend specialist van
betrokkene. De verzekeringsarts zal dan beoordelen of sprake is van
volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel
4, tweede lid, Wet WIA.¹
Als het gaat om het in kaart brengen van de
belastbaarheid, is het van belang dat verzekeringsartsen en
bedrijfsartsen zoveel mogelijk bij elkaar aansluiten. Dit kan door qua
terminologie aan te sluiten bij de "CBBS-systematiek".²
Ofwel: bij de Functionelemogelijkhedenlijst (FML) zoals die door
verzekeringsartsen moet worden gebruikt om de mogelijkheden en
beperkingen van cliënten in het CBBS vast te leggen. Het is daarbij
niet de bedoeling dat bedrijfsartsen de FML net zo "invullen"
als verzekeringsartsen dat behoren te doen. Het is voor bedrijfsartsen
voldoende om beperkingen te omschrijven binnen de kaders van de zes
verschillende belastingsvelden ³ die de FML kent. Essentieel is
namelijk dat de bedrijfsarts het geheel van de mogelijkheden en
beperkingen in zijn eigen omschrijving aangeeft op de genoemde zes
belastingsvelden, zodat van daaruit kan worden begrepen waarom het
bereikte re-integratieresultaat al of niet bevredigend is.
1. Ook als sprake is
van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid op arbeidsdeskundige
gronden, kan het UWV een verkorte
wachttijd vaststellen.
2. CBBS: Claimbeoordelings- en borgingssysteem, zoals dat door het UWV
wordt gebruikt als hulpmiddel bij het duiden van voor cliënten
geschikte functies ten behoeven van WAO, WAZ,
Wajong,
Wamil en Wet WIA.
3. De FML kent de volgende belastingsvelden: persoonlijk functioneren,
sociaal functioneren, fysieke arbeidsomstandigheden, dynamische
handelingen, statische houdingen en werktijden.
8.
Arbeidskundige aspecten
Bij de arbeidskundige aspecten
bij re-integratie gaat het om het bezien van de mogelijkheden om weer
aan het werk te gaan. Uiteraard spelen daarbij naast de functionele
mogelijkheden ook de persoonlijke eigenschappen en de bekwaamheden van
de werknemer zoals opleidingsniveau, vaardigheden en arbeidservaring een
rol. Ook de mogelijkheden om de bekwaamheden van de werknemer te
verhogen door opleiding of training zijn in dit kader van belang. Het UWV
toetst aan het einde van de eerste twee ziektejaren de re-integratie-inspanningen
ook vanuit deze invalshoek.
Allereerst moeten werkgever en werknemer bij de
start van re-integratie, vaak op geleide van de probleemanalyse, nagaan
welke (tijdelijke of blijvende) mogelijkheden er zijn of gecreëerd
kunnen worden door aanpassing van de eigen functie of de eigen werkplek,
de werkorganisatie en dergelijke of dat hervat kan worden in een andere
passende functie binnen het eigen bedrijf. Ook moet worden nagegaan of
een andere functie passend kan worden gemaakt, bijvoorbeeld door middel
van technisch/organisatorische aanpassingen of via scholing. Bij
organisatorische aanpassingen valt bijvoorbeeld te denken aan minder
uren, herverdeling van taken, aanpassing van het arbeidspatroon,
herplaatsing op andere vestiging, zo nodig door een ruil met een andere
werknemer. Zo nodig kan het UWV arbeidsplaatsvoorzieningen verstrekken
dan wel subsidies. Als inschakeling in het eigen bedrijf niet of
onvoldoende ¹ mogelijk is, moet worden gekeken naar mogelijkheden bij
een andere werkgever. Oriëntatie op mogelijkheden bij een andere
werkgever zal overigens veelal (mede) aan de orde komen bij de
eerstejaarsevaluatie, met name als er dan nog geen concreet perspectief
bestaat op hervatting in het eigen bedrijf (zie paragraaf 5).
In al deze gevallen dient beoordeeld te worden
of het werk ook in redelijkheid van de werknemer gevergd kan worden en
dus voor betrokkene "passend" is. Wat in een individueel geval
passende arbeid is, wordt aan de hand van de concrete omstandigheden van
het geval beoordeeld. Als leidraad kan - op basis van de jurisprudentie
- worden gevolgd dat het bij passende arbeid gaat om arbeid die in
redelijkheid aan de werknemer kan worden opgedragen, gelet op onder meer
het arbeidsverleden, de opleiding, de gezondheidstoestand, de
persoonlijke eigenschappen, de afstand tot het werk, het loon en hetgeen
waartoe de werknemer nog in staat is. Naarmate de periode van
ongeschiktheid tot werken langer duurt, mag van de werknemer een ruimere
opstelling worden verwacht. Het functieniveau van de aangeboden arbeid
mag in eerste instantie bijvoorbeeld niet veel lager zijn dan die van de
oude functie. Het arbeidspatroon van de aangeboden functie moet in
redelijke mate aansluiten bij dat van vóór de ziekmelding.
Het komt regelmatig voor dat de werknemer
tijdelijk werkt zonder loonwaarde; in de praktijk wordt dat wel
aangeduid als op arbeidstherapeutische basis werken. Dat kan een zeer
adequate aanpak zijn, mits dit voor een korte periode gebeurt (in de
regel niet langer dan zes weken) en mits deze periode wordt gebruikt om
in de praktijk te beoordelen welke arbeidsmogelijkheden de werknemer
heeft. Na afloop van de periode moeten werkgever en werknemer, in
overleg met de bedrijfsarts, kiezen voor hetzij een reguliere
arbeidsinschakeling, hetzij een andere wijze van re-integratie.
Indien het re-integratieresultaat niet
bevredigend is, beziet het UWV of tijdens de loondoorbetalingsperiode in
voldoende mate is getracht passende arbeid te vinden. Daarnaast wordt
beoordeeld of een eventuele weigering van de werknemer om die arbeid te
aanvaarden redelijk is geweest. Wat daarbij van werkgever en werknemer
kan worden verlangd, komt aan de orde in het volgende onderdeel.
1. Zie ook onderdeel
bevredigend resultaat in paragraaf 3.
9.
Re-integratieverplichtingen van werkgever en werknemer
Uit de wet en daarop berustende
jurisprudentie kunnen de volgende hoofdlijnen worden gedistilleerd met
betrekking tot de verplichtingen van werkgever en werknemer:
- De werkgever moet adequate re-integratie-inspanningen leveren en de
werknemer moet daaraan meewerken, voor zover dat redelijkerwijs van
beiden kan worden gevergd.
- Als de ene partij initiatief neemt, moet de andere partij daarop
ingaan en meewerken, tenzij die andere partij kan aantonen dat dit
redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd.
- Meer dan het redelijke wordt niet van werkgever en werknemer gevraagd.
- Werkgever en werknemer moeten elkaar op hun verplichtingen aanspreken;
deskundigen kunnen daarbij ondersteuning bieden.
Terugkeer in eigen functie staat voorop
De
werkgever moet in eerste instantie bezien of het mogelijk is de
werknemer in de eigen functie te laten terugkeren. De werkgever moet
daarbij aan de werknemer de mogelijkheid bieden om de bedongen arbeid
gedeeltelijk te hervatten. Verder moet de werkgever bekijken of er
mogelijkheden zijn om door verlichting van werkzaamheden en overdracht
van taken aan collega’s de werknemer zoveel mogelijk weer in de eigen
functie te laten functioneren. Ook aanpassing van dienstroosters en
eventueel herverdeling van taken binnen een afdeling of unit kunnen van
de werkgever gevergd worden, tenzij dit de arbeidsorganisatie te ernstig
verstoort.
Initiatief werkgever bij zoeken naar passend werk in
eigen bedrijf
Het
ligt primair op de weg van de werkgever om aan zieke werknemers passende
arbeid aan te bieden. De zieke werknemer moet daar niet zelf op af
hoeven gaan. De werkgever moet een functie aanbieden en zo nodig
opdragen. Het enkel attenderen op vacatures of laten kennismaken met een
manager is niet genoeg.
Het louter informeren naar vacatures bij andere
bedrijfsonderdelen of het laten meedraaien in sollicitatieprocedures
voor openstaande functies is niet voldoende. De werkgever moet actief
zoeken en bemiddelen naar passend werk binnen het eigen bedrijf.
Uiteraard geldt daarbij dat naarmate het bedrijf groter is er meer
mogelijkheden tot herplaatsing zullen zijn. Wanneer een werknemer zelf
voorstellen voor ander passend werk binnen het bedrijf doet, dient de
werkgever daar positief op te reageren. Afwijzing kan alleen
plaatsvinden indien de werkgever dit voldoende motiveert. Zelfs in een
situatie van inkrimping zal de werkgever actief moeten zoeken naar de
mogelijkheden om een werknemer met functionele beperkingen toch
gedeeltelijk aan het werk te houden. Ook als een arbeidsconflict speelt
met een puur persoonlijk karakter, wordt van de werkgever verwacht dat
hij de mogelijkheden beziet om de werknemer op een dusdanige andere
positie in het bedrijf te plaatsen dat dit conflict zich niet meer voor
zal doen en betrokkene zo optimaal mogelijk kan functioneren. Alleen als
herplaatsing redelijkerwijs niet van de werkgever kan worden verwacht,
kan dit achterwege blijven.
Van de werkgever wordt niet verwacht dat hij
met het oog op de re-integratie van de zieke werknemer een andere
werknemer ontslaat. Als er geen arbeidsplaatsen zijn of geen
formatieruimte beschikbaar is, kan herplaatsing niet verlangd worden.
Hierbij geldt overigens wel dat het feit dat de werkgever voor de zieke
werknemer een andere werknemer in zijn functie heeft aangesteld geen
rechtvaardigingsgrond voor het niet herplaatsen is.
Werkgever moet ingaan op initiatief werknemer
Een
werkgever moet in principe ingaan op een aanbod van de werknemer tot het
verrichten van passende arbeid, ook al zijn er technische of
organisatorische aanpassingen nodig. Als de werkgever dit niet wil, zal
hij moeten aantonen dat aanbieding van de betreffende functie
redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd.
Van een werkgever mag onder omstandigheden
worden verlangd dat hij een werknemer in het eigen bedrijf herplaatst
voor een gering aantal uren of een beperkt takenpakket, terwijl de
werknemer zijn functionele mogelijkheden bij een ander bedrijf wellicht
beter zou kunnen benutten. De volgende omstandigheden zijn hierbij
relevant:
- de werknemer wil dit graag;
- de herplaatsing binnen het eigen bedrijf is redelijkerwijs mogelijk;
- er is concreet uitzicht op uitbreiding van het aantal werkuren na
verloop van tijd.
Wel
dient in een dergelijk geval periodiek (om de drie maanden) geëvalueerd
te worden of voortzetting nog steeds wenselijk is dan wel toch tot
herplaatsing bij een andere werkgever moet worden overgegaan.
Herplaatsing bij een andere werkgever
Wanneer herplaatsing bij een andere werkgever aan de orde is of zou
kunnen zijn, is het van belang dat vooraf helderheid bestaat over de
functionele mogelijkheden, kennis, ervaring en persoonlijke
eigenschappen van de werknemer en over de te ondernemen stappen. Het
ligt voor de hand dat werkgever en werknemer daarvoor samen een
(bijgesteld) plan van aanpak opstellen. Activiteiten die worden
ondernomen om werk bij een andere werkgever te vinden, zijn sterk
afhankelijk van de functionele mogelijkheden van de werknemer. Het kan
dus nuttig zijn een bijgestelde probleemanalyse te vragen, maar dit is
niet altijd noodzakelijk.
Als de werknemer naar het oordeel van de
arbodienst of bedrijfsarts en eventueel andere geraadpleegde deskundigen
op eigen kracht naar ander werk kan zoeken, dan kan de werkgever zich
beperken tot ondersteuning en faciliterende maatregelen, zoals
bekostiging van sollicitatietraining of omscholing. Is naar dat oordeel
begeleiding naar ander werk nodig, dan mag van de werkgever worden
verlangd dat hij hiervoor een re-integratiebedrijf of
re-integratiedeskundigen inschakelt of dat hij een door de werknemer te
sluiten re-integratieovereenkomst bekostigt. Ook de wensen van de
werknemer spelen hierbij een rol. Indien de werknemer begeleiding
gewenst acht, ondanks een anders luidend oordeel van de bedrijfsarts,
mag in redelijkheid van de werkgever worden gevergd dat hij die
begeleiding biedt of financiert. Van de werkgever mag worden verwacht
dat hij re-integratieactiviteiten voor herplaatsing bij een andere
werkgever verricht wanneer er nog functionele mogelijkheden zijn. Van de
werkgever mag worden verwacht dat hij zich daarvoor bijvoorbeeld
oriënteert op CAO- of sectorale afspraken over re-integratie.
Gedurende het gehele proces van zoeken naar
werkhervatting bij een andere werkgever moet de werkgever de vinger aan
de pols houden. Hij dient periodiek te informeren naar de vorderingen en
zo nodig de werknemer aan te spreken wanneer deze onvoldoende initiatief
neemt. Is de werknemer van mening dat het ingeschakelde
re-integratiebedrijf te weinig activiteiten ontplooit, dan dient hij de
werkgever daarover te informeren en dient de werkgever dit
re-integratiebedrijf daarop aan te spreken en wanneer dit niet tot
resultaat leidt, een ander in te schakelen.¹ Het UWV
toetst of de werkgever en de werknemer voldoende initiatief hebben
ondernomen. Indien dit niet het geval is, zal dat alsnog moeten gebeuren
voordat de behandeling van de aanvraag om een WIA-uitkering
kan worden voortgezet.
Als een re-integratietraject mislukt, ondanks
adequate inspanningen van de werknemer en het re-integratiebedrijf, dan
zullen de probleemanalyse en het plan van aanpak moeten worden
bijgesteld. Als daaruit blijkt dat, gelet op de beperkingen, leeftijd,
ervaring, etc., een tweede traject niet zinvol is, houdt de
re-integratieverantwoordelijkheid van de werkgever wat dit betreft op.
Overigens hoeft de werkhervatting bij een
andere werkgever niet per se te leiden tot een nieuw dienstverband.²
Detachering is ook een mogelijkheid. Zeker bij tijdelijke werkhervatting
bij een andere werkgever ligt detachering voor de hand.
Van een bevredigend re-integratieresultaat bij
herplaatsing bij een andere werkgever is pas sprake in geval van een
werkhervatting min of meer conform de resterende functionele
mogelijkheden of voor 65% van de oorspronkelijke loonwaarde, mits
structureel en met instemming van de werknemer (zie paragraaf 3).
1. Zie ook het
onderdeel re-integratiebedrijven in paragraaf 6.
2. Op grond van artikel 7:629, twaalfde lid, BW
blijft de arbeidsovereenkomst onverkort bestaan indien de werknemer
passende arbeid bij de eigen of een andere werkgever (in een nieuw
dienstverband) gaat verrichten.
Verplichtingen van de werkgever
Van
de werkgever wordt niet meer gevraagd dan redelijk is. Wat redelijk is,
wordt mede bepaald aan de hand van de hieronder genoemde factoren:
* Inhoud van het werk
Van de werkgever mag meer verlangd worden naarmate de beperkingen van de
werknemer geringer zijn, er minder aanpassingen in het bedrijf nodig
zijn en de betreffende functie meer duurzaam is. Ook een goed
gespecificeerd voorstel (concrete taken/functies) van de werknemer zal
de werkgever in het algemeen niet gemakkelijk kunnen afwijzen. Indien de
aard van het werk mede heeft geleid tot beperkingen als gevolg van
ziekte, mag van de werkgever in het algemeen ook een grotere inspanning
worden verwacht.
* Organisatie van het bedrijf
Naarmate het bedrijf groter is, er meer vacatures zijn en er meer
diversiteit in functies is, zijn er eerder andere passende functies
beschikbaar, maar zijn ook de mogelijkheden tot aanpassing van de eigen
functie, bijvoorbeeld door andere taakverdeling of takenruil, groter. De
feitelijke mogelijkheden tot aanpassing van productie- en werkmethoden
zijn per (type) bedrijf verschillend en bepalen mede wat redelijk is.
Van belang is ook wat het bedrijf in het verleden al heeft gedaan om
mensen met beperkingen aan het werk te houden of te helpen.
* Bedrijfsvoering
Naarmate de mogelijkheid tot herplaatsing minder financiële belasting
voor de bedrijfsvoering met zich brengt, mag deze eerder van de
werkgever verlangd worden. Ook een eventuele mogelijkheid tot vergoeding
van de kosten is een relevante factor.
* Sectorale aspecten
Van belang is ook welke mogelijkheden voor werknemers met bepaalde
beperkingen in de branche of sector algemeen gebruikelijk zijn. Dat is
immers mede bepalend voor hetgeen van werkgevers en werknemers in die
branche of sector op re-integratiegebied mag worden verwacht. Het gaat
niet alleen om het aanbieden van functies bij andere werkgevers in die
branche, maar ook om wat gebruikelijk is binnen de bedrijven op het
gebied van herplaatsing. Eventuele branche- of sectorgewijze afspraken
kunnen mede richtinggevend zijn voor hetgeen in redelijkheid van de
betreffende werkgever mag worden verwacht. Zo kunnen er brancheafspraken
zijn om elkaars werknemers op te vangen of kunnen er afspraken zijn in
een CAO of in een arboconvenant over re-integratie. Mocht opvang binnen
de sector of branche niet mogelijk zijn, dan zal daarbuiten naar
herplaatsingsmogelijkheden moeten worden gezocht.
De
grens van wat in redelijkheid van de werkgever mag worden verlangd, is
in ieder geval bereikt als de re-integratie-inspanningen het
productieproces in gevaar zouden kunnen brengen of de bedrijfsvoering in
financieel opzicht onevenredig belasten.
Verplichtingen van de werknemer
Van
de werknemer mag worden verwacht dat hij positief reageert op een aanbod
van de werkgever om het eigen werk te hervatten onder gewijzigde
omstandigheden vanwege zijn functionele beperkingen. Ook mag van de
werknemer worden verwacht dat hij positief reageert op mogelijkheden tot
herplaatsing op een andere functie binnen het bedrijf indien terugkeer
op de eigen werkplek niet mogelijk is. Bij het zoeken naar
werkhervatting bij een andere werkgever dient de werknemer een positieve
houding en enige flexibiliteit te tonen ook als de re-integratie niet
volledig naar de zin is. De werknemer moet voorts meewerken aan
redelijke voorschriften van de werkgever of van deskundigen die hem
begeleiden. De werknemer moet meewerken aan zijn genezing en deze niet
belemmeren of vertragen. Het volgen van een naar algemeen medische
maatstaven geaccepteerde behandeling mag daarbij worden verlangd, met
behoud van vrijheid in de keuze van behandelend arts en het type van
algemeen aanvaarde behandeling, en met behoud van de integriteit van
zijn lichaam. De werknemer moet meewerken aan het opstellen van het plan
van aanpak en aan het uitvoeren van het met zijn werkgever
overeengekomen plan, en aan in de arbeidsovereenkomst of branche
overeengekomen maatregelen ter bevordering van herstel of re-integratie.
Van hem kan meewerken worden verwacht aan redelijke maatregelen gericht
op vergroting van zijn bekwaamheden, zoals door training en scholing.
Indien de werknemer niet of onvoldoende
meewerkt aan zijn re-integratie, mag van de werkgever worden verwacht
dat hij gebruik maakt van de sanctiemogelijkheden om de werknemer alsnog
tot meewerken te bewegen. Indien de werkgever dit zonder deugdelijke
grond nalaat te doen en hierdoor re-integratie-inspanningen zijn gemist,
zal het UWV
de WIA-aanvraag opschorten en een loonsanctie
opleggen.
Financiering
Van
de werkgever wordt verlangd dat hij de kosten van re-integratie van de
werknemer draagt. In bepaalde gevallen kan hij gebruik maken van
re-integratie-instrumenten, zoals arbeidsplaatsvoorzieningen en
subsidies op grond van de Wet WIA. Ook hierbij
speelt echter de redelijkheid een rol. De werkgever mag rekening houden
met vergoedingen die de werknemer uit hoofde van door hem zelf of door
de werkgever voor hem gesloten verzekeringen kan verkrijgen. Met name
speelt dit een rol bij behandelingen die ook voor vergoeding op grond
van de afgesloten basisziektekostenverzekering en aanvullende
verzekeringen in aanmerking komen. De werkgever mag niet van de
werknemer verlangen dat deze aanvullende ziektekostenverzekeringen sluit
voor behandelingen die niet zijn opgenomen in de basisverzekering. Het
is ook mogelijk dat de werkgever met de werknemer een regeling treft ten
aanzien van terugbetaling van de re-integratiekosten indien het traject
slaagt en de werknemer daarna binnen een bepaalde periode vrijwillig
ontslag neemt. Bij de vaststelling van de financiële bijdrage die van
de werkgever kan worden gevergd ten behoeve van de re-integratie is de
redelijkheid eveneens van belang. Zo kan in redelijkheid niet van de
werkgever gevergd worden dat hij financiële middelen ter beschikking
stelt voor re-integratietrajecten waarvan op voorhand duidelijk is dat
ze niet tot het beoogde resultaat van aanzienlijke mate van benutting
van de restcapaciteit zullen leiden. Ook uitgaven die in geen verhouding
staan tot de kosten van loondoorbetaling en eventuele premieverhogingen,
waarmee de werkgever te maken krijgt als de werknemer een WGA-uitkering
krijgt, zijn niet redelijk.
10.
De rol van het deskundigenoordeel
Het kan zijn dat de werkgever of
werknemer zich in de ziekteperiode afvraagt of een werkaanbod passend
is. Ook kan het zijn dat werkgever of de werknemer zich afvraagt of de
re-integratieactiviteiten adequaat zijn. Een dergelijke vraag of
verschil van inzicht kan tot gevolg hebben dat het re-integratieproces
wordt vertraagd of zelfs stokt. Het is daarom van belang dat partijen
stagnatie in de re-integratie voorkomen en zo snel mogelijk stappen
ondernemen om uit de ontstane impasse te komen. Het vragen van een
deskundigenoordeel bij het UWV of bij een
in het kader van een CAO aangewezen deskundige is hiervoor een goed
middel (artikel 7:629a, eerste en zevende lid, BW).
In feite wordt van de werkgever en werknemer
verwacht dat zij in geval van vragen of bij verschillen van inzicht de
re-integratie niet laten stagneren, maar dat ze door middel van een
deskundigenoordeel de vicieuze cirkel doorbreken. In eerste instantie
mag dit van de werkgever worden verwacht. Bij hem ligt immers het
initiatief voor de re-integratie. Is de werkgever geheel passief, dan
mag van de werknemer worden verwacht dat hij de werkgever op
re-integratieactiviteiten aanspreekt. Ook daarvoor kan hij zo nodig een
deskundigenoordeel vragen. Laat één van beide partijen dit ten
onrechte na, dan kan dit leiden tot een loonsanctie voor de werkgever of
een maatregel op een eventuele uitkering voor de werknemer. Overigens
kunnen de werkgever of werknemer ook een deskundigenoordeel vragen in
geval van een geschil over de geschiktheid voor de bedongen arbeid.
11.
Werknemers met een tijdelijk dienstverband
Ook bij werknemers van wie het
dienstverband tijdens de eerste twee ziektejaren eindigt, bijvoorbeeld
bij een tijdelijk dienstverband, beoordeelt het UWV
aan het einde van de dienstbetrekking of door werkgever en werknemer
voldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. In beginsel gelden
voor de werkgever en werknemer die een tijdelijke arbeidsrelatie hebben
dezelfde re-integratieverplichtingen als voor de werkgever en de
werknemer met een dienstverband voor onbepaalde tijd. Hetzelfde geldt
voor de processtappen uit de Wet verbetering
poortwachter en de Regeling procesgang
eerste en tweede ziektejaar.
Als het gaat om re-integratie van tijdelijke
arbeidsrelaties, zullen bij de beoordeling door het UWV vooral de door
de werkgever te maken kosten voor de re-integratie in relatie tot de
resterende duur van het dienstverband een afwegingsfactor vormen. De
duur van het dienstverband stelt immers veelal grenzen aan interventies
van de werkgever die gericht zijn op (eigen of andere passende) arbeid
binnen het eigen bedrijf. Zo heeft het geen zin om een dure aanpassing
aan een machine aan te brengen als het dienstverband binnen korte tijd
afloopt. Andere interventies kunnen dan wel adequaat zijn. Soms kan
worden volstaan met verwijzing naar het CWI [Centrum
voor werk en inkomen, red.] of
naar een uitzendbureau. Soms is aanvullende hulp bij sollicitaties
nodig. In andere gevallen kan een traject, gericht op werkhervatting bij
een andere werkgever, of een omscholing nodig zijn.
Wat betreft het kostenaspect kunnen voorts
alleen financiële inspanningen van de werkgever worden gevergd die
redelijk zijn, ook ten opzichte van de resterende periode van het
dienstverband. Van de werkgever kan in redelijkheid niet worden gevergd
dat hij zich financiële inspanningen getroost die, gelet op de
resterende duur van het dienstverband, bovenmatig zijn. Het UWV hanteert
hiervoor als praktische lijn dat de kosten die van de werkgever kunnen
worden gevergd niet meer mogen bedragen dan 70% van het nog te betalen
loon over de resterende duur van het dienstverband. Teneinde te
voorkomen dat de re-integratie dan stagneert, kan de werkgever bij een
tijdelijk dienstverband het UWV verzoeken in de re-integratie te
participeren. Inwilliging van het participatieverzoek heeft tot gevolg
dat het UWV een door de werkgever ingezet re-integratietraject na het
einde van het dienstverband continueert en/of bijdraagt in de kosten
ervan. Hiermee worden financiële belemmeringen voor adequate
re-integratietrajecten weggenomen. Financiële belemmeringen leveren de
werkgever dan ook geen geldig argument op om van geïndiceerde
re-integratietrajecten af te zien.
De werkgever is echter niet gehouden een
participatieverzoek te doen.
Uiterlijk op de laatste dag van het tijdelijk
dienstverband stelt de werkgever in overleg met de werknemer een
re-integratieverslag op als de ziekte van de werknemer zes weken of
langer heeft geduurd. Op basis van dit verslag beoordeelt het UWV de
re-integratieinspanningen. Indien het UWV van mening is dat onvoldoende
re-integratieinspanningen zijn verricht, verhaalt het UWV ziekengeld op
de werkgever met inachtneming van de regels van het Besluit
verhaal ziekengeld (Stcrt. 26 januari 2005, 18).
De werknemer is overeenkomstig de regels van de
Wet verbetering poortwachter gehouden aan de re-integratie mee te werken
als dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd. Mocht hij desondanks
zijn medewerking weigeren, dan mag van de werkgever worden verwacht dat
hij de werknemer daarop aanspreekt, zo nodig door opschorting van de
loonbetaling. Wanneer de werknemer blijft weigeren aan de re-integratie
mee te werken, dan kan dit leiden tot een maatregel van het UWV in de
vorm van korting op de uitkering.
|
|