|
Het
Landelijk instituut
sociale verzekeringen;
Gelet op artikel
19, 34,
36a en 50 Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
artikel 7, 18, 35 en
55 Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen en artikel 6, 16,
28 en 47 Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;
Besluit:
Art. 1.
Het Landelijk instituut
sociale verzekeringen hanteert ter zake van het al
dan niet toekennen van
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen of voorschotten per einde wachttijd en per einde
toekenningstermijn, het terugvorderen van voorschotten en bij beslissingen over
het intrekken of verlagen
van toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in verband met vermindering
van arbeidsongeschiktheid op
grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ) en de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) het beleid als
weergegeven in de bijlage bij dit besluit.
Art. 2.
Dit besluit is van
toepassing op voorschotbeslissingen die zijn afgegeven op of na de in werkingtreding
van dit besluit.
Art. 3.
Dit besluit treedt in
werking met ingang van 14 juli 1999.
Het Besluit einde wachttijd
en uitlooptermijn WAO, WAZ en Wajong ¹ wordt per deze datum
ingetrokken.
1. Besluit van 25 november 1998
(Stcrt 1998, 236), inwerkingtreding 1 februari 1999.
Art. 4.
Dit besluit wordt aangehaald
als: Besluit einde wachttijd en uitlooptermijn WAO, WAZ en Wajong 1999.
Dit besluit zal met de
bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.
Amsterdam, 10 augustus 2000.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
BIJLAGE
a. Het Lisv
[zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(UWV), red.] hanteert ter zake
van het al dan niet toekennen van
voorschotten, het terugvorderen van
voorschotten, het al dan niet toekennen
respectievelijk voortzetten van
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO), Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) en Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)
per einde wachttijd
respectievelijk per einde toekenningstermijn het navolgende beleid.
Onder wachttijd wordt
verstaan het tijdvak van 52 weken, bedoeld
in artikel 19 WAO,
artikel 7 WAZ en
artikel 6 Wajong.
Onder toekenningstermijn
wordt verstaan de periode van vijf jaar
waarover op grond van artikel 34 WAO,
artikel 35 WAZ en artikel 28 Wajong
de arbeidsongeschiktheidsuitkering
wordt toegekend.
1. De uitvoeringsinstelling
licht de verzekerde schriftelijk in omtrent de bevindingen over zijn
arbeidsongeschiktheid, de ingangsdatum van de uitkering of de datum waarop
uitkering geweigerd wordt en de
arbeidsmogelijkheden. Dit kan via een brief (schriftelijke aanzegging)
of de beslissing.
2. De uitvoeringsinstelling
kent geen arbeidsongeschiktheidsuitkering toe indien vóór einde wachttijd
of toekenningstermijn schriftelijk aan de
verzekerde is aangezegd dat hij per
einde wachttijd respectievelijk
toekenningstermijn minder dan 15/25% arbeidsongeschikt is. De uitvoeringsinstelling
kent eveneens geen arbeidsongeschiktheidsuitkering toe indien de verzekerde
het werk vóór einde wachttijd heeft hervat en deze hervatting
aanleiding geeft tot de conclusie
minder dan 15/25% per einde wachttijd.
3. De uitvoeringsinstelling
kent arbeidsongeschiktheidsuitkering
toe naar het door hem aan de
verzekerde aangezegde percentage
indien vóór einde wachttijd of toekenningstermijn schriftelijk aan de
verzekerde is aangezegd dat hij per einde wachttijd
of toekenningstermijn meer dan 15/25% arbeidsongeschikt is. Bij onzekerheid
omtrent de hoogte van de
uitkering kan voorlopig een voorschot
worden toegekend.
4. Indien de verzekerde
tijdig (binnen negen maanden na aanvang
arbeidsongeschiktheid) een aanvraag heeft
ingediend, op einde wachttijd nog geen aanzegging heeft plaatsgevonden en er
geen loondoorbetalingsplicht
is voor de werkgever en ook geen recht op wachtgeld ten laste van de
werkgever bestaat, verstrekt de uitvoeringsinstelling per einde wachttijd een
voorschot naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.
De uitvoeringsinstelling
deelt aan de verzekerde mee dat een
voorschot wordt verstrekt. Een
eventuele arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat per einde wachttijd in.
5. Indien de voorlopige
gegevens van de uitvoeringsinstelling
daartoe aanleiding geven, kan de
uitvoeringsinstelling een lager voorschot
verstrekken of voorschot weigeren.
Voor het eventueel
resterende deel wordt de verzekerde
schriftelijk gewezen op de mogelijkheid een WW-uitkering of een
bijstandsuitkering
aan te vragen.
6. Indien de verzekerde
tijdig, dat wil zeggen uiterlijk drie maanden
vóór het verstrijken van de
toekenningstermijn of binnen vier weken nadat hij
een eventueel latere kennisgeving met
betrekking tot de mogelijkheid een
arbeidsongeschiktheidsuitkering aan te vragen van de uitvoeringsinstelling
heeft ontvangen, een aanvraag heeft ingediend, wordt de uitkering
voortgezet tot de dag na de datum van de
beschikking op de aanvraag indien niet
tijdig binnen de wettelijk voorgeschreven
termijn een beslissing is genomen.
De uitkering wordt echter ten minste voortgezet tot einde
toekenningstermijn.
7. Indien de verzekerde na
tijdige aanvraag van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering zonder goede reden niet op het spreekuur van de
verzekeringsarts is verschenen en daardoor
nog geen aanzegging heeft plaats
kunnen vinden, wordt geen voorschot verstrekt en wordt een eventuele
verstrekking van een arbeidsongeschiktheidsuitkering uitgesteld.
Wanneer blijkt dat, nadat de
verzekerde alsnog op het spreekuur is verschenen, recht op
arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat, wordt deze alsnog toegekend per
einde wachttijd. Zowel in geval
van toekenning van uitkering per einde
wachttijd als in geval van
voortzetting van de uitkering na einde
toekenningsperiode kan op grond van het Maatregelenbesluit
Tica een
maatregel worden opgelegd.
8. In het geval dat de
aanzegging door de
uitvoeringsinstelling niet voor einde wachttijd respectievelijk toekenningsperiode
heeft plaats gevonden omdat de verzekerde de aanvraag te laat heeft ingediend, wordt
een eventuele toekenning respectievelijk voortzetting van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering uitgesteld totdat bij de uitvoeringsinstelling
duidelijkheid bestaat omtrent de mate van
arbeidsongeschiktheid. De uitvoeringsinstelling wijst de verzekerde op de
eventuele mogelijkheid om een WW-voorschot te vragen.
Indien reeds bij einde
wachttijd duidelijk is dat de verzekerde geheel
of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, verstrekt de uitvoeringsinstelling een
voorschot op grond van de WAO, WAZ of Wajong.
Wanneer bij het einde van de
toekenningstermijn duidelijk is dat de
verzekerde geheel of gedeeltelijk
arbeidsongeschikt is, wordt de uitkering voortgezet, daarbij rekening houdend
met de mate van
arbeidsongeschiktheid.
9. Indien er een voorschot
verstrekt wordt, wordt betrokkene er
uitdrukkelijk op gewezen dat het recht op
of de hoogte van de uitkering
nog niet vaststaat en dat het ten
onrechte of te veel verstrekte voorschot
teruggevorderd zal worden indien blijkt dat geen recht op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat of dat recht bestaat op een lager bedrag
dan aan voorschot is betaald.
10. Zodra definitieve
vaststelling van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft plaatsgevonden, wordt
de voorschotverstrekking gestaakt.
11. Het voorschot wordt
vervolgens ingetrokken met ingang van
de dag waarop het is toegekend en
wordt teruggevorderd. Wordt over
dezelfde periode als waarin het voorschot is verstrekt een
arbeidsongeschiktheidsuitkering of een andere uitkering toegekend, dan wordt eerst verrekend
met die toegekende
uitkering. Een eventueel resterend deel van
het voorschot wordt teruggevorderd.
12. Het voorschot komt ten
laste van de
Arbeidsongeschiktheidskas, het Arbeidsongeschiktheidsfonds
zelfstandigen respectievelijk het Arbeidsongeschiktheidsfonds jonggehandicapten. Het Lisv
vergoedt aan een eigenrisicodrager
een door hem onterecht of te veel
betaald voorschot. Deze vergoeding komt ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
13. Bij het verstrekken van
voorschotten vindt dezelfde voorlichting
plaats als bij een reguliere
uitkering. Dat wil zeggen dat ook bij
voorschotverlening betrokkene gewezen dient te
worden op de verplichtingen en de
consequenties bij overtreding daarvan.
b. Het
Lisv hanteert bij
beslissingen over het intrekken of
verlagen van toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in verband met vermindering
van arbeidsongeschiktheid
het volgende beleid inzake het
al dan niet in acht nemen van een uitlooptermijn. Onder uitlooptermijn wordt
verstaan de termijn gedurende welke
de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt voortgezet, te rekenen
vanaf de dag na datum waarop de
uitvoeringsinstelling de schriftelijke aanzegging of beslissing heeft verzonden.
1. De uitvoeringsinstelling
licht de verzekerde schriftelijk in
omtrent de bevindingen over zijn
arbeidsongeschiktheid en de arbeidsmogelijkheden. Dit kan via een brief (schriftelijke
aanzegging) of de
beslissing.
2. De uitvoeringsinstelling
trekt de toegekende
arbeidsongeschiktheidsuitkering in dan wel verlaagt deze
nadat de schriftelijke aanzegging
of beslissing is verzonden, indien de
verzekerde geschikt is voor het eigen
werk bij zijn werkgever dan wel voor
passend werk dat bij zijn werkgever
beschikbaar is, en per de datum waarop
de verzekerde in dit werk kan
hervatten.
3. De uitvoeringsinstelling
trekt de toegekende
arbeidsongeschiktheidsuitkering in dan wel verlaagt deze, in andere gevallen dan de
gevallen genoemd in voorgaande
volzin, met inachtneming van een
uitlooptermijn van twee maanden, welke
aanvangt op de dag na datum waarop de schriftelijke aanzegging of
beslissing is verzonden.
In afwijking van het
voorgaande vangt de uitlooptermijn van
twee maanden voor een in het
buitenland woonachtige verzekerde aan
zeven (kalender)dagen nadat de schriftelijke aanzegging of beslissing is
verzonden.
4. De uitvoeringsinstelling
trekt de toegekende
arbeidsongeschiktheidsuitkering in dan wel verlaagt deze met
inachtneming van een uitlooptermijn van
zes maanden, welke aanvangt zeven (kalender)dagen na datum waarop de schriftelijke aanzegging is verzonden,
in de situaties waarin zich
het volgende feitencomplex heeft
voorgedaan:
- de verzekerde heeft zich
met medeweten van de uitvoeringsinstelling
met behoud van uitkering
gevestigd in het buitenland;
- de verzekerde is reeds
lange tijd in het genot van een arbeidsongeschiktheidsuitkering (langer dan
vijf jaar);
- de intrekking dan wel de
verlaging van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering is gebaseerd op geschiktheid
van de verzekerde voor andere
algemeen geaccepteerde arbeid dan
zijn werk bij zijn werkgever;
- de verzekerde kan in
verband met zijn verblijfsrechtelijke
positie niet rekenen op voldoende steun
van de uitvoeringsinstelling bij
het vinden van arbeid en is daarover door de uitvoeringsinstelling voor
of bij zijn vertrek niet voorgelicht.
Nadere inlichtingen kunnen
worden verkregen bij het Landelijk
instituut sociale verzekeringen,
postbus 74765, 1070 BT Amsterdam [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.].
Amsterdam, 10 augustus 2000.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
TOELICHTING
[10 augustus 2000]
Het besluit is op de
onderdelen b, ten derde, en b, ten vierde,
aangepast.
De aanpassing is het gevolg
van een uitspraak van de Centrale
Raad van Beroep (gepubliceerd in RSV
1999, nr. 240) waarin is bepaald dat
de uitlooptermijn voor een in het buitenland woonachtige verzekerde later
aanvangt. Dit wordt
veroorzaakt door een langere termijn die
geldt voor de postbezorging naar
het buitenland.
In het besluit is daarom
opgenomen dat de uitlooptermijn voor
een in het buitenland woonachtige verzekerde eerst zeven kalenderdagen na
verzending van de aanzeggingsbrief of de beslissing aanvangt.
|
|