|
Het
Landelijk instituut
sociale verzekeringen;
Besluit:
Art. 1.
De ingangsdatum van de
vergoeding van wettelijke rente wordt in geval van een nabetaling (ongeacht de
wet) gesteld op de eerste dag van
de maand volgend op de maand waarin
de onjuiste primaire (niet-toekennings)beslissing werd afgegeven. Bij intrekking/herziening
van de uitkering is dit de eerste dag van de
maand volgend op de maand waarin
de datum valt met ingang waarvan de
uitkering ten onrechte is ingetrokken/herzien en de uitkering niet is
uitbetaald. Bij het niet tijdig nemen
van een beslissing is dit de eerste dag van de
maand volgend op de maand waarin
de datum valt waarin het besluit
genomen had moeten worden.
Art. 2.
Wettelijke rente over een
nabetaalde uitkering of een te
restitueren bedrag wordt slechts vergoed indien
de belanghebbende daartoe een verzoek heeft ingediend (en overigens aan
de overige voorwaarden is voldaan).
Art. 3.
De uitvoeringsinstelling die
bevoegd is het onrechtmatig gebleken
besluit af te geven, neemt de verzoeken om
schadevergoeding in behandeling.
Art. 4.
Het beleid van de voormalige
bedrijfsverenigingen op het terrein van de schadevergoeding komt te
vervallen.
Art. 5.
Dit besluit treedt in
werking op de tweede dag na de
bekendmaking van dit besluit in de Staatscourant.
Art. 6.
Dit besluit wordt aangehaald
als: Besluit schadebeleid.
Dit besluit zal met de
toelichting in de Staatscourant worden
gepubliceerd.
Amsterdam, 10 maart 1999.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
TOELICHTING
[10 maart 1999]
Algemeen
Aansprakelijkheid voor
schade uit onrechtmatig handelen is een
civielrechtelijk onderwerp dat voornamelijk langs civielrechtelijke weg
wordt ingevuld.
Daarnaast hebben de
bestuursrechters in toenemende mate gebruik
gemaakt van de hen met de invoering
van de Algemene wet bestuursrecht
gegeven mogelijkheid om naast de beoordeling van het materiële
sv-geschil [sv: sociale verzekering, red.], tevens een uitspraak te doen over de
hiermee samenhangende schadeaspecten. De bestuursrechters hebben
hierbij op een groot aantal punten
aansluiting gezocht bij het civielrechtelijk
schadevergoedingsrecht, echter op een aantal aspecten wordt hiervan afgeweken.
Inmiddels zijn de diverse
aspecten van de aansprakelijkheid in de
jurisprudentie grotendeels
uitgekristalliseerd. Op enkele punten van de
aansprakelijkheidsproblematiek is (nog) geen rechtspraak voorhanden.
Op het terrein van de
aansprakelijkstellingen van het Lisv [Landelijk instituut sociale
verzekeringen, zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.] en de
uitvoeringsinstellingen voor (gesteld) onrechtmatig
handelen wordt in bijgaand besluit
beleid geformuleerd op die punten
waarover (nog) geen rechtspraak
voorhanden is en/of waarin het Lisv nog
ruimte heeft beleid te formuleren.
Artikelsgewijs
Artikel 1
Wettelijke rente is
verschuldigd vanaf het moment dat de uitkering
zou zijn verstrekt als direct het
juiste besluit was genomen.
Voor de WAZ, Wajong en
WAO
heeft de Centrale Raad van Beroep (RSV 1996/235) voor de
ingangsdatum van de wettelijke rente een
praktische oplossing voorgeschreven.
Hoewel de ZW en de WW in
tegenstelling tot de eerder genoemde
wetten bepalingen bevatten binnen
welke termijn een uitkering betaald dient
te worden, wordt uit praktisch oogpunt
voor het bepalen van de
ingangsdatum van de verschuldigdheid van
wettelijke rente aangesloten bij de
benadering van de Centrale Raad van Beroep
voor de WAZ, Wajong en WAO. Door
deze praktische benadering wordt
de belanghebbende niet financieel benadeeld. Bovendien is een dergelijke
benadering uitvoeringstechnisch het eenvoudigst. Gelet op de
betalingstermijnen in de WW is de ingangsdatum van de wettelijke rente geen vast gegeven als
wordt uitgegaan van de toekenningsbeslissing. Uit oogpunt van uniformiteit
geldt dezelfde systematiek bij het
niet tijdig nemen van een besluit.
Artikel 2
De huidige gedragslijn is om
bij een onrechtmatig gebleken
beslissing slechts wettelijke rente over een
nabetaalde uitkering of een te restitueren bedrag
te vergoeden indien de belanghebbende daartoe een verzoek heeft
ingediend. Deze gedragslijn wordt voortgezet.
Artikel 3
Als een
uitvoeringsinstelling een uitkering nabetaalt als gevolg van een
door een andere - achteraf
onbevoegd gebleken - uitvoeringsinstelling
afgegeven onrechtmatig besluit, kan onduidelijkheid bestaan over de plaats waar
een schadeclaim moet worden
afgehandeld. De niet-bevoegde
uitvoeringsinstelling pleegde weliswaar een
onrechtmatige daad, maar hoeft niet na te
betalen, zodat voor een wettelijke
rentevergoeding geen plaats is. De wel-bevoegde uitvoeringsinstelling was
daarentegen niet (eerder) bekend met het
bestaan van de verzekerde en de
hiermee samenhangende
uitkeringsverplichtingen en treft zodoende geen blaam
dat de betaling zo lang op zich
heeft laten wachten.
Een rechtzoekende mag in
geen geval de dupe mag worden van
onenigheid tussen de gecontracteerde
uitvoeringsinstellingen over de vraag wie de
vordering nu in behandeling moet
nemen. Aangezien de bevoegde
uitvoeringsinstelling (normaal gesproken) in het bezit is van het gehele
dossier en de eerdere onjuiste beslissing
ook namens het Lisv werd afgegeven,
handelt deze het schadeverzoek af.
Artikel 4
Een aantal voormalige
bedrijfsverenigingen hebben op het terrein van de schadevergoeding beleid
ontwikkeld. Dit beleid is de weerslag
van de destijds bestaande jurisprudentie.
Dit BV-beleid [BV: bedrijfsvereniging, red.] wordt ingetrokken.
Artikel 5
Na het
inwerking-treden van
het besluit geschiedt de beoordeling van
schadeclaims overeenkomstig beschreven beleidslijn.
Nadere informatie kan worden
ingewonnen bij het Landelijk instituut sociale verzekeringen,
postbus 74765, 1070 BT Amsterdam [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.].
Amsterdam, 10 maart 1999.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
|