St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 
vorige

Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Nadere regelgeving
Bijgewerkt naar laatste editie Staatsblad/Staatscourant

 

BESLUIT  UURLOONSCHATTING  1999
 
 

11 februari 1999, Stcrt. 1999, 40
Inwerkingtreding: 1 april 1999
(T.a.v. Sa)
(Zie ook Bu08)

 

  
 

 

 
     Het bestuur van het Landelijk instituut sociale verzekeringen;
     Gelet op het Besluit van 24 december 1997, houdende wijziging van het Schattingsbesluit, Stb. 1997, 802, en het Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong, Stb. 1997, 801; ¹

1. Zie Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, red.

     Besluit:

 

 

Art. 1.
-1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert ter zake van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling, voor zover een uurloonvergelijking van toepassing is, een beleid als weergegeven in de bijlage bij dit besluit.
-2. Vanaf 1 oktober 2004 wordt dit besluit nog slechts toegepast ter zake van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling van degene:
a. van wie het recht op uitkering is ingegaan vóór 1 oktober 2004; en
b. die vóór of op 1 juli 1959 is geboren dan wel op wie het tot 1 januari 1987 of het tot 1 augustus 1993 geldende arbeidsongeschiktheidscriterium van toepassing is.

 

Art. 2.
Dit besluit treedt in werking op 1 april 1999. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 30 maart 1999, treedt het in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Het besluit is van toepassing met ingang van de eerstvolgende beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid en waarvan de schriftelijke aanzegging van de mate van arbeidsongeschiktheid is verzonden op of na de datum van inwerkingtreding van dit besluit.

 

Art. 3.
Besluiten van de bedrijfsverenigingen gebaseerd op de Mededeling van het Tica M 95.86, de besluiten van de Bedrijfsvereniging voor de havenbedrijven, binnenvaart en visserij en de Bedrijfsvereniging voor de Koopvaardij met betrekking tot de maatman, alsmede de Mededeling van het Tica M 95.86, die krachtens artikel 7 van de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 gelden als besluiten van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, worden ingetrokken.

 

Art. 4.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uurloonschatting 1999.

 

 

     Dit besluit met de bijlage wordt in de Staatscourant gepubliceerd.

 

Amsterdam, 11 februari 1999.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.

 

 

 

BIJLAGE

 

1. Inleiding


     De uurloonvergelijking is met ingang van 30 december 1997 wettelijk verankerd in het gewijzigde Schattingsbesluit, Staatsblad 1997, 802, en het Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong, Staatsblad 1997, 801 [zie Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, red.]. De uurloonvergelijking houdt in dat het arbeidsongeschiktheidspercentage (ao%) wordt bepaald op basis van een vergelijking van het uurloon van de maatman (uurloon mm) met het uurloon van de resterende verdiencapaciteit (uurloon rvc).

     Dit gebeurt volgens de formule:
uurloon - uurloon rvc x 100% = ao% uurloon mm

     Het maatmaninkomen en de resterende verdiencapaciteit worden in het besluit uitgedrukt in een bedrag per uur. Tevens moet bij de berekening van hetgeen betrokkene met arbeid kan verdienen, uitgegaan worden van (ongeveer) de urenomvang van de maatman (artikel 3, eerste lid, Schattingsbesluit WAO, WAZ, Wajong en toelichting [zie Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, red.]). In deze bijlage wordt uitgelegd op welke wijze rekening wordt gehouden met deze omvang. Bij het selecteren van functies met behulp van het CBBS [Claimbeoordelings- en borgingssysteem, red.] wordt bij toepassing van het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium een combinatie van functies geselecteerd die leidt tot de hoogst mogelijke resterende verdiencapaciteit. Voor schattingen onder het nieuwe en het oude en middencriterium wordt daarnaast in deze bijlage specifiek beleid vastgesteld. Niet altijd kunnen op deze manier voldoende functies worden geduid. Moeten functies worden geduid met een urenomvang kleiner dan de bandbreedte, dan wordt bij de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid rekening gehouden met deze kleinere urenomvang.

 

2. Bandbreedte methode


     Bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid ligt het accent op de arbeid die de cliënt nog wél kan verrichten. Er wordt geen rekening mee gehouden of die arbeid met het oog op opleiding en vroeger beroep in billijkheid is op te dragen. Bij het bepalen van de arbeidsmogelijkheden stapt men over de grenzen van het vroegere functie- en beroepsniveau heen, zowel in de diepte (lagere functie-eisen) als in de breedte (andere functie-eisen). Tot hoever men hier kan gaan, wordt begrensd door iemands krachten (fysiek en psychisch) en bekwaamheden.
     Het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten schrijft voor dat bij de berekening van hetgeen betrokkene met arbeid kan verdienen, wordt uitgegaan van de urenomvang van de maatmanarbeid. In de toelichting wordt dit genuanceerd en wordt uitgegaan van ongeveer de urenomvang van de maatmanarbeid. Bij de toepassing van deze bepaling wordt een bandbreedte vastgesteld. De omvang van deze bandbreedte is afhankelijk van de omvang van de maatmanarbeid en is drie, vier of vijf uren volgens onderstaand schema.

Omvang maatman Bandbreedte
0 t/m 15 uur per week: omvang maatman plus 3 uren
16 t/m 30 uur per week: omvang maatman plus 4 uren
>30 uur per week: omvang maatman plus 5 uren

 
     Bijvoorbeeld: bij een maatmanomvang van 12 uur per week is de bandbreedte 12 tot en met 15 uur.
     Bij het duiden van functies zijn er de volgende mogelijkheden:
1. Een SBC-code [SBC: Standaard Beroepenclassificatie, red.] duiden waarbij de urenomvang van de functie(s) binnen de bandbreedte valt. Wordt daarbij niet voldaan aan de voorwaarde van minimaal zeven arbeidsplaatsen per SBC-code, dan worden één of meer functies met een urenomvang boven dan wel onder de bandbreedte toegevoegd.
2. Een SBC-code duiden waarbij zowel een functie met een urenomvang boven als een functie met een urenomvang onder de bandbreedte wordt geselecteerd, waardoor aannemelijk is dat binnen de SBC-code ook functies voorkomen met een urenomvang binnen de bandbreedte.
3. Een SBC-code duiden waarbij de urenomvang van de functie(s) kleiner is dan de urenomvang van de maatmanarbeid.
     De hiervoor weergegeven mogelijkheden worden zodanig toegepast dat een combinatie van minimaal drie SBC-codes wordt geselecteerd die leidt tot de hoogst mogelijke resterende verdiencapaciteit. Vervolgens wordt bij de berekening van de resterende verdiencapaciteit als volgt rekening gehouden met de urenomvang van de maatmanarbeid. Worden uitsluitend functies geduid met toepassing van de mogelijkheden 1 en 2, dan wordt de resterende verdiencapaciteit zonder meer vastgesteld op het mediane uurloon. Wordt minimaal één SBC-code geduid volgens mogelijkheid 3, dan wordt het mediane uurloon vermenigvuldigd met een factor a/b. Hierbij is a gelijk aan de urenomvang van de geduide arbeid en is b gelijk aan de urenomvang van de maatmanarbeid. De urenomvang onder a wordt als volgt vastgesteld. Eerst wordt de urenomvang per SBC-code gesteld op de grootste urenomvang van de binnen die SBC-code geselecteerde functies. Vervolgens wordt van de drie bij de schatting gehanteerde SBC-codes de kleinste urenomvang aangehouden. Het principe van deze methode van uurloonvergelijking vindt plaats in verschillende situaties of combinaties van situaties zoals voltijd, deeltijd, meer dan voltijd, (doorwerkende) zelfstandigen, inkomsten uit arbeid en medische urenbeperking. Voor de laatste twee situaties gelden aanvullende bepalingen.

 

3. Schatting op feitelijke inkomsten


     Bij inkomsten uit arbeid beoordeelt de uitvoeringsinstelling of deze inkomsten binnen de resterende verdiencapaciteit op grond van gangbare arbeid vallen of dat deze inkomsten meer bedragen dan de verdiencapaciteit op grond van gangbare arbeid. Bij de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid zal rekening moeten worden gehouden met de omvang van de feitelijk verrichte werkzaamheden. De wijze van berekening sluit nauw aan bij de uurloonvergelijking op grond van gangbare arbeid. Als de urenomvang van de feitelijke verdiensten kleiner is dan de urenomvang van de maatman, wordt het uurloon gereduceerd. De factor waarmee het uurloon wordt gereduceerd is:
urenomvang feitelijke inkomsten / urenomvang maatman.
     Als de urenomvang van de feitelijke verdiensten groter is dan de urenomvang van de maatman, wordt uitgegaan van het feitelijke uurloon. In deze laatste situatie heeft een urenuitbreiding geen invloed op de mate van arbeidsongeschiktheid. Voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid maakt het niet uit of de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling definitief is of dat er vooralsnog sprake is van anticumulatie van inkomsten.

 

4. Schatting op basis van combinaties van functies


     In de huidige uitvoeringspraktijk worden in sommige gevallen combinaties van functies geduid die samen leiden tot een urenomvang die ongeveer gelijk is aan de urenomvang van de maatman. Dit kan zich met name voordoen bij de maatman die meer uren per week heeft gewerkt dan circa 40 uur. De arbeidsongeschiktheidsbeoordeling op basis van een combinatie van functies is mogelijk als naast de voorwaarden voor de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling wordt voldaan aan de volgende criteria, namelijk:
• er medisch geen bezwaar bestaat tegen het vervullen van de combinatie van functies en met name de gecombineerde belasting daarvan. Hierbij mede in aanmerking genomen de omstandigheid dat het vervullen van twee functies in het algemeen belastender is dan het vervullen van één functie gedurende hetzelfde aantal uren;
• de voorgehouden geschikte functies blijkens arbeidskundig onderzoek aantoonbaar in een zodanige omvang voorkomen dat zij tezamen in de "gewenste" omvang kunnen worden vervuld;
• aangetoond wordt de voorgehouden functies ook feitelijk kunnen worden gecombineerd qua arbeidstijden, de vereiste reis- en rusttijden en dergelijke.

 

5. Medische urenbeperking


     Wordt de cliënt op medische gronden slechts gedurende een beperkt aantal uren belastbaar geacht, dan worden slechts functies geduid met een omvang van maximaal dit aantal uren.
     Wordt de cliënt op medische gronden gedurende een geringer aantal uren belastbaar geacht dan het aantal maatmanuren, dan wordt eerst het mediane uurloon van de geduide functies gemaximeerd op het maatmaninkomen per uur en wordt vervolgens de reductiefactor toegepast als beschreven in onderdeel 2 van deze bijlage.

 

6. Inwerkingtreding


     Dit beleid treedt in werking met ingang van de datum genoemd in het besluit. Bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen die moeten plaatsvinden volgens dit beleid is de datum van de verzending van de zogenaamde aanzeggingsbrief bepalend. In de aanzeggingsbrief worden cliënten geïnformeerd over de uitkomst van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. De schriftelijke aanzegging kan worden gedaan door een afzonderlijk schrijven, gevolgd door formele beslissing of uitsluitend door een formele beslissing. De datum van verzending van de schriftelijke aanzegging is bepalend voor het toepassen van dit besluit. Alle gevallen waarin de schriftelijke aanzegging is gedaan op of na de datum van inwerkingtreding van dit besluit dienen te zijn beoordeeld volgens dit beleid.

 

7. Verhoging en verlaging bij herziening op arbeidskundige gronden


     Als gevolg van de toepassing van het Besluit uurloonschatting 1999 kan de herbeoordeling leiden tot wijziging van de mate van arbeidsongeschiktheid ten opzichte van een vorige beoordeling op arbeidskundige gronden. De herziening op arbeidskundige gronden is derhalve een gevolg van de vastgestelde algemene maatregelen van bestuur, het gewijzigd Schattingsbesluit (Stb. 1997, 802) en het Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong (Stb. 1997, 801) [zie Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, red.]. De datum waarop een verhoging van de herziening op arbeidskundige gronden wordt geëffectueerd, is de datum van de herbeoordeling. Dit is de datum waarop het laatste mondelinge contact plaatsvindt tussen cliënt en arbeidsdeskundige in het kader van de herbeoordeling. Bij een verlaging op arbeidskundige gronden worden de uitlooptermijnen uit het Besluit einde wachttijd en uitlooptermijnen WAO, WAZ en Wajong 1999 (Stcrt. 1998, 236 [zie Stcrt. 2000, 158, red.]) in acht genomen.

 

Nadere inlichtingen zijn verkrijgbaar bij het Landelijk instituut sociale verzekeringen, postbus 74765, 1070 BT Amsterdam [zie Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), red.].

 

Amsterdam, 11 februari 1999.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | WAO | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x