|
Het bestuur van het
Landelijk instituut sociale verzekeringen;
Gelet op het Besluit van 24
december 1997, houdende wijziging van
het Schattingsbesluit, Stb.
1997, 802, en het Schattingsbesluit WAO, WAZ
en Wajong, Stb. 1997, 801; ¹
1. Zie Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten, red.
Besluit:
Art. 1.
-1. Het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen voert ter zake van de
arbeidsongeschiktheidsbeoordeling, voor zover een uurloonvergelijking
van toepassing is, een beleid als weergegeven in de bijlage
bij dit besluit.
-2. Vanaf 1 oktober 2004 wordt dit besluit
nog slechts toegepast ter zake van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling
van degene:
a. van wie het recht op uitkering is
ingegaan vóór 1 oktober 2004; en
b. die vóór of op 1 juli 1959 is
geboren dan wel op wie het tot 1 januari 1987 of het tot 1 augustus 1993
geldende arbeidsongeschiktheidscriterium van toepassing is.
Art. 2.
Dit besluit treedt in
werking op 1 april 1999. Indien de Staatscourant waarin dit besluit wordt geplaatst,
wordt uitgegeven na 30 maart 1999, treedt het
in werking met ingang van de
tweede dag na de dagtekening van de
Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Het besluit is van toepassing
met ingang van de eerstvolgende
beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid en waarvan de schriftelijke
aanzegging van de mate van
arbeidsongeschiktheid is verzonden op of na de datum
van inwerkingtreding van dit
besluit.
Art. 3.
Besluiten van de
bedrijfsverenigingen gebaseerd op de Mededeling
van het Tica M 95.86, de besluiten
van de Bedrijfsvereniging voor de
havenbedrijven, binnenvaart en visserij en
de Bedrijfsvereniging voor de
Koopvaardij met betrekking tot de
maatman, alsmede de Mededeling van het Tica M 95.86, die krachtens artikel
7 van de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 gelden
als besluiten van het Landelijk instituut
sociale verzekeringen, worden ingetrokken.
Art. 4.
Dit besluit wordt aangehaald
als: Besluit uurloonschatting 1999.
Dit besluit met de
bijlage wordt in de Staatscourant gepubliceerd.
Amsterdam, 11 februari 1999.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
BIJLAGE
1. Inleiding
De uurloonvergelijking is
met ingang van 30 december 1997
wettelijk verankerd in het gewijzigde
Schattingsbesluit, Staatsblad 1997, 802, en het
Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong,
Staatsblad 1997, 801 [zie Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten, red.]. De
uurloonvergelijking houdt in dat het
arbeidsongeschiktheidspercentage (ao%) wordt bepaald op basis van een
vergelijking van het uurloon van de maatman
(uurloon mm) met het uurloon van
de resterende verdiencapaciteit (uurloon
rvc).
Dit gebeurt volgens de
formule:
uurloon - uurloon rvc x
100% = ao% uurloon mm
Het maatmaninkomen en de
resterende verdiencapaciteit worden in
het besluit uitgedrukt in een bedrag per
uur. Tevens moet bij de
berekening van hetgeen betrokkene met arbeid kan
verdienen, uitgegaan worden van
(ongeveer) de urenomvang van de maatman
(artikel 3, eerste lid,
Schattingsbesluit WAO, WAZ, Wajong en
toelichting [zie Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, red.]). In
deze bijlage wordt uitgelegd
op welke wijze rekening wordt
gehouden met deze omvang. Bij het selecteren van functies met behulp van
het CBBS [Claimbeoordelings- en borgingssysteem, red.] wordt bij
toepassing van het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium een combinatie
van functies geselecteerd die leidt tot de hoogst mogelijke resterende
verdiencapaciteit.
Voor schattingen onder het nieuwe
en het oude en middencriterium
wordt daarnaast in deze bijlage specifiek
beleid vastgesteld. Niet altijd kunnen op deze manier voldoende functies
worden geduid. Moeten functies
worden geduid met een urenomvang kleiner
dan de bandbreedte, dan wordt bij
de berekening van de mate van
arbeidsongeschiktheid rekening gehouden met deze kleinere urenomvang.
2. Bandbreedte methode
Bij de beoordeling
van de mate van arbeidsongeschiktheid ligt het accent op de arbeid die
de cliënt nog wél kan verrichten. Er wordt geen rekening mee gehouden
of die arbeid met het oog op opleiding en vroeger beroep in billijkheid
is op te dragen. Bij het bepalen van de arbeidsmogelijkheden stapt men
over de grenzen van het vroegere functie- en beroepsniveau heen, zowel
in de diepte (lagere functie-eisen) als in de breedte (andere
functie-eisen). Tot hoever men hier kan gaan, wordt begrensd door
iemands krachten (fysiek en psychisch) en bekwaamheden.
Het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
schrijft voor dat bij de berekening van hetgeen betrokkene met arbeid
kan verdienen, wordt uitgegaan van de urenomvang van de maatmanarbeid.
In de toelichting wordt dit genuanceerd
en wordt uitgegaan van ongeveer de urenomvang van de maatmanarbeid. Bij
de toepassing van deze bepaling wordt een bandbreedte vastgesteld. De
omvang van deze bandbreedte is afhankelijk van de omvang van de
maatmanarbeid en is drie, vier of vijf uren volgens onderstaand schema.
| Omvang maatman
|
Bandbreedte
|
| 0 t/m 15 uur per week:
|
omvang
maatman plus 3 uren
|
| 16 t/m 30 uur per week:
|
omvang maatman plus 4 uren
|
| >30 uur per week: |
omvang
maatman plus 5 uren
|
Bijvoorbeeld: bij een maatmanomvang van 12 uur
per week is de bandbreedte 12 tot en met 15 uur.
Bij het duiden van functies zijn er de volgende
mogelijkheden:
1. Een SBC-code [SBC: Standaard Beroepenclassificatie, red.]
duiden waarbij de urenomvang van de functie(s) binnen de bandbreedte
valt. Wordt daarbij niet voldaan aan de voorwaarde van minimaal zeven
arbeidsplaatsen per SBC-code, dan worden één of meer functies met een
urenomvang boven dan wel onder de bandbreedte toegevoegd.
2. Een SBC-code duiden waarbij zowel een functie met een urenomvang
boven als een functie met een urenomvang onder de bandbreedte wordt
geselecteerd, waardoor aannemelijk is dat binnen de SBC-code ook
functies voorkomen met een urenomvang binnen de bandbreedte.
3. Een SBC-code duiden waarbij de urenomvang van de functie(s) kleiner
is dan de urenomvang van de maatmanarbeid.
De hiervoor weergegeven mogelijkheden worden
zodanig toegepast dat een combinatie van minimaal drie SBC-codes wordt
geselecteerd die leidt tot de hoogst mogelijke resterende
verdiencapaciteit. Vervolgens wordt bij de berekening van de resterende
verdiencapaciteit als volgt rekening gehouden met de urenomvang van de
maatmanarbeid. Worden uitsluitend functies geduid met toepassing van de
mogelijkheden 1 en 2, dan wordt de resterende verdiencapaciteit zonder
meer vastgesteld op het mediane uurloon. Wordt minimaal één SBC-code
geduid volgens mogelijkheid 3, dan wordt het mediane uurloon
vermenigvuldigd met een factor a/b. Hierbij is a gelijk aan de
urenomvang van de geduide arbeid en is b gelijk aan de urenomvang van de
maatmanarbeid. De urenomvang onder a wordt als volgt vastgesteld. Eerst
wordt de urenomvang per SBC-code gesteld op de grootste urenomvang van
de binnen die SBC-code geselecteerde functies. Vervolgens wordt van de
drie bij de schatting gehanteerde SBC-codes de kleinste urenomvang
aangehouden. Het principe van deze methode van uurloonvergelijking vindt
plaats in verschillende situaties of combinaties van situaties zoals
voltijd, deeltijd, meer dan voltijd, (doorwerkende) zelfstandigen,
inkomsten uit arbeid en medische urenbeperking. Voor de laatste twee
situaties gelden aanvullende bepalingen.
3. Schatting op feitelijke
inkomsten
Bij inkomsten uit arbeid
beoordeelt de uitvoeringsinstelling of
deze inkomsten binnen de resterende
verdiencapaciteit op grond van gangbare arbeid
vallen of dat deze inkomsten meer
bedragen dan de verdiencapaciteit op
grond van gangbare arbeid. Bij de
berekening van de mate van
arbeidsongeschiktheid zal rekening moeten worden
gehouden met de omvang van de feitelijk
verrichte werkzaamheden. De wijze van
berekening sluit nauw aan bij de
uurloonvergelijking op grond van gangbare arbeid. Als de urenomvang
van de feitelijke verdiensten kleiner is dan
de urenomvang van de maatman,
wordt het uurloon gereduceerd. De
factor waarmee het uurloon wordt
gereduceerd is:
urenomvang feitelijke inkomsten / urenomvang maatman.
Als de urenomvang van de
feitelijke verdiensten groter is dan de
urenomvang van de maatman, wordt
uitgegaan van het feitelijke uurloon.
In deze laatste situatie heeft een urenuitbreiding geen invloed op de mate van
arbeidsongeschiktheid. Voor de berekening van de mate van
arbeidsongeschiktheid maakt het niet uit of de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling
definitief is of dat er vooralsnog sprake is
van anticumulatie van inkomsten.
4. Schatting op basis van
combinaties van functies
In de huidige
uitvoeringspraktijk worden in sommige gevallen
combinaties van functies geduid die
samen leiden tot een urenomvang die
ongeveer gelijk is aan de urenomvang van de
maatman. Dit kan zich met name
voordoen bij de maatman die meer uren
per week heeft gewerkt dan circa 40
uur. De arbeidsongeschiktheidsbeoordeling
op basis van een combinatie van
functies is mogelijk als naast de
voorwaarden voor de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling wordt voldaan aan de
volgende criteria, namelijk:
• er medisch geen bezwaar
bestaat tegen het vervullen van de
combinatie van functies en met name de
gecombineerde belasting daarvan. Hierbij
mede in aanmerking genomen de omstandigheid dat het vervullen van twee
functies in het algemeen belastender is
dan het vervullen van één functie
gedurende hetzelfde aantal uren;
• de voorgehouden geschikte
functies blijkens arbeidskundig
onderzoek aantoonbaar in een zodanige omvang voorkomen dat zij tezamen in
de "gewenste" omvang kunnen worden vervuld;
• aangetoond wordt de
voorgehouden functies ook feitelijk
kunnen worden gecombineerd qua
arbeidstijden, de vereiste reis- en rusttijden en
dergelijke.
5. Medische urenbeperking
Wordt de cliënt op
medische gronden slechts gedurende een beperkt aantal uren belastbaar
geacht, dan worden slechts functies geduid met een omvang van maximaal
dit aantal uren.
Wordt de cliënt op medische gronden gedurende
een geringer aantal uren belastbaar geacht dan het aantal maatmanuren,
dan wordt eerst het mediane uurloon van de geduide functies gemaximeerd
op het maatmaninkomen per uur en wordt vervolgens de reductiefactor
toegepast als beschreven in onderdeel 2 van deze
bijlage.
6. Inwerkingtreding
Dit beleid treedt in werking
met ingang van de datum genoemd in het
besluit. Bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen die moeten plaatsvinden
volgens dit beleid is de datum van
de verzending van de zogenaamde
aanzeggingsbrief bepalend. In de aanzeggingsbrief worden cliënten
geïnformeerd over de uitkomst van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling.
De schriftelijke aanzegging kan worden gedaan door een afzonderlijk
schrijven,
gevolgd door formele beslissing of
uitsluitend door een formele beslissing. De
datum van verzending van de
schriftelijke aanzegging is bepalend voor het
toepassen van dit besluit. Alle gevallen
waarin de schriftelijke aanzegging is gedaan op of na de datum van
inwerkingtreding van dit besluit dienen te zijn
beoordeeld volgens dit beleid.
7. Verhoging en verlaging bij
herziening op arbeidskundige gronden
Als gevolg van de toepassing
van het Besluit uurloonschatting
1999 kan de herbeoordeling leiden tot
wijziging van de mate van
arbeidsongeschiktheid ten opzichte van een vorige
beoordeling op arbeidskundige gronden. De
herziening op arbeidskundige gronden is
derhalve een gevolg van de
vastgestelde algemene maatregelen van bestuur, het gewijzigd Schattingsbesluit
(Stb. 1997, 802) en het
Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong (Stb. 1997,
801) [zie Schattingsbesluit
arbeidsongeschiktheidswetten, red.]. De datum waarop een verhoging
van de herziening op arbeidskundige
gronden wordt geëffectueerd, is de
datum van de herbeoordeling. Dit is de
datum waarop het laatste mondelinge contact plaatsvindt tussen cliënt
en arbeidsdeskundige in het kader van de herbeoordeling. Bij een verlaging op
arbeidskundige gronden worden de
uitlooptermijnen uit het Besluit einde
wachttijd en uitlooptermijnen WAO, WAZ
en Wajong 1999 (Stcrt. 1998, 236 [zie Stcrt. 2000,
158, red.]) in acht genomen.
Nadere inlichtingen zijn
verkrijgbaar bij het Landelijk instituut sociale verzekeringen, postbus 74765, 1070 BT
Amsterdam [zie Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV), red.].
Amsterdam, 11 februari 1999.
J.F. Buurmeijer, voorzitter.
|